Spring naar inhoud

Querida Amazonia

“De wereld lijdt door de verandering van voeten in rubber, van benen in leer, van het lichaam in textiel en van het hoofd in staal… De wereld lijdt door de verandering van de schop in een geweer, van de ploeg in een tank, van het beeld van de zaaier die zaait, in dat van een robot met zijn vlammenwerpers, uit wiens zaad eenzaamheid ontspruit. Alleen de poëzie, zal met de nederigheid van haar stem deze wereld kunnen redden.” (Vinicius de Moraes, geciteerd in Querida Amazonia)

De exhortatie Querida Amazonia (Geliefd Amazonië) is niet alleen een aanklacht tegen de roofbouw op het enorme regenwoud van Amazonië en verdrukking en uitbuiting van haar bewoners. Het is ook een brief waarin paus Franciscus aandacht besteed aan de ecologische spiritualiteit waarmee de bevolking van Amazonië heel de mensheid verrijkt. Hiervoor citeert de paus verschillende Latijns-Amerikaanse schrijvers en dichters. De liefde voor en de verbondenheid met de natuur staan hierin centraal.

De paus schrijft: In een culturele werkelijkheid zoals Amazonië, waar een zo nauwe relatie tussen mens en de natuur bestaat, is het dagelijkse bestaan altijd kosmisch. Anderen uit hun slavernij bevrijden houdt zeker in dat men zorg draagt voor het milieu en het beschermt, maar nog meer dat men het hart van de mens helpt zich met vertrouwen open te stellen voor de God die niet alleen alles wat bestaat, heeft geschapen, maar ons ook zichzelf in Jezus Christus heeft gegeven. De Heer, die als eerste voor ons zorgt, leert ons de zorg te dragen voor onze broeders en zusters en het milieu dat Hij ons iedere dag schenkt. Dit is de eerste ecologie die we nodig hebben. (…) Het beklemtonen van het feit dat alles met elkaar verbonden is geldt in het bijzonder voor een gebied als Amazonië. (…) Als de zorg voor de mensen en de zorg voor ecosystemen niet te scheiden zijn, dan krijgt dit bijzondere betekenis daar waar het woud niet een bron die moet worden geëxploiteerd, maar een wezen, of verschillende wezens waarmee men een relatie kan aangaan. (…) Misbruik maken van de natuur betekent misbruik maken van voorouders, broeders en zusters, de schepping en de Schepper en een wissel op de toekomst trekken.”

Om de noodkreet van Amazonië te verwoorden, citeert de paus de dichter Juan Carlos Galeano:
“Degenen die geloofden dat de rivier een koord was om mee te spelen, vergisten zich.
De rivier is een dunne ader op het gezicht van de aarde. (…)
De rivier is een touw waaraan dieren en bomen zich vastklampen.
Als ze te hard eraan trekken, zou de rivier kunnen ontploffen.
Hij zou kunnen ontploffen en het gezicht met water en bloed kunnen wassen.”

Ook gepubliceerd op de website Kerk en Milieu.

Schemeren; Lc 21,25-28.34-36

Jezus roept ons op tot waakzaamheid. We moeten ons voorbereiden op de komst van de Heer. Het eerste waaraan wij dan in onze tijd denken is: aan de slag! We denken dat we van alles moeten gaan doen om ons voor te bereiden en om waakzaam te zijn. Waakzaamheid en voorbereiding zien wij vooral als resultaten van ons handelen.

Vorige week zaterdag schreef Marjolijn van Heemstra[i] in De Volkskrant een artikel over schemeren, over het kijken naar de invallende duisternis. Een uurtje niets produceren en niets consumeren. Ik moest denken aan mijn vader. Ik kom thuis, zie mijn vader zitten en vraag hem: “Heit wat zit heit hier in het donker?” Hij antwoordt: “Jongen, ik kijk naar de lichtjes van Abbega.” Vanuit mijn geboortehuis heb je rondom uitzicht over de weilanden Abbega is een dorpje dat hemelsbreed een kilometer verderop ligt. Het was een vredig tafereel, een moment van echte rust. Mijn vader, soms met een of meer kinderen in de huiskamer, de gordijnen nog open, het licht uit, uitkijkend over het Friese land waarover langzaam maar zeker de duisternis valt.

Marjolijn van Heemstra beschrijft het schemeren zoals dat vroeger gebeurde als “een piepklein overgangsritueel waarin werk werd losgelaten en rust begon”. Schemeren is niet alleen een toestand. Het kan ook een activiteit zijn. Zij vraagt zich af: “Wie gaat er nu nog zitten wachten tot de kleur uit de dag trekt? Verspilde uren. En daarbij: waarom zou je achteroverleunen in een tijd van massa-uitsterving, zeespiegelstijging en een voort-etterende pandemie? We hebben geen tijd te verliezen!” Juist nu pleit Van Heemstra “voor een comeback van het zitten en wachten. Om te beginnen omdat het niets oplevert. Althans geen geld, geen volgers of spiermassa. Dat alles wat we doen iets moet opleveren, is precies de mentaliteit waar we van af moeten.” Zij pleit voor “de fundamentele mentaliteitsverandering die nodig is om ons veilig de toekomst in te loodsen. Er komt een punt waarop we zullen moeten minderen. Repareren wat kapot is. Het herfstbos in de buurt verkiezen boven het strand van Bali.”

