Skip to content

Zout en licht bij verkiezingen; Js 58,7-10; Mt 5,13-16

verkieizngen

“Gij zijt het zout der aarde.” “Gij zijt het licht der wereld.” Door het verbond dat God met hen gesloten heeft, zijn de Israëlieten zout der aarde en licht der wereld. Dit geldt dus ook voor de leerlingen die deel uit maken van het volk van Israël. Van hen wordt verwacht dat zij voorbeeldig leven. Als wij ons christenen noemen en navolgers van Christus, geldt deze opdracht ook voor ons. Met deze woorden van Jezus worden ook wij opgeroepen aanstekelijk te leven: zo te leven dat anderen ons als voorbeeld nemen, dat zij zien dat wij leven uit de liefde van God en de vreugde van het Evangelie. Onze manier van leven moet de ander naar God brengen. Zo moet ook ons licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij onze goede werken zien.

Bij het Sacrament van het Doopsel ontvangt de dopeling het licht van Christus, gesymboliseerd door de doopkaars., Nog steeds komt het voor dat er tijdens een doopplechtigheid een beetje zout op de tong van de dopeling wordt gelegd, terwijl dit ritueel al decennia geleden uit de officiële doopliturgie is verdwenen. Het is blijkbaar een krachtig sprekend en niet uit te roeien ritueel dat uitdrukking geeft aan het smaak geven aan het leven. De rituelen symboliseren genadegaven die de dopeling bij de Doop ontvangt. Genade is niet een passief geschenk. Genade is een werkende kracht. Door de genade word je ook iemand. Genade heb je niet in je bezit; genade doet iets met je. Door de genade word je licht der wereld en zout der aarde. De genade die je ontvangt, stelt je in staat iets voor een ander te betekenen.

Aan het einde van deze lezing maakt Jezus duidelijk hoe wij een licht kunnen zijn door het doen van goede werken. Dit is ook wat Jesaja eerder heeft onderwezen: “Deel uw brood met de hongerigen, neem de dakloze zwervers op in uw huis, kleed de naakten die gij ziet en keer u niet af van medemensen. Dan zal uw licht stralen als de dageraad.” Deze tekst doet ons denken aan woorden die Jezus aan het einde van leven spreekt: “Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven…” Et cetera. (Mt 25,35) Vlak voor zijn lijden en sterven geeft Jezus nogmaals een samenvatting van zijn boodschap aan de wereld, de boodschap die Hij aan het begin van zijn optreden in de Bergrede uiteen zet. De Bergrede begint met de zaligsprekingen, die we vorige week hebben gelezen. Vandaag en de komende zondagen lezen we het vervolg daarvan.

Jesaja en Jezus vertellen ons een andere boodschap dan de geluiden die we tegenwoordig veelvuldig horen klinken. Jesaja en Jezus zeggen ons niet dat we onszelf of ons eigen land op de eerste plaats moeten zetten. Zij roepen ons op de mens in nood op de eerste plaats te zetten. Wij worden niet gelukkig door onszelf centraal te stellen. Om gelukkig te worden is het nodig juist de ander centraal te stellen.

Volgende maand zijn de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Voordat wij naar de stembus gaan, zullen we ons moeten afvragen waar onze prioriteiten liggen. Waardoor laten wij ons stemgedrag bepalen. Gaan we voor eigenbelang of gaan we voor het algemeen belang? Gaan we voor het individu of gaan we voor de gemeenschap? Gaan we voor de markt en voor nuttigheid of gaan we voor de liefde? Gaan we voor wat wij normaal vinden of is er ruimte voor een ander? Gaan we voor verbruik of gaan we voor gebruik van de schepping? Gaan we voor strijd of gaan we voor de dialoog? Gaan we voor wantrouwen of gaan we voor vertrouwen?

Ik denk niet dat het nodig is uit te leggen, welke richting het Evangelie ons voorhoudt. Jezus is helder over de wijze waarop wij licht der wereld en zout der aarde kunnen zijn. Hij roept ons op daarnaar te handelen. Dat geldt ook op het moment dat we naar stembus gaan. We leven in een complexe wereld en politieke keuzes zij daarmee ook moeilijke keuzes. Eenvoudige oplossingen bestaan er niet. Ik zal u geen stemadvies geven door te zeggen op welke partij of welke politicus u moet stemmen. Die verantwoordelijkheid ligt bij uzelf. Ieder van ons heeft daarvoor de genade ontvangen. Wel moeten we hier spreken over welke waarden aan de orde zijn. Welke waarden worden ons door het Evangelie en door de Kerk voorgehouden? Hoe dragen wij als gemeenschap en als individuele personen deze waarden uit? Hoe zijn wij vandaag in onze tijd licht der wereld en zout der aarde? Wat vraagt Jezus vandaag van ons? Hoe laten wij de genade in ons haar werk doen? Amen.

Jouw hand: mijn glimlach; Ez 36,26-28; 2 Kor 5,14-20; Mt 5,23-24

jouw-hand-mijn-glimlach

“Jouw hand: mijn glimlach”. Het zijn vaak kleine gebaren waarmee mensen elkaar gelukkig maken. Het zijn kleine gebaren die uitdrukking kunnen geven aan grote gevoelens, die uitdrukking geven aan liefde en verbondenheid, aan verzoening en vergeving.

Dit jaar is het 500 jaar geleden dat Maarten Luther zijn 95 stellingen publiceerde. Dat was het begin van de Reformatie, het begin van een herbronning, een teruggaan naar de bronnen van het christendom. Men ging opnieuw op zoek naar hoe het ooit was bedoeld. Dat had de Kerk nodig. Het christendom was dan wel wijd verbreid in Europa, maar de diepgang en de inspiratie waren ondergesneeuwd geraakt. Bovendien waren de tijden veranderd. De boekdrukkunst was uitgevonden. Overal werden universiteiten opgericht. Het christendom kon niet langer op dezelfde weg voort. Er was verandering nodig.

