Spring naar inhoud

Oer: Het grote verhaal van nul tot nu

Auteur: Corien Oranje, Cees Dekker en Gijsbert van den Brink
Titel: Oer: Het grote verhaal van nul tot nu
Uitgever: Ark Media, 2020
Prijs: € 14,99
ISBN: 978 90 33802 18 8
Aantal pagina’s: 160

Hoe tegenstrijdig zijn geloof en wetenschap? Zijn Bijbel, oerknal en evolutieleer met elkaar te verenigen? Om een antwoord om deze vragen te geven, brachten twee theologen en een natuurwetenschapper deze zaken in één verhaal bij elkaar. Het Bijbelse verhaal van God en mensen, van schepping en verlossing wordt op een geheel eigen wijze vertelt in het perspectief van de huidige wetenschappelijke inzichten. In het verhaal is de verteller een proton, een van de kleinere deeltjes die een seconde na de oerknal ontstonden. Vanuit telkens andere posities maakt het proton het ontstaan van het heelal, van de aarde en van het leven mee. Vervolgens geeft het verslag van de Bijbelse geschiedenis. Gaandeweg ontdekt het proton wie de Schepper van hemel en aarde is.

Het is een spannend verhaal waarmee de schrijvers op een verrassende en laagdrempelige wijze uitleggen wat het christelijk geloof inhoudt. Zij laten zien dat geloof en wetenschap niet met elkaar in strijd zijn, maar juist uitstekend samengaan.

Geroepen worden; Jr 31,7-9; Hb 5,1-6; Mc 10,46-52

Bij het begrip roeping denken we in eerste instantie aan een roeping om een opdracht uit te voeren, voor een taak in ons leven. Zo komen we het begrip roeping ook vaak tegen in de Bijbel. Jezus roept zijn leerlingen Hem te volgen. In het Oude Testament lezen over de roeping van profeten. Eigenlijk is dat een beperkte invulling van het begrip roeping. Roeping is veel breder. Wij worden in het leven geroepen. God roept iedere mens tot geluk. Dat is onze allereerste roeping: een gelukkig en liefdevol leven.

Het geluk is niet maakbaar. Het is vooral een geschenk van God aan ons. Dit geschenk vraagt echter wel onze medewerking. Het vraagt van ons we dat er open voorstaan, dat we het geschenk willen ontvangen. God laat ons volkomen vrij: wij mogen zelf kiezen wel of niet op zijn roeping in te gaan.

De profeet Jeremia verkondigt dat God zijn volk terugroept uit de ballingschap. Hij zal hun terugvoeren naar het beloofde land, naar Israël. Dat vraagt echter wel dat zij zelf op reis gaan. Het vraagt dat ze niet achterblijven in het ondertussen vertrouwde Babylon. Ze moeten vertrouwen op Gods belofte en zullen zelf hun land weer moeten opbouwen. Dat is de weg die hen het toegezegde geluk zal brengen.

In het Evangelie horen we de mensen Bartimeüs toeroepen: “Heb goede moed! Sta op, Hij roept u.” Ook Bartimeüs moet in beweging komen. Maar ondertussen geeft Jezus ook hem alle vrijheid. “Wat wilt u dat Ik voor u doe?” Bartimeüs gelooft dat Jezus een bijzonder mens is. Hij noemt Jezus Zoon van David. Dat is niet zo maar een titel. Dat is een titel met een grote belofte. Bartimeüs vertrouwt erop dat die belofte er ook voor hem is. Hij gelooft dat Jezus in staat is hem te laten zien. Hij antwoordt aan Jezus: “Rabboeni, maak dat ik kan zien.”

Daarop zegt Jezus: “Ga, uw geloof heeft u genezen.” Maar Bartimeüs is helemaal niet van plan te gaan. Hij kan inderdaad weer zien. De ogen zijn hem opengegaan. Maar dit is niet alleen in letterlijke betekenis het geval. Bartimeüs ziet dat Jezus werkelijk de Messias is. Bartimeüs volgt Jezus op zijn tocht naar Jeruzalem. Dit is de roeping van Jezus zelf: opgaan naar Jeruzalem. In de brief aan de Hebreeën gaat het over de roeping van Jezus: Hij is de door God geroepen hogepriester die zijn leven heeft geofferd om ons te redden. Zijn kruisdood was de weg naar zijn verheerlijking en naar onze redding.

Het is vandaag Missiezondag. We staan stil bij onze eigen roeping tot het geluk. God heeft ons uit liefde in het leven geroepen. Vanuit zijn liefde voor ons mogen wij gelukkig zijn en ook zelf liefhebben. De liefde is de bron van het menselijk geluk. Dit geluk willen we niet voor onszelf houden. We willen de liefde en het geluk delen met alle mensen. Dit delen gaat niet ten koste van ons eigen geluk. Dit delen vergroot ook ons eigen geluk. Bartimeüs wist dat Jezus volgen hem gelukkig zou gaan maken. Ook wij volgen Jezus, ook wij zijn zijn leerlingen. Het grootste geluk dat ons kan overkomen is dat wij anderen tot leerling weten te maken. Een ander gelukkig maken, maakt jezelf werkelijk gelukkig.

In onze tijd is het niet nodig – zoals vroeger – weg te trekken naar verre landen om daar het geloof te verkondigen. In onze directe omgeving komen we voortdurend mensen tegen die de Blijde Boodschap niet kennen. Aan al die mensen mogen wij ons geloof voorleven. De aanstekelijkheid van onze levenswijze is bij uitstek de manier om het geloof te verkondigen.

Op Missiezondag vieren alle katholieke gelovigen in gebed en solidariteit hun wereldomvattende gemeenschap. Dit jaar besteden we aandacht aan Guinee, een hoofdzakelijk islamitisch land in West-Afrika. De Kerk is hier jong en wordt grotendeels gedragen door vrijwilligers. We doen dat met het thema van de Wereldmissiemaand: “We moeten immers wel spreken over wat we gezien en gehoord hebben.” Deze tekst komt uit het boek Handelingen. Paus Franciscus schrijft dat we worden opgeroepen om datgene wat we meedragen in ons hart, naar anderen te brengen. Een oproep die geldt voor de gelovigen in Guinee, in Nederland en wereldwijd.

