Spring naar inhoud

Dankbaarheid; 2 K 5,14-17; Lc 17,11-19

Dankbaar zijn. Dat valt nog niet mee! En blijkbaar is dat niet alleen tegenwoordig zo. Als wij naar de lezingen luisteren is het van alle tijden. Jezus maakte dit tweeduizend jaar geleden mee. De profeet Elisa leefde nog zo’n achthonderdvijftig jaar eerder. In beide verhalen wordt het gebrek aan dankbaarheid nog eens benadrukt, doordat het een vreemdeling is die wel dankbaar. In de eerste lezing is het de Syriër Naäman die dankbaar is en in het Evangelie is het een Samaritaan.

Dankbaarheid vraagt blijkbaar nogal wat van mensen. Om te beginnen moet je accepteren dat een ander iets voor jou doet. De ander doet iets voor jou of geeft iets moois of iets dat je goed kunt gebruiken. Het kan ook zijn dat er iets aardigs tegen je gezegd wordt of misschien is het alleen maar gebaar of een glimlach. Het is de ander die jou ziet staan en iets voor je doet. Dat cadeau kun je dankbaar ontvangen, maar je kunt ook reageren met woorden als: dat had je niet moeten doen.

Dat laatste zeg je misschien omdat je denkt dat nu de ander iets schuldig bent, want ‘voor wat hoort wat’. Het geven is dan onderdeel van wederkerige afhankelijkheid, waarbij het van groot belang is dat het evenwicht tussen beide partijen blijft bestaan. Dit is een prima mechanisme als je met elkaar zaken doet of wanneer staatshoofden bij elkaar op bezoek gaan. maar daar gaat het vandaag niet over.

Vandaag gaat het om een ontvankelijkheid voor cadeaus die je niet met gelijke munt kunt terugbetalen. De voorbeelden uit de lezingen zijn genezingen van melaatsheid een destijds ongeneselijke ziekte. Het gaat hier om daden van liefde. Ieder cadeau in welke vorm dan ook dat gegeven wordt uit liefde, is een onbetaalbaar geschenk. Bij dergelijke cadeaus gaat het niet om de inhoud van het geschenk maar om de intentie waarmee het gegeven wordt. Daarmee geeft de ander iets van zichzelf weg. Natuurlijk kun je dit beantwoorden met iets aardigs terug te doen, maar het belangrijkste antwoord is dankbaarheid. Zonder die dankbaarheid is een liefdevol antwoord niet mogelijk.

Alleen de liefde voor elkaar maakt het mogelijk elkaar werkelijk als gelijkwaardige mensen te zien en van elkaar afhankelijk te durven zijn en elkaar niet als middel maar als een doel te zien. Een zakelijke transactie kan enkel gaan om het nut en de opbrengst, maar het kan daarnaast ook een daad van liefde zijn. Als ik bijvoorbeeld de toewijding van de bakker, de slager of de groenteboer zie, dan weet ik dat hun werk om meer gaat dan nut en opbrengst, dan weet ik dat zij echt willen dat ik gelukkig wordt door hun mooie product.

Liefde maakt het niet alleen mogelijk belangeloos te geven. Liefde maakt het ook mogelijk zonder vrees te ontvangen en je werkelijk afhankelijk op te stellen. Liefde maakt je vrij van ‘voor wat hoort wat’. Liefde kent geen verplichtingen. Liefde brengt je vanzelf tot de daden van liefde. Jezus heeft ons de liefde voorgeleefd. Hij ging in zijn liefde voor ons tot het uiterste toe. In zijn leven wordt God voor ons zichtbaar: de God die liefde is. Vandaag horen hoe Hij zich afvraagt, waarom niet iedereen dankbaar is.

Dankbaarheid is ook een daad van liefde. Het is een bevestiging van de liefde die ontvangen is en geeft aan dat de liefde wederzijds is. Dankbaarheid is een liefdevol antwoord op een daad van liefde. Jezus verbindt de dankbaarheid met geloof. Hij zegt tegen de Samaritaan: “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.” Ook bij Naäman zien we dat dankbaarheid en geloof samengaan. Hij wil voortaan alleen nog aan de God van Israël offers opdragen.

Jezus navolgen, zijn leerling willen zijn vraagt van ons ook deze weg te gaan: de weg van geloof, van liefde en van dankbaarheid. Deze weg stelt ons in staat ons aan elkaar toe te vertrouwen. Zij stelt ons in staat ons leven in Gods handen te leggen. Amen.

