Spring naar inhoud

Dromen; Js 11,1-10; Rom 15,4-9; Mt 3,1-12

“Dan zal de gehele aarde vervuld zijn met liefde tot God.” Jesaja heeft een droom. Hij schetst ons zijn visioen van het Rijk Gods: een prachtige toekomst, een rijk van gerechtigheid en vrede, een rijk onder de banier van de Messias, onder de vlag van de Redder, de Zoon van David, een twijg aan de stronk van Isaï. Die toekomst zal werkelijkheid worden met de komst van de Messias. Israël was op dat moment in oorlog. Jesaja geeft het volk hoop op een betere toekomst. Hij laat een toekomst zien die inspireert, een toekomst die mensen uitdaagt eraan te werken, een toekomst die ervoor zorgt dat mensen de moed niet opgeven.

Hoe zit het eigenlijk met onze dromen? Dromen wij van een prachtige toekomst, een gelukkige toekomst voor de komende generaties? Afgelopen woensdagavond na de meditatieve Adventsviering spraken we hierover met een aantal mensen. Paus Franciscus roept ons op tot verbondenheid en vriendschap tussen verschillende leeftijdsgroepen. De verschillende generaties hebben elkaar nodig. Ze hebben het nodig naar elkanders dromen te luisteren.

Afgelopen zomer zei de paus hierover het volgende: “Jongeren die niet langer de dromen van de ouderen bevragen, en alleen dromen zien die niet verder gaan dan hun neus lang is, hebben moeite met het dragen van hun heden en met het verdragen van hun toekomst. Als grootouders terugplooien in zwaarmoedigheid, zullen jongeren zich nog meer buigen over hun smartphone. Het scherm blijft misschien aan, het leven echter dooft voortijdig. (…) Ouderen bezitten de rijkdom van het geleefde leven waarop ze elk ogenblik een beroep kunnen doen. Zullen ze alleen maar kijken naar de jongeren die hun visioen verliezen of zullen ze hen begeleiden en hun dromen aanwakkeren? Wat zullen de jongeren doen met de dromen van de ouderen?”

De paus laat ons weten dat jongeren niet weten wat ze met hun toekomst aan moeten als de ouderen hun dromen in het verleden begraven. Dit vraagt verbondenheid tussen de generaties. Als onze contacten zich beperken tot leeftijdsgenoten leeft elke generatie in afzondering, in zijn eigen bubbel. Dan is er geen uitwisseling van boodschappen. Dan kennen we elkanders dromen niet. Dromen doen ons ontstijgen aan het leven van alledag. Dromen gaan verder dan enkel consumeren en pret hebben. Dromen maken duidelijk wat onze diepste verlangens zijn. Dromen maken ook zichtbaar vanuit welke bron wij leven. Dromen brengen ons in beweging. Dromen stimuleren ons te werken aan de toekomst. Dromen zetten ons op het pad van de bekering waartoe Johannes oproept.

We hebben de droom van Jesaja. Paulus schrijft: “Alles wat eertijds werd opgeschreven, werd opgetekend tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven. De Bijbel is een rijke bron voor dromen en toekomstbeelden. Maar die dromen moeten vertaald worden naar dromen voor vandaag. Daarvoor hebben we onze eigen dromen nodig. Het is nodig onze dromen met elkaar te bespreken. Zo leren we onze dromen te verwoorden en te benoemen. Zo groeien we aan elkaar en komen we tot gemeenschappelijke dromen.

Paulus schrijft: “Aanvaardt daarom elkander als leden van één gemeenschap.” Samen dromen betekent ook samen werken aan de realisering van onze dromen. Zeker voor jonge mensen is dit belangrijk. Het gaat om hun toekomst die gestalte moet krijgen. Paus Franciscus zegt hierover: “De verbondenheid van de generaties is onmisbaar. In een samenleving waarin ouderen niet spreken met de jongeren, de jongeren niet praten met de ouderen, de volwassenen niet spreken met de bejaarden en ook niet met de jongeren, is een onvruchtbare samenleving, een samenleving die niet naar de toekomst kijkt maar alleen naar zichzelf. Zij wordt eenzaam.”

Jesaja schrijft over de Messias, over Jezus Christus: “De geest van de Heer zal op Hem rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren.” Dit zijn wat wij de gaven van de heilige Geest noemen. Christus is hiermee begiftigd. Door ons te verbinden met Jezus, door Hem ook in ons geboren te laten worden, ontvangen ook wij deze gaven van de heilige Geest. Hij doopt ons met zijn heilige Geest. Zo gaan wij lijken op Christus. De gaven van de heilige Geest hebben wij nodig om te dromen en om de toekomst gestalte geven. Wijsheid en verstand, raad en heldenmoed, liefde en de vreze des Heren hebben we nodig om de juiste keuzes te maken. We hebben ze nodig om de weg van de liefde en de waarheid te gaan en om niet voor onze verantwoordelijkheid weg te lopen. Door de gaven van de Geest, door de verbinding met Christus, door te leven in een gemeenschap rond Hem komen wij tot bekering, krijgen wij weet van onze diepste verlangens en durven we onze dromen gestalte te geven. Amen.

Weest waakzaam! Js 2,1-5; Rom 13,11-14; Mt 24,37-44

Twee weken geleden hoorden we Jezus spreken over de vernietiging van de tempel. Vandaag horen we het vervolg van het onderricht dat Jezus aan zijn leerlingen geeft. Toen lazen we de versie van Lucas. Vandaag horen het vervolg uit het Evangelie volgens Matteüs. Ook nu is de taal van Jezus onheilspellend. Daar word je niet vrolijk van. Ook nu doet het beeld dat Jezus ons schetst, denken aan de realiteit van vandaag.

Ik denk daarbij aan de opwarming van de aarde. Ondanks alle onheilspellende berichten en demonstraties zoals gistermiddag op de A12 doen velen alsof er niets aan de hand is. Ook nu gaan mensen gewoon door met eten en drinken, gaan zij relaties met elkaar aan en krijgen kinderen. Ook nu lijkt het alsof ze niet in de gaten hebben wat hen te wachten staat.

Jezus schetst ons hier geen rooskleurig beeld van de toekomst. Hij schetst een grote verdeeldheid onder de mensen. Gelovigen en ongelovigen worden van elkaar gescheiden. “Dan zullen er twee op de akker zijn de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten.”

