Spring naar inhoud

Je ziet het ene

Auteur: Herwi Rikhof
Titel: Je ziet het ene: Beschouwingen over de zeven sacramenten en liederen van de Kerk
Uitgever: Adveniat, 2021
Prijs: € 24,50
ISBN: 978 94 9316 152 8
Aantal pagina’s: 128

Priester en theoloog Herwi Rikhof combineert in dit boek reflecties over de zeven sacramenten met analyses van enkele liederen van de Kerk. Hij laat zien hoe de sacramenten zijn verbonden met de heilige Geest en hoe ze niet los gezien kunnen worden van de menswording van God. “Bij sacramenten gaat het om transparantie en wel die bijzondere vorm van transparantie, waarbij wat gezegd en gedaan en gebruikt wordt van belang is, omdat daarin en daardóór God en het handelen Gods zichtbaar wordt. Je ziet het ene en je weet de Andere aanwezig…” Ook Jezus wordt ‘sacrament’ genoemd. “Hij is het zichtbare teken van de onzichtbare Vader.” Alleen voor gelovige ogen zichtbaar.

Met dit inspirerende, goed leesbare en mooi uitgevoerde boek helpt Rikhof ons naar een beter begrijpen en beter aanvoelen van de betekenis van de zeven sacramenten in ons christelijk leven. De analyses van de veelal bekende liederen ondersteunen dit. Ook maakt hij veelvuldig gebruik van kerkelijke beeldende kunst. Het boek is een aanrader voor iedere christen.

Samen de berg op: Gn 12,1-4a; 2 Tim 1,8b-10; Mt 17,1-9

Vandaag horen we hoe Abram wegtrekt uit zijn land, hoe hij een onzekere toekomst tegemoet gaat, maar ook hoe hij vertrouwt op God en hoe hij vertrouwt op de beloftes die God hem doet. Jezus nodigt Petrus, Jakobus en Johannes uit met Hem de berg op te gaan om. Een paar dagen hiervoor vroeg Jezus aan zijn leerlingen: “Wie zegt gij dat Ik ben?” Petrus antwoordde: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Maar als Petrus vervolgens hoort hoe Jezus zal moeten lijden en sterven, verzet hij zich hier hevig tegen. Waarop Jezus Petrus ‘satan’ noemt. De leerlingen en ook wij moeten leren dat onze menselijke gedachten niet Gods gedachten zijn. Daarvoor neemt Jezus hen mee de berg Tabor op.

Paus Franciscus koos deze Evangelietekst voor zijn Veertigdagenbrief. De paus schrijft: “Om onze kennis van de Meester te verdiepen, om het mysterie van de goddelijke verlossing, voltrokken in de totale zelfgave uit liefde, ten volle te begrijpen en te aanvaarden, moeten we ons door Hem laten leiden naar een afgelegen hoogte en afstand doen van onze middelmatigheid en ijdelheid. We moeten op weg gaan, de berg op. Ook deze bergtocht vergt van ons inspanningen, offers en concentratie.”

De apostel Paulus schrijft: “Draag uw deel in het lijden voor het Evangelie.” Genade en heil worden ons toegezegd, maar onze roeping gaat niet zonder inspanning. Gods genade brengt ons in beweging en zet ons aan tot actie. Op Tabor wordt zichtbaar wat Gods beloftes inhouden. Aan het eind van de beklimming ontvangen de leerlingen de genade Jezus in zijn heerlijkheid te aanschouwen. Zo zullen ook wij beloond worden voor onze inspanningen die voortvloeien uit onze roeping, voor onze inspanningen voor het evangelie.

Ieder van ons is geroepen de weg die Jezus ons wijst te gaan. Dit is echter geen strikt individuele opdracht. Het is geen eenzame weg. Wij gaan de weg van Jezus in gemeenschap. Wij gaan samen op weg. De paus verbindt dit met de synodale Kerk. Hij schrijft: “Net zoals het beklimmen van de berg Tabor door Jezus en de leerlingen, kunnen we zeggen dat onze Veertigdagentocht ‘synodaal’ is, omdat we samen, als leerlingen van de ene Meester, dezelfde weg afleggen.” De kerk is synodaal. Zo geldt dat ook voor onze geloofsgemeenschap. Zoals de Kerk katholiek is – dat willen zeggen universeel – zo zijn ook wij hier ter plaatse katholiek. Niemand wordt buitengesloten. Samen gaan wij – als leerlingen van Jezus – onze weg. Samen nemen wij de inspanningen voor het Evangelie op ons.

De Veertigdagentijd is een tijd van bezinning. Wij bezinnen ons op de weg die we gaan. Welke route is er voor ons als geloofsgemeenschap uitgestippeld. Samen gaan we op zoek naar onze weg, hier en nu. Juist in de Veertigdagentijd doen we dat door onszelf los te weken van materiële zaken en aardse beslommeringen. Juist in deze tijd vragen we ons af wat heeft Jezus ons te zeggen. Ook voor ons is er de stem die klinkt vanuit de hemel: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, (…) luistert naar Hem.” Abram gaat een totaal onzekere toekomst tegemoet, maar hij vertrouwd erop dat de Heer hem zal leiden en beschermen. Ondanks alle onzekerheid heeft Abram vertrouwen. Zo mogen ook wij erop vertrouwen dat we de goede weg vinden. De heilige Geest wijst ons de weg.

Jezus zegt tegen zijn leerlingen: “Staat op, en weest niet bang.” Ook wij worden uitgenodigd zonder vrees op weg te gaan. Jezus raakt zijn leerlingen aan. Hij is fysiek met hen verbonden. Zo mogen wij ons ook door Hem laten aanraken door het ontvangen van de sacramenten, door het ontvangen van de heilige Communie en door de vergeving van onze zonden. Zo mogen wij ook elkaar bemoedigen, elkaar een hand op de schouder te leggen. In verbondenheid met elkaar gaan we samen de weg van Jezus.

De paus eindigt zijn brief met: “Dierbare broeders en zusters, moge de heilige Geest ons in deze Veertigdagentijd inspireren en bemoedigen als we met Jezus de berg beklimmen, opdat wij zijn goddelijke luister mogen ervaren en zo, gesterkt in het geloof, onze tocht mogen voortzetten met Hem, die de glorie van zijn volk en het licht van de volkeren is.” Amen.