Advertenties

Bergen verzetten; 2 Tim 1,6-8.13-14; Lc 17,5-10

Jezus zegt dat een zelfs een klein geloof bergen kan verzetten. Hij zegt: “Als ge een geloof hadt als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: ‘Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee’ en hij zou u gehoorzamen.” Het is niet dat de leerlingen niet geloven, maar ze willen graag een geloof dat is zich uit in zichtbare daden. Ze vragen om geloofskracht waarmee ze wonderen kunnen verrichten om op die manier imponerend en overtuigend naar buiten kunnen treden. Eerlijk gezegd, dat lijkt mij ook wel wat. En dan komt Jezus met deze uitspraak. Blijkbaar is ons geloof voldoende, maar durven we het niet aan het op een dergelijke manier te gebruiken. Ik ben ook echt niet van plan het uit te proberen.

Paulus benadert de zaak van een andere kant. Hij heeft het in verband met het geloof over schaamte en lijden. Ik vind Paulus een fascinerende man. Zijn brieven zijn zeker niet makkelijkste teksten uit de Bijbel, maar wel zeer de moeite waard. Vaak zijn het teksten waar je even op moet kauwen. Ze geven je stof tot nadenken. Afgelopen week ben ik begonnen met het lezen van een levensbeschrijving van de apostel Paulus. Dit boek van Tom Wright is onlangs in het Nederlands vertaald. U zult mij daar de komende tijd vast nog wel eens over horen.

Paulus leeft in een tijd waarin men al snel bang is voor gezichtsverlies. Lijden, ziekte en verminking geven je bepaald geen status. Verkondigen dat iemand die aan het kruis gestorven is, de redder van de wereld is, is gewoon beschamend. Wat dat betreft verschilt de tijd waarin wij nu leven, weinig van die tijd. Ook tegenwoordig draait het om succesvol zijn, gezond zijn en er goed uitzien. Het liefst tonen wij ons aan de wereld op een wijze waarbij iedereen van jaloersheid in elkaar krimpt. Lijden en afhankelijkheid passen niet in dat beeld. Welke zwakkeling maakt zichzelf afhankelijk van een onzichtbare God?

Paulus zegt ons dat we ons niet moeten schamen voor ons geloof. Wij moeten ons niet schamen voor onze zwakte. De bespottingen en het lijden dat het ons oplevert, hebben wij te dragen. Wij mogen ons gedragen en gesteund weten door de liefde van Christus en de hulp van de heilige Geest die in ons woont. Paulus heeft in zijn leven ervaren dat geloven en lijden vaak hand in hand gaan. Hij heeft geleerd van alles wat hem is overkomen en ziet zijn eigen zwakheid juist als zijn kracht. Elders schrijft hij: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen. (…) Als ik zwak ben, dan ben ik sterk.”
(2 Kor 12,9-10)

Paulus weet dat Timoteus een gelovig man is. Hij herinnert hem eraan hoe hij Gods genade heeft ontvangen. Paulus zelf heeft hem de handen opgelegd. Ook ons is een aantal keren de handen opgelegd: bij ons Doopsel en bij ons Vormsel en bij een enkeling bij de Wijding. Ook wij hebben Gods genade ontvangen: een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Ook in ons brandt het vuur van Gods genade. Ook van ons wordt verwacht dat we dat vuur brandend houden, aanwakkeren en oppoken en ons niet door angst te laten weerhouden. Zo mag ieder van ons getuigen van onze Heer en bijdragen aan de verkondiging van het Evangelie.

Terug naar de leerlingen en hun vraag om geloof dat bergen kan verzetten. Jezus maakt met de gelijkenis over de knecht en de landheer duidelijk dat het bij geloofsdaden niet gaat om spectaculaire zaken. Het gaat om alledaagse daden van geloof, waarmee je niet direct applaus boekt en dat moet je ook niet verwachten. Het geloof is er niet om succesvol te zijn. Het geloof maakt je niet tot een beroemdheid. Het gaat juist om groot te zijn in het kleine. Het geloof brengt je tot daden van liefde. Vaak zullen die voor velen onopvallend en onzichtbaar zijn.

En toch zijn het juist deze daden van liefde die bergen doen verzetten. Niet in de ogen van de wereld, maar in de ogen van de enkele medemens. Hoeveel vreugde kun je niet brengen met steun aan een mens in nood? Hoeveel blijdschap met aandacht voor een zieke of eenzame medemens? Hoe bevrijdend kan een bemoedigend woord zijn en hoe verlossend een simpele glimlach? Ook al worden we regelmatig door twijfel overmand, ons geloof is werkelijk groot genoeg om heel liefdevol bergen te verzetten en op die wijze te getuigen van de verrezen Heer. Amen.

