Skip to content

Duurzame deugden

Met vertegenwoordigers van verschillende religies spraken we over duurzaamheid. Welke specifieke bijdrage kunnen wij op dit gebied leveren. De politiek en de wetenschap moeten concrete maatregelen aandragen en doorvoeren. Concrete maatregelen vragen echter een voedingsbodem waarin ze aanvaard worden en tot bloei komen. Hieraan kunnen de religies een belangrijke bijdrage leveren. Zij kunnen zorgen voor een nieuwe manier van denken. Paus Franciscus roept in Laudato si’ op tot een ecologische bekering en tot een ecologische spiritualiteit.

Het was zeer bemoedigend te zien dat de toch zeer verschillende religies elkaar vinden in een gelijke houding ten opzichte van de schepping en de inzet voor een duurzame samenleving. De gevoerde gesprekken leverden een waaier van gedachten op waarin iedereen zich kon vinden. Deze gedachten vat ik hier samen onder de term duurzame deugden.

In willekeurige volgorde gaat het om de volgende deugden: wijsheid, moed, compassie, verantwoordelijkheid, dienstbaarheid, verbondenheid, gerechtigheid, dankbaarheid, vreugde en hoop. De beoefening van deze duurzame deugden zetten ons op het spoor van een ecologische spiritualiteit. Uiteindelijk leiden ze ons tot een ecologische bekering en tot een nieuwe manier van denken waarmee wij openstaan voor concrete maatregelen die onze manier van leven ingrijpend zullen veranderen.

Column op de website Kerk en Milieu, mei 2017: www.kerkenmilieu.nl
Column in Kerk aan de Vliet mei/augustus 2017

Vakantie: een oefening in loslaten

De vakantietijd breekt aan. Een tijd van rust en ontspanning, een tijd van loslaten en reflectie. Even de boel de boel laten, even niet presteren, even niet alles onder controle. In deze jachtige tijd is de behoefte aan vakantie groot.

Hoe anders was dat vijftig jaar geleden. Mijn vader zei altijd: “Ik hoef geen vakantie, want ik heb elke dag vakantie.” Niet dat hij rentenier was. Hij had een kruidenierswinkel en een foeragehandel. Niet bepaald een beroep met keurig afgebakende werktijden. Daarnaast waren er zeven kinderen op te voeden en werkte mijn moeder natuurlijk ook in de winkel. Blijkbaar was er toch voldoende rust in het dagelijkse leven om geen vakantie te willen.

Druk, druk, druk…
Nu is iedereen druk en als je niet druk bent, klopt er iets niet. Is het nog wel mogelijk voldoende rust in te bouwen in het leven van alledag of zijn we er toe veroordeeld ons telkens over de kop te werken tot de volgende vakantie? Wat doen we trouwens met onze vrije tijd? Besteden we die aan rust en aan elkaar of moeten we ook dan weer van alles presteren en vullen we het weekeinde met rennen van de ene activiteit naar de andere? Vrije tijd en vakantie: ook daar kunnen we het geweldig druk mee hebben. Wat moeten we allemaal nog meemaken en wat hebben we nog niet van de wereld gezien? Wat beweegt ons?

Tijd om te leven
Misschien moeten we toch maar eens wat activiteiten schrappen en is de beste vrijetijdsbesteding werkelijk niets doen. Vanuit die rust kunnen we eens rustig om ons heen kijken, aandacht voor elkaar hebben en werkelijk tot leven komen. Ook als we de natuur intrekken, vreemde steden bezoeken of ons eens laten verwennen kunnen we dat doen vanuit een houding van rust. Door los te laten is het geen eigen prestatie, maar overkomt het je en wordt het een geschenk dat je aangeboden wordt. Zo wordt het een ervaring waarvan je werkelijk geniet.