Aswoensdag: solidariteit, spiritualiteit en soberheid

We beginnen aan de Veertigdagentijd. Wij hebben een tijd van bezinning gekregen. Een tijd van aalmoes, gebed en vasten, een tijd van solidariteit, spiritualiteit en soberheid. We leven in een onrustige tijd, een tijd van oorlog, rampen en crises. Denk aan de aardbeving in Syrië en Turkije. Denk aan de oorlog in Oekraïne en ook op andere plekken in de wereld. Denk aan de gevolgen van de klimaatcrisis die zich steeds duidelijker aftekenen.

Vele mensen hebben onze solidariteit nodig. Denk aan de vele vluchtelingen waar de Vastenactie onze aandacht voor vraagt. Denk ook aan de mensen in onze directe omgeving die door de inflatie en de hoge energiekosten in de problemen raken. Soberheid is nodig om te voorkomen dat onze aarde voor mensen onbewoonbaar wordt. De ecologische voetafdruk van de gemiddelde Nederlander is vijf hectare. Als alle mensen zo leven als wij doen, zijn ongeveer drie aardes nodig. Onze manier van leven leidt tot uitputting van de natuurlijke bronnen, verwoesting van de natuur en uitsterven van vele vormen van leven. Wij laten onze kinderen en kleinkinderen een geplunderde aarde na.

Maar misschien is het gebrek aan spiritualiteit wel het grootste probleem van onze tijd. Dat leidt tot een geestelijke leegte en een zinloos bestaan. Het leidt tot een leegte die opgevuld wordt door consumptie. Hoezo soberheid! In een consumptiemaatschappij verdwijnt de menselijke waardigheid. Mensen verworden tot economische objecten, mensen verworden tot productiemiddelen en tot consumenten. Mensen verworden tot onderwerp van vraag en aanbod. Mensen verworden tot elkaars concurrenten in een economische strijd. Geld wordt de enige maatstaaf. Liefde, barmhartigheid, hoop, vertrouwen et cetera: ze verdwijnen uit onze samenleving. Weg solidariteit!

Begin deze maand waren er binnen onze federatie bijeenkomsten over de synodale en missionaire Kerk. Deze vinden plaats in het kader van het wereldwijde synodale proces waartoe paus Franciscus een aanzet heeft gegeven. We stelden ons daarbij de vraag waarom we missionair willen zijn. We kwamen tot antwoorden als: wat we zelf ontlenen aan ons geloof wensen we ook anderen toe. Genoemd werden het houvast dat het geloof biedt, de gevoeligheid voor spiritualiteit en het bevorderen van het algemeen welzijn.

Hoe leer je leven vanuit de genade? Hoe leer je leven vanuit de Bron buiten jezelf? Kunnen mensen zich wel voorstellen, dat er iets buiten henzelf is waar ze op mogen vertrouwen, waar ze zich aan over kunnen geven? Geloven is het mysterie aanvaarden, het mysterie van het leven, het mysterie van de dood, het mysterie van de liefde, het mysterie van God. Het mysterie is niet iets wat we nog niet weten. Het mysterie is niet een gat in onze kennis. Het mysterie valt buiten de kennismogelijkheden van de wetenschap. Het mysterie is iets wat we fundamenteel niet kunnen doorgronden. We kunnen het wel ervaren. We ervaren ons leven, we ervaren liefde, maar we kunnen het niet echt verklaren en we kunnen al helemaal geen wetenschappelijke antwoorden geven op vragen als waarom leven we, waarom hebben we lief.

Geloven is het aanvaarden van het mysterie dat buiten ons staat, maar dat ook in onszelf aanwezig is, het mysterie dat zich geopenbaard heeft in Jezus Christus. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Hij is een persoon waarmee we ons kunnen verbinden, met wie wij een relatie kunnen aangaan. In die relatie, in het leerling zijn van Jezus, ervaren wij waarheid, ervaren wij liefde, ervaren wij de essentie van het leven. Als leerling van Jezus vinden wij de weg in ons leven. Jezus is de Bron van ons leven. Hij is onze Weg. Hij is de grote schat die ons gegeven is, het geluk dat we zo graag willen delen met anderen. Hij is de reden waarom wij een missionaire Kerk willen zijn.

De vraag is hoe vinden we in deze tijd de woorden om deze boodschap uit te dragen. Daarvoor is het nodig ons eerst goed bewust te zijn van onze eigen ervaringen. Als wij weten wat het voor ons betekent en daar woorden aan kunnen geven, dan zijn wij in staat onze schat te delen, dan zijn wij in staat gehoor te geven aan onze roeping. De Veertigdagentijd wordt ons gegeven ons in ons eigen geloof te verdiepen. Amen.

Wees heilig; Lv 19,1-2.17-18; 1 Kor 3,16-23; Mt 5,38-48

Drie weken geleden lazen we de Zaligsprekingen, het begin van de Bergrede, de grote toespraak die Jezus houdt aan het begin van zijn openbare leven. Daarna riep Jezus ons op licht der wereld en zout der aarde te zijn. Vorige week ging het over de radicaliteit die Jezus van ons vraagt, als wij zijn leerlingen willen zijn. De lezing van vandaag is daar een vervolg op.

Vandaag eindigen we met de oproep: “Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.” Dit zou de slotzin van de toespraak van Jezus kunnen zijn, maar dat is niet het geval. Jezus gaat nog verder met zijn toespraak. Ook de lezing van Aswoensdag over bidden en vasten komt uit de Bergrede. Jezus geeft ons de woorden van het Onze Vader. Hij leert ons dat we niet twee heren kunnen dienen en dat we ons niet druk moeten maken over onze aardse beslommeringen. Ook de gelijkenis van de splinter in het oog van de naaste en de balk in onze eigen oog, en de gelijkenis van het huis op de rots en nog meer zijn onderdeel van de Bergrede.

De oproep: “Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.” is niet de slotzin van de Bergrede, maar staat wel centraal. Deze centrale plaatsing maakt dat de hele toespraak draait om deze oproep. Deze oproep van Jezus komt overeen met de oproep uit het Oude Testament. In de eerste lezing het boek Leviticus hoorden we: “Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig.”

