Spring naar inhoud

Generatie Vrede; Am 8,4-7; 1 Tim 2,1-8; Lc 16,1-13

Al zevenenzeventig jaar leven we in dit deel van de wereld in vrede. De meesten van ons hebben geen eigen herinneringen aan oorlog en het aantal mensen dat hier oorlog heeft meegemaakt, wordt steeds kleiner. In die zin zijn we er aan gewend geraakt in vrede te leven. De vorming van de Europese Unie is het grote vredesproject van onze tijd. Dit vredesproject is vruchtbaar gebleken. Maar dit is geen reden om zelfgenoegzaam achterover te leunen. Werken aan vrede is een opdracht die voortdurend de aandacht vraagt.

Vrede is niet vanzelfsprekend. Oekraïne, Jemen, Palestina, Zuid-Soedan noem maar op. Overal ter wereld zijn miljoenen mensen op de vlucht. De Nederlandse vredesbeweging PAX roept ons op tot het vormen van een Generatie Vrede. Een Generatie Vrede bestaande uit jong en oud, een Generatie Vrede die mensen van verschillende huidskleur, gender en klasse met elkaar verbindt, een Generatie Vrede die zich inzet voor een vreedzame wereld.

Momenteel is er een groep parochianen van de federatie Vlietstreek die teksten van de heilige Titus Brandsma leest en bespreekt. Afgelopen week lazen we zijn toespraak die hij in 1931 hield over vrede en vredelievendheid. Op dat moment lag de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog nog vers in het geheugen en fascisme en nationaalsocialisme waren duidelijk in opkomst.

Titus Brandsma verzet zich tegen de gedachte dat alleen oorlog tot vrede kan leiden. Het mag niet zo zijn dat in onze wereld het recht van de sterkste geldt. Hij constateert dat het ontbreekt aan liefde voor de vrede. Hij zegt: “Men meent, neen, men verkondigt het openlijk, dat men in de maatschappij met beginselen van vrede en liefde niets begint, dat men in den strijd om het bestaan sterk moet zijn en zich steeds sterker moet maken omdat de macht van den sterkste het recht schept.” Titus Brandsma constateert dat oorlog vaak voortkomt uit maatschappelijke situaties waarin men geen uitweg meer ziet. Hij zegt: “Wil men den oorlog voorkomen, dan zal het noodig zijn, dat de maatschappij zich anders instelt. (…) De eigenliefde en de hebzucht zijn de grote kwalen van deze tijd en de diepste oorzaken van den oorlog. Daartegen moeten wij stelling nemen. Dan alleen kunnen we vruchtbaar vredeswerk verrichten.”

Deze woorden van Titus Brandsma zijn nog steeds actueel. Het zijn woorden van alle tijden. Zevenhonderdvijftig jaar voor Christus trad de profeet Amos op. Hij verzette zich tegen de sociale misstanden in Israël. Jezus wijst op het belang van betrouwbaarheid en rechtvaardigheid. “Wie betrouwbaar is in het kleinste is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste is ook onrechtvaardig in het grote. (…) Geen knecht kan twee heren dienen… Gij kunt niet God dienen en de mammon.” Vrede en rechtvaardigheid zijn nauw met elkaar verbonden. Werken aan de vrede begint met werken aan de rechtvaardigheid. Alleen een rechtvaardige verdeling van de aardse goederen, alleen een rechtvaardige verdeling van de vruchten van de aarde maakt het mogelijk tot werkelijke vrede te komen.

Een vredeswens is ook altijd een liefdesverklaring. We kunnen elkaar geen vrede wensen zonder elkaar te respecteren, zonder elkaars menselijke waardigheid te erkennen. We kunnen elkaar geen vrede wensen zonder van elkaar te houden. Streven naar vrede vraagt om bekering. Het vraagt om af te zien van zelfgerichtheid en eigenbelang. Alleen als we bereid zijn elkaar werkelijk ruimte te bieden kunnen we herauten en apostelen van vrede zijn. Paulus schrijft aan Timoteüs dat hij is aangesteld als heraut en apostel van Jezus Christus. Hij is aangesteld om de boodschap van Jezus te verkondigen.

Bij de geboorte van Jezus zongen de engelen: “Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.” (Lc 2,14) Na zijn verrijzenis begroet Jezus de apostelen met: ‘Vrede zij u.” (Joh 20,20). Jezus is de vredeskoning. Eerder zei Hij: “Vrede laat Ik u na; mijn vrede geeft ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u.” (Joh 14,27) De vrede van Jezus is niet de vrede van de oorlog. De vrede van Jezus is de vrede van de liefde en van de rechtvaardigheid. Van die vrede mogen wij herauten en apostelen zijn. Amen.

