Spring naar inhoud

Ken ik Hem? Js 49,3.5-6; 1 Kor 1,1-3; Joh 1,29-34

Afgelopen zondag vierden we Driekoningen, het feest van de Openbaring des Heren. Het pasgeboren Kind wordt door wijzen uit het oosten bezocht. Hij openbaart zich als het heil voor de mensheid. Maandag was het feest van de Doop van de Heer. Jezus is een volwassen man geworden en staat aan het begin van zijn openbare leven. Hij laat zich door Johannes dopen in de Jordaan. Johannes predikt een doopsel van bekering. Vandaag horen we in het Evangelie hoe Johannes de Doper getuigt van deze gebeurtenis. Hij vertelt wat hij heeft meegemaakt. Hij vertelt dat hij Jezus niet kende. Door deze gebeurtenis komt hij tot het inzicht: “Deze is de Zoon van God.” Nu getuigt Johannes: “Zie, het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt.” Johannes is tot het inzicht gekomen wie Jezus is en wat zijn missie is. Met de woorden van Jesaja: Jezus is Gods dienaar. Hij komt niet alleen om Israël naar God terug te brengen. Hij is ook het licht voor de heidenen. Hij brengt heil aan alle mensen tot de grenzen der aarde.

We staan aan het begin van een nieuw jaar. Het is de tweede zondag door het jaar. We volgen Jezus op zijn weg door het leven. We horen wat Hij meemaakt en we horen welke boodschap Hij voor ons heeft. Gaandeweg leren we Jezus beter kennen. Door Hem te volgen en naar Hem te luisteren, openbaart Hij zich aan ons. Zo wordt ons duidelijk wie Hij voor ons is.

Johannes de Doper zegt: “Ook ik kende Hem niet”. Dat is een opmerkelijke uitspraak. Hij is de achterneef van Jezus en hij is een leeftijdsgenoot. Maria ging – toen zij zwanger was van de heilige Geest – naar nicht Elisabet die toe zes maanden zwanger was van Johannes. De beide nichten hadden een goede relatie met elkaar. Familiebanden waren belangrijk. Jezus en Johannes kwamen niet dagelijks bij elkaar over de vloer. Daarvoor woonden ze ver van elkaar: Jezus in Nazareth en Johannes ergens in het bergland van Juda. Dat vroeg een voetreis een enkele dagen. Maar ongetwijfeld reisden ze beiden met Pasen naar Jeruzalem. Daar zullen zij elkaar jaarlijks ontmoet hebben. Toch zegt Johannes: “Ook ik kende Hem niet”. Wat bedoelt hij daarmee?

Johannes was net als Jezus geen doorsnee jongeman. Beiden zijn mensen met een missie. Dat zullen ze gaandeweg hun jonge leven beseft hebben. Dat zullen ze ook bij elkaar herkend hebben en daar zullen zeker met elkaar over gesproken hebben. En toch zegt Johannes: “Ook ik kende Hem niet”. Toen Johannes Jezus doopte in de Jordaan gebeurde er iets bijzonders. Toen leerde Johannes Jezus op een geheel nieuwe manier kennen. Toen werd hem plotseling duidelijk wie Jezus echt is. In die zin kan hij zeggen: “Ook ik kende Hem niet”. Hij kende Jezus niet echt. Hij wist niet wie Hij werkelijk is. Plotseling beseft Johannes: Mijn neef Jezus is de Zoon van God. Hij is het heil van de wereld. Dat zet alles in een ander daglicht.

Een dergelijke ervaring heeft de apostel Paulus ook gehad. Hij kende Jezus als een nieuwlichter, als iemand die op een geheel eigen manier met de Wet van Mozes omging, als iemand die zei dat Hij zonden kan vergeven. En dan plotseling op de weg naar Damascus vallen Paulus de schellen van de ogen en ziet hij Jezus op een nieuwe manier. Dan wordt het Paulus duidelijk dat Jezus ons heiligt, dat Hij onze Heer is. Dan weet Paulus ook dat hij ook zelf een missie heeft, dat hij dit heil aan de wereld moet verkondigen, dat hij moet getuigen van Jezus, de Zoon van God. Hij doet dat ook in de brieven die hij ons heeft nagelaten.

Ook wij zijn geroepen tot getuigenis. Het is ook onze missie de blijde boodschap aan de wereld te verkondigen. Wij allen zijn leerlingen van Jezus. Wij allen zijn geheiligd in Hem, bestemd tot een heilig leven. Dat is niet het leven van een heilig boontje. Dat is een leven met een missie, een leven met de opdracht Gods liefde voor alle mensen aan iedereen bekend te maken. Misschien moeten we eerst nog beter realiseren wie Jezus werkelijk voor ons is. Misschien hebben wij net als Johannes en Paulus eerst nog een bekering nodig. Waarschijnlijk is dat meer een kwestie van het hart dan van het hoofd. Mogen wij leren zien met ons hart. Amen.

Vrede op aarde; Js 9,1-3.5-6;Tit 2,11-14; Lc 2,1-14

“Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.” Een Kind is ons geboren, een Zoon ons geschonken. “Men noemt Hem: wonderbare Raadsman, Goddelijke Held, eeuwige Vader, Vredesvorst.” Vrede is hetgeen waarnaar we verlangen, vrede op aarde, vrede onder alle mensen. Jezus, het Kind in de kribbe is de Vredesvorst. Hij brengt ons vrede, vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.

De lezingen van vandaag laten ons zien hoe God ons tegemoet komt in ons verlangen naar vrede. Hij zendt ons zijn eigen Zoon om op aarde vrede te stichten. Ook wordt duidelijk dat vrede niet alleen maar een geschenk is. Het komen tot vrede vraagt ook een inspanning van onze kant. Wij mensen moeten werkelijk vrede willen en daaraan werken. Vrede is er voor de mensen in wie God welbehagen heeft. Als wij ons – op welke wijze dan ook – afkeren van God zal Hij ons geen vrede geven. Wij zijn vrije mensen en dragen dus ook zelf verantwoordelijkheid. Vrede onder de mensen vraagt dat wij mensen elkaar zien als broeders en zusters, dat wij de hele mensheid zien als één grote familie, als één gemeenschap over alle grenzen heen.

Het zal u duidelijk zijn dat dit geen kleinigheid is. Gods droom en verlangen vraagt onze menselijke medewerking. Russen en Oekraïners die elkaar zien als broeders en zusters, De verschillende partijen in Syrië die elkaar zien als broeders en zusters, Palestijnen en Israëliërs die elkaar zien als broeders en zusters, Koerden en Turken die elkaar zien als broeders en zusters, burgers en overheid van Afghanistan en Iran die elkaar zien als broeders en zusters, nakomelingen van hen die onder slavernij leden en van hen die van de slavernij profiteerden die elkaar zien als broeders en zusters, arm en rijk die elkaar zien als broeders en zusters, joden, christenen, moslims en hindoes die elkaar zien als broeders en zusters.