Luther begreep dat. Hij probeerde het christelijk geloof te zuiveren, de Kerk te hervormen, en het evangelie centraal te stellen. Helaas ging dat niet zonder slag of stoot. Er waren persoonlijke belangen en vele misverstanden. De conflicten liepen hoog op en verzoening van de standpunten bleek niet mogelijk. Eeuwen lang heeft zich dat voortgezet. Men sprak elkaar niet. Het denken in karikaturen werd over en weer sterker. Christenen zagen elkaar als vijanden. En de strijdende partijen hebben elkaar veel schade toegebracht. Sinds vorig eeuw zijn we een nieuwe weg ingeslagen. Christenen van verschillende richtingen leren elkaar kennen en zijn met elkaar in gesprek. Er leeft een groot verlangen tot eenheid onder de christenen, maar we hebben nog wel een weg te gaan.

Vandaag worden we opgeroepen ons met elkaar te verzoenen. Jezus spreekt duidelijke taal: Het heeft geen betekenis offers te brengen als je je broeder of zuster iets verwijt. Voordat je je tot God richt, moet je je verzoenen met je medemens. Het is zoals we bidden met het Onze Vader: “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars vergeven.” Ezechiël maakt duidelijk dat we dat niet op eigen kracht hoeven te doen. God, de Heer, zal ons een nieuw hart en een nieuwe geest geven. Hij zal het versteende hart wegnemen en ons een levend hart geven. Paulus schrijft hoe Christus aan de basis van de verzoening staat. Hij is het die ons met God verzoend. Het is zijn liefde voor ons die Hem daartoe bracht. De liefde is het fundament waarop de verzoening is gebaseerd.

Verzoening tussen mensen is geen gemakkelijke zaak. Het vraagt om te beginnen respect voor elkaar. Het vraagt dat we elkaar als mensen zien, als mensen geschapen naar Gods beeld, als mensen die willen leven en liefhebben zoals God het bedoeld heeft. Vanuit dat respect kunnen we het gesprek met elkaar aangaan. Zo komen we tot een dialoog waarbij we oprecht naar elkaar luisteren, elkaar serieus nemen en elkaar niet van ons eigen gelijk willen te overtuigen. In een oprechte dialoog kunnen we vervolgens op zoek gaan naar de waarheid. De dialoog stelt ons ook in staat onze verbondenheid met elkaar te ontdekken. Door de dialoog kunnen we komen tot liefde voor elkaar. Als we de waarheid onder ogen kunnen zien, weten we ook waar we schuldig zijn naar elkaar. Dat opent de weg naar verzoening en vergeving.

Zo komen we samen tot een leven in liefde en waarheid. Liefde en waarheid zijn de sleutelbegrippen. Zij vormen de fundamenten van de eenheid. Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar. De liefde weerhoudt ons ervan het zoeken naar de waarheid op de spits te drijven en te vervallen in scherpslijperij. Door de liefde voor elkaar beseffen, dat wij allen – zoals Paulus dat elders schrijft – kijken in een wazige spiegel. (1Kor 13,12) Niemand van ons kan de waarheid ten volle kennen. Niemand van ons heeft de waarheid in pacht.

De waarheid voorkomt dat we vervallen in een goedkope eenheid, dat we geen oog hebben voor de verschillen en geen oog hebben voor de pijn die we elkaar hebben aangedaan. De waarheid weerhoudt ons van uitspraken: “we geloven toch eigenlijk allemaal hetzelfde”. Met een dergelijke uitspraak doen we niet alleen de waarheid geweld aan. Zo’n uitspraak is ook respectloos en daarmee liefdeloos. Zij maakt het geloof van de ander ondergeschikt aan het eigen geloof, want hiermee zegt men: “jij gelooft eigenlijk hetzelfde als ik”.

Door samen in liefde en waarheid te zoeken naar wat ons bindt, komen we tot verzoening en tot verbondenheid met elkaar. Dat leidt niet tot een eenheid van allemaal hetzelfde, maar tot een eenheid in verscheidenheid. Dat leidt tot een eenheid waarbinnen we elkaar verrijken. Het leidt tot eenheid waarbinnen jouw hand mijn glimlach is. Amen.

“Komt, volgt Mij”; 1 Kor 1,10-13.17; Mt 4,12-23

roeping-2

Jezus zag de broers Simon en Andreas en zei tegen hen: “Komt, volgt Mij…” “Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem.” Iets verderop zag hij nog twee broers: Jacobus en Johannes. “Hij riep hen, en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem.” Twee roepingsverhalen die sterk op elkaar lijken. In beide gevallen laten de mannen onmiddellijk alles in de steek en ze gaan Jezus volgen. Dit lijkt meer op een plotselinge bevlieging dan op een weloverwogen besluit. Als wijzelf zo iets doen, worden we onmiddellijk door mensen uit onze omgeving teruggefloten: Zou je dat nu wel doen. Denk er eerst nog eens goed over na.

Ook als je je bij de priester- en diakenopleiding van ons bisdom meldt, wordt er uitgebreid naar je motivatie gevraagd voordat je aan je studie mag beginnen. En dat is nog maar het begin. Vervolgens word je tijdens je studie op de voet gevolgd in je ontwikkeling. Uiteindelijk word je dan na een flink aantal jaren en na uitgebreid beraad door de bisschop tot priester of diaken gewijd. Maar dit geldt niet alleen voor het gewijde ambt in de Kerk. Het geldt ook als twee mensen met elkaar willen trouwen. Ook dan is het niet de bedoeling dat het alleen maar is omdat beide partners hopeloos verliefd op elkaar zijn. Ook het huwelijk dient niet een bevlieging te zijn, maar een weloverwogen stap in je leven.

De situatie in het Evangelie is duidelijk anders: Jezus roept de mannen en onmiddellijk volgen zij Hem. Het doet mij denken aan mijn kindertijd, aan mijn vader die naar buiten kwam en ons riep. Dan was het niet de bedoeling dat we daar eerst over gingen nadenken. Nee, het was de bedoeling dat je onmiddellijk naar hem toe ging om te doen wat hij je vroeg. Op dezelfde wijze roept Jezus met liefde en met gezag. De vier mannen erkennen onmiddellijk het gezag van Jezus en ze ervaren de verbondenheid.