Woorden als ‘volmaakt’ en ‘heilig’ zullen we niet snel op onszelf betrekken. Het zijn grote woorden, begrippen die niet voor ons zijn bedoeld. In onze streken vindt men gewoon doen al gauw gek genoeg. Paus Franciscus schrijft hierover het volgende in ‘Verheugt u en juicht’. “Jezus legde met grote eenvoud uit wat het betekent om heilig te zijn. Hij deed dit toen Hij ons de zaligsprekingen gaf. De zaligsprekingen zijn als de identiteitskaart van de christen.” “Het woord ‘gelukkig’ of ‘zalig’ wordt zo een synoniem voor ‘heilig’. Het geeft uitdrukking aan het feit dat zij die God trouw zijn en zijn woord naleven, door hun zelfgave het werkelijke geluk verkrijgen.” De paus maakt ons duidelijk dat we de grote woorden ‘volmaakt’ en ‘heilig’ juist wel op onszelf mogen en moeten betrekken. Hij schrijft dat heiligheid tot een beter en menselijker leven leidt: “Wees niet bang voor heiligheid. Zij ontneemt je geen energie, vitaliteit of vreugde. In tegendeel, je wordt wat de Vader bedoelde toen Hij je schiep, en je zult trouw aan jezelf zijn.”

Het gaat om het leven van alledag, om het goed doen van de gewone dingen. Iedereen is geroepen zijn leven op zijn eigen wijze goed te leven. Heiligheid leidt echter niet tot een middelmatig en rustig leven. De paus schrijft: “Verlies de moed niet, want de kracht van de heilige Geest stelt je hiertoe in staat. Uiteindelijk is heiligheid de vrucht van de heilige Geest in je leven.” Het is zoals Paulus schrijft: “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest van God in u woont? (…) Want de tempel van God is heilig, en die tempel zijt gij.” De heilige Geest is ons nabij. Hij is onze Helper in alles. Hij maakt ons heilig.

Paulus schrijft ook: “De wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God.” De weg van de heiligheid is een weg die tegen de stroom in gaat. De weg van Jezus volgen, het pad van de heiligheid gaan, betekent dat je je niet laat verleiden en dat je anders durft te zijn.  Het betekent dat je een andere mening durft te hebben als het gaat om mensen in de verdrukking en dat je durft op te komen voor de rechten van de armen en de mensen in nood. Het betekent dat je weet dat alle mensen je broeders en zusters zijn. Dit zijn ook de boodschappen van Jezus in de Bergrede. Jezus kiest voor de radicaliteit van de liefde. Liefde is mateloos en onbegrensd. Liefde kent geen ‘ja maar’. Dat is de weg die Jezus ons voorhoudt. Hij zegt ons: “Ik zeg u: bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen.”

Liefde is ook barmhartigheid. We mogen met vallen en opstaan leerlingen van Jezus zijn. We mogen grote idealen hebben en ons er tegelijkertijd van bewust zijn, dat de lat hoog ligt en het lang niet altijd lukt aan onze idealen te voldoen. Op de eerste plaats gaat het om ons streven. Wij mogen ons voortdurende oefenen in heiligheid, in gelukkig zijn. Een leerling van Jezus is nooit te oud om te leren. Gaandeweg maken wij ons een heilige levenswijze eigen. Gaandeweg worden we gelukkige mensen. Het is de heilige Geest die ons gaande houdt. Jezus heeft ons de Geest van liefde en waarheid gegeven om heilige en gelukkige mensen te worden. Met de woorden van Paulus: Wij zijn van Christus en Christus is van God. Amen.

Gelukkig worden; Mt 5,1-12a

Jezus staat aan het begin van zijn openbare leven. Hij heeft zich door Johannes laten dopen in de Jordaan. Hij heeft de eerste leerlingen opgeroepen Hem te volgen. Vandaag horen we Hem de mensen toespreken. De Bergrede – zoals in het Evangelie volgens Matteüs is vastgelegd – is een lange rede van Jezus die begint met zogenaamde zaligsprekingen. De komende zondagen lezen we telkens fragmenten uit de Bergrede.

Lange tijd zijn de zaligsprekingen vooral gezien als een belofte aan hen die het in het aardse leven moeilijk hebben. Zij zullen gelukkig zijn in het leven na de dood. Tegenwoordig wordt er anders tegenaan gekeken. Ook tijdens het aardse leven mogen wij streven naar geluk. Recente Bijbelvertalingen gebruiken het woord gelukkig in plaats van zalig. We accepteren het ook niet meer dat mensen in moeilijkheden met de belofte van een gelukkig eeuwig leven worden afgescheept. Ook hun aardse leven verdient verbetering en daarin ligt een opdracht voor ons mensen.

Op het eerste gezicht zijn het nogal merkwaardige uitspraken die Jezus doet. Ze komen niet overeen met onze wereldse maatstaven en de wereldse manier van kijken. Ze sluiten aan bij het optreden van Jezus en wat Hij tot stand brengt: “blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd” (Mt 11,5). Het gaat niet om de wereldse wijze van kijken, maar om de wijze van kijken van God. Het gaat om het ware geluk en de ware zaligheid.

De zaligsprekingen kunnen we ook zien als een zelfportret van Jezus. Ze beschrijven zijn karakter, zijn optreden en de situatie waarin Hij zich bevindt. Zo beschrijven zij ook wat het inhoudt Hem na te volgen. Jezus is voor ons de weg tot een deugdzaam en gelukkig leven. Met de Bergrede wordt meteen de toon gezet. Jezus komt niet met een aangepaste en verbeterde wetgeving; Hij maakt duidelijk dat het primair gaat om onze houding. De Bergrede is ook de aankondiging van het Rijk der hemelen, het Rijk van liefde en gerechtigheid.

Vijf jaar geleden schreef paus Franciscus de exhortatie ‘Verheugt u en juicht’. Hierin roept hij ons op ons leven te heiligen. De zaligsprekingen noemt hij de weg voor de christen, de weg van heiliging. Het is een weg die tegen de stroom in gaat. De paus schrijft: Jezus legde met grote eenvoud uit wat het betekent om heilig te zijn. Hij deed dit toen Hij ons de zaligsprekingen gaf. De zaligsprekingen zijn als de identiteitskaart van de christen.” (63) “Het woord ‘gelukkig’ of ‘zalig’ wordt zo een synoniem voor ‘heilig’. Het geeft uitdrukking aan het feit dat zij die God trouw zijn en zijn woord naleven, door hun zelfgave het werkelijke geluk verkrijgen.” (64) “Hoewel de woorden van Jezus ons poëtisch mogen raken, zij gaan duidelijk in tegen de manier waarop de dingen gewoonlijk in onze wereld gaan. (…) We kunnen ze alleen praktiseren wanneer de heilige Geest ons met zijn kracht doordringt en ons bevrijdt van onze zwakheid van zelfgerichtheid, gemak en trots.” (65)

We kunnen de zaligsprekingen lezen als een opsomming van deugden die ons worden aanbevolen om goede en gelukkige mensen te worden. We kunnen er de volgende deugden in herkennen: eenvoud en bescheidenheid, gevoeligheid voor het leed en kwaad in de wereld, zachtmoedigheid, gerechtigheid, barmhartigheid, wijsheid en eerlijkheid, vredelievendheid, standvastigheid en moed. Dit alles gaat in tegen de wereldse strevingen gericht op rijkdom, macht en roem. Jezus wijst ons een andere weg, Jezus wijst ons zijn weg ten leven, de weg van een leven in liefde en waarheid. De zaligsprekingen zijn niet alleen een belofte voor de toekomst maar ook voor het heden waarin het Rijk der hemelen, het Rijk Gods soms heel nabij is, het heden waarin we Gods nabijheid kunnen ervaren.