Maar ook dichter bij huis: stad en platteland die elkaar zien als broeders en zusters, boeren en milieubeschermers die elkaar zien als broeders en zusters, mensen met en zonder vaste verblijfplaats die elkaar zien als broeders en zusters, allochtonen en autochtonen die elkaar zien als broeders en zusters, mensen met verschillende geaardheid die elkaar zien als broeders en zusters, mensen met zeer uiteenlopende achtergronden die elkaar zien als broeders en zusters.

Nog dichter bij huis, ook hier in de kerk moeten wij ons afvragen: zien wij elkaar werkelijk als broeders en zusters? Vormen wij werkelijk een gemeenschap van gelovigen of zijn we niet meer dan een verzameling brave mensen die met Kerstmis naar de Nachtmis komen? Alle verschillen die er tussen mensen mogelijk zijn treffen we ook aan binnen onze parochie. Ook hier moeten we over de grenzen van de verschillen heen stappen om elkaar als broeders en zusters te kunnen zien.

De verschillen zijn er niet om op te heffen. De verschillen verdienen respect, de verschillen kunnen ieder van ons verrijken. Het gaat om een eenheid in verscheidenheid. Wat we moeten overwinnen is onze eigen ongerechtigheid, onze zelfingenomenheid en onze zelfgerichtheid. Zolang we ons zelf als de norm zien zijn we niet in staat de grenzen van de verschillen te overwinnen. Dan blijven we steken in onze eigen gesloten bubbel.

Paulus leert ons dat Jezus gekomen is om ons juist hiervan te verlossen om ons te maken tot een volk van Christus, tot een gemeenschap in Christus. Jezus Christus, “de genade van God, bron van heil voor alle mensen is op aarde verschenen”. “Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen en ons te maken tot zijn eigen volk, gereinigd van de zonde, vol ijver voor alle goeds.” Hij wijst ons de weg. Hij is onze Gids, onze Leidsman, onze wonderbare Raadsman, onze eeuwige Vader. Als wij ons verbinden met Hem zoals Hij zich aan ons heeft gegeven, als wij zijn leerlingen willen zijn, zullen wij mensen zijn in wie God welbehagen heeft. Dan zal Jezus Christus ons laten delen in zijn vrede.

De herders zijn ons voorgegaan. Bij de geboorte van Jezus worden zij als eersten uitgenodigd. Deze onaanzienlijke lieden, deze verschoppelingen van hun tijd waren de eersten aan wie Jezus zich openbaarde. De herders stonden open voor het heil, voor de liefde en de vrede die Jezus ons geeft. Ook wij mogen leven in zijn liefde en zijn vrede. Ook voor ons geldt: “Vreest niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer.” Ook wij hebben niets te vrezen. Laten wij ons verbinden met Hem en bidden voor en werken aan vrede hier op aarde. Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.

Onderscheiding van geesten; Js 7,10-14; Mt 1,18-24

Matteüs schrijft over de geboorte van Jezus Christus. Hij vertelt een verhaal wat je meteen voor je ziet. Twee jonge mensen zijn van plan te gaan trouwen. Hij een nette jongeman en zij een vroom meisje en dan gaat er iets helemaal mis. Zij blijkt zwanger te zijn en het is niet van hem. Voor de jongeman is het een schokkende ervaring. Hij denk erover na. Dit lijkt hem geen basis voor goed huwelijk. Ondanks alles houdt hij nog steeds van haar en hij wil het haar niet moeilijker maken dan het al is. Het lijkt hem het beste in stilte van haar te scheiden.

Dan krijgt het verhaal plotseling een andere wending. Wat begonnen is als een verhaal van twee mensen wordt plotseling een verhaal waarin God een grote rol speelt. Jozef ziet in een droom een engel met een goddelijke boodschap. Hij wordt gevraagd toch met het meisje te trouwen. Hij wordt geroepen tot een heel bijzonder vaderschap. Het kind dat Maria ter wereld zal brengen, is van de heilige Geest en Hij “zal zijn volk redden uit hun zonden”. Daarom moet Jozef Hem Jezus noemen. Dat betekent: Redder. Jozef wordt geroepen vader te zijn van een zoon die men Immanuël zal noemen: God met ons.

Dit verhaal over Jozef kennen we allemaal. Van kindsbeen af hebben we het gehoord. Omdat het ons zo vertrouwd is, staan we er nauwelijks bij stil wat dit voor Jozef betekend moet hebben. Hoe komt hij tot het besluit zichzelf zo weg te cijferen? Heeft Jozef een overdonderende ervaring gehad? De engel verscheen hem in een droom, niet op klaarlichte dag, zoals Gabriël aan Maria verscheen en haar vertelde dat ze zwanger wordt van de heilige Geest. Van een droom zeggen wij meestal dat het maar een droom is. We nemen dromen over het algemeen niet erg serieus. We zeggen: dromen zijn bedrog. Maar het feit dat we over iets dromen zegt wel dat het ons bezig houdt. Dat zal bij Jozef ook zeker het geval geweest zijn. Blijkbaar was hij toch nog niet zo zeker van zijn voorgenomen besluit.

Iedere mens komt dat tegen. Hij wikt en weegt. Hij aarzelt. Wat is juist in deze situatie? Welk besluit moet ik nemen? Zowel voor het ene als het andere zijn er goede argumenten. We komen dat tegen in ons persoonlijk leven, in het gezin, in ons werk, in de maatschappij, in de Kerk. Ook Achaz, de koning van Juda moet een besluit nemen. De eerste lezing vertelt hierover. Er dreigt een oorlog. Hoe moet het land zich verdedigen? Welke bondgenoot moet gekozen worden? Jesaja zegt hem op God te vertrouwen. De Heer heeft aan koning David beloofd een redder te sturen. Welke zekerheid geeft deze belofte? Achaz vertrouwt liever op zijn eigen kracht. Hij kiest voor menselijke zekerheden. Een teken van God ziet hij liever niet. Dat brengt hem maar in een lastige situatie. Daarentegen neemt Jozef zijn droom serieus. Hij ziet de droom als een teken van God. Voor Jozef is het duidelijk welke keuze hij moet maken.

Ik neem niet aan dat u regelmatig duidelijke tekenen van God ontvangt. Mij gebeurt het in ieder geval niet. Dat neemt niet weg dat ook wij allerlei signalen ontvangen, signalen die ons kunnen helpen de juiste keuzes te maken. Een goed gesprek met anderen, een goede raad kan ons geweldig helpen. Stil staan bij de waarden van onze cultuur en traditie helpt ons. Oog hebben voor wat er leeft in de samenleving helpt ons ook. Zowel de traditie als de tekenen van de tijd zeggen ons veel over de situatie waarin we leven en waarin we moeten handelen.