Verondersteld mag worden, dat zij Jezus al kenden. Van Andreas is bekend dat hij een leerling van Johannes de Doper was. Johannes had Jezus aangewezen als de man die na hem kwam. Het begint met het optreden van Johannes en Jezus gaat verder. Jezus wijst op zijn beurt mensen aan die zijn werk zullen vervolgen. We mogen dus aannemen dat deze vier mannen al wisten van de komst van de Messias. Nu deze hen roept om Hem te volgen gaan ze daar onmiddellijk op in. Ze laten alles achter zich en gaan een nieuw leven beginnen. Hun antwoord is niet alleen onmiddellijk maar ook radicaal.

Jezus zet het werk van Johannes de Doper voort. Maar er is ook sprake van verandering en een nieuw begin. Johannes predikte in Judea. Jezus trekt naar het noorden, naar Galilea. Het grote licht gaat op over het “Galilea van de heidenen”. Hiermee krijgt het optreden van Jezus een universeel karakter. Hij is er niet alleen voor Israël zoals Johannes de Doper. Hij is er voor iedereen, ook voor de heidenen. In dit verband is het ook interessant dat de naam Andreas een Griekse naam is en Simon een Griekse vorm is van het Hebreeuwse Simeon. Ook zijn volgelingen hebben een bredere achtergrond. Hier begint de omslag van de gerichtheid op Israël naar de gerichtheid op de hele wereld.

Deze mannen zijn niet alleen geroepen om in Israël brood uit te delen, zieken te genezen en het Rijk der hemelen te verkondigen. Nee, zij zullen de wereld in trekken en hun opvolgers worden uitgezonden naar de uiteinden der aarde. Het licht dat opgaat over Galilea, wordt over de hele wereld verbreid en gaat overal stralen. Dit is geen eenmalige gebeurtenis. Telkens weer moet het licht doorgegeven worden en opnieuw tot stralen gebracht worden.

Telkens weer worden ook wij geroepen om als christen te leven om zo dragers van het licht te zijn en verkondigers van het Rijk der hemelen. Ieder wordt in zijn eigen situatie geroepen en ieder krijgt een persoonlijke roeping. Maar het is geen individuele roeping. Het is een roeping in relatie met anderen, een roeping binnen en voor een gemeenschap. Als we ons geroepen weten voor de gemeenschap, weten we ook dat we de verbondenheid met elkaar moeten bewaren en dat we op onze hoede moeten zijn voor verdeeldheid.

De lezing van vandaag maakt ons duidelijk, dat de opdracht die we krijgen niet iets is wat je er even bij doet. Het is duidelijk dat we ons vrij moeten maken voor deze opdracht en dat we er dus iets voor moeten laten. Het is ook niet iets wat je eindeloos voor je uit kunt schuiven. Zo van, dat komt later wel. Nee, je moet ermee aan de slag. Geroepen worden door Jezus Christus is niet alleen een uitverkiezing tot het geluk. Het is ook een opdracht zijn boodschap van liefde uit te dragen en door te geven aan anderen. Het is niet een roeping voor het individu. Het is een roeping ten dienste van anderen, ten dienste van de gemeenschap, te dienste van de eenheid. Amen.

Dopen met de heiige Geest; Jon 3,1-5.10; Joh 1,29-34

dopen-met-de-heilige-geest

“Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt.” Vorige week vierden we het feest van de Openbaring van de Heer, het feest van Driekoningen. Nu is Hij geen kind meer maar een volwassen man. Vandaag lezen we hoe Johannes de Doper Jezus aanwijst als degene die onze Verlosser is. Blijkbaar is Jezus even onopvallend als andere mensen. Johannes vertelt over wat er eerder gebeurde bij de Doop van Jezus: “Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten.” Johannes verklaart dat deze onopvallende figuur de Zoon van God is. Op een mens zoals wij daalt de heilige Geest neer. Hij wordt geraakt door de Geest, maar aan de buitenkant is dat niet te zien.

Ook zegt Johannes dat Jezus zal dopen met de heilige Geest. Jezus is als mens gelijk aan ons, Hij is mens zoals wij zijn. Met het Doopsel maakt Hij ons gelijk aan Hem. Hij doopt ons met de heilige Geest. Ook wij worden door de Geest geraakt. Zo kunnen wij net als Jezus worden. Dat is onze roeping. Ook Jona werd door God geroepen, maar had er helemaal geen zin in. We kennen allemaal het verhaal van Jona: hoe hij wegloopt voor de opdracht die God hem geeft. Hij gaat met een boot mee de andere kant op. Er komt een storm en Jona begrijpt dat hij daarvan de oorzaak is. Hij laat zich door de anderen overboord gooien, hij wordt door een walvis opgeslokt en na drie dagen wordt hij weer uitgespuwd op het strand. Nu gaat Jona wel doen wat er van hem gevraagd is. We horen dat in de lezing van vandaag. De boodschap die Jona brengt heeft tot gevolg dat de mensen zich bekeren en dat God hen vergeeft.

Het wonderlijke verhaal van Jona laat ons zien dat leven zoals God het wil niet altijd gemakkelijk is. Je moet soms – zoals Jona – dingen doen waar je helemaal geen zin hebt. Mensen hebben altijd geweten dat je voor moeilijke taken wel wat extra hulp kunt gebruiken. Om dat duidelijk te maken, werden priesters, koningen en profeten gezalfd. Zo noemen wij Jezus ook de Gezalfde. Christus betekent Gezalfde. Ook wij christenen zijn gezalfden. Met de zalving bij het Doopsel en bij het Vormsel worden wij gezalfd en zo worden wij net als Jezus gedoopt met de heilige Geest. De heilige Geest geeft ons extra kracht en extra wijsheid. Hij geeft ons vertrouwen. Hij zorgt er ook voor dat we meer liefde hebben voor anderen. Zo gaan we op Jezus lijken en zijn we beter in staat iets voor een ander te doen.