Hoorden we Jezus ons hier ook niet voor waarschuwen. Zijn woorden zijn in onze tijd actueler dan ooit. “Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven…”

Schemeren kan ons volgens Marjolijn van Heemstra helpen. Ze schrijft: “Het is geen wondermiddel… Wat het wel is: een gratis en zeer toegankelijke oefening in niet-doen en niet-zijn. Een manier om jezelf los te weken van een gejaagd beeldschermbestaan en het waanbeeld dat onze werkelijkheid iets te maken heeft met een rechte lijn omhoog”, een lijn van steeds meer groei. “Schemeren is opzienbarend. Het is een paradoxale ervaring: het gaat zo langzaam dat er niets lijkt te gebeuren, terwijl intussen alles verandert. (…) Lijnen worden zachter, waardoor de dingen, mensen, bomen in elkaar lijken over te lopen. Hoe langer je wacht met het licht aanknippen, hoe meer verweven alles wordt.”

Uitzien naar de komst van de Mensenzoon is dat ook niet een vorm van uitzien naar het moment waarop alles een wordt, uitzien naar de samensmelting van heel de schepping met God, uitzien naar de opname van ons allen in de gemeenschap van de heilige Drie-eenheid?

Schemeren is een vorm van soberheid. Soberheid maakt ons vrij. Soberheid verlost ons van onze verslavingen. Soberheid beschermt ons tegen het idee dat we alles in eigen hand hebben en bevrijdt ons daarmee van onze zorgen van het leven. Soberheid schept tijd en ruimte. Zoals voor vele deugden geldt ook voor soberheid dat het een kwestie van oefenen is. Je kunt het jezelf aanleren door rustig en met kleine stapjes te beginnen. Mogelijk is schemeren zo’n stapje.

Naast de herinnering van vijftig jaar geleden aan mijn vader heb ik weinig herinneringen aan schemeren. Hooguit een enkele keer op de camping: na een barbecue rustig bij het vuur zitten en naar de invallende duisternis kijken. Een moment van rust en vrede, van reflectie en van dankbaarheid en tevredenheid. In ons dichtbevolkte land is schemeren misschien maar voor enkelen weggelegd. Ik ben eergisteren toch even wezen kijken en zag dat het ’s avonds in onze achtertuin behoorlijk donker is. Ik kom er dus niet onderuit met de smoes dat altijd overal licht brandt. Ik moet gewoon zelf de lampen uitdoen.

Corona zorgt ervoor dat we deze Advent minder mogelijkheden tot vertier hebben. Dat biedt ons een uitgelezen kans om ons te oefenen in soberheid. We dragen daarmee niet alleen ons steentje bij op het gebied van duurzaamheid. Soberheid geeft ons ook ruimte voor spiritualiteit. Tijd en ruimte maken voor God, ons bezinnen op het mysterie. Op die manier bereiden wij ons voor op de komst van de Mensenzoon. Voor de korte termijn is dat het feest van Kerstmis, het feest van de menswording van Gods Zoon. Voor de langere termijn is het onze eenwording in Christus met God zelf. Ik wens u een gezegende, een rijke en sobere Advent toe. Amen.


[i] Marjolijn van Heemstra, Verlos van de drang naar meer, meer met nieuwe rituelen, De Volkskrant, zaterdag 20 november 2021.

Koning van de harten; Da 7,13-14; Apk 1,5-8; Joh 18,33-37

Jezus zegt tegen Pilatus: “Mijn koningschap is niet van deze wereld.” Wat bedoelt Jezus hiermee? Ligt zijn Koninkrijk buiten deze wereld? Moeten wij zijn Koninkrijk elders zoeken? Zo eenvoudig laat deze vraag zich ook weer niet beantwoorden. De strekking van het antwoord van Jezus aan Pilatus is vooral dat zijn koningschap een heel ander karakter heeft dan Pilatus zich bij het koningschap voorstelt.

Allereerst hebben we te maken met het beeld van het koningschap dat we tegenkomen in het Oude Testament. Hier is een goede koning een herder die zijn volk dient. Telkens weer lezen dat de koningen van Israël tekortschieten omdat zij meer met hun eigen belang bezig zijn dan met dat van Israël. Alleen God zelf is een goede koning, een goede herder. Denk aan de Psalmtekst: De Heer is mijn herder.

Jezus laat tijdens zijn leven duidelijk blijken dat Hij niet uit is op wereldse macht. Hij kiest een geheel andere weg dan we van wereldse heersers gewend zijn. Hij zegt van zichzelf: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc 10,45) De weg van Jezus is geen weg van pracht en praal. De weg van Jezus is een weg van liefde, een weg van dienstbaarheid. Hij is koning in het Koninkrijk van God, van God die liefde is. Jezus Christus is de koning van onze harten. Een koning van liefde een dienende koning: dat is het wezen van het koningschap van Jezus.

Hij is er voor ons. Hij zorgt ervoor dat we krijgen wat we vragen. Maar Hij is ook soeverein. Hij geeft ons wat goed voor ons is. Hij geeft ons vooral liefde en vergeving. Deze koning van de harten is machtig in liefde en vergeving. Zo passen ook de beelden uit de eerste en de tweede lezing bij het koningschap van Jezus. De profeet Daniël ziet een mens die bekleed wordt met luister en koninklijke macht. Voor ons is dit duidelijk een profetie over het koningschap van Christus. Ook de openbaring van Johannes spreekt in termen die uiting geven aan de soevereiniteit van koningschap van Christus. “Hem zij de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen! Amen.”

Liefde en dienstbaarheid, heerlijkheid en macht: het zijn termen die horen bij het koningschap van Jezus. Zij sluiten elkaar niet uit. Zij vullen elkaar aan. Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar vieren wij het hoogfeest van Christus Koning, Christus: Koning van het heelal. We vieren het als een bekroning van het kerkelijk jaar, als een bekroning van het leven en heilswerk van Jezus Christus.

Het feest van Christus Koning nodigt ons uit om – als leerlingen van Jezus – ook de weg van de liefde en de dienstbaarheid te gaan. Dit feest nodigt ons uit Jezus te zoeken op plaatsen waar we een koning niet verwachten. Jezus herkent zichzelf in de mens in nood. Hij is de mens die honger en dorst heeft. Hij is de zieke, de gevangene, de vluchteling. In onze medemens is nood ontmoeten wij onze Koning.

