Skip to content

Bekeert u; 1 Pe 3,18-22; Mc 1,12-15

“Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.” Dit zijn de eerste woorden die Marcus uit de mond van Jezus optekent. Marcus valt meteen met de deur in huis en dringt snel door tot de kern van wat Jezus te vertellen heeft. Jezus roept op tot bekering en tot geloof, tot geloof in het gelukbrengende verhaal van God en van zijn liefde voor de mensen. Hij roept ons op de doodlopende weg van het kwaad te verlaten. Hij roept ons op om zijn weg ten leven te gaan.

Bekering is kiezen voor het goede en afstand nemen van het kwaad, niet meelopen op de weg van het kwaad, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het kwaad is overal om ons heen en ook wijzelf zijn niet vrij van het kwaad. Het kwaad in onszelf proberen we te beteugelen. Dat kan een flinke strijd zijn. Hoe groot zijn de verleidingen niet? Hoe vaak worden we niet op de proef gesteld door de omstandigheden die deel uit maken van ons leven? Ook Jezus heeft op deze manier met het kwaad te maken. Vandaag lezen we: “Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld.” Marcus beschrijft het heel kort. Elders wordt uitvoeriger over de beproevingen geschreven.

Daarnaast is er ook het kwaad dat ons overkomt zonder dat we eraan kunnen ontkomen. Natuurrampen, ziekte en dood, we kunnen ertegen strijden maar uiteindelijk komen ze op onze weg. Hoe vaak stellen we dan niet de vraag: waarom dit kwaad en waarom ik? Altijd weer zoeken we verklaringen. Er moet toch een oorzaak zijn. Er moet toch een schuldige zijn. Ook in de Bijbel, in de boeken van het Oude Testament wordt het kwaad vaak als een straf gezien. Het kwaad als straf voor een zondig leven.

Maar er is ook een ander geluid zoals in het boek Job. Job krijgt geen antwoord op zijn vraag waarom ook een goed mens door het kwaad wordt getroffen. Hij leert er mee te leven. Het kwaad maakt nu eenmaal een wezenlijk deel van ons bestaan uit en waarom zou het mij niet treffen? We komen er niet uit als we alleen maar denken in termen van oorzaak en gevolg. Beter is het bezig te zijn met de vraag: “Hoe om te gaan met het kwaad?” Wat doen wij als wijzelf of anderen door het kwaad worden getroffen? Ook hierin wijst Jezus ons de weg. Ook Hij kon – hoewel Hij zonder schuld was – het kwaad niet ontlopen. Zijn Blijde Boodschap moest Hij met de dood bekopen. Hij is er niet voor weggelopen. Hij heeft het kwaad onder ogen gezien. Uit vrije wil heeft Hij al het kwaad van de wereld op zich genomen. Met zijn lijden en sterven heeft Hij het kwaad ondergaan. Zo wijst Hij ons de weg ten leven. Zo laat Hij ons zien hoe wij werkelijk vrij kunnen zijn. Zo heeft Hij zijn verlossende en bevrijdende werk gedaan zoals Petrus in zijn eerste brief beschrijft.

Het mysterie van het kwaad lossen we niet op. De vraag aan ons is: hoe gaan wij om met het kwaad? De Veertigdagentijd is een geschikte tijd om over deze vraag na te denken. Op Aswoensdag werden ons drie wegen aangereikt: het gebed, het vasten en de aalmoes.

Dit jaar is door onze bisschop uitgeroepen tot een Jaar van Gebed. Het gebed stelt ons in staat ons te bezinnen op onze wijze van leven: zijn we wel goed bezig, zitten we op de goede weg of moeten we omkeren, moeten we ons bekeren? Het gebed helpt ons om onze relatie met God en met Jezus te verdiepen. Het gebed helpt ons een weg met Jezus te gaan en onze Doop waar te maken. Petrus schrijft dat de Doop tot de verbintenis met God leidt en een goed geweten geeft. Het gebed brengt ons tot bekering en zet ons op de weg van de spiritualiteit, de weg van een begeesterd leven, een leven met Jezus Christus.