Jezus werd geraakt door de heilige Geest. De heilige Geest daalde op Hem neer. Dat is het begin. Daarna lezen we dat de heilige Geest op Hem bleef rusten. Dat betekent dat Jezus de heilige Geest heeft ontvangen. Hij heeft Hem in zijn leven toegelaten en de ruimte gegeven zijn werk te doen. Zo werkt het ook bij ons. Het is niet alleen een beweging van de Geest in onze richting. Het is niet alleen dat Hij naar ons toe komt. Nee, wij moeten Hem ook in ons leven toelaten. Wij moeten openstaan voor de heilige Geest. Dan blijft Hij ook op ons rusten. Dan zal de heilige Geest in ons werkzaam zijn. Dat betekent dat wij ook iets moeten opgeven. Maar durven we het aan ons werkelijk te laten raken door de heilige Geest? Durven we het aan onszelf een beetje te verliezen? De heilige Geest zorgt voor enthousiasme, voor begeestering. Durven we het aan bevlogen mensen te worden? Hoever durven wij daarin te gaan? Jona had het er behoorlijk moeilijk mee.

Zeven jongeren zijn zich aan het voorbereiden op het Vormsel. Zij willen proberen te leven als christenen, als mensen die op Jezus lijken. Zij zullen worden gezalfd om als christen te leven. Zij worden net als Christus gezalfd tot priester, koning en profeet. Zij worden gezalfd tot priester om God te dienen. Zij worden gezalfd tot koning om andere mensen te dienen. Zij worden gezalfd tot profeet om anderen te vertellen over God en over de boodschap van liefde die Jezus ons gebracht heeft en waarmee Hij ons bevrijdt uit ons egoïsme en onze zelfgerichtheid.

Echt leven is je verbonden weten met anderen, weten dat je van betekenis bent voor anderen en dat ook jij niet zonder de ander kunt. Echt leven is leven met geestdrift, enthousiasme en bevlogenheid. Echt leven is een leven van liefde, van geliefd zijn en van liefhebben. De liefde voor elkaar brengt ons werkelijk geluk. De liefde brengt niet alleen rust. Ze brengt ook onrust. De liefde daagt ons ook uit en brengt ons in beweging.

Als wij de heilige Geest de ruimte geven zijn ook wij met zijn hulp daartoe in staat. Uiteindelijk is het zelfs Jona gelukt om te doen wat nodig was en daarmee de inwoners van Nineve tot bekering te brengen. Bidden wij vandaag voor onze vormelingen dat de heilige Geest ook op hen zal mogen rusten en dat Hij een plaats zal hebben in hun leven; dat zij zo met vertrouwen de toekomst in gaan. Amen.

Manna in de woestijn: Op zoek naar een ecologische spiritualiteit

Inleiding

Op 24 mei 2015 verscheen de encycliek Laudato si’[i]. Hier moest ik mee aan de slag. Niet alleen het onderwerp maar ook de aanpak van paus Franciscus gaven daar aanleiding toe. Eerder had ik uitgebreid aandacht besteed aan het boekje Tien geboden voor het milieu.[ii] Hierin wordt het groene denken van paus Benedictus XVI beschreven en geanalyseerd. Het resultaat daarvan vind u op mijn website.[iii]

In deze inleiding geef ik eerst een kort overzicht van de inhoud van de encycliek en van zijn plaats in de ontwikkeling van het denken van de Kerk over schepping en duurzaamheid. Daarna wil ik ingaan op de oproep van paus Franciscus om te komen tot een ecologische spiritualiteit en de rol die wij daarin als christenen kunnen vervullen. Tenslotte zullen we het hebben over wat wijzelf concreet kunnen doen.

Het kerkelijk denken

De encycliek Laudato si’ gaat over duurzaamheid, over de schepping en haar voortbestaan en over de gevolgen van het onverantwoord omgaan met de schepping. De aarde “schreeuwt ons op dit moment toe vanwege de schade die wij haar hebben toegebracht door ons onverantwoordelijk gebruik en misbruik van al het goede dat God haar heeft geschonken.” (2) Met deze encycliek gaat paus Franciscus verder op de weg van zijn voorgangers.

In 1971 verwees Paulus VI naar de ecologische problematiek. Hij schreef over een crisis die een dramatisch gevolg is van onbezonnen exploitatie van de natuur.[iv] Johannes Paulus II stelde dat er geen wereldvrede kan zijn als de wereld de milieuproblematiek niet serieus oppakt en niet haar collectieve verantwoordelijkheid neemt jegens de armen en de toekomstige generaties.[v] Van hem is het begrip ecologische zonde: wie schade toebrengt aan het milieu, begaat een zonde. Benedictus XVI stond bekend als de groene paus. Hij vroeg voortdurend aandacht voor het milieu.

Met Laudato si’ roept paus Franciscus iedereen op: “Deze dringende oproep tot bescherming van ons gemeenschappelijke huis omvat de noodzaak de gehele menselijke familie bij elkaar te brengen om te zoeken naar een duurzame en integrale ontwikkeling, want wij weten dat zaken kunnen veranderen. (…) De mensheid heeft nog steeds de mogelijkheid samen te werken aan de opbouw van ons gemeenschappelijk huis.” (13) De encycliek maakt deel uit van de sociale leer van de Kerk.

Centraal in het denken van de Kerk over de mens staat niet het woord individu, maar het woord persoon. Een mens wordt pas mens in relatie met anderen. Dan is hij in staat tot het ontvangen en geven van liefde. Hierin is hij ook beeld van de Drie-ene God, die liefde is en gemeenschap in zichzelf. Dit maakt dat de mens afhankelijk is van andere mensen en in die zin ook niet volledig autonoom kan zijn. De mens is geen soevereine instantie, die aan zichzelf genoeg heeft. God heeft ons niet als individu aan onszelf gegeven, maar als persoon naast de ander, als hulp aan de ander gelijk (Gn 2,18) en als hoeder van mijn broeder (Gn 4,9). De sociale leer van de Kerk geeft richting aan de manier waarop mensen met elkaar samenleven. Met Laudato si’ wordt hieraan een nieuw hoofdstuk toegevoegd over de relatie van de mens met de schepping. Benedictus XVI stelde de duurzaamheid aan de orde in preken, toespraken en boodschappen. Franciscus gaat een stap verder door het kerkelijk denken over duurzaamheid vast te leggen in een encycliek. Een encycliek is een pauselijk document van leerstellige aard. Het gaat om het gewone leergezag van de paus, niet om een onfeilbare uitspraken, niet om dogma’s. De inhoud maakt deel van de katholieke leer.

