Spring naar inhoud

Gaudete: Verheugt u; Js 35, 1-6a.10; Mt 11,2-11

Gaudete: Verheugt u. “Blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd.” Jezus maakt met deze tekst duidelijk dat Hij het is die het Rijk Gods brengt. Hij gebruikt hiervoor de woorden die eerder door Jesaja gebruikt zijn. Jesaja beschrijft een paradijselijke situatie van vrede, welzijn en gerechtigheid voor iedereen. Dat is wat ook Jezus ons voorhoudt als het Rijk Gods, niet meer en niet minder. Jesaja schrijft over de toekomst. Jezus spreekt over het moment zelf. Met zijn komst is de beloofde toekomst aangebroken. Deze teksten geven ons stof tot nadenken. Hoe zien wij het Rijk Gods? Wanneer verwachten wij het Rijk Gods?

Deel van mijn opvoeding was het uit je hoofd leren van de catechismus. Vandaag hebben we genoeg aan de eerste vraag daaruit. “Waartoe zijn wij op aarde?” Het antwoord op deze vraag luidde: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn.” Onder u zijn ongetwijfeld ook mensen aanwezig die een ander antwoord geleerd hebben. Eerder luidde het antwoord namelijk: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hiernamaals gelukkig te zijn.” Het ‘hier’ is midden vorige eeuw toegevoegd. Daarvoor ging het enkel om het geluk in het hiernamaals. Tegenwoordig beschouwen we ook het aardse geluk als een deel van de bestemming van het leven.

Dat lijkt een kleine verandering: de toevoeging van het woord ‘hier’. En velen zullen het destijds ook zo beleefd hebben. Zo’n verandering verandert niet onmiddellijk het denken van mensen. Zij sijpelt heel langzaam door en pas na enige tijd zie je dat de mensen anders in het leven staan. Tegenwoordig zul je het niet meer in je hoofd halen om iemand die in financiële nood is te troosten met het idee dat het later in de hemel allemaal goed komt.

Jezus verkondigt aan armen de Blijde Boodschap. Blinden zien, lammen lopen, melaatsen genezen, doven horen en doden staan op. De lichamelijke problemen lost Jezus op. En de armen? Worden die hier toch met een kluitje het riet ingestuurd? Zij moeten het doen met de Blijde Boodschap. Nergens lees je dat Jezus echt iets aan hun situatie doet. Geldt voor de armen dan toch dat zij moeten wachten op het geluk in het hiernamaals? Jesaja schetst ons een beeld van vrede, welzijn en gerechtigheid voor iedereen.

Ook Jezus heeft het regelmatig over gerechtigheid, maar het oplossen van misstanden, het oplossen van armoede en onrechtvaardige situaties laat Hij blijkbaar aan anderen over. Jezus roept op tot naastenliefde, solidariteit en gerechtigheid en het zijn zijn leerlingen die daar daadwerkelijk mee aan de slag gaan. In de Handelingen van de Apostelen kunnen we lezen hoe de eerste leerlingen alles met elkaar delen. De geschiedenis van de vroege Kerk leert ons hoe het christendom een nieuwe manier van denken brengt. Het gaat niet langer om het recht van de sterkste. Het nieuwe denken van het christendam houdt in dat mensen naar elkaar omzien. Gaandeweg tot op de dag van vandaag heeft deze nieuwe manier van denken steeds meer invloed gekregen. Onder andere onze huidige sociale wetgeving is er het resultaat van.

Het Rijk Gods is niet alleen een belofte voor een toekomstig leven. Het Rijk Gods gaat niet alleen over het leven in het hiernamaals. Het Rijk Gods gaat ook over het leven hier op aarde. Het Rijk Gods gaat ook over ons leven van dag tot dag. De belofte van het Rijk Gods betekent dat God wil dat wij gelukkige mensen zijn hier en in het hiernamaals. Door zieken te genezen en doden te laten opstaan, laat Jezus dat zien. Maar Jezus betrekt ook ons erbij. Ook wij krijgen de opdracht te werken aan het Rijk Gods. Wij worden opgeroepen de dingen te doen waartoe wij in staat zijn. Wij worden opgeroepen tot daden van liefde: hongerigen voeden, dorstigen laven, zieken bezoeken et cetera. Ook worden wij opgeroepen om een rechtvaardige en vredige samenleving tot stand te brengen.