Hoe onheilspellend de taal van Jezus ook is, uiteindelijk gaat het om de komst van de Mensenzoon. Dat is zeker geen onheilspellende gebeurtenis. In tegendeel dit is een vreugdevolle aangelegenheid. Deze vreugde zien we ook bij Jesaja en bij Paulus. Zij schrijven over de komst van het heil. Het gaat hier niet over een dief die onverwacht ons huis binnendringt. Denk eerder aan een kind dat plotseling onverwacht thuiskomt.

Het doet mij denken aan mijn studententijd in Groningen. Met enige regelmaat kwam ik plotseling bij mijn ouders thuis. Een paar keer was het voorgekomen, dat ik een dag later kwam dan mijn ouders verwachtten en zij daardoor ongerust waren geworden. Ook toen waren jongeren niet echt voorspelbaar in hun gedrag. Voor de duidelijkheid mobiele telefoons bestonden toen nog niet. Om te voorkomen dat ze ongerust zouden worden, vertelde ik niet meer wanneer ik zou komen en dus liep ik totaal onverwacht plotseling naar binnen in het grootste vertrouwen dat ik welkom was en dat er ruimte voor mij was.

Ook Jezus vertelt ons niet wanneer Hij komt. Plotseling klopt Hij bij ons aan en verwacht Hij een welkom onthaal. Zijn wij dan net zo gastvrij als liefdevolle ouders voor hun kinderen? Of hebben we dan geen tijd omdat we net zitten te eten? Of we zijn druk met andere beslommeringen? Kortom zijn wij daar klaar voor? Zijn wij klaar voor de komst van de Heer?

“Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.” Er is natuurlijk niets mis met eten en drinken, met relaties aangaan en kinderen krijgen. Er is ook niets mis met aandacht hebben voor allerlei beslommeringen. Maar daarnaast moeten we ook waakzaam zijn. Hoe belangrijk aardse zaken ook zijn, zij mogen ons nooit geheel in beslag nemen. Hoe belangrijk de dingen van vandaag ook zijn, er moet ook altijd ruimte blijven voor de toekomst.

Als wij oog hebben voor de wereld om ons heen en oog hebben voor de tekenen van onze tijd zal de toekomst zich helemaal niet zo onverwacht voordoen, als we misschien wel denken. Meestal ontstaat een crisis alleen maar, omdat we de ogen sloten voor de ontwikkelingen die gaande waren. Noach was al een hele tijd bezig de ark te bouwen, maar de anderen namen dat signaal niet serieus. Eerder wijst Jezus zijn leerlingen op het uitbotten van de vijgenboom als een teken dat de zomer op komst is.

Paulus leert ons: “Gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. (…) De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. (…) Bekleedt u met de Heer Jezus Christus en koestert geen zondige begeerten meer.” Als wij ons ontdoen van onze zelfgerichtheid, als wij ons richten op onze medemens, onze hoop op Jezus stellen, en ons leven verbinden met Hem hebben wij niets te vrezen. Amen.

Taal en wijsheid; Lc 21,5-19

Het is onheilspellende taal die er klinkt uit de mond van Jezus. Daar word je niet vrolijk van. Helaas is het beeld dat Jezus ons schetst, op vele plaatsen in de wereld de realiteit van vandaag. Verdraagzaamheid wordt steeds zeldzamer. De polarisatie neemt toe, overal ter wereld. Mensen staan elkaar naar het leven omdat ze met elkaar van mening verschillen. Ieder blijkt zijn eigen absolute waarheid te hebben en een gesprek daarover is niet mogelijk. Overal treden mensen op die ons vertellen dat zij weten wat waar is. Mensen die zeggen: “Ik ben het.” Jezus zegt ons: “Loopt niet achter hen aan.” en Hij raadt ons aan: “Laat u niet uit het veld slaan.” “Door standvastig te zijn, zult ge uw leven winnen.”

Met een aantal parochianen lezen we momenteel teksten van de heilige Titus Brandsma. Tijdens onze gesprekken hadden we het ook over ‘goed zijn in de oorlog’. Zo’n vijftig jaar geleden was dat een belangrijk thema. Hoewel mijn generatie na de Tweede Wereldoorlog geboren is, waren wij ervan overtuigd dat wij aan de goede kant stonden in de oorlog. Momenteel ben ik daar niet meer zo zeker van. Ben ik werkelijk in staat levensbedreigend geweld te weerstaan? Ben ik werkelijk in staat standvastig te zijn? Ook van Titus Brandsma is bekend dat hij door diepe dalen is gegaan. Zo vanzelfsprekend was ook zijn standvastigheid niet.

Hierover zegt Jezus: “Welnu, prent het u in dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden. Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.” Jezus zegt ons dat wij mogen vertrouwen op Hem. Jezus zegt ons niet: Ik vertel jullie wel even precies hoe zit. Als je deze les uit je hoofd leert, is het je helemaal duidelijk. Dan ken je de gehele waarheid waarmee je iemand om de oren kunt slaan.

Jezus heeft het hier helemaal niet over de waarheid. Hij zal een taal en wijsheid schenken. Dat is wat anders dan vertellen wat de waarheid is. Het begrip waarheid is in de loop van tijd steeds absoluter geworden. Wij verstaan onder waarheid: precies weten hoe het zit. Als we daarover ook maar een beetje van mening verschillen staan we direct recht tegenover elkaar, gaan we met elkaar in discussie en proberen we de ander van ons gelijk te overtuigen. Dit is niet het waarheidsbegrip van Jezus. Elders zegt Hij: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” In deze woorden is de waarheid niet iets abstracts en absoluuts. Hier is de waarheid een persoon.

Hoe veel je ook van iemand weet, een persoon ken je nooit helemaal. Zo is het ons mensen blijkbaar ook niet gegeven de gehele waarheid te kennen. Met een persoon kun je een relatie aangaan. Dat vraagt om liefde, dat vraagt om taal en dat vraagt om wijsheid. Mogelijk moeten wij ook op die manier met de waarheid omgaan. Dit is niet de weg van de strijd en de discussie. Dit is de weg van met elkaar in gesprek, in dialoog gaan. Dit vraagt aandachtig luisteren naar elkaar. Dit is samen proberen de waarheid op het spoor te komen.