Jezus maakt duidelijk dat het primair gaat om onze houding die gestalte krijgt in de deugden die we beoefenen. De deugden helpen ons om ons streven naar het goede leven met vallen en opstaan vorm te geven. De zaligsprekingen maken ons duidelijk dat wij ook werkelijk gelukkig worden van dit streven naar het goede. Amen.

Ken ik Hem? Js 49,3.5-6; 1 Kor 1,1-3; Joh 1,29-34

Afgelopen zondag vierden we Driekoningen, het feest van de Openbaring des Heren. Het pasgeboren Kind wordt door wijzen uit het oosten bezocht. Hij openbaart zich als het heil voor de mensheid. Maandag was het feest van de Doop van de Heer. Jezus is een volwassen man geworden en staat aan het begin van zijn openbare leven. Hij laat zich door Johannes dopen in de Jordaan. Johannes predikt een doopsel van bekering. Vandaag horen we in het Evangelie hoe Johannes de Doper getuigt van deze gebeurtenis. Hij vertelt wat hij heeft meegemaakt. Hij vertelt dat hij Jezus niet kende. Door deze gebeurtenis komt hij tot het inzicht: “Deze is de Zoon van God.” Nu getuigt Johannes: “Zie, het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt.” Johannes is tot het inzicht gekomen wie Jezus is en wat zijn missie is. Met de woorden van Jesaja: Jezus is Gods dienaar. Hij komt niet alleen om Israël naar God terug te brengen. Hij is ook het licht voor de heidenen. Hij brengt heil aan alle mensen tot de grenzen der aarde.

We staan aan het begin van een nieuw jaar. Het is de tweede zondag door het jaar. We volgen Jezus op zijn weg door het leven. We horen wat Hij meemaakt en we horen welke boodschap Hij voor ons heeft. Gaandeweg leren we Jezus beter kennen. Door Hem te volgen en naar Hem te luisteren, openbaart Hij zich aan ons. Zo wordt ons duidelijk wie Hij voor ons is.

Johannes de Doper zegt: “Ook ik kende Hem niet”. Dat is een opmerkelijke uitspraak. Hij is de achterneef van Jezus en hij is een leeftijdsgenoot. Maria ging – toen zij zwanger was van de heilige Geest – naar nicht Elisabet die toe zes maanden zwanger was van Johannes. De beide nichten hadden een goede relatie met elkaar. Familiebanden waren belangrijk. Jezus en Johannes kwamen niet dagelijks bij elkaar over de vloer. Daarvoor woonden ze ver van elkaar: Jezus in Nazareth en Johannes ergens in het bergland van Juda. Dat vroeg een voetreis een enkele dagen. Maar ongetwijfeld reisden ze beiden met Pasen naar Jeruzalem. Daar zullen zij elkaar jaarlijks ontmoet hebben. Toch zegt Johannes: “Ook ik kende Hem niet”. Wat bedoelt hij daarmee?

Johannes was net als Jezus geen doorsnee jongeman. Beiden zijn mensen met een missie. Dat zullen ze gaandeweg hun jonge leven beseft hebben. Dat zullen ze ook bij elkaar herkend hebben en daar zullen zeker met elkaar over gesproken hebben. En toch zegt Johannes: “Ook ik kende Hem niet”. Toen Johannes Jezus doopte in de Jordaan gebeurde er iets bijzonders. Toen leerde Johannes Jezus op een geheel nieuwe manier kennen. Toen werd hem plotseling duidelijk wie Jezus echt is. In die zin kan hij zeggen: “Ook ik kende Hem niet”. Hij kende Jezus niet echt. Hij wist niet wie Hij werkelijk is. Plotseling beseft Johannes: Mijn neef Jezus is de Zoon van God. Hij is het heil van de wereld. Dat zet alles in een ander daglicht.

Een dergelijke ervaring heeft de apostel Paulus ook gehad. Hij kende Jezus als een nieuwlichter, als iemand die op een geheel eigen manier met de Wet van Mozes omging, als iemand die zei dat Hij zonden kan vergeven. En dan plotseling op de weg naar Damascus vallen Paulus de schellen van de ogen en ziet hij Jezus op een nieuwe manier. Dan wordt het Paulus duidelijk dat Jezus ons heiligt, dat Hij onze Heer is. Dan weet Paulus ook dat hij ook zelf een missie heeft, dat hij dit heil aan de wereld moet verkondigen, dat hij moet getuigen van Jezus, de Zoon van God. Hij doet dat ook in de brieven die hij ons heeft nagelaten.

Ook wij zijn geroepen tot getuigenis. Het is ook onze missie de blijde boodschap aan de wereld te verkondigen. Wij allen zijn leerlingen van Jezus. Wij allen zijn geheiligd in Hem, bestemd tot een heilig leven. Dat is niet het leven van een heilig boontje. Dat is een leven met een missie, een leven met de opdracht Gods liefde voor alle mensen aan iedereen bekend te maken. Misschien moeten we eerst nog beter realiseren wie Jezus werkelijk voor ons is. Misschien hebben wij net als Johannes en Paulus eerst nog een bekering nodig. Waarschijnlijk is dat meer een kwestie van het hart dan van het hoofd. Mogen wij leren zien met ons hart. Amen.

Vrede op aarde; Js 9,1-3.5-6;Tit 2,11-14; Lc 2,1-14

“Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.” Een Kind is ons geboren, een Zoon ons geschonken. “Men noemt Hem: wonderbare Raadsman, Goddelijke Held, eeuwige Vader, Vredesvorst.” Vrede is hetgeen waarnaar we verlangen, vrede op aarde, vrede onder alle mensen. Jezus, het Kind in de kribbe is de Vredesvorst. Hij brengt ons vrede, vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.

