Spring naar inhoud

Kies wijs!

Volgende week zijn de landelijke verkiezingen, dat had u ondertussen wel gemerkt. Wat gaan we stemmen? Steeds meer mensen zitten niet meer aan een bepaalde partij vastgebakken. De zwevende kiezer bepaalt elke keer weer opnieuw op wie hij deze keer gaat stemmen. Trouw aan een partij is aan het verdwijnen. Maar hoe blijf je ondertussen trouw aan je eigen idealen? Hoe stem je wijs, hoe stem je niet alleen met je hoofd maar ook met je hart?

Om een verstandige keuze te kunnen maken, zijn er vele kieswijzers op internet te vinden. Naast de kieswijzers die breed van opzet zijn, zijn er ook die zich beperken tot een bepaalde invalshoek. Ik kwam onder andere de volgende drie tegen: de levensbeschouwelijke kieswijzer, de vredesstemwijzer en de kieswijzer discriminatie en mensenrechten. Ze zijn de moeite van het opzoeken op internet waard. Dit zijn natuurlijk belangrijke invalshoeken maar iedereen laat ons ondertussen geloven dat het dit keer alleen gaat om de economische crisis en om Europa. Wat is daarin wijsheid van hoofd en hart? Die wijsheid zit zeker niet alleen in getallen over economische groei, inkomensontwikkeling en staatsschuld. Die wijsheid kijkt ook naar de gevolgen voor anderen. Het gaat om het algemeen belang en dat is wat anders dan het eigenbelang.

Een wijs oordeel houdt rekening met de gevolgen voor individuele mensen en voor groepen mensen in de verdrukking waar ook ter wereld. Gaat onze welvaart niet ten koste van de waardigheid van mensen doordat ze enkel gezien worden als arbeidskracht, als consument, als economisch begrip. Worden er geen mensen uitgesloten? Is er nog ruimte voor ontwikkeling? Kunnen jonge mensen zich ontwikkelen tot gelukkige goede mensen? En ook: kunnen volkeren zich ontwikkelen? Gaat onze welvaart niet ten koste van anderen in Nederland, in Europa of waar ook ter wereld? Zijn we bereid tot solidariteit? Het gaat ook om de gevolgen voor vrede en veiligheid. Leidt onze honger naar grondstoffen niet tot oorlog en geweld in ontwikkelingslanden? Een ander criterium is de duurzaamheid. Gaat onze welvaart niet ten koste van het voortbestaan van deze wereld en dus ten koste van de komende generaties?

Het is zo gemakkelijk nog niet om zwevende kiezer te zijn. Je moet echt goed nadenken over de toekomst van de wereld en je eigen positie daarin. Veel makkelijker is het als je je vertrouwen aan een partij kunt geven: een partij met duidelijke idealen en een partij die kunt vertrouwen en waarvan je weet dat ze daar al deze belangen zorgvuldig afwegen. Hoe dan ook: ik wens u volgende week veel wijsheid bij het uitbrengen van uw stem. En tenslotte: luister naar uw hart en niet alleen naar uw eigen portemonnee. En wees niet bang: angst is een slechte raadgever!

Column in Telstar, 5 september 2012

De hemel geeft, wie vangt die heeft; Joh 6,1-69

Vijf zondagen achter elkaar lezen we uit het verhaal over de broodvermenigvuldiging. Johannes besteedt veel aandacht aan dit verhaal. Bij de andere evangelisten wordt alleen de gebeurtenis verteld. Johannes verhaalt ook over de gevolgen ervan. Hij vertelt uitvoerig over de reacties van de mensen en over de uitleg die Jezus geeft.

Laten we het verhaal nog even op een rij zetten. Op de 17e zondag horen we hoe Jezus met vijf broden en twee vissen een hele menigte te eten geeft. De week daarop wordt verteld hoe een enthousiaste menigte Jezus volgt. Jezus legt hen uit dat het niet gaat om brood dat vergaat, maar om brood uit de hemel. Het brood uit de hemel geeft leven aan de wereld. Jezus is zelf het brood des levens.

Op de 19e zondag horen we hoe de uitleg van Jezus leidt tot gemor onder de joden. De mensen accepteren de gevolgen van de uitleg van Jezus niet. Er ontstaat verwijdering tussen Jezus en zijn toehoorders. Ze zijn niet bereid Hem in zijn uitleg te volgen. Een zondag later zet Jezus de zaak op scherp. Hij heeft het niet meer over brood. Nee, het gaat over het eten en drinken van zijn vlees en bloed. Hierdoor wordt de verdeeldheid nog groter. Zijn vlees en bloed eten en drinken is toch onmogelijk. Op de 21e zondag horen we hoe dit ook vele leerlingen te ver gaat. De taal, de woorden die Jezus spreekt, stuit hen tegen de borst. Ze kunnen het niet aanhoren. Ze begrijpen er helemaal niets van. Zij keren zich af van Jezus. Alleen de twaalf blijven over.