Tot slot een waarschuwing. Door loslaten, rust en reflectie is het mogelijk dat je tot nieuwe inzichten komt, werkelijk tot leven komt en dat je overvallen wordt door een geheel nieuwe onrust: de onrust van het leven, van de liefde, van God zelf. Ik wens iedereen een fijne vakantie.

Artikel in Kerk aan de Vliet mei/augustus 2017

Geest van liefde en waarheid; Hnd 8,5-8.14-17; Joh 14,15-21

Vorige week hoorden we Jezus zeggen: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Vandaag komt dat thema weer op een andere manier terug: “Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult leven.” In het Evangelie volgens Johannes leren we Jezus kennen als de bron van leven: Hij is het leven zelf. Hij leeft en door Hem leven ook wij. Hij is het brood des levens en Hij geeft ons levend water. Johannes begint het Evangelie met de woorden die wij met Kerstmis lezen: “In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan.”

Jezus verbindt vandaag een aantal zaken aan elkaar: leven, liefhebben, geboden onderhouden en waarheid. Begrippen die wij niet gewend zijn zo met elkaar in verband te brengen. Hij maakt ook onderscheid tussen biologisch leven en werkelijk leven. Het biologisch leven, het leven van de wereld ziet Hem niet meer. Dat leven zag Hem alleen toen Hij hier als mens van vlees en bloed op aarde rondliep. Dat leven is niet ontvankelijk voor de Geest van waarheid. Dat leven is de duisternis dat het licht niet aanneemt. De leerlingen zullen echter leven. Zij zullen Jezus blijven zien en ervaren dat Hij leeft. Zij ontvangen de Geest van waarheid, de Geest die bij hen blijft en in hen zal wonen. Zij zullen leven in God en leven in zijn liefde.

Jezus geeft ons werkelijk leven als wij zijn geboden onderhouden. Het belangrijkste gebod dat Hij ons leert, is het gebod van de liefde: “Gij zult de Heer, uw God, beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” Alle andere geboden zijn hiervan afgeleid. Wie Jezus liefheeft, kan niet anders dan zijn geboden onderhouden. Dat is geen plicht of opdracht; het is een resultaat van de liefde. Zo zijn leven, liefde, waarheid en geboden onderhouden met elkaar verbonden. Jezus waarschuwt dat de wereld hiervoor niet ontvankelijk is. Zij is niet ontvankelijk voor de Geest van waarheid, omdat zij Hem niet ziet en niet kent. De wereld is door blindheid geslagen en verkeert in de duisternis.

Jezus is de bron van leven. Niemand kan zichzelf het leven geven. Waartoe we ook in staat zijn, hoe zelfredzaam we ook denken te zijn, nooit zal er iemand in staat zijn zichzelf het leven te geven. Het leven is werkelijk een geschenk dat wij ontvangen. Leven, liefde en waarheid: het zijn zaken die ons geschonken worden. Maar geschenken moet je wel aannemen. Zij vragen om ontvankelijkheid. Als wij niet ontvankelijk zijn, als wij denken alles zelf te kunnen, zullen we deze geschenken niet aannemen. Als wij niet ontvankelijk zijn, zien we de Geest der waarheid niet, dan zien we geen licht in de duisternis, dan zien we niet dat Jezus leeft en dat Hij leven geeft, dan komen we ook zelf niet werkelijk tot leven, dan blijft ons leven beperkt tot het biologische en materiële.

De wereld is door blindheid geslagen en verkeert in de duisternis. Het is onze opdracht de mensen de ogen te openen. In de eerste lezing zien we hoe de diaken Filippus dat doet. Hij verkondigt het Evangelie en verricht tekenen. Filippus is een van zeven die door de apostelen de handen krijgen opgelegd om dienstbaar te zijn. Hij is een van de eerste diakens. Vorige week hebben we het over dienstbaarheid gehad, de dienstbaarheid van de Kerk, de dienstbaarheid van de diakens en de dienstbaarheid van alle gelovigen. Samen vormen wij een netwerk van liefde en verrichten we daden van liefde. Vanuit dat netwerk verkondigen we met woord en daad het Evangelie. Komende maandagavond gaan we hier met elkaar in gesprek over de wijze waarop we de barmhartigheid en onze dienstbaarheid concreet gestalte kunnen geven binnen onze parochies. U bent daarbij allen van harte welkom.