Jezus Christus erkennen als onze Koning betekent dat wij Hem willen navolgen. Petrus schrijft in zijn eerste brief: “Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie.” (1 Pe 2,9) Als volk van God hebben wij het gemeenschappelijk priesterschap: wij delen in het priesterschap en het koningschap van Christus. Dit feest leert ons te kijken met de ogen van Jezus. Zo leren wij de diepere dimensie van onze werkelijkheid te begrijpen. Zo ontdekken we hoezeer God de wereld bemint. Gods liefde voor ons brengt ons tot liefde voor elkaar. Zo zijn wij een werktuig in de hand van God. Wij brengen niet op eigen kracht de verbetering van de wereld tot stand. Het is Gods genade die ons dit laat doen.

Het is een opdracht van de Kerk om dienstbaar te zijn aan de wereld. Die opdracht hebben wij ook als parochie, als gemeenschap van gelovigen. Ieder van ons levert als deel van de gemeenschap zijn aandeel. Wij allen zijn geroepen om de naastenliefde in de praktijk te brengen. Ieder van ons kan hierin het zijne doen. De een door actief aan de slag te gaan; de ander door financiële ondersteuning te bieden aan het goede werk. Voor allen geldt dat het handelen altijd gepaard kan gaan met gebed. Ook in het gebed kunnen wij werkelijk gestalte geven aan onze liefde voor elkaar.

Christus kwam om te dienen, niet om gediend te worden. Hij kwam met liefde, niet met macht en geweld. Laten wij Hem daarin navolgen. Amen.

Het einde der tijden; Mc 13,24-32

Jezus spreekt over het einde der tijden: “Na die verschrikkingen in die dagen zal de zon verduisteren en de maan zal geen licht meer geven; de sterren zullen van de hemel vallen en de hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken. Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op de wolken met grote macht en heerlijkheid.” Met enige regelmaat zien mensen in de rampen die ze meemaken, de aankondiging van het einde der tijden. Ook nu leven we in een dergelijke crisistijd. Heel concreet voelbaar is de coronapandemie. Veel bedreigender nog is de opwarming van de aarde. Hoe reageren wij op dergelijke rampen? Welke boodschap bevat het Evangelie voor onze tijd?

Allereerst is er de boodschap van de hoop. Hoe erg de rampen die ons kunnen overkomen, ook mogen zijn uiteindelijk zal Jezus ons tegemoet treden. Uiteindelijk zal de mensgeworden Zoon van God zich definitief met ons en met heel de schepping verenigen. De rampen zijn de voorbodes voor het uiteindelijk samenkomen van hemel en aarde. Zij zijn de voorbodes voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De rampen kunnen gezien worden als weeën die nieuw leven aankondigen. De weg van Jezus is geen zegetocht door de geschiedenis. De weg van Jezus is een weg die vergezeld gaat met lijden. De verheerlijking van Jezus, zijn verrijzenis uit de dood volgde op zijn dood aan het kruis. Het lijden en sterven is een wezenlijk onderdeel van ons menselijk bestaan.

Je zou kunnen denken, kom maar op met die rampen, hoe rampzaliger hoe beter. Hoe groter de rampen hoe sneller de terugkeer van de Mensenzoon. Maar dat horen we Jezus niet zeggen. Jezus predikt ook niet een boodschap van fatalisme. Na de vergelijking met de vijgenboom, leert Jezus ons: “Van die dag of dat uur weet niemand af, zelfs niet de engelen in de hemel, zelfs niet de Zoon, maar de Vader alleen.” Het niet kennen van dag of uur betekent ook dat wij er geen enkele invloed op hebben. Wij zijn niet in staat de loop van de heilsgeschiedenis te versnellen of te vertragen.

We hebben vandaag niet de gehele redevoering van Jezus gehoord. Eerder heeft Hij gezegd: “Eerst moet onder alle volkeren de Blijde Boodschap verkondigd worden.” Ook al hebben wij geen invloed op de uiteindelijke gang van zaken, het is wel onze opdracht Gods liefde aan alle mensen te verkondigen. Gods liefde zichtbaar maken doen we ook door rampen te bestrijden en door rampen te voorkomen. Met onze zorg voor onze medemensen en voor heel de schepping maken wij Gods liefde in de wereld zichtbaar en zo verkondigen wij de Blijde Boodschap.

In het begin van zijn redevoering heeft Jezus het over de verwoesting van de tempel. De leerlingen zijn zeer onder de indruk van dit machtige gebouw. Dan zegt Jezus: “Ziet ge die grote gebouwen? Geen steen zal op de andere gelaten worden, alles zal worden verwoest.” Ons houvast ligt – net als voor de leerlingen – niet in aardse zaken. Wij moeten onze blik richten op Jezus. Hij is ons enige houvast. Hij is onze toekomst onze hoop. Hij komt niet tot ons vanuit de aardse werkelijkheid. Hij komt vanuit de goddelijke werkelijkheid tot ons.

De komst van Jezus is niet als wij denken de zaken op orde te hebben. Het is niet aan ons om het einde van de geschiedenis aan te kondigen. Het gaat niet om onze prestaties, niet om onze zelfgenoegzaamheid. Het gaat om ons verlangen naar een betere toekomst. Het gaat ook niet om eenvoudige oplossingen. Luister niet naar valse profeten. Hun verhalen klinken aantrekkelijk, maar het zijn valse beloftes. Zij ontkennen de complexiteit van ons bestaan. Hun beloftes zijn gebaseerd op menselijke hoogmoed.

Jezus nodigt ons uit met vertrouwen de toekomst tegemoet te gaan. Hij roept ons op tot standvastigheid. Alleen in de liefde van God voor ons en onze liefde voor elkaar vinden wij het geloof en de hoop die nodig is om de toekomst in te gaan.

