Spring naar inhoud

Dubbelgebod van de liefde; Dt 6,2-6; Mc 12,28b-34

Zo op het eerste gezicht hebben de schriftgeleerde en Jezus een aangenaam gesprek over een belangrijk onderwerp: Wat is het allereerste gebod? Als we tekst wat beter bestuderen, valt het op dat de mannen wel heel erg beleefd en vleiend naar elkaar zijn. Toen was en nog steeds is overdreven beleefdheid en overdreven vleierij geen teken van verbondenheid, maar juist van afstand scheppen. Als we het hele hoofdstuk uit het Evangelie volgens Marcus bekijken, zien we dat gesprek volgt op twee andere gesprekken. Eerst proberen farizeeën en herodianen Jezus te vangen met een strikvraag over het betalen van belasting aan de keizer. Daarna komen er sadduceeën met een vraag over de opstanding.

Beide keren weet Jezus de vragen juist te pareren en de vragenstellers erop te wijzen wat de essentie is van de problematiek die zij aan Hem voorleggen. De schriftgeleerde heeft het gehoord en probeert het op zijn manier door te vragen wat het allereerste gebod is. Ook de afsluiting van de tekst van vandaag maakt duidelijk dat er geen sprake is van vriendschap maar van vijandigheid. “En niemand durfde Hem nog een vraag stellen.” Deze opmerking maakt duidelijk dat hun opzet mislukt is en dat de drie gesprekken bij elkaar horen en één verhaal vormen.

Maar wat is hier de tegenstelling tussen Jezus en de schriftgeleerde? Waar gaat de discussie over? Ze zeggen vrijwel hetzelfde en gebruiken vrijwel dezelfde woorden. Jezus citeert het boek Deuteronomium. Het is de tekst die wij als eerste lezing hebben gelezen. Nadat Mozes de Tien Geboden heeft ontvangen, maakt hij deze aan het volk Israël bekend. Na het noemen van de Tien Geboden volgt deze tekst. De essentie van het onderhouden van de geboden is het liefhebben van God. Dat is de essentie van het verbond dat God met zijn volk heeft gesloten. Alle geboden vloeien voort uit dit liefhebben van God. Jezus voegt hier een tweede gebod aan toe: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” De twee geboden – God liefhebben en de naaste liefhebben – zijn volgens Jezus samen de voornaamste geboden.

Dit klinkt de schriftgeleerde niet vreemd in de oren. De tekst die Jezus gebruikt over het liefhebben van de naaste komt uit het boek Leviticus: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” Maar hier is het een gebod in een hele reeks geboden en niet zoals Jezus stelt dat dit gebod tot de kern van het geheel behoort. De schriftgeleerde weet dat en spreekt ook niet over een eerste en een tweede gebod. Maar hij weet ook wat de profeten hebben geschreven. Verschillende profeten hebben de liefde voor de naaste belangrijker geacht dan het brengen van brandoffers.

Het nieuwe van Jezus is dus dat Hij de twee geboden – God liefhebben en de naaste liefhebben – naast elkaar plaatst. Samen vormen zij de essentie van het nieuwe verbond van God met alle mensen, het verbond dat Hij, Jezus Christus tot stand brengt met zijn leven, zijn dood en zijn verrijzenis. God is mens geworden. Hij heeft de mensheid vervult met zijn goddelijkheid. God en mens zijn niet meer los van elkaar te zien. Het is niet mogelijk God lief te hebben zonder de naaste lief te hebben en omgekeerd is het niet mogelijk de naaste lief te hebben zonder God lief te hebben. Elders horen we Jezus zeggen: “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan.” (Mt 25,40) In onze naaste ontmoeten wij Jezus, in Hem ontmoeten wij God. En in het gezicht van de lijdende Christus zien wij het lijden van onze medemens. In Christus worden wij niet alleen met God verenigt. In Hem worden wij met al onze medemensen verenigd. In Christus vormen wij één lichaam. In Hem vormt de gehele mensheid één gemeenschap.

Dit is de basis van onze zorg voor elkaar. Omdat wij één lichaam, één gemeenschap vormen zien we naar elkaar om en lijden wij mee als een van ons te lijden heeft. Vandaag hebben we extra aandacht voor de mantelzorgers. Zij laten zien wat het betekent naar elkaar om te zien en voor elkaar te zorgen. Dat kan je hele leven in beslag nemen. Dat maakt dat mantelzorgers op hun beurt op onze aandacht en liefde mogen rekenen. Straks kunt u een bloem meenemen voor een u bekende mantelzorger. Volgende week is het de feestdag van Sint Maarten. Hij deelde zijn mantel met een verkleumde bedelaar. Op deze feestdag wordt er voedsel ingezameld voor de voedselbank. Talloze mensen in onze samenleving hebben er moeite mee de eindjes aan elkaar te knopen. Ook dit vraagt om onze daden van liefde. Achterin de kerk vindt u folders over de voedselinzameling. Uw bijdrage is zeer gewenst. Met uw bijdrage laat u zien dat het tweede gebod – de naaste liefhebben – inderdaad even belangrijk is als het eerste gebod – God liefhebben. Deze twee geboden vormen samen de essentie van ons leven. Amen.