Barmhartigheid; Ex 32,7-11.13-14; 1 Tim 1,12-17; Lc 15,1-32

Zes jaar geleden vierden we het heilig jaar van barmhartigheid. Bij de afkondiging van dit heilig jaar schreef paus Franciscus: “Jezus Christus is het gelaat van de barmhartigheid van de Vader. Het mysterie van het christelijk geloof lijkt in deze woorden zijn samenvatting te vinden.” (nr. 1). “Voor ons is het nodig voortdurend het mysterie van de barmhartigheid te overwegen. Het is een bron van vreugde, gemoedsrust en vrede.” (nr. 2) “Barmhartigheid is niet tegengesteld aan gerechtigheid, maar drukt het gedrag van God jegens de zondaar uit: Hij geeft hem een verdere mogelijkheid om tot inkeer te komen, zich te bekeren en te geloven.” (nr. 21). “De toorn van God duurt een ogenblik, terwijl zijn barmhartigheid tot in eeuwigheid duurt.” (nr. 21). “Laten wij (…) de Vader vragen om de vergeving van de zonden en de verbreiding van zijn barmhartige kwijtschelding.” (nr. 22). “Uit het hart van de Drie-eenheid, uit het diepste van het mysterie van God ontspringt en vloeit onophoudelijk de grote stroom van de barmhartigheid.” (25).

In de eerste lezing zien we een voorbeeld van: “De toorn van God duurt een ogenblik, terwijl zijn barmhartigheid tot in eeuwigheid duurt.” God is woedend over het gedrag van zijn volk, maar ziet na aandringen van Mozes af van een vernietigende bestraffing.

Paulus schrijft dat de Heer hem barmhartigheid heeft bewezen. Paulus noemt zichzelf de eerste van de zondaars. Hij was verloren en Jezus Christus heeft hem het eeuwig leven gegeven. De Heer heeft hem vertrouwen geschonken en heeft hem in dienst genomen. Jezus heeft hem zijn liefde doen kennen. Zo beschrijft Paulus wat het voor hem betekende toen hij zich bekeerde van een godslasteraar, vervolger en geweldenaar tot een volgeling van Jezus Christus.

In het Evangelie horen we drie verhalen over iemand die iets kwijt is: een man die een schaap verliest, een vrouw die een zilverstuk kwijt is en een vader wiens zoon ervandoor is. Drie keer horen we van de grote vreugde die het brengt als het verloren schaap, het verloren zilverstuk en de verloren zoon weer gevonden wordt dan wel uit zichzelf terugkeert. Jezus vergelijkt deze vreugde met de vreugde van de engelen van God als een zondaar zich bekeert.

Paulus schrijft: “Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden.” In het licht van deze uitspraak kunnen we de Evangelieteksten lezen. Dan zien we dat het Jezus zelf is die op zoek gaat naar wat verloren is. Hij brengt ons terug naar zijn Vader. Hij brengt ons naar God. Hierin zien we de woorden van paus Franciscus terug: “Jezus Christus is het gelaat van de barmhartigheid van de Vader.” Ons wordt niet alleen de mogelijkheid tot bekering geschonken, Jezus is ook actief op zoek naar wat verloren is. Hij spoort ons aan tot bekering, maar Hij dwingt ons niet. Wat voor de verloren zoon geldt, geldt ook voor ons. Wij zijn vrije mensen. Uiteindelijk is de keuze aan onszelf. Openstaan voor de barmhartigheid van God vraagt dat wij van onze kant zoeken naar de persoonlijke ontmoeting met Jezus. Dat wij zoals de verloren zoon zelf op weg gaan.

Willen wij werkelijk de barmhartigheid van God ervaren, is het nodig dat wij tot het inzicht komen dat wij niet zonder zijn barmhartigheid kunnen, dat wij die barmhartigheid hard nodig hebben. Wij zijn niet in staat op eigen kracht tot een gelukkig leven te komen. Het geluk is een geschenk. Dat betekent dat we moeten kunnen ontvangen, dat we ons afhankelijk weten van God en van onze medemensen.

Barmhartigheid kent twee kanten: wij mogen barmhartigheid ontvangen en wij mogen zelf op onze beurt barmhartig zijn. Denk aan de woorden van het Onze Vader: “vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”. Als wij niet in staat zijn zelf barmhartig te zijn, hebben we er ook grote moeite mee barmhartigheid te ontvangen.

Een van de wegen die Jezus ons via de Kerk aanbiedt, is het Sacrament van Boete en Verzoening: de Biecht. Ook in dit Sacrament ontmoeten we Jezus Hij die het gelaat van de barmhartigheid van de Vader is. In dit Sacrament worden we net als de verloren zoon met open armen door de Vader ontvangen. Amen.

Bescheidenheid; Sir 3,17-18.20.28-29; Hb 12,18-19.22-24a; Lc 14,1.7-14

Over het algemeen houden wij mensen meer van mensen die zich bescheiden gedragen, dan van mensen die voortdurend zichzelf op de borst kloppen omdat ze zichzelf zo geweldig vinden. Twee honderd jaar voor Christus was dit niet anders. In het boek Ecclesiasticus schrijft Jezus Sirach: “Mijn kind, als ge rijk zijt, blijf dan bescheiden, en gij zult meer geliefd worden dan iemand die geschenken uitdeelt.” Hij voegt eraan toe dat ook juist bescheiden mensen genade vinden bij God. Je kunt jezelf op de borst kloppen uit hoogmoed, omdat je jezelf een geweldig iemand vindt. Je kunt je zelf ook op de borst kloppen uit rouwmoedigheid zoals we doen bij de schuldbelijdenis aan het begin van de viering. Zowel God als onze medemensen waarderen juist deze laatste vorm van borstklopperij. Zij waarderen mensen die bescheiden zijn en zich dienstbaar opstellen en ergeren zich aan de mensen met te grote ego’s.