Om ons open te kunnen stellen voor God en voor de medemens is het nodig dat wij niet teveel op onszelf gericht zijn, dat we sober zijn in het bevredigen van onze eigen behoeften. De soberheid krijgt bij uitstek vorm in het vasten. Soberheid maakt vrij. Zij maakt ons vrij van onze driften.

Tenslotte is er de solidariteit die vorm krijgt in de aalmoes. Ons open stellen voor onze medemens maakt ons gevoelig voor zijn situatie. Zo ontwikkelen wij ook een gevoeligheid voor de noden van onze naasten. Hierdoor willen wij bijdragen aan het lenigen van hun nood, aan het wegnemen van de gevolgen van het kwaad.

Dit jaar wordt onze aandacht gevraagd voor een project in Kitale in Kenia. Jacintha van Luijk uit Leidschendam werkt daar samen met anderen aan de verzorging van aidspatiënten. Dat werk is nu uitgebreid met een voorlichtingscampagne. Door gedragsverandering moet de kans op besmetting worden voorkomen. De vraag naar de oorzaak van de besmetting, de oorzaak van het kwaad leidt vaak tot ruzies tussen verschillende families en verschillende stammen. Haar aanvullende programma is ook gericht op het beslechten van deze ruzies. Naast dit vredeswerk wordt er gewerkt aan het opbouwen van de gemeenschap en het voorkomen van verslaving aan alcohol en drugs. Op deze wijze zijn honderden vrijwilligers actief om te voorkomen dat het kwaad zich kan uitbreiden, en om de gevolgen van het kwaad te verminderen.

Spiritualiteit, soberheid en solidariteit, gebed, vasten en aalmoes: ze helpen ons om met het kwaad om te gaan; ze helpen ons de weg met Christus, de weg ten leven te gaan. Amen.

Advertenties

Levend Brood voor onderweg

Auteur: Ton van Eijk
Titel: Levend Brood voor onderweg:
Een theologisch commentaar bij de litanie van het Heilig Sacrament
Uitgever: Betsaida, 2017
Prijs: € 15,50
ISBN: 978 94 91991 43 1
Aantal pagina’s: 204

Priester en theoloog Ton van Eijk noemt de Eucharistie het middelpunt van het kerkelijk leven. Dit Sacrament van liefde en van eenheid speelt een belangrijke rol in het leven van de iedere gelovige en van de geloofsgemeenschap als geheel. De aanroepingen van de litanie bevatten allerlei beelden van het heilig Sacrament. Van Eijk geeft commentaar bij deze beelden. Hij is op zoek gegaan naar de bron en de betekenis ervan. Dat is primair een theologische exercitie. Het resultaat ervan is echter meer dan theologie. Het is ook heel duidelijk spiritueel van aard. Hierdoor kan het iedereen helpen dieper door te dringen tot het mysterie van de Eucharistie en tot de betekenis van het Sacrament.

Het boek kent een groot aantal paragrafen met telkens commentaar op een of twee aanroepingen. Hiermee is het opgedeeld in hapklare brokken die mogelijk wel enig kauwwerk vragen. Het boek is te verkrijgen via www.betsaida.org.

Als Jezus je roept; Jon 3,1-5.10; Mc 1,14-20

“Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.” Dit zijn de eerste woorden die Marcus uit de mond van Jezus optekent. Marcus valt meteen met de deur in huis en dringt snel door tot de kern van wat Jezus te vertellen heeft. Jezus roept op tot bekering en tot geloof, tot geloof in het gelukbrengende verhaal van God en van zijn liefde voor de mensen.

Jezus is niet de eerste die dit doet. Het hele Oude Testament staat vol met verhalen over profeten die oproepen tot bekering en tot geloof. Vandaag hoorden we het verhaal van Jona. Jona roept de bewoners van Ninive op tot bekering.