Dit is ook de weg die paus Franciscus ons voorhoudt als hij het over synodaliteit heeft. Synodaal zijn betekent samen op weg zijn. Niemand weet welke weg we precies moeten gaan. We delen een ideaal. We zijn leerlingen van Jezus. We hebben onze voorbeelden zoals de heilige Titus Brandsma en Sint Maarten. Zij laten ons zien hoe je wijze woorden kunt spreken. Zij geven ons voorbeelden van de taal van de liefde. Een taal van woorden en een taal van daden. Titus Brandsma houdt ons voor: “Wij zijn niet geroepen om grootse en opvallende dingen te doen, maar om de gewone dingen op grootse wijze te doen.” Martinus van Tours deelde zijn mantel met een bedelaar. Achter in de Sint Martinuskerk vinden we een regel uit een lied: “Gij die uw mantel hebt gedeeld, bekleed ons met gerechtigheid.” Naast het volgen van hun voorbeeld, mogen wij de heiligen ook vragen om hun voorspraak.

Als wij ervoor open staan, als wij ontvankelijk zijn, als wij vertrouwen op de Heer, schenkt Hij ons de genade die we nodig hebben. De heilige Geest zal ons de weg wijzen. Hij schenkt ons wijsheid, Hij schenkt ons de taal van de liefde. Amen.

Onuitsprekelijk paradijs

Auteur: Kick Bras
Titel: Onuitsprekelijk paradijs:
De groene spiritualiteit van Thomas Merton
Uitgever: Berne Media, 2021
Prijs: € 19,95
ISBN: 978 90 8972 4250
Aantal pagina’s: 192

Thomas Merton (1915-1968) was trappist. Als monnik zocht hij de afzondering om te kunnen mediteren. Hij trok zich vaak terug in de natuur. Midden vorige eeuw kreeg Merton bekendheid als schrijver en dichter. Voorbeelden van zijn inspirerende boeken zijn ‘Louteringsberg’ en ‘Zaden van contemplatie’. In die tijd groeide ook zijn belangstelling voor andere religies en zijn sociale engagement. Hij schreef over oorlog, racisme en armoede. “De wereld wordt geëxploiteerd tot meerder eer en glorie van de mens en niet van God. De menselijke macht wordt een doel op zich.” Door zijn uitgesproken standpunten was hij zeker niet onomstreden noch in de Kerk, noch in de Verenigde Staten waar hij woonde. De mystieke natuurbeleving en het protest tegen de natuurvernietiging kwamen bij hem samen in een ecologische ethiek.

Kick Bras behandelt teksten waarin Merton zijn mystieke natuurbeleving en spirituele zoektocht beschrijft. “De hele natuur is bedoeld om ons te doen denken aan het paradijs.” Bras schreef een mooi en toegankelijk boek, waarin we Thomas Merton leren kennen en inspiratie vinden voor de zorg voor de schepping.

Geloof en gebed; Ex 17,8-13; 2 Tim 3,14-4,2; Lc 18,1-8

Drie zondagen achter elkaar gaat het Evangelie over geloof. Twee weken geleden vroegen de apostelen om meer geloof. Ze vragen om geloofskracht waarmee ze wonderen kunnen verrichten om op die manier imponerend en overtuigend naar buiten kunnen treden. Vorige week sprak Jezus tot de van melaatsheid genezen Samaritaan: “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.” Vandaag is daar plotseling de vraag van Jezus: “Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?” Die vraag staat daar plotseling onverwacht. De evangelist Lucas geeft geen enkele toelichting. Na het stellen van deze vraag gaat het Evangelie gewoon verder met de volgende gelijkenis.

“Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?” Het gaat hier over geloof en het gaat over de komst van de Mensenzoon. Die twee zaken hebben blijkbaar met elkaar te maken. In het christendom gaat het niet over het geloof in een abstracte godheid. Wij geloven niet in ‘iets’, niet in ‘licht’ of in ‘een energie’. Voor ons is God een persoon. Wij kunnen een persoonlijke relatie met God aangaan. We kunnen met God in gesprek gaan. Zo is bidden niet een kwestie van eenrichtingsverkeer. Bidden is met God in gesprek gaan. Bidden is zijn voor Gods aangezicht. Wij leggen onze zorgen, onze vreugde, ons verdriet aan Hem voor. En God geeft ons antwoord. Hij reageert op ons. Eerlijk gezegd hebben wij er vaak moeite mee dat te herkennen. God reageert op zijn geheel eigen – vaak ondoorgrondelijke – wijze.

Dit alles wordt heel concreet in de menswording van Gods Zoon. Jezus Christus, de Mensenzoon is de openbaring van God. Hij maakt voor ons zichtbaar wie God is. Hij is onze middelaar. Onze gebeden sluiten we dan ook af met ‘door Christus, onze Heer’. Ons christelijk geloof vindt zijn weg in ons geloof in Jezus. In het Evangelie volgens Johannes vinden we een uitspraak van Jezus die hier meer licht op werpt: “Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. (…) Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.” (Joh 14,1.6) Dit is ook de boodschap van Paulus aan Timoteus: door het geloof in Christus Jezus komen we tot het heil. Onze relatie met God krijgt vorm in onze relatie met Jezus. God is mens geworden om ons in staat te stellen een menselijke relatie met Hem aan te gaan. Ook dat is deel van de verlossing, van de bevrijding door Jezus.

Ons verbinden met Jezus Christus is zijn weg gaan. Ons verbinden met Jezus Christus is leven in zijn waarheid. Ons verbinden met Jezus Christus is deel hebben in zijn leven van liefde. In ons gebed leveren wij onze bijdrage aan tot stand brengen van deze verbinding. Wij stellen onszelf open voor de verbinding met God. Gods antwoord is het leggen van de verbinding. God zal ons dat nooit weigeren. Hij zal ons gebed verhoren. Dat is wat Jezus ons vandaag garandeert. Jezus zegt: “Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht verschaffen.” God schenkt ons als eerste de genade van het geloof. Geloven doen we niet op eigen kracht. Het geloof is een geschenk. Het is een geschenk wat om een antwoord vraagt. Door ons leven te verbinden met dat van Jezus Christus geven wij van onze kant een antwoord op Gods aanbod.