Het gekke is echter dat we dit niet terugzien in onze samenleving. Bij verkiezingen stemmen velen op mensen die onbeschaamd alle ruimte innemen, op mensen die totaal geen respect hebben voor anderen. Ook in het maatschappelijk verkeer gunnen we anderen vaak weinig ruimte. Voordringen en de ander niet zien staan zijn zaken waaraan we ook zelf wel schuldig zijn. We leren onze kinderen dat ze assertief moeten zijn, dat ze zich de kaas niet van hun brood moeten laten eten. Je moet voor jezelf opkomen want een ander doet dat niet. Laat niet over je heen lopen. De afgelopen tweeduizend jaar is er op dit gebied weinig vooruitgang geboekt. Sterker nog tegenwoordig lijkt onbescheidenheid in hoger aanzien te staan dan bescheidenheid.

Ik moet hierbij wel zeggen dat het zo gemakkelijk nog niet is om de juiste mate van bescheidenheid te vinden. Jezus leert ons vandaag dat we onszelf niet op de voorgrond moeten plaatsen. Elders leert Hij ons echter ook dat we ons licht niet onder de korenmaat moeten zetten. Ons licht moet stralen voor het oog van de mensen. Door onze goede werken te laten zien, zullen anderen God verheerlijken. (Mt 5,15-16) Valse bescheidenheid wordt ook niet op prijs gesteld. Onszelf als waardeloos beschouwen is zeker niet de bedoeling van God. En het is ook niet wat anderen van ons verlangen. Indirect wordt ons geleerd ook van onszelf te houden. “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” (Mc 12,31) Zonder van jezelf te houden wordt naastenliefde erg moeilijk.

Waar het om gaat is dat we onze eigen grenzen kennen, onze grenzen ten opzichte van elkaar en onze grenzen ten opzichte van God. Onze grenzen ten opzichte van God vinden terug in de beperkte maakbaarheid van het leven. Hoe groot onze kennis ook is geworden we hebben ons eigen leven slechts gedeeltelijk in de hand. Als bescheiden mensen kunnen wij naderen tot God, zoals in de brief aan de Hebreeën geschreven staat. Het gaat niet alleen om ontzag hebben voor God. Wij mensen moeten ook ontzag hebben voor elkaar, elkaar respecteren en elkaar de ruimte geven.

Dat geldt voor de mensen die ons het meest dierbaar zijn. Als wij geen ontzag hebben voor onze geliefden, hen niet zien als een ander, dan gaan we ons de ander toe-eigenen, hem of haar beschouwen als deel van onszelf. Dan is er geen sprake meer van liefde. Elkaar respecteren en de ruimte geven geldt voor al onze medemensen. Het geldt ook voor de vluchtelingen in ons land. Het geldt ook voor de kwetsbare mensen in Tanzania, waarvoor MIVA onze aandacht vraagt. Iedere mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Iedere mens is een kind van God. Iedere mens heeft recht op een menswaardig bestaan, ook als wij daarvoor ruimte moeten maken, daarvoor moeten inschikken en daarvoor iets moeten laten. Wij hebben niet het recht ons de hele schepping toe te eigenen. Amen.

Wat de Bijbel wél zegt over homoseksualiteit

Auteur: Daniel A. Helminiak (vertaling en aanvulling Mark-Robin Hoogland)
Titel: Wat de Bijbel wél zegt over homoseksualiteit: Een kritische en spirituele herlezing
Uitgever: Berne Media, 2022
Prijs: € 19,95
ISBN: 978 90 8972 444 1
Aantal pagina’s: 175

Homoseksualiteit is een heikel onderwerp binnen de Kerk. Bisschop De Korte heeft het in zijn voorwoord over een zwaktebod dat dit onderwerp veelal vermeden wordt. Zij die homoseksualiteit veroordelen zwaaien vaak met de Bijbel, maar wat zegt de Bijbel hierover. De katholieke priester Daniel Helminiak heeft alle betreffende Bijbelteksten in kaart gebracht en becommentarieerd. Belangrijk is hoe lezen en vertalen wij de Bijbel. Doen we dat letterlijk, dat wil zeggen zoals wij de woorden vandaag begrijpen, of proberen we de tekst te plaatsen in de tijd waarin hij tot stand kwam. Gebaseerd op een heldere en goed te volgen argumentatie concludeert Helminiak dat er in de Bijbel geen argumenten tegen homoseksualiteit te vinden zijn.

Pater Mark-Robin Hoogland vertaalde het boek in het Nederlands en vulde het aan met zeven overwegingen. Zijn ervaringen als studentenpastor zijn voor hem daarbij een belangrijke bron van inspiratie. Het resultaat is een waardevol boek. Een aanrader voor ieder die met dit onderwerp worstelt.

Aandachtig leven; W 18,6-9; Hb 11,1-2.8-19: Lc 12,32-48

Het is vakantietijd. Op reis gaan, wegtrekken en weer thuiskomen zijn ook voor ons in deze tijd bekende activiteiten. Ook in de lezingen van vandaag horen we over deze begrippen. Het volk van Israël trekt weg uit Egypte. Zij gaan op weg naar het beloofde land, het land dat God voor hen bestemd heeft. Zij vertrouwen erop dat God zijn belofte nakomt. Vertrouwen: daar gaat de lezing uit de brief aan de Hebreeën over. Hier lezen we: “Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen…” Door het geloof vertrouwde Abraham erop dat hij en zijn erfgenamen hun bestemming zullen vinden in het land waar God hem naartoe leidt. Abraham en Sara zijn de vader en moeder van de gelovigen. Zijn zij de stamouders van joden, christenen en moslims. Zij hebben ons op het pad van het geloof gezet. Wij zijn hun nageslacht: “talrijk als sterren aan de hemel, ontelbaar als de zandkorrels aan het strand van de zee.”