Volgens Benedictus XVI is groen zijn een morele en religieuze noodzaak: “Goede en effectieve maatregelen tegen de verspilling en vernietiging van de schepping kunnen alleen ontwikkeld en gerealiseerd worden, begrepen en nageleefd worden, als de schepping vanuit Gods standpunt wordt gezien.”[vi] Duurzaamheid staat ook niet los van gerechtigheid. Onverantwoorde levenskeuzes en leefstijlen bedreigen niet alleen de aarde, zij maken ook het leven van de armen nog moeilijker.

Laudato si’

Hoofdstuk 1: Wat gebeurt er met ons gemeenschappelijk huis

De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen – waaraan de mens medeschuldig is – treffen alle mensen maar vooral de armen. “De aarde, ons huis, begint steeds meer op een enorme vuilnisbelt te lijken.” (21) “Deze problemen zijn nauw verbonden met de wegwerpcultuur, die zowel de uitgesloten mensen betreft als ook voorwerpen snel reduceert tot afval.” (22) “Klimaatverandering is een mondiaal probleem met ernstige gevolgen…” (25) “Omdat alle schepselen met elkaar zijn verbonden, moeten alle met liefde en respect gekoesterd worden, want wij allen zijn als levende schepselen van elkaar afhankelijk.” (42)

“Tot de sociale aspecten van de mondiale veranderingen behoren ook de gevolgen van de technologische innovaties op het gebied van de arbeid, de sociale uitsluiting, de ongelijkheid in de verdeling en het gebruik van energie en andere diensten, de afbraak van de gemeenschap, de toename van geweld en de opkomst van nieuwe vormen van sociale agressie, drugshandel en toenemend drugsgebruik door jongeren, en het verlies aan identiteit.” (46) “Het menselijke milieu en het natuurlijke milieu verslechteren in samenhang met elkaar; wij kunnen de achteruitgang van het milieu niet adequaat bestrijden zonder ook aandacht te besteden aan de oorzaken die verband houden met de menselijke en sociale achteruitgang.” (48)

Hoofdstuk 2: Het evangelie van de schepping

Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. “Als wij werkelijk een ecologie willen ontwikkelen die ons in staat stelt de schade die we hebben veroorzaakt, te herstellen dan mag geen enkele wetenschap en geen enkele vorm van wijsheid uitgesloten worden, ook de religies niet met haar eigen taal.” (63) De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren, niet om haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken, niet om te verbruiken. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.

“De verantwoordelijkheid voor Gods aarde betekent dat de mensen (…) de wetten van de natuur en het delicate evenwicht dat er tussen de schepselen van deze wereld bestaat, moeten respecteren…” (68) “We worden ook opgeroepen te onderkennen dat de andere levende wezens in de ogen van God hun eigen waarde hebben en Hem alleen al met hun bestaan loven en verheerlijken…” (69) “Wij hebben de vrije keuze met onze intelligentie aan een positieve ontwikkeling bij te dragen of nieuwe rampen te veroorzaken…” (79) “God wil de onderlinge afhankelijkheid van de schepselen.” (86) De paus pleit voor een holistische en allesomvattende visie. “Vrede, gerechtigheid en behoud van de schepping zijn drie absoluut met elkaar verbonden thema’s…” (92)

Hoofdstuk 3: De menselijke oorzaken van de ecologische crisis

Er is een culturele revolutie nodig. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. “We moeten onderkennen dat kernenergie, biotechnologie, informatietechnologie, kennis van ons DNA en vele andere vaardigheden die wij ons eigen hebben gemaakt, ons een enorme macht hebben gegeven.” (104) “De neiging bestaat te geloven dat iedere toename van macht een groei in vooruitgang betekent (…), alsof de werkelijkheid, het goede en de waarheid automatisch uit de technologische en economische kracht zelf voortvloeien.” (105) “Het technocratische paradigma neigt de economie en de politiek te domineren.” (109) Winstmaximalisatie zou voldoende zijn om tot een betere wereld te komen. Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang.

De ecologische crisis komt voort uit een ethische, culturele en spirituele crisis. “Als we er niet in slagen de waardigheid van de arme, van het ongeboren kind en van de gehandicapte (…) te erkennen als deel van de werkelijkheid, wordt het moeilijk het hulpgeroep van de natuur zelf te horen; alles is met elkaar verbonden.” (117) Door onszelf centraal te stellen en absoluut voorrang te geven aan ons eigen gemak en plezier, wordt al het andere betrekkelijk en onbelangrijk. “Het verstandig ontwikkelen van de schepping is de beste manier om voor haar te zorgen. Dit betekent dat wijzelf het gereedschap van God worden om de mogelijkheden die Hij zelf in alles heeft gelegd tot ontplooiing te brengen.” (124)

Hoofdstuk 4: Integrale ecologie

Franciscus pleit voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Ook vragen de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst.