Een rode draad in het verhaal is: de bereidheid om Jezus te volgen. Jezus volgen, dat is geen kwestie van begrijpen wat Hij zegt, niet een kwestie van het verhaal snappen, het systeem doorgronden. Het is eerder het tegenovergestelde. Jezus volgen is geen zaak van begrijpen maar van aanvaarden: het aan te durven, dat je door Hem geleid wordt, dat je binnengeleid wordt in een wonderlijke wereld, in het mysterie. Dat begint al met de leerlingen die vijf broden en twee vissen moeten uitdelen aan duizenden mensen.

Jezus laat ons zien dat je nooit te weinig hebt om te kunnen delen. Alles wat je hebt, is een gave en kun je dus doorgeven, hoe weinig het ook is. Dit geldt bovenal voor de liefde en het geluk, gaven die God ons geeft. Wij worden opgeroepen heel ons leven met anderen te delen. Zelfs ons verdriet, onze pijn en onze teleurstellingen mogen wij delen met anderen. Delen geeft meer liefde en meer geluk. Delen geeft leven.

De wereld waarin Jezus ons binnenleidt is een wereld van overvloed: Gods genade en zijn liefde voor ons zijn grenzeloos. En dat alles wordt ons gegeven, gratis en om niet. Maar toch wordt het niet door ieder ontvangen. Wie het niet ziet, wie het niet wil geloven, wie blind is voor Gods grootheid en goedheid: het gaat aan hem voorbij.

Ik moest denken aan een uitspraak die ik hoorde van Fedor den Hertog, de vroegere wielrenner. Hij beloofde een groot renner te worden, maar door een ernstig ongeluk is dat er niet van gekomen. Vorig jaar is hij aan kanker overleden. Hem hoorde ik in een interview met Mart Smeets zeggen: “De hemel geeft, wie vangt die heeft.” Een oud gezegde: hij leefde ernaar, het was zijn levensmotto. Hij was met zijn racefiets in volle vaart tegen een auto aangereden. Dat was hem bijna fataal geworden. Door dit ongeluk was zijn kijk op het leven radicaal veranderd. Wie open staat voor de mogelijkheden, die de hemel biedt, kan alle moeilijkheden overwinnen. Wie er aan meewerkt, blijft niet met lege handen achter: de hemel geeft, wie vangt die heeft. Het ging daarbij om geheel andere zaken dan waar de meesten aan denken. En het gaat hier al helemaal niet over ‘mag ik effe vangen’.

Wie ervoor open staat en ontvankelijk is, die krijgt telkens weer en telkens meer. Wie zich ervoor afsluit, krijgt helemaal niets en hem wordt alle hoop ontnomen. Ontvankelijk zijn, het mysterie aanvaarden, bereid zijn Jezus te volgen, houdt in Hem te aanvaarden zoals Hij is. Wij kunnen Jezus niet bezitten, niet hebben: Jezus is. Jezus zegt: “Ik ben…” Wij kunnen Jezus niet naar onze eigen wensen en verwachtingen modelleren. Wij kunnen God niet voor ons eigen karretje spannen. Wij kunnen het mysterie niet onderbrengen in een systeem. Het geluk is niet met een verzekeringspolis en een banksaldo te garanderen.

Willen wij werkelijk tot leven komen, moeten wij kunnen ontvangen. We moeten bereid zijn het offer te aanvaarden dat Jezus voor ons gebracht heeft. Zijn vlees eten en zijn bloed drinken is zijn offer aanvaarden. In Hem geloven is op Hem vertrouwen. Het is precies op dit punt waar de mensen afhaken. De joden haakten af, vele leerlingen haakten af en nog steeds haken mensen af omdat dit de consequentie is. Je erkent je afhankelijkheid. Je aanvaardt dat je het niet op eigen kracht kunt. Je erkent dat alles wat je bent, niet je eigen verdienste is, maar dat het je gegeven wordt, telkens weer. Het is nooit je bezit.

Fedor den Hertog heeft dit beseft, hij zag het en het maakte hem gelukkig ondanks alle tegenslag die hij heeft gehad.

Op God vertrouwen, ons leven verbinden met het leven van Jezus en daardoor leven zoals Hij deed, dat opent de weg naar geluk, dat doet werkelijk leven. Het is een kwestie van leven en dood. Het opent ook de weg naar verrijzenis en eeuwig leven. “Voorwaar, Ik zeg u: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.”

Velen zien het niet. Zij zijn niet in staat te geloven. Ook het geloof is een gave. Ook geloven doe je niet op eigen kracht. Je kunt je er tegen verzetten, Je kunt je er ook voor openstellen, maar je kunt het niet zelf bewerkstelligen. Jezus zegt: “Niemand kan tot Mij komen, als het hem niet door de Vader is gegeven.”

Ook ons wordt gevraagd: “Wilt ook gij soms weggaan?” Zijn wij in staat te geloven en Jezus te aanvaarden als onze Redder en Verlosser? Zijn wij in staat om met Petrus te antwoorden: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.” Amen.