Vandaag zijn wij speciaal met de gelovigen in Guinee verbonden. Aan het einde van deze viering is er een tweede collecte voor de ondersteuning van de Kerk in Guinee. Het gaat hierbij in het bijzonder om het pastorale werk ten behoeve van vrouwen en kinderen. Amen.

God of geld; W 7,7-11; Mc 10,17-30

Het Evangelie van vandaag kun je zo in onze tijd plaatsen. Het past bij onze huidige cultuur. Laten we het ons eens voorstellen, maar pas op dat uw fantasie niet op hol slaat. Er belt iemand aan bij de deur van de pastorie. Er wordt opengedaan en op de stoep staat een keurig geklede man. Strak in het pak, niet opzichtig maar wel chique. Of als u dat liever heeft: een vrouw in een keurig mantelpakje, misschien is het woord deux-piece hier meer op zijn plaats. Op beleefde maar toch dringende toon wordt naar de pastoor gevraagd. We hebben hier duidelijk te maken met iemand die niet gewend is aan tegenspraak. Dit is iemand die succesvol is en carrière heeft gemaakt.

Hoewel de pastoor druk is met zijn preek voor de komende zondag, besluit hij de persoon te ontvangen. Deze neemt plaats aan de werktafel van de pastoor en steekt meteen van wal. Pastoor, het gaat goed met mijn bedrijf. We draaien een flinke omzet en weten een mooie winst te boeken. Mijn mensen hebben plezier in hun werk en verdienen een goed salaris. Zij beschouwen mij als een goede en prettige werkgever. Ik betaal keurig mijn belasting en wij zijn druk bezig ons bedrijf duurzaam te maken. Ook besteden we jaarlijks een flink bedrag aan goede doelen en ik en al onze medewerkers doen ieder jaar mee aan ‘Nederland doet’.

Weet u, meneer pastoor, ik ben katholiek opgevoed. Ik ben gedoopt en heb mijn eerste Communie en Vormsel gedaan, maar het is al weer jaren geleden dat ik een kerk bezocht. Nu dacht ik, ik moet toch eens wat voor de Kerk doen. Ik heb begrepen dat er groot onderhoud aan dit gebouw nodig is en dat het voor de parochie niet te doen is om de enorme kosten daarvan te dragen. Ik wou u dus een aanbod doen: Ik betaal de restauratie van de kerk en u bidt elke zondag voor mijn zielenheil, zodat ik weet dat ik later in de hemel kom. De pastoor had al het gevoel dat het deze kant op zou gaan en zit zich nu af te vragen wat hij hiermee aan moet. Het geld kan de parochie inderdaad heel goed gebruiken, maar hij zal toch moeten vertellen dat het zielenheil niet te koop is.

Iets dergelijks stel ik mij ook voor bij het Evangelie van vandaag. De rijke houdt zich keurig aan de Wet van Mozes, maar heeft toch het gevoel dat hij meer zou moeten doen. Hij zoekt Jezus op. Misschien heeft Jezus wel een idee voor een goed doel. Hij heeft geld genoeg en wil best een deel daarvan aan iets goeds besteden. De rijke man is gewend dat hij met geld kan kopen wat hij wil. Hij vertrouwt op zijn bezittingen. Zijn bezittingen stellen hem in staat een goed mens te zijn. Hij heeft het niet nodig de Wet van Mozes te overtreden.

En dan komt Jezus met dit antwoord: “Ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel, en kom dan terug om Mij te volgen.” Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Dit is te gortig. Deze prijs is te hoog. De rijke man is ontsteld en gaat ontdaan heen. Hij had het zo goed bedoeld en dan krijgt hij dit antwoord. Teleurgesteld vertrekt hij weer en we weten niet hoe het met hem afloopt. Wat we wel weten is dat Jezus hem liefdevol aankeek. Jezus ziet zijn goede bedoelingen, maar ook zijn onvermogen. De man vertrouwt op zijn geld en hij vindt het daarom erg moeilijk om zijn bezit los te laten en in plaats daarvan op God te vertrouwen.

Jezus waarschuwt voor de nadelen van rijkdom. Van bezit gaat een verslavende werking uit. Bezit geeft ons het idee van onafhankelijkheid. We kunnen alles kopen wat we nodig hebben. Het lijkt erop dat wij het geluk op eigen kracht kunnen realiseren. In ons land waar veel welvaart is, is dit een wijd verbreid idee. Succes is een keuze. Wij zijn vergeten dat alles wat we zijn en wat we hebben, een geschenk is. Voor de mens van tegenwoordig is alles maakbaar.

Het boek Wijsheid schetst een ander beeld. Er wordt gebeden om wijsheid, wijsheid wordt geschonken. Ook rijkdom is niet primair een eigen verdienste. Rijkdom is een geschenk. Rijkdom is op zichzelf ook niet slecht. Het gaat mis als we verslaafd raken aan ons bezit en daar al ons vertrouwen op stellen. Leerling zijn van Jezus is op Hem vertrouwen: werkelijk geloven dat Hij ervoor zorgt dat het goed met ons komt.

De man in het Evangelie leek op de goede weg. Hij probeerde te doen wat in zijn vermogen lag. Jezus zag zijn goed bedoelingen en ontving hem met liefde. Het zal ook voor Jezus pijnlijk geweest zijn dat het voor de man te moeilijk was om Hem te volgen. Misschien is het nog wel goed met hem afgelopen. Misschien werd hij met Pinksteren – toen duidelijk was geworden hoe ver de liefde van Jezus voor ons gaat – een van de eerste christenen. “Dit ligt niet in de macht der mensen maar wel in die van God: want voor God is alles mogelijk.” Laten wij ons vertrouwen op Hem stellen. Amen.

Wat doe jij in vredesnaam? W 2,12.17-20; Jak 3,16-4,3; Mc 9,30-37

De ongelovigen zeggen: “Wij willen de vrome belagen; want hij is ons een ergernis, en is een aanklacht tegen onze lauwheid.” De tekst uit het boek Wijsheid die we vandaag gelezen hebben, is nog steeds actueel. Mensen wijzen niet alleen elkaars ideeën en meningen af. Zij wijzen ook elkaar af omdat men zich ergert aan het gedrag van de ander. Dat geldt niet alleen het onbeschofte gedrag van enkelen, maar ook het voorbeeldige gedrag van velen. De Duitsers hebben hier sinds een aantal jaren een woord voor. Daar heet iemand die zich goed gedraagt een ‘Gutmensch’. Dat klinkt als positief maar het is sarcastisch bedoeld. Een ‘Gutmensch’ denkt in de ogen van anderen te weinig aan zichzelf. Een ‘Gutmensch’ is voor hen een storend voorbeeld van goed gedrag.