Verloren en gevonden; 1 Tim 1,12-17; Lc 15,1-32

In het Evangelie horen we drie verhalen over iemand die iets kwijt is: een man die een schaap verliest, een vrouw die een zilverstuk verliest en een vader wiens zoon ervandoor is. Drie keer horen we van de grote vreugde die het brengt als het verloren schaap, het verloren zilverstuk en de verloren zoon weer gevonden wordt dan wel uit zichzelf terugkeert. Jezus vergelijkt deze vreugde met de vreugde van de engelen van God als een zondaar zich bekeert. In de brief van Paulus aan Timoteüs wordt dit fenomeen van verloren geraakt en weer teruggekeerd van de andere kant benaderd. Paulus beschrijft wat het met hem gedaan heeft toen hij zich bekeerde van een godslasteraar, vervolger en geweldenaar tot een volgeling van Jezus Christus.

Paulus heeft ervaren dat een rijke overvloed van genade hem deelachtig werd, dat de Heer hem barmhartigheid heeft bewezen. Hij was verloren en Jezus Christus heeft hem het eeuwig leven gegeven. De Heer heeft hem vertrouwen geschonken en heeft hem in dienst genomen. Jezus heeft hem zijn liefde doen kennen en Hij heeft hem de waarheid geopenbaard: het betrouwbare en volkomen geloofwaardige woord.

De meesten van ons hebben niet zo’n ervaring zoals Paulus die had. De meesten zijn als kind gedoopt en weten niet beter dan dat zij christen zijn. Wij hebben niet de ervaring van een uitzonderlijke bekering. Maar dat wil niet zeggen dat deze teksten niet ook over ons gaan. Ook wij zijn gevonden. Ook wij zijn uitverkoren. Ook ons is een rijke overvloed van genade deelachtig geworden. Dat wij brave katholieken zijn, is niet primair onze eigen verdienste. Zij hebben ervaren hoe het is zonder God te leven. Zij kennen de leegte van een goddeloos bestaan. Zij kunnen u vaak wel vertellen hoe het geloof hen geluk bracht.

Gekscherend wordt wel gezegd dat bekeerlingen de ergsten zijn, dat zij te recht in de eer zouden zijn en te fanatiek in het uitdragen van het geloof. Maar moeten we niet eerder zeggen dat wijzelf weliswaar brave, maar toch wat lauwe volgelingen van Jezus zijn. Als wij ons werkelijk bewust zijn van het geluk dat ons is overkomen door het geloof dat ons geschonken is, zal dat ook ons leven veranderen.

In het nieuwe pastoraal beleidsplan dat afgelopen week is vastgesteld en waarvan u de tekst op onze website vindt, staat het leerling van Jezus zijn centraal. De titel luidt: ‘Als leerling het Evangelie leven’. De komende jaren willen we ons bewust richten op het leerling zijn. Wat betekent dit voor ons geloofsgemeenschappen? Wat betekent dit voor ieder van ons persoonlijk? Hoe kan dit bijdragen aan het voortbestaan van het christendom hier ter plaatse?

Paulus brengt dank aan Jezus Christus. Hij eert en roemt de Koning der eeuwen. In zijn dank verkondigt hij een diep doorleefd geloof. Hij is een ware leerling van Jezus. Als leerling van Jezus heeft Paulus zich de liefde van Jezus eigengemaakt. Als je liefde hebt ontvangen, zul je ook liefde geven. Als je barmhartigheid hebt ervaren, zul je ook barmhartig zijn.

Omdat Paulus de waarheid heeft leren kennen, is hij ook deze waarheid gaan verkondigen. Hij verkondigt de onvergankelijke, onzichtbare en enige God. Hij verkondigt het geloof en de liefde die in Christus Jezus zijn. Paulus schrijft: “Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden.” In het licht van deze uitspraak kunnen we de Evangelieteksten lezen. Dan zien we dat het Jezus zelf is die op zoek gaat naar wat verloren is. Hij brengt ons terug naar zijn Vader. Hij brengt ons naar God. Dit is geen gedwongen terugkeer. Het is een terugkeer met onze eigen instemming. Jezus geeft ons daarvoor de kracht. Het is als de verloren zoon. Wij zijn vrije mensen. Uiteindelijk is de keuze aan onszelf.

Als leerlingen van Jezus zijn wij geroepen om op onze beurt nieuwe leerlingen te vinden. Daartoe willen we een gastvrije en uitnodigende parochie zijn. Wij mogen mensen uitnodigen om kennis te maken met Jezus, om hen te laten ervaren wat het geloof voor hen kan betekenen. Over twee weken is de jaarlijkse Kerkproeverij. Ook nu wordt u opgeroepen kennissen, familie en vrienden uit te nodigen een keer mee te gaan naar de kerk. Ook op die manier brengt u het leerling van Jezus in de praktijk. Amen.