Jezus belooft ons de heilige Geest, de Geest der waarheid. Telkens weer hebben wij deze Helper en zijn gaven nodig. Het zijn deze gaven van wijsheid, verstand, inzicht, sterkte, kennis, liefde en ontzag voor God die ons brengen tot een waarachtig leven in navolging van Christus, tot een leven in liefde en waarheid en tot het onderhouden van de geboden die Jezus Christus ons geeft. Amen.

Dienstbaarheid; Hnd 6,1-7; Joh 14,1-12

De Hellenisten beginnen te morren tegen de Hebreeën, want hun weduwen worden achtergesteld. Wat is hier de situatie? We staan nog helemaal aan het begin van het christendom: alle christenen komen op dat moment nog voort uit het jodendom. Zij vormen op dat moment een nieuwe beweging binnen het jodendom. Het verschil is hier dat de Hebreeën Aramees spreken en de Hellenisten Grieks, maar beide groepen zijn joods. Bij welke dagelijkse ondersteuning van de weduwen van Hellenisten worden achtergesteld wordt in de tekst niet duidelijk. In de oorspronkelijke Griekse tekst is er sprake van de dienst van de tafel. Dit kan betekenen dat de vrouwen bij de dagelijkse maaltijd tekort komen, maar het kan ook verwijzen naar de tafel van de Eucharistie. Mogelijk kunnen de Hellenisten het Aramees van de apostelen niet goed verstaan en voelen ze zich daardoor achtergesteld.

Ongetwijfeld zijn de Hellenisten een minderheidsgroep en zijn de Hebreeën de dominante groep. Een voor de hand liggende oplossing is dan ook dat de apostelen inburgering en taallessen voor de Hellenisten organiseren: leer onze taal en gewoonten en je wordt helemaal opgenomen in onze groep. Maar dat doen de apostelen niet. Ze komen met een geheel andere oplossing. Zeven mannen krijgen de opdracht aandacht te besteden aan de ondersteuning van de weduwen van de Hellenisten. Deze zeven mannen hebben Griekse namen; zij zelf ook Hellenisten. Het zijn zeven mannen uit de minderheidsgroepering. Zij moeten de achterstelling opheffen. Daarmee wordt deze groep voor vol aangezien en worden ze serieus genomen. Jezus zegt ons: “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.” De apostelen laten hier zien wat dat voor hun eigen handelen betekent. Zij maken ruimte voor de anderen, voor mensen met een andere taal en cultuur. Later zullen ze hierin nog verder gaan door ook heidenen te dopen.

De tekst uit de Handelingen van de apostelen wordt gezien als de instelling van het ambt van diaken. De zeven mannen krijgen de handen opgelegd om dienstbaar te zijn. In onze vertaling worden de woorden ondersteuning en bediening gebruikt, in de oorspronkelijke Griekse tekst staan hier de woorden diakonia en diakonein. Hier zijn onze woorden diaconie en diaken van afgeleid. Het woord diaken komt in de tekst van de Handelingen niet voor. In sommige vertalingen wordt het ter verduidelijking toegevoegd. Dat zullen we volgende week horen als het over Filippus gaat om hem niet te verwarren met de apostel Filippus die we in het Evangelie aan het woord hoorden. Alleen Stefanus en Fillipus komen we in het vervolg nog tegen. Hoe het de andere vijf is vergaan, weten we niet. Wel wordt in de brieven van Paulus ook over diakens geschreven. Direct in het volgende hoofdstuk lezen we hoe Stefanus vol vuur de Blijde Boodschap verkondigt. Het gevolg daarvan is dat hij gestenigd wordt en sterft als de eerste martelaar. Ook van Filippus wordt vermeld dat hij het Evangelie verkondigt. Hij wordt een evangelist genoemd. Ook wordt er iemand door hem gedoopt.