In het kader van proces om tot een synodale Kerk te komen heeft paus Franciscus het vaak over het onderscheiden van geesten. Hij is heel duidelijk een jezuïet. De heilige Ignatius geeft in zijn ‘Geestelijke oefeningen’ praktische regels en methoden voor het maken keuzes, voor het onderscheiden van geesten. Hierbij is de centrale vraag: hoe geven wij de heilige Geest de ruimte ons te inspireren en ons op het juiste spoor te zetten? De heilige Geest is niet zo van duidelijke tekenen. Hij waait waarheen Hij wil en werkt nogal indirect. Vaak is het op onverwachte en onduidelijke wijze dat Hij ons laat weten wat goed is. Luisteren naar de heilige Geest vraagt om bezinning en reflectie. Het vraagt om stilte en om gebed. Het vraagt ook om overgave aan en vertrouwen op God.

Onderscheiding van geesten vraagt ons te luisteren naar elkaar, naar de wereld om ons heen. Het vraagt ons te luisteren naar onze eigen verlangens en dromen. Het vraagt ons te luisteren naar de stem van ons geweten. Wat achten wij goed voor alle betrokkenen, wat verlangen wij voor hun toekomst en hoe inspireren wij hen met onze dromen. God is ons nabij in ons aardse bestaan. Zijn Zoon Jezus Christus is mens met ons. Zijn Geest inspireert ons en tilt ons op tot een hoger niveau. Zo leeft God in ons en kunnen wij zijn wegen volgen. Amen.

Gesprekken over ouderen en ouderdom

Dit jaar heeft paus Franciscus een serie catecheses gehouden over ouderdom. Op basis daarvan wil ik deze drie avonden met u spreken over de volgende drie onderwerpen:
1. Vriendschap en verbondenheid tussen de verschillende leeftijden;
2. De verheerlijking van de jeugd;
3. De bijdrage van ouderen aan de samenleving.

1. Vriendschap en verbondenheid tussen de verschillende leeftijden

De profeet Joël leert ons: “Profeteren zullen uw zonen en uw dochters, uw ouderen zullen dromen krijgen” (3,1). Dit betekent ook dat jongeren niet weten wat ze met hun toekomst aan moeten als de ouderen hun dromen in het verleden begraven.

De paus Franciscus zegt hierover: “Jongeren die niet langer de dromen van de ouderen bevragen, en alleen dromen zien die niet verder gaan dan hun neus lang is, hebben moeite met het dragen van hun heden en met het verdragen van hun toekomst. Als grootouders terugplooien in zwaarmoedigheid, zullen jongeren zich nog meer buigen over hun smartphone. Het scherm blijft misschien aan, het leven echter dooft voortijdig. (…) Ouderen bezitten de rijkdom van het geleefde leven waarop ze elk ogenblik een beroep kunnen doen. Zullen ze alleen maar kijken naar de jongeren die hun visioen verliezen of zullen ze hen begeleiden en hun dromen aanwakkeren? Wat zullen de jongeren doen met de dromen van de ouderen?”

Het gaat om de samenhang van alle leeftijdsgroepen, om vriendschap en verbondenheid tussen de verschillende generaties. Deze verbondenheid moet opnieuw gestalte krijgen. Dat vraagt dat de wijsheid van de oudere erkend wordt, als geleefde geschiedenis in de samenleving, en dat er een gesprek is tussen de generaties, een open dialoog met de jongeren.

De paus vervolgt: “Ik hoop (…) dat in de dialoog tussen jongeren en ouderen, de ouderen dromen aanbrengen en dat de jongeren die zouden aannemen en verder dragen. Laten we niet vergeten dat in de cultuur – zowel in het gezin als in de samenleving – de ouderen als de wortels van de boom zijn: zij bezitten de hele geschiedenis en de jongeren zijn als de bloesems en vruchten. Zonder sap, laten we zeggen zonder ‘doorstroming’ vanuit de wortels zullen ze nooit bloeien. (…) Al het mooie van een samenleving heeft te maken met de wortels van de ouderen.”

Als jongeren en ouderen niet met elkaar in gesprek zijn blijft elke generatie afgezonderd en kan zij haar boodschap niet doorgeven. Een jongere die niet verbonden is met zijn wortels, met zijn grootouders, krijgt geen kracht en groeit slecht, leert niet hoe hij de wereld om hem heen moet begrijpen. Daarom is het noodzakelijk de dialoog tussen de generaties te zoeken, vooral de dialoog tussen grootouders en kleinkinderen. Het gaat om liefdevolle relaties tussen bejaarden en jeugd. De dialoog tussen de generaties zal een bron van energie zijn voor een werkelijk humane samenleving.

“De verbondenheid van de generaties is onmisbaar. In een samenleving waarin ouderen niet spreken met de jongeren, de jongeren niet praten met de ouderen, de volwassenen niet spreken met de bejaarden en ook niet met de jongeren, is een onvruchtbare samenleving, een samenleving die niet naar de toekomst kijkt maar alleen naar zichzelf. Zij wordt eenzaam.” Aldus paus Franciscus.

Een oudere kan op een levendige wijze de diepere zin van de dingen begrijpen. Hierdoor kan hij op heldere wijze het geloof en de vruchten van zijn lange levenservaring voorleven en doorgeven. Dit inzicht van de oudere is een kostbaar geschenk voor de volgende generaties. Persoonlijk en direct luisteren naar de geleefde geloofsgeschiedenis, met alle zijn vreugdevolle en ellendige momenten, is onvervangbaar. Het gaat om het doorgeven van een doorleefd geloof. De paus vraagt zich af: “Zijn wij in staat deze gave van de bejaarden te onderkennen en te waarderen? Volgt de overdracht van het geloof – en van de zin van het leven – deze weg van het luisteren naar bejaarden?”

Het vertellen van de geloofsgeschiedenis moet met ontroering de zegeningen van God en met oprechtheid de menselijke tekortkomingen schetsen. Het zou mooi zijn als in de geloofsopvoeding ook aandacht is voor de ervaring van de bejaarden: een heldere getuigenis over de van God ontvangen zegeningen en een oprechte getuigenis van mislukkingen die om herstel en verbetering vragen. De geloofsopvoeding vraagt om vertrouwde en eenvoudige taal. Bejaarden en jongeren gaan samen, geleid door Jezus, binnen in zijn Rijk van leven en liefde.

Een spirituele oude dag is op bescheiden en levendige wijze in staat tot zo’n getuigenis. Door de gegroeide gevoeligheid van de ziel is de oude dag bevrijd van afgunst tussen generaties, bevrijd van wrok en van verwijt, en staat zij open voor de komst van God in de komende generatie. Dan staat de oudere open voor de jongere. Dan neemt men afscheid van het leven door het ‘eigen’ leven over te dragen aan de volgende generatie. De geestelijke gevoeligheid van de oude dag kan de competitie tussen de generaties op geloofwaardige en blijvende wijze doorbreken. Ouderen met deze gevoeligheid zoeken de eenheid en overstijgen het conflict.

Vragen voor het gesprek

  1. Herkennen we onszelf in het geschetste beeld van ouderen?
  2. Vinden we het geloofsgesprek tussen ouderen en jongeren belangrijk? Waarom?
  3. Wat zijn onze eigen ervaringen?
  4. Wat houdt ons tegen? Mogen we ons met de opvoeding van kleinkinderen bemoeien?