In deze tijd wordt onze aandacht gevraagd voor de Adventsactie. Dit jaar wordt onze steun gevraagd voor de opvang van jonge kinderen die vanuit Venezuela zijn gevlucht naar Lima, de hoofdstad van Peru. Meer dan twee miljoen mensen zijn naar Peru gevlucht. Zij wonen in primitieve omstandigheden en leven veelal van straatverkoop. Jonge kinderen zijn in deze situatie het meest kwetsbaar.

Gerard Reve schreef ooit: “Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?” De belofte van het Rijk Gods maakt ons soms ongeduldig. Dood, ellende, pijn en verdriet verdwijnen niet uit onze aardse werkelijkheid. Ze maken wezenlijk deel uit van onze aardse bestaan. Daarnaast geeft God ons de middelen om mee te werken aan een betere wereld. Wij mogen daarmee onze bijdrage leveren aan zijn Koninkrijk en eens zullen wij leven in zijn Rijk van vrede en geluk. Amen.

De vreugde van het Evangelie; Js 11,1-10; Mt 3,1-12

Waar preek je over als je je koperen jubileum viert. Drie weken geleden hoorde ik onze bisschop bij de diakenwijding spreken over de zware taak van het diaconaat. Deze woorden worden gebruikt aan het begin van de wijdingsplechtigheid. Zij die er destijds bij waren, zullen zich dat natuurlijk nog herinneren en waarschijnlijk dachten ze: waar begint hij aan? De huidige bisschop vertelde, dat dit geen oproep is tot medelijden want een diaken doet zijn werk met de hulp van de Heer. Nu snapt u ook hoe het komt dat ik met een zekere lichtheid, opgewektheid en zorgeloosheid mijn leven leidt en mijn werk doe.

Wat wil een mens nog meer dan weten dat er iemand van je houdt, dat er iemand is dat die wil dat je gelukkig wordt en daar ook voor zorgt? Dat is de kern van de boodschap waarmee ik op pad ben gestuurd. Dit ontslaat ons mensen niet van onze eigen verantwoordelijkheid. Liefde vraagt ook om een antwoord. Onbeantwoorde liefde houdt geen stand. Liefde kan je niet onverschillig laten.

Toen ik afgelopen week naar de lezingen van vandaag keek, viel mij het begin van de eerste lezing op. “De geest van de Heer zal op hem rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren, en deze vreze des Heren zal hij uitstralen.” Aan het begin van zijn openbare leven heeft Jezus deze woorden op zichzelf betrokken. Maar Hij deed dit niet exclusief. Hij beperkte het niet alleen tot zichzelf. Sterker nog aan het einde van zijn leven belooft Hij ons de heilige Geest. De heilige Geest is onze Helper.

Met ons Doopsel en Vormsel ontvangen wij de hiergenoemde gaven van de heilige Geest. Het is zoals Johannes de Doper over Jezus verkondigt: “Hij die na mij komt, (…) zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.” Dit is er wat er bij ons Doopsel en Vormsel gebeurt. Wij worden niet alleen gedoopt met water, maar ook met de heilige Geest. Bij de diakenwijding wordt dit nog eens lichtjes overgedaan. Opnieuw bidt de bisschop dat de wijdeling de gaven van de heilige Geest mag ontvangen om zo zijn werk als diaken te kunnen verrichten.