De lezingen van vandaag gaan niet alleen over bekering. Ze gaan ook over roeping. Het is de roeping van Jona naar Ninive te gaan. Het woord des Heren werd tot Jona gericht. Hij kreeg een concrete opdracht, een concrete roeping. Ook Jezus roept mensen op Hem te volgen. We horen hoe de eerste leerlingen worden geroepen: Simon, Andreas, Jakobus en Johannes. Hun roeping is het mensenvissers te worden.

De oproepen tot bekering van Jezus en van Jona lijken sterk op elkaar. Jezus zegt: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.” En de woorden van Jona zijn: “Nog veertig dagen en dan zal Ninive vergaan!” In beide gevallen is er sprake van urgentie. De bekering kan niet uitgesteld worden. Het is de hoogste tijd.

Als we echter de roepingsverhalen uit het Oude Testament naast het roepen van de eerste leerlingen leggen, zien we een opmerkelijk verschil. Het verhaal van de roeping van Jona is bekend. Jona heeft er totaal geen zin in. Hij wil helemaal niet naar Ninive. In plaats van naar het oosten, naar Ninive te gaan, vlucht Jona naar het westen, naar Tarsis, een gebied in het huidige Spanje. Maar God laat Jona niet los. Een storm op zee brengt Jona tot inzicht en hij laat zich overboord werpen. Door een grote vis wordt hij levend en wel op het strand uitgespuwd. En dan trekt Jona eindelijk naar Ninive. Ook andere profeten komen met allerlei bezwaren op het moment dat ze door God geroepen worden. Neem Mozes die nadat hij vele bezwaren tegen zijn roeping aanvoerde, opperde dat hij een slecht spreker is en stottert. Ook hier is God onvermurwbaar. Dan neem je je broer Aäron maar mee en laat je die het woord doen.

Hoe anders gaat het in het Evangelie bij de roeping van de leerlingen. Jezus zegt: “Komt, volgt Mij,” En terstond staan zij op en gaan Jezus achterna. Hun familie, hun werk, alles laten zij achter zich. Dat is toch wel hoogst opmerkelijk.

De verhalen uit het Oude Testament klinken ons niet vreemd in de oren. Waarschijnlijk zijn wij zelf ook zo. Als we tot een schier onmogelijke taak worden geroepen, komen als eerste allerlei bezwaren bij ons op, allerlei redenen waarom wij niet de meeste geschikte persoon zijn, en waarom iemand anders het veel beter zal kunnen doen.

Wat maakt dit roepingsverhaal van de eerste leerlingen anders? Simon, Andreas, Jakobus en Johannes zijn net als Mozes en Jona toch ook gewoon mensen van vlees en bloed? Het is blijkbaar het optreden van Jezus dat het verschil uitmaakt. Nu is het geen stem uit de hemel, geen stem uit een brandend braambos of een stem die in je binnenste spreekt. Jezus spreekt tot ons van mens tot mens. Hij is zelf ook een mens van vlees en bloed. Jezus is geen abstractie. Hij is ook geen mythologische figuur. Hij is even concreet als wijzelf zijn.

Kerstmis ligt nog maar een paar weken achter ons. We vierden de menswording van Gods Zoon. Vandaag zien we wat deze menswording betekent. “Het Woord is vlees geworden”, schrijft Johannes. En dat is precies wat we hier zien gebeuren. Gods woord wordt nu gesproken van mens tot mens. Gods woord en Gods liefde worden concreet in deze mens Jezus van Nazareth. Simon, Andreas, Jakobus en Johannes ontmoeten een persoon. Zij ontmoeten iemand tegen wie je geen nee kunt zeggen.

Tweeduizend jaar geleden is er iets gebeurd dat de situatie van de mens wezenlijk heeft veranderd. God is mens geworden. En – nogmaals met de woorden van Johannes – “Hij heeft onder ons gewoond.” Dat heeft onze verhouding tot God ingrijpend veranderd. De roep om bekering en de roeping om anderen tot bekering te brengen, klinken nu uit de mond van Jezus. Hij kan ons tot in ons hart raken en er zo voor zorgen dat wij geen nee kunnen zeggen.