Advertenties

Allerzielen; Js 25 6a.7-9; 1 Tes 4,13-14.17b-18; Joh 11,17-27

Dan zal de Heer voor ons een gastmaal aanrichten. Hij zal de sluier verscheuren die over ons leven ligt. God de Heer zal voor altijd de dood vernietigen; Hij zal de tranen van alle gezichten afwissen. Zo beschrijven wij op menselijke wijze het eeuwig leven. Het leven bij God: een leven van liefde en geluk. Wij bidden en geloven dat God onze geliefde overledenen opneemt in zijn hemelse vaderhuis, dat zij nu voor altijd mogen leven in Gods Rijk van licht en vrede. Wij kunnen ons geen enkele voorstelling maken van het leven na de dood, van het eeuwig leven. En toch hopen en verlangen wij naar dat volmaakte geluk. Wij noemen dat: het ware leven, het eeuwig leven. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn.

Hoe wij ook verlangen naar dat ware leven, we zijn toch heel erg gehecht aan ons leven hier op aarde. We zijn gehecht aan elkaar en het kost ons moeite iemand te moeten laten gaan, iemand los te laten en uit handen te geven. Ook Martha en Maria hebben het er moeilijk mee. Hun geliefde broer Lazarus is gestorven. Ze hadden hem zo graag bij hen gehouden. Jezus had volgens hen zijn dood kunnen voorkomen.

Jezus zegt tegen Martha: “Ik ben de opstanding en het leven.” Dat is een uitspraak om even op te kauwen. We weten dat Jezus verrezen is. Hier zegt Hij, dat Hij de Heer is van leven en dood. Hij gaat over de verrijzenis van ons mensen, over ons eeuwig leven. Deze uitspraak gaat ook over ons leven hier op aarde. Jezus is dit leven zelf. Hij heeft als mens dit leven geleefd. Hij deelt ten volle met ons het menselijk bestaan. Hij heeft ons laten zien dat ons leven geheel draait om de liefde. Het is de liefde die ons doet leven en waarvoor wij leven.

Als wij ons leven verbinden met dat van Jezus, als wij in Hem geloven, willen wij leven zoals Hij ons heeft voorgedaan: leven in vrijheid, leven van en voor de liefde. Liefde en verbondenheid is er tussen levende mensen. Deze liefde en verbondenheid overstijgt de dood en overstijgt het aardse. Zo blijven wij in liefde verbonden met onze dierbare overledenen. Als wij ons leven verbinden met dat van Jezus, Dan raken wij hier op aarde al aan het ware leven. Dan zullen wij ook niet echt sterven maar overgaan naar een leven dat geheel uit liefde bestaat. Dan zullen ook wij met Jezus eeuwig leven.

Dit is ook de boodschap van de apostel Paulus: Hij maakt ons duidelijk, dat wij troost mogen vinden in het leven, het sterven en de verrijzenis van Jezus Christus. “Gij moogt niet bedroefd zijn zoals de andere mensen, die geen hoop hebben. Wij geloven immers dat Jezus is gestorven en weer opgestaan; evenzo zal God hen die in Jezus zijn ontslapen levend met Hem meevoeren En zo zullen wij voor altijd samen zijn met de Heer. Troost elkander dan met deze woorden.” Amen.

Roeping; Hb 4,14-16; Mc 10,35-45

Je ziet het zo voor je twee ambitieuze jongemannen. Twee jongemannen die iets van hun leven willen maken. Een eerste stap hebben ze al gezet. Jezus kwam in hun leven en zij zijn Hem gaan volgen. Jezus vertelt hen over God en over de komst van het komende Rijk. Ze hebben er nog geen duidelijk beeld van, maar ze zijn enthousiast. Ze zijn zonder meer van plan hieraan een belangrijke bijdrage te leveren. Zij zullen hun verantwoordelijkheid niet ontlopen. En dus solliciteren bij Jezus naar belangrijke posities in zijn organisatie. Deze mannen weten hoe het in de wereld toegaat. Je moet verantwoordelijkheid willen dragen om iets te kunnen bereiken. Je hebt een belangrijke positie nodig om invloed uit te kunnen oefenen. Je hebt macht nodig om de wereld te kunnen veranderen.