Proeven van goed samenleven

Auteur: Thijs Caspers
Titel: Proeven van goed samenleven: Inleiding in het katholiek sociaal denken
Uitgever: Adveniat, 2012; prijs: € 19,50
ISBN: 978 94 9104 229 4; aantal pagina’s: 127

“Het katholiek sociaal denken past bij een aanpak die onze leefwereld op een andere manier benadert dan gebruikelijk is geworden: op basis van hoop en vertrouwen in plaats van angst en een verlangen naar controle. Hiermee geeft zij uitdrukking aan de liefde, die naar christelijke overtuiging ten grondslag ligt aan alles wat er bestaat.” Het belang van het katholiek sociaal denken is voor Thijs Caspers buiten twijfel. Het vestigen van een hemel op aarde ligt niet in de macht van mensen, maar we moeten wel steeds werken aan de realisatie van een goede samenleving.

Caspers beschrijft eerst de inhoud van het katholiek sociaal denken. Vervolgens geeft hij een overzicht van de katholieke sociale leer: de officiële kerkelijke documenten die het resultaat zijn van het katholiek sociaal denken. Tenslotte gaat hij op zoek naar het belang van het katholiek sociaal denken in onze tijd.

Het rijk geïllustreerde en vlot leesbare boek geeft een goed overzicht over het ontstaan, de inhoud en de betekenis van het katholiek sociaal denken. Het boek wordt ingeleid door Erik Borgman, theoloog aan de Universiteit van Tilburg. Verspreid over het boek staan tien voorbeelden van sociaal handelen in de praktijk.

Verkiezingen

Eerder ging het met het oog op de verkiezingen over democratie, democratische waarden en de vormgeving van democratie. Een andere bijdrage handelde over het algemeen welzijn. Beide thema’s worden nu verder uitgewerkt. Eerst nog aandacht voor het begrip rechtvaardigheid.

Rechtvaardigheid

De rechtvaardigheid van de staat is anders dan de rechtvaardigheid van de individuele burger. Het individu is rechtvaardig als hij recht doet aan de ander in diens specifieke situatie. Vergelijk het met ouders die hun kinderen opvoeden: de een wordt verder geholpen met een complimentje en de ander heeft juist een kritische houding nodig. Ouders maken bewust onderscheid tussen hun kinderen om zo ieder tot zijn recht te laten komen.

De rechtvaardigheid van de overheid betekent juist dat de overheid voor alle burgers gelijk is. Ieder wordt op de zelfde wijze behandeld: geen voorkeur en geen achterstelling. De overheid mag geen onderscheid maken tussen individuen. Wel kan de overheid onderscheid maken tussen groepen burgers. Zij kan onderscheid maken tussen ouderen en jongeren. De ouderen krijgen AOW en de jongeren moeten naar school. Zo kan ze ook onderscheid maken tussen zieken en gezonden en tussen mensen uit verschillende inkomenscategorieën.

Algemeen welzijn

De overheid heeft tot taak het algemeen welzijn te bevorderen, zowel binnen het eigen land als voor de gehele wereldbevolking. Belangrijke aspecten van het algemeen welzijn zijn zorg voor het milieu, vrijheid tot persoonlijke ontwikkeling, gezondheidszorg, veiligheid en rechtvaardige verdeling van welvaart.

Het gaat om het welzijn van alle burgers. Het maken van de juiste afweging tussen het welzijn van verschillende groepen en individuen is de taak van de overheid. Het algemeen welzijn mag nooit ten koste gaan van bepaalde groepen of individuen.

Stemrecht

Sinds 1970 is er geen stemplicht in Nederland. Volwassen burgers hebben het recht om te stemmen. Dit stemrecht stelt de burgers in staat verantwoordelijkheid te dragen voor het algemeen welzijn. Het bevorderen van het algemeen welzijn is niet alleen een opdracht voor de overheid maar ook voor elke individuele christen. Het uitoefenen van het stemrecht is een van de beschikbare middelen.

Het is een christelijke opdracht het stemrecht juist te gebruiken. Een stem dient ter bevordering van het algemeen welzijn en niet voor de bevordering van alleen het persoonlijk belang.

augustus 2012

Het mysterie van het geloof

“Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt.” Voor velen is deze acclamatie vanzelfsprekend. Zodra we na de Consecratie worden opgeroepen het mysterie van het geloof te verkondigen, ga je hem zingen of uitspreken, soms gedachteloos. Hoe weinig vanzelfsprekend de tekst echter is, merk je als hem aan iemand gaat uitleggen.

Het maakt niet uit aan wie hem uitlegt. Of het een doopleerling is of kinderen die zich op het Vormsel voorbereiden of gewoon iemand waarmee in gesprek bent: je hebt een probleem. Je moet uit je gebruikelijke kader van spreken stappen. Je moet de rationaliteit verlaten en het mysterie binnentreden. Dat is voor ons – die geheel doordrenkt zijn van rationaliteit – geen eenvoudige stap. Voor gelovigen is dit echter geen ongebruikelijke stap. Maar als wij dat doen, stappen we ook in een ander taalveld en begrippenkader, in een andere manier van ons uiten. We stappen dan over naar de taal van gebed, lied, ritueel en symbool. Hoe communiceer je met iemand die die taal niet kent?

Gevoeligheid voor taal en ook gevoeligheid voor het mysterie leer je het makkelijkst als je jong bent. Als kinderen tweetalig worden opgevoed, spreken ze zonder problemen twee talen door en naast elkaar. Die zelfde ontvankelijkheid hebben zij ook voor het mysterie. Voor hen is het mysterie niet vreemd. Zij zijn nog niet opgesloten in de rationaliteit. Voor hen is het mysterie even waar als een tastbaar en zichtbaar ding.