Johannes de Doper kondigde de komst van Jezus aan. Zou zijn aanpak ook vandaag tot resultaten leiden? Johannes de Doper is een boeiend iemand: lekker radicaal, flinke uitspraken en grote woorden. Ook in zijn gedrag is hij bijzonder met een kleed van kameelhaar en het eten van sprinkhanen en wilde honing. Wilde honing lijkt me niet slecht. Sprinkhanen zijn minder aantrekkelijk. Overigens is het eten van insecten nu ook in onze streken in opkomst. Ik heb ze een keer gekocht en wij hebben ze ook gegeten. Ze smaken niet slecht, maar het mondgevoel is minder aantrekkelijk. In Wageningen wordt hier gelukkig nog hard aan gewerkt. Mogelijk wordt Johannes de Doper op deze manier nog een echte trendsetter. Wat onze kleding betreft: de pastoor koos voor deze gewaden. Ik weet niet of hij nog aan kleden van kameelhaar heeft gedacht. Ik in ieder geval niet. Ik houd niet van gekriebel. Zes jaar geleden schreef paus Franciscus in Evangelii gaudium: “Een evangelist moet er nooit uitzien alsof hij net van een begrafenis is teruggekeerd!” Het Evangelie verkondigen is een vreugdevolle bezigheid. Dat mag ook uit onze kleding blijken.

Het woord vreugde keert steeds weer terug in die brief aan alle katholieken. “Niemand moet denken dat deze uitnodiging niet voor hem of haar bedoeld is, want niemand wordt uitgesloten van de vreugde die door de Heer wordt gebracht.” Aldus de paus. Het doel van zijn brief omschrijft Franciscus met: “In deze exhortatie wil ik de christenen aanmoedigen deel te nemen aan een nieuw hoofdstuk van evangelisatie dat gekenmerkt wordt door deze vreugde.” Hij wil nieuwe wegen voor de Kerk aangeven. Het duurt natuurlijk altijd even voordat dan iedereen op gang komt. Maar ondertussen hebben wij hier ter plekke een eerste stap gezet met ons nieuw pastoraal beleidsplan: “Als leerling het Evangelie leven”. Ik hoop echt dat het ons lukt op deze weg stappen te zetten en een nieuwe toekomst in te gaan. Iedere christen heeft de opdracht als leerling van Jezus op weg te gaan en zonder aarzeling, tegenzin of angst het Evangelie te verkondigen aan iedereen op alle plaatsen en bij alle gelegenheden en ieder op de manier die bij hem past.

Op zich spreekt de radicaliteit van Johannes de Doper mij wel aan, maar ik denk niet dat het werkt als we de mensen om ons heen uitmaken voor “adderengebroed”. De mensen van tegenwoordig zijn niet te vergelijken met de toehoorders van Johannes de Doper. De mens van tegenwoordig kan zich vaak niet voorstellen dat het mogelijk is dat iemand anders dan jezelf jou gelukkig kan maken. Mensen denken vaak dat ze daar echt helemaal alleen voor staan. Eigen zelfgerichtheid maakt het onmogelijk te denken, dat iemand anders zich kan richten op jouw geluk en ook een liefhebbende God raakt daarmee geheel buiten beeld.

Ons mensbeeld en ons beeld van hoe de wereld in elkaar steekt, kan ons behoorlijk in de weg zitten. Te absolute beelden beperken ons voorstellingsvermogen en onze vrijheid van denken. Het loslaten van absolute denkbeelden is niet eenvoudig. Het is het loslaten van zekerheden. Het is ook aanvaarden van complexiteit en van niet kunnen weten. We zien om ons heen hoe moeilijk dat in de politiek is. Simpele en heldere standpunten en ideeën zijn aantrekkelijk. Daarbij is het niet eens nodig dat ze overeenkomen met de werkelijkheid en ook niet dat ze bijdragen tot een betere wereld.

En dan komen wij met “de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren”. Toch ben ik er van overtuigd de liefde sterker is dan alle materiële en ingebeelde zekerheden van tegenwoordig. Geloof en liefde vormen de basis voor vertrouwen, niet voor zekerheden. Zelfs rotsvast vertrouwen leidt niet tot een objectieve zekerheid. Geloof en liefde vormen ook niet de basis voor de wetenschap. Daar wordt naar andere waarheden gezocht. En dat is een goede zaak.