De andere tien leerlingen zien Jacobus en Johannes als baantjesjagers en zakkenvullers. Volgens hen zijn ze alleen maar uit op rijkdom en macht. Het lijkt erg veel op het spreekwoord: Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Ze projecteren hun eigen verlangens op Jacobus en Johannes. Jezus doet dit niet. Hij neemt de twee jongemannen serieus. Hij ziet hun gedrevenheid en maakt zich eerder zorgen. Kunnen ze dit wel waarmaken? Is dit geen jeugdige overmoed? Ze weten niet wat ze zeggen. Ze hebben geen idee wat dit gaat betekenen. Maar Hij ontmoedigt ze niet en wijst ze ook niet terecht. Wel probeert Hij uit te leggen wat hen te wachten staat.

Zoals Jacobus en Johannes zich geroepen weten, zo weten ook in onze tijd vele mensen zich geroepen. Ze weten zich geroepen tot het bijdragen aan een betere wereld. Ze weten zich geroepen een goed mens te zijn. U bent vandaag hier naar de kerk gekomen. Net als Jacobus en Johannes weet u zich verbonden met Jezus. U allen weet dat God een plan met ons heeft en dat het onze opdracht is dat plan vorm te geven in ons leven. Wij allen zijn geroepen bij te dragen aan het Rijk Gods. Ieder op zijn eigen wijze.

De meesten van ons hebben de jeugdige overmoed en onbezonnenheid al een paar jaar achter ons liggen. Gaandeweg hebben we onze weg in het leven gevonden. De grote idealen van vroeger bleken vaak toch iets te hoog gegrepen. We gaan zo goed mogelijk met vallen en opstaan onze weg. Wel hoop ik voor u dat u niet alle enthousiasme bent verloren. Dat u nog steeds kunt dromen van de grote idealen van vroeger. De Kerk bestaat gelukkig niet alleen uit oudere mensen. Zij kent ook vele jongeren. De Kerk bestaat ook uit mensen die nog een heel leven voor zich hebben, mensen zoals Jacobus en Johannes die iets van hun leven willen maken. Deze jonge mensen zitten niet te wachten op onze ontmoediging of zelfs cynisme. Zij zitten niet te wachten op onze grote en kleine teleurstellingen. Zij zoeken naar inspiratie. Zij zoeken een weg om hun idealen waar te maken. Het is aan de ouderen hen daarin te ondersteunen.

Deze maand is er in Rome een bisschoppensynode. Deze synode heeft als thema: ‘Jongeren, geloof en onderscheiding van roeping’. De Kerk wil volgens de verklaring van de heilige Stoel “jongeren vergezellen op hun weg naar volwassenheid, zodat zij, door een proces van onderscheiding, het plan voor hun leven kunnen ontdekken en dat met vreugde kunnen realiseren, open voor de ontmoeting met God en de medemens en zich actief engagerend in de opbouw van de Kerk en de samenleving.” De Kerk wil er daadwerkelijk zijn voor de jongeren. En dat is niet alleen een opdracht voor paus en bisschoppen. Dat is een opdracht voor ons allemaal. Wij allen samen zijn de Kerk.

Jezus laat ons vandaag zien hoe wij met jongeren kunnen omgaan. Hoe wij hen kunnen bemoedigen in plaats van ontmoedigen. Hoe wij enig realisme in hun dromen kunnen aanbrengen. Maar vooral leert Hij ons wat de essentie van ons leven is en hoe mensen voor elkaar het goede voorbeeld kunnen zijn. De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en om zijn leven te geven als losprijs voor velen. Jezus heeft ons het grootste teken van liefde gegeven dat er mogelijk is. Zo is Hij de verheven hogepriester die wij mensen nodig hebben. Hij is de enige die in alle vrijheid uit liefde aller slaaf kan zijn. Wij mogen ons daaraan spiegelen door ons te oefenen in het dienaar zijn. Elkaar dienen, er voor elkaar willen zijn: het zijn de daden van liefde die de wereld vooruit helpen en het Rijk Gods dichterbij brengen.

Dienstbaar zijn naar de jongeren leert hen op hun beurt dienstbaar te zijn. Het leert hen andere wegen te vinden dan de seculiere cultuur van zelfgerichtheid en hedonisme voorstaat. Onze zelfverwerkelijking ligt in de verbondenheid met Christus en in de liefde voor God en medemens. Onze zelfverwerkelijking ligt in de dienstbaarheid aan onze naaste. Dat kunnen we niet op eigen kracht. Wij mogen daarbij wel vertrouwen op de barmhartigheid en genade van God. Op zijn hulp mogen wij rekenen.

Tenslotte het is vandaag ook Wereldmissiedag. Niet alleen in onze eigen omgeving maar overal ter wereld is het nodig het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen. Vandaag ondersteunen wij dit werk met ons gebed en onze financiële bijdrage. Ook op deze wijze kunnen wij liefhebben en dienstbaar zijn. Amen.