In het vervolg op de vandaag gelezen tekst roept Jezus ons tenslotte op tot waakzaamheid. Wij weten niet wanneer het moment daar is, wanneer wij de werkelijke ontmoeting met Jezus zullen beleven. Deze oproep tot waakzaamheid hebben we een jaar geleden gelezen op de eerste zondag van de Advent. Vandaag sluiten we de lezing uit het Evangelie volgens Marcus af. Zo is de cirkel rond. Zo staat Jezus aan het begin en aan het einde. Zo vervult Hij ons hele leven. Amen.

Oer: Het grote verhaal van nul tot nu

Auteur: Corien Oranje, Cees Dekker en Gijsbert van den Brink
Titel: Oer: Het grote verhaal van nul tot nu
Uitgever: Ark Media, 2020
Prijs: € 14,99
ISBN: 978 90 33802 18 8
Aantal pagina’s: 160

Hoe tegenstrijdig zijn geloof en wetenschap? Zijn Bijbel, oerknal en evolutieleer met elkaar te verenigen? Om een antwoord om deze vragen te geven, brachten twee theologen en een natuurwetenschapper deze zaken in één verhaal bij elkaar. Het Bijbelse verhaal van God en mensen, van schepping en verlossing wordt op een geheel eigen wijze vertelt in het perspectief van de huidige wetenschappelijke inzichten. In het verhaal is de verteller een proton, een van de kleinere deeltjes die een seconde na de oerknal ontstonden. Vanuit telkens andere posities maakt het proton het ontstaan van het heelal, van de aarde en van het leven mee. Vervolgens geeft het verslag van de Bijbelse geschiedenis. Gaandeweg ontdekt het proton wie de Schepper van hemel en aarde is.

Het is een spannend verhaal waarmee de schrijvers op een verrassende en laagdrempelige wijze uitleggen wat het christelijk geloof inhoudt. Zij laten zien dat geloof en wetenschap niet met elkaar in strijd zijn, maar juist uitstekend samengaan.

Geroepen worden; Jr 31,7-9; Hb 5,1-6; Mc 10,46-52

Bij het begrip roeping denken we in eerste instantie aan een roeping om een opdracht uit te voeren, voor een taak in ons leven. Zo komen we het begrip roeping ook vaak tegen in de Bijbel. Jezus roept zijn leerlingen Hem te volgen. In het Oude Testament lezen over de roeping van profeten. Eigenlijk is dat een beperkte invulling van het begrip roeping. Roeping is veel breder. Wij worden in het leven geroepen. God roept iedere mens tot geluk. Dat is onze allereerste roeping: een gelukkig en liefdevol leven.

Het geluk is niet maakbaar. Het is vooral een geschenk van God aan ons. Dit geschenk vraagt echter wel onze medewerking. Het vraagt van ons we dat er open voorstaan, dat we het geschenk willen ontvangen. God laat ons volkomen vrij: wij mogen zelf kiezen wel of niet op zijn roeping in te gaan.

De profeet Jeremia verkondigt dat God zijn volk terugroept uit de ballingschap. Hij zal hun terugvoeren naar het beloofde land, naar Israël. Dat vraagt echter wel dat zij zelf op reis gaan. Het vraagt dat ze niet achterblijven in het ondertussen vertrouwde Babylon. Ze moeten vertrouwen op Gods belofte en zullen zelf hun land weer moeten opbouwen. Dat is de weg die hen het toegezegde geluk zal brengen.

In het Evangelie horen we de mensen Bartimeüs toeroepen: “Heb goede moed! Sta op, Hij roept u.” Ook Bartimeüs moet in beweging komen. Maar ondertussen geeft Jezus ook hem alle vrijheid. “Wat wilt u dat Ik voor u doe?” Bartimeüs gelooft dat Jezus een bijzonder mens is. Hij noemt Jezus Zoon van David. Dat is niet zo maar een titel. Dat is een titel met een grote belofte. Bartimeüs vertrouwt erop dat die belofte er ook voor hem is. Hij gelooft dat Jezus in staat is hem te laten zien. Hij antwoordt aan Jezus: “Rabboeni, maak dat ik kan zien.”

Daarop zegt Jezus: “Ga, uw geloof heeft u genezen.” Maar Bartimeüs is helemaal niet van plan te gaan. Hij kan inderdaad weer zien. De ogen zijn hem opengegaan. Maar dit is niet alleen in letterlijke betekenis het geval. Bartimeüs ziet dat Jezus werkelijk de Messias is. Bartimeüs volgt Jezus op zijn tocht naar Jeruzalem. Dit is de roeping van Jezus zelf: opgaan naar Jeruzalem. In de brief aan de Hebreeën gaat het over de roeping van Jezus: Hij is de door God geroepen hogepriester die zijn leven heeft geofferd om ons te redden. Zijn kruisdood was de weg naar zijn verheerlijking en naar onze redding.

Het is vandaag Missiezondag. We staan stil bij onze eigen roeping tot het geluk. God heeft ons uit liefde in het leven geroepen. Vanuit zijn liefde voor ons mogen wij gelukkig zijn en ook zelf liefhebben. De liefde is de bron van het menselijk geluk. Dit geluk willen we niet voor onszelf houden. We willen de liefde en het geluk delen met alle mensen. Dit delen gaat niet ten koste van ons eigen geluk. Dit delen vergroot ook ons eigen geluk. Bartimeüs wist dat Jezus volgen hem gelukkig zou gaan maken. Ook wij volgen Jezus, ook wij zijn zijn leerlingen. Het grootste geluk dat ons kan overkomen is dat wij anderen tot leerling weten te maken. Een ander gelukkig maken, maakt jezelf werkelijk gelukkig.