Onze Blijde Boodschap van de liefde kan mensen in hun hart treffen. Bij elke uitvaart zie ik weer hoe de liefde het alles overheersende thema is. Het gaat altijd over de liefde van en voor de overledene. Al het andere valt dan weg. Het mag genoemd worden, maar is niet echt belangrijk. Het is ook de liefde die maakt dat een niet voortleven onvoorstelbaar is. Het is aan ons om de liefde, de liefde van God voor de mensen en liefde van de mensen voor elkaar zichtbaar te maken in onze wereld. Dat vraagt om woorden en daden van liefde. Daarover moeten we ook het gesprek met de huidige seculiere cultuur aangaan. Dat is de vreugdevolle taak waaraan ik graag mijn bijdrage lever. Amen.

Eerste hulp bij katholieke begrippen

Auteurs: Eric van den Berg, Frank G. Bosman en Peter van Zoest
Titel: Eerste hulp bij katholieke begrippen
Uitgever:
Berne Media, 2019
Prijs: € 16,90
ISBN: 978-90-8972-323-9
Aantal pagina’s: 192

Weet u wat een croceferarius of een fanon is en waarom bepaalde feestdagen roerend worden genoemd? U vindt het allemaal en nog veel meer katholiek begrippen in dit handzame boekje. Op een zeer toegankelijke wijze hebben de auteurs allerlei begrippen uit het katholieke leven op een rijtje gezet en toegelicht. Ze hebben het duidelijk eenvoudig willen houden en zijn daardoor wel eens wat erg kort door de bocht. Desondanks is het een praktisch naslagwerkje geworden.

Het boek is ontstaan naar aanleiding van het opvallend gebrek aan kennis dat vele journalisten op dit gebied vertonen. Eenmaal bezig ontdekten de schrijvers de omvang van de schat aan katholieke begrippen waarvan vele ook voor ingewijden onbekend zijn. In totaal worden meer dan achthonderd woorden in dit boek toegelicht.

Waar vinden we nog hoop? Lc 21,5-19

Jezus spreekt over het einde der tijden. Je wordt niet blij van zijn voorspellingen. Het klinkt dreigend en onheilspellend. “Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen hevige aardbevingen zijn, en hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en aan de hemel geweldige tekenen.”

Ook in onze tijd wordt er bij tijd en wijle op onheilspellende wijze over de toekomst van de mensheid en van onze aarde gesproken. Denk aan de klimaatveranderingen, het uitputten van de aarde en het verlies aan biodiversiteit. Ook politieke ontwikkelingen kunnen ons angst aan jagen. Zaken als toenemend populisme, radicalisering, autoritaire leiders stemmen je niet hoopvol wat de toekomst betreft.

Voor een deel hebben we invloed op onze toekomst. Wij zijn het zelf die onze politieke leiders kiezen. Als consument bepalen we zelf wat we wel en niet kopen en op welke wijze we zorg dragen voor het behoud van de schepping. Ook met onze manier van spreken hebben we dagelijks invloed op onze toekomst. Scheppen we een sfeer van hoop en vertrouwen of huilen we mee met de wolven in het bos? Toch is onze invloed op de toekomst slechts beperkt. De toekomst komt op ons af. We hebben er enige invloed op en kunnen ontwikkelingen gedeeltelijk voorspellen, maar uiteindelijk hebben we onze toekomst niet in eigen hand.

Dat betekent dat we een manier moeten vinden om met de toekomst om te gaan. Wat de toekomst voor ons betekent, wordt mede bepaalt door hoe wij ons verhouden ten opzichte van wat ons gebeurt. We kunnen de ontwikkelingen ontkennen. We kunnen onze kop in het zand steken en doen alsof er niets aan de hand is. We kunnen er fatalistisch vrolijk op los leven onder het motto na ons de zondvloed. We kunnen vol angst en pessimisme wegduiken, bij de pakken neerzitten en zwelgen in somberheid.

