Skip to content

Kinderen van God; Sir 3,17-18.20.28-29; Lc 14,1.7-14

kinderen van God

Lucas heeft het verhaal dat we vandaag gelezen hebben, heel beeldend opgeschreven. Je ziet het zo voor je. Een voorname Farizeeër heeft Jezus uitgenodigd voor de maaltijd. Een maaltijd is een mooie gelegenheid voor een goed gesprek. Hij heeft ook nog andere mensen uitgenodigd: waarschijnlijk welgestelde vrienden en de notabelen van het dorp. Allemaal heren die zichzelf zeker niet onbelangrijk vinden. De intentie van de uitnodiging is niet echt duidelijk. Zijn ze werkelijk geïnteresseerd in de boodschap van Jezus of willen ze deze vreemde snoeshaan wel eens van dichtbij zien. Ze hebben al veel over Hem gehoord. Hij heeft mensen zonden vergeven, op de sabbat zieken genezen en zelfs een jongeman uit de dood doen opstaan. Hij doet alsof Hij God zelf is.

Er heerst een gespannen sfeer. De gasten houden Jezus voortdurend in het oog, maar doen hun mond niet open. En ook Jezus kijkt om zich heen, maar Hij neemt wel het woord. Hij heeft gezien hoe die mannen bezig zijn de beste plaatsen in te nemen. In de cultuur van toen was dat ongetwijfeld nog belangrijker dan tegenwoordig. Maar ook in onze tijd kun je je dat prima voorstellen. Zo’n gezelschap van mannen die redelijk met zichzelf ingenomen zijn. Onopvallend een beetje schuiven totdat je dichtbij de gastheer staat of naast de belangrijkste man van het dorp. Tegenwoordig noemen we dat netwerken, bezig zijn met je positie te verbeteren. En daarvoor worden anderen zachtjes aan de kant gedrukt. Zoals je trouwens ook kunt zien bij de bakker en de slager, waar mensen voordringen. In het evangelieverhaal gaat het vooral om status. Wat is je positie in de gemeenschap.

Jezus ziet het gebeuren en zegt er wat van. De mannen voelen zich waarschijnlijk als kleine kinderen betrapt. Menigeen wordt ook herinnert aan die keer dat hij net iets te nadrukkelijk de beste positie koos en toen erop gewezen werd dat die plaats voor een ander bestemd was. Een zeer pijnlijke ervaring wanneer status en eer belangrijke zaken zijn. Zoals vaker draait Jezus de zaken weer geheel om. Je moet niet de beste plaats kiezen maar de minste. Een bescheiden houding werkt veel beter. Ik heb niet de indruk dat Hij ons voorhoudt dat we nu met zijn allen om de minste plaats moeten strijden. Dan zou er zou er uiteindelijk niets veranderd zijn. Dus u hoeft niet volgende week allemaal in de achterste bank te gaan zitten.

Het gaat om bescheidenheid. Het gaat erom niet het beste voor jezelf opeisen. Het gaat erom een ander iets te gunnen en een ander de ruimte te geven. In Ecclesiasticus lezen we dat je door bescheidenheid geliefd zult zijn. Juist als wij in aanzien stijgen wordt de bescheidenheid nog belangrijker. Bescheidenheid is een deugd. Dat betekent dat je het ook kunt overdrijven. We zeggen niet voor niets dat de deugd in het midden ligt. Er is ook de valse bescheidenheid, een houding van zie mij eens bescheiden zijn. Bescheidenheid kan ook het karakter krijgen van te weinig zelfrespect. Niet alleen onze medemensen zijn kinderen van God. Je bent het zelf ook. Ook jijzelf bent van die hoge komaf. Ook jij mag er zijn. Ook jij bent kind van God.