Diaconaal doen doordacht

Op 6 maart bespraken we in Rotterdam in het diocesaan werkveldoverleg diaconie hoofdstuk 1 van ‘Diaconaal doen doordacht’[1]. De deelnemers aan dit overleg binnen het bisdom Rotterdam zijn degenen die binnen de pastorale teams van de parochies diaconie in hun portefeuille hebben. Ter voorbereiding van het gesprek had ik twee kreten genoteerd: ‘Daden van liefde’ en ‘Perspectief van de naaste’. Deze twee zaken komen volgens mij te weinig aan de orde. In deze notitie heb ik mijn gedachten verder uitgewerkt. Hierbij bespreek ik ook hoe het door mij gesignaleerde manco doorwerkt in de rest van het boek. Het is niet mijn bedoeling iets aan het boek af te doen, maar ik wil er wel iets aan toevoegen.

Daden van liefde

Laat ik beginnen met de daden van liefde. Vijf jaar geleden vierde het bisdom Rotterdam het Jaar van Daden van Liefde. Hiermee wilden we in ons bisdom duidelijk maken waar het geloof in de God – die liefde is – toe leidt. “God is liefde. De apostel Johannes schrijft het in zijn eerste brief (1 Joh 4,8). Als liefde wezenlijk is aan God, dan is het ook wezenlijk aan de mens, want wij zijn naar zijn beeld geschapen. Wij zijn geschapen en verlost voor en door de liefde. Het Rijk Gods is en wordt gebouwd op liefde. De liefde is bepalend voor ons mens-zijn.

In de encycliek ‘Deus caritas est’[2] laat paus Benedictus XVI zien hoe alle vormen van liefde met elkaar samenhangen, hoe ze als het ware allemaal uit dezelfde stof zijn opgebouwd: eros en agapè, amor en caritas, dalende en stijgende liefde, zelfgerichte en onbaatzuchtige liefde, menselijke en goddelijke liefde. Dat stelt ons in staat te groeien van eigenliefde naar op de ander gerichte liefde. Benedictus schrijft dat de Kerk de plicht heeft de samenleving de ‘dienst van de liefde’ aan te bieden. De ‘dienst van de liefde’, is een individuele verantwoordelijkheid voor elke christen, maar net zo goed een collectieve opdracht voor de Kerk: “Het programma van de christen – het programma van de barmhartige Samaritaan, het programma van Jezus – is een ‘hart dat ziet’. Dat hart ziet waar de liefde nodig is en handelt in overeenstemming ermee. Het spreekt vanzelf dat als de caritatieve activiteit door de Kerk als een gemeenschapsinitiatief wordt opgenomen, de spontaniteit van het individu moet worden aangevuld met programma’s, vooruitzichten en vormen van samenwerking met gelijkaardige instellingen.[3]

Het eerste handboek draagt de titel ‘Barmhartigheid en gerechtigheid’[4]. Dat is een belangrijk begrippenpaar. Het zijn begrippen die niet zonder elkaar kunnen. Ze passen in het rijtje: hart en hoofd, gevoel en verstand, liefde en waarheid. Over dit laatste begrippenpaar schreef paus Benedictus XVI in zijn encycliek ‘Caritas in veritate’[5]. De begrippen liefde en waarheid staan centraal in deze encycliek. De liefde is het hart van de sociale leer van de Kerk. Alles komt voort uit de liefde van God, alles wordt er door gevormd en alles is er op gericht: God is liefde. Vormgeving van deze liefde vraagt om waarheid. Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar. Zonder waarheid wordt liefde sentimentaliteit, staat zij los van kennis en ervaring en is er geen sprake van solidariteit en verantwoordelijkheid. Liefde in waarheid vraagt naast liefdadigheid om gerechtigheid. De gerechtigheid is de maatstaaf voor het minimum. Je kunt niet iets aan een ander geven, waar de ander gewoon recht op heeft, wat in feite al zijn eigendom is.

Een vroegere collega van mij zei met enige regelmaat: “We werken hier niet bij een bank. Voordat hij priester werd had hij in de financiële wereld gewerkt. Zelf heb ik een groot deel van mijn leven bij technische bedrijven gewerkt. Ik hield me daar bezig met het verbeteren van bedrijfsprocessen. Bij het lezen van ‘Diaconaal doen doordacht’ kreeg ik met enige regelmaat een déjà vu. Niet dat ik bezwaar heb tegen effectiviteit en efficiëntie, ook niet als het het werken in de Kerk betreft, maar we moeten ons wel realiseren dat effectiviteit en efficiëntie nodig is als het gaat om schaarse middelen. Niet dat de Kerk geen schaarste kent, maar het meest wezenlijke wat we bezitten en wat we te schenken hebben is de liefde. En liefde is er altijd in overvloed. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer we vanuit die gedachte werken we werkelijk tot nieuwe inzichten komen en los kunnen komen van het bedrijfsmatige en resultaatgerichte denken. Hier wordt zichtbaar dat er in ‘Diaconaal denken doordacht’ onvoldoende aandacht voor de liefde is. Diaconie is geen maakbaarheidsproject. Het is een voortdurende manifestatie van liefde. Paus Benedictus schrijft: “Er zal altijd lijden zijn dat troost en hulp vereist. Er zal altijd eenzaamheid zijn. Net zo goed als er altijd situaties van materiële nood zullen zijn waarvoor hulp onontbeerlijk blijft, in de zin van een concrete liefde voor de naaste.[6]