Hoewel heel summier zien we hier toch de eerste vorm van het diakenambt. De diaken wordt gewijd voor de dienstbaarheid: de dienst van de liefdewerken, de dienst van het woord en de dienst aan de tafel. Hij geeft de dienstbaarheid van de Kerk gestalte. Hij doet dit door naar binnen en naar buiten de Kerk zelf dienstbaar te zijn en door de dienstbaarheid van de geloofsgemeenschap te bevorderen.

Daar waar het de caritas betreft, de dienst van de liefdewerken is het belangrijker dat de diaken de parochianen hiertoe stimuleert dan dat hij op dit gebied zelf enorm actief is. De aanwezigheid van een diaken maakt een parochie nog niet diaconaal. Dat zullen de parochianen toch echt zelf moeten doen. De diaken moet oog hebben voor de noden in de maatschappij en deze onder de ogen van de geloofsgemeenschap brengen. Maandag 22 mei is er een bijeenkomst over barmhartigheid. Dan zullen met elkaar bespreken hoe deze dienstbaarheid concreet gestalte krijgt in onze parochies.

De dienst van het woord krijgt binnen de Kerk gestalte met het lezen van het Evangelie en ook het doen van de verkondiging. Daarnaast treedt de diaken ook met de Blijde Boodschap naar buiten en probeert vanuit de Kerk ook de maatschappij van dienst te zijn. De diaken mag de dienstbaarheid van Jezus Christus in de Kerk en in de wereld zichtbaar maken en aan de orde stellen. Hij mag Christus Dienaar binnen en buiten de Kerk present stellen. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Wij worden opgeroepen Hem na te volgen. Van ons allen wordt gevraagd dat we dienstbaar zijn.

De diaken mag ook werken aan de gemeenschap, aan een gemeenschap van solidariteit en verbondenheid, aan het komen tot een eenheid in verscheidenheid, zoals we vandaag ook zien bij de aanstelling van de zeven. De diaken mag bouwen aan het netwerk van liefde. Hij probeert mensen over grenzen heen bij elkaar te brengen. Met de dienst aan de tafel, het assisteren van de priester maakt de diaken de dienstbaarheid in de liturgie zichtbaar. Deze dienstbaarheid symboliseert de dienst van de Kerk aan de wereld.

Vaak wordt aan diakens de vraag gesteld wat ze allemaal wel en niet mogen. U zult nu begrijpen dat die vraag niet zo interessant is. De opdracht die de diaken heeft, vraagt niet zozeer om bevoegdheden. Deze opdracht vraagt om medewerking van de parochianen. Dat kan door mee te denken en mee te doen. Daarvoor komen we op 22 mei bij elkaar – Daarnaast vraagt dit werk om de ondersteuning met uw gebed.

Jezus zegt ons: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Wij worden opgeroepen Hem na te volgen en dienstbaar te zijn zoals Hij is. Daarnaast is ook zijn moeder Maria een toonbeeld van dienstbaarheid. Zij stelde zich geheel in dienst van God. Zij is ook de moeder van de Kerk en ons aller moeder. In haar eren wij alle moeders, allen die hun leven in dienst stellen van hun kinderen. Amen.

Elkaar nodig hebben; 1 Pt 2,20-25; Joh 10,1-10

“Geduldig verdragen dat gij te lijden hebt om uw goede daden, dat is het wat God behaagt.” Ik weet niet hoe het u vergaat, maar bij zo’n uitspraak is mijn eerste reactie: hoezo geduldig het lijden verdragen? Wil God graag dat ik lijd? Daar kan ik mij niets bij voorstellen. Wat is de boodschap van deze brief voor ons?