De Hebreeënbrief geeft een uitvoerige opsomming van mensen uit het Oude Testament die geloofden. Mensen die overtuigd zijn van een werkelijkheid zonder dat ze die kunnen zien. De werkelijkheid is niet beperkt tot dat wat we kunnen zien, niet beperkt tot dat wat we wetenschappelijk kunnen aantonen, en ook niet beperkt tot dat wat wij ons als mensen kunnen voorstellen. De werkelijkheid bestaat los van ons mensen. Wij maken deel uit van de werkelijkheid, maar bepalen haar niet. Voor Abraham is het onvoorstelbare mogelijk. God heeft hem beloofd dat de nakomelingen van Isaäk een groot volk zullen vormen. Hij blijft in deze belofte van God geloven zelfs als hij Isaäk ten offer wil gaan brengen. Abraham heeft er nooit van gehoord dat er iemand uit de dood opstond. Hij kon zich niet voorstellen hoe de ten offer gebrachte Isaäk hem een groot nageslacht zal gaan geven. Toch gelooft Abraham dat God dit onvoorstelbare mogelijk zal maken.

Jezus spreekt zijn leerlingen moed in. Zij moeten nog leren te geloven dat het onvoorstelbare mogelijk is. God zal hen het Koninkrijk schenken. Zij zullen thuiskomen in het huis van de Vader. Zo zullen zij een onuitputtelijke schat verwerven. Dat vraagt dat zij aandachtig leven. Zij moeten paraat zijn – “de lendenen omgord en de lampen brandend” – zoals het volk van Israël klaarstond om uit Egypte weg te trekken. Aandachtig leven is leven in de aanwezigheid van God. Als we ons bewust zijn van Gods aanwezigheid, kijken we met de ogen van God. Dan zien we onze medemensen als Gods kinderen, als onze broeders en zusters. Dan zien we de schepping als het werk van Gods handen, als een kostbaar geschenk. Aandachtig leven is klaarstaan voor de komst van de Heer. Jezus spreekt in de parabel over zijn eigen terugkeer. Hoe zal Hij ons aantreffen: aandachtig levend of onverschillig voor wat er om ons heen gebeurt?

Al enige weken wordt onze aandacht gevraagd voor vluchtelingen en asielzoekers. Steeds vaker zien we beelden van mensen waarvoor geen bed beschikbaar is. Ze slapen op een stoel of zelfs buiten. Nederland is een van de rijkste landen van de wereld. Dat maakt ons extra verantwoordelijk. “Van ieder aan wie veel is gegeven zal veel worden geëist; en van hem aan wie veel is toevertrouwd zal des te meer worden gevraagd.”

Vluchtelingen en asielzoekers zijn weggetrokken uit hun land. Zij vertrouwen erop dat ze elders een nieuw thuis zullen vinden: een plek waar ze veilig zijn, een plek waar ze gelukkig kunnen worden, een plek waar ze een toekomst voor hun zelf en hun kinderen hebben. Het is een schande dat een rijk land als Nederland niet de moeite neemt om hun opvang goed te organiseren. Sterker nog dat men denkt door slechte opvang de komst van vluchtelingen en asielzoekers te kunnen afremmen. Zeker, dit is een dichtbevolkt land, maar zeker niet vol. Sterker nog, we komen veel mensen tekort. Allerlei bedrijven en instellingen kunnen hun werk niet doen door een tekort aan personeel.

Aandachtig leven is ook aandacht hebben voor vluchtelingen en asielzoekers, aandacht hebben voor hun hoop en geloof in een goede toekomst. Zien met de ogen van God, is Jezus herkennen in de vreemdeling. “De Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht.” Hij komt ook op een wijze waarop wij het niet verwachten. “Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.” (Mt 25,35) Of is dat toch teveel moeite? Amen.

Gebed; Gn 18,20-32; Kol 2,12-14; Lc 11,1-13

Een van de leerlingen vraagt Jezus: “Heer, leer ons bidden.” Jezus geeft de leerlingen het Onze Vader. De tekst die wij vandaag hoorden is korter dan de tekst die wij gewend zijn. Onze tekst is afkomstig uit het Evangelie volgens Matteüs. De versie die Lucas geeft is iets korter. Jezus leert ons hier dat ons gebed gebaseerd is op de liefdesband die er is tussen God en de mensen. Wij mogen God onze Vader noemen. Jezus introduceert een nieuw godsbeeld: God als onze liefdevolle Vader. De voorbeelden die Jezus noemt betreffen de relatie tussen een vader en zijn kinderen. Daarnaast is er ook het voorbeeld van de relatie tussen vrienden. Liefde kent vele vormen. Altijd is het een relatie tussen personen: goddelijke en menselijke personen.