Van de andere kant zijn er ook mensen die allen die ook maar beetje niet deugen veroordelen. Hier zien we de sinds kort opgekomen ‘cancelcultuur’. Iedereen die ook maar een beetje fout is of verkeerde dingen zegt, moet genegeerd, geboycot, in de ban gedaan worden. In dit verband moet ook het begrip ‘woke’ genoemd worden. Ook hier zien we een neiging tot overdreven correct gedrag en een voorstaan op morele zuiverheid.

Het thema van de Vredesweek is: ‘Wat doe jij in vredesnaam?’. Er kan pas sprake zijn van vrede als recht wordt gedaan aan iedereen. Vrede is rechtvaardig. Vrede is liefde. Vrede sluit niet uit: vrede is inclusief. Inclusief samenleven vraagt dat we niemand uitsluiten, niemand uitsluiten: niet met woorden en niet met gedrag.

In het boek Wijsheid zijn het de ongelovigen die de vromen willen buitensluiten. Het goede gedrag van de vromen irriteert ongelovigen, want het confronteert hen met het eigen tekortschieten. Dit komt niet alleen bij ongelovigen voor. Mogelijk herkent u dit ook bij uzelf. Ook wij kunnen ons ergeren aan ‘heilige boontjes’, aan mensen die meer werk maken van hun geloof dan wij zelf nodig vinden. Hun voorbeeldig gedrag confronteert ons met ons eigen tekortschieten.

De apostel Jakobus schrijft: “Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies vandaan? Toch alleen van uw eigen hartstochten die u niet met rust laten? Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen.” Jakobus maakt ons duidelijk dat het onze hartstochten zijn die de vrede telkens weer verstoren. Het is onze menselijke onvolmaaktheid, onze zondigheid die oorlog en geweld in de wereld brengen. Dat geldt zowel voor onze persoonlijke leefomgeving als voor de wereld als geheel. Jakobus heeft het over onze naijver en eerzucht en zelfs ons bidden is gericht op eigenbelang. Ons egoïstisch en egocentrisch denken en doen verstoren de vrede. Dit zien we ook in het Evangelie. De leerlingen van Jezus twisten over wie van hen de grootste is.

Jezus plaatst een kind in hun midden. Hij roept ons op vooral de kinderen niet de dupe te laten zijn van oorlog en geweld. “Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op; en wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft.” In het kind ontmoeten wij Christus zelf en in Christus ontmoeten we God.

Ook in de lezingen van vandaag gaat het over uitsluiten. Ergernis aan andermans voorbeeldige gedrag is een vorm van uitsluiten. Uitsluiten is ook aan de orde als wij ons beter achten dan de ander, zoals bij de leerlingen van Jezus het geval is. Ook het afwijzen van mensen die niet aan onze standaard voldoen, is een vorm van uitsluiten. Ook zondaars maken deel uit van onze samenleving. Het veroordelen van de zonde is goed, maar het buitensluiten van zondaars is verkeerd. Een mens is altijd meer dan wat hij doet en wat hij zegt. Dat geldt ook wanneer iemand verkeerde dingen doet of zegt.

Een inclusieve samenleving vraagt, dat wij onze eigen onvolmaaktheid onder ogen zien en accepteren. Dan zullen we ook mild oordelen over de fouten van anderen en zullen we vergevingsgezind zijn. Weten dat je zelf niet volmaakt bent, voorkomt dat je je beter voelt dan een ander, en het voorkomt ook dat je je ergert aan andermans voorbeeldig gedrag. Een inclusieve samenleving vraagt dat we elkaar respecteren, naar elkaar luisteren en met elkaar in gesprek gaan. Zij vraagt de moed om in dialoog met elkaar tot oplossingen te komen en de weg naar de toekomst te vinden.

Een vreedzame samenleving is een inclusieve samenleving: een samenleving waarin niemand wordt uitgesloten, een samenleving waarin mensen elkaar zien als broeders en zusters, een samenleving waarin we elkaar zien als kinderen van één Vader. Amen.

Hoop en moed; Js 35,4-7a; Jak 2,1-5; Mc 7,31-37

“Vat moed en vreest niet: Uw God komt om de wraak te voltrekken, God komt om te vergelden en om u te redden.” Wij geloven niet in een wrekende God, maar wel in een God die ons zal redden, een God die zich keert tegen onrecht en die ons vrede brengt en geluk. Op beeldende wijze schetst Jesaja wat wij hopen: een toekomst van voorspoed, vrede en geluk. De hoop op een betere toekomst vindt zijn basis in het geloof in God. Het geloof geeft ons het vertrouwen.

Vanuit het geloof is de hoop onze steun op momenten van duisternis en verlatenheid, op momenten waarop wij het niet meer zien zitten. De hoop doet ons bidden om Gods aanwezigheid als wij het moeilijk hebben. Zij houdt ons gaande en doet ons volharden op onze weg door het leven. Hoop is uitzien naar de toekomst die ons beloofd is. God zal onze hoop in vervulling doen gaan. Zo geeft de hoop ons de moed verder te gaan en niet bang te zijn voor de toekomst. Hierin verschilt de hoop ook van optimisme.

De optimist is niet moedig maar overmoedig. Hij ziet het gevaar niet. Het zal allemaal wel meevallen. Voor de optimist is toekomst alleen maar zonnig, dreigt er geen gevaar en zijn er geen tegenslagen. De hoop daarentegen doet ons niet weglopen van de problemen. De problemen worden niet ontkend maar onder ogen gezien. De hoop geeft ons de kracht gevaren te trotseren en tegenslagen te overwinnen.

God is het fundament van onze hoop. In Jezus Christus wordt God zichtbaar in onze wereld. Met zijn liefde tot het uiterste toe opent Jezus ons de ogen. Door zijn verrijzenis is het kruis een teken van hoop. Jezus laat ons zien dat de liefde leidt een betere wereld. Zijn Koninkrijk is niet van een andere wereld of van oneindig verre toekomst. Zijn Koninkrijk is daar waar mensen in navolging van Hem God en elkaar liefhebben.