Laten we eerst even kijken naar de situatie waarin de brief geschreven is. Hij is gericht aan christenen die maken hebben met discriminatie en verdrukking. Zij leven in een maatschappij die hen niet goed gezind is. In het begin van de brief gaat het over “allerlei beproevingen”. Het lijden is een belangrijk thema in deze brief. Er wordt een relatie gelegd naar het lijden van Christus. Vanuit die relatie worden de lezers bemoedigd en gesterkt met geloof en hoop. In die context wil de brief een antwoord geven op de vraag wat onze roeping is.

De brief gaat over de christelijke roeping om je beschikbaar te stellen en dienstbaar te zijn aan alle mensen. Deze roeping kent geen grenzen. Zij geldt voor alle omstandigheden en naar alle mensen, ook naar de goddelozen. Het gaat om naastenliefde en heiligheid: weest heilig want God is heilig. De brief gaat verder over de gemeenschap die wij in Christus vormen. “Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel.” “Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk.”

Wij worden geroepen om Christus na te volgen, in zijn voetstappen te treden en deel uit te maken van zijn gemeenschap. Dat kan met lijden en beproevingen gepaard gaan. Ook Christus is het lijden niet uit de weg gegaan. Roeping kunnen we ook niet los zien van gemeenschap. We worden geroepen om dienstbaar te zijn naar elkaar. Dienstbaar te zijn binnen de gemeenschap die heel concreet vorm krijgt in de gemeenschap van de Kerk, maar daartoe niet begrensd is. Uiteindelijk gaat het om de gemeenschap van alle mensen. Alle mensen zijn kinderen van God. Alle mensen hebben God nodig, alle mensen hebben liefde nodig. Niemand kan zonder een ander. Christelijke roeping is er niet voor jezelf maar voor de ander. Je wordt persoonlijk geroepen dienstbaar te zijn aan de medemens.

We worden geroepen ten behoeve van de gemeenschap, maar we worden ook geroepen door de gemeenschap. Onze roeping van Godswege wordt concreet in wat mensen van ons vragen. Mensen worden geroepen tot gemeenschap, tot relatie met elkaar. Wie denkt zelf niet afhankelijk te zijn van een ander, kan er ook niet zijn voor de ander. Als ik niemand nodig heb, heeft ook niemand mij nodig. God wil ons geluk. Hij roept ons tot het geluk. Hij roept ons tot geluk als onderdeel van de gemeenschap. Hij roept ons tot geluk in relatie met anderen. Het geluk is niet los van anderen verkrijgbaar. Deel uitmaken van de gemeenschap gaat ook niet zonder lijden. Juist door onze relatie met elkaar kwetsen we ook elkaar. Dat is het lijden dat we geduldig te verdragen hebben. Dat is het lijden dat het gevolg is van de goede daden.

Wij worden allen geroepen een christelijk leven te leiden, ieder op zijn eigen wijze, met zijn eigen taak en in zijn eigen rol. Zo vormen wij samen de wereldkerk en zo vormen wij ook ter plaatse de lokale geloofsgemeenschap. Vandaag wordt ons gebed gevraagd voor speciale roepingen: roeping tot het gewijde ambt van bisschop, priester of diaken en roeping tot het religieuze leven. Dit zijn vormen van christelijk leven die van essentieel belang zijn voor de opbouw van de gemeenschap.

In het Evangelie wordt ons het beeld van de herder en zijn schapen voorgehouden. De schapen kennen de stem van de herder en de herder roept de schapen bij hun naam. Zo vormen herder en schapen één gemeenschap. Ook de roepingen tot het gewijde ambt en het religieuze leven zijn roepingen ten behoeve van de gemeenschap. Ook deze vorm van roeping is nooit puur persoonlijk. Zij is niet los verkrijgbaar, niet los te zien van de gemeenschap.