2. De verheerlijking van de jeugd

Vanavond hebben we het over de verheerlijking van de jeugd. Onze samenleving bestaat uit kinderen, jongeren, volwassenen en bejaarden, maar er is een onevenwichtigheid met vele gevolgen. Paus Franciscus zegt hierover: “De heersende cultuur heeft de jongvolwassene als enig model, dat wil zeggen: een zelfredzaam individu dat immer jong blijft. (…) De verheerlijking van de jeugd als enige leeftijd waardig om het menselijk ideaal te vertolken, samen met het misprijzen voor de ouderdom, gezien als broosheid, aftakeling of handicap, is het heersende beeld van de heersende machten in de twintigste eeuw.”

In dit denken kent alleen de jeugd de volheid van het leven en bestaat de ouderdom uit leegte en verlies van leven. De ouderdom wordt beschouwd als een leeftijd zonder bijzondere inhoud, een leeftijd die geen zin aan het leven geeft. Mensen hebben geen behoefte om ouderen op te zoeken en in de gemeenschap is er geen plaats voor hen. “Dus, voor een leeftijd die een bepalend deel van de samenlevingsruimte inneemt en gaat over een derde van het hele leven zijn er – soms – zorgplannen, maar geen bestaansprojecten. Zorgplannen, ja. Maar geen projecten om volop te kunnen leven. Dit is een leegte in het denken, in de verbeelding, in de creativiteit. (…) Jeugd is zeer mooi, maar eeuwige jeugd is een zeer gevaarlijke begoocheling.” Aldus de paus.

De zin van het leven bestaat niet alleen op de leeftijd van 25 tot 60 jaar. De zin van het leven is alles, van geboorte tot dood. Als je met alle leeftijden in gesprek gaat en relaties hebt, zal je volwassenheid rijker en sterker zijn. Het maakt ook de zin van het leven als geheel duidelijk.

De ouderdom vraagt om een zekere traagheid. Dat is wat anders dan stilstand. Traagheid schept ruimte voor de levenszin die door de obsessie van de haast weggedrukt wordt. De paus zegt: “De overdreven haast brengt een centrifugale kracht mee die ons wegvaagt als confetti. Men verliest totaal het zicht op het geheel. Ieder klemt zich vast aan het eigen stukje dat meedrijft op de golven van de markt.” Voor de markt is traagheid verlies en is tijd geld. De haast maakt het leven niet intenser, het leven wordt erdoor verpulvert. De paus zegt: “Wijsheid vraagt ‘tijdverlies’. Als je naar huis terugkeert en met je kind, jongen of meisje ‘tijd verliest’ dan is dit begaan zijn van fundamenteel belang voor de samenleving. En wanneer je naar huis terugkeert en opa of oma treft die misschien niet zo helder meer denkt of wat moeizamer ter tale is, en je blijft met hem of haar ‘tijd verliezen’, dan versterkt dit ‘tijd verliezen’ het menselijke gezin.” Het gaat om ‘tijd verliezen’. Dat brengt ieder van ons opnieuw tot liefde voor ons kwetsbare leven. De traagheid van de ouderdom is een onmisbare bron om de zin van het leven te begrijpen. Dankzij de traagheid wordt de bestemming van het leven als ontmoeting met God geloofwaardiger.

De broosheid van de ouderdom kent ervaringen van verwardheid en vernedering, van verlies en verlatenheid, van ontgoocheling en twijfel. Deze broosheid maakt vaak weinig indruk en leidt bij sommigen tot een soort gelatenheid en zelfs tot wrevel. Bejaarden zijn een last. De kwalen van de hoge ouderdom geven het gevoel dat het leven hoe dan ook ten einde loopt en zinloos is geworden. Dit zien we liever niet en leidt tot de gedachte de ouderen uit ons leven te verwijderen. De stijgende leeftijd brengt steeds meer broosheid en kwetsbaarheid met zich mee. Dit leidt tot eenzaamheid. In een samenleving van de uitsluiting worden bejaarden afgezonderd. De oude dag verliest niet alleen zijn waardigheid, maar men gaat zelfs twijfelen of het leven nog wel verder voorgezet mag worden. Dus gaan we onze kwetsbaarheid, onze ziekte, onze leeftijd en onze ouderdom verbergen.

De paus concludeert: “Er bestaat dus een ‘leer van de broosheid’. De broosheden niet verbergen, neen. Ze zijn echt. (…) De oude dag is in staat om dit op geloofwaardige wijze in herinnering te brengen gedurende heel de tijdspanne van het menselijk leven. De oude dag niet verbergen, de broosheden van de oude dag niet verbergen. Dit is een les voor ons allen.”

Vragen voor het gesprek

  1. Herkennen we het geschetste beeld van onze cultuur?
  2. Zijn het ook de ouderen die het beeld van de eeuwige jeugd in stand houden?
  3. Benadrukken de pensionado’s die alleen maar genieten, de leegheid van hun bestaan?
  4. Proberen ook wij zolang mogelijk jong te zijn?
  5. Durven we broos, kwetsbaar en afhankelijk te zijn?

3. De bijdrage van ouderen aan de samenleving

Vanavond hebben we het over de zin en waarde van de ouderdom. Wat kunnen ouderen aan de samenleving bijdragen? Tegenwoordig is het normaal dat we na de pensioendatum nog vele jaren leven. Hoe gaan we met deze tijd om en hoe maken we deze tijd vruchtbaar? Hoe kunnen we verder groeien in gezag, heiligheid en wijsheid?

Eerder hebben we het gehad over de verbondenheid tussen de generaties. De ouderen hebben de taak hun dromen met de jongeren te bespreken om eraan bij te dragen dat de jongeren hun toekomst vorm kunnen geven. De oudere is in staat de diepere zin van het leven helder en levendig over te dragen aan jongeren. Zij kunnen hen laten zien wat geloven betekent. Ouderen maken zichtbaar dat het leven ook broos en kwetsbaar is. Het leven is veel meer dan alleen maar jong zijn en meer dan alleen maar oppervlakkig genieten. Het is aan de ouderen de volheid van het leven zichtbaar te maken en door te geven.

De ouderdom laat zien dat het leven meer is dan produceren en consumeren. Het leven is ook ‘zijn’. De traagheid van de ouderdom kan in de samenleving een bron van rust zijn. ‘Tijd verliezen’ geeft ruimte voor bezinning en reflectie. ‘Tijd verliezen’ legt de nadruk op het ‘zijn’, het ‘zijn’ ook in elkanders aanwezigheid en in de aanwezigheid van God. De traagheid van de ouderdom is in staat de zin van het leven zichtbaar te maken.