Het perspectief van de naaste

In ‘Diaconaal doen doordacht’ worden drie perspectieven genoemd om diaconie te bezien. Het binnenperspectief betreft het kijken vanuit de Kerk en vanuit de theologie naar de positionering van diaconie binnen de Kerk. Het buitenperspectief is het kijken van de buitenwereld naar deze kerkelijke activiteit. Het perspectief van de mensen in nood spreekt voor zichzelf. Ik mis in deze opsomming het perspectief van de naaste. Het woord naaste in de betekenis die Jezus er aan geeft in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lc 10,25-37). De naaste die goed wil zijn voor zijn medemens.

Dit vierde perspectief sluit aan bij het idee dat diaconie primair een manifestatie van liefde is. Om lief te hebben heb je concrete mensen nodig. Liefde is gericht op mensen en liefde gaat uit van mensen. Instituten kunnen niet liefhebben en dat geldt ook voor de Kerk. Als Jezus spreekt over daden van liefde zoals in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan of bij de werken van barmhartigheid (Mt 25,31-46) gaat het altijd over concrete mensen, niet over instituten. Van de mens in nood wordt gezegd dat hij naar Gods beeld geschapen is en dus zijn eigen menselijke waardigheid heeft. Dit geldt niet alleen voor mensen in nood. Alle mensen zijn beelddragers van God. Iedere mens is het gegeven de liefde van God zichtbaar te maken in de wereld en zo God te eren en te dienen. Als het over gelijkwaardigheid van mensen gaat, gaat het erom dat iedereen liefde kan ontvangen en liefde kan geven. In een liefdesrelatie staat niemand centraal. Zoals de liefde wezenlijk is aan God is zij ook wezenlijk aan de mens.

De rol van de naaste centraal stellen betekent dat de rol van de Kerk primair ligt op het vlak van faciliteren en krachten bundelen en vanuit het oogpunt van subsidiariteit datgene doen waartoe individuele gelovigen niet in staat zijn. Ik zie mijn opdracht als diaken niet primair om namens de parochie diaconaal op te treden maar veel meer om de parochianen ertoe te bewegen diaconaal te zijn en dat kan zowel in de persoonlijke situatie als in georganiseerd verband. Hub Crijns en Herman van Well stellen dat diaconie altijd organisatie vraagt.[7] Mogelijk is dat zo omdat ze diaconie als zodanig gedefinieerd hebben. Mijn idee is probeer het eerst maar eens zonder organisatie. De ballast van organisatie kun je altijd nog op je nek nemen. Hun commentaar bij het optreden van de barmhartige Samaritaan is niet het mijne. De Samaritaan is juist barmhartig omdat hij spontaan en onvoorbereid reageert op de nood van een medemens. Hij doet wat hij kan. Jezus laat nergens blijken dat we ons moeten organiseren om goed te doen. Hijzelf is ook in het geheel niet bezig met het op gestructureerde wijze genezen van zieken en het vergeven van zonden. De enige keer dat sprake is van enige organisatie is bij de uitzending van de leerlingen. Zij worden twee aan twee uitgezonden. Ook Augustinus kiest in de in het boek geciteerde preek het perspectief van de naaste en niet dat van de Kerk.[8]

Consequenties

Meer aandacht voor de liefde als basis voor diaconie en de rol van de naaste daarin doet op een andere wijze kijken naar de wereld van de diaconie. Een paar voorbeelden.