Onze plaats in de wereld; Sir 3,17-18.20.28-29; Lc 14,1.7-14

Welke plaats zien wij voor ons zelf in de wereld? Welke rol willen we daarin spelen? Welke ruimte hebben wij zelf nodig? Paus Franciscus schrijft in de encycliek Laudato si’ over duurzaamheid en over het behoud van de schepping. Wij mensen dragen daarin verantwoordelijkheid. Hij roept ons op om voor de schepping te zorgen. De paus veroordeelt het consumentisme. Hij veroordeelt de houding van zelfgerichtheid, waarbij mensen zoveel mogelijk voor zichzelf opeisen.

Jezus Sirach roept in de eerste lezing op tot bescheidenheid en Jezus van Nazareth leert ons dat het beter is niet de beste plaats voor onszelf op te eisen. Beiden gebruiken daarvoor geen hoogdravende argumenten. Jezus Sirach schrijft dat een bescheiden mens een geliefd mens is en Jezus van Nazareth van Nazareth waarschuwt ervoor dat het weleens tot schande en schaamte kan leiden, als je jezelf te belangrijk vindt. Sterker nog je krijgt juist positieve aandacht als je je bescheiden opstelt. Men zal zeggen: “Vriend, ga wat hoger op.”

Jezus Sirach schrijft ook nog dat bescheidenheid God welgevallig is. Jezus van Nazareth gebruikt dit argument pas in het tweede gedeelte, als Hij spreekt over wie we moeten uitnodigen. De mens van tegenwoordig zoekt zijn geluk vooral in materiële zaken. Dat leidt tot een ongebreideld consumentisme, want je hebt nooit genoeg, je raakt nooit verzadigd.

Ruim vijftig jaar geleden zongen de Rolling Stones: “I can’t get no satisfaction”. Mick Jagger heeft nog een jaar economie gestudeerd. Mogelijk vond hij het wel genoeg toen hij erachter was gekomen dat consumeren uiteindelijk nooit tot echte voldoening leidt. Ons menselijk geluk ligt niet in materiële zaken. Zij geven slechts een kort moment van bevrediging en van voldoening. Echt gelukkig worden we pas als we ons op anderen richten, als we andere mensen gelukkig proberen te maken. Het werkelijke geluk hier op aarde ligt in de liefde tussen mensen.

Bescheidenheid moeten we dan ook in het licht van de liefde zien. Bescheidenheid betekent dat we onszelf niet overschatten, maar onszelf onderschatten is in het licht van de liefde net zo fout. Iemand die zichzelf geheel wegcijfert, iemand die zichzelf onzichtbaar maakt, kan er niet voor de ander zijn want hij is er gewoon niet meer. Hij heeft zichzelf tot een instrument gemaakt. We kunnen er alleen voor de ander zijn als we ook recht doen aan ons eigen bestaan. Het gaat in relaties om wederkerigheid en gelijkwaardigheid. Het gaat erom er op gelijkwaardige wijze voor elkaar te zijn ook in situaties waarin de een meer mogelijkheden heeft dan de ander. De gelijkwaardigheid verdwijnt niet omdat de een ziek is en de ander gezond, of wanneer de een arm is en de ander rijk.

In het tweede deel van zijn betoog heeft Jezus het over wederkerigheid. Wederkerigheid is duidelijk meer dan ‘voor wat, hoort wat’. Wederkerigheid is wat anders dan ruilhandel. Het gaat niet om de balans tussen debet en credit. Wederkerigheid in het licht van de liefde is er voor elkaar zijn. Het is een belangeloze wederkerigheid. In Laudato si’ schrijft de paus over de onderlinge afhankelijkheid. Niet alleen mensen zijn in wederkerigheid van elkaar afhankelijk. Alle schepselen zijn van elkaar afhankelijk. Heel de schepping is een netwerk van onderlinge afhankelijkheid. Dat maakt dat het voortbestaan van ieder deel van de schepping ook raakt aan ons eigen voortbestaan.

Dit alles vindt zijn bron in Christus. De apostel Paulus schrijft: “In Hem is alles geschapen… Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.” (Kol 1,16-17) En Paulus schrijft ook: “Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God… Hij is aan de mensen gelijk geworden.” (Fil 2,6-7) Paulus beschrijft hoe alles in Christus samenhangt in onderlinge afhankelijkheid. Hij beschrijft ook hoe Jezus Christus ons is voorgegaan in bescheidenheid, in liefde en in belangeloze wederkerigheid.