Hoofdstuk 5: Wegen naar aanpak en actie

In dit hoofdstuk beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. “Onderlinge afhankelijkheid verplicht ons te denken in termen van één wereld met een gezamenlijk plan.” (164)

“Voor arme landen moet de prioriteit liggen bij de uitroeiing van extreme armoede en de bevordering van de sociale ontwikkeling van de bevolking. (…) Evengoed moeten ook zij minder verontreinigende vormen van energieproductie ontwikkelen, maar daarbij hebben zij de hulp nodig van landen die ten koste van de voortdurende vervuiling van de planeet grote groei hebben doorgemaakt.” (172) “Gegeven de situatie is het wezenlijk tot sterkere en efficiënter georganiseerde internationale instellingen te komen met functionarissen die bevoegd zijn tot het uitdelen van sancties en die aangesteld worden bij overeenkomst tussen de nationale regeringen.” (175)

Hoofdstuk 6: Ecologische opvoeding en spiritualiteit

Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hij heeft het over een ecologische bekering en een ecologische spiritualiteit. “Vele zaken moeten veranderen, maar bovenal moeten wij mensen veranderen.” (202) “Mensen geloven dat ze vrij zijn zolang ze de vermeende vrijheid tot consumeren hebben.” (203) “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren. Het wordt bijna onmogelijk om de grenzen te accepteren die de realiteit oplegt.” (204)

Wij mensen moeten een nieuwe levensstijl aannemen. Mensen zijn “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” (205) “Het is nodig dat politieke organisaties en vele andere sociale groeperingen werk maken van het verhogen van het bewustzijn bij de mensen. Dat geldt ook voor de Kerk.” (214)

“Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” (222) Soberheid maakt vrij. “Echter niemand is in staat tot een leven van soberheid en tevredenheid, als hij of zij niet in vrede met zichzelf leeft. (…) Innerlijke vrede is nauw verbonden met de zorg voor de ecologie en het algemeen welzijn…” (225)

Samenvatting Laudato si’

Het voortbestaan van de schepping en daarmee van de mensheid worden bedreigd. Oorzaken zijn consumentisme, winstbejag en eigenbelang, onverantwoord gebruik van wetenschap en techniek, geen respect voor het leven, voor culturen en voor de natuur. Het menselijke milieu en het natuurlijke milieu verslechteren in samenhang met elkaar. De ecologische crisis is het gevolg van een ethische, culturele en spirituele crisis. Ons denken wordt teveel beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt.

De schepping is aan de mensheid geschonken om te gebruiken, te verzorgen, te beheren en te ontwikkelen, niet om haar aan zich te onderwerpen. Alle schepselen zijn met elkaar verbonden en zijn van elkaar afhankelijk. De mens is deel van de schepping. Vrede, gerechtigheid en behoud van de schepping zijn met elkaar verbonden thema’s.

De paus roept op tot een integrale ecologie met respect voor menselijke en sociale aspecten. Daarbij is het samenwerken van alle disciplines noodzakelijk: politiek, wetenschap en religie. Arme landen moeten door de rijke ondersteund worden. Hij schrijft over de noodzaak van een moreel kompas. De mens zelf moet veranderen. Er is een nieuwe levensstijl nodig en een ecologische bekering.

Op zoek naar een ecologische spiritualiteit

Wat wordt ons aangereikt?

Sleutelbegrippen die de paus noemt voor een ecologische spiritualiteit zijn: soberheid, tevredenheid, bescheidenheid, dankbaarheid, verantwoordelijkheid, menselijke waardigheid, vrede en vreugde. De paus wijst op de grote rijkdom van de christelijke spiritualiteit. (216) Hij bepleit een contemplatieve, profetische en evangelische levensstijl (222) en een herwaardering van de liefde in het maatschappelijke leven (231). Het gaat ook om een sacramentele levensvisie. De sacramenten maken gebruik van de natuur om het bovennatuurlijke te bemiddelen. Zij leggen de verbinding tussen God en schepping. Zo worden hemel en aarde met elkaar verbonden. De paus noemt het voorbeeld van heiligen zoals Franciscus van Assisi (218), Theresia van Lisieux (230), Bonaventura (233) en Johannes van het Kruis (234). Tenslotte wijst de paus op trinitaire gemeenschap die er in God is. God is drievuldig en heel de schepping draagt daardoor een trinitaire structuur. Alles is met elkaar verbonden en alle schepselen staan in relatie met elkaar en leven in gemeenschap met God. (238-240)

Hoe komen we tot een eigen ecologische spiritualiteit?

De paus spreekt over de noodzaak van een ecologische bekering en draagt ons vele zaken aan waarmee we onze ecologische spiritualiteit kunnen opbouwen. Om je kunnen bekeren is het ook nodig te weten waar je staat? Vanuit welk wereldbeeld, elk mensbeeld en welk Godsbeeld hebben wij tot nu toe geleefd? Hoe zijn wij opgevoed en welke waarden en denkbeelden bepalen nog steeds bewust of onbewust onze wijze van leven?

Dit is primair een persoonlijke exercitie. Door hier met elkaar over te spreken komen we ongetwijfeld veel overeenkomsten tegen, overeenkomsten die voortvloeien uit de cultuur en de tijdsgeest waarmee we zijn opgevoed.

Zelf ben ik opgegroeid op het platteland van Friesland. De wijdte van het landschap en de grenzeloosheid van de natuur hebben mij gevormd. Diep in mij zit de ervaring van grenzeloosheid als het over de schepping gaat.

Ook heb ik de enorme welvaartsgroei van de naoorlogse decennia meegemaakt. De bomen zouden werkelijk tot de hemel doorgroeien. Wetenschap en techniek zouden steeds weer nieuwe mogelijkheden en oplossingen brengen. Het geloof in de maakbaarheid van het leven was groot. De mens was in staat de wereld naar zijn hand te zetten. Hij was de heerser over de schepping. Toen in 1972 de Club van Rome met het rapport Grenzen aan de groei kwam, werd ik daar niet echt zenuwachtig van. Ik dacht: daar vinden we wel wat op.

En dan ben ook nog katholiek. God is zeker niet zuinig en afgemeten. Hij is juist in alles overvloedig. Overvloedig is zijn genade. Paulus schrijft: “Waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos.” (Rom 5,20) Psalm 136 herhaalt telkens: “Tot in eeuwigheid is zijn genade.” Niet alleen Gods liefde en genade zijn overvloedig. Ook in materiële zaken is Hij beslist niet karig. In Psalm 23 wordt het inschenken van wijn door de Heer bezongen: “Mijn beker vloeit over.” Als Hij in Kana water in wijn verandert, is Jezus al even royaal. Als Hij met vijf broden en twee vissen het volk te eten geeft, blijven er twaalf korven vol brokken over. Hoelang hebben de leerlingen daar nog van gegeten?