  1. Hoe verhouden vrijwilligers en professionals verhouden zich tot elkaar?
    Vrijwilligers zijn amateurs, zij handelen uit liefde. Professionals handelen op basis van kennis. De verschillende uitgangsposities maken dat zij elkaar kunnen waarderen en aanvullen. Professionals moeten presteren. Zij zijn gebonden aan kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen. Er zijn rechten en plichten. Bij amateurs gaat het vooral om de liefde. Meetbare resultaten zijn bijzaak. Het is zoals Augustinus zegt: “Heb lief en doe wat je wilt. Zij willen gewoon iets goeds doen. Hierbij is het persoonlijke contact van cruciaal belang.
  2. Diaconie en maatschappelijke voorzieningen. Moeten wij diaconie op een seculiere wijze presenteren om fondsen te werven? Wanneer houdt iets op diaconie te zijn en wordt het een maatschappelijke voorziening? Zijn we in staat zaken los te laten als het gemeen goed is geworden? Is het dan nog wel diaconie?
  3. Vanuit het organisatorisch denken stellen Hub Crijns en Herman van Well dat diaconie mensen nodig heeft.[9] Er moeten doelstellingen gerealiseerd worden. Kortom we moeten aan human resource management doen. Draai het eens om. Er zijn mensen die iets willen doen, dat vraagt mogelijk om een diaconale organisatie.
  4. Overvloed en schaarste. Liefde is onuitputtelijk. Schaarste is slechts materieel en het gevolg van gestelde doelen. In het geval van liefde deel je wat je hebt, geef je wat je kunt missen, meer wordt er niet gevraagd.
  5. Gelijkwaardigheid in een relatie is vanzelfsprekend wanneer liefde de basis is. Liefde is niet normatief. Zij eist niet jij moet worden zoals ik ben.
  6. Verzoening is vooral een daad van liefde.

 

Deze inleiding is uitgesproken op de Diaconale studiedag op 14 september in Amersfoort.

______________________________________________________________

[1]  Hanneke Arts-Ronselaar (eindredactie), Diaconaal doen doordacht: Handboek diaconiewetenschap, Kampen: Kok, 2018.

[2]  Benedictus XVI, Deus caritas est, 2005.

[3]  Ibid., 38.

[4]  Hub Crijns, Wielie Elhorst, Lútzen Miedema e.a. (red.), Barmhartigheid en gerechtigheid: Handboek diaconiewetenschap, Kampen: Kok, 2018.

[5]  Benedictus XVI, Caritas in veritate, 2009.

[6]  Deus caritas est, 28.

[7]  Diaconaal doen doordacht, 200.

[8]  Ibid., 15.

[9]  Ibid., 199.

De goede gemeenschap

Auteurs: Remco van Mulligen & Wouter Beekers (red.)
Titel: De goede gemeenschap: Katholiek sociaal denken over politiek en maatschappij
Uitgever: Wetenschappelijk Instituut ChristenUnie, 2018
Prijs: € 22,50
ISBN: 978 90 825291 2 8
Aantal pagina’s: 175

Het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie besteedt aandacht aan de sociale leer van de katholieke Kerk. Dertien vrijwel allemaal katholiek auteurs zijn gevraagd een onderwerp uit de sociale leer te belichten. Deze zijn bijeengebracht in vier delen: Mens in gemeenschap, Leven in bloei, Recht doen in de wereld en Kerk in diversiteit. Daarnaast eindigt elk deel vier interviews waarin een katholiek en een protestant met elkaar over de sociale leer in gesprek zijn.

De sociale leer wordt wel het best bewaakte geheim van de katholieke Kerk genoemd. Over het algemeen is er weinig aandacht voor. Desondanks liggen veel ideeën uit die leer aan de basis van wetgeving in Nederland en de inrichting van de Europese Unie. Dit boek geeft een helder en beknopt overzicht van het denken van de Kerk. Er wordt ook een vergelijking gemaakt met het protestantse en liberale denken gemaakt. Dit maakt nog duidelijker waar de katholieke Kerk voor staat. Het is een vlot geschreven boek.

Huwelijk: Gn 2,18-24; Mc 10,2-16

April dit jaar was het vijfentwintig jaar geleden dat Joke en ik elkaar het ja-woord gaven in de Sint Petruskerk in Leiden. We spraken uit dat we elkaar trouw zullen blijven tot dood ons zal scheiden. Je zou dus kunnen zeggen, dat ik – wat het huwelijk betreft – een ervaringsdeskundige ben. Maar is dat ook zo? Ik ken alleen maar ons eigen huwelijk van binnenuit. En daarvan weet ik alleen maar hoe ik daar zelf in sta en hoezeer ik van mijn vrouw houd.

Maar Joke, mijn vrouw: wat weet ik van haar? Nou een heleboel! Maar wat haar ten diepste beweegt, hoe zij werkelijk in elkaar zit, wat zij precies bedoelt met de woorden die zij tot mij spreekt, wat haar diepste gedachten zijn: weet ik dat? Kan ik haar werkelijk helemaal kennen en begrijpen? En zou ik dat ook willen? En zou ik dan nog steeds van haar houden? Is zij dan nog wel een ander?

De eerste lezing van vandaag is uit het tweede scheppingsverhaal. Het boek Genesis kent twee scheppingsverhalen. Het eerste lezen we in jaarlijks in de Paaswake. In dit eerste verhaal staat: “En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.” In het tweede scheppingsverhaal wordt de schepping van de mens uitvoeriger geschreven. Ook de volgorde is er anders. In het eerste verhaal is de schepping van de mens het sluitstuk van de schepping. Zo ziet de mens zichzelf als de bekroning van Gods scheppingswerk.