Als wij als leerlingen van Jezus ons leven gestalte willen geven en ons leven verbinden met Hem, zullen wij Hem kunnen navolgen. Ook wij zijn in staat tot bescheidenheid, tot liefde en tot belangeloze wederkerigheid. Vanuit die houding zullen we zorgdragen voor de schepping en zorgdragen voor onze medemensen. Door niet onszelf maar door de ander centraal te stellen stellen wij uiteindelijk Christus centraal in ons leven. Door Hem komen wij tot een leven met God.

Jezus geeft aan wie wij moeten uitnodigen voor ons gastmaal. Over vier weken is er weer een Kerkproeverij. Iedere zondag richten wij in onze kerken een gastmaal aan. Het goed alvast na te denken over wie u binnenkort gaat uitnodigen om eens kennis te maken met de manier waarop wij hier het leven vieren. Amen.

Vuur kom Ik brengen; Jr 38,4-6.8-10; Lc 12,49-53

Vandaag maakt Jezus het ons niet gemakkelijk. Wat moeten we met deze uitspraken? Wat bedoelt Hij in godsnaam met: “Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen zeg Ik u, juist verdeeldheid.”

Een aantal keren houdt Lucas ons voor dat Jezus vrede komt brengen. Dat begint al met zijn geboorte. Dan zingen de engelen: “Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.” (Lc 2,14) Twee keer horen we Jezus zeggen: “Uw geloof heeft u gered: ga in vrede.” (Lc 7,50 en Lc 8,48) Als Jezus zijn leerlingen eropuit stuurt, moet dit overal hun eerste woord zijn: “Vrede aan dit huis!” (Lc 10,5) En dan vandaag deze tekst: niks vrede, maar juist verdeeldheid. Jezus zegt dat Hij een doopsel moet ondergaan. Eerder is Hij in de Jordaan gedoopt door Johannes de Doper. Johannes zei over Jezus: “Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.” (Lc 3,16)

Vandaag zegt Jezus dat Hij vuur op de aarde komt brengen en het is duidelijk dat Hij het hier niet heeft over het vuur van het enthousiasme, niet over het vuur van de heilige Geest. Het gaat hier over het vuur van het oordeel. Het gaat om het vuur van de loutering. Het gaat om het vuur waarin het kaf wordt verbrand, nadat het van het koren gescheiden is. Jezus brengt ons verlossing en bevrijding, maar dat is geen goedkope vrijheid en ook geen goedkope vrede. Hij vraagt van ons dat wij werkelijk voor die vrijheid en die vrede kiezen. Hij vraagt van ons een betrokkenheid die niet zonder pijn gaat. Ook een geboorte, de verlossing van een kind gaat niet zonder pijn. Ook het veroveren van vrijheid gaat niet zonder strijd.

De verlossing die Jezus ons brengt is op de eerste plaats een strijd die Hij zelf te voeren heeft. Dit is het doopsel dat Hij moet ondergaan: het offer van zijn eigen leven. Het is een onderdompeling waarbij Hij zijn leven zal verliezen. Alleen zo komt Hij tot nieuw leven. Alleen zo geeft Hij ook ons nieuw leven. Door zijn dood aan het kruis komen wij met Hem tot een leven met God. Het is een doopsel dat als een vuur de wereld verlost en reinigt van het kwaad. Het vuur bevrijdt de wereld van de goddeloosheid. Deze loutering door het vuur maakt het Rijk Gods mogelijk.

Jezus brengt ons bevrijding. Hij brengt ons het Rijk Gods. Hoe moeten we dat combineren met de uitspraak dat Hij verdeeldheid brengt? De verdeeldheid ontstaat als wij niet van harte kiezen voor Jezus. Zijn boodschap van bevrijding is niet vrijblijvend. Zijn verlossing vraagt dat wij ons met Hem verbinden en dat wij werkelijk zijn leerling willen zijn. De keuze voor Jezus kan niet halfslachtig zijn. Zij is niet te combineren met zelfgenoegzaamheid. Het is een keuze die de zaken op scherp stelt, een keuze die niet uit is op het behoud van de lieve vrede.

Verdeeldheid ontstaat er niet alleen tussen mensen onderling. Er ontstaat ook verdeeldheid in onszelf. Hoezeer we ook voor Jezus kiezen telkens zijn er situaties waarin we geneigd zijn water bij de wijn te doen en de soep minder heet te eten dan ze wordt opgediend. Ook bij koning Sidkia zien we een dergelijke innerlijke verdeeldheid. Hij wil de edelen te vriend houden, praat hen naar de mond en laat toe dat zij Jeremia in een put werpen. Anderzijds weet hij ook dat de Ethiopiër Ebed-Melek gelijk heeft en geeft hem de opdracht Jeremia te bevrijden.