Dat de schepping eindig is en dat de bomen niet tot de hemel doorgroeien, is ondertussen wel tot mij doorgedrongen maar dat God ons een te kleine aarde zou hebben gegeven, gaat er bij mij niet in. Ik zal een aantal op het eerste gezicht tegenstrijdige zaken bij elkaar moeten brengen.

Het verhaal over het manna in de woestijn (Ex 16,2-4.12-20) helpt daarbij. Er is genoeg manna voor iedereen. Een grote hoeveelheid was niet teveel en een kleine hoeveelheid niet te weinig. Iedereen verzamelde precies wat hij nodig had. Het gaat echter mis als iemand iets wil bewaren, dus zich meer heeft toegeëigend dan nodig is. Dan gaat de overvloed rotten en stinken. God geeft in overvloed, maar wij zijn zelf verantwoordelijk daar op de juiste wijze mee om te gaan.

[i]      Franciscus, Laudato si’, 2015. De Nederlandse vertalingen in dit artikel zijn overwegend van de auteur zelf.

[ii]     Woodeene Koenig-Bricker, Ten Commandments for the Environment: Pope Benedict XVI Speaks Out for Creation and Justice, Notre Dame: Ave Maria Press, 2009.

[iii]    https://diakenpiertolsma.com/2012/11/28/tien-geboden-voor-het-milieu-2.

[iv]    Paulus VI, Octogesima adveniens, 1971.

[v]     http://w2.vatican.va/content/john-paul-ii/en/messages/peace/documents/hf_jp-ii_mes_19891208_xxiii-world-day-for-peace.html.

[vi]    http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2008/august/documents/hf_ben-xvi_spe_20080806_clero-bressanone_en.html.

Gelukszoekers; Jes 60,1-6; Mt 2,1-12

gelukszoekers

De wijzen uit het oosten volgen een ster, een licht dat hen de weg wijst. Zij zijn op zoek naar de pasgeboren koning. Jesaja schrijft: “Volkeren komen af op uw licht (…) van overal stromen ze naar u toe.” Mensen zijn op zoek naar het licht, zij zijn op zoek naar het geluk. Dat was 2000 jaar geleden al zo met de drie wijzen. De teksten van het boek Jesaja zijn van nog zo’n 700 jaar eerder. Altijd – vanaf het allereerste begin tot op de dag van vandaag – zijn mensen op zoek naar het geluk. Mensen zijn gelukszoekers.

Tegenwoordig is dat een beladen term. Met gelukszoekers worden dan mensen bedoeld die uit zijn op onze rijkdom. In dat denken is geluk niet iets wat je vindt, maar iets wat je zelf maakt. Geluk is dan niet iets wat je krijgt, geluk is dan iets wat je verdient. Geluk is dan iets wat je bezit. Gelukszoekers zijn in dit denken mensen die uit zijn op ons geluk.

Hoe anders is de boodschap die wij vandaag horen: “Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde.” De drie wijzen hebben geen enkele bijdrage geleverd aan deze vreugde. Deze vreugde, dit geluk wordt hen zomaar in de schoot geworpen, omdat zij ernaar op zoek waren. Juist deze gelukszoekers vinden het geluk. Zij worden gelukkig.

Hoe anders vergaat het Herodus. Hij is een man van de maakbaarheid. Hij denkt het geluk naar zijn eigen hand te kunnen zetten. Alles wat dat geluk mogelijk bedreigt, moet uit de weg geruimd worden. Wij weten waartoe Herodus in staat is geweest en wat de gevolgen daarvan waren voor de kinderen van Betlehem. Hij heeft ze allemaal laten doden, om te voorkomen dat een van hen koning zou worden. Mensen kunnen diep vallen als ze geloven in de maakbaarheid van het geluk. Hoeveel massale slachtingen hebben er niet plaatsgevonden op weg naar een zogenaamd rijk van eeuwige vrede en geluk?

Jesaja spreekt over de duisternis die de aarde bedekt: de volkeren verkeren in het donker. Maar het licht beschijnt Jeruzalem, de Zon gaat over haar op en de glorie van de Heer schijnt over haar. De volkeren komen op het licht af en zij worden vervuld met blijdschap. Niet alleen het zoeken naar geluk is van alle tijden, ook de duisternis, het kwaad is van alle tijden. Het is de duisternis van het eigenbelang en de zelfgerichtheid. Het is de duisternis van oorlog en geweld. Telkens als de liefde ontbreekt is het duister om ons heen. Telkens als de liefde ontbreekt verlangen wij naar het licht. Maar telkens verschijnt er ook weer licht in de duisternis. Het licht van de liefde is sterker dan dood en verderf. Het licht van de liefde is sterker dan eigenbelang en zelfgerichtheid. Telkens weer zijn er mensen die het licht doorgeven, mensen die zelf het licht van Christus laten schijnen in deze wereld.

Zowel Jesaja als het Evangelie houden ons een andere weg voor. Hier gaat het niet over de maakbaarheid van het geluk. Wij moeten afgaan op het licht. Het geluk komt van buiten, niet uit onszelf. Het wordt ons ook niet zo maar toegeworpen. We worden opgeroepen het te gaan zoeken. Dat is wat anders dan het geluk zelf maken. Jesaja zegt ons: “Laat het licht u beschijnen.” De glorie van de Heer zal over ons schijnen. Zijn glorie, zijn licht zal de duisternis verdrijven. “Sla uw ogen op en zie om u heen.”