Het geloof doet ons op een andere manier naar de wereld kijken. Het geloof doet ons erop vertrouwen dat er uiteindelijk door God altijd recht wordt gedaan. Ook als onze gebeden niet direct verhoord worden en het onrecht blijft voortbestaan, weten we door ons geloof dat God toch recht doet. Dat maakt ons niet onverschillig ten opzichte van onrecht. Het zorgt er wel voor dat we beter in staat zijn onrecht te verduren.

Vandaag vieren we ook het feest van de heilige Gerardus Majella. De Italiaan Gerardus Majella was een eenvoudig man. Hij leefde van 1726 tot 1755. Hij was als lekenbroeder lid van de orde van de redemptoristen. Hij was kleermaker, koster, portier, geldinzamelaar, ziekenverpleger en een bijzondere raadgever in geestelijke zaken. Hij had op een bijzondere manier contact met het hemelse en een grote liefde voor zijn medemensen. Zijn leven bestond uit gebed en opoffering. Om meer over deze heilige te horen raad ik u aan de video van pastoor Bakker bekijken die afgelopen week op onze website is geplaatst. Gerardus Majella heeft zich verbonden met Jezus. Hij is de weg van Jezus gegaan. Hij heeft een leven van liefde geleefd. Het vele onrecht dat hem is aangedaan heeft hij kunnen verduren. Hij wist dat God alle gebeden verhoord, en dat God recht doet aan alle mensen. Amen.

Fratelli tutti: een inleiding

In Fratelli tutti staan de begrippen broederschap en sociale vriendschap centraal. Evenals in zijn vorige encycliek over de zorg voor de schepping ‘Laudato si’’ refereert de paus aan de heilige waaraan hij zijn naam ontleent: de heilige Franciscus van Assisi. Met de woorden ‘Fratelli tutti’ richt Sint Franciscus zich tot zijn medebroeders. De paus herinnert ons eraan dat Sint Franciscus had begrepen dat God liefde is, en dat hij inspireerde tot het idee van een broederlijke samenleving.

Broederschap en sociale vriendschap

De paus pleit voor een open samenleving met mensen die openstaan voor mensen die anders zijn. Dit gaat niet over het in economische termen openen van markten, maar over het liefdevol openen van onze harten naar alle mensen. Hij waarschuwt tegen het liberale marktdenken. Hierin worden mensen onderschikt aan persoonlijke belangen. In plaats van een doel te zijn, worden mensen hierin een middel en is er geen respect voor hun menselijke waardigheid. De fundamentele mensenrechten zijn dan niet voor iedereen gelijk. In het internationale handelen ontbreekt het vaak aan morele waarden en aan verantwoordelijkheidsgevoel voor het wereldwijde algemeen welzijn. Alles wordt opgeofferd aan kortzichtige economische belangen. Het loslaten van de grote broederlijke waarden leidt tot cynisme.

Menselijke waardigheid is een sleutelbegrip in onze benadering van vluchtelingen en migranten. Voortdurend moeten wij voor ogen houden dat het hier om mensen gaat. Mensen met een andere achtergrond en uit een andere cultuur hebben ons iets te bieden en kunnen ons in immateriële zin verrijken. Angst ontneemt ons echter vaak de moed om de ander te ontmoeten. De paus pleit voor echte ontmoeting tussen mensen en voor diepgaande communicatie en dialoog. Het gaat om het gestadig opbouwen van vriendschap en om een geleidelijk groeiende consensus. Hij waarschuwt hierbij voor de sociale agressie die we vaak op internet zien. De paus is niet bang voor scherpe bewoordingen bij het aan de kaak stellen van misstanden in de wereld van vandaag. Maar daarnaast is er vooral sprake van hoop op een betere wereld, want God blijft voortdurend het goede in de mensheid zaaien.

Wij mensen zijn geschapen voor de liefde. In relatie met anderen leren wij onszelf kennen en groeien wij als mens. Door de betrokkenheid op anderen komen we tot een sociale vriendschap die niemand uitsluit en een broederschap die voor iedereen openstaat. Deze universele broederschap is grensoverschrijdend. Broederschap en sociale vriendschap beperkt zich niet tot gelijkgestemden. Zij vereisen de erkenning van de waardigheid van alle mensen, altijd en overal. Alle mensen hebben het recht waardig te leven en zich volledig te ontwikkelen. Dat geldt ook voor kwetsbare mensen die economisch gezien mogelijk geen bijdrage leveren zoals ouderen en mensen met een handicap.

Het idee dat we allemaal broeders en zuster zijn, moet ook concreet worden in de internationale verhoudingen. Wederzijdse hulp tussen landen komt iedereen ten goede. De paus pleit voor het versterken van de internationale samenwerking en van de universele solidariteit. Dit vraagt onder meer om hervorming van de Verenigde Naties. Er is een juridische, politieke en economische wereldorde nodig om het concept van de familie van naties concreet te maken. Geen enkel land kan zonder de samenwerking met andere landen het algemeen welzijn van zijn eigen bevolking garanderen. De paus waarschuwt ook voor de verschillende vormen van populisme. Wanneer politici in naam van de welvaart van het eigen land haat en angst zaaien ten opzichte van andere naties, moeten we ons zorgen maken, op tijd reageren en actie ondernemen.

De liefde moet het spirituele hart van de politiek zijn. Dan is er openheid naar andere mensen en andere volkeren. Dan is er aandacht voor de zwakke en noodlijdende mensen. De liefde respecteert en verwelkomt verschillen tussen mensen. De liefde brengt ons met elkaar in gesprek. De paus pleit voor een cultuur van ontmoeting en dialoog. Ontmoeting en dialoog tussen verschillende culturen en tussen verschillende groepen in de samenleving. Een echt gesprek met anderen behoedt ons voor zelfgerichtheid en brengt ons tot solidariteit en samenwerking gericht op het algemeen welzijn.