Ons manier van bidden is direct verbonden met ons godsbeeld. Het gebed van Abraham is anders van karakter dan de wijze waarop Jezus ons leert bidden. Abraham heeft een verbond met God gesloten. Abraham doet wat God van hem vraagt en God zal hem vader van een groot volk maken. De verbondsgedachte is bepalend binnen het Oude Testament. Er zijn duidelijke afspraken tussen God en Israël, het uitverkoren volk. Binnen dergelijke afspraken past de manier waarop Abraham met God onderhandelt over de vernietiging van Sodom en Gomorra. De verbondsgedachte bepaalt zijn manier van bidden.

Jezus leert ons dat God liefde is. Hijzelf is de mensgeworden liefde. Met Hem zijn wij innig verbonden. Paulus schrijft hierover in zijn brief aan de Kolossenzen. Door het Doopsel zijn wij nieuwe mensen geworden. Zoals Jezus door de dood heen tot nieuw leven kwam, zo zijn wij door het water van het Doopsel tot een nieuw leven gekomen. Het oude leven van de zonde is begraven. Door het kruis van Jezus Christus zijn wij verlost. Wij zijn door Hem bevrijd. Door ons leven in en met Jezus zijn wij in staat werkelijk lief te hebben.

Leerling zijn van Jezus is ons steeds meer met Hem verbinden. Door Hem ontdekken wij onze verbinding met God. Jezus maakt ons duidelijk dat deze relatie met God veel meer is dan een afhankelijkheidsrelatie en veel meer dan een verbond. Onze relatie met God is bovenal een liefdesrelatie. Hij heeft ons geschapen uit liefde. En Hij schenkt ons zijn liefde onophoudelijk. Liefde vraagt om een antwoord. Wij kunnen Gods liefde beantwoorden met onze liefde voor Hem en met onze liefde voor elkaar. Als kinderen van eenzelfde Vader zijn wij geroepen tot liefde voor elkaar.

Geliefden zoeken elkaars nabijheid. Zo wil God ons nabij zijn en zoeken wij zijn nabijheid. Bidden is vorm geven aan dit zoeken naar nabijheid. In het gebed delen wij ons lief en leed met God. Als een liefhebbende Vader zal Hij ons geven wat we nodig hebben. Bidden kent vele vormen, zoals wij ook op verschillende manieren onze verbondenheid met elkaar beleven. Met de een is er een grote intimiteit, bij de ander meer afstand. We zijn met elkaar verbonden door een gesprek, door samen te eten en te drinken, door samen spelletjes te doen of samen te wandelen, door samen een klus te klaren en ga zo maar door.

Zo zijn er ook vele vormen van bidden. Het kan alleen of in gemeenschap, in stilte zwijgend of luid roepend of zingend. We kunnen bidden voor anderen, voor onszelf of voor de schepping en de wereld. Het kan in de kerk, bij het Allerheiligste, het kan thuis aan tafel of in bed, het kan in de auto in de file of wandelend in de natuur. Voor iedereen en op ieder moment is er een passende wijze van bidden. Bidden is leven in het aangezicht van God. Bidden is leven in verbondenheid met zijn Zoon Jezus. Amen.

De oogst is groot; Js 66,10-14c; Gal 6,14-18; Lc 10,1-12.17-20

Vorige week hoorden we hoe Jezus op reis gaat naar Jeruzalem. Het verhaal over de reis naar Jeruzalem is een belangrijk onderdeel van het Evangelie volgens Lucas. Tijdens deze reis verkondigt Jezus de Blijde Boodschap. Tot het feest van Christus Koning lezen we uit dit reisverhaal. Vandaag horen we hoe Jezus tweeënzeventig leerlingen op pad stuurt. Hij zendt hen twee aan twee naar de steden en de plaatsen die Hij zelf van plan is te bezoeken. Zij bereiden de mensen voor op de komst van Jezus. Zij kondigen de komst van Jezus aan. Zij kondigen de komst van het Rijk Gods aan.

De eerste lezing helpt ons de tekst van het Evangelie te begrijpen. Jezus zegt: “De oogst is groot.” Jesaja profeteert: “Als een rivier leid Ik de vrede naar haar toe, en als een onstuimige stroom de schatten der volken.” Jesaja schetst ons een beeld van de overvloedigheid van het Rijk Gods. Er zijn veel arbeiders nodig deze grote oogst binnen te halen en uit te delen. De tweeënzeventig leerlingen doen dit door vrede te brengen, zieken te genezen en demonen uit te drijven.

Vol vreugde keren zij terug van hun opdracht. In Jezus’ naam hebben ze duivels aan zich kunnen onderwerpen. Zij waren in staat het kwaad te bestrijden. Ook wij zijn geroepen om als leerlingen van Jezus de overvloedigheid van het Rijk Gods uit te delen. Mogelijk is uw eerste gedachte daarbij dezelfde als de mijne. Ik heb ik niet direct de indruk dat ik bezig ben het kwaad te bestrijden en in Jezus’ naam duivels te onderwerpen.

Wat ik wel ervaar is de vreugde die het mensen brengt te mogen delen in de Blijde Boodschap, de vreugde te mogen deelnemen in het Rijk Gods. Een voorbeeld. Een aantal keren per jaar mag kinderen dopen. Dat brengt altijd grote vreugde bij de ouders. Zij zijn echt blij te horen dat hun kind een kind van God is. Ruim een maand geleden doopte ik een jongetje van drieënhalf jaar. Ik keek hem indringend aan en vertelde hem dat hij een kind van God is. De boodschap drong tot hem door. Hij werd er echt blij van en hij reageerde door zijn duim op te steken. Hoe blij kan een kind zijn met de titel ‘kind van God’?