We staan aan het begin van een nieuw jaar. Voor velen een moment van nieuwe kansen en een nieuwe start. Niet dat wij moeten wachten op een nieuw jaar. Wij kunnen elke dag, elk uur om vergeving vragen en opnieuw beginnen. God geeft ons voortdurend een nieuwe kans. Vandaag wordt ons voorgehouden op zoek te gaan naar het licht, naar het geluk. We vinden dat geluk in en door Christus, de mensgeworden Zoon van God. Hij wijst ons de weg. Hij brengt ons leven. Zijn weg ten leven is de weg van de liefde.

Als wij Hem navolgen op deze weg van de liefde worden wij op onze beurt dragers van het licht. Dan worden we niet alleen beschenen door het licht. Dan worden wij ook verspreiders van het licht. Dan zijn wij niet alleen zoekers van het geluk. Dan zijn wij ook brengers van het geluk. Wij hoeven het geluk niet zelf te maken. Wij kunnen het geluk ook niet verdienen en bezitten. Wij kunnen het geluk vinden in en door Christus en wij – op onze beurt – kunnen anderen gelukkig maken.

Ik wens u allen een Zalig Nieuwjaar. Amen.

Verantwoordelijkheid; Hb 1,1-6; Joh 1,1-18

licht-in-de-duisternis

“Het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan.” We horen met Kerstmis op twee totaal verschillende manieren vertellen over de menswording van Jezus Christus. Johannes doet dat op een abstracte en filosofische manier en Lucas op een heel concrete wijze. Beide keren gaat het over de geboorte van Gods Zoon als mens in deze wereld. Het Licht, het Woord van God komt in de wereld. Jezus brengt ons de boodschap van Gods liefde voor ons. Hij brengt ons vrede en geluk. Hij is onze Redder.

De vraag is en wat doen wij? Johannes stelt direct al aan het begin van zijn Evangelie: “maar de duisternis nam het niet aan.” Bij Lucas komt deze boodschap iets later. Bij de opdracht van Jezus in de tempel horen we Simeon zeggen: “Zie dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt…” Wat doen wij? Nemen wij het Licht aan? Geloven wij in de Blijde Boodschap? Willen wij Christus navolgen? Of leggen we het naast ons neer, nemen we zijn boodschap niet aan en gaan we er zelfs tegenin?

Wij zijn vrije mensen. Zo heeft God het gewild. Zijn liefde voor ons is zo groot dat Hij onze keuzes respecteert. Hij heeft ons zelf verantwoordelijk gemaakt. Paulus schrijft dat God zijn Zoon tot erfgenaam heeft gemaakt. Elders schrijft Paulus dat alle kinderen van God samen met Christus zijn erfgenamen zijn. God heeft de wereld en ons mensen geschapen. Christus is mensgeworden. Hij is een van ons geworden. Samen zijn wij erfgenamen van God. Alles is aan ons gegeven. Dat maakt ons verantwoordelijk. Wij zijn verantwoordelijk voor voor heel het leven, voor alle leven. En dat geldt voor iedere mens.

Christus heeft zich verbonden met iedereen, niemand uitgezonderd. Zo zijn wij ook allemaal geroepen met Hem mee te werken aan het Rijk Gods. Hij is onze leidsman, Hij is onze Heer en Herder, maar Hij doet niets zonder ons: wij allen zijn medeverantwoordelijk. De menswording van Jezus Christus is niet alleen een beweging van boven naar beneden. Het is niet alleen Gods Zoon wordt mens. Het is ook een beweging van beneden naar boven. Door de menswording van Christus wordt ons menselijk bestaan opgetild. Wij worden dichter tot God gebracht. Wij zijn nu kinderen van God en zijn erfgenamen.

De laatste tijd wordt er veel gesproken over de elite. Er wordt gezegd dat de elite niet deugt. De elite zou alleen maar uit zijn op eigen belang en zich niets aantrekken van het belang van het volk. Het is de elite tegenover het populisme, de boze witte man tegenover de neoliberale globalist. Hoe zit het eigenlijk met de elite? Vroeger was dat misschien overzichtelijker. Een aantal mensen uit de gemeenschap hadden een vooraanstaande rol. Zij hadden meer geleerd of beter geboerd of hadden vanouds deze rol toebedeeld gekregen. Het belangrijkste was dat zij deel van de gemeenschap waren en over het algemeen het vertrouwen van de anderen genoten. Ik denk dat gemeenschap en vertrouwen hier de sleutelwoorden zijn. Bij een doorgeschoten individualisme telt alleen nog maar het eigenbelang. Dan is er geen sprake meer van gemeenschap en ook niet van het dienen van het algemeen belang. Mensen zetten zich wel in voor het algemeen belang, maar dat is omdat ze ervoor betaald worden. Het is hun baan.

Bij de menswording van Christus gaat het er niet om dat Hij een individueel mens is geworden. Het gaat erom dat Hij zich verbindt met geheel de mensheid, met de gemeenschap van alle mensen. Mens worden is juist je verbinden met andere mensen. Door in relatie te staan met anderen word je pas werkelijk mens. Dat geldt niet alleen voor Christus. Dat geldt voor ons allemaal. Wij zijn kinderen van God en zijn erfgenamen. Dat betekent niet ieder recht heeft op zijn deel. Dat betekent dat we in gezamenlijkheid de schepping in beheer hebben. Dat we daar als gemeenschap van mensen verantwoordelijk voor zijn en dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar.

Christus verkondigt ons niet de boodschap van het recht van de sterkste, Hij verkondigt ons de liefde en zorg voor de zwakken en de armen. Hij roept ons op om samen met Hem gemeenschap te vormen en verantwoordelijkheid te dragen voor elkaar. Wij worden allemaal geroepen. Wij zijn allemaal uitverkorenen. Iedere mens behoort tot de elite, want iedereen draagt verantwoordelijkheid voor het geheel. Alleen als wij gericht zijn op de ander en op het geheel in plaats van enkel op onszelf, alleen dan zijn wij betrouwbare mensen. Als wij onszelf zien als deel van een gemeenschap, nemen wij het licht van Christus aan. Dan verbinden wij ons in en met Hem met elkaar, dan schijnt door ons heen zijn licht in de duisternis.

Ik wens u allen een zalig Kerstmis. Amen.