Jezus legt de lat hoog. Hij vraagt van ons een duidelijke en radicale keuze. Dat is voor ons mensen geen eenvoudige opgave. Eigenlijk weten wij allemaal dat dit ons nooit gaat lukken, dat deze opgave onze krachten ver te boven gaat. Juist dit onvermogen plaatst onze keuze in een ander licht. De vraag is niet of wij in staat zijn Jezus na te volgen. De vraag is: durven wij het aan het te proberen Jezus na te volgen. De keuze gaat tussen het wel en het niet proberen.

Je kunt ervoor kiezen Jezus niet te volgen en zo alle problemen uit de weg gaan. Je kunt ervoor kiezen tevreden met jezelf te zijn en iedereen te vriend te houden. Je kunt er ook voor kiezen Jezus proberen te volgen, zijn leerling te zijn en daarmee kiezen voor een weg van vallen en opstaan, een weg van de fout ingaan en vergeving vragen, een weg die door anderen verworpen en soms belachelijk gemaakt wordt.

Kiezen voor de weg van Jezus is ook kiezen voor hoop en voor vertrouwen. Kiezen voor de weg van Jezus is ook zijn barmhartigheid aanvaarden. Hij weet dat wij mensen zijn die tekort schieten. Hij zal ons niet oordelen op onze resultaten. Hij zal ons oordelen op ons streven naar het goede: hebben we het aangedurfd op Hem te vertrouwen en zo zijn weg te gaan. Hij zal niet alleen ons onze zonden en tekortkomingen vergeven. Zijn barmhartigheid zal ons uiteindelijk ook in vrede doen leven en zal ervoor zorgen dat wij gelukkige mensen zijn. Juist dat is de vrucht van de verlossing en de bevrijding die Hij ons heeft gebracht. Amen.

Rijk zijn bij God; Pr 1,2;2,21-23; Lc 12,13-21

Soms vraag je je af hoe actueel zijn de verhalen die we in de Bijbel lezen. Maar het omgekeerde komt ook voor. Dan denk je: dat verhaal gaat over de huidige tijd; was dat toen ook al aan de orde? Deze gedachte kwam bij mij op toen ik de lezingen van vandaag las. Waren de mensen toen ook al zo materialistisch dat deze verhalen nodig waren? Jezus leefde tweeduizend jaar geleden en het boek Prediker is een paar honderd jaar eerder geschreven.

Hoe actueel deze verhalen zijn, is op te maken uit hoe wij met onze aarde omgaan. Afgelopen maandag was het “Earth overshoot day” ofwel “Overschrijdingsdag”. Op overschrijdingsdag hebben wij mensen verbruikt wat de aarde in één jaar produceert. Dit jaar was dat dus op 29 juli. De mensheid heeft in zeven maanden de jaarproductie van de aarde verbruikt. De komende vijf maanden teren we in op de reserves van de aarde. We putten haar uit en nemen een voorschot op de toekomst. We leven de komende vijf maanden ten koste van de komende generaties. Voor onze huidige manier van leven hebben we als wereldbevolking dus ongeveer eenendriekwart aarde per jaar nodig. En als we naar onze Nederlandse manier van leven kijken, is het nog erger. Nederland had haar aandeel al begin mei verbruikt. Als iedereen op dezelfde wijze leeft zoals wij, zijn er jaarlijks drie aardes nodig. De grote boosdoeners zijn het gebruik van energie uit fossiele bronnen, zoals olie en gas, en het gebruik van water. Het meeste water dat wij verbruiken, zit in de productie van dierlijk voedsel, en in de productie van elektriciteit. De vruchten van onze aarde zijn beperkt. Er is genoeg maar we moeten ze wel met elkaar delen en daarbij ook rekening houden met de mensen die na ons komen. Alles wat we boven ons eigen aandeel gebruiken gaat ten koste van anderen.

In het Evangelie lezen we dat iemand uit het volk Jezus een vraag stelt. Hij doet alsof Jezus een soort vragenuur houdt waar ieder met zijn persoonlijke problemen naar toe kan komen. Maar dat is niet het geval. Als we de voorafgaande tekst erbij pakken, blijkt dat Jezus bezig is zijn volgelingen gerust te stellen en te bemoedigen. Er staan hen moeilijke tijden te wachten, maar de heilige Geest zal hen daar doorheen helpen. En dan wordt Jezus plotseling door deze man onderbroken met zijn vraag over een persoonlijke aangelegenheid. Hebben mensen dan alleen maar aandacht voor hun eigen materiële zorgen? Zijn wij werkelijk zo egocentrisch, werkelijk zo zelfgericht?