Geloofsoverdracht vraagt vooral dat wij aan anderen en aan onze kinderen in het bijzonder het geloof voorleven. Dat in ons doen en laten en in ons spreken zichtbaar wordt dat wij gelovige mensen zijn. Het is in dit verband opvallend dat de kinderen die zich op het Vormsel voorbereiden met veel meer gemak kunnen vertellen waaraan je een gelovige herkent, dan hun ouders doen.

Binnenkort vieren we het Paastriduüm: Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Pasen. We vieren waar het werkelijk omgaat in ons geloof: de dood en verrijzenis van Christus waardoor wij allen gered en bevrijd zijn. We vieren zijn daad van oneindige liefde. We vieren het mysterie van het geloof. Om dat uit te drukken gebruiken we de rijkdom van onze traditie. We gebruiken rituelen, symbolen, teksten en aloude verhalen die ons aangereikt worden. Zij openen ons voor het mysterie en brengen ons naar het mysterie toe. Zo wordt het mysterie voor ons werkelijkheid.

Het is aan ons om de liefde, de vrede, de vreugde en blijdschap die ons het mysterie brengt, zichtbaar te maken voor de wereld om ons heen. Ik wens u allen een Zalig Pasen en hoop dan alleen maar opgewekte en blije gezichten te zien.

Pastoraal woord in De Morgenster, april 2012

Waar liefde is…

Waar liefde is? Waar is geen liefde? Je wordt er mee doodgegooid. Zet de radio aan en hoort een liedje over de liefde. Loop een winkel binnen en op de achtergrond hoor je: “Ik hou van jou.” De liefde tussen twee mensen is de basis van ons bestaan. Daar komen we uit voort. Naast deze liefde zijn er vele andere vormen van liefde: de liefde tussen ouders en kinderen, tussen familieleden, tussen vrienden, tussen buren. Mensen kunnen niet zonder elkaar. Ze willen contact met elkaar hebben, met elkaar in relatie staan. Zo zijn wij geschapen. Zo heeft onze Schepper het gewild.

God heeft vele namen. Vele eigenschappen worden aan Hem toegeschreven. In het christendom staat centraal: God is liefde. Uit liefde heeft Hij de wereld geschapen. Uit liefde is God mens geworden. Jezus van Nazareth heeft ons laten zien wat liefhebben is. Hij zegt ons: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Hij houdt ons niet een systeem van regels en geboden voor. Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven, hoe je kunt geloven, hoe je kunt liefhebben, hoe je de waarheid op het spoor kunt komen.

Jezus zegt ons: Ik doe het jullie voor. Kijk goed naar Mij, kijk hoe Ik op God vertrouw, kijk hoe Ik van God en van de mensen houd. Dat kunnen jullie ook: houdt van God en houdt van elkaar. Stel je vertrouwen op God. Dan word je echt gelukkig. Je moet niet proberen jezelf gelukkig te maken door alles voor jezelf te willen. Je moet juist anderen gelukkig maken. Dan pas word je zelf gelukkig.

Onbaatzuchtige liefde, liefde zonder eigenbelang, liefde geheel gericht op de ander daar gaat het om. Dat is wat wij naastenliefde noemen. Dan is God in het spel. Dan geven mensen aan elkaar door wat God hun geeft. Waar liefde is, daar is God. In het Latijn luidt het: “Ubi caritas et amor, Deus ibi est.” Dit is de beginregel van een lied uit het vroege christendom. Sinds eeuwen hebben mensen deze ervaring. Daar waar mensen goed zijn voor elkaar, iets voor elkaar over hebben, in die situaties hebben ze de aanwezigheid van God ervaren.

Voor een christen is dit mogelijk gesneden koek. Maar niet alleen zij, vrijwel iedereen heeft ervaring met goed zijn voor een ander of een ander die goed is voor jou. Dat zijn momenten die jezelf te boven gaan. Je stijgt boven jezelf uit, je wordt boven jezelf uitgetild. Er gebeurt werkelijk iets bijzonders, iets niet-alledaags. In goed zijn, aardig zijn, respect hebben voor een ander daarin kunnen wij God ervaren.

Column in Telstar, 8 februari 2012

Bovenbazen

Begin jaren ’70 was Maarten Toonder een populair schrijver. Ook ik heb een rijtje Bommelboeken in mijn boekenkast staan. Onlangs werd ‘De slijtmijt’ opnieuw uitgegeven. Dit keer met een inleiding door Maarten Schinkel, economieredacteur van NRC Handelsblad. Hij verbindt dit verhaal met de hedendaagse begrippen duurzaamheid, massaconsumptie en beurscrisis.