In een pluralistische samenleving is de dialoog het beste middel om fundamentele waarheden te onderkennen. Waarheid kan nooit los gezien worden van gerechtigheid en barmhartigheid. Samen vormen zij de basis voor vrede en verzoening. De dialoog tussen de verschillende godsdiensten is nodig om te komen tot vriendschap, vrede en harmonie en om spirituele en morele waarden en ervaringen in een geest van liefde en waarheid met elkaar te delen. Op basis van de gedeelde overtuiging dat iedereen een kind van God is, kunnen godsdiensten samen bijdragen aan de universele broederschap en in vrede met elkaar samenleven. De rol van de Kerk beperkt zich niet tot de privésfeer. Zij heeft respect voor de autonomie van de politiek, maar is ook zelf van publieke betekenis. De Kerk heeft aandacht voor de waardigheid van de mens, het algemeen welzijn en de ontwikkeling van de volkeren. Alles wat menselijk is gaat ook de Kerk aan.

Misstanden in de wereld

Lang leek het dat de wereld van de vele oorlogen en mislukkingen had geleerd en zich langzaam ontwikkelde in de richting van integratie. Maar in onze tijd zien we een terugslag. Oude conflicten spelen weer op. In een aantal landen leidt het idee van de eenheid van volk en natie tot nieuwe vormen van egoïsme en verlies van sociaal denken. Meer dan ooit zijn we alleen in deze wereld waarin het vooral gaat om individuele belangen en de gemeenschap in de verdrukking zit. De toenemende globalisering versterkt de positie van de sterke gebieden maar verzwakt de positie van de zwakste en armste regio’s. Zij worden hierdoor kwetsbaarder en afhankelijker. Zij hebben te maken met nieuwe vormen van culturele kolonisatie. Het lijkt dat sommige mensen opgeofferd mogen worden ten gunste van een bevoorrechte groep om te kunnen doen wat ze wil. Mensen worden niet langer gezien als een hoogste waarde die gerespecteerd en beschermd moet worden. Zeker als ze arm of gehandicapt zijn, als ze nog niet nuttig zijn – zoals de ongeborenen – of als ze niet langer nuttig zijn – zoals de ouderen.

Vaak krijg je de indruk dat de mensenrechten niet voor iedereen gelijk zijn. Er is geen sprake van gelijke waardigheid van alle mensen. In de wereld van vandaag zijn er nog vele vormen van onrecht. Terwijl het ene deel van de mensheid in weelde leeft, ziet een ander deel zijn eigen waardigheid genegeerd, geminacht of met voeten getreden en worden fundamentele rechten genegeerd of geschonden. Vrouwen hebben vaak niet dezelfde waardigheid en rechten als mannen. Ondanks het sluiten van overeenkomsten door de internationale gemeenschap om een einde te maken aan alle vormen van slavernij, zijn er nog steeds miljoenen mensen die van hun vrijheid worden beroofd. Zij worden gedwongen te leven in omstandigheden vergelijkbaar met slavernij.

Oorlogen, aanslagen, vervolgingen en vele andere gewelddadigheden tegen de menselijke waardigheid worden verschillend beoordeeld, afhankelijk van de vraag of ze al dan niet gunstig zijn voor bepaalde, vooral economische belangen. Onze wereld zit gevangen in een merkwaardige tegenstrijdigheid: wij denken stabiliteit en vrede te garanderen met een vals gevoel van veiligheid gebaseerd op een mentaliteit van angst en wantrouwen. Er is sprake van een verval van ethiek in het internationaal handelen, en van een verzwakking van spirituele waarden en verantwoordelijkheidsgevoel. In spanningshaarden worden wapen- en munitievoorraden opgebouwd. Dit gebeurt in een wereldwijde context van onzekerheid, ontgoocheling, angst voor de toekomst en kortzichtige economische belangen.

Zowel sommige populistische politieke stromingen als liberale economische benaderingen stellen dat de komst van migranten ten koste van alles moet worden vermeden. Ook wordt beweerd dat de hulp aan arme landen beperkt moet blijven, zodat deze de bodem van de put bereiken en besluiten tot bezuinigingsmaatregelen. Men beseft niet dat achter deze abstracte en moeilijk te handhaven uitspraken veel levens op het spel staan. Door gesloten en intolerante houdingen sluiten wij onze ogen voor anderen. Van de andere kant worden de afstanden tot hen paradoxaal genoeg steeds kleiner of raakt het recht op privacy in het gedrang. Alles wordt een soort spektakel dat bespied en bekeken kan worden, en het leven staat onder voortdurende controle. Digitale acties van haat en destructie zijn geen vorm van positieve aandacht maar daden van vijandschap. Sociale agressie heeft op internet alle ruimte. Dit leidt tot complete schaamteloosheid bij ideologische groeperingen.

De les uit corona

De coronapandemie kan een les zijn op weg naar een betere toekomst. Corona bracht het onvermogen tot samenwerking van landen aan het licht. Niemand kan in zijn eentje het leven aan. We hebben een gemeenschap nodig die ons steunt, die ons helpt en waarin we elkaar helpen om vooruit te kijken. Door de wereldwijde tragedie van de coronapandemie beseffen we dat we een wereldgemeenschap zijn, dat allen in hetzelfde schuitje zitten en dat het probleem van de één ieders probleem is. We realiseren ons dat niemand alleen gered wordt, dat het alleen mogelijk is om samen gered te worden.

De harde en onverwachte klap van deze pandemie dwong ons weer aandacht te hebben voor het belang van alle mensen in plaats van het voordeel van enkelen. Nu beseffen we dat we onszelf gevoed hebben met dromen van pracht en praal en dat we uiteindelijk enkel verstrooiing, bekrompenheid en eenzaamheid hebben geconsumeerd. Als alles met elkaar verbonden is, is het moeilijk voor te stellen dat deze catastrofe los staat van de wijze waarop we de werkelijkheid zien met onze claim dat we de absolute heersers zijn over ons eigen leven en over alles wat er bestaat.

Het is de wereld zelf die schreeuwt en rebelleert. Maar we vergeten al snel de lessen van de geschiedenis. Als deze gezondheidscrisis voorbij is, zal de ergste reactie zijn dat we ons nog meer in een koortsachtig consumentisme en nieuwe vormen van egoïstisch zelfbehoud storten. Laten we hopen dat de immense pijn niet nutteloos zal zijn, maar dat we een stap maken naar een nieuwe manier van leven en definitief ontdekken dat we elkaar nodig hebben. Als we er niet in slagen de gedeelde passie voor een gemeenschap van saamhorigheid en solidariteit terug te winnen, zal de wereldwijde illusie die ons misleidt, ineenstorten en velen achterlaten in de greep van angst en leegte.