Dat wil niet zeggen dat wij onvrij zijn geworden. Wij worden geroepen, maar het is nog steeds aan ons om te antwoorden. Je kunt er ook voor zorgen dat je ongevoelig bent voor de roepstem van Jezus. Je kunt je van Hem afwenden en Hem buitensluiten. Maar als wij openstellen voor zijn stem en Hem toelaten in ons leven, zal Hij duidelijk hoorbaar zijn. Dan ervaren ook wij zijn liefde voor ons en zullen wij Hem niets weigeren. Amen.

Biddende wijzen; Jes 60,1-6; Mt 2,1-12

“Toen koning Herodes dit hoorde werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem.” De geboorte van Jezus Christus is een schokkende gebeurtenis. Deze geboorte zet de wereld op zijn kop. Het is zoals Maria in het Magnificat zingt: “De Heer doet zich gelden met krachtige arm, vermetelen drijft Hij uiteen; machtigen haalt Hij omlaag van hun troon, eenvoudigen brengt Hij tot aanzien; behoeftigen schenkt Hij overvloed, maar rijken gaan heen met ledige handen.” (Lc 1,51-53) De menswording van Christus is werkelijk een schokkende gebeurtenis

Deze geboorte is van wereldbelang. Het is een kosmisch gebeuren. Een ster kondigt deze gebeurtenis aan. Wijzen uit het oosten gaan het Kind zoeken om het hulde te brengen. Het is zoals Jesaja schrijft: “Volkeren komen af op uw licht… van overal stromen zij naar u toe, uw zonen komen van verre, uw dochters draagt men op de arm.” De glorie van de Heer schijnt niet alleen over Jeruzalem, niet alleen over Israel. Zij schijnt in de duisternis van heel de aarde, in het donker van alle volkeren. Heel de mensheid en heel de schepping worden gered. De menswording van Jezus Christus is er voor alles en iedereen.

Dat is wat wij vandaag vieren: Christus is gekomen voor alle mensen en voor de gehele schepping. Hij is gekomen om iedereen en alles te verlossen, om iedereen gelukkig te maken en iedereen vreugde te brengen. De apostel Paulus schrijft aan de Romeinen: “Ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods.” (Rom 8,21) De Zoon van God wordt niet alleen zichtbaar en hoorbaar in de schepping. Hij wordt wezenlijk deel van de schepping. Met zijn geboorte wordt heel de schepping vervuld van Gods heerlijkheid, van Gods liefde en genade. Gods liefde voor de schepping, voor het werk van zijn handen is zo groot dat Hij zichzelf er heel concreet mee verbindt en er deel van wordt. Nu is de schepping niet meer alleen datgene wat Hij gemaakt heeft. Nu heeft Hij zich er onlosmakelijk mee verbonden. De Schepper is opgegaan in zijn schepping.

Zo is de geboorte van Christus een nieuw begin. De schepping wordt herschapen. Heel de schepping wordt verlost. Sommigen zien het. Anderen zijn blind, blind door egocentrisme, blind door zelfgerichtheid. “Toen koning Herodes dit hoorde werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem.” De rijken en machtigen houden niet van verandering. Dat geeft niet alleen onrust. Het brengt ook hun positie in gevaar. Maar het zijn niet alleen de rijken en machtigen. Heel veel mensen houden niet van verandering. Het is zoals vaak gezegd wordt: je weet wat je hebt, maar niet wat je krijgt.

Toch worden wij voortdurend opgeroepen tot bekering. We worden opgeroepen tot verandering. Verlossing is verandering. Bij onze Doop hebben we onze oude leven afgelegd om te komen tot een leven met Christus, een leven met God. Onze Doop is eenmalig, maar veranderen duurt een leven lang. Voortdurend moeten wij ons bevrijden van onze zelfgerichtheid. Voortdurend moeten wij ons richten op een leven met Christus. Bekering en verandering vragen allereerst om bezinning. Hoe staan wij in het leven? Wat is ons streven? Waar zoeken wij onze vreugde en ons geluk?