Zoals de meesten van ons ben ook ik gedoopt toen ik pas geboren was. Mijn hele leven ben ik katholiek geweest. Ik weet niet hoe het is om ongelovig te zijn. Hoe anders is dit bij mensen die op latere leeftijd christen worden. Zij hebben bewust een verandering in hun leven meegemaakt. Zij hebben ervaren hoe het is zonder God te leven. Zij kennen de leegte van een goddeloos bestaan. Zij kunnen u vaak wel vertellen hoe het geloof hen geluk en vreugde bracht.

Zo zien we hoe geluk en vreugde en het kwaad met elkaar te maken hebben. De leegte van een goddeloos bestaan is het grote kwaad van onze tijd. De filosoof Nietzsche verwoordde dit ruim honderd jaar geleden met de uitspraak ‘God is dood’. Als God uit het leven van mensen verdwijnt, verdwijnt daarmee voor velen ook de waarde van het goede, het schone en het ware. Wat rest is een leeg bestaan dat gevuld wordt met louter consumeren. Genieten wordt dan het hoogste doel in het leven, een leven waarin het erom gaat onmiddellijk te doen waar je zin in hebt.

Jezus zegt tegen zijn leerlingen: “Ik heb u macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden, te heersen over heel de kracht van de vijand; en niets zal u kunnen schaden.” Wij hoeven geen angst te hebben. Wij hoeven niet bang te zijn voor het kwaad. Maar Jezus zegt ook: “Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.” Het kwaad is de wereld niet uit. Zoals we op onze hoede moeten zijn voor onweer, voor blikseminslag, zo moeten we ook op onze hoede zijn voor het kwaad. Zoals de bliksem kan inslaan zo kan ook het kwaad in ons leven toeslaan. Een levensstijl gericht op alleen maar consumeren en genieten kan ook ons ertoe verleiden God uit het oog te verliezen en geen oog meer te hebben voor het goede, het schone en het ware. Ook wij kunnen vervallen in zelfgenoegzaamheid.

Alleen het Rijk Gods brengt ons werkelijk vreugde en geluk. Alleen de weg van Jezus leidt ons tot onze bestemming. Alleen de liefde voor God en voor de medemens is het doel van ons leven. Jesaja laat ons zien welke vreugde dit brengt. De apostel Paulus noemt het Rijk Gods de nieuwe schepping. Wij worden geroepen nieuwe schepping te zijn. Dan komen vrede en barmhartigheid over ons. Jezus roept ons op deze Blijde Boodschap aan allen te verkondigen. Hij roept ons op alle mensen tot zijn leerlingen te maken. Het kwaad zal ons daar niet van kunnen weerhouden. De oogst is groot en wij mogen daarin delen en van uitdelen. Amen.

Sacramentsdag; Gn 14,18-20; 1 Kor 11, 23-26; Lc 9, 11b-17

“Geeft gij hun maar te eten.” Jezus nodigt ons uit te delen. We vieren Sacramentsdag. We vieren de instelling van de Eucharistie. We gaan terug naar Witte Donderdag, naar het laatste avondmaal op de avond voor het lijden en sterven van Jezus. Paulus schrijft: “Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt verkondigt gij de dood des Heren totdat Hij wederkomt.” In de Eucharistie vieren wij telkens weer het mysterie van Pasen: het mysterie van ons geloof in de verrezen Christus. Hij die voor ons zijn leven gaf, is door God tot leven gewekt. En Hij zal terugkeren aan het einde der tijden. Jezus Christus gaf zijn leven voor ons. Hij ging in zijn liefde voor ons mensen tot het uiterste toe. Hij gaf zijn leven om ons leven te geven. Hij maakte ons vrij om in liefde met en voor elkaar te leven.

In het Evangelie horen we hoe Jezus de apostelen vertelt dat de liefde voor de medemens om concrete daden vraagt. “Geeft gij hun maar te eten.” Hij vraagt hen niet hun overvloed met de anderen te delen. Nee, Hij vraagt hen vanuit hun armoede te delen. Ze hebben slechts vijf broden en twee vissen. Als je rijk bent en leeft in overvloed kun je gemakkelijk wat missen. Het is zelfs de vraag of je iets zult missen als je een klein deel van je rijkdom weggeeft. Vijf broden en twee vissen is voor Jezus en de twaalf apostelen echt een zeer sobere maaltijd. Vanuit die armoede vraagt Jezus hen te delen. Zij zullen werkelijk wat gaan missen.

Op deze wijze laat Jezus ons zien wat liefde werkelijk is. Liefde kent geen grenzen. Liefde is oneindig. Liefde opent een geheel nieuwe werkelijkheid. Liefde brengt ons op een hoger plan. Liefde creëert een nieuwe vorm van rijkdom en overvloed. Liefde kent ook niet de grens van de dood. Dit geldt ook voor de liefde van Christus voor ons. Zijn liefde, Gods liefde is onbegrensd. Als teken van zijn blijvende liefde voor ons gaf Jezus ons het teken van Brood en Wijn. Hij deelt zijn Lichaam en Bloed met ons. Hij geeft ons Brood ten leven. Hij laat ons delen in zijn eigen bestaan, in zijn eigen leven. Wij mogen leven in zijn goddelijke liefde, in zijn goddelijke rijkdom en overvloed. Jezus gebruikt de tekenen van brood en wijn. Brood als symbool voor ons dagelijks voedsel, brood dat wij lichamelijk nodig hebben om te leven. Daarnaast is er de wijn als symbool voor de vreugde, wijn als symbool voor de goddelijke overvloed die ons ten deel valt.