Jesaja roept op tot moed. Geloof en hoop geven ons moed. Van de andere kant vragen ze ook om moed. Er is moed voor nodig om trouw aan jezelf te zijn, om trouw te zijn aan datgene dat je ten diepste beweegt en liefhebt. Er is moed voor nodig de weg van de liefde en de waarheid te gaan en er niet voor weg te lopen.

De apostel Jacobus geeft ons een concreet voorbeeld. Jacobus schrijft over de liefde voor de medemens: Hij roept ons op ook de mensen zonder aanzien lief te hebben, onze gastvrijheid voor iedereen te laten gelden en ons niet schuldig te maken aan een kwaadaardige discriminatie. Dat vraagt moed. Dat vraagt dat we niet weglopen voor onze roeping.

Vandaag hebben extra aandacht voor de schepping. Op 1 september was het Wereldgebedsdag voor de schepping. Zorg voor de schepping vraagt ook om hoop en om moed. Zonder hoop worden we doemdenkers. Dan roepen we: “Wat kan ik er aan doen? Het is toch al te laat!” Zonder hoop en zonder het vertrouwen op God gaan we bij de pakken neerzitten.

Paus Franciscus schreef hierover in Laudato si’: “De hoop nodigt ons uit te erkennen dat er altijd een uitweg is, dat wij altijd van koers kunnen veranderen, dat wij altijd iets kunnen doen om de problemen op te lossen.” (LS 61) Zorg voor de schepping vraagt ook moed. Hierover schreef de paus: “Wat voor soort wereld willen wij doorgeven aan hen die na ons zullen komen, aan de kinderen die aan het opgroeien zijn? (…) Als deze vraag moedig wordt gesteld, dan brengt zij ons onherroepelijk tot andere zeer directe vragen. Met wat voor doel gaan wij door deze wereld? Waartoe zijn wij in dit leven gekomen?” (LS 160) Het vraagt moed de problemen onder ogen te zien. Het vraagt moed om onze manier van leven te veranderen. Het vraagt moed om te kiezen voor datgene dat echt belangrijk is.

In het Evangelie horen we hoe Jezus een doofstomme geneest. Hij opent hem de oren en maakt zijn tong los. Als brenger van het heil van God brengt Jezus genezing en brengt Hij mensen tot geloof. Jezus brengt ons het geloof dat vertrouwen, kracht en moed geeft. Kracht en moed hebben wij nodig om ook zelf onze bijdrage te leveren in de bestrijding van onrecht en in de zorg voor de schepping.

Onze doopvieringen kennen het Effeta-ritueel. Verwijzend naar de Evangelietekst van vandaag worden de mond en de oren van de dopeling aangeraakt. Daarbij wordt gebeden dat de dopeling Gods Woord mag kunnen verstaan en dat hij spoedig zijn geloof mag kunnen belijden. Het openen van oren is ook nodig om het huilen van mensen die lijden, het klagen van de armen en de verdrukten en het gekreun van de schepping te kunnen horen. Het losmaken van tongen is nodig om uiting te geven aan onze zorgen, om ruchtbaarheid te geven aan mogelijke veranderingen, om anderen te mobiliseren in beweging te komen, om onze liefde voor medemens en schepping te uiten, om woorden te geven aan onze hoop op een betere toekomst, om van ons vertrouwen en geloof in God te getuigen. Amen.

Paulus en vrouwen; Ef 5,21-32

“Zo moet de vrouw háár man in alles onderdanig zijn.” Deze tekst van Paulus roept de nodige vragen op. Het is een uitspraak die je tegenwoordig niet vaak zult horen. Misschien nog wel eens aan de borreltafel waar een stelletje klagende mannen mijmert over vroeger over een tijd waarin volgens hen alles beter was dan nu. Laten we eens naar de tekst kijken: Wat staat er precies? Hoe past deze tekst in de tijd van Paulus? Wat is de boodschap die Paulus voor ons heeft?

We kijken eerst naar deze brief van Paulus als geheel. Zeven weken achterelkaar zijn er stukken uit deze brief gelezen. In het eerste gedeelte van de brief schrijft Paulus over het verlossende werk van Christus. In Christus komt alles, komt heel de schepping tot eenheid en voltooiing. Christus voert Gods plannen uit en het is de opdracht van Kerk, van de christelijke gemeenschap dit werk voort te zetten. Door Gods genade worden de mensen, joden én heidenen gered. Samen zijn zij huisgenoten van God.

In het tweede gedeelte van de brief geeft Paulus concrete richtlijnen. Het is hem duidelijk dat de praktijk niet overeenkomt met het ideaalbeeld. Ook in de christelijke gemeenschap van de Kerk is er sprake van wrok, gramschap, toorn, geschreeuw en gevloek. De Kerk moet een gemeenschap zijn die op de liefde is gebaseerd. Zij moeten de eenheid behouden, een eenheid in verscheidenheid. Mensen hebben verschillende talenten en hebben verschillende rollen. Samen moeten zij de nieuwe werkelijkheid in de wereld zichtbaar maken. Uit ontzag voor Christus moeten zij elkaar onderdanig zijn. Gods liefde moet niet alleen zichtbaar zijn in de Kerk. Zij moet het hele bestaan van christenen richting geven. Aan het einde van de brief geeft Paulus hiervan drie voorbeelden: het huwelijk, de opvoeding van kinderen en de omgang met slaven.

Paulus is geen politicus, geen maatschappijhervormer. Zijn missie overstijgt de praktische inrichting van de maatschappij. Hij moet Gods liefde voor alle mensen verkondigen. Met zijn praktische en morele richtlijnen gaat hij uit van de bestaande situatie. De bestaande situatie wordt door hem wel naar een hoger plan gebracht. De bestaande situatie in de tijd van Paulus was dat vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen, vrouwen, kinderen en slaven zijn het eigendom van de man en daarmee zijn zij afhankelijk van de willekeur van de man. Binnen deze situatie benadrukt Paulus het gebod van de liefde. Niet als een mantel van liefde om de zaak toe te dekken, maar de liefde als een principe om alles anders te doen. Als de liefde het leidend beginsel is, spelen de bestaande regels geen rol meer.

Onderdanig zijn aan elkaar is de opdracht voor iedere christen. Onderdanig zijn is hier een vorm van liefdevolle dienstbaarheid naar elkaar. Dat geldt ook voor vrouwen voor hun éigen man. In onze vertaling is het woord ‘eigen’ weggelaten. Hierdoor komt de nadruk te liggen op de onderdanigheid, terwijl de boodschap is dat zij zich moet richten op haar éigen man. Kortom de boodschap is dat vrouwen niet vreemd mogen gaan.