Uitgesproken op 12 oktober 2022 in het overleg van de katholieke contactraad voor interreligieuze dialoog met moslims van Hizmet.

Een groot geloof? Hab 1,2-3;2,2-4; 2 Tim 1,6-8.13-14; Lc 17,5-10

“Wij zijn niet geroepen om grootse en opvallende dingen te doen, maar om de gewone dingen op grootse wijze te doen.” Afgelopen woensdag klonken deze woorden als een refrein tijdens de voorstelling van Peter Vermaat ‘Titus Brandsma, held of heilige?’. “Wij zijn niet geroepen om grootse en opvallende dingen te doen, maar om de gewone dingen op grootse wijze te doen.” Deze woorden komen uit een losse aantekening van pater Titus Brandsma. Zij typeren de wijze waarop deze heilige in het leven stond. Woorden waardoor wij ons vandaag kunnen laten inspireren.

Deze uitspraak van Titus Brandsma sluit goed aan bij het Evangelie van vandaag. Jezus zegt dat zelfs een klein geloof bergen kan verzetten. Hij zegt: “Als ge een geloof hadt als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: ‘Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee’ en hij zou u gehoorzamen.” De leerlingen willen graag een geloof dat is zich uit in zichtbare daden. Ze vragen om geloofskracht waarmee ze wonderen kunnen verrichten om op die manier imponerend en overtuigend naar buiten kunnen treden. En dan komt Jezus met deze uitspraak. Blijkbaar is ons geloof voldoende, maar zijn wij het zelf die daaraan twijfelen. Jezus raadt ons ook aan om gewone knechten te zijn. Het gaat er helemaal niet om spectaculaire dingen te doen. Het gaat erom je roeping te volgen en dat goed te doen.

Vier jaar geleden schreef paus Franciscus de exhortatie ‘Verheugt u en juicht’. Hierin roept de paus ons op tot heiligheid. Hij roept ons op ons leven te heiligen. Als wij met ons christelijk leven een voorbeeld voor anderen zijn, is dat bij uitstek een vorm van verkondiging van het Evangelie. De oproep tot heiligheid is aan alle gelovigen gericht. De vreugde die het volgen van onze roeping tot heiligheid geeft, is er niet alleen voor hen die door de Kerk heilig worden verklaard. Iedere gelovige wordt geroepen tot heiligheid. Het gaat om het leven van alledag, om het goed doen van de gewone dingen. Iedereen is geroepen zijn leven op zijn eigen wijze goed te leven. Het gaat om het vinden van het geluk in het bijzondere van het gewone. De paus schrijft: “Het is belangrijk, dat iedere gelovige zijn eigen weg onderscheidt en het beste uit zichzelf naar boven haalt, dat wat God hem persoonlijk gegeven heeft (vgl. 1 Kor 12,7)…” Verder schrijft de paus: “Wees niet bang voor heiligheid. Zij ontneemt je geen energie, vitaliteit of vreugde. In tegendeel, je wordt wat de Vader bedoelde toen Hij je schiep, en je zult trouw aan jezelf zijn.” (32)

Paulus zegt ons dat we ons niet moeten schamen voor ons geloof. Wij moeten ons niet schamen voor onze zwakte. De bespottingen en het lijden dat het ons oplevert, hebben wij te dragen. Wij mogen ons gedragen en gesteund weten door de liefde van Christus en de hulp van de heilige Geest die in ons woont. Pater Titus Brandsma heeft dit aan den lijve ervaren. De terreur van de Nazi’s hebben hem niet kapot gekregen. Maar op weg naar Dachau zal ook hij – net als de profeet Habakuk – menigmaal gedacht hebben: “Hoelang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert? Hoelang moet ik de hemel nog geweld aandoen, terwijl Gij maar geen uitkomst brengt?” Ook al ging Titus Brandsma door een diep dal en kende ook hij het idee geheel door God verlaten te zijn, uiteindelijk hervond hij zijn Heer in de diepste ellende van Dachau. Zo kon hij zijn vertrouwen in God stellen. Zo kon hij zijn leven in Gods handen leggen.

“Wij zijn niet geroepen om grootse en opvallende dingen te doen, maar om de gewone dingen op grootse wijze te doen.” Het gaat niet om een groot geloof. Het gaat om het geloof in iets groots, het geloof in de grootheid van God. De weg van Jezus volgen, het pad van de heiligheid gaan, betekent dat we een andere mening durven te hebben als het gaat om mensen in de verdrukking en dat we opkomen voor de rechten van de armen en de mensen in nood. Het betekent dat we weten dat alle mensen je broeders en zusters zijn. Ook hierin is de heilige Titus Brandsma een voorbeeld voor ons. Het zijn de vaak kleine daden van liefde die bergen doen verzetten. Niet in de ogen van de wereld, maar in de ogen van de enkele medemens. Hoeveel vreugde kun je niet brengen met steun aan een mens in nood? Hoeveel blijdschap met aandacht voor een zieke of eenzame medemens? Hoe bevrijdend kan een bemoedigend woord zijn en hoe verlossend een simpele glimlach? Amen.

Generatie Vrede; Am 8,4-7; 1 Tim 2,1-8; Lc 16,1-13

Al zevenenzeventig jaar leven we in dit deel van de wereld in vrede. De meesten van ons hebben geen eigen herinneringen aan oorlog en het aantal mensen dat hier oorlog heeft meegemaakt, wordt steeds kleiner. In die zin zijn we er aan gewend geraakt in vrede te leven. De vorming van de Europese Unie is het grote vredesproject van onze tijd. Dit vredesproject is vruchtbaar gebleken. Maar dit is geen reden om zelfgenoegzaam achterover te leunen. Werken aan vrede is een opdracht die voortdurend de aandacht vraagt.

Vrede is niet vanzelfsprekend. Oekraïne, Jemen, Palestina, Zuid-Soedan noem maar op. Overal ter wereld zijn miljoenen mensen op de vlucht. De Nederlandse vredesbeweging PAX roept ons op tot het vormen van een Generatie Vrede. Een Generatie Vrede bestaande uit jong en oud, een Generatie Vrede die mensen van verschillende huidskleur, gender en klasse met elkaar verbindt, een Generatie Vrede die zich inzet voor een vreedzame wereld.