In onze tijd is het niet nodig – zoals vroeger – weg te trekken naar verre landen om daar het geloof te verkondigen. In onze directe omgeving komen we voortdurend mensen tegen die de Blijde Boodschap niet kennen. Aan al die mensen mogen wij ons geloof voorleven. De aanstekelijkheid van onze levenswijze is bij uitstek de manier om het geloof te verkondigen.

Op Missiezondag vieren alle katholieke gelovigen in gebed en solidariteit hun wereldomvattende gemeenschap. Dit jaar besteden we aandacht aan Guinee, een hoofdzakelijk islamitisch land in West-Afrika. De Kerk is hier jong en wordt grotendeels gedragen door vrijwilligers. We doen dat met het thema van de Wereldmissiemaand: “We moeten immers wel spreken over wat we gezien en gehoord hebben.” Deze tekst komt uit het boek Handelingen. Paus Franciscus schrijft dat we worden opgeroepen om datgene wat we meedragen in ons hart, naar anderen te brengen. Een oproep die geldt voor de gelovigen in Guinee, in Nederland en wereldwijd.

Vandaag zijn wij speciaal met de gelovigen in Guinee verbonden. Aan het einde van deze viering is er een tweede collecte voor de ondersteuning van de Kerk in Guinee. Het gaat hierbij in het bijzonder om het pastorale werk ten behoeve van vrouwen en kinderen. Amen.

God of geld; W 7,7-11; Mc 10,17-30

Het Evangelie van vandaag kun je zo in onze tijd plaatsen. Het past bij onze huidige cultuur. Laten we het ons eens voorstellen, maar pas op dat uw fantasie niet op hol slaat. Er belt iemand aan bij de deur van de pastorie. Er wordt opengedaan en op de stoep staat een keurig geklede man. Strak in het pak, niet opzichtig maar wel chique. Of als u dat liever heeft: een vrouw in een keurig mantelpakje, misschien is het woord deux-piece hier meer op zijn plaats. Op beleefde maar toch dringende toon wordt naar de pastoor gevraagd. We hebben hier duidelijk te maken met iemand die niet gewend is aan tegenspraak. Dit is iemand die succesvol is en carrière heeft gemaakt.

Hoewel de pastoor druk is met zijn preek voor de komende zondag, besluit hij de persoon te ontvangen. Deze neemt plaats aan de werktafel van de pastoor en steekt meteen van wal. Pastoor, het gaat goed met mijn bedrijf. We draaien een flinke omzet en weten een mooie winst te boeken. Mijn mensen hebben plezier in hun werk en verdienen een goed salaris. Zij beschouwen mij als een goede en prettige werkgever. Ik betaal keurig mijn belasting en wij zijn druk bezig ons bedrijf duurzaam te maken. Ook besteden we jaarlijks een flink bedrag aan goede doelen en ik en al onze medewerkers doen ieder jaar mee aan ‘Nederland doet’.

Weet u, meneer pastoor, ik ben katholiek opgevoed. Ik ben gedoopt en heb mijn eerste Communie en Vormsel gedaan, maar het is al weer jaren geleden dat ik een kerk bezocht. Nu dacht ik, ik moet toch eens wat voor de Kerk doen. Ik heb begrepen dat er groot onderhoud aan dit gebouw nodig is en dat het voor de parochie niet te doen is om de enorme kosten daarvan te dragen. Ik wou u dus een aanbod doen: Ik betaal de restauratie van de kerk en u bidt elke zondag voor mijn zielenheil, zodat ik weet dat ik later in de hemel kom. De pastoor had al het gevoel dat het deze kant op zou gaan en zit zich nu af te vragen wat hij hiermee aan moet. Het geld kan de parochie inderdaad heel goed gebruiken, maar hij zal toch moeten vertellen dat het zielenheil niet te koop is.

Iets dergelijks stel ik mij ook voor bij het Evangelie van vandaag. De rijke houdt zich keurig aan de Wet van Mozes, maar heeft toch het gevoel dat hij meer zou moeten doen. Hij zoekt Jezus op. Misschien heeft Jezus wel een idee voor een goed doel. Hij heeft geld genoeg en wil best een deel daarvan aan iets goeds besteden. De rijke man is gewend dat hij met geld kan kopen wat hij wil. Hij vertrouwt op zijn bezittingen. Zijn bezittingen stellen hem in staat een goed mens te zijn. Hij heeft het niet nodig de Wet van Mozes te overtreden.

En dan komt Jezus met dit antwoord: “Ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel, en kom dan terug om Mij te volgen.” Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Dit is te gortig. Deze prijs is te hoog. De rijke man is ontsteld en gaat ontdaan heen. Hij had het zo goed bedoeld en dan krijgt hij dit antwoord. Teleurgesteld vertrekt hij weer en we weten niet hoe het met hem afloopt. Wat we wel weten is dat Jezus hem liefdevol aankeek. Jezus ziet zijn goede bedoelingen, maar ook zijn onvermogen. De man vertrouwt op zijn geld en hij vindt het daarom erg moeilijk om zijn bezit los te laten en in plaats daarvan op God te vertrouwen.

Jezus waarschuwt voor de nadelen van rijkdom. Van bezit gaat een verslavende werking uit. Bezit geeft ons het idee van onafhankelijkheid. We kunnen alles kopen wat we nodig hebben. Het lijkt erop dat wij het geluk op eigen kracht kunnen realiseren. In ons land waar veel welvaart is, is dit een wijd verbreid idee. Succes is een keuze. Wij zijn vergeten dat alles wat we zijn en wat we hebben, een geschenk is. Voor de mens van tegenwoordig is alles maakbaar.