In dit tweede verhaal wordt na de schepping van hemel en aarde als eerste de mens geschapen en daarna pas de planten en de dieren. In het begin is de mens alleen. Er is ook nog geen sprake van een man of een vrouw. Er is een mens. Deze mens is alleen en dat is niet goed. De mens is niet geschapen om alleen te zijn. Dat is niet in overeenstemming met zijn vermogen om liefde te ontvangen en liefde te geven. De mens heeft een hulp nodig, een hulp die bij hem past.

De mens heeft al een hulp. God zelf is zijn hulp. God heeft de mens lief en wij mensen kunnen God liefhebben. Maar de mens is niet gelijkwaardig aan God en dus is God geen hulp die bij hem past. De dieren zijn ook niet gelijkwaardig aan de mens. De mens staat boven de dieren. Hij bepaalt welke namen zij krijgen. De mens kan van dieren houden en ook zij kunnen hun genegenheid tonen. De dieren zijn wel een hulp voor de mens, maar geen hulp die bij hem past.

De mens heeft een medemens nodig, een medemens past bij hem. Daartoe splitst God de mens als het ware in tweeën. Zo wordt de mens man en vrouw. Vanaf dat moment bestaat het onderscheid tussen man en vrouw. Als man en vrouw zijn zij een hulp voor elkaar die bij hen past. Als gelijkwaardige mensen kunnen zij van elkaar houden. Man en vrouw zijn niet gelijk aan elkaar. Man en vrouw zijn gelijkwaardig aan elkaar. De een is geen kloon van de ander. De ander is werkelijk een ander. De ander is werkelijk anders.

Dat is de essentie van het huwelijk: je echtgenoot is wezenlijk iemand anders. Dat is maar goed ook, want wat zou je elkaar te vertellen hebben als je aan elkaar gelijk bent. Dan kom je in een situatie zoals Wim Sonneveld ooit aangaf: “Mijn vrouw is een mooi boek, maar ik heb het al uit.” Het huwelijk gaat over man en vrouw, twee verschillende personen, maar het huwelijk is ook gemeenschap. Man en vrouw vormen een gemeenschap, een eenheid, door gemeenschap met elkaar te hebben worden ze ook werkelijk een, één vlees. Het huwelijk is een twee-eenheid: er is eenheid en er is verscheidenheid. Het is een eenheid tussen twee personen die van elkaar houden. Het is het mysterie van de liefde waarop het huwelijk gebaseerd is. Het is dit mysterie dat het huwelijk tot een sacrament maakt. Het ontstijgt ons menselijke denken en doen. Het mysterie van de liefde is de goddelijke dimensie van het huwelijk.

De liefde tussen man en vrouw is allereerst een geschenk van God. Maar dit is niet alleen een gave, het is ook een opgave. Wijzelf worden geroepen om deze liefde inhoud te geven. Wij moeten er aan werken om deze liefde levend te houden en uit te laten groeien tot een werkelijk onbaatzuchtige liefde. Dat vraagt allereerst onze bereidheid dit geschenk te aanvaarden. Jezus zegt ons dat wij Gods liefde en genade moeten aannemen als een kind. Wij moeten ontvankelijk zijn. Wij moeten niet het idee hebben dat we ons geluk zelf kunnen realiseren. Pas als wij ons open stellen voor Gods liefde, zijn wij in staat tot liefde voor elkaar. Als wij God als bron van onze liefde aanvaarden, zijn wij in staat die liefde aan elkaar te geven. Alleen als wij ons gedragen weten door Gods liefde, als wij ons werkelijk verbonden weten met Christus, die onze weg ten leven is, alleen dan zijn wij in staat moeilijkheden en tegenslagen te verwerken en te overwinnen. Alleen als wij met Christus bereid zijn ook ons kruis te dragen, kunnen wij elkaar werkelijk gelukkig maken.

Tenslotte vraagt Gods liefde van ons mee te leven met hen die ondanks alle inspanningen niet in staat zijn deze weg te gaan en te bidden voor allen die door welke reden dan ook teleurgesteld zijn in het huwelijk en de liefde voor elkaar. Amen.

Controle; Nm 11,25-29; Jak 5,1-6; Mc 9,38-48

Zaterdag een week geleden schreef Fokke Obbema in de Volkskrant een uitvoerig verhaal over wat hem is overkomen. Anderhalf jaar geleden heeft hij een hartstilstand gehad. In zijn artikel schrijft hij hoe het hem daarna is vergaan. U begrijpt dat ik dit verhaal met interesse las. Vier maanden geleden had ik zelf een hartstilstand en ook ik heb het overleefd.