De boodschap die Paulus voor mannen heeft, is veel indringender. Zij moeten hun vrouw liefhebben. De vrouw is dus geen speeltje of sloofje. Zij is er niet louter voor het genot en het gemak van de man. Liefde kan er alleen bestaan tussen mensen die elkaar als gelijkwaardig beschouwen. Dit zien we terug als Paulus elders schrijft dat er geen sprake is van Joden en Grieken en van mannen en vrouwen. Allen zijn aan elkaar gelijkwaardig.

In onze tijd waarin mannen en vrouwen voor de wet gelijkwaardig zijn, moeten we deze tekst van Paulus anders lezen. De tekst over vrouwen geldt nu ook voor mannen en de tekst over mannen geldt nu ook voor vrouwen. Binnen het huwelijk zijn mannen en vrouwen onderdanig aan elkaar. Voor beiden geldt dat de liefde voor elkaar het alles bepalende beginsel is. Zij zijn er om elkaar gelukkig te maken. En ze zijn er om samen hun kinderen goed en liefdevol op te voeden. We hoeven Paulus dus niet te cancelen. We hoeven hem niet uit de Bijbel en uit de liturgie weg te poetsen. Paulus behoort niet tot de enge witte mannen die wel even zullen vertellen hoe vrouwen moeten leven.

Een soortgelijk iets zien we bij de tekst over de slavernij, die volgt op de tekst die we vandaag gelezen hebben. Paulus bepleit niet de afschaffing van de slavernij. Ook de slavernij is voor hem een gegeven. Paulus leert wel hoe de relatie tussen de slaaf en zijn meester moet zijn. Zij moeten respectvol met elkaar omgaan. Voor God zijn zij gelijkwaardig. Zo zijn zij elkaars broeders.

De voorbeelden die Paulus geeft in zijn tijd laten ons zien hoe ook wij in onze tijd moeten omgaan met de regels en gewoonten die er tegenwoordig zijn. Onze maatschappij verandert van een christelijke in een seculiere samenleving. Christelijke waarden vervagen daardoor of verdwijnen soms geheel uit onze cultuur. Dat vraagt ons niet dat we uit de maatschappij stappen en ons er afzijdig van gaan houden. Het vraagt wel dat we met de liefde als leidend principe invulling geven aan de huidige regels en gewoonten. Om een voorbeeld te noemen. Daar waar solidariteit met de medemens in onze wetgeving verschraalt, kunnen wij door eigen initiatief dit gemis compenseren. Wij kunnen onze medemensen aandacht geven en steun verlenen. Waar de wetgever onbarmhartig is, moeten wij barmhartig zijn. Amen.

Levend brood; 1 K 19,4-8; Ef 4,30-5,2; Joh 6,41-51

Jezus zegt ons: “Ik ben het brood des levens. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid.” Wij mensen moeten eten en drinken om te leven. Zonder eten en drinken verliezen wij het leven.

Dat weet Elia ook, maar hij ziet het niet meer zitten. Het verzet waar Elia mee te maken heeft, wordt hem teveel. Men is van plan hem te doden. Elia trekt zich terug in de woestijn om daar te sterven, om daar van de honger en de dorst om te komen. Dan komt er een engel met een koek en een kruik water. De engel spoort hem aan te eten en op reis te gaan. Zo krijgt Elia zijn krachten terug, krijgt hij weer moed en komt hij tot leven.

Jezus maakt onderscheid tussen het voedsel dat wij nodig hebben voor onze aardse leven en voedsel voor het eeuwig leven. Hij maakt onderscheid tussen het manna en het levende brood uit de hemel. Dit levende brood is Jezus zelf. Hij is het brood des levens. Dit levende brood voedt ons tot eeuwig leven.

Paulus schrijft dat wij gewaarmerkt zijn met het zegel van Gods heilige Geest. Alle mensen zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Iedere mens draagt een afdruk van God in zich. Iedere mens is geschapen om een tempel van de heilige Geest te zijn.

Met het Doopsel en het Vormsel wordt dit bekrachtigd. Wij ontvangen Gods Geest en wij worden getekend door zijn zegel. God noemt ons zijn geliefde kinderen, zoals Hij Jezus bij de Doop in de Jordaan zijn welbeminde Zoon noemde.

Ondanks alle genadegaven blijven christenen ook mensen met tekortkomingen. Paulus weet dat en ziet dat om zich heen, en dus schrijft hij: “Wrok, gramschap, toorn, geschreeuw en gevloek, kortom alle boosaardigheid moet bij u verdwijnen.” Paulus roept de eerste christenen op om te leven zoals dat de geliefde kinderen van God past. Hij roept ons op om goed en hartelijk voor elkaar te zijn en elkaar te vergeven. Jezus Christus is ons een voorbeeld op deze weg van de liefde. Ons wordt gevraagd Hem na te volgen. Maar zo eenvoudig is dat ook weer niet. Wij zijn tekortschietende mensen. Wij hebben verlangens die ons afbrengen van de weg van de liefde. Vaak zijn wij op onszelf gericht in plaats van gericht op de ander.

Het kost ons moeite en inspanning om de weg van Jezus te gaan. Het kost ons energie om zijn leerlingen te zijn. Energie verkrijgen we door te eten en te drinken. Dat geldt voor de energie nodig voor lichamelijke inspanningen. Dat geldt ook voor de energie nodig voor mentale inspanningen. Dat zien we ook bij Elia. Hij had energie nodig om veertig dagen en nachten te kunnen lopen, maar hij had vooral ook mentale energie nodig om het leven weer aan te kunnen.

Jezus geeft een grote menigte te eten. Zij hebben voedsel nodig om bij Hem te kunnen zijn. Hij laat brood en vis uitdelen. Maar Jezus gaat nog een stap verder. Jezus beloofd de mensen ook zichzelf te geven als voedsel. “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.” Jezus loopt hier vooruit op de dingen die nog zullen gebeuren. Hij loopt vooruit op zijn lijden en sterven. Hij loopt vooruit op zijn grote daad van liefde. Jezus geeft zijn leven voor de redding en de verlossing van allen. Hij heeft zich voor ons overgeleverd als offergave en slachtoffer.