In dit verhaal zijn de bovenbazen de boosdoeners. Zij zijn alleen maar uit op meer economische groei, op meer winst en meer geld. Zo groot mogelijke slijtage is voor hen van groot belang. En dan is daar de slijtmijt. Zoals gebruikelijk gooit Heer Ollie B. Bommel op niet te evenaren wijze roet in het eten. De wereld ontsnapt aan een ramp. Het boek eindigt met een peinzende bovenbaas AWS: “Belangeloosheid… Anderen helpen… Hoe is het mogelijk? Ach, geld maakt niet gelukkig. Ik moet daar in voorkomend geval toch eens aan denken…”

Bovenbazen, ze zijn er natuurlijk in allerlei soorten. Het op zichzelf gerichte type dat Maarten Toonder schetst, is inderdaad herkenbaar, maar niet alleen in hen die leiding geven aan grote bedrijven. Je komt ze overal tegen: in onze eigen omgeving en soms ook in onszelf. Daar staan ook velen tegenover die oprecht betrokken zijn bij het lot van hun medemens en die werkelijk het algemeen belang willen dienen. En ook dat herkennen we bij tijd en wijle in onszelf.

De financiële crisis trekt voortdurend onze aandacht. Afgelopen week kwamen de regeringsleiders met nieuwe oplossingen. En nu maar hopen dat die echt gaan werken, dat ook hier de solidariteit het wint van kortzichtige eigenbelangen en van bekrompen nationalisme. Ook in onze eigen omgeving zien we de gevolgen van de crisis en de ellende die dat voor individuele personen en gezinnen kan veroorzaken.

Het welzijn van de mensen is ook de zorg van de Kerk. Al langere tijd is er vanuit Rome door verschillende pauzen aangedrongen op internationale regulering van het geldwezen. Afgelopen week werd dit herhaald met een oproep van Justitia et Pax (Gerechtigheid en Vrede). Zij pleit voor de oprichting van een wereldbank die wereldwijd voor een stabiel economisch en financieel systeem kan zorgen.

Ook de Europese bisschoppen onder leiding van bisschop Van Luyn, emeritus bisschop van Rotterdam, hielden zich met deze kwestie bezig. Zij missen een langetermijnvisie over de Europese instellingen en over het sociale en economische model dat wij nastreven. Volgens hen zijn de belangrijkste oorzaken van deze crisis moreel en spiritueel. Zo raken het algemeen belang en de lange termijn in de verdrukking.

De wereld kan echt niet zonder belangeloosheid en anderen helpen. Maarten Toonder was zijn tijd ver vooruit. Veertig jaar geleden kon ik mij werkelijk niet voorstellen dat zijn verhalen ooit zo’n serieuze lading zouden krijgen.

Column in Telstar, 2 november 2011

Vredesweek

Vorige week was het Vredesweek. Regelmatig was Jan Terlouw te horen. Hij is door IKV Pax Christi gekozen tot Minister van Vrede. Het Ministerie van Vrede is een nieuwe aanpak voor de Vredesweek. Met het Ministerie van Vrede wil IKV Pax Christi zoveel mogelijk mensen in Nederland betrekken bij vraagstukken van vrede en veiligheid.

Het thema van de Vredesweek is dit jaar: ‘Elk mens een veilig bestaan’. Ieder mens heeft recht op een veilig en menswaardig bestaan, ver weg en dicht bij. Misschien vanzelfsprekend, maar helaas geen werkelijkheid. Vrede en veiligheid zijn direct met elkaar verbonden. Veiligheid, je veilig weten is een noodzakelijke voorwaarde om in vrede te kunnen leven. Veiligheid strekt zich uit naar vele aspecten van ons leven. Het is de bescherming tegen vele kwaden die ons kunnen treffen: geweld, discriminatie, honger, dakloosheid et cetera.

Vrede is meer dan het ontbreken van oorlog. Veiligheid meer dan het ontbreken van gevaar. Als wij elkaar de vrede van Christus wensen, gaat het om de liefde en de broederschap die ons in Christus met elkaar verbindt. Het gaat altijd om de extra dimensie van de liefde. Paus Benedictus XVI schrijft hierover in Caritas in veritate – Liefde in waarheid. Waarheid zonder liefde is slechts feitenkennis en wetenschap zonder waarden. Door de liefde wordt kennis tot wijsheid en krijgt waarheid betekenis voor mensen. Veiligheid is meer dan het ontbreken van vijandigheid en bedreiging. Met de extra dimensie van de liefde betekent veiligheid, dat je je geliefd weet, dat je gerespecteerd wordt zoals je bent, en dat jou je plek op aarde van harte gegund wordt.

De bevordering van de wereldvrede ligt misschien niet dagelijks in onze mogelijkheden. De vrede en veiligheid van de mensen in onze directe omgeving is echter wel iets waar we onmiddellijk invloed op hebben. Vrede vraagt ook veiligheid binnen het gezin, de buurt, de kerk, de school en op het werk: bijvoorbeeld geen gepest en getreiter en geen seksuele intimidatie. Vrede vraagt respect voor elkaar; wij zijn allen kinderen van God. Elke vorm van opdeling in wij en zij op basis van sociale, culturele, etnische en religieuze verschillen staat de vrede in de weg.