Nadat Jezus het gedrag van de gasten heeft besproken, is de gastheer aan de beurt. Hier gaat het over een ander fenomeen dat ons handelen bepaalt. Hier gaat het over de wederkerigheid. De wederkerigheid is een basisprincipe van onze omgang met andere mensen. Als ik aardig ben voor jou, dan ben jij ook aardig voor mij. Ik geef jou een mooi cadeau, dan zal ik later ook een mooi cadeau van jou krijgen. Wie heeft ons vorig jaar een Kerstkaart gestuurd? Zij krijgen er nu een van ons. Op welke feestjes ben ik uitgenodigd? Die mensen ga ik nu uitnodigen voor mijn feestje. Dit geldt niet alleen onze omgang met andere mensen. Vaak is dit ook de manier waarop wij mensen met God omgaan. Ik ben braaf geweest, dus krijg ik een plaatsje in de hemel. Ik heb veel gebeden, nu word ik dus weer beter.

Als je het zo hardop zegt, dan denk je al gauw: zo erg is het nou ook weer niet. Maar als we er goed over nadenken, zullen velen van ons moeten erkennen dat we toch ook wel een beetje zo zijn. Voor wat hoort wat. Dat is het principe van de wederkerigheid. Dit is de manier van denken van ons mensen. Dit is echter niet de manier van denken van God. Zo dachten de heidenen over hun goden. Ik breng een offer en de god zorgt voor een goede oogst, et cetera.

Jezus openbaart ons een liefdevolle, barmhartige en vergevingsgezinde God. Jezus vertelt ons dat God zijn Vader is en dat God ook onze Vader is. God is een en al liefde voor ons. Hij heeft ons gemaakt. Hij heeft ons het leven gegeven. God is de bron van leven en van liefde. Hij laat ons nooit in de steek. Zijn liefde voor ons heeft niets te maken met wederkerigheid. Zijn liefde is vrij van elke vorm van berekening. Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Wij mogen streven naar gelijkvormigheid met Hem. Jezus is zelf God en Hij is ook mens geworden. Hij is tegelijkertijd God en mens. Hij laat ons zien dat het voor ons mensen niet onmogelijk is op God te lijken. Hij nodigt ons daar telkens weer toe uit. Wij mogen oefenen, wij mogen vallen en opstaan. Wij hebben in Jezus een voorbeeld en een voorspraak. Wij mogen goed zijn zoals Hij goed is. Vandaag geeft Hij ons een les in gastvrijheid. Maar het gaat verder dan dat. Hij leert ons hoe wij werkelijk gemeenschap kunnen vormen. Hij laat ons zien hoe het is in het Rijk Gods. Amen.

Spreken over God; Heb 11,1-2.8-12; Lc 12,35-40

godsbeeld

“Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen, het overtuigd ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen.” Voor Paulus is dit een waarheid als een koe. Hij vindt daarvoor volop aanwijzingen in de geschiedenis van zijn volk.

In onze huidige tijd ligt dat een stuk lastiger. Velen zullen het verhaal van Paulus zonder veel omhaal van woorden afdoen als onzin. Wie gelooft er nog in zulke sprookjes. Alles wat buiten het kennen door de wetenschap, alles wat niet zichtbaar of meetbaar is, bestaat simpelweg niet. Begin dit jaar verscheen er weer een nieuw rapport ‘God in Nederland’. Sinds 1966 wordt er onderzoek gedaan naar het geloof in ons land. Het beeld van het gedurig afnemen van het geloof in God doet velen van ons verdriet. Langzaam maar zeker verdwijnt God uit de beleving van de Nederlanders.

In 1932 hield pater Titus Brandsma zijn rede getiteld ‘Godsbegrip’. Hij was toen rector magnificus van de universiteit van Nijmegen. Hij opende deze rede met: “Onder de vele vragen welke ik mijzelf stel, houdt geen mij meer bezig dan het raadsel, dat de zich ontwikkelende mens – prat en fier op zijn vooruitgang – zich in zo groten getale afkeert van God.” Titus spreekt over de verduistering van het Godsbeeld en zoekt naar de oorzaak van die verduistering. Zijn conclusie is niet, dat de verduistering van het Godsbeeld het gevolg is van de vooruitgang, het gevolg is van de wetenschap of van de toenemende welvaart. Hij zoekt de oorzaak niet bij de ongelovigen. Hij zoekt de oorzaak vooral bij de gelovigen!