Dit offer van Jezus is van de ene kant een eenmalige historische gebeurtenis. Van de andere kant is het ook een altijddurend en een zich steeds herhalend offer. Elke keer als wij de Eucharistie vieren beleven we dit offer opnieuw. Door deel te nemen aan de Eucharistie ervaren wij dat Jezus zich aan ons geeft als levend brood. Door te luisteren naar de Bijbellezingen horen we God tot ons spreken. Zo worden we gevoed door zijn Woord. Zo zijn wij met Hem in gesprek. Door het nuttigen van het heilig Brood komt Jezus heel concreet tot ons. Hij verbindt zich met ons en wij verbinden ons met Hem en met elkaar. Dit geeft ons de energie die wij nodig hebben om te leven zoals dat de geliefde kinderen van God past.

Het levende brood dat Jezus ons geeft, geeft ons niet alleen eeuwig leven. Dit levende brood geeft ook de energie nodig voor de mentale inspanningen die passen bij onze christelijke wijze van leven. Het levende brood maakt ons tot nieuwe mensen. Wij bieden ook onszelf als offergave aan. Doordat het levende brood ons deel doet zijn van Jezus Christus ondergaan ook wij een verandering. Zo worden wij, wat wij eten.

Dit zijn de genadegaven die Jezus ons geeft. Door ons hiervoor open te stellen, door onze ontvankelijkheid tonen wij ons leerlingen van Jezus. Zo tonen wij onze afhankelijkheid van zijn verlossende en bevrijdende offergave voor heel de mensheid. Dit maakt de Eucharistie tot bron en hoogtepunt van ons leven. Zo worden wij gevoed om Jezus met onze woorden en onze daden zichtbaar te maken in de wereld. Amen.

“Waar heeft Hij dat vandaan?” Ez 2,2-5; 2 Kor 12,7-10; Mc 6,1-6

“Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is?” Met deze woorden wordt er over Jezus gesproken door zijn stadsgenoten. Ook ons kan dat overkomen als we spreken over ons geloof. Wie ben jij dat je mij zult vertellen wat ik zou moeten geloven? Dat is jouw waarheid. Ik heb mijn eigen waarheid. Op het eerste gezicht is de situatie van tegenwoordig te vergelijken met die van tweeduizend jaar geleden. Er is echter een belangrijk verschil. Bij Jezus werd er vooral getwijfeld aan de boodschapper. Wie meent Hij wel dat Hij is? In onze tijd staat de boodschap zelf ter discussie.

In de tijd van Jezus was iedereen ervan overtuigd dat er één waarheid is. Die waarheid moet gezocht worden. Die waarheid bestaat buiten onszelf. Alleen God kent de volle waarheid. Mensen kunnen de waarheid alleen kennen doordat zij aan hen geopenbaard wordt. In onze tijd hebben velen de neiging geheel van zichzelf uit te gaan. Daarmee is de waarheid subjectief geworden, afhankelijk van wat ik ervan vind. Onwrikbare en door ieder gedeelde waarheden bestaan dan niet meer. Dit geldt zowel voor geloofswaarheden als voor wetenschappelijke waarheden. Niet alleen het geloof is in de ogen van velen slechts een mening. Voor velen is dat ook met de wetenschap het geval. Voor zowel geloof als voor wetenschap is het essentieel dat de waarheid iets objectiefs is en niet afhankelijk van de mening van mensen. Mensen kunnen verschillende ideeën over de waarheid hebben. Maar dat neemt niet weg dat er slechts één waarheid bestaat, een waarheid die we op het spoor kunnen komen. Waarheid wordt niet bedacht maar gevonden. Dit geldt zowel voor het geloof als voor de wetenschap.

Zo zijn er meer zaken die wij niet zelf kunnen veroorzaken, niet zelf kunnen maken. Alleen door ervoor open te staan, kunnen we ze ontvangen. Zo wordt het leven ons gegeven. Niemand veroorzaakt zijn eigen leven. Ook liefde is niet iets wat we zelf kunnen maken. Je kunt aardig en vriendelijk doen, maar liefdevol zijn is een gave. Echt grote liefde overkomt je. De liefde voor je partner, de liefde voor je ouders en je kinderen en ook de liefde voor God en voor de medemens: het zijn geschenken. Ook gelukkig zijn is een gave. Geluk is niet maakbaar. Wat we wel kunnen, is dit soort belangrijke zaken kapot maken. Wij kunnen de waarheid ontkennen en leugens verspreiden. We kunnen de liefde kapot maken. We kunnen ons in het ongeluk storten. We kunnen ons zelfs van ons eigen leven beroven. Dit zijn uitersten. Er zijn mildere vormen van tegenwerking. Denk aan onverschilligheid. Denk aan geslotenheid. Denk aan overmoed het allemaal zelf in de hand te hebben.

Op de lagere school leerde ik dat wij met genade moeten meewerken. Dit is nog steeds een belangrijke levensles. Met de genade meewerken betekent, dat we niet passief kunnen afwachten. We moeten op zoek gaan en ons openstellen voor het goede dat het leven ons biedt, voor de waarheid, voor de liefde en voor het geluk. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”. (Joh 14,6) Jezus is de bron van alles wat ertoe doet in ons leven. Leerling van Jezus zijn betekent Hem beschouwen als de basis van ons bestaan.

Leerling zijn van Jezus betekent ook dat we deze schat niet alleen koesteren maar ook gaan delen met anderen. Hij zegt tegen ons: “Maakt alle volkeren tot mijn leerlingen”. (Mt 28,19) Wij worden opgeroepen daadwerkelijk ons geloof te verkondigen. Wij worden opgeroepen in gesprek te gaan met de mensen om ons heen. Het gesprek aangaan met de mensen om ons heen is geen eenvoudige opdracht. Paus Franciscus schrijft regelmatig over het voeren van de dialoog. Hij schrijft: “Ware wijsheid is de vrucht van reflectie, van dialoog en van de edelmoedige ontmoeting tussen mensen.”[i] En: “Samen kunnen we de waarheid zoeken in dialoog, in een ontspannen gesprek of in een heftig debat. Daarvoor is enig doorzettingsvermogen nodig; het brengt zwijgen en lijden met zich mee. Met het nodige geduld kan het de lange ervaring van mensen bijeenbrengen.”[ii] Deze manier van met elkaar in gesprek gaan, vraagt de erkenning dat geen enkele mens de gehele waarheid in pacht heeft. Het vraagt ook de bereidheid open te staan voor hoe de ander de waarheid ziet. Het vraagt een open uitwisseling van ervaringen en ideeën.