In de tekst van vandaag sluit Jezus af met: “Geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.” Ondanks alle verschrikkingen houdt Jezus ons voor dat we hoopvol moeten zijn en standvastig moeten blijven vertrouwen op God. Telkens zal er nieuw leven zijn en wordt ook ons nieuw leven geschonken. Dat is de hoop van waaruit wij mogen leven. God zal tenslotte alles ten goede keren. Ook al gaat de tempel met al zijn schoonheid verloren, ook al wordt Jeruzalem met haar machtige muren verwoest, dat betekent nog niet het einde van de wereld. Ook na grote natuurrampen blijkt er altijd weer nieuw leven mogelijk. Ook Jezus’ eigen dood bleek niet het einde, maar door zijn verrijzenis was het juist een nieuw begin. Uiteindelijk zijn wij met de gehele mensheid op weg naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Die weg heeft Jezus met zijn leven en zijn dood voor ons geopend. Hijzelf is onze weg en ons leven.

Als wij leven vanuit die hoop vervallen we niet tot ontkenning, niet tot fatalisme en niet tot angst en pessimisme. Leven vanuit de hoop betekent ook dat we blijvend onze verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst van de mensheid en van heel de schepping. De hoop doet standvastig zijn en doet ons blijven vertrouwen. Door onze eigen hoop en vertrouwen blijven we ook getuigen van Gods liefde voor ons en voor alle mensen. Als leerlingen van Jezus getuigen we van Hem en van de Blijde Boodschap die Hij verkondigt.

Door ons vertrouwen op God getuigen we zonder angst ook al weten we dat onze getuigenis niet door iedereen op prijs wordt gesteld, ook al weten we dat onze getuigenis ook verdeeldheid zal veroorzaken en tot bespotting en vervolging kan leiden. Door ons vertrouwen op God hoeven we ook niet bang te zijn dat we niet zullen weten wat we moeten zeggen, dat we met de mond vol tanden staan als mensen ons het vuur na aan de schenen leggen. Het is de heilige Geest die in ons spreekt, het is altijd Jezus zelf die ervoor zorgt dat wij de woorden zullen vinden die op dat moment nodig zijn. Het is uiteindelijk altijd Jezus zelf die van Gods goedheid getuigt. Het is Jezus zelf die Gods liefde voor de mensen verkondigt. Wij mogen Hem daarbij vol vertrouwen van dienst zijn. Amen.

Sint Martinus; Js 61,1-2a; Mt 25,31-40

Als we alle verhalen over Martinus op een rijtje zetten, zien we dat hij steeds meer op Jezus gaat lijken. Hoe hij gaandeweg een echte leerling van Jezus wordt. Een belangrijke stap van Martinus op deze weg van leerling van Jezus worden, is het delen van zijn mantel met de bedelaar.

De jonge officier in het leger van Romeinse keizer voelde zich al aangetrokken door de verhalen over Jezus. Hij had kennisgemaakt met het christelijk geloof en was doopleerling geworden. Maar in die tijd was het heel normaal dat je jarenlang doopleerling was. Met de Doop werden je zonden vergeven. Daarna gedane zonden raakte je veel moeilijker kwijt. Zeker voor een militair was het niet eenvoudig om geen zonde te doen. Het Sacrament van Boete en Verzoening kende men toen nog niet.

En dan ziet Martinus die bedelaar bij de poort van Amiens zitten. Intuïtief weet hij dat hij iets moet doen en hij geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar. Zeer waarschijnlijk kende Martinus het vandaag gelezen Evangelieverhaal, maar heeft hij zich geen enkel moment gerealiseerd, dat hij met het weggeven van de helft van zijn mantel deed wat Jezus hier van ons vraagt. In een droom verschijnt dan Jezus aan Martinus met de helft van de mantel om zijn schouders. Nu realiseert Martinus zich wat er werkelijk gebeurd is. In de persoon van deze bedelaar heeft Jezus hem geroepen.