Het lijkt op een volgende situatie. Er wordt over duurzaamheid en over de toekomst van de aarde gesproken en dan komt er plotseling iemand met de opmerking dat de vliegreis naar de verre witte stranden die hij geboekt heeft, voor hem ook ontzettend belangrijk is. Dan vraag je je toch ook af: begrijp je wel waar het vandaag over gaat? Gaat het werkelijk alleen maar over ik en over mijn plezier? Prediker noemt dit ijdelheden. Het is lucht en het is leegte. Telkens zijn wij uit op eigen plezier, eigen bezit en eigen roem. We zijn voortdurend bezig met vergankelijke zaken. Dat gaat ten koste van de aandacht voor God en ten koste van de aandacht voor de ander. We kunnen daaraan nog toevoegen dat het ook ten koste van de aarde gaat. Tenslotte gaat het ook ten koste van ons eigen geluk.

Jezus gaat in zijn antwoord aan de vragensteller in op de hebzucht van ons mensen. In feite laat Hij de man weten: je kunt me van alles vragen, maar met deze vraag ben je bij mij toch echt aan het verkeerde adres. Jezus geneest zieken. Hij drijft boze geesten uit. Zo geeft Hij mensen leven om op weg te gaan naar het Rijk Gods. Voor materiële zaken moet je niet bij Hem zijn. Bezit kan ons leven niet redden. Sterker nog bezit leidt ons af van het werkelijke doel van ons leven. Voor dat je het weet leef je zoals Prediker ons voorhoudt: je stopt al je tijd en energie is vergankelijke zaken. Jezus zegt ons dat wij ons op God en op zijn Koninkrijk moeten richten. Alleen zo worden we goede en gelukkige mensen. Alleen zo komen we tot heiligheid. Alleen zo worden we rijk bij God.

Is bezit daarmee verwerpelijk? Is plezier maken verwerpelijk? In het geheel niet. Jezus heeft geen moeite met de rijkdom van de man met de grote oogst. De rijkdom wordt hem in de schoot geworpen. Zij wordt hem geschonken. Het probleem is dat hij op zijn bezit gaat vertrouwen. Hij denkt dat zijn bezit de rest van leven veilig stelt.

God heeft ons de schepping gegeven om gelukkige mensen te worden. Hij heeft ons haar ook gegeven om voor haar te zorgen. Hij heeft ons medeverantwoordelijk gemaakt voor de schepping. Ook met onze zorg voor de schepping richten wij ons op God. Wij zorgen ervoor dat de schepping blijvend God lof kan brengen. En wij zorgen ervoor dat zij beschikbaar is voor de mensen die na ons komen. Alles wordt ons gegeven om te kunnen leven zoals God het bedoeld heeft. Ook in de materiële zaken en ook in het plezier kunnen wij ons richten op het werkelijke doel van ons leven. In alles wat we doen kunnen ons richten op God, op onze medemens en op het behoud van de schepping. het enige dat van ons gevraagd wordt is dat wij verder zien dan onze eigen neus lang is en dat we niet louter op ons zelf gericht zijn. Amen.

Aan Jezus’ voeten

Afgelopen maanden zijn wij bezig geweest met het formuleren van een nieuw beleidsplan voor onze parochies. We zijn daar nog niet mee klaar. In de gesprekken die daarover met parochianen gevoerd werden, werd duidelijk dat iedereen wil dat wij gastvrije geloofsgemeenschappen zijn. Gastvrijheid is een ruim begrip, een begrip dat in de praktijk om nadere invulling vraagt: voor wie gastvrij, waarom gastvrij, hoe gastvrij? Vandaag geven de lezingen onze handvatten om daar over na te denken.

Marta is druk in de weer met het bedienen van Jezus. Ondertussen luistert Maria naar de woorden van Jezus. Beiden zijn gastvrij, maar zij zijn het op verschillende manieren. Bij Jezus gaat het regelmatig over gastvrijheid. Hij vertelt over een heer die gasten voor een feest uitnodigt. Hij ziet de verlegenheid die voor de gastheer dreigt als tijdens de bruiloft in Kana de wijn bijna op is. Hij vermaant mensen op een feest niet de beste plaatsen in te nemen. Vandaag wijst Hij ons erop waar het uiteindelijk omgaat bij gastvrijheid. “Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden.”