Onze invloed gaat verder dan onze directe omgeving. Wij zijn het die politici kiezen en steunen. Bovendien zijn zij erg gevoelig voor de publieke opinie, voor onze mening. Niet alleen tijdens verkiezingen, maar ook daarbuiten kunnen wij onze mening laten horen. Tijdens de Kamerdebatten van afgelopen week was het duidelijk dat niet iedere politicus bereid is op te komen voor de vrede en veiligheid van alle mensen. Politici zonder respect voor iedereen verdienen het niet herkozen te worden. Onze afkeuring over hen kunnen wij overal en telkens weer kenbaar maken.

Column in De Telstar, 28 september 2011

Religie en geweld

Vorige week was ik bij een symposium over religie en geweld. Het werd georganiseerd door de Nederlandse Defensie Academie Breda en de Raad van Kerken in Nederland. Naast katholieken en protestanten waren er ook joden en moslims. De inleidingen waren van militairen en van religieuze leiders. Duidelijk werd, dat godsdiensten vooral vredelievend zijn. Maar zij kennen ook het recht geweld te gebruiken om het eigen leven te verdedigen.

Een militair stelde dat het oorlog is zodra er een gewapend conflict is. Een oorlogsverklaring is daarvoor niet nodig. Daarna ging hij een stap verder met: “Als de situatie als oorlog wordt ervaren, dan is het ook oorlog.” Het ging nog steeds om een gewapend conflict, maar mijn gedachten gingen vervolgens verder naar andere vormen van geweld.

Ik moest denken aan het verbranden van de Koran door een Amerikaanse dominee. Dat vind ik ook een vorm van geweld. Boekverbrandingen zijn voor iedere voorstander van vrije meningsuiting al een gruwel. Christenen ervaren het verbranden van de Bijbel als ernstiger dan de verbranding van een ander boek. Voor moslims is het verbranden van de Koran nog een graadje erger. Voor hen is de Koran het boekgeworden Woord van God; vergelijkbaar met Jezus Christus, het mensgeworden Woord van God. Katholieken kunnen de emotie van de moslims invoelen door het verbranden van de Koran te vergelijken met het verbranden van geconsacreerde Hosties, het Brood dat Christus zelf is. Overigens wil ik hiermee op geen enkele manier de moorddadige reacties van moslims in Afghanistan goedpraten.

Een andere vorm van geweld is de hetze tegen hoofddoekjes. Een dag na het symposium las ik dat de rechter het katholieke Don Bosco College in Volendam in het gelijk heeft gesteld. Zij mag leerlingen verbieden binnen de muren van de school een hoofddoekje te dragen. Ik vind dit werkelijk een gotspe. Vijftig jaar geleden zat ik zelf op een katholieke school. Op die school kreeg ik ook les van onderwijzeressen met hoofddoekjes. Wij noemden hen zusters en hun hoofdbedekking een sluier. Deze sluiers zijn zowel in betekenis als in oorsprong gelijk aan de hoofddoekjes van de moslimvrouwen. Wat gaat de school doen als een jonge katholieke non zich aandient om onderwijs te volgen?

Giovanni Bosco leefde in de negentiende eeuw in Turijn. Hij zette zich in voor jongeren en hun religieuze en sociale vorming. Zijn ideaal was een opvoeding zonder straf, maar via aanmoediging, persoonlijke aandacht en eerlijke liefde. Don Bosco had niet met moslims te maken, maar ik vrees dat de heilige met afkeuren naar de naar hem genoemde school kijkt.

Gewelddadigheid is mensen eigen. Religies dragen bij aan de beheersing van het geweld. Die taak geldt niet alleen oorlogsgeweld maar alle vormen van geweld.

Column in Telstar, 13 april 2011

De dienstbaarheid present stellen: De rol van de diaken in de viering van de Eucharistie

De diaken in de r.-k. kerk

Ter inleiding een korte schets van het diaconaat binnen de katholieke kerk, maar eerst een opmerking over het verschil in woordgebruik tussen protestanten en katholieken: voor katholieken staat het woord diaconaat voor het gewijde ambt van diaken, terwijl het voor protestanten staat voor het kerkelijk werkveld van de liefdewerken. Dit laatste wordt door katholieken caritas en tegenwoordig meestal diaconie genoemd.

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie kent de katholieke kerk – na een onderbreking van meer dan duizend jaar – het diaconaat opnieuw als een zelfstandig ambt: de permanent diaken. Ook werd dit ambt toen open gesteld voor gehuwde mannen ouder dan vijfendertig jaar. Tijdens de tussenliggende tien eeuwen bestond het diaconaat als opstap naar het priesterschap. Het diaconaat is een van de oudste ambten in de kerk – zie Hnd 6 – maar het is ook een zeer jong ambt: in 1977 vond in Nederland de wijding van de eerste permanent diaken plaats.[1]

Het denken over het gewijde ambt is door Vaticanum II veranderd. Vroeger stond het priesterschap centraal met lagere wijdingen als voorbereiding en was de bisschop een soort superpriester. Nu staat het bisschopsambt centraal. Hier vinden we de volheid van het sacrament van de wijding. Het priesterschap en het diaconaat zijn hier beide mee verbonden. Zij zijn ook complementair aan elkaar. De priesters verbeelden het hogepriesterschap en het herderschap van Christus en de diakens het dienaarschap van Christus. Het conciliedocument Lumen gentium stelt: “de diakens, aan wie de handen worden opgelegd ‘niet voor het priesterschap, maar voor het dienstbetoon’.” Dit dienstbetoon bestaat uit “de diaconie van de liturgie, het woord en de liefdewerken”.[2] Ondanks deze veranderde zienswijze blijkt in de praktijk voor velen het priesterschap nog steeds het referentiepunt voor het denken over het ambt in de kerk te zijn.[3]