De lezingen van vandaag laten ons zien hoe God ons tegemoet komt in ons verlangen naar vrede. Hij zendt ons zijn eigen Zoon om op aarde vrede te stichten. Ook wordt duidelijk dat vrede niet alleen maar een geschenk is. Het komen tot vrede vraagt ook een inspanning van onze kant. Wij mensen moeten werkelijk vrede willen en daaraan werken. Vrede is er voor de mensen in wie God welbehagen heeft. Als wij ons – op welke wijze dan ook – afkeren van God zal Hij ons geen vrede geven. Wij zijn vrije mensen en dragen dus ook zelf verantwoordelijkheid. Vrede onder de mensen vraagt dat wij mensen elkaar zien als broeders en zusters, dat wij de hele mensheid zien als één grote familie, als één gemeenschap over alle grenzen heen.

Het zal u duidelijk zijn dat dit geen kleinigheid is. Gods droom en verlangen vraagt onze menselijke medewerking. Russen en Oekraïners die elkaar zien als broeders en zusters, De verschillende partijen in Syrië die elkaar zien als broeders en zusters, Palestijnen en Israëliërs die elkaar zien als broeders en zusters, Koerden en Turken die elkaar zien als broeders en zusters, burgers en overheid van Afghanistan en Iran die elkaar zien als broeders en zusters, nakomelingen van hen die onder slavernij leden en van hen die van de slavernij profiteerden die elkaar zien als broeders en zusters, arm en rijk die elkaar zien als broeders en zusters, joden, christenen, moslims en hindoes die elkaar zien als broeders en zusters.

Maar ook dichter bij huis: stad en platteland die elkaar zien als broeders en zusters, boeren en milieubeschermers die elkaar zien als broeders en zusters, mensen met en zonder vaste verblijfplaats die elkaar zien als broeders en zusters, allochtonen en autochtonen die elkaar zien als broeders en zusters, mensen met verschillende geaardheid die elkaar zien als broeders en zusters, mensen met zeer uiteenlopende achtergronden die elkaar zien als broeders en zusters.

Nog dichter bij huis, ook hier in de kerk moeten wij ons afvragen: zien wij elkaar werkelijk als broeders en zusters? Vormen wij werkelijk een gemeenschap van gelovigen of zijn we niet meer dan een verzameling brave mensen die met Kerstmis naar de Nachtmis komen? Alle verschillen die er tussen mensen mogelijk zijn treffen we ook aan binnen onze parochie. Ook hier moeten we over de grenzen van de verschillen heen stappen om elkaar als broeders en zusters te kunnen zien.

De verschillen zijn er niet om op te heffen. De verschillen verdienen respect, de verschillen kunnen ieder van ons verrijken. Het gaat om een eenheid in verscheidenheid. Wat we moeten overwinnen is onze eigen ongerechtigheid, onze zelfingenomenheid en onze zelfgerichtheid. Zolang we ons zelf als de norm zien zijn we niet in staat de grenzen van de verschillen te overwinnen. Dan blijven we steken in onze eigen gesloten bubbel.

Paulus leert ons dat Jezus gekomen is om ons juist hiervan te verlossen om ons te maken tot een volk van Christus, tot een gemeenschap in Christus. Jezus Christus, “de genade van God, bron van heil voor alle mensen is op aarde verschenen”. “Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen en ons te maken tot zijn eigen volk, gereinigd van de zonde, vol ijver voor alle goeds.” Hij wijst ons de weg. Hij is onze Gids, onze Leidsman, onze wonderbare Raadsman, onze eeuwige Vader. Als wij ons verbinden met Hem zoals Hij zich aan ons heeft gegeven, als wij zijn leerlingen willen zijn, zullen wij mensen zijn in wie God welbehagen heeft. Dan zal Jezus Christus ons laten delen in zijn vrede.

De herders zijn ons voorgegaan. Bij de geboorte van Jezus worden zij als eersten uitgenodigd. Deze onaanzienlijke lieden, deze verschoppelingen van hun tijd waren de eersten aan wie Jezus zich openbaarde. De herders stonden open voor het heil, voor de liefde en de vrede die Jezus ons geeft. Ook wij mogen leven in zijn liefde en zijn vrede. Ook voor ons geldt: “Vreest niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer.” Ook wij hebben niets te vrezen. Laten wij ons verbinden met Hem en bidden voor en werken aan vrede hier op aarde. Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.

Onderscheiding van geesten; Js 7,10-14; Mt 1,18-24

Matteüs schrijft over de geboorte van Jezus Christus. Hij vertelt een verhaal wat je meteen voor je ziet. Twee jonge mensen zijn van plan te gaan trouwen. Hij een nette jongeman en zij een vroom meisje en dan gaat er iets helemaal mis. Zij blijkt zwanger te zijn en het is niet van hem. Voor de jongeman is het een schokkende ervaring. Hij denk erover na. Dit lijkt hem geen basis voor goed huwelijk. Ondanks alles houdt hij nog steeds van haar en hij wil het haar niet moeilijker maken dan het al is. Het lijkt hem het beste in stilte van haar te scheiden.

Dan krijgt het verhaal plotseling een andere wending. Wat begonnen is als een verhaal van twee mensen wordt plotseling een verhaal waarin God een grote rol speelt. Jozef ziet in een droom een engel met een goddelijke boodschap. Hij wordt gevraagd toch met het meisje te trouwen. Hij wordt geroepen tot een heel bijzonder vaderschap. Het kind dat Maria ter wereld zal brengen, is van de heilige Geest en Hij “zal zijn volk redden uit hun zonden”. Daarom moet Jozef Hem Jezus noemen. Dat betekent: Redder. Jozef wordt geroepen vader te zijn van een zoon die men Immanuël zal noemen: God met ons.

Dit verhaal over Jozef kennen we allemaal. Van kindsbeen af hebben we het gehoord. Omdat het ons zo vertrouwd is, staan we er nauwelijks bij stil wat dit voor Jozef betekend moet hebben. Hoe komt hij tot het besluit zichzelf zo weg te cijferen? Heeft Jozef een overdonderende ervaring gehad? De engel verscheen hem in een droom, niet op klaarlichte dag, zoals Gabriël aan Maria verscheen en haar vertelde dat ze zwanger wordt van de heilige Geest. Van een droom zeggen wij meestal dat het maar een droom is. We nemen dromen over het algemeen niet erg serieus. We zeggen: dromen zijn bedrog. Maar het feit dat we over iets dromen zegt wel dat het ons bezig houdt. Dat zal bij Jozef ook zeker het geval geweest zijn. Blijkbaar was hij toch nog niet zo zeker van zijn voorgenomen besluit.