Momenteel is er een groep parochianen van de federatie Vlietstreek die teksten van de heilige Titus Brandsma leest en bespreekt. Afgelopen week lazen we zijn toespraak die hij in 1931 hield over vrede en vredelievendheid. Op dat moment lag de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog nog vers in het geheugen en fascisme en nationaalsocialisme waren duidelijk in opkomst.

Titus Brandsma verzet zich tegen de gedachte dat alleen oorlog tot vrede kan leiden. Het mag niet zo zijn dat in onze wereld het recht van de sterkste geldt. Hij constateert dat het ontbreekt aan liefde voor de vrede. Hij zegt: “Men meent, neen, men verkondigt het openlijk, dat men in de maatschappij met beginselen van vrede en liefde niets begint, dat men in den strijd om het bestaan sterk moet zijn en zich steeds sterker moet maken omdat de macht van den sterkste het recht schept.” Titus Brandsma constateert dat oorlog vaak voortkomt uit maatschappelijke situaties waarin men geen uitweg meer ziet. Hij zegt: “Wil men den oorlog voorkomen, dan zal het noodig zijn, dat de maatschappij zich anders instelt. (…) De eigenliefde en de hebzucht zijn de grote kwalen van deze tijd en de diepste oorzaken van den oorlog. Daartegen moeten wij stelling nemen. Dan alleen kunnen we vruchtbaar vredeswerk verrichten.”

Deze woorden van Titus Brandsma zijn nog steeds actueel. Het zijn woorden van alle tijden. Zevenhonderdvijftig jaar voor Christus trad de profeet Amos op. Hij verzette zich tegen de sociale misstanden in Israël. Jezus wijst op het belang van betrouwbaarheid en rechtvaardigheid. “Wie betrouwbaar is in het kleinste is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste is ook onrechtvaardig in het grote. (…) Geen knecht kan twee heren dienen… Gij kunt niet God dienen en de mammon.” Vrede en rechtvaardigheid zijn nauw met elkaar verbonden. Werken aan de vrede begint met werken aan de rechtvaardigheid. Alleen een rechtvaardige verdeling van de aardse goederen, alleen een rechtvaardige verdeling van de vruchten van de aarde maakt het mogelijk tot werkelijke vrede te komen.

Een vredeswens is ook altijd een liefdesverklaring. We kunnen elkaar geen vrede wensen zonder elkaar te respecteren, zonder elkaars menselijke waardigheid te erkennen. We kunnen elkaar geen vrede wensen zonder van elkaar te houden. Streven naar vrede vraagt om bekering. Het vraagt om af te zien van zelfgerichtheid en eigenbelang. Alleen als we bereid zijn elkaar werkelijk ruimte te bieden kunnen we herauten en apostelen van vrede zijn. Paulus schrijft aan Timoteüs dat hij is aangesteld als heraut en apostel van Jezus Christus. Hij is aangesteld om de boodschap van Jezus te verkondigen.

Bij de geboorte van Jezus zongen de engelen: “Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.” (Lc 2,14) Na zijn verrijzenis begroet Jezus de apostelen met: ‘Vrede zij u.” (Joh 20,20). Jezus is de vredeskoning. Eerder zei Hij: “Vrede laat Ik u na; mijn vrede geeft ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u.” (Joh 14,27) De vrede van Jezus is niet de vrede van de oorlog. De vrede van Jezus is de vrede van de liefde en van de rechtvaardigheid. Van die vrede mogen wij herauten en apostelen zijn. Amen.

Barmhartigheid; Ex 32,7-11.13-14; 1 Tim 1,12-17; Lc 15,1-32

Zes jaar geleden vierden we het heilig jaar van barmhartigheid. Bij de afkondiging van dit heilig jaar schreef paus Franciscus: “Jezus Christus is het gelaat van de barmhartigheid van de Vader. Het mysterie van het christelijk geloof lijkt in deze woorden zijn samenvatting te vinden.” (nr. 1). “Voor ons is het nodig voortdurend het mysterie van de barmhartigheid te overwegen. Het is een bron van vreugde, gemoedsrust en vrede.” (nr. 2) “Barmhartigheid is niet tegengesteld aan gerechtigheid, maar drukt het gedrag van God jegens de zondaar uit: Hij geeft hem een verdere mogelijkheid om tot inkeer te komen, zich te bekeren en te geloven.” (nr. 21). “De toorn van God duurt een ogenblik, terwijl zijn barmhartigheid tot in eeuwigheid duurt.” (nr. 21). “Laten wij (…) de Vader vragen om de vergeving van de zonden en de verbreiding van zijn barmhartige kwijtschelding.” (nr. 22). “Uit het hart van de Drie-eenheid, uit het diepste van het mysterie van God ontspringt en vloeit onophoudelijk de grote stroom van de barmhartigheid.” (25).

In de eerste lezing zien we een voorbeeld van: “De toorn van God duurt een ogenblik, terwijl zijn barmhartigheid tot in eeuwigheid duurt.” God is woedend over het gedrag van zijn volk, maar ziet na aandringen van Mozes af van een vernietigende bestraffing.

Paulus schrijft dat de Heer hem barmhartigheid heeft bewezen. Paulus noemt zichzelf de eerste van de zondaars. Hij was verloren en Jezus Christus heeft hem het eeuwig leven gegeven. De Heer heeft hem vertrouwen geschonken en heeft hem in dienst genomen. Jezus heeft hem zijn liefde doen kennen. Zo beschrijft Paulus wat het voor hem betekende toen hij zich bekeerde van een godslasteraar, vervolger en geweldenaar tot een volgeling van Jezus Christus.

In het Evangelie horen we drie verhalen over iemand die iets kwijt is: een man die een schaap verliest, een vrouw die een zilverstuk kwijt is en een vader wiens zoon ervandoor is. Drie keer horen we van de grote vreugde die het brengt als het verloren schaap, het verloren zilverstuk en de verloren zoon weer gevonden wordt dan wel uit zichzelf terugkeert. Jezus vergelijkt deze vreugde met de vreugde van de engelen van God als een zondaar zich bekeert.