Paulus schrijft in zijn brief over de kracht van de zwakte: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.” Het gaat er niet om de ander met kracht van argumenten te overtuigen. Ons eigen zoeken, twijfelen en gelovig stamelen zullen onze gesprekpartner eerder tot nadenken brengen dan stevige leerstellige argumenten en inzichten. Ook Jezus ging er in Nazareth niet met volle kracht tegenaan. Hij genas een klein aantal zieken die Hij de handen oplegde. En Hij ging rond door de dorpen in de omtrek.

Als wij vanuit onze eigen zwakheid naar buiten treden zijn we in staat op uitnodigende en gastvrije wijze onze medemensen tegemoet te treden. Dan zullen zij ervaren en weten – evenals bij Ezechiël – dat wij onze waarheid, onze liefde en ons geluk als een geschenk ervaren en daarin graag anderen laten delen. Amen.


[i] Franciscus, Laudato si’, 47.

[ii] Franciscus, Fratelli tutti, 50.

Solidariteit en gerechtigheid; W 1,13-15.2,23-24; 2 Kor 8,7.9.13.15; Mc 5,21-43

God heeft alles geschapen om te leven. De tekst van de eerste lezing komt uit het boek Wijsheid. Dit boek is geschreven in de eerste eeuw voor Christus. De schrijver leefde in de stad Alexandrië in Egypte. Dat was toen een belangrijk centrum van de Griekse cultuur. De auteur richt zich op de Griekssprekende joden. Zij leven in de diaspora te midden van de heidenen. Hoe moeten zij zich verhouden ten aanzien van de wereld om hen heen. De schrijver zet zich niet alleen af tegen de Griekse cultuur. Hij neemt er ook zaken uit over en plaatst deze in het geloof van het jodendom.

De tekst die wij vandaag hebben gelezen bestaat uit vier zinnen. De eerste twee vormen de afsluiting van het eerste tekstgedeelte van het boek Wijsheid. De tweede twee zinnen vormen de afsluiting van het tweede tekstgedeelte. In het eerste tekstgedeelte gaat het over de gerechtigheid. Gods Geest van wijsheid vervult heel de schepping. Hij heeft de mensen lief. De heilige Geest onderwijst ons en houdt ons af van het kwaad.

De heilige Geest houdt ons op het pad van de gerechtigheid. Dit is de weg van de waarheid, van de liefde en van het leven. Dit is de weg die God voor de mensen heeft gewild. Dit is de weg die leidt tot het volle leven, tot het eeuwig leven. Daartegenover staat de weg die de goddelozen gaan. Hierover schrijft de auteur in het tweede tekstgedeelte. Deze tekst mag dan ruim tweeduizend jaar oud zijn, zij is ook heel herkenbaar voor onze tijd.

In het boek Wijsheid zijn de heidenen de goddelozen, maar ook de joden die teveel de ideeën van de Griekse cultuur volgen. Ook de goddelozen hebben het over gerechtigheid, maar deze verschilt sterk van de gerechtigheid van de Geest van wijsheid. De gerechtigheid van de Geest van wijsheid is gericht op het leven, op de liefde en op de waarheid. Het is een gerechtigheid die gericht is op het recht van de ander.

De gerechtigheid van de goddeloze is gericht op zichzelf. Hier heb ik recht op. Je hoort het ook tegenwoordig met grote regelmaat. Omdat het leven kort is en eindig moet je nu zoveel mogelijk genieten. Je moet feestvieren en voortdurend vrolijk zijn. Je moet ook sterk zijn want zwakheid leidt tot niets. Deze gerechtigheid gaat ten koste van de ander. De zelfgerichtheid leidt tot ledigheid en verslaving. Zij is niet het pad van het leven, maar van de dood en van het kwaad. De zelfgerichtheid gaat niet alleen ten koste van andere mensen. Zij gaat ten koste van heel de scheppin. Zij gaat ten koste van alle leven.

Ook Paulus waarschuwt ons voor zelfgerichtheid. Hij vraagt de christenen van Korinthe om solidair te zijn met de christenen in Jeruzalem. Zij verkeren in slechtere omstandigheden dan de gemeenschap in Korinthe. Gerechtigheid en solidariteit vragen niet dat je alles weggeeft wat je bezit. Het gaat om het delen van jouw overvloed. Paulus schrijft: “Er moet een zeker evenwicht tot stand komen.” Hierna citeert Paulus woorden uit het boek Exodus: “Hij die veel had verzameld, had niet te veel, en hij die weinig had verzameld kwam toch niet te kort.”

Deze tekst komt uit het verhaal over het manna in de woestijn. Er is genoeg manna voor iedereen. Een grote hoeveelheid was niet teveel en een kleine hoeveelheid niet te weinig. Iedereen verzamelde precies wat hij nodig had. Het gaat echter mis als iemand iets wil bewaren, dus zich meer heeft toegeëigend dan nodig is. Dan gaat de overvloed rotten en stinken. God geeft in overvloed, maar wij zijn zelf verantwoordelijk daar op de juiste wijze mee om te gaan.

Dit lezen we ook in de laatste twee zinnen van de lezing uit het boek Wijsheid. God heeft ons naar zijn evenbeeld geschapen en daarmee tot onsterfelijkheid bestemd. Maar door de afgunst, door de zelfgerichtheid keren wij ons af van God. Zo komt het kwaad en de dood in de wereld. Het overvloedig toe-eigenen van het manna leidt tot rotting en tot stank. De zelfgerichtheid is een kwaad dat ten koste gaat van het leven, het leven van onze medemensen en het leven van heel de schepping.

Solidariteit en gerechtigheid leiden ons op de weg van het leven. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Hoezeer Jezus zelf het leven is, zien wij vandaag in het Evangelie. Hij geneest zieken en laat doden weer leven. Als leerlingen van Jezus mogen wij in zijn voetsporen treden. Wij doen dit door naar vermogen bij te dragen aan het leven en het geluk van onze medemensen. Door onze gerichtheid op de ander brengen wij de ander tot leven. Zo gaan wij de weg van de gerechtigheid, de weg van de waarheid en van de liefde. Zo brengen wij de wijsheid die ons geschonken wordt, in de praktijk. Dit brengt ook ons een leven van geluk, een leven in liefde en waarheid, een leven in en met God. Amen.