Iedere mens komt dat tegen. Hij wikt en weegt. Hij aarzelt. Wat is juist in deze situatie? Welk besluit moet ik nemen? Zowel voor het ene als het andere zijn er goede argumenten. We komen dat tegen in ons persoonlijk leven, in het gezin, in ons werk, in de maatschappij, in de Kerk. Ook Achaz, de koning van Juda moet een besluit nemen. De eerste lezing vertelt hierover. Er dreigt een oorlog. Hoe moet het land zich verdedigen? Welke bondgenoot moet gekozen worden? Jesaja zegt hem op God te vertrouwen. De Heer heeft aan koning David beloofd een redder te sturen. Welke zekerheid geeft deze belofte? Achaz vertrouwt liever op zijn eigen kracht. Hij kiest voor menselijke zekerheden. Een teken van God ziet hij liever niet. Dat brengt hem maar in een lastige situatie. Daarentegen neemt Jozef zijn droom serieus. Hij ziet de droom als een teken van God. Voor Jozef is het duidelijk welke keuze hij moet maken.

Ik neem niet aan dat u regelmatig duidelijke tekenen van God ontvangt. Mij gebeurt het in ieder geval niet. Dat neemt niet weg dat ook wij allerlei signalen ontvangen, signalen die ons kunnen helpen de juiste keuzes te maken. Een goed gesprek met anderen, een goede raad kan ons geweldig helpen. Stil staan bij de waarden van onze cultuur en traditie helpt ons. Oog hebben voor wat er leeft in de samenleving helpt ons ook. Zowel de traditie als de tekenen van de tijd zeggen ons veel over de situatie waarin we leven en waarin we moeten handelen.

In het kader van proces om tot een synodale Kerk te komen heeft paus Franciscus het vaak over het onderscheiden van geesten. Hij is heel duidelijk een jezuïet. De heilige Ignatius geeft in zijn ‘Geestelijke oefeningen’ praktische regels en methoden voor het maken keuzes, voor het onderscheiden van geesten. Hierbij is de centrale vraag: hoe geven wij de heilige Geest de ruimte ons te inspireren en ons op het juiste spoor te zetten? De heilige Geest is niet zo van duidelijke tekenen. Hij waait waarheen Hij wil en werkt nogal indirect. Vaak is het op onverwachte en onduidelijke wijze dat Hij ons laat weten wat goed is. Luisteren naar de heilige Geest vraagt om bezinning en reflectie. Het vraagt om stilte en om gebed. Het vraagt ook om overgave aan en vertrouwen op God.

Onderscheiding van geesten vraagt ons te luisteren naar elkaar, naar de wereld om ons heen. Het vraagt ons te luisteren naar onze eigen verlangens en dromen. Het vraagt ons te luisteren naar de stem van ons geweten. Wat achten wij goed voor alle betrokkenen, wat verlangen wij voor hun toekomst en hoe inspireren wij hen met onze dromen. God is ons nabij in ons aardse bestaan. Zijn Zoon Jezus Christus is mens met ons. Zijn Geest inspireert ons en tilt ons op tot een hoger niveau. Zo leeft God in ons en kunnen wij zijn wegen volgen. Amen.

Gesprekken over ouderen en ouderdom

Dit jaar heeft paus Franciscus een serie catecheses gehouden over ouderdom. Op basis daarvan wil ik deze drie avonden met u spreken over de volgende drie onderwerpen:
1. Vriendschap en verbondenheid tussen de verschillende leeftijden;
2. De verheerlijking van de jeugd;
3. De bijdrage van ouderen aan de samenleving.

1. Vriendschap en verbondenheid tussen de verschillende leeftijden

De profeet Joël leert ons: “Profeteren zullen uw zonen en uw dochters, uw ouderen zullen dromen krijgen” (3,1). Dit betekent ook dat jongeren niet weten wat ze met hun toekomst aan moeten als de ouderen hun dromen in het verleden begraven.

De paus Franciscus zegt hierover: “Jongeren die niet langer de dromen van de ouderen bevragen, en alleen dromen zien die niet verder gaan dan hun neus lang is, hebben moeite met het dragen van hun heden en met het verdragen van hun toekomst. Als grootouders terugplooien in zwaarmoedigheid, zullen jongeren zich nog meer buigen over hun smartphone. Het scherm blijft misschien aan, het leven echter dooft voortijdig. (…) Ouderen bezitten de rijkdom van het geleefde leven waarop ze elk ogenblik een beroep kunnen doen. Zullen ze alleen maar kijken naar de jongeren die hun visioen verliezen of zullen ze hen begeleiden en hun dromen aanwakkeren? Wat zullen de jongeren doen met de dromen van de ouderen?”

Het gaat om de samenhang van alle leeftijdsgroepen, om vriendschap en verbondenheid tussen de verschillende generaties. Deze verbondenheid moet opnieuw gestalte krijgen. Dat vraagt dat de wijsheid van de oudere erkend wordt, als geleefde geschiedenis in de samenleving, en dat er een gesprek is tussen de generaties, een open dialoog met de jongeren.

De paus vervolgt: “Ik hoop (…) dat in de dialoog tussen jongeren en ouderen, de ouderen dromen aanbrengen en dat de jongeren die zouden aannemen en verder dragen. Laten we niet vergeten dat in de cultuur – zowel in het gezin als in de samenleving – de ouderen als de wortels van de boom zijn: zij bezitten de hele geschiedenis en de jongeren zijn als de bloesems en vruchten. Zonder sap, laten we zeggen zonder ‘doorstroming’ vanuit de wortels zullen ze nooit bloeien. (…) Al het mooie van een samenleving heeft te maken met de wortels van de ouderen.”

Als jongeren en ouderen niet met elkaar in gesprek zijn blijft elke generatie afgezonderd en kan zij haar boodschap niet doorgeven. Een jongere die niet verbonden is met zijn wortels, met zijn grootouders, krijgt geen kracht en groeit slecht, leert niet hoe hij de wereld om hem heen moet begrijpen. Daarom is het noodzakelijk de dialoog tussen de generaties te zoeken, vooral de dialoog tussen grootouders en kleinkinderen. Het gaat om liefdevolle relaties tussen bejaarden en jeugd. De dialoog tussen de generaties zal een bron van energie zijn voor een werkelijk humane samenleving.

“De verbondenheid van de generaties is onmisbaar. In een samenleving waarin ouderen niet spreken met de jongeren, de jongeren niet praten met de ouderen, de volwassenen niet spreken met de bejaarden en ook niet met de jongeren, is een onvruchtbare samenleving, een samenleving die niet naar de toekomst kijkt maar alleen naar zichzelf. Zij wordt eenzaam.” Aldus paus Franciscus.