Titus vraagt zich af of God wel voldoende in het licht wordt geplaatst en of wij niet moeten proberen Hem zo te belichten en zo te plaatsen, dat ook de ziekelijk verblinden Hem zullen zien. Volgens Titus is er behoefte aan nieuwe Godsbeelden; nieuwe tijden vragen nieuwe vormen. Bij vele gelovigen is er aarzeling en verlegenheid bij het spreken over God. Vaak voldoen de godsbeelden waarmee we zijn opgevoed, niet. We plaatsen daar zelf kanttekeningen bij en voelen ons er ongemakkelijk bij. Daardoor zijn ze zeker niet bruikbaar om ze naar anderen uit te dragen.

Neem nu de Evangelietekst die we vandaag gelezen hebben. Wat wil Jezus ons met deze tekst vertellen? Is de Mensenzoon iemand die komt als een dief in de nacht? Zal Hij het meest ongelegen moment zoeken om ons zo ter verantwoording te kunnen roepen? Misschien is dat toch het beeld dat bij u naar boven komt en denkt u: met zo’n beeld zal mijn kinderen en kleinkinderen maar niet lastig vallen. Maar wil Jezus ons iets vertellen wat wij niet durven door te vertellen?

Jezus vertelt dit verhaal nadat Hij gesproken over de essentie van ons leven. Het gaat er niet om zoveel mogelijk materiële bezittingen te vergaren, maar om het zoeken naar de essentie van ons leven: het Koninkrijk van God. Het Koninkrijk van God is niet het materiële maar het leven zelf, het leven zelf dat vooral gekenmerkt wordt door onze relaties met onze medemensen en met God. In die relaties bloeit de liefde en daar is God, want God is liefde.

De heer is van huis en zijn dienaren wachten op hem. Lucas gebruikt hier overigens het woord doulos dat slaaf betekent. Zoals onze kinderen een avondje stappen of een vakantiereis maken, zo is deze heer des huizes naar een bruiloftsfeest. Het is een geliefd persoon die plotseling thuis kan komen. Het is een geliefde die weet dat hij altijd welkom is, die zijn komst niet hoeft aan te kondigen. Dat het niet om een normale verhouding tussen de heer en zijn slaven gaat, maakt Jezus duidelijk door vervolgens de rollen om te draaien. Zodra de heer thuis komt en liefdevol ontvangen is, neemt hij de rol van dienaar op zich. Hij nodigt zijn slaven aan tafel en bedient hen.

Het gaat om de liefdevolle relatie tussen mensen. Mensen worden altijd geroepen er voor elkaar te zijn. Daarin vinden wij de essentie van ons leven. Daarin vinden we het Koninkrijk van God. Zo verzamelen we schatten in de hemel. Daarom moeten wij ons niet laten afleiden door allerlei zichtbare aardse zaken, want dan missen we het meest wezenlijke van ons bestaan, dan missen we dat wat we niet kunnen zien: het leven zelf en de liefde. Als we niet opletten, gaat het gewoon langs ons heen en merken we er niets van. Dan heeft God geen plaats in ons leven.

Terug naar ons eigen spreken over God. Als wij over God spreken gaat het erom te spreken over onze eigen ervaring met God. Hoe maakt God deel uit van ons leven? Hoe is onze relatie met Hem? Is God de grond van onze hoop? Geldt voor ons: God is liefde? Zoals ook andere mystici doen, zegt Titus Brandsma dat wij God op de eerste plaats in onszelf moeten zoeken. “Wij moeten allereerst God zien als de diepste grond van ons wezen, verholen in het meest innerlijke onzer natuur, maar toch te zien en te aanschouwen, na eerste beredenering duidelijk kenbaar…”

In ons zelf ervaren we God, zoals we ook liefde en verdriet ervaren. In onszelf ervaren wij het meest essentiële: het leven zelf. In ons zelf ervaren we God als onze hoop, als de essentie van ons bestaan, zoals Paulus kunnen we dan zeggen: “Het geloof is de vaste grond van wat wij hopen.” Amen.