Met deze roeping wordt er een fundament onder zijn handelen gelegd. Martinus wilde een goed mens zijn en hij had ook zeker een idee van de manier waarop hij dat zou kunnen zijn. Jezus maakt hem nu duidelijk waarop het goed zijn gebaseerd is. Het wordt nu voor Martinus duidelijk dat Jezus zelf dit fundament is. Jezus zelf is de bron van de liefde waaraan hij zich mag laven. Jezus is de bron van liefde van waaruit Martinus kan en mag leven. Het is ook Jezus die van zichzelf zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Vanaf dit moment is het voor Martinus helder. Hij verbindt zijn leven met dat van Jezus. Hij wordt een echte leerling van Jezus. Hij laat zich dopen en hij verlaat het leger. Gaandeweg zijn leven zal hij steeds meer op Jezus gaan lijken.

De weg die Martinus is gegaan, wordt ons vandaag als voorbeeld voorgehouden. Ook wij zijn geroepen om leerlingen van Jezus te zijn, ons leven met dat van Jezus te verbinden en om steeds meer op Jezus te gaan lijken. Ook wij zijn geroepen om op deze wijze goede en gelukkige mensen te zijn. De geest des Heren, de heilige Geest rust niet alleen op Jezus: de heilige geest was er ook voor Martinus en is er ook voor ons.

Vandaag is er een inzameling voor de voedselbank. Het zijn de huidige mensen in nood met wie wij onze welvaart mogen delen. Het is een concrete wijze van hongerigen te eten geven en dorstigen te laven. Ook vandaag is Jezus in en onder hen aanwezig. Hij zal zich altijd om de mens in nood bekommeren en zich met hen vereenzelvigen. Als wij ons laten raken door de nood van onze medemens en daarnaar handelen, leven we niet alleen naar het voorbeeld van Jezus Christus. In de mensen in nood ontmoeten wij ˗ net als Martinus ˗ werkelijk Jezus. Zo groeien we uit tot echte leerlingen van Jezus en zijn we hier en hierna gelukkig.

Sint Martinus is niet alleen ons voorbeeld. Hij is ook onze voorspraak. Wij mogen de hulp van Sint Martinus inroepen met de woorden die achter in de kerk op de balustrade geschreven staan: “Gij die uw mantel hebt gedeeld, bekleed ons met gerechtigheid.” Amen.

Geroepen worden; 2 Tes 1,11-2,2; Lc 19,1-10

Zacheüs voelt zich aangetrokken tot Jezus. Hij wil Hem zien. Hij wil Hem horen. Maar hoe moet hij met Jezus in contact komen? Hij is klein. Hoe val je dan op? Van de andere kant: Zacheüs wil helemaal niet opvallen. Hij weet dat de mensen hem niet mogen en dan geeft opvallen al gauw een hoop gedoe. Zacheüs verstopt zich in een boom. Vandaaruit kan hij ongezien Jezus voorbij zien komen.

Dan neemt het verhaal plotseling een onverwachte wending. Het initiatief ligt helemaal niet bij Zacheüs. Het initiatief blijkt bij Jezus te liggen. Het is Jezus die Zacheüs persoonlijk roept. Jezus kent zelfs zijn naam. Het is zelden dat er een naam genoemd wordt van mensen die Jezus ontmoeten. Jaren later kent Lucas deze naam nog. Je zou hieruit kunnen afleiden dat Zacheüs behoort tot de groep van de eerste christenen en dat zijn bekering niet van korte duur is geweest. Dat Jezus nu uitgerekend bij Zacheüs te gast moet zijn, is voor de omstanders tamelijk onbegrijpelijk. Vlak voor zijn aankomst in Jericho had Jezus nog een blinde genezen. Iedereen had het gezien en prees God. En dan nu dit. Jezus neemt zijn intrek bij deze zondaar. Dat is toch ongehoord. Zoiets doe je toch niet. Die man is totaal onwaardig voor zo’n roeping.