Ook vanuit onze eigen gemeenschap moeten wij onze stem laten horen en mensen aanmoedigen bijzondere keuzes te maken in hun leven. Het begint ermee dat wij ons medeverantwoordelijk weten om mensen op te roepen tot een christelijk leven. Het vraagt ons gezamenlijke gebed voor roepingen. En wij moeten weten dat wij ook zelf geroepen worden, en dat zichtbaar maken voor de wereld om ons heen. Soms gaat dat gepaard met lijden dat wij geduldig moeten verdragen. Amen.

De ogen gaan open; Hnd 2,14.22-32; Lc 24,13-35

“Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem…” De twee leerlingen zijn verblind door hun verdriet en teleurstelling. Zij hadden hoge verwachtingen van Jezus en die hebben zij niet waar zien worden: “Hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.” Het is herkenbaar. Je wordt zo in beslag genomen door je eigen gedachten en je eigen verwachtingen dat je niet meer openstaat voor wat er werkelijk gebeurt. Alles wat je hoort en ziet, interpreteer je vanuit je eigen veronderstellingen.

Ook voor Petrus was het moeilijk om de werkelijkheid te zien. Maar op de dag van Pinksteren breekt bij hem het licht door. De heilige Geest is over hem neergedaald en heeft hem het licht doen zien. Nu begrijpt hij eindelijk wat Jezus de afgelopen tijd heeft gezegd en heeft gedaan. Nu treedt Petrus naar buiten, nu heeft hij een boodschap voor zijn landgenoten. Vol overtuiging richt hij zich tot de menigte: “Gij allen, Joodse mannen en bewoners van Jeruzalem, weet dit wel en luistert aandachtig naar mijn woorden.” Petrus gaat hen haarfijn uitleggen hoe het zit.

Hoe blind zijn wij in onze tijd? Niemand is in staat de gehele waarheid te kennen. Altijd zien wij slechts een gedeelte van het geheel. We zien de wereld vanuit een bepaald perspectief. Onze eigen ervaringen zijn zeer bepalend voor onze kijk op de wereld. Onze gevoelens en emoties hebben grote invloed op ons denken. Dat is onze menselijke beperktheid. Dat leidt ook tot onze vooroordelen.

We kunnen ons daarin opsluiten en onze beperkte visie tot de waarheid verklaren. We kunnen onze vooroordelen tot wijsheid verklaren. We kunnen onze eigen ideeën voortdurend laten bevestigen door alleen om te gaan met mensen die denken zoals wij. Tegenwoordig zegt men dat mensen leven in hun eigen bubble. Ze kijken naar de TV-programma’s die hun mening bevestigen. De sociale media voorziet hen van informatie die ze graag horen en zien. Ze verkeren met mensen die zijn zoals zij zijn. Dat is prettig. Het maakt het leven overzichtelijk. Het geeft een duidelijk idee van goed en kwaad en zelf sta je aan de goede kant.

Maar het kan ook anders. We kunnen ook een stukje meelopen met een vreemdeling, zoals de leerlingen van Jezus doen. Hen overkomt het dat een buitenstaander plotseling een heel ander licht op de gang van zaken werpt. Zo worden hun ogen gaandeweg geopend. Ook in ons leven zijn er talloze mogelijkheden om een ander geluid te horen. We kunnen uit onze vertrouwde omgeving treden en onze comfortabele bubble verlaten. Ook wij kunnen met andere ogen naar onze eigen situatie kijken.

“Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem…” In het evangelie van vandaag is nog meer aan de hand. De leerlingen leren niet alleen met andere ogen te kijken. Ze krijgen niet alleen een nieuw zicht op de waarheid. Zij ontdekken een geheel nieuwe waarheid, namelijk dat Jezus Christus in hun midden is. Hier hebben we te maken met een veel ernstiger vorm van blindheid die ons mensen kan treffen. Veel mensen zijn niet in staat God te herkennen. In hun denken is er geen ruimte voor het mysterie. Zij kennen alleen harde feiten, rationaliteit en oorzaak en gevolg.