Bij delen gaat het niet alleen om geven. Het gaat ook om ontvangen. Liefde is de basis van het delen. Liefde vraagt altijd twee partijen. Liefde is alleen mogelijk in een relatie. Ook delen vraagt om een relatie. Wie niet kan ontvangen, kan ook niet geven. Wie onafhankelijk wil zijn, kan een ander niet ondersteunen. Delen is niet alleen het verdelen van geld en goed. Delen is ook deelnemen aan, delen in en deel zijn van. Wij mogen deel zijn van een gemeenschap. We mogen deel zijn van het Lichaam van Christus. Hij geeft ons zijn liefde. Wij mogen zijn leerling zijn. Zo zijn we geroepen te delen in zijn goddelijk leven.

Jezus zegt ons “Geeft gij hun maar te eten.” Jezus roept ons op het Brood dat Hij geeft door te geven. Hij roept zijn leerlingen, Hij roept ons op zijn liefde te delen met onze medemens. “Geeft gij hun maar te eten.” Samen eten is gemeenschap vormen. Jezus vraagt ons relaties met andere mensen aan te gaan. Hij vraagt ons gemeenschap te vormen met de anderen. Hij vraagt ons een netwerk van liefde op te bouwen. Elders in zijn brief schrijft Paulus dat wij allen één lichaam vormen doordat we allen deel hebben aan het ene brood. (1 Kor 10,17) Samen Eucharistie vieren is vieren dat we een gemeenschap vormen, dat wij samen als Kerk een netwerk van liefde vormen.

“Geeft gij hun maar te eten.” Wij worden uitgenodigd ons te verbinden met de anderen. We worden uitgenodigd tot een netwerk van liefde. Een netwerk van solidariteit en barmhartigheid. Als we delen in deze gemeenschap, delen we in het Lichaam van Christus en verbinden wij ons met Hem. Als we delen met anderen, geven we concreet vorm aan de liefde waartoe wij geroepen zijn. Als we delen, geven we van wat wij ontvangen. Als we delen komen we werkelijk tot leven. Als we delen worden we gelukkige mensen. Amen.

De Bloem in de Zon

“De lente brengt ons weer bloemen en zon. Overal zien we weer het jonge groen in al zijn frischheid en bekoorlijkheid door de lentezon bestraald en doorweven met bloemen. Het is Nederlands glorie, dat het zulke mooie bloemen heeft en men noemt het daarom vaak den tuin van Europa. Van heinde en verre komt men onze bloemenvelden zien en de boomgaarden in schitterende bloesempracht. Nu is Holland op zijn mooist, nu bloeit en geurt de Betuwe en waar men nu in Nederland komt, in dorp en stad in land en bosch, het zijn overal bloemen, die we zien. Men biedt ze in bossen aan om ze tot in de huiskamer te brengen, zoo’n overvloed is er. En wij verlustigen ons in de schoonheid van die bloemenweelde en voelen ons hart overstroomd van genot bij het genieten van die zeldzame pracht en heerlijkheid.”

Dit is het begin van een inleiding van pater Titus Brandsma tijdens studiedagen van de Interdiocesane Jeugdcommissie in april 1938. “De bloem in de Zon. Dat is de jongen, dat is het meisje, dat in liturgisch leven de volheid van Gods genade deelachtig wordt en geniet van de heerlijkheid en vruchtbaarheid dier goddelijke genade.” De complete tekst en andere teksten van Titus Brandsma vindt u op: https://titusbrandsmateksten.nl/.

Opgegroeid op het Friese platteland wist Titus Brandsma zich innig verbonden met de natuur. Dat vinden we terug in zijn bloemrijke taal en in zijn visie op de schepping. In een speech over dierenbescherming zegt hij: “Ons bestaan is vertakt met dat van millioenen wezens, wij duizelen als wij de betrekkingen zoeken, waarin wij tot de schepping staan, in afhankelijkheid, zoo gij wilt, maar dan toch in een zeer weldadige afhankelijkheid, welke miskennen van enge bekrompenheid zou getuigen.” Tijdens colleges in de Verenigde Staten spreekt hij over de Niagara watervallen: “Ik zie niet slechts den rijkdom van de natuur van het water (…), ik zie God werken in het werk zijner handen en de openbaring zijner liefde”.

Duurzaamheid was geen thema in de tijd waarin Titus Brandsma leefde. In onze tijd zou hij zich zeker ingezet hebben voor de zorg voor de schepping. Zijn verbondenheid met God bracht hem tot maatschappelijk engagement. Hij streed voor vrijheid en vrede, katholieke emancipatie, onderwijs en vrije pers. Hij was een maatschappelijk bewogen mysticus met aandacht voor alle schepselen en heel de schepping. Zijn heiligverklaring is op 15 mei 2022.

Artikel in het maandblad van de KBO Voorburg, Contact mei 2021
Ook gepubliceerd op de website Kerk en Milieu.