De oorspronkelijke betekenis van het woord διακονος verwijst naar een dienaar die zekere vertrouwensrelatie met zijn heer heeft. Het gaat om een rol die vertrouwen, vaardigheid en wilskracht veronderstelt. Hiermee onderscheidt de διακονος zich van de δουλος: de onvrije slaaf, die het eigendom is van zijn heer.[4] Het Griekse woord διακονος is minder gekoppeld aan de begrippen dienstbaarheid en liefdadigheid dan over het algemeen verondersteld wordt. Een van de belangrijkste aspecten van het diaconaat is de bemiddelende en vertegenwoordigende rol van de diaken: de diaken als de dynamische go-between.[5]

Voor mij betekent dit dat de diaken een sterk missionaire opdracht heeft. Hij stelt in woord en daad Christus present in de wereld. Hij brengt God naar de mensen en de noden van de mensen en van de maatschappij naar de kerk. Zijn werkterrein ligt vooral op het snijvlak van kerk en maatschappij.

De diaken in de liturgie

Een diaken kan in verschillende liturgische vieringen als voorganger optreden: Woordvieringen, gebedsvieringen, Communievieringen, uitvaarten en zegeningen. In dergelijke vieringen kunnen ook daartoe gezonden leken voorgaan. Anders dan leken kan de diaken ook het sacrament van het Doopsel bedienen en kunnen man en vrouw ten overstaan van een diaken elkaar het ja-woord geven. Bij deze twee sacramenten heeft de diaken dezelfde bevoegdheden als de priester. Natuurlijk zal de diaken als voorganger van dergelijke vieringen zich mede baseren op zijn diaconale spiritualiteit. Toch zal hij in deze gevallen als voorganger niet direct totaal anders handelen dan de andere gewijde en niet-gewijde ambtsdragers.

Naast deze gangbare vieringen wil ik hier de aandacht vestigen op vieringen die zich afspelen aan de rand van de kerk. Dergelijke vieringen behoren mijns inziens bij uitstek tot het terrein van de diaken. Mogelijke voorbeelden van dergelijke vieringen zijn:
1. het begraven van een dakloze;
2. een Allerzielenviering in een verzorgingshuis waarbij alle overledenen bewoners genoemd worden en iedereen welkom is ongeacht zijn of haar religie;
3. een viering met een school waarbij het merendeel van de kinderen niet katholiek is.
Dit zijn situaties waarin de diaken gestalte geeft aan zijn missionaire opdracht. Vanuit de eigen katholieke traditie treedt hij hier naar buiten; zijn christelijke geloof meenemend begeeft hij zich onder de mensen. Zo brengt hij God naar de mensen.

De diaken in de Eucharistie

Nu kom ik bij de eigen liturgische rol van de diaken.[6] Naast een aantal andere plechtigheden, zoals bijvoorbeeld het binnendragen van de Paaskaars en het zingen van de Paasjubelzang in de Paaswake, betreft het vooral de rol van de diaken in de viering van de Eucharistie.

De Algemene Inleiding van het Romeins Missaal vermeldt het volgende.[7] De diaken:
1. assisteert de priester en begeleidt hem;
2. bedient aan het altaar de kelk en het boek;
3. verkondigt het Evangelie en kan op verzoek van de celebrerende priester preken;
4. richt zich tot het gelovige volk met gepaste inleidingen en spreekt de intenties van de voorbede uit;
5. assisteert de priester bij het uitreiken van de Communie en reinigt de gewijde vaten en brengt ze in orde;
6. vervult voor zo ver noodzakelijk de taken van andere assistenten als zij niet aanwezig zijn.

Zeker als in meer detail wordt gekeken, komt hieruit het beeld van de verkondiger en de boodschapper, van de go-between naar voren. Maar de rol als dienaar valt het meest op en daar wil ik het vandaag over hebben. De diaken staat de bisschop of priester terzijde. Hiermee heeft de diaken een wezenlijk andere rol dan eventueel concelebrerende priesters en hij neemt daarmee ook een andere houding aan. Concelebrerende priesters staan aan het altaar als medevoorgangers. Samen met de hoofdcelebrant leiden zij de viering. De diaken daarentegen assisteert de priester. Hij houdt voortdurend in de gaten waar hij nodig is, en dat blijkt ook uit zijn houding. Met zijn houding en zijn blik richt hij zich op het handelen van de priester.