Vrijheid als vrouw en moslima

Hizmet-beweging-Nederland-Turkije

Vanmorgen, 29 juli 2016, hielden aanhangers van de Hizmetbeweging een persconferentie. De Hizmetbeweging laat zich inspireren door de moslimgeleerde Fethullah Gülen. De aanleiding tot de persconferentie is de mislukte coup in Turkije en de daaropvolgende heksenjacht op Gülenaanhangers.

Mevrouw Saniye Calkin trad als voornaamste woordvoerder op. In de verklaring die zij aflegde benadrukte zij dat de Hizmet staat voor dienstverlening op het gebied van liefdadigheid, onderwijs en dialoog. “Hizmet maakt zich sterk vóór dialoog, vóór samenwerking, vóór harmonie en vóór de kunst van het samenleven.” Democratie, rechtsstaat en mensenrechten staan daarbij hoog in het vaandel van de mensen van de Hizmet.

Ondanks de bedreigingen en intimidaties waarmee zij nu te maken hebben, zullen zij hun inzet voor de Nederlandse samenleving voortzetten. “Onze toekomst ligt in Nederland.”

Tijdens het beantwoorden van vragen door de pers bepleitte Saniye Calkin de bescherming van haar vrijheid als vrouw en moslima. Zij wil niet wijken voor de bedreigingen die nu op haar af komen. Zij deed hierbij ook een beroep op de Nederlandse overheden. Mevrouw Selma Ablak waarschuwde voor een angstcultuur in Nederland en constateerde dat er nu reeds mensen zijn die zich terugtrekken uit besturen en activiteiten waaraan Gülenaanhangers deelnemen: “Een angstcultuur willen we in Nederland niet.”

De tekst van de persverklaring is beschikbaar op: http://www.gulenbeweging.nl/wp-content/uploads/2016/07/Persstatement-Hizmetbeweging-n.a.v.-de-couppoging-in-Turkije-gevolgen-ervan-in-Nederland.pdf

Gastvrijheid; Gn 18,1-10; Lc 10,38-42

Abraham en de-drie Engelen Marc Chagall 1966

Marta is druk in de weer met het bedienen van Jezus. Ondertussen luistert Maria naar de woorden van Jezus. Beiden zijn gastvrij, maar zij zijn het op verschillende manieren. Ook in het verhaal van Abraham zien we verschillende aspecten van gastvrijheid. Enerzijds zorgt Abraham ervoor dat zijn gasten te eten en te drinken krijgen. Daarnaast blijft hij bij hen staan terwijl ze eten en geeft hen zo zijn aandacht.

Voor joden, christenen en moslims is Abraham de vader in het geloof. Zij allen zien Abraham als hun geestelijke vader. Hij is hun voorgegaan in het geloof in de ene God, de Schepper van hemel en aarde, de barmhartige God die zich om de mensen bekommerd. Abraham is niet alleen ons voorbeeld van geloof. Hij is voor ons ook een voorbeeld van gastvrijheid. Dat geldt voor joden, christenen en moslims. Een variant van het verhaal dat wij vandaag hebben gelezen, is ook in de Koran te vinden (soera 11,69-71).

Binnen het christendom verwijst Paulus regelmatig naar Abraham. Zo schrijft hij in zijn brief aan de Hebreeën: “Vergeet de gastvrijheid niet; door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald.” (Hb 13,2) Ook bij Jezus gaat het regelmatig over gastvrijheid. Hij vertelt over een heer die gasten voor een feest uitnodigt. Hij ziet de verlegenheid die voor de gastheer dreigt als tijdens de bruiloft in Kana de wijn bijna op is. Hij vermaant mensen op een feest niet de beste plaatsen in te nemen.

Vandaag wijst Hij ons erop waar het uiteindelijk omgaat bij gastvrijheid. “Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden.” Als wij een naam herhalen zoals hier “Marta, Marta…” is er vaak sprake van een correctie of terechtwijzing. Dan klinkt deze uitspraak van Jezus als: Marta, Marta, wat ben je kortzichtig, denk nou eens na. Als in de Bijbel iemands naam twee keer genoemd wordt, is er sprake van een roeping. Denk bijvoorbeeld aan “Samuel, Samuel…” (1 S 3,10). Jezus wijst Marta hier niet terecht, maar roept haar tot een rijkere vorm van gastvrijheid.