Ook voor Paulus is dit een punt. Paulus kent de mensen. Hij weet hoe zij denken. Als iemand zich niet gedraagt naar zijn roeping is hij ongeloofwaardig. Daarom bidt Paulus tekens opnieuw tot God dat de christenen van Tessalonica hun roeping waardig mogen zijn. Paulus bidt voor hen dat hun goede voornemens en hun daden van geloof door God tot volkomenheid worden gebracht. Hij bidt dat hun geloof werkelijk zichtbaar is in hun daden en hun gedrag. Alleen dan zal de Naam van Jezus verheerlijkt worden. Paulus bidt dat zij werkelijk leerlingen van Jezus zullen zijn.

Blijkbaar maakt Jezus zich hierover helemaal geen zorgen. Hij weet dat Zacheüs een zondaar is en dat de mensen hem niet mogen. Hij bevestigt dit ook door te zeggen: “De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en om te redden wat verloren was.” Maar ondertussen zien we ook wat de roeping van Zacheüs met Zacheüs doet. Hij doet een opmerkelijk uitspraak: “Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen en als ik iemand iets afgeperst heb geef ik het hem vierdubbel terug.” De roeping door Jezus brengt Zacheüs werkelijk redding. Hij was verloren maar Jezus heeft hem gered: hij is een ander mens geworden; zijn huis is werkelijk heil ten deel gevallen. Het heil dat Zacheüs overkomt, is niet alleen het eenmalige bezoek van Jezus. Het heil dat Zacheüs ten deel is gevallen, is zijn bekering. Door de roeping van Jezus is Zacheüs een ander mens geworden: een leerling van Jezus. God is hem werkelijk genadig geweest.

Wat er met Zacheüs gebeurt, gebeurt ook met ons. Wij zijn met ons Doopsel en met ons Vormsel allemaal door Jezus geroepen om zijn leerling te zijn. Dat betekent dat ook ons net als Zacheüs heil ten deel valt. Ook onze roeping betekent dat God ons genadig is: God geeft ons zijn genade om ons telkens weer te kunnen bekeren. Elke keer als wij onze roeping niet waardig zijn, geeft Hij ons de genade om ons leven te beteren.

Leerling van Jezus zijn betekent ook dat wij op onze beurt geroepen zijn anderen tot leerling te maken. En ook op dit vlak hebben de lezingen van vandaag ons veel te zeggen. Wij hoeven de mensen niet vooraf te beoordelen op hun gedrag en hun waardigheid. Wij hoeven ons daarover geen zorgen te maken. Dat deed Jezus ook niet bij Zacheüs. Het gaat erom mensen op het pad van de redding te brengen. Juist mensen die verloren zijn hebben redding nodig. Dat begint ermee iedereen met liefde te benaderen, onze deuren voor hen te openen en hen op te nemen in onze gemeenschap, ook de mensen die de weg kwijt zijn, ook zij die zich niet goed gedragen. We mogen niemand vooraf afschrijven, niemand vooraf uitsluiten. Door mensen over Jezus te vertellen geven we hen een kans om Jezus te ontdekken en te ontdekken dat er ook voor hen redding is. Als zij zich werkelijk geroepen weten door Jezus, zullen ze net als Zacheüs het heil en de genade die God geeft, ervaren.

De zorgen van Paulus over het gedrag betreft niet de mensen die nog bekeerd moeten worden, het betreft de mensen die al bekeerd zijn. De zorgen van Paulus betreft mensen zoals wij. Voor ons bestaat het gevaar dat we afdwalen en onze goede bedoelingen niet meer tot een goed einde brengen, waardoor we onze geloofwaardigheid als leerlingen van Jezus verliezen. Wij hebben het nodig dat we met enige regelmaat bij de les worden gehouden. Wij hebben het nodig dat we gewaarschuwd worden voor valse profeten. Wij hebben het nodig dat we voor elkaar blijven bidden. Amen.

Dankbaarheid; 2 K 5,14-17; Lc 17,11-19

Dankbaar zijn. Dat valt nog niet mee! En blijkbaar is dat niet alleen tegenwoordig zo. Als wij naar de lezingen luisteren is het van alle tijden. Jezus maakte dit tweeduizend jaar geleden mee. De profeet Elisa leefde nog zo’n achthonderdvijftig jaar eerder. In beide verhalen wordt het gebrek aan dankbaarheid nog eens benadrukt, doordat het een vreemdeling is die wel dankbaar. In de eerste lezing is het de Syriër Naäman die dankbaar is en in het Evangelie is het een Samaritaan.