Dit jaar is door onze bisschop uitgeroepen tot het jaar van gebed. Het gebed is bij uitstek een vorm van bezinning. In het gebed zoeken we de relatie met God. In het gebed proberen we te luisteren naar zijn stem in ons. Het gebed is een oefening in bescheidenheid en nederigheid. Zo zien we vandaag ook de wijzen op hun knieën neervallen. Vanuit deze bescheiden houding bieden zij hun geschenken aan. Zij zijn geheel gericht op het Kind. Het draait niet om hen zelf maar om de pasgeboren koning. Zo is het feest van de Openbaring des Heren ook een feest van gebed.

Het gebed is ook een oefening in verbondenheid. Wij verbinden ons met God en met Christus. Wij verbinden ons met de mensen waarvoor we bidden. Met het gebed verbinden ons ook met alle anderen die bidden en hun vragen en noden bij God neerleggen. We verbinden ons ook met heel de schepping die God lof brengt. De heilige Franciscus van Assisi schreef de tekst van het Zonnelied. Hierin noemt hij alles wat er geschapen is zijn broeders en zusters. Hij noemt de zon zijn broeder en de aarde zijn zuster en moeder. Franciscus weet zich innig verbonden met de schepping. Samen met alle schepselen, samen met heel de schepping looft en eert Franciscus zijn Schepper, de Allerhoogste.

Het gebed brengt ons rust en vrede. Door het gebed komen we tot inzicht. In het gebed spreekt God tot ons. Het gebed opent ons voor de medemens en voor de wereld om ons heen. Het gebed zet ons op het spoor van verandering en bekering. Door het gebed leven wij met aandacht. Het gebed maakt ons waakzaam zonder dat we er onrustig van worden.

In wens u allen een zalig Nieuwjaar, een jaar van gebed, van liefde en vrede. Amen.

Schepping, herschepping en verlossing; Heb 1,1-6; Joh 1,1-18

“Zij bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe.” (Lc 2,7) Lucas beschrijft de geboorte van Jezus Christus op beeldende wijze. We kunnen het zo voor ons zien. Het is een beeld dat geheel en al past bij ons aardse bestaan. Jezus Christus maakt deel uit van de schepping. God wordt mens.

Johannes schrijft over het Woord en over het Licht. Dit goddelijk Woord, dit goddelijk Licht komt in de wereld. Het Woord is vlees geworden. Het Licht der mensen schijnt in de duisternis. Johannes gebruikt abstracte taal om de geboorte van Christus te beschrijven. Ook Paulus schrijft over de geboorte van Christus. Christus is de Zoon van God door wie God alles geschapen heeft. Christus staat aan het begin van de schepping. Door zijn menswording wordt de Schepper schepping.

De Zoon van God wordt niet alleen zichtbaar en hoorbaar in de schepping. Hij wordt wezenlijk deel van de schepping. Met zijn geboorte wordt heel de schepping vervuld van Gods heerlijkheid, van Gods liefde en genade. “Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen.” Gods liefde voor de schepping, voor het werk van zijn handen is zo groot dat Hij zichzelf er heel concreet mee verbindt en er deel van wordt. Nu is de schepping niet meer alleen datgene wat Hij gemaakt heeft. Nu heeft Hij zich er onlosmakelijk mee verbonden. De Schepper is opgegaan in zijn schepping.

Zo is de geboorte van Christus een nieuw begin. De schepping wordt herschapen. Heel de schepping wordt verlost. Elders schrijft Paulus aan de Romeinen: “Ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods.” (Rom 8,21) Met de menswording van Jezus Christus is niet alleen de mens maar heel de schepping verlost. Heel de schepping is vervuld van goddelijke glorie en goddelijke genade.