Een oudere kan op een levendige wijze de diepere zin van de dingen begrijpen. Hierdoor kan hij op heldere wijze het geloof en de vruchten van zijn lange levenservaring voorleven en doorgeven. Dit inzicht van de oudere is een kostbaar geschenk voor de volgende generaties. Persoonlijk en direct luisteren naar de geleefde geloofsgeschiedenis, met alle zijn vreugdevolle en ellendige momenten, is onvervangbaar. Het gaat om het doorgeven van een doorleefd geloof. De paus vraagt zich af: “Zijn wij in staat deze gave van de bejaarden te onderkennen en te waarderen? Volgt de overdracht van het geloof – en van de zin van het leven – deze weg van het luisteren naar bejaarden?”

Het vertellen van de geloofsgeschiedenis moet met ontroering de zegeningen van God en met oprechtheid de menselijke tekortkomingen schetsen. Het zou mooi zijn als in de geloofsopvoeding ook aandacht is voor de ervaring van de bejaarden: een heldere getuigenis over de van God ontvangen zegeningen en een oprechte getuigenis van mislukkingen die om herstel en verbetering vragen. De geloofsopvoeding vraagt om vertrouwde en eenvoudige taal. Bejaarden en jongeren gaan samen, geleid door Jezus, binnen in zijn Rijk van leven en liefde.

Een spirituele oude dag is op bescheiden en levendige wijze in staat tot zo’n getuigenis. Door de gegroeide gevoeligheid van de ziel is de oude dag bevrijd van afgunst tussen generaties, bevrijd van wrok en van verwijt, en staat zij open voor de komst van God in de komende generatie. Dan staat de oudere open voor de jongere. Dan neemt men afscheid van het leven door het ‘eigen’ leven over te dragen aan de volgende generatie. De geestelijke gevoeligheid van de oude dag kan de competitie tussen de generaties op geloofwaardige en blijvende wijze doorbreken. Ouderen met deze gevoeligheid zoeken de eenheid en overstijgen het conflict.

Vragen voor het gesprek

  1. Herkennen we onszelf in het geschetste beeld van ouderen?
  2. Vinden we het geloofsgesprek tussen ouderen en jongeren belangrijk? Waarom?
  3. Wat zijn onze eigen ervaringen?
  4. Wat houdt ons tegen? Mogen we ons met de opvoeding van kleinkinderen bemoeien?

2. De verheerlijking van de jeugd

Vanavond hebben we het over de verheerlijking van de jeugd. Onze samenleving bestaat uit kinderen, jongeren, volwassenen en bejaarden, maar er is een onevenwichtigheid met vele gevolgen. Paus Franciscus zegt hierover: “De heersende cultuur heeft de jongvolwassene als enig model, dat wil zeggen: een zelfredzaam individu dat immer jong blijft. (…) De verheerlijking van de jeugd als enige leeftijd waardig om het menselijk ideaal te vertolken, samen met het misprijzen voor de ouderdom, gezien als broosheid, aftakeling of handicap, is het heersende beeld van de heersende machten in de twintigste eeuw.”

In dit denken kent alleen de jeugd de volheid van het leven en bestaat de ouderdom uit leegte en verlies van leven. De ouderdom wordt beschouwd als een leeftijd zonder bijzondere inhoud, een leeftijd die geen zin aan het leven geeft. Mensen hebben geen behoefte om ouderen op te zoeken en in de gemeenschap is er geen plaats voor hen. “Dus, voor een leeftijd die een bepalend deel van de samenlevingsruimte inneemt en gaat over een derde van het hele leven zijn er – soms – zorgplannen, maar geen bestaansprojecten. Zorgplannen, ja. Maar geen projecten om volop te kunnen leven. Dit is een leegte in het denken, in de verbeelding, in de creativiteit. (…) Jeugd is zeer mooi, maar eeuwige jeugd is een zeer gevaarlijke begoocheling.” Aldus de paus.

De zin van het leven bestaat niet alleen op de leeftijd van 25 tot 60 jaar. De zin van het leven is alles, van geboorte tot dood. Als je met alle leeftijden in gesprek gaat en relaties hebt, zal je volwassenheid rijker en sterker zijn. Het maakt ook de zin van het leven als geheel duidelijk.

De ouderdom vraagt om een zekere traagheid. Dat is wat anders dan stilstand. Traagheid schept ruimte voor de levenszin die door de obsessie van de haast weggedrukt wordt. De paus zegt: “De overdreven haast brengt een centrifugale kracht mee die ons wegvaagt als confetti. Men verliest totaal het zicht op het geheel. Ieder klemt zich vast aan het eigen stukje dat meedrijft op de golven van de markt.” Voor de markt is traagheid verlies en is tijd geld. De haast maakt het leven niet intenser, het leven wordt erdoor verpulvert. De paus zegt: “Wijsheid vraagt ‘tijdverlies’. Als je naar huis terugkeert en met je kind, jongen of meisje ‘tijd verliest’ dan is dit begaan zijn van fundamenteel belang voor de samenleving. En wanneer je naar huis terugkeert en opa of oma treft die misschien niet zo helder meer denkt of wat moeizamer ter tale is, en je blijft met hem of haar ‘tijd verliezen’, dan versterkt dit ‘tijd verliezen’ het menselijke gezin.” Het gaat om ‘tijd verliezen’. Dat brengt ieder van ons opnieuw tot liefde voor ons kwetsbare leven. De traagheid van de ouderdom is een onmisbare bron om de zin van het leven te begrijpen. Dankzij de traagheid wordt de bestemming van het leven als ontmoeting met God geloofwaardiger.

De broosheid van de ouderdom kent ervaringen van verwardheid en vernedering, van verlies en verlatenheid, van ontgoocheling en twijfel. Deze broosheid maakt vaak weinig indruk en leidt bij sommigen tot een soort gelatenheid en zelfs tot wrevel. Bejaarden zijn een last. De kwalen van de hoge ouderdom geven het gevoel dat het leven hoe dan ook ten einde loopt en zinloos is geworden. Dit zien we liever niet en leidt tot de gedachte de ouderen uit ons leven te verwijderen. De stijgende leeftijd brengt steeds meer broosheid en kwetsbaarheid met zich mee. Dit leidt tot eenzaamheid. In een samenleving van de uitsluiting worden bejaarden afgezonderd. De oude dag verliest niet alleen zijn waardigheid, maar men gaat zelfs twijfelen of het leven nog wel verder voorgezet mag worden. Dus gaan we onze kwetsbaarheid, onze ziekte, onze leeftijd en onze ouderdom verbergen.