Verbonden in de Geest; Hnd 2,1-11; Rom 8,8-17; Joh 14,15-16.23b-26

In de Handelingen van de Apostelen lezen we hoe de heilige Geest neerdaalt op de apostelen en hoe Hij zijn gaven aan de apostelen geeft. Zo gaat in vervulling wat Jezus hen beloofde: “Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven.” De heilige Geest schenkt ons zijn gaven in zevenvoud: wijsheid, inzicht, raad, moed, liefde, kennis en ontzag voor de Heer.

Jezus legt in het Evangelie de nadruk op de liefde. De heilige Geest is een Geest van liefde en van gemeenschap, een Geest van verbondenheid en van solidariteit. Wij ontvangen de heilige Geest niet als op zichzelf staande individuen. Wij ontvangen de heilige Geest als leden van een gemeenschap, in verbondenheid met elkaar en in verbondenheid met Jezus. Jezus zegt tegen zijn leerlingen en dus ook tegen ons: “Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden.” De tekst die we vandaag gelezen hebben, is uit de lange afscheidsrede van Jezus op de avond voor zijn lijden en sterven. Iets verderop zegt Jezus: “Dit is mijn gebod dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.” (Joh 15,12)

Ik weet niet hoe u hierop reageert, maar voor mij is de combinatie van liefde en geboden verrassend. Bij geboden denk ik niet direct aan liefde en bij liefde denk ik niet direct aan geboden. Liefde kun je niet verplichten. Liefde ontstaat, liefde gebeurt. Liefde overkomt je. Maar dat betekent ook weer niet dat je er in het geheel geen invloed op hebt. Je kunt je openstellen voor de liefde en je kunt je er ook voor afsluiten.

Een Syriër vertelde me ooit hoe hij zijn vrouw leerde liefhebben. Het huwelijk was door zijn ouders geregeld. Dat vond hij een goede zaak. Zijn ouders konden veel beter beoordelen wie er bij hem paste dan hijzelf. Het echtpaar had zich opengesteld voor de liefde voor elkaar. En zo was er echte liefde tussen hen ontstaan. Ze hadden een goed huwelijk. Voor ons is dit een vreemde gang van zaken maar blijkbaar is ook dit een weg naar de liefde.

Liefde kent vele vormen en gradaties. De liefde tussen geliefden is anders dan tussen vrienden, en ook weer anders dan tussen familieleden, buren, collega’s et cetera. Het gemeenschappelijke is dat er een vorm van verbondenheid is. Mensen weten zich op een of andere wijze met elkaar verbonden. Verbondenheid tussen mensen wordt vaak door de omstandigheden bepaalt. Je groeit op in een gezin, je woont in een straat, je ontmoet collega’s. Met al deze mensen heb je een meer of minder intensieve relatie. De intensiteit van de relatie bepaal je in grote mate zelf. Daarnaast kun je ook bewust op zoek gaan naar verbondenheid. Je kunt je bijvoorbeeld aansluiten bij een vereniging. Gezamenlijke interesses zijn vaak een basis voor verbondenheid met elkaar.

Verbondenheid is werkelijk iets anders dan vluchtige contacten. Het is meer dan een leuke ontmoeting of een gezellige avond. Bij verbondenheid hoort ook bestendigheid en trouw. Verbondenheid is niet een vorm van consumeren, van alleen maar ontvangen. Bij verbondenheid gaat het op de eerste plaats er voor elkaar te zijn. Zo is verbondenheid een vorm van liefde. Paulus schrijft in zijn brief over zelfzuchtig leven en zelfgenoegzaamheid. Deze vormen van zelfgerichtheid staan een verbondenheid met God en met de medemens in de weg. Zij zijn strijdig met de Geest van liefde en verbondenheid. Jezus vraagt ons dat wij ons met Hem verbinden zoals Hij zich met ons verbonden heeft. Als leerlingen van Jezus zoeken we die verbondenheid met Hem. Door ons gezamenlijk met Jezus te verbinden, verbinden wij ons ook met elkaar. Door van Hem te houden, houden wij mensen ook van elkaar.

Nog even terug naar die oproep van Jezus: “Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden.” Een paar regels verderop zien we dat Jezus het niet over geboden heeft, maar over woorden. Daarmee bedoelt Hij blijkbaar hetzelfde. We zien dit ook bij de tien geboden. Daar wordt het Hebreeuws ook wel vertaald met de ‘tien woorden’. Het woord gebod moeten we blijkbaar ruimer opvatten dan we gewend zijn. Voor ons is een gebod iets wat je hoe dan ook moet doen of anders volgt er een flinke straf. Mogelijk komen begrippen als richtlijnen en aanwijzingen meer in de richting van wat Jezus hier bedoelt. Zoals ik al zei je kunt niet liefhebben omdat het moet. Je kunt liefhebben omdat je dat vooral zelf wilt.

Uit die liefde volgt automatisch dat je doet wat de ander graag wil. Je zult zijn of haar goede raad opvolgen en wensen willen vervullen. De liefde, de verbondenheid is de basis voor een goed en gelukkig leven. De heilige Geest helpt ons dit spoor te volgen. De Geest van liefde, van solidariteit en verbondenheid doet ons leven in verbondenheid. Hij houdt ons af van zelfzucht en zelfgenoegzaamheid. Hij richt ons op elkaar. Zo leven wij met elkaar verbonden in de Geest. Amen.