De brief van Paulus gaat niet direct over gastvrijheid, maar wel over wat belangrijk is in ons leven, over onze verbondenheid met Jezus Christus. Deze verbondenheid kleurt niet alleen onszelf. Zij kleurt ook de wijze waarop wij als christenen de gastvrijheid vorm geven. Paulus schrijft deze brief vanuit de gevangenis in Rome en hij begint hier met de mededeling dat hij blij is dat hij voor de geadresseerden, voor de luisteraars mag lijden. Hij wil hen geruststellen want hij weet dat zij met hem meelijden. Hun liefde voor elkaar doet hen delen in elkanders lijden. De liefde is hier ook de basis voor de vreugde van Paulus. Hij weet zich in liefde verbonden met Jezus Christus. Zijn gevangenschap, zijn lijden is het gevolg van die liefde. Vanwege zijn liefde voor Christus zit hij gevangen.

Paulus stelt dat hij met zijn lijden ook iets terug kan doen voor Christus, iets kan doen voor de Kerk, het Lichaam van Christus. Door zijn verbondenheid met Christus weet hij ook dat Christus zijn lijden bekrachtigt. Het is Christus zelf die Hem vreugde brengt en in staat stelt zijn lijden te dragen. De liefde voor Jezus Christus maakt Paulus tot dienaar van de Kerk. Hij verkondigt het woord van God. Hij onthult het geheim, het mysterie. Paulus verkondigt Jezus Christus als het heil voor alle volkeren.

Het geheim is dat Christus ook in ons is. Jezus Christus is mens geworden en heeft zich met alle mensen verbonden. Hij is onze hoop op eeuwige heerlijkheid. Wij mogen ons op onze beurt met Hem verbinden zoals ook Paulus zich met Christus verbonden heeft. Vanuit die verbondenheid met Jezus Christus mogen ook wij Hem verkondigen om iedereen zonder onderscheid tot en in Christus te brengen, om iedereen gastvrij op te nemen in onze geloofsgemeenschap, in het Lichaam van Christus en zo tot een goed en gelukkig leven, tot volmaaktheid te brengen.

Om de verbondenheid met Christus op te bouwen en te verdiepen, is het nodig dat wij Hem steeds meer en beter leren kennen, naar Hem luisteren. Het is nodig dat wij zijn leerling zijn. Maria heeft deze keuze gemaakt. Zij is aan Jezus’ voeten gaan zitten. Zij wil zijn leerling zijn. Jezus roept Martha op hetzelfde te doen. Hij wijst haar niet terecht, maar roept haar op tot een rijkere vorm van gastvrijheid: de gastvrijheid waarmee je een ander toelaat in je leven en je iets van hem wilt leren.

Werkelijke gastvrijheid gaat verder dan iemand onderdak verlenen en te eten en te drinken geven. Werkelijke gastvrijheid is je tot de ander keren, belangstelling voor hem hebben, en hem leren kennen. Gastvrijheid kent ook wederkerigheid. Op onze beurt laten wij ons aan onze gast kennen. Wij laten hem zien wat ons lief is en wat ons bezighoudt. Christelijke gastvrijheid is gastvrij zijn zoals Jezus dat is. Het is handelen zoals Jezus handelt. Het is openstaan voor iedereen en geen voorwaarden vooraf stellen. Het vraagt dat wij onze angst voor het vreemde en onbekende afleggen. Juist in de vreemdeling en de mens in nood ontmoeten wij Jezus zelf. Vanuit onze band met Jezus ontmoeten wij Hem in de ander. Gastvrijheid is met de ander delen wat ons lief is. We nemen de gast op in onze gemeenschap en laten hem kennismaken met wat ons bij elkaar brengt. Zo stellen we onze gast in staat zelf ook op zijn eigen wijze lid te worden van onze gemeenschap.

Het sleutelwoord is telkens weer de liefde. Door aan zijn voeten te gaan zitten, ervaren wij de liefde van Jezus voor ons. Zijn liefde voor ons stelt ons in staat anderen lief te hebben. Zijn liefde is de basis voor onze gastvrijheid. Zijn liefde willen wij delen met iedereen. Zij geeft ons de vreugde die we iedereen gunnen. Liefde gaat niet zonder lijden, zoals ook Paulus heeft ervaren. Maar zonder lief te hebben zijn we dood. Zonder liefde hebben we geen leven.

Paulus schrijft elders: “Vergeet de gastvrijheid niet; door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald.” Als wij de gastvrijheid vergeten en iedereen buiten de deur houden, zullen we zeker geen engelen ontvangen. Als wij de gastvrijheid vergeten, houden we ook God buiten de deur. Amen.