Ontvankelijkheid, geduld en vertrouwen; Ez 17,22-24; 2 Kor 5,6-10; Mc 4,26-34

Vandaag vertelt Jezus ons twee gelijkenissen: de gelijkenis van de kracht van het zaad en de gelijkenis van het mosterdzaadje. De twee gelijkenissen vormen één geheel met de eerder vertelde gelijkenis van de zaaier. In de gelijkenis van de zaaier gaat het over het zaad dat op de rots valt, tussen de doornen of op goede grond. Afhankelijk van de grond draagt het zaad wel of niet rijke vruchten. In de uitleg die Jezus zelf van deze gelijkenis geeft, vertelt Hij dat het zaad staat voor het Woord. Afhankelijk van de verstaander draagt het Woord vam God wel of niet rijke vruchten.

Vandaag gaat Jezus dieper in op het vrucht dragen door het zaad. Het zaad bezit een enorme kiemkracht. Maar het is niet het zaad alleen: “Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort…”. Het gaat om de combinatie van het zaad en de grond waarin het ontkiemt. Evenals in de gelijkenis van de zaaier gaat het om de combinatie van het Woord en de mensen die het Woord horen. Het zaad is het Woord van God dat een enorme kracht in zichzelf bezit, maar ondanks die grote kiemkracht is de medewerking, de ontvankelijkheid van de mens noodzakelijk om het vrucht te laten dragen.

In de gelijkenis van vandaag voegt Jezus daar nog het een en ander aan toe. Het ontkiemen van het zaad vraagt geduld en vertrouwen. Het gebeurt terwijl de zaaier met andere zaken bezig is. Het vrucht dragen van Gods Woord gebeurt niet van de een op de andere dag. Het is een levenslang proces van groeien in geloof.

Ook Paulus schrijft hierover. Hij schrijft over ons ongeduld. We “zouden liever uit het lichaam verhuizen om onze intrek te nemen bij de Heer.” Waarschijnlijk denkt u, net als ik: zoveel haast heb ik nu ook weer niet. We verlangen naar het goede leven, een leven vol van liefde en geluk. We hopen dat ooit te vinden in een leven geheel opgenomen in God. Maar we zijn ook gehecht aan ons aardse bestaan. Dat geeft ons ook de tijd en de mogelijkheid verder te groeien in geloof, te groeien in de verbondenheid in en met God.

De komst van het Rijk Gods is geen spectaculair gebeuren. Het is een geleidelijk proces: langzaam maar zeker komt het Rijk Gods tot stand. Langzaam groeit het zaad uit tot een vruchtdragende plant. Het uiteindelijke resultaat is wel spectaculair. Dit wordt duidelijk uit de gelijkenis van het mosterdzaadje. Het kleinste zaadje groeit uit tot een enorme struik. Een mosterdzaadje is een millimeter groot. Een mosterdstruik meet enkele meters zowel in hoogte als in breedte. Dat is in het geheel zo’n vijfentwintig miljard keer groter dan het zaadje.

De profeet Ezechiël gebruikt het beeld van een twijgje van een ceder dat door God geplant wordt en uitgroeit tot een machtige boom. En net als in de mosterdstruik zullen vogels in zijn schaduw kunnen nestelen. Het Rijk Gods biedt onderdak en beschutting voor de velen die het moeilijk hebben en bescherming zoeken. Zij kunnen rekenen op Gods barmhartigheid.

De komst van het Rijk Gods is niet zoals een donderslag bij heldere hemel. God overvalt ons niet. Het begint met een klein zaadje, het groeit uit tot een enorme plant en vervolgens komen er vruchten aan de plant. Die vruchten groeien en rijpen en daarna is het pas tijd voor de oogst. “Zodra de vrucht het toelaat slaat hij er de sikkel in…”. Als de vruchten volgroeid en gerijpt zijn wordt er geoogst: Het Rijk Gods komt als een oogstfeest. Het Rijk Gods komt niet op ons af. Het is niet iets dat buiten ons staat. Wij zijn het zelf die door God worden geoogst. Gods Woord komt in ons tot bloei en draagt in ons rijke vruchten. Het mensgeworden Woord van God, Jezus, wil ook mens worden in ons. Jezus wil ook in ons geboren worden. Als leerlingen van Jezus verbinden wij ons met Hem, doordat Hij zich met ons heeft verbonden.

Tenslotte is er nog de slotzin van de Evangelielezing: “Anders dan in gelijkenissen sprak Hij niet tot hen, maar eenmaal met zijn leerlingen alleen gaf Hij van alles uitleg.” Wat moeten we hiermee. Vertelde Jezus iets aan de leerlingen, wat wij niet mogen weten? Waarom schrijft Marcus niet over deze uitleg die de leerlingen krijgen? Uit niets blijkt dat er een geheim is, dat de leer van Jezus geheimen bevat. Integendeel Jezus is zelf de openbaring van God. Wel lezen we met grote regelmaat dat de leerlingen Jezus niet begrijpen. Jezus verkondigt zijn leer in gelijkenissen op een verstaanbare wijze. Het kunnen verstaan van de boodschap van Jezus is niet op de eerste plaats een kwestie van met ons verstand kunnen begrijpen. Het kunnen verstaan is hier op de eerste plaats een kwestie van openstaan voor het mysterie.

De boodschap van Jezus is niet in strijd met logica en rationaliteit, maar gaat wel verder dan dat. Het gaat verder dan wat wij met ons verstand kunnen begrijpen. Naast verstandelijk begrijpen is er ook sprake van geloof, hoop en liefde. Geloof, hoop en liefde zijn geen logische, geen rationele zaken. Geloof, hoop en liefde vragen ontvankelijkheid en vertrouwen. Geloof, hoop en liefde vragen om een persoonlijke relatie. Het lijkt mij dat Jezus juist hieraan werkte als Hij met zijn leerlingen alleen was. Dit geldt nog steeds. Geloofsoverdracht is niet alleen een zaak van onderricht. Het vraagt ook ontvankelijkheid en vertrouwen en het opbouwen van een relatie, een relatie met elkaar en een relatie met Jezus. Ook dat vraagt kiemkracht, geduld en tijd om te groeien. Amen.