Zo doet Kerstmis ons met nieuwe ogen naar de schepping kijken. Christus heeft zich met heel de schepping verenigt, zich met heel de schepping en met alle schepselen verbonden. Zo is in Christus ook alles met elkaar verbonden. God wil de verbondenheid van alle schepselen met elkaar, want zij zijn allen in Christus met Hem verbonden. De heilige Franciscus van Assisi heeft dit goed aangevoeld. Hij is de bedenker van het Kerststalletje. Hij was de eerste die het geboorteverhaal van Lucas op die manier liet uitbeelden en tot leven liet komen.

Sint Franciscus is ook de schrijver van het Zonnelied. Hierin noemt hij alles wat er geschapen is zijn broeders en zusters. Hij noemt de zon zijn broeder en de aarde zijn zuster en moeder. Franciscus weet zich innig verbonden met de schepping. Samen met alle schepselen, samen met heel de schepping looft en eert Franciscus zijn Schepper, de Allerhoogste. Paus Franciscus schrijft in zijn encycliek Laudato si’ dat alles samenhangt. Alles, heel de schepping is bedoeld één harmonieus geheel te vormen. De mens is deel van de schepping. Hij is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor.

De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren. De schepping is ons niet gegeven om haar te beheersen en haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken; niet om te verbruiken. Zij is ons gegeven om haar door te geven aan de volgende generaties. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.

Kerstmis is meer dan een romantisch familiefeest. Het is ook meer dan het herdenken van de geboorte van Jezus van Nazareth. Kerstmis is het feest van de menswording van Gods Zoon. Het is het feest van de schepping en van de herschepping. Het is het feest van de verlossing van ons mensen en van heel de schepping.

Terecht zongen we met de woorden van Psalm 98: “Juich aarde alom voor de Heer, zet de zang in, speelt op de snaren, juich aarde alom voor de Heer.” Kerstmis is een feest voor de gehele schepping. Wij mogen eraan meewerken dat dit inderdaad ook zo is. Van ons wordt gevraagd het feest niet alleen voor onszelf te houden.

Een Redder is ons geboren. Het heil is ons geopenbaard. Hij is onze Leidsman ten leven. Hem mogen wij volgen en vertrouwen. Hij brengt liefde, vrede en geluk voor de hele wereld. Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.

Hoe God met mensen omgaat

Hoort hoe God met mensen omgaat (GvL 619)

Hoort hoe God met mensen omgaat. In deze Kerstnacht lezen we verschillende verhalen uit de Bijbel. We horen hoe God met mensen omgaat. We zijn op zoek naar herkenning. Wat betekenen die verhalen uit een ver verleden voor ons – hier, in deze tijd?

Genesis 3,2-9

De eerste mensen verliezen hun onschuld. Zij ontdekken dat zij vrij zijn en keuzes kunnen maken. Zij ontdekken het onderscheid tussen goed en kwaad. De vrouw neemt het voortouw. Zij gaat het gesprek aan. Voortaan dragen mensen verantwoordelijkheid voor wat zij doen. Maar God laat hen niet in de steek. God roept mensen steeds weer opnieuw.

Ik sta voor U (GvL 473)

Genesis 8,13.15-17

Noach had de roep van God gehoord. Hij keerde zich af van wat normaal was. Hij liep niet mee met de massa. Hij ging zijn eigen weg. Met Noach begon God een nieuw begin tot zegen voor heel de schepping. Met hem ging God opnieuw een weg van hoop.

Het lied van de verlossing die nabij is (GvL 427)

Genesis 12,1-4a

Ook Abram werd geroepen een eigen weg te gaan. Zo werd hij de vader van allen die in één God geloven: joden, christenen en moslims. Voortdurend is er de roep van God: maak je vrij van alles wat je bindt, van alles wat je tot slaaf maakt. Durf vrij te zijn.

Door de wereld gaat een woord (GvL 431)

Exodus 16,1b-3.11-15

Was alles maar als vroeger. Soms verlangen we terug naar een herinnering. Geloven we in de toekomst? Vertrouwen we erop dat het goed komt? Durven we ons leven in Gods handen te leggen? Zien we het licht of blijven we dolen in het donker?