God in je leven toelaten, Hem herkennen vraagt moed. Durven wij het aan toe te geven dat ons denken niet alles onder controle heeft? Durven we om te gaan met onzekerheden? Durven we ons afhankelijk op te stellen? Durven we ons leven aan God toe te vertrouwen? Kunnen we God zien in de momenten van geluk die we ervaren? De leerlingen hadden zo’n moment van geluk. Zij voelden werkelijk verbondenheid met elkaar op het moment dat de vreemdeling het brood brak. Op dat moment wisten zij God in hun midden. Toen wisten zij dat Jezus leefde, dat Hij verrezen was. Toen zagen zij dat de vreemdeling Jezus zelf was.

“Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht.” Het zijn slechts korte momenten. Wij leven niet in een constante stroom van gelukzaligheid. Wij leven vanuit korte momenten van geluk, korte momenten van inzicht en van de waarheid kennen. Voor Petrus was dat genoeg om de wereld te vertellen welk geluk hem is overkomen. Ook wij mogen dat geluk ervaren en het delen met onze medemensen. Jezus Christus is werkelijk verrezen. Hij leeft en Hij deelt zijn leven met ons. Amen.

Op zoek naar Bonifatius

Dit jaar vieren we 750 jaar Kerk in Rijswijk. Waarschijnlijk was de eerste kerk aan Maria toegewijd, Zeker is dat Rijswijk sinds 1497 verbonden is met de heilige Bonifatius. Maar wie was Bonifatius?

Op school leerden we dat Bonifatius bij een laatste poging om de Friezen te bekeren in 754 bij Dokkum werd vermoord. Na een periode van veel aandacht voor Bonifatius nam dat in de tweede helft van de vorige eeuw snel af tot er in 1990 na een onderdompeling in de Bonifatiusbron een wonderbare genezing plaatsvond. Sindsdien trekken er duizenden pelgrims per jaar naar Dokkum.

Geloofsheld
Rond 760 beschreef Willibald von Mainz het leven van Bonifatius want “zulke voorbeelden helpen de lezers om ook zelf naar volmaaktheid te streven. Ik zoek mijn bronnen dichter bij huis: pater Titus Brandsma die de verering van Bonifatius sterk gestimuleerd heeft, en de protestantse kerkhistoricus Auke Jelsma. Voor pater Titus was Bonifatius een geloofsheld: “een martelaar in de strijd voor de uitbreiding van het Rijk Gods”. Uit liefde en tot het geluk van de mensen verkondigde hij het geloof, zich bewust van de noodzaak aan te sluiten bij hun eigen Godsbegrip. Bonifatius en Willibrord zijn voor pater Titus de grondleggers van onze beschaving die tegen het moderne heidendom van het nationaal-socialisme verdedigd moest worden.

Vreemdelingschap
Jelsma tekent een genuanceerder beeld. Hij wijst op de belangrijke rol van Bonifatius als bestuurder en kerkhervormer. In de Duitse gebieden bracht hij tijdens de warrige tijd van de overgang van heidendom naar christendom duidelijkheid. Hij was een gedreven man die moeite had met compromissen. Ook noemt Jelsma Bonifatius een pelgrim die kiest voor het vreemdelingschap. Ver van huis trok hij rond om zo een ware christen te zijn: een vrij mens die wel in maar niet van de wereld is.

Dokkum
Ik ben in Dokkum bij de Bonifatiusbron. Hier ergens was het kamp waar Bonifatius verbleef en waar hij wachtte op de bekeerlingen om hen het Vormsel toe te dienen. Er kwam echter een bende beulen aanzetten die hem en zijn gezellen vermoordden. Mogelijk was deze radicale man even koppig als de te bekeren Friezen.

Artikel in Kerk aan de Vliet april/mei 2017