Nu ik de rol van de diaken in de viering van de Eucharistie beschreven heb, wil ik stil staan bij drie reacties die ik de afgelopen maanden kreeg op mijn aanwezigheid als diaken in de Eucharistie. Hierbij moet opgemerkt worden dat de aanwezigheid van een diaken voor velen nog iets bijzonders is. De eerste reactie betrof mijn toewijding en aandacht voor het altaarmissaal, het op de benodigde plaats openleggen en het tijdig omslaan van de bladzijden, kortom de bediening van het boek zoals dat in de Algemene Inleiding wordt genoemd. De tweede ging over mijn duidelijke aanwezigheid: er staat iemand, zo werd gezegd.[8] De derde opmerking was een boze reactie over het verschil tussen priester en diaken. Deze was gericht op de volgorde van het communiceren: eerst communiceert de hoofdcelebrant en eventuele concelebranten onder de gedaanten van Brood en Wijn, en pas daarna de diaken. Drie reacties die mij alle drie goed deden en de derde eigenlijk wel het meest. Dienen wordt in onze maatschappij tegenwoordig vaak als minderwaardig beschouwd en roept dus wrevel op.

Dienen vraagt in mijn ogen toewijding en alertheid. Je bent gefocust op je taak. Je staat daar niet voor jezelf, maar voor de ander. Maar dienen in christelijk perspectief bekeken, is voor mij iets anders dan ondergeschiktheid en minderwaardigheid. Het priesterschap van Christus is drievoudig: Christus de hogepriester is leraar, koning en priester. Hierin staat de koning voor de dienstbaarheid: de koning is belast met de zorg voor zijn volk. Het is een dienen met opgeheven hoofd en niet het onderdanige dienen van een slaaf. Toewijding en aanwezigheid gaan zo hand in hand. De dienende aanwezigheid van de diaken in de Eucharistie is geen op de persoon zelf aandacht vestigende aanwezigheid, maar een verwijzende aanwezigheid. Zij verwijst naar het dienaarschap van Christus. Vooral de boze reactie bevestigt dat het mogelijk is het verschil in rol en houding van priester en diaken goed zichtbaar te maken en mensen dat daadwerkelijk te laten ervaren en hen hiermee te raken.

Op deze wijze wordt ook in de liturgie zichtbaar dat priesters en diakens wezenlijk verschillende opdrachten hebben. Beiden stellen Christus present maar wel op verschillende manieren: de priester staat voor Christus als Hoofd van de gemeenschap en de diaken voor Christus als Dienaar. Met deze complementariteit is het mogelijk Christus op indringende wijze present te stellen. Zo is de aanwezigheid van een diaken een verrijking van de liturgie. Tijdens het Laatste Avondmaal waste Jezus zijn leerlingen de voeten, voordat Hij hen voorging aan de tafel. Eucharistie en voetwassing zijn nauw met elkaar verbonden. Zo vormen ook leiderschap en dienaarschap voor christenen een onverbrekelijk paar.

Graag wil ik mijn collega’s oproepen vooral op zoek te gaan naar de eigen positie van de diaken binnen de kerk en in de liturgie. Wees geen gemankeerde priester, maar wees diaken. Ditzelfde is – denk ik – ook van toepassing degenen die een niet-gewijd ambt binnen de kerk vervullen: tracht niet een surrogaat priester te zijn, maar zoek je eigen plaats en eigen spiritualiteit. En aan priesters vraag ik om ruimte te scheppen voor de andere werkers in Gods wijngaard. Tot slot een uitspraak van een priester die ik van horen zeggen heb: “Ik heb geen diaken nodig. Alles wat een diaken kan, kan ik ook.” Gelukkig is deze priester een uitzondering. Stel je voor dat mijn vrouw zoiets tegen me zou zeggen als ik haar in een galante bui in haar jas help.

Uitgesproken op 8 november 2007 te Hilversum tijdens het symposium ‘Geroepen om voor te gaan: Ambten en functies in liturgie en kerk’ en gepubliceerd in Tijdschrift voor Liturgie, 92 (2008), nr 4, 212-216.

 


[1]   Peeters, Wim (red.), 25 Jaar diakens in Nederland: Twaalf persoonlijke getuigenissen, Haarlem: Persdienst Bisdom Haarlem, 2002.

[2]   Tweede Vaticaans Concilie, Lumen gentium: Dogmatische Constitutie over de Kerk, 1964, 29.

[3]   Zie: Alphonse Borras, ‘Gezonden tot authenticiteit: Diakens als “garanten” van een doorleefd geloof’, in: Johan van der Vloet & Roger Vandebroek (red.), Het permanent diaconaat op zoek naar zichzelf: 35 jaar diakens in Vlaanderen, Antwerpen: Halewijn, 2006, 81-83.

[4]   Christian Wessely, Gekommen, um zu dienen: Der Diakonat aus fundamentaltheologisch-ekklesiologischer Sicht, Regensburg: Verlag Friedrich Pustet, 2004, 164.

[5]   John N. Collins, Deacons and the Church: Making connections between old and new, Harrisburg: Morehouse, 2003, 129-132 & 141.

[6]   Hiervoor is gebruik gemaakt van: Peter Hoefnagels, ‘De diaken als “bewogen beweger”: Theologische verkenningen rond de diaken in de liturgie’, in: Tijdschrift voor Liturgie, 86 (2002), nr. 3, 135-148.

[7]   General Instruction of the Roman Missal, http://www.vatican.va, raadpleging op 04-11-07. De Nederlandse vertaling is nog niet geautoriseerd.

[8]   Mijn lengte van 1,97 m speelt hierbij ongetwijfeld een rol.