Paus Franciscus zegt dat alles tot koopwaar wordt. “Men koopt en verkoopt, meningen, gerechtsdaden… Goederen worden verbruikt en genoten zonder aandacht voor de geestelijke kwaliteit van het leven, zonder zorg voor het leefmilieu van de gemeenschappelijke woning. Alles wordt uitgebuit zonder aandacht voor de vernedering en vergiftiging waaronder velen lijden. Zonder aandacht ook voor het kwaad dat de samenleving ondermijnt.” Corruptie wordt gaandeweg een normale manier van doen. “De oude dag is de gepaste toestand om de misleiding te verstaan van deze normalisatie van een leven bezeten door genot en leeg aan innerlijkheid: leven zonder denken, zonder offer, zonder innerlijkheid, zonder schoonheid, zonder waarheid, zonder gerechtigheid, zonder liefde. Dat alles is corruptie.” De speciale gevoeligheid van de ouderen geeft hen de verantwoordelijkheid hun geweten te laten spreken, tegen misstanden te ageren en de jongere generaties te waarschuwen.

De oude dag doet ook beseffen dat wij over het algemeen geen hoofdrolspelers zijn, maar slechts getuigen. De paus zegt: “Wanneer een individu aanvaardt geen hoofdrolspeler te zijn, maar betrokken te zijn als getuige komt het goed: die man of vrouw wordt op de juiste wijze volwassen. Dat gebeurt niet wanneer men altijd hoofdrolspeler wil zijn, anders zal deze weg niet groeien naar de volheid van de oude dag. Het bezoek van God wordt niet zichtbaar in het leven van hen die hoofdrolspelers willen zijn en nooit getuigen.” Door de houding van getuige aan te nemen wordt ons geopenbaard waar het in het leven om gaat. De getuige ziet en ervaart. De getuige kan anderen erover vertellen.

Over het getuigen van ons geloof zegt de paus: “Het christelijk geloof is niet slechts het Credo opzeggen, maar het Credo denken, het Credo voelen, het Credo doen. (…) In veel stromingen in onze samenleving en in onze cultuur, krijgt de geloofspraktijk een negatieve voorstelling. (…) De geloofspraktijk wordt gezien als een zaak voor bejaarden. De druk die deze algemene kritiek uitoefent op jongeren is sterk. (…) Misschien moeten wij, ouderen, een belangrijke zending opnemen: aan het geloof zijn eer teruggeven. (…) Geloof verdient eerbied en eer tot het einde toe: het heeft ons leven veranderd, het heeft onze geest gezuiverd, het heeft ons de aanbidding van God geleerd en de liefde tot de naaste. Het is een zegen voor allen! (…) We zullen in alle nederigheid en sterkte aantonen, precies op onze oude dag, dat geloven geen zaak ‘van ouderen’ is, maar van het leven. Geloven in de heilige Geest, die alles nieuw maakt, en Hij zal ons graag helpen.”

Allemaal hebben we ook de ervaring hoe ons geloof op de proef wordt gesteld. Wijzelf en mensen van wie we houden hebben concreet te maken met lijden. Het kwaad is zeer nadrukkelijk in de wereld aanwezig. De paus zegt: “Er bestaat, met betrekking tot het mysterie van het kwaad, een soort recht op protest vanwege het slachtoffer. Een recht dat God aan iedereen geeft, meer nog, dat Hijzelf, feitelijk, inspireert. (…) Als jij een wonde in je hart hebt, een pijn en je voelt de neiging om te protesteren, protesteer ook tegen God, weet dat God naar je luistert. God is Vader, God verbaast zich niet over ons protest-gebed, neen! God verstaat dat.” Ook zo getuigen we van ons standvastig vertrouwen in Gods beloften.

Het leven kent teleurstellingen. Ontnuchtering hoort bij de oude dag. dat kan ontmoedigen, onverschillig en cynisch maken en de wil tot handelen ontnemen. De paus zegt: “Deze leegte aan zin en kracht (…) ontneemt niet slechts de krachten aan de wil tot het goede. Als weerslag opent zij de deur voor de agressiviteit van de machten van het kwaad. (…) Met al onze vooruitgang, met al onze welvaart, zijn we een samenleving van de vermoeidheid geworden. (…) Bejaarden rijk aan wijsheid en humor doen goed aan de jongeren. (…) Het zijn zij die in de jongeren de honger en dorst naar gerechtigheid zullen zaaien.”

Ouderen kunnen hun omgeving niet alleen hun hoop maar ook hun dankbaarheid tonen voor alles wat het leven hun geschonken heeft, alle liefde die hebben mogen ontvangen en hebben mogen geven. In dankbaarheid en hoop kunnen zij met een glimlach naar het einde toeleven en uiteindelijk ook afscheid nemen met de glimlach.

Vragen voor het gesprek

  1. Hebben ouderen een bijdrage aan de samenleving te leveren?
  2. Laten wij ons geweten spreken in de omgang met anderen?
  3. Is ons geloof in de loop der jaren gerijpt en standvastiger geworden?
  4. Zijn wij dankbare en hoopvolle mensen?

De gesprekken vonden plaats op 30 november en 7 en 14 december in de pastorie van de Sint Martinuskerk in Voorburg.

De H. Benedictus en duurzaamheid

Als het over duurzaamheid en zorg voor de schepping gaat wordt terecht vaak gerefereerd aan de spiritualiteit van de H. Franciscus van Assisi. Hij laat ons zien hoe je je over de schepping kunt verwonderen, hoe je van de schepping kunt houden en hoe alles met elkaar verbonden is. Duurzaamheid en zorg voor de schepping is ook het op een goede manier omgaan met de schepping. Hoe gebruiken we de schepping? Hoe werken aan de schepping? Om hierin een goede aanpak te vinden biedt de pragmatische spiritualiteit van de H. Benedictus van Nursia ons handvatten.

Mensen zijn deel van de schepping en leven van wat de schepping hen biedt. Mensen zijn in staat om grondstoffen en ruwe producten te bewerken en om te zetten in bruikbaar voedsel en nuttige gereedschappen. Dit is voor het menselijk leven een essentiële vaardigheid. Techniek is zo oud als de mensheid. Dierenhuiden worden omgezet in kleding. Voedsel wordt gekookt en eetbaar gemaakt. Voor de jacht zijn vuistbijlen en speren nodig. De grond moet bewerkt worden voor het verbouwen van voedsel. In het scheppingsverhaal zien we al hoe de eerste mensen vijgenbladeren gebruiken om zich te kleden (Gn 3,7). En God laat hen weten dat ze de aarde moeten bewerken om te kunnen eten (Gn 3,17). Techniek is een wezenlijk onderdeel van ons menselijk bestaan. Wetenschap en techniek zijn geschenken van God. Het is aan ons om ze op verantwoorde wijze te gebruiken.