Al wie dolend in het donker (melodie GvL 637)

Jesaja 9,1-3.5-6

Met kracht verbreekt het licht de duisternis. Er is werkelijk hoop. Er is nieuw leven voor iedereen. De macht van het kwaad wordt gebroken. Het licht draagt ons. Het neemt ons op de schouder. Het Kind wijst ons de weg.

Lied aan het licht (GvL 489)

Jesaja 11,1-2.4a.6-9

Kunnen we werkelijk terug naar het paradijs? Kunnen we terug naar onze onschuld?

We zijn onderweg: niet naar het verleden, maar naar de toekomst. Dat vraagt ook voor ons wijsheid en inzicht, een geest van beleid en sterkte, een geest van kennis en ontzag voor de Heer. Het vraagt om de gaven van heilige Geest, die wij bij ons Doopsel en ons Vormsel hebben ontvangen.

Zal er ooit een dag van vrede (LB 461)

Lucas 1,26-35.38

Het onmogelijke staat te gebeuren. Maria aanvaardt het mysterie en vertrouwt zich toe aan de Allerhoogste. Zij was de eerste die in Christus geloofde. Zij is de moeder van de Kerk. Zij is ons aller moeder en ons voorbeeld in het geloof.

God wil een tempel bouwen (GvL 447)

Lucas 2,1-7

Altijd weer zijn mensen onderweg. Huis en haard hebben ze verlaten. Waar vinden ze hoop, waar is hun toekomst? Waar zullen zij zich ooit weer thuis voelen?

Midden in de nacht, midden in de duisternis is er nieuw leven: een Zoon wordt ons geboren.

Stille nacht, heilige nacht (LD 744)

Lucas 2,8-20

“De herdertjes lagen bij nachte. Zij lagen bij nacht bij het veld.” Het klinkt zo romantisch, maar dat is het bepaald niet. De herders vormen de onderlaag van de maatschappij. Aan deze verschoppelingen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. “Heden is u een Redder geboren.”

Het is Kerstmis. “Eer aan God in den hoge en vrede op aarde.” Ik wens u allen een zalig Kerstfeest.

Een ster ging op uit Israël (GvL 601)

Matteüs 2,1-5a.8-11

De geboorte van dit Kind is van wereldbelang. Het is een kosmisch gebeuren. Heel de schepping wordt door Hem gered. Sommigen zien het. Anderen zijn blind, blind door egocentrisme, blind door zelfgerichtheid.

Nu zijt wellekome (GvL 508)

Johannes 1,1-5.9-14

“Het Woord is vlees geworden.” God is mens geworden. De Schepper is schepping geworden. Zo groot is Gods liefde voor het werk van zijn handen. Hij is de bron van leven. Hij is het leven zelf. Heel de schepping is vervuld door zijn glorie, door zijn liefde en genade. Zal Hij ons ooit in de steek kunnen laten?

Uit uw hemel zonder grenzen (GvL 530)

Bereidt de weg van de Heer; Js 40,1-5.9-11; Mc 1,1-8

Direct aan het begin van het Evangelie roept Marcus ons op om ons voor te bereiden op de komst van de Heer. Hij citeert daarbij de profeet Jesaja: “Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht.” Meer dan een citaat is het een samenvatting van de eerste lezing van vandaag.

Het is Advent; we bereiden ons voor op Kerstmis. Dan doen we in praktische zin. In onze kerken wordt er hard gewerkt om alles op orde te krijgen. De kerk moet versierd worden. De kerststal moet opgesteld worden. De vele vieringen worden voorbereid. De koren zijn flink aan het oefenen. Zo gebeurt er van alles om er een mooi Kerstfeest van te maken. Ook thuis zijn we op dezelfde manier bezig: het huis in kerstsfeer brengen, het kerststalletje van zolder halen, een kerstboom kopen, afspraken maken met familie en vrienden, een kerstdiner voorbereiden, et cetera. Dit alles is onderdeel van het bereiden van de weg van de Heer. Maar ik twijfel er sterk aan of Marcus en Jesaja hieraan dachten toen zij deze woorden opschreven.

“Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht.” Wat betekenen deze woorden meer dan de hiervoor genoemde praktische zaken? Wat betekenen ze voor ons persoonlijk leven en wat betekenen ze voor ons leven in gemeenschap?

Zo op het eerste gezicht leven we in een goed georganiseerd land. We hebben overal regels voor. Niet alleen is het land hier aan de Noordzee keurig vlak en aangeharkt; ook onze maatschappij roept dat beeld op. Jesaja schrijft: “Elk dal moet gevuld, elke berg en heuvel moet geslecht worden, alle oneffenheden moeten vlak, de rotsmassa’s een vallei worden.” Hierbij heeft hij het echt niet over het egaliseren van het land Israël. Deze woorden zijn figuurlijk bedoeld en zijn ook aan ons gericht. Als het land vlak moet zijn, de wegen effen, dan is de vraag aan de orde hoe staat het met de liefde en de vrede, met de gerechtigheid en de waarheid onder ons mensen? Heeft in onze maatschappij werkelijk iedereen gelijke kansen? Worden alle mensen met even veel respect behandeld? Hoe gedragen wij ons als Nederland ten opzichte van andere landen? Hoe gaat onze maatschappij om met de schepping?

Dat zijn vragen die de gemeenschap aangaan. Daarnaast gaan ze ook ons persoonlijk aan. Hoe gedragen wij ons als mens ten opzichte van andere mensen? Welke bergen moeten er nog geslecht worden? Hoe zit het met onze bergen van maakbaarheidsdenken, bergen van hoogmoed en eigendunk, bergen van ingebeelde onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Wij hebben een ander toch niet nodig. Wij kunnen het toch allemaal zelf. Dit zijn de bergen van alle tijden die telkens weer geslecht moeten worden. Maar in onze tijd van grote technologische vooruitgang zijn ze mogelijk nog vele malen hoger dan in de tijden van Jesaja en Marcus. Door de technologische ontwikkelingen hebben we grip gekregen op allerlei zaken die ons leven bedreigen. We hebben flinke dijken gebouwd om het water tegen te houden. We hebben allerlei medicijnen ontwikkeld tegen bedreigende ziekten. We zijn ons nauwelijks meer bewust van onze eigen nietigheid.

“Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht.” Wij zitten niet slechts passief te wachten op de komst van de Heer. Het is een actieve passiviteit. We moeten aan het werk om de bergen te slechten, de bergen van hoogmoed en eigendunk. We moeten werken aan het egaliseren van het land en komen tot liefde en vrede, tot gerechtigheid en waarheid onder de mensen. Wij kunnen de komst van de Heer niet bewerkstelligen. Dat hebben in het geheel niet in de hand. Ons past bescheidenheid. Wel moeten wij ons actief op zijn komst voorbereiden. Wij moeten ervoor zorgen dat we persoonlijk en gemeenschappelijk klaar staan voor de komst van de Heer. Wij moeten ervoor open staan en ontvankelijk zijn. Ook als we niet ontvankelijk zijn zal de Heer komen, maar we zullen het niet merken. Dan hebben we er zelf voor gezorgd dat onze ogen gesloten zijn. Dan gaat de glorie des Heren aan ons voorbij. Dan zullen we de luide stem niet horen.

Ontvankelijk zijn betekent ook tot inkeer komen, beseffen dat we tekort schieten en God nodig hebben. Hij zal ons vergeven en ons een nieuwe kans geven. Een weg banen naar het nieuwe leven, de nieuwe toekomst vraagt naast verlangen en hopen, geloven en vertrouwen om ontvankelijkheid en inkeer, om open staan voor God. Als wij deze weg gaan, geldt ook voor ons: “Troost, troost toch mijn Stad.” Amen.