Het boek Wijsheid schetst een ander beeld. Er wordt gebeden om wijsheid, wijsheid wordt geschonken. Ook rijkdom is niet primair een eigen verdienste. Rijkdom is een geschenk. Rijkdom is op zichzelf ook niet slecht. Het gaat mis als we verslaafd raken aan ons bezit en daar al ons vertrouwen op stellen. Leerling zijn van Jezus is op Hem vertrouwen: werkelijk geloven dat Hij ervoor zorgt dat het goed met ons komt.

De man in het Evangelie leek op de goede weg. Hij probeerde te doen wat in zijn vermogen lag. Jezus zag zijn goed bedoelingen en ontving hem met liefde. Het zal ook voor Jezus pijnlijk geweest zijn dat het voor de man te moeilijk was om Hem te volgen. Misschien is het nog wel goed met hem afgelopen. Misschien werd hij met Pinksteren – toen duidelijk was geworden hoe ver de liefde van Jezus voor ons gaat – een van de eerste christenen. “Dit ligt niet in de macht der mensen maar wel in die van God: want voor God is alles mogelijk.” Laten wij ons vertrouwen op Hem stellen. Amen.

Wat doe jij in vredesnaam? W 2,12.17-20; Jak 3,16-4,3; Mc 9,30-37

De ongelovigen zeggen: “Wij willen de vrome belagen; want hij is ons een ergernis, en is een aanklacht tegen onze lauwheid.” De tekst uit het boek Wijsheid die we vandaag gelezen hebben, is nog steeds actueel. Mensen wijzen niet alleen elkaars ideeën en meningen af. Zij wijzen ook elkaar af omdat men zich ergert aan het gedrag van de ander. Dat geldt niet alleen het onbeschofte gedrag van enkelen, maar ook het voorbeeldige gedrag van velen. De Duitsers hebben hier sinds een aantal jaren een woord voor. Daar heet iemand die zich goed gedraagt een ‘Gutmensch’. Dat klinkt als positief maar het is sarcastisch bedoeld. Een ‘Gutmensch’ denkt in de ogen van anderen te weinig aan zichzelf. Een ‘Gutmensch’ is voor hen een storend voorbeeld van goed gedrag.

Van de andere kant zijn er ook mensen die allen die ook maar beetje niet deugen veroordelen. Hier zien we de sinds kort opgekomen ‘cancelcultuur’. Iedereen die ook maar een beetje fout is of verkeerde dingen zegt, moet genegeerd, geboycot, in de ban gedaan worden. In dit verband moet ook het begrip ‘woke’ genoemd worden. Ook hier zien we een neiging tot overdreven correct gedrag en een voorstaan op morele zuiverheid.

Het thema van de Vredesweek is: ‘Wat doe jij in vredesnaam?’. Er kan pas sprake zijn van vrede als recht wordt gedaan aan iedereen. Vrede is rechtvaardig. Vrede is liefde. Vrede sluit niet uit: vrede is inclusief. Inclusief samenleven vraagt dat we niemand uitsluiten, niemand uitsluiten: niet met woorden en niet met gedrag.

In het boek Wijsheid zijn het de ongelovigen die de vromen willen buitensluiten. Het goede gedrag van de vromen irriteert ongelovigen, want het confronteert hen met het eigen tekortschieten. Dit komt niet alleen bij ongelovigen voor. Mogelijk herkent u dit ook bij uzelf. Ook wij kunnen ons ergeren aan ‘heilige boontjes’, aan mensen die meer werk maken van hun geloof dan wij zelf nodig vinden. Hun voorbeeldig gedrag confronteert ons met ons eigen tekortschieten.

De apostel Jakobus schrijft: “Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies vandaan? Toch alleen van uw eigen hartstochten die u niet met rust laten? Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen.” Jakobus maakt ons duidelijk dat het onze hartstochten zijn die de vrede telkens weer verstoren. Het is onze menselijke onvolmaaktheid, onze zondigheid die oorlog en geweld in de wereld brengen. Dat geldt zowel voor onze persoonlijke leefomgeving als voor de wereld als geheel. Jakobus heeft het over onze naijver en eerzucht en zelfs ons bidden is gericht op eigenbelang. Ons egoïstisch en egocentrisch denken en doen verstoren de vrede. Dit zien we ook in het Evangelie. De leerlingen van Jezus twisten over wie van hen de grootste is.

Jezus plaatst een kind in hun midden. Hij roept ons op vooral de kinderen niet de dupe te laten zijn van oorlog en geweld. “Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op; en wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft.” In het kind ontmoeten wij Christus zelf en in Christus ontmoeten we God.

Ook in de lezingen van vandaag gaat het over uitsluiten. Ergernis aan andermans voorbeeldige gedrag is een vorm van uitsluiten. Uitsluiten is ook aan de orde als wij ons beter achten dan de ander, zoals bij de leerlingen van Jezus het geval is. Ook het afwijzen van mensen die niet aan onze standaard voldoen, is een vorm van uitsluiten. Ook zondaars maken deel uit van onze samenleving. Het veroordelen van de zonde is goed, maar het buitensluiten van zondaars is verkeerd. Een mens is altijd meer dan wat hij doet en wat hij zegt. Dat geldt ook wanneer iemand verkeerde dingen doet of zegt.

Een inclusieve samenleving vraagt, dat wij onze eigen onvolmaaktheid onder ogen zien en accepteren. Dan zullen we ook mild oordelen over de fouten van anderen en zullen we vergevingsgezind zijn. Weten dat je zelf niet volmaakt bent, voorkomt dat je je beter voelt dan een ander, en het voorkomt ook dat je je ergert aan andermans voorbeeldig gedrag. Een inclusieve samenleving vraagt dat we elkaar respecteren, naar elkaar luisteren en met elkaar in gesprek gaan. Zij vraagt de moed om in dialoog met elkaar tot oplossingen te komen en de weg naar de toekomst te vinden.