Werkelijke gastvrijheid gaat verder dan iemand onderdak verlenen en te eten en te drinken geven. Werkelijke gastvrijheid is je tot de ander keren, belangstellingstelling voor hem hebben en je inleven in de ander. Gastvrijheid is de ander echt serieus nemen, naar de ander luisteren en met hem in gesprek gaan. Gastvrijheid is het anders-zijn van de ander respecteren en waarderen. De ander heeft ons juist door het anders-zijn iets wezenlijks te vertellen. Doordat Abraham werkelijk interesse heeft voor zijn gasten kunnen zij hem het bijzondere nieuws van de geboorte van een zoon vertellen.

Gastvrijheid is niet alleen een individuele aangelegenheid. Ook van een gemeenschap, van een volk, van een kerk wordt gastvrijheid gevraagd. Gastvrijheid kan als graadmeter van het morele peil van een samenleving worden gezien. Hoe meer gastvrijheid, hoe meer beschaving. Gastvrijheid is ook het juiste antwoord op agressie en geweld. Gastvrijheid leidt ons tot vrede met elkaar.

Gastvrijheid brengt ons tot mededogen en barmhartigheid. Doordat wij ons open stellen voor de ander leren wij ook zijn nood zien. Uiteindelijk leidt gastvrijheid tot wederzijdse liefde en vriendschap. Dan zijn de grenzen tussen gast en gastheer weggevallen. Dan zijn zij geheel gelijkwaardig aan elkaar: mijn huis is jouw huis. Gastvrijheid is een deugd: je kunt je er in oefenen. Gastvrijheid kent met haar verschillende aspecten ook verschillende gradaties. Telkens weer kunnen door ons te oefenen een stapje verder komen. Het is als bij Marta. Jezus roept ook ons om te komen tot een steeds rijkere vorm van gastvrijheid. Gastvrijheid vraagt dat wij onze angst voor het vreemde en onbekende afleggen. Juist in de vreemdeling en de mens in nood ontmoeten wij Christus zelf. Denk aan de werken van barmhartigheid die Jezus elders noemt: de hongerigen te eten geven, de dorstigen laven, de naakten kleden, de zieken en gevangen bezoeken en de vreemdelingen gastvrijheid bieden. In deze mensen komen we Jezus zelf tegen. Wat we voor hen doen, doen we voor Hem.

Terug naar Paulus, hij verwijst naar het verhaal van Abraham: “Vergeet de gastvrijheid niet; door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald.” Als wij de gastvrijheid vergeten en iedere vreemde buiten de deur houden, zullen we zeker geen engelen ontvangen. Als wij de gastvrijheid vergeten, houden we ook God buiten de deur. Amen.

Barmhartigheid betonen; Dt 30,10-14; Lc 10,25-37

Barmhartige samaritaan 6

De moslims vierden afgelopen week het einde van de Ramadan. Na een maand van vasten, bidden en het doen van goede daden vierden zij het Suikerfeest. Bij die gelegenheid stuurt kardinaal Tauran, de voorzitter van de Pauselijke Raad voor de Interreligieuze Dialoog, altijd een brief met gelukwensen aan alle moslims overal ter wereld. Dit jaar riep hij de moslims op om met christenen samen te werken om behoeftigen te helpen. Hij schrijft: “Zo geven we gehoor aan een belangrijke opdracht in onze beide godsdiensten: op deze manier laten we Gods barmhartigheid zien en kunnen we als individu en als gemeenschap geloofwaardiger getuigen van onze overtuigingen.” Kardinaal Tauran wijst erop dat christenen en moslims geloven in een barmhartige God. God heeft ons geschapen uit zijn grenzeloze liefde voor ons. Hij is barmhartig door voortdurend voor ieder van ons te zorgen. Maar Gods barmhartigheid is op een bijzondere manier zichtbaar, als Hij ons onze fouten vergeeft.

Jezus geeft ons vandaag een voorbeeld van barmhartigheid. Hij maakt ons duidelijk hoe wij zelf barmhartig kunnen zijn. Daarmee laat Hij ook zien hoe wij een naaste kunnen zijn. Om de naaste van iemand te zijn, moeten wij die ander liefhebben en hem barmhartigheid betonen.