Fokke Obbema verwacht in eerste instantie dat hij weer snel zijn werk als journalist kan oppakken, maar dat valt tegen. Hij begint zich af te vragen waarom hem dit is overkomen. Hij leeft gezond, rookt niet, drinkt weinig, sport veel en het is ook geen erfelijke aangelegenheid. In plaats van weer aan het werk te kunnen, begint hij te piekeren. Waarom ik? En hoe voorkom ik een volgende keer? Hoe krijg ik mijn leven weer onder controle? Hoe ban ik de onzekerheid uit? Hoe word ik weer een gelukkig mens?

Onzekerheid is iets waar wij mensen moeite mee hebben. Onzekerheid kan ons angst aanjagen. Dus doen we veel moeite om onzekerheid te vermijden. We proberen ons leven zoveel mogelijk onder controle te krijgen. Als echte controle niet mogelijk is, doen we het met schijncontrole. Door gezond te leven, denken we lang en gelukkig te leven. Sterker nog dan hebben we daar recht op, zo maken wij ons zelf wijs.

Met dit verhaal nog in mijn hoofd las ik deze week de lezingen van vandaag. En dat is het mooie van de Bijbel vaak gaat hetgeen je leest over wat je op dat moment bezig houdt. Elk verhaal heeft zoveel lagen en betekenissen dat het in heel veel verschillende gevallen van toepassing is. Zo zag ik dat de lezingen van vandaag ook over controle gaan.

In het Evangelie willen de leerlingen controle, zoals dat ook in de eerste lezing het geval is. Als iedereen maar profeteert of duivels uitdrijft, wordt het een zootje, dan hebben wij het niet meer onder controle. Controle willen hebben gaat al gauw ten koste van anderen. Anderen moeten zich aan mijn regels houden, dan gaat het goed. Ook de brief van Jakobus is op deze manier te lezen. Als anderen maar doen wat ik wil, kan ik in welstand leven. Maar rijkdom geeft geen zekerheid. De zo verkregen rijkdom is verrot en ondanks de rijkdom wordt men geconfronteerd met rampen.

Jezus wijst de leerlingen erop dat het niet gaat om het hebben van controle. Als iemand in zijn naam duivels uitdrijft, dan is dat goed. Dat is ook goed als hij zich geen volgeling van Jezus noemt, als hij zich niet houdt aan de regels die zijn leerlingen graag zien. Als iemand zich op een of ander manier met Christus verbindt, zal hij niet snel iets verkeerds doen. Het is zoals Augustinus zegt: “Heb lief en doe wat je wilt.” Als lief hebt, als je je leven met Christus verbindt, doe niet snel kwaad, je handelen zal vanzelfsprekend op het goede gericht zijn.

Controle willen uitoefenen betekent ook dat je jezelf beter voelt dan de ander. Jij weet het beter, jouw manier van geloven is beter. Jezus wijst de leerlingen erop dat het niet om hen gaat, maar om de ander. De ander die soms moeizaam en stuntelend probeert te geloven. Kapittel hem niet, maar geef hem de ruimte om zijn weg te vinden, want maar al te makkelijk laat je deze mens struikelen en breng hem tot zonde. Geen oog hebben voor de minste en je beter voelen dan hem, is echt het ergste wat er is. Iedere mens mag er zijn en is geschapen naar het beeld van God. Iedere mens is een kind van God. Dat vraagt dat je niet jezelf centraal stelt maar dat je God centraal stelt en dat je je leven verbindt met dat van Christus. Dan heb je al die controle niet nodig. Als je je leven verbindt met Christus, durf je te vertrouwen. Het maakt je minder bang en angstig voor de toekomst, want Hij zal er altijd voor je zijn.

In het laatste deel van het Evangelie kunnen we lezen, waartoe het leidt als we alles zelf onder controle wil hebben. Als je op eigen kracht wil voorkomen dat je zondigt, dan moet je misschien wel zeer drastische maatregelen nemen zoals handen afhakken en ogen uitrukken. Beter is het om met Jezus het pad van de liefde te volgen. Dan ben je barmhartig naar je medemens en ook barmhartig naar jezelf. Dan weet je dat je niet volmaakt hoeft te zijn. Dan weet je dat om vergeving kunt vragen en die ook zult krijgen. Dan laat je ieder de ruimte om zijn eigen weg op het pad van liefde te vinden.

Fokke Obbema is nog bezig zijn pad van liefde te vinden. Hij is op de goede weg. Meer is ook niet mogelijk want je eigen pad van liefde vinden is een levenslange zoektocht. Misschien zal ook hij ooit ontdekken dat Jezus die weg is.

En hoe het ondertussen met mij is? Ik neem de woorden van mijn grootvader, pake Pier, ter harte. “Leef alsof je het eeuwig leven hebt, maar besef ook dat je ieder moment kunt sterven.” Ondertussen vertrouw ik op God en weet ik dat mijn leven in zijn handen ligt. Amen.