Bij Franciscus denken we vooral aan ongerepte natuur en wildernis. De benedictijner monniken associëren we met het in cultuur brengen van ons land en het aanleggen van dijken: het ontwikkelen van land als onderdeel van de spiritualiteit van ora et labora (bid en werk). Niet alleen verwondering, zang en gebed zijn een lofprijzing aan de Schepper; ook met het werken in en aan zijn schepping loven wij de Heer. Benedictus heeft aandacht voor het evenwicht en het mogelijke, het menselijk haalbare. Matigheid krijgt meer aandacht dan soberheid. Duurzaamheid en zorg voor de schepping zijn primair gericht op het menselijk leven. Het gaat niet om het voortbestaan van de aarde en van de natuur, maar om het voor mensen bewoonbaar houden van de aarde. Dat vraagt om menselijk oplossingen. Daarmee is het ook primair een politiek vraagstuk. Het oplossen daarvan vraagt naast gedrevenheid om haalbaarheid, de juiste inzet van middelen, compromissen en geduld. Hierin is Benedictus mogelijk een betere inspiratiebron dan Franciscus.

Ook gepubliceerd op de website Kerk en Milieu.

Dromen; Js 11,1-10; Rom 15,4-9; Mt 3,1-12

“Dan zal de gehele aarde vervuld zijn met liefde tot God.” Jesaja heeft een droom. Hij schetst ons zijn visioen van het Rijk Gods: een prachtige toekomst, een rijk van gerechtigheid en vrede, een rijk onder de banier van de Messias, onder de vlag van de Redder, de Zoon van David, een twijg aan de stronk van Isaï. Die toekomst zal werkelijkheid worden met de komst van de Messias. Israël was op dat moment in oorlog. Jesaja geeft het volk hoop op een betere toekomst. Hij laat een toekomst zien die inspireert, een toekomst die mensen uitdaagt eraan te werken, een toekomst die ervoor zorgt dat mensen de moed niet opgeven.

Hoe zit het eigenlijk met onze dromen? Dromen wij van een prachtige toekomst, een gelukkige toekomst voor de komende generaties? Afgelopen woensdagavond na de meditatieve Adventsviering spraken we hierover met een aantal mensen. Paus Franciscus roept ons op tot verbondenheid en vriendschap tussen verschillende leeftijdsgroepen. De verschillende generaties hebben elkaar nodig. Ze hebben het nodig naar elkanders dromen te luisteren.

Afgelopen zomer zei de paus hierover het volgende: “Jongeren die niet langer de dromen van de ouderen bevragen, en alleen dromen zien die niet verder gaan dan hun neus lang is, hebben moeite met het dragen van hun heden en met het verdragen van hun toekomst. Als grootouders terugplooien in zwaarmoedigheid, zullen jongeren zich nog meer buigen over hun smartphone. Het scherm blijft misschien aan, het leven echter dooft voortijdig. (…) Ouderen bezitten de rijkdom van het geleefde leven waarop ze elk ogenblik een beroep kunnen doen. Zullen ze alleen maar kijken naar de jongeren die hun visioen verliezen of zullen ze hen begeleiden en hun dromen aanwakkeren? Wat zullen de jongeren doen met de dromen van de ouderen?”

De paus laat ons weten dat jongeren niet weten wat ze met hun toekomst aan moeten als de ouderen hun dromen in het verleden begraven. Dit vraagt verbondenheid tussen de generaties. Als onze contacten zich beperken tot leeftijdsgenoten leeft elke generatie in afzondering, in zijn eigen bubbel. Dan is er geen uitwisseling van boodschappen. Dan kennen we elkanders dromen niet. Dromen doen ons ontstijgen aan het leven van alledag. Dromen gaan verder dan enkel consumeren en pret hebben. Dromen maken duidelijk wat onze diepste verlangens zijn. Dromen maken ook zichtbaar vanuit welke bron wij leven. Dromen brengen ons in beweging. Dromen stimuleren ons te werken aan de toekomst. Dromen zetten ons op het pad van de bekering waartoe Johannes oproept.

We hebben de droom van Jesaja. Paulus schrijft: “Alles wat eertijds werd opgeschreven, werd opgetekend tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven. De Bijbel is een rijke bron voor dromen en toekomstbeelden. Maar die dromen moeten vertaald worden naar dromen voor vandaag. Daarvoor hebben we onze eigen dromen nodig. Het is nodig onze dromen met elkaar te bespreken. Zo leren we onze dromen te verwoorden en te benoemen. Zo groeien we aan elkaar en komen we tot gemeenschappelijke dromen.

Paulus schrijft: “Aanvaardt daarom elkander als leden van één gemeenschap.” Samen dromen betekent ook samen werken aan de realisering van onze dromen. Zeker voor jonge mensen is dit belangrijk. Het gaat om hun toekomst die gestalte moet krijgen. Paus Franciscus zegt hierover: “De verbondenheid van de generaties is onmisbaar. In een samenleving waarin ouderen niet spreken met de jongeren, de jongeren niet praten met de ouderen, de volwassenen niet spreken met de bejaarden en ook niet met de jongeren, is een onvruchtbare samenleving, een samenleving die niet naar de toekomst kijkt maar alleen naar zichzelf. Zij wordt eenzaam.”

Jesaja schrijft over de Messias, over Jezus Christus: “De geest van de Heer zal op Hem rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren.” Dit zijn wat wij de gaven van de heilige Geest noemen. Christus is hiermee begiftigd. Door ons te verbinden met Jezus, door Hem ook in ons geboren te laten worden, ontvangen ook wij deze gaven van de heilige Geest. Hij doopt ons met zijn heilige Geest. Zo gaan wij lijken op Christus. De gaven van de heilige Geest hebben wij nodig om te dromen en om de toekomst gestalte geven. Wijsheid en verstand, raad en heldenmoed, liefde en de vreze des Heren hebben we nodig om de juiste keuzes te maken. We hebben ze nodig om de weg van de liefde en de waarheid te gaan en om niet voor onze verantwoordelijkheid weg te lopen. Door de gaven van de Geest, door de verbinding met Christus, door te leven in een gemeenschap rond Hem komen wij tot bekering, krijgen wij weet van onze diepste verlangens en durven we onze dromen gestalte te geven. Amen.

Weest waakzaam! Js 2,1-5; Rom 13,11-14; Mt 24,37-44

Twee weken geleden hoorden we Jezus spreken over de vernietiging van de tempel. Vandaag horen we het vervolg van het onderricht dat Jezus aan zijn leerlingen geeft. Toen lazen we de versie van Lucas. Vandaag horen het vervolg uit het Evangelie volgens Matteüs. Ook nu is de taal van Jezus onheilspellend. Daar word je niet vrolijk van. Ook nu doet het beeld dat Jezus ons schetst, denken aan de realiteit van vandaag.

Ik denk daarbij aan de opwarming van de aarde. Ondanks alle onheilspellende berichten en demonstraties zoals gistermiddag op de A12 doen velen alsof er niets aan de hand is. Ook nu gaan mensen gewoon door met eten en drinken, gaan zij relaties met elkaar aan en krijgen kinderen. Ook nu lijkt het alsof ze niet in de gaten hebben wat hen te wachten staat.

Jezus schetst ons hier geen rooskleurig beeld van de toekomst. Hij schetst een grote verdeeldheid onder de mensen. Gelovigen en ongelovigen worden van elkaar gescheiden. “Dan zullen er twee op de akker zijn de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten.”