Barmhartigheid heeft twee kanten. Wij mogen barmhartig zijn naar anderen zoals de barmhartige Samaritaan. De andere kant van de barmhartigheid is het ontvangen ervan. Barmhartig zijn en barmhartigheid ontvangen zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ze kunnen niet zonder elkaar. We kunnen niet barmhartig zijn zonder open te staan voor de barmhartigheid die ons geschonken wordt. En we kunnen geen barmhartigheid ontvangen zonder zelf ook barmhartig te zijn. Denk hierbij aan de woorden van het Onzevader: “vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”. Geven en ontvangen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Openstaan voor de barmhartigheid van God vraagt dat wij ons tot Hem keren, dat wij ons bekeren, dat wij zoeken naar de persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus. Dat betekent dat wij Christus zoeken in onze medemens in nood. Dit vinden we terug in de werken van barmhartigheid die Jezus elders noemt: de hongerigen te eten geven, de dorstigen laven, de naakten kleden, de zieken en gevangen bezoeken en de vreemdelingen gastvrijheid bieden. In deze mensen in nood komen we Jezus zelf tegen. Wat we voor hen doen, doen we voor Hem.

Willen wij werkelijk de barmhartigheid van God ervaren, moeten wij weten dat wij niet zonder zijn barmhartigheid kunnen, dat wij die barmhartigheid hard nodig hebben. Dat vraagt van ons een bescheiden houding van afhankelijkheid. Ook het geven van barmhartigheid vraagt bescheidenheid. Barmhartig zijn betekent dat wij ons in dienst stellen van de medemens. Niet mijn streven is belangrijk. Het gaat erom wat de ander nodig heeft. De ander is bepalend voor wat ik zeg en wat ik doe. Hij stelt mij in staat tot barmhartigheid.

Vanuit bescheidenheid kunnen wij barmhartig zijn. Bescheidenheid speelt ook nog op andere manier een rol. Namelijk ook bescheiden daden ten bate van de ander zijn daden van barmhartigheid. Ook dat vertelt Jezus ons met het verhaal van de barmhartige Samaritaan. De Samaritaan geeft liefdevolle aandacht aan de gewonde man. Hij verzorgt zijn wonden en brengt hem naar een herberg. Daar stoppen zijn inspanningen. Hij geeft de waard nog wat geld en stelt zichzelf garant. Daarna trekt hij weer verder. De Samaritaan doet wat er gedaan moet worden en laat de rest aan anderen over. Jezus vertelt nergens een verhaal over iemand die een organisatie opbouwt om voortaan alle slachtoffers te verplegen. Het gaat blijkbaar niet om de grootheid van de daden en zeker niet om de omvang en het aantal.

Dit is ook de manier waarop Jezus zelf rondtrekt. Hij geneest zieken, laat blinden weer zien en lammen weer lopen. Maar het zijn alleen de mensen die Hij toevallig tegenkomt of die naar Hem toekomen of bij Hem worden gebracht. Nergens lezen we dat Jezus spreekuur houdt of dat Hij een organisatie opzet om alle zieken, blinden en lammen te genezen. Blijkbaar gaat het er vooral om dat wij de nood die we tegenkomen, zien en dan optreden en groot zijn in liefde en barmhartigheid. Het gaat erom dat wij open staan voor wat er op onze weg komt.

Van ons worden geen bovenmenselijke prestaties gevraagd. Dit horen we ook van Mozes. De geboden die hij geeft zijn niet te zwaar: “Gij kunt het dus volbrengen.” maar wel dat we oog hebben voor het lijden en de nood om ons heen. Van ons wordt gevraagd dat we onze ogen niet sluiten, dat we ons niet opsluiten in onze comfortabele huizen, dat we niet met een boog om de ellende in de wereld heen lopen.

God is onze barmhartige Vader. Jezus is barmhartig als zijn Vader. Hij heeft het ons voorgedaan. Wij mogen Jezus navolgen en op onze beurt barmhartig zijn. Amen.

“Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk”

Bij het opruimen van mijn bureau kom ik een briefje tegen met de tekst Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk.” Deze meer dan 2500 jaar oude wijsheid is uit het boek Spreuken (29,18). De gang van zaken rond de Brexit laat zien dat we haar nog steeds serieus moeten nemen. Enige dagen later blader ik door ‘Until’, het alumnimagazine van de Universiteit van Tilburg. In een artikel over de kloof tussen de politiek en de burger staat als streamer een citaat van Gabriël van den Brink: “Burgers zijn niet tegen politici an sich en voelen zich zelfs betrokken bij wat er in de samenleving gebeurt. Hun probleem is dat ze een morele leegte ervaren bij politici.” Een paar bladzijden verderop staat een interview met staatssecretaris Klaas Dijkhoff. Hij zegt: “Een wereldverbeteraar? Zo wil ik mijzelf niet noemen. Daar krijg je alleen maar depressies van.”

Politici zijn er toch om de wereld te verbeteren? Zelfs de grootste egoïst vindt dat, maar zijn beeld van de betere wereld is helaas geheel op zijn eigen voordeel gericht. Natuurlijk zijn er ook wereldverbeteraars geweest die zozeer in de maakbaarheid van de wereld en in hun eigen ideeën geloofden, dat ze meer kapot hebben gemaakt dan opgebouwd. Maar desondanks zijn politici er om de wereld te verbeteren. Werken aan een betere wereld vraagt om een visioen, een idee waar we ons allen achter kunnen scharen. Zonder visioen verwilderen we en vervallen we tot ieder voor zich. Zonder visioen willen we vooral meer van hetzelfde: meer consumeren en meer genot.

Johannes beschrijft in de Apokalyps zijn visioen: “Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.” (Apk 21,1) Hij zag een wereld waarin de mensen leven in gemeenschap met God. De menswording van Christus loopt uit in een totale herschepping: “Zie, Ik maak alles nieuw.” (Apk 21,5) De schepping is de mensen in handen geven om haar te beheren, te verzorgen en te ontwikkelen. Met Christus als onze leidsman mogen wij meewerken aan de herschepping. Paus Franciscus beschrijft in Laudato si’ hoe wij kunnen bijdragen aan de verwerkelijking van het visioen van een betere, schone en eerlijke wereld. De paus stelt dat de christelijke spiritualiteit een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven biedt: “minder is meer”. Soberheid maakt vrij.

Het is de taak van politici ons visioen handen en voeten te geven en richting te geven aan de gezamenlijke inspanning tot een schone en eerlijke wereld. Zo kan ook de Europese Unie weer inhoud krijgen en voor alle Europeanen van betekenis zijn.

Het hart van Taizé

Het hart van Taizé

Auteur: Frère Roger van Taizé
Titel: Het hart van Taizé
Uitgever: Kok, 2015
Prijs: € 15,00
ISBN: 978 90 435 2548 0
Aantal pagina’s: 124

Meer dan honderdduizend jongeren bezoeken jaarlijks Taizé om daar samen met de broeders te bidden. Frère Roger is de stichter van deze oecumenische gemeenschap. Tot zijn dood in 2005 was hij de leider en inspirator. “Ik voelde de drang om een gemeenschap uit te bouwen waarin de evangelische verzoening dag na dag concreet beleefd zou worden”. Naast verzoening gaat het Frère Roger om de eenheid: “Christus wordt gekwetst door de verdeeldheid onder de christenen.”

Frère Roger schreef over zijn eigen zoektocht: een geloofsgeschiedenis met momenten van grote twijfel. Hij schreef over het leven in de gemeenschap en de ontmoetingen met de jongeren. Vele onderwerpen komen aan de orde: eenvoud, barmhartigheid, vertrouwen, liefde, geloof, geluk, openstaan voor God en voor de ander, het kwaad, vergeving. Hoe vind je vrede in jezelf? Hoe vind je God? Hoe ontdek je Christus?

In dit boekje zijn de mooiste teksten van Frère Roger verzameld aangevuld met citaten uit zijn dagboeken en enkele van zijn gebeden. Rick Timmermans. een trouw bezoeker van Taizé schreef de inleiding.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.