Dankbaarheid vraagt blijkbaar nogal wat van mensen. Om te beginnen moet je accepteren dat een ander iets voor jou doet. De ander doet iets voor jou of geeft iets moois of iets dat je goed kunt gebruiken. Het kan ook zijn dat er iets aardigs tegen je gezegd wordt of misschien is het alleen maar gebaar of een glimlach. Het is de ander die jou ziet staan en iets voor je doet. Dat cadeau kun je dankbaar ontvangen, maar je kunt ook reageren met woorden als: dat had je niet moeten doen.

Dat laatste zeg je misschien omdat je denkt dat nu de ander iets schuldig bent, want ‘voor wat hoort wat’. Het geven is dan onderdeel van wederkerige afhankelijkheid, waarbij het van groot belang is dat het evenwicht tussen beide partijen blijft bestaan. Dit is een prima mechanisme als je met elkaar zaken doet of wanneer staatshoofden bij elkaar op bezoek gaan. maar daar gaat het vandaag niet over.

Vandaag gaat het om een ontvankelijkheid voor cadeaus die je niet met gelijke munt kunt terugbetalen. De voorbeelden uit de lezingen zijn genezingen van melaatsheid een destijds ongeneselijke ziekte. Het gaat hier om daden van liefde. Ieder cadeau in welke vorm dan ook dat gegeven wordt uit liefde, is een onbetaalbaar geschenk. Bij dergelijke cadeaus gaat het niet om de inhoud van het geschenk maar om de intentie waarmee het gegeven wordt. Daarmee geeft de ander iets van zichzelf weg. Natuurlijk kun je dit beantwoorden met iets aardigs terug te doen, maar het belangrijkste antwoord is dankbaarheid. Zonder die dankbaarheid is een liefdevol antwoord niet mogelijk.

Alleen de liefde voor elkaar maakt het mogelijk elkaar werkelijk als gelijkwaardige mensen te zien en van elkaar afhankelijk te durven zijn en elkaar niet als middel maar als een doel te zien. Een zakelijke transactie kan enkel gaan om het nut en de opbrengst, maar het kan daarnaast ook een daad van liefde zijn. Als ik bijvoorbeeld de toewijding van de bakker, de slager of de groenteboer zie, dan weet ik dat hun werk om meer gaat dan nut en opbrengst, dan weet ik dat zij echt willen dat ik gelukkig wordt door hun mooie product.

Liefde maakt het niet alleen mogelijk belangeloos te geven. Liefde maakt het ook mogelijk zonder vrees te ontvangen en je werkelijk afhankelijk op te stellen. Liefde maakt je vrij van ‘voor wat hoort wat’. Liefde kent geen verplichtingen. Liefde brengt je vanzelf tot de daden van liefde. Jezus heeft ons de liefde voorgeleefd. Hij ging in zijn liefde voor ons tot het uiterste toe. In zijn leven wordt God voor ons zichtbaar: de God die liefde is. Vandaag horen hoe Hij zich afvraagt, waarom niet iedereen dankbaar is.

Dankbaarheid is ook een daad van liefde. Het is een bevestiging van de liefde die ontvangen is en geeft aan dat de liefde wederzijds is. Dankbaarheid is een liefdevol antwoord op een daad van liefde. Jezus verbindt de dankbaarheid met geloof. Hij zegt tegen de Samaritaan: “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.” Ook bij Naäman zien we dat dankbaarheid en geloof samengaan. Hij wil voortaan alleen nog aan de God van Israël offers opdragen.

Jezus navolgen, zijn leerling willen zijn vraagt van ons ook deze weg te gaan: de weg van geloof, van liefde en van dankbaarheid. Deze weg stelt ons in staat ons aan elkaar toe te vertrouwen. Zij stelt ons in staat ons leven in Gods handen te leggen. Amen.