Hoe onheilspellend de taal van Jezus ook is, uiteindelijk gaat het om de komst van de Mensenzoon. Dat is zeker geen onheilspellende gebeurtenis. In tegendeel dit is een vreugdevolle aangelegenheid. Deze vreugde zien we ook bij Jesaja en bij Paulus. Zij schrijven over de komst van het heil. Het gaat hier niet over een dief die onverwacht ons huis binnendringt. Denk eerder aan een kind dat plotseling onverwacht thuiskomt.

Het doet mij denken aan mijn studententijd in Groningen. Met enige regelmaat kwam ik plotseling bij mijn ouders thuis. Een paar keer was het voorgekomen, dat ik een dag later kwam dan mijn ouders verwachtten en zij daardoor ongerust waren geworden. Ook toen waren jongeren niet echt voorspelbaar in hun gedrag. Voor de duidelijkheid mobiele telefoons bestonden toen nog niet. Om te voorkomen dat ze ongerust zouden worden, vertelde ik niet meer wanneer ik zou komen en dus liep ik totaal onverwacht plotseling naar binnen in het grootste vertrouwen dat ik welkom was en dat er ruimte voor mij was.

Ook Jezus vertelt ons niet wanneer Hij komt. Plotseling klopt Hij bij ons aan en verwacht Hij een welkom onthaal. Zijn wij dan net zo gastvrij als liefdevolle ouders voor hun kinderen? Of hebben we dan geen tijd omdat we net zitten te eten? Of we zijn druk met andere beslommeringen? Kortom zijn wij daar klaar voor? Zijn wij klaar voor de komst van de Heer?

“Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.” Er is natuurlijk niets mis met eten en drinken, met relaties aangaan en kinderen krijgen. Er is ook niets mis met aandacht hebben voor allerlei beslommeringen. Maar daarnaast moeten we ook waakzaam zijn. Hoe belangrijk aardse zaken ook zijn, zij mogen ons nooit geheel in beslag nemen. Hoe belangrijk de dingen van vandaag ook zijn, er moet ook altijd ruimte blijven voor de toekomst.

Als wij oog hebben voor de wereld om ons heen en oog hebben voor de tekenen van onze tijd zal de toekomst zich helemaal niet zo onverwacht voordoen, als we misschien wel denken. Meestal ontstaat een crisis alleen maar, omdat we de ogen sloten voor de ontwikkelingen die gaande waren. Noach was al een hele tijd bezig de ark te bouwen, maar de anderen namen dat signaal niet serieus. Eerder wijst Jezus zijn leerlingen op het uitbotten van de vijgenboom als een teken dat de zomer op komst is.

Paulus leert ons: “Gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. (…) De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. (…) Bekleedt u met de Heer Jezus Christus en koestert geen zondige begeerten meer.” Als wij ons ontdoen van onze zelfgerichtheid, als wij ons richten op onze medemens, onze hoop op Jezus stellen, en ons leven verbinden met Hem hebben wij niets te vrezen. Amen.

Taal en wijsheid; Lc 21,5-19

Het is onheilspellende taal die er klinkt uit de mond van Jezus. Daar word je niet vrolijk van. Helaas is het beeld dat Jezus ons schetst, op vele plaatsen in de wereld de realiteit van vandaag. Verdraagzaamheid wordt steeds zeldzamer. De polarisatie neemt toe, overal ter wereld. Mensen staan elkaar naar het leven omdat ze met elkaar van mening verschillen. Ieder blijkt zijn eigen absolute waarheid te hebben en een gesprek daarover is niet mogelijk. Overal treden mensen op die ons vertellen dat zij weten wat waar is. Mensen die zeggen: “Ik ben het.” Jezus zegt ons: “Loopt niet achter hen aan.” en Hij raadt ons aan: “Laat u niet uit het veld slaan.” “Door standvastig te zijn, zult ge uw leven winnen.”

Met een aantal parochianen lezen we momenteel teksten van de heilige Titus Brandsma. Tijdens onze gesprekken hadden we het ook over ‘goed zijn in de oorlog’. Zo’n vijftig jaar geleden was dat een belangrijk thema. Hoewel mijn generatie na de Tweede Wereldoorlog geboren is, waren wij ervan overtuigd dat wij aan de goede kant stonden in de oorlog. Momenteel ben ik daar niet meer zo zeker van. Ben ik werkelijk in staat levensbedreigend geweld te weerstaan? Ben ik werkelijk in staat standvastig te zijn? Ook van Titus Brandsma is bekend dat hij door diepe dalen is gegaan. Zo vanzelfsprekend was ook zijn standvastigheid niet.

Hierover zegt Jezus: “Welnu, prent het u in dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden. Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.” Jezus zegt ons dat wij mogen vertrouwen op Hem. Jezus zegt ons niet: Ik vertel jullie wel even precies hoe zit. Als je deze les uit je hoofd leert, is het je helemaal duidelijk. Dan ken je de gehele waarheid waarmee je iemand om de oren kunt slaan.

Jezus heeft het hier helemaal niet over de waarheid. Hij zal een taal en wijsheid schenken. Dat is wat anders dan vertellen wat de waarheid is. Het begrip waarheid is in de loop van tijd steeds absoluter geworden. Wij verstaan onder waarheid: precies weten hoe het zit. Als we daarover ook maar een beetje van mening verschillen staan we direct recht tegenover elkaar, gaan we met elkaar in discussie en proberen we de ander van ons gelijk te overtuigen. Dit is niet het waarheidsbegrip van Jezus. Elders zegt Hij: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” In deze woorden is de waarheid niet iets abstracts en absoluuts. Hier is de waarheid een persoon.

Hoe veel je ook van iemand weet, een persoon ken je nooit helemaal. Zo is het ons mensen blijkbaar ook niet gegeven de gehele waarheid te kennen. Met een persoon kun je een relatie aangaan. Dat vraagt om liefde, dat vraagt om taal en dat vraagt om wijsheid. Mogelijk moeten wij ook op die manier met de waarheid omgaan. Dit is niet de weg van de strijd en de discussie. Dit is de weg van met elkaar in gesprek, in dialoog gaan. Dit vraagt aandachtig luisteren naar elkaar. Dit is samen proberen de waarheid op het spoor te komen.

Dit is ook de weg die paus Franciscus ons voorhoudt als hij het over synodaliteit heeft. Synodaal zijn betekent samen op weg zijn. Niemand weet welke weg we precies moeten gaan. We delen een ideaal. We zijn leerlingen van Jezus. We hebben onze voorbeelden zoals de heilige Titus Brandsma en Sint Maarten. Zij laten ons zien hoe je wijze woorden kunt spreken. Zij geven ons voorbeelden van de taal van de liefde. Een taal van woorden en een taal van daden. Titus Brandsma houdt ons voor: “Wij zijn niet geroepen om grootse en opvallende dingen te doen, maar om de gewone dingen op grootse wijze te doen.” Martinus van Tours deelde zijn mantel met een bedelaar. Achter in de Sint Martinuskerk vinden we een regel uit een lied: “Gij die uw mantel hebt gedeeld, bekleed ons met gerechtigheid.” Naast het volgen van hun voorbeeld, mogen wij de heiligen ook vragen om hun voorspraak.