Een vreedzame samenleving is een inclusieve samenleving: een samenleving waarin niemand wordt uitgesloten, een samenleving waarin mensen elkaar zien als broeders en zusters, een samenleving waarin we elkaar zien als kinderen van één Vader. Amen.

Hoop en moed; Js 35,4-7a; Jak 2,1-5; Mc 7,31-37

“Vat moed en vreest niet: Uw God komt om de wraak te voltrekken, God komt om te vergelden en om u te redden.” Wij geloven niet in een wrekende God, maar wel in een God die ons zal redden, een God die zich keert tegen onrecht en die ons vrede brengt en geluk. Op beeldende wijze schetst Jesaja wat wij hopen: een toekomst van voorspoed, vrede en geluk. De hoop op een betere toekomst vindt zijn basis in het geloof in God. Het geloof geeft ons het vertrouwen.

Vanuit het geloof is de hoop onze steun op momenten van duisternis en verlatenheid, op momenten waarop wij het niet meer zien zitten. De hoop doet ons bidden om Gods aanwezigheid als wij het moeilijk hebben. Zij houdt ons gaande en doet ons volharden op onze weg door het leven. Hoop is uitzien naar de toekomst die ons beloofd is. God zal onze hoop in vervulling doen gaan. Zo geeft de hoop ons de moed verder te gaan en niet bang te zijn voor de toekomst. Hierin verschilt de hoop ook van optimisme.

De optimist is niet moedig maar overmoedig. Hij ziet het gevaar niet. Het zal allemaal wel meevallen. Voor de optimist is toekomst alleen maar zonnig, dreigt er geen gevaar en zijn er geen tegenslagen. De hoop daarentegen doet ons niet weglopen van de problemen. De problemen worden niet ontkend maar onder ogen gezien. De hoop geeft ons de kracht gevaren te trotseren en tegenslagen te overwinnen.

God is het fundament van onze hoop. In Jezus Christus wordt God zichtbaar in onze wereld. Met zijn liefde tot het uiterste toe opent Jezus ons de ogen. Door zijn verrijzenis is het kruis een teken van hoop. Jezus laat ons zien dat de liefde leidt een betere wereld. Zijn Koninkrijk is niet van een andere wereld of van oneindig verre toekomst. Zijn Koninkrijk is daar waar mensen in navolging van Hem God en elkaar liefhebben.

Jesaja roept op tot moed. Geloof en hoop geven ons moed. Van de andere kant vragen ze ook om moed. Er is moed voor nodig om trouw aan jezelf te zijn, om trouw te zijn aan datgene dat je ten diepste beweegt en liefhebt. Er is moed voor nodig de weg van de liefde en de waarheid te gaan en er niet voor weg te lopen.

De apostel Jacobus geeft ons een concreet voorbeeld. Jacobus schrijft over de liefde voor de medemens: Hij roept ons op ook de mensen zonder aanzien lief te hebben, onze gastvrijheid voor iedereen te laten gelden en ons niet schuldig te maken aan een kwaadaardige discriminatie. Dat vraagt moed. Dat vraagt dat we niet weglopen voor onze roeping.

Vandaag hebben extra aandacht voor de schepping. Op 1 september was het Wereldgebedsdag voor de schepping. Zorg voor de schepping vraagt ook om hoop en om moed. Zonder hoop worden we doemdenkers. Dan roepen we: “Wat kan ik er aan doen? Het is toch al te laat!” Zonder hoop en zonder het vertrouwen op God gaan we bij de pakken neerzitten.

Paus Franciscus schreef hierover in Laudato si’: “De hoop nodigt ons uit te erkennen dat er altijd een uitweg is, dat wij altijd van koers kunnen veranderen, dat wij altijd iets kunnen doen om de problemen op te lossen.” (LS 61) Zorg voor de schepping vraagt ook moed. Hierover schreef de paus: “Wat voor soort wereld willen wij doorgeven aan hen die na ons zullen komen, aan de kinderen die aan het opgroeien zijn? (…) Als deze vraag moedig wordt gesteld, dan brengt zij ons onherroepelijk tot andere zeer directe vragen. Met wat voor doel gaan wij door deze wereld? Waartoe zijn wij in dit leven gekomen?” (LS 160) Het vraagt moed de problemen onder ogen te zien. Het vraagt moed om onze manier van leven te veranderen. Het vraagt moed om te kiezen voor datgene dat echt belangrijk is.

In het Evangelie horen we hoe Jezus een doofstomme geneest. Hij opent hem de oren en maakt zijn tong los. Als brenger van het heil van God brengt Jezus genezing en brengt Hij mensen tot geloof. Jezus brengt ons het geloof dat vertrouwen, kracht en moed geeft. Kracht en moed hebben wij nodig om ook zelf onze bijdrage te leveren in de bestrijding van onrecht en in de zorg voor de schepping.

Onze doopvieringen kennen het Effeta-ritueel. Verwijzend naar de Evangelietekst van vandaag worden de mond en de oren van de dopeling aangeraakt. Daarbij wordt gebeden dat de dopeling Gods Woord mag kunnen verstaan en dat hij spoedig zijn geloof mag kunnen belijden. Het openen van oren is ook nodig om het huilen van mensen die lijden, het klagen van de armen en de verdrukten en het gekreun van de schepping te kunnen horen. Het losmaken van tongen is nodig om uiting te geven aan onze zorgen, om ruchtbaarheid te geven aan mogelijke veranderingen, om anderen te mobiliseren in beweging te komen, om onze liefde voor medemens en schepping te uiten, om woorden te geven aan onze hoop op een betere toekomst, om van ons vertrouwen en geloof in God te getuigen. Amen.