Paulus schrijft: “Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden.” In het licht van deze uitspraak kunnen we de Evangelieteksten lezen. Dan zien we dat het Jezus zelf is die op zoek gaat naar wat verloren is. Hij brengt ons terug naar zijn Vader. Hij brengt ons naar God. Hierin zien we de woorden van paus Franciscus terug: “Jezus Christus is het gelaat van de barmhartigheid van de Vader.” Ons wordt niet alleen de mogelijkheid tot bekering geschonken, Jezus is ook actief op zoek naar wat verloren is. Hij spoort ons aan tot bekering, maar Hij dwingt ons niet. Wat voor de verloren zoon geldt, geldt ook voor ons. Wij zijn vrije mensen. Uiteindelijk is de keuze aan onszelf. Openstaan voor de barmhartigheid van God vraagt dat wij van onze kant zoeken naar de persoonlijke ontmoeting met Jezus. Dat wij zoals de verloren zoon zelf op weg gaan.

Willen wij werkelijk de barmhartigheid van God ervaren, is het nodig dat wij tot het inzicht komen dat wij niet zonder zijn barmhartigheid kunnen, dat wij die barmhartigheid hard nodig hebben. Wij zijn niet in staat op eigen kracht tot een gelukkig leven te komen. Het geluk is een geschenk. Dat betekent dat we moeten kunnen ontvangen, dat we ons afhankelijk weten van God en van onze medemensen.

Barmhartigheid kent twee kanten: wij mogen barmhartigheid ontvangen en wij mogen zelf op onze beurt barmhartig zijn. Denk aan de woorden van het Onze Vader: “vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”. Als wij niet in staat zijn zelf barmhartig te zijn, hebben we er ook grote moeite mee barmhartigheid te ontvangen.

Een van de wegen die Jezus ons via de Kerk aanbiedt, is het Sacrament van Boete en Verzoening: de Biecht. Ook in dit Sacrament ontmoeten we Jezus Hij die het gelaat van de barmhartigheid van de Vader is. In dit Sacrament worden we net als de verloren zoon met open armen door de Vader ontvangen. Amen.

Bescheidenheid; Sir 3,17-18.20.28-29; Hb 12,18-19.22-24a; Lc 14,1.7-14

Over het algemeen houden wij mensen meer van mensen die zich bescheiden gedragen, dan van mensen die voortdurend zichzelf op de borst kloppen omdat ze zichzelf zo geweldig vinden. Twee honderd jaar voor Christus was dit niet anders. In het boek Ecclesiasticus schrijft Jezus Sirach: “Mijn kind, als ge rijk zijt, blijf dan bescheiden, en gij zult meer geliefd worden dan iemand die geschenken uitdeelt.” Hij voegt eraan toe dat ook juist bescheiden mensen genade vinden bij God. Je kunt jezelf op de borst kloppen uit hoogmoed, omdat je jezelf een geweldig iemand vindt. Je kunt je zelf ook op de borst kloppen uit rouwmoedigheid zoals we doen bij de schuldbelijdenis aan het begin van de viering. Zowel God als onze medemensen waarderen juist deze laatste vorm van borstklopperij. Zij waarderen mensen die bescheiden zijn en zich dienstbaar opstellen en ergeren zich aan de mensen met te grote ego’s.

Het gekke is echter dat we dit niet terugzien in onze samenleving. Bij verkiezingen stemmen velen op mensen die onbeschaamd alle ruimte innemen, op mensen die totaal geen respect hebben voor anderen. Ook in het maatschappelijk verkeer gunnen we anderen vaak weinig ruimte. Voordringen en de ander niet zien staan zijn zaken waaraan we ook zelf wel schuldig zijn. We leren onze kinderen dat ze assertief moeten zijn, dat ze zich de kaas niet van hun brood moeten laten eten. Je moet voor jezelf opkomen want een ander doet dat niet. Laat niet over je heen lopen. De afgelopen tweeduizend jaar is er op dit gebied weinig vooruitgang geboekt. Sterker nog tegenwoordig lijkt onbescheidenheid in hoger aanzien te staan dan bescheidenheid.

Ik moet hierbij wel zeggen dat het zo gemakkelijk nog niet is om de juiste mate van bescheidenheid te vinden. Jezus leert ons vandaag dat we onszelf niet op de voorgrond moeten plaatsen. Elders leert Hij ons echter ook dat we ons licht niet onder de korenmaat moeten zetten. Ons licht moet stralen voor het oog van de mensen. Door onze goede werken te laten zien, zullen anderen God verheerlijken. (Mt 5,15-16) Valse bescheidenheid wordt ook niet op prijs gesteld. Onszelf als waardeloos beschouwen is zeker niet de bedoeling van God. En het is ook niet wat anderen van ons verlangen. Indirect wordt ons geleerd ook van onszelf te houden. “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” (Mc 12,31) Zonder van jezelf te houden wordt naastenliefde erg moeilijk.

Waar het om gaat is dat we onze eigen grenzen kennen, onze grenzen ten opzichte van elkaar en onze grenzen ten opzichte van God. Onze grenzen ten opzichte van God vinden terug in de beperkte maakbaarheid van het leven. Hoe groot onze kennis ook is geworden we hebben ons eigen leven slechts gedeeltelijk in de hand. Als bescheiden mensen kunnen wij naderen tot God, zoals in de brief aan de Hebreeën geschreven staat. Het gaat niet alleen om ontzag hebben voor God. Wij mensen moeten ook ontzag hebben voor elkaar, elkaar respecteren en elkaar de ruimte geven.

Dat geldt voor de mensen die ons het meest dierbaar zijn. Als wij geen ontzag hebben voor onze geliefden, hen niet zien als een ander, dan gaan we ons de ander toe-eigenen, hem of haar beschouwen als deel van onszelf. Dan is er geen sprake meer van liefde. Elkaar respecteren en de ruimte geven geldt voor al onze medemensen. Het geldt ook voor de vluchtelingen in ons land. Het geldt ook voor de kwetsbare mensen in Tanzania, waarvoor MIVA onze aandacht vraagt. Iedere mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Iedere mens is een kind van God. Iedere mens heeft recht op een menswaardig bestaan, ook als wij daarvoor ruimte moeten maken, daarvoor moeten inschikken en daarvoor iets moeten laten. Wij hebben niet het recht ons de hele schepping toe te eigenen. Amen.