Als wij ervoor open staan, als wij ontvankelijk zijn, als wij vertrouwen op de Heer, schenkt Hij ons de genade die we nodig hebben. De heilige Geest zal ons de weg wijzen. Hij schenkt ons wijsheid, Hij schenkt ons de taal van de liefde. Amen.

Onuitsprekelijk paradijs

Auteur: Kick Bras
Titel: Onuitsprekelijk paradijs:
De groene spiritualiteit van Thomas Merton
Uitgever: Berne Media, 2021
Prijs: € 19,95
ISBN: 978 90 8972 4250
Aantal pagina’s: 192

Thomas Merton (1915-1968) was trappist. Als monnik zocht hij de afzondering om te kunnen mediteren. Hij trok zich vaak terug in de natuur. Midden vorige eeuw kreeg Merton bekendheid als schrijver en dichter. Voorbeelden van zijn inspirerende boeken zijn ‘Louteringsberg’ en ‘Zaden van contemplatie’. In die tijd groeide ook zijn belangstelling voor andere religies en zijn sociale engagement. Hij schreef over oorlog, racisme en armoede. “De wereld wordt geëxploiteerd tot meerder eer en glorie van de mens en niet van God. De menselijke macht wordt een doel op zich.” Door zijn uitgesproken standpunten was hij zeker niet onomstreden noch in de Kerk, noch in de Verenigde Staten waar hij woonde. De mystieke natuurbeleving en het protest tegen de natuurvernietiging kwamen bij hem samen in een ecologische ethiek.

Kick Bras behandelt teksten waarin Merton zijn mystieke natuurbeleving en spirituele zoektocht beschrijft. “De hele natuur is bedoeld om ons te doen denken aan het paradijs.” Bras schreef een mooi en toegankelijk boek, waarin we Thomas Merton leren kennen en inspiratie vinden voor de zorg voor de schepping.

Geloof en gebed; Ex 17,8-13; 2 Tim 3,14-4,2; Lc 18,1-8

Drie zondagen achter elkaar gaat het Evangelie over geloof. Twee weken geleden vroegen de apostelen om meer geloof. Ze vragen om geloofskracht waarmee ze wonderen kunnen verrichten om op die manier imponerend en overtuigend naar buiten kunnen treden. Vorige week sprak Jezus tot de van melaatsheid genezen Samaritaan: “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.” Vandaag is daar plotseling de vraag van Jezus: “Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?” Die vraag staat daar plotseling onverwacht. De evangelist Lucas geeft geen enkele toelichting. Na het stellen van deze vraag gaat het Evangelie gewoon verder met de volgende gelijkenis.

“Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?” Het gaat hier over geloof en het gaat over de komst van de Mensenzoon. Die twee zaken hebben blijkbaar met elkaar te maken. In het christendom gaat het niet over het geloof in een abstracte godheid. Wij geloven niet in ‘iets’, niet in ‘licht’ of in ‘een energie’. Voor ons is God een persoon. Wij kunnen een persoonlijke relatie met God aangaan. We kunnen met God in gesprek gaan. Zo is bidden niet een kwestie van eenrichtingsverkeer. Bidden is met God in gesprek gaan. Bidden is zijn voor Gods aangezicht. Wij leggen onze zorgen, onze vreugde, ons verdriet aan Hem voor. En God geeft ons antwoord. Hij reageert op ons. Eerlijk gezegd hebben wij er vaak moeite mee dat te herkennen. God reageert op zijn geheel eigen – vaak ondoorgrondelijke – wijze.

Dit alles wordt heel concreet in de menswording van Gods Zoon. Jezus Christus, de Mensenzoon is de openbaring van God. Hij maakt voor ons zichtbaar wie God is. Hij is onze middelaar. Onze gebeden sluiten we dan ook af met ‘door Christus, onze Heer’. Ons christelijk geloof vindt zijn weg in ons geloof in Jezus. In het Evangelie volgens Johannes vinden we een uitspraak van Jezus die hier meer licht op werpt: “Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. (…) Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.” (Joh 14,1.6) Dit is ook de boodschap van Paulus aan Timoteus: door het geloof in Christus Jezus komen we tot het heil. Onze relatie met God krijgt vorm in onze relatie met Jezus. God is mens geworden om ons in staat te stellen een menselijke relatie met Hem aan te gaan. Ook dat is deel van de verlossing, van de bevrijding door Jezus.

Ons verbinden met Jezus Christus is zijn weg gaan. Ons verbinden met Jezus Christus is leven in zijn waarheid. Ons verbinden met Jezus Christus is deel hebben in zijn leven van liefde. In ons gebed leveren wij onze bijdrage aan tot stand brengen van deze verbinding. Wij stellen onszelf open voor de verbinding met God. Gods antwoord is het leggen van de verbinding. God zal ons dat nooit weigeren. Hij zal ons gebed verhoren. Dat is wat Jezus ons vandaag garandeert. Jezus zegt: “Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht verschaffen.” God schenkt ons als eerste de genade van het geloof. Geloven doen we niet op eigen kracht. Het geloof is een geschenk. Het is een geschenk wat om een antwoord vraagt. Door ons leven te verbinden met dat van Jezus Christus geven wij van onze kant een antwoord op Gods aanbod.

Het geloof doet ons op een andere manier naar de wereld kijken. Het geloof doet ons erop vertrouwen dat er uiteindelijk door God altijd recht wordt gedaan. Ook als onze gebeden niet direct verhoord worden en het onrecht blijft voortbestaan, weten we door ons geloof dat God toch recht doet. Dat maakt ons niet onverschillig ten opzichte van onrecht. Het zorgt er wel voor dat we beter in staat zijn onrecht te verduren.

Vandaag vieren we ook het feest van de heilige Gerardus Majella. De Italiaan Gerardus Majella was een eenvoudig man. Hij leefde van 1726 tot 1755. Hij was als lekenbroeder lid van de orde van de redemptoristen. Hij was kleermaker, koster, portier, geldinzamelaar, ziekenverpleger en een bijzondere raadgever in geestelijke zaken. Hij had op een bijzondere manier contact met het hemelse en een grote liefde voor zijn medemensen. Zijn leven bestond uit gebed en opoffering. Om meer over deze heilige te horen raad ik u aan de video van pastoor Bakker bekijken die afgelopen week op onze website is geplaatst. Gerardus Majella heeft zich verbonden met Jezus. Hij is de weg van Jezus gegaan. Hij heeft een leven van liefde geleefd. Het vele onrecht dat hem is aangedaan heeft hij kunnen verduren. Hij wist dat God alle gebeden verhoord, en dat God recht doet aan alle mensen. Amen.