Paulus en vrouwen; Ef 5,21-32

“Zo moet de vrouw háár man in alles onderdanig zijn.” Deze tekst van Paulus roept de nodige vragen op. Het is een uitspraak die je tegenwoordig niet vaak zult horen. Misschien nog wel eens aan de borreltafel waar een stelletje klagende mannen mijmert over vroeger over een tijd waarin volgens hen alles beter was dan nu. Laten we eens naar de tekst kijken: Wat staat er precies? Hoe past deze tekst in de tijd van Paulus? Wat is de boodschap die Paulus voor ons heeft?

We kijken eerst naar deze brief van Paulus als geheel. Zeven weken achterelkaar zijn er stukken uit deze brief gelezen. In het eerste gedeelte van de brief schrijft Paulus over het verlossende werk van Christus. In Christus komt alles, komt heel de schepping tot eenheid en voltooiing. Christus voert Gods plannen uit en het is de opdracht van Kerk, van de christelijke gemeenschap dit werk voort te zetten. Door Gods genade worden de mensen, joden én heidenen gered. Samen zijn zij huisgenoten van God.

In het tweede gedeelte van de brief geeft Paulus concrete richtlijnen. Het is hem duidelijk dat de praktijk niet overeenkomt met het ideaalbeeld. Ook in de christelijke gemeenschap van de Kerk is er sprake van wrok, gramschap, toorn, geschreeuw en gevloek. De Kerk moet een gemeenschap zijn die op de liefde is gebaseerd. Zij moeten de eenheid behouden, een eenheid in verscheidenheid. Mensen hebben verschillende talenten en hebben verschillende rollen. Samen moeten zij de nieuwe werkelijkheid in de wereld zichtbaar maken. Uit ontzag voor Christus moeten zij elkaar onderdanig zijn. Gods liefde moet niet alleen zichtbaar zijn in de Kerk. Zij moet het hele bestaan van christenen richting geven. Aan het einde van de brief geeft Paulus hiervan drie voorbeelden: het huwelijk, de opvoeding van kinderen en de omgang met slaven.

Paulus is geen politicus, geen maatschappijhervormer. Zijn missie overstijgt de praktische inrichting van de maatschappij. Hij moet Gods liefde voor alle mensen verkondigen. Met zijn praktische en morele richtlijnen gaat hij uit van de bestaande situatie. De bestaande situatie wordt door hem wel naar een hoger plan gebracht. De bestaande situatie in de tijd van Paulus was dat vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen, vrouwen, kinderen en slaven zijn het eigendom van de man en daarmee zijn zij afhankelijk van de willekeur van de man. Binnen deze situatie benadrukt Paulus het gebod van de liefde. Niet als een mantel van liefde om de zaak toe te dekken, maar de liefde als een principe om alles anders te doen. Als de liefde het leidend beginsel is, spelen de bestaande regels geen rol meer.

Onderdanig zijn aan elkaar is de opdracht voor iedere christen. Onderdanig zijn is hier een vorm van liefdevolle dienstbaarheid naar elkaar. Dat geldt ook voor vrouwen voor hun éigen man. In onze vertaling is het woord ‘eigen’ weggelaten. Hierdoor komt de nadruk te liggen op de onderdanigheid, terwijl de boodschap is dat zij zich moet richten op haar éigen man. Kortom de boodschap is dat vrouwen niet vreemd mogen gaan.

De boodschap die Paulus voor mannen heeft, is veel indringender. Zij moeten hun vrouw liefhebben. De vrouw is dus geen speeltje of sloofje. Zij is er niet louter voor het genot en het gemak van de man. Liefde kan er alleen bestaan tussen mensen die elkaar als gelijkwaardig beschouwen. Dit zien we terug als Paulus elders schrijft dat er geen sprake is van Joden en Grieken en van mannen en vrouwen. Allen zijn aan elkaar gelijkwaardig.

In onze tijd waarin mannen en vrouwen voor de wet gelijkwaardig zijn, moeten we deze tekst van Paulus anders lezen. De tekst over vrouwen geldt nu ook voor mannen en de tekst over mannen geldt nu ook voor vrouwen. Binnen het huwelijk zijn mannen en vrouwen onderdanig aan elkaar. Voor beiden geldt dat de liefde voor elkaar het alles bepalende beginsel is. Zij zijn er om elkaar gelukkig te maken. En ze zijn er om samen hun kinderen goed en liefdevol op te voeden. We hoeven Paulus dus niet te cancelen. We hoeven hem niet uit de Bijbel en uit de liturgie weg te poetsen. Paulus behoort niet tot de enge witte mannen die wel even zullen vertellen hoe vrouwen moeten leven.

Een soortgelijk iets zien we bij de tekst over de slavernij, die volgt op de tekst die we vandaag gelezen hebben. Paulus bepleit niet de afschaffing van de slavernij. Ook de slavernij is voor hem een gegeven. Paulus leert wel hoe de relatie tussen de slaaf en zijn meester moet zijn. Zij moeten respectvol met elkaar omgaan. Voor God zijn zij gelijkwaardig. Zo zijn zij elkaars broeders.

De voorbeelden die Paulus geeft in zijn tijd laten ons zien hoe ook wij in onze tijd moeten omgaan met de regels en gewoonten die er tegenwoordig zijn. Onze maatschappij verandert van een christelijke in een seculiere samenleving. Christelijke waarden vervagen daardoor of verdwijnen soms geheel uit onze cultuur. Dat vraagt ons niet dat we uit de maatschappij stappen en ons er afzijdig van gaan houden. Het vraagt wel dat we met de liefde als leidend principe invulling geven aan de huidige regels en gewoonten. Om een voorbeeld te noemen. Daar waar solidariteit met de medemens in onze wetgeving verschraalt, kunnen wij door eigen initiatief dit gemis compenseren. Wij kunnen onze medemensen aandacht geven en steun verlenen. Waar de wetgever onbarmhartig is, moeten wij barmhartig zijn. Amen.