De paus concludeert: “Er bestaat dus een ‘leer van de broosheid’. De broosheden niet verbergen, neen. Ze zijn echt. (…) De oude dag is in staat om dit op geloofwaardige wijze in herinnering te brengen gedurende heel de tijdspanne van het menselijk leven. De oude dag niet verbergen, de broosheden van de oude dag niet verbergen. Dit is een les voor ons allen.”

Vragen voor het gesprek

  1. Herkennen we het geschetste beeld van onze cultuur?
  2. Zijn het ook de ouderen die het beeld van de eeuwige jeugd in stand houden?
  3. Benadrukken de pensionado’s die alleen maar genieten, de leegheid van hun bestaan?
  4. Proberen ook wij zolang mogelijk jong te zijn?
  5. Durven we broos, kwetsbaar en afhankelijk te zijn?

3. De bijdrage van ouderen aan de samenleving

Vanavond hebben we het over de zin en waarde van de ouderdom. Wat kunnen ouderen aan de samenleving bijdragen? Tegenwoordig is het normaal dat we na de pensioendatum nog vele jaren leven. Hoe gaan we met deze tijd om en hoe maken we deze tijd vruchtbaar? Hoe kunnen we verder groeien in gezag, heiligheid en wijsheid?

Eerder hebben we het gehad over de verbondenheid tussen de generaties. De ouderen hebben de taak hun dromen met de jongeren te bespreken om eraan bij te dragen dat de jongeren hun toekomst vorm kunnen geven. De oudere is in staat de diepere zin van het leven helder en levendig over te dragen aan jongeren. Zij kunnen hen laten zien wat geloven betekent. Ouderen maken zichtbaar dat het leven ook broos en kwetsbaar is. Het leven is veel meer dan alleen maar jong zijn en meer dan alleen maar oppervlakkig genieten. Het is aan de ouderen de volheid van het leven zichtbaar te maken en door te geven.

De ouderdom laat zien dat het leven meer is dan produceren en consumeren. Het leven is ook ‘zijn’. De traagheid van de ouderdom kan in de samenleving een bron van rust zijn. ‘Tijd verliezen’ geeft ruimte voor bezinning en reflectie. ‘Tijd verliezen’ legt de nadruk op het ‘zijn’, het ‘zijn’ ook in elkanders aanwezigheid en in de aanwezigheid van God. De traagheid van de ouderdom is in staat de zin van het leven zichtbaar te maken.

Paus Franciscus zegt dat alles tot koopwaar wordt. “Men koopt en verkoopt, meningen, gerechtsdaden… Goederen worden verbruikt en genoten zonder aandacht voor de geestelijke kwaliteit van het leven, zonder zorg voor het leefmilieu van de gemeenschappelijke woning. Alles wordt uitgebuit zonder aandacht voor de vernedering en vergiftiging waaronder velen lijden. Zonder aandacht ook voor het kwaad dat de samenleving ondermijnt.” Corruptie wordt gaandeweg een normale manier van doen. “De oude dag is de gepaste toestand om de misleiding te verstaan van deze normalisatie van een leven bezeten door genot en leeg aan innerlijkheid: leven zonder denken, zonder offer, zonder innerlijkheid, zonder schoonheid, zonder waarheid, zonder gerechtigheid, zonder liefde. Dat alles is corruptie.” De speciale gevoeligheid van de ouderen geeft hen de verantwoordelijkheid hun geweten te laten spreken, tegen misstanden te ageren en de jongere generaties te waarschuwen.

De oude dag doet ook beseffen dat wij over het algemeen geen hoofdrolspelers zijn, maar slechts getuigen. De paus zegt: “Wanneer een individu aanvaardt geen hoofdrolspeler te zijn, maar betrokken te zijn als getuige komt het goed: die man of vrouw wordt op de juiste wijze volwassen. Dat gebeurt niet wanneer men altijd hoofdrolspeler wil zijn, anders zal deze weg niet groeien naar de volheid van de oude dag. Het bezoek van God wordt niet zichtbaar in het leven van hen die hoofdrolspelers willen zijn en nooit getuigen.” Door de houding van getuige aan te nemen wordt ons geopenbaard waar het in het leven om gaat. De getuige ziet en ervaart. De getuige kan anderen erover vertellen.

Over het getuigen van ons geloof zegt de paus: “Het christelijk geloof is niet slechts het Credo opzeggen, maar het Credo denken, het Credo voelen, het Credo doen. (…) In veel stromingen in onze samenleving en in onze cultuur, krijgt de geloofspraktijk een negatieve voorstelling. (…) De geloofspraktijk wordt gezien als een zaak voor bejaarden. De druk die deze algemene kritiek uitoefent op jongeren is sterk. (…) Misschien moeten wij, ouderen, een belangrijke zending opnemen: aan het geloof zijn eer teruggeven. (…) Geloof verdient eerbied en eer tot het einde toe: het heeft ons leven veranderd, het heeft onze geest gezuiverd, het heeft ons de aanbidding van God geleerd en de liefde tot de naaste. Het is een zegen voor allen! (…) We zullen in alle nederigheid en sterkte aantonen, precies op onze oude dag, dat geloven geen zaak ‘van ouderen’ is, maar van het leven. Geloven in de heilige Geest, die alles nieuw maakt, en Hij zal ons graag helpen.”

Allemaal hebben we ook de ervaring hoe ons geloof op de proef wordt gesteld. Wijzelf en mensen van wie we houden hebben concreet te maken met lijden. Het kwaad is zeer nadrukkelijk in de wereld aanwezig. De paus zegt: “Er bestaat, met betrekking tot het mysterie van het kwaad, een soort recht op protest vanwege het slachtoffer. Een recht dat God aan iedereen geeft, meer nog, dat Hijzelf, feitelijk, inspireert. (…) Als jij een wonde in je hart hebt, een pijn en je voelt de neiging om te protesteren, protesteer ook tegen God, weet dat God naar je luistert. God is Vader, God verbaast zich niet over ons protest-gebed, neen! God verstaat dat.” Ook zo getuigen we van ons standvastig vertrouwen in Gods beloften.

Het leven kent teleurstellingen. Ontnuchtering hoort bij de oude dag. dat kan ontmoedigen, onverschillig en cynisch maken en de wil tot handelen ontnemen. De paus zegt: “Deze leegte aan zin en kracht (…) ontneemt niet slechts de krachten aan de wil tot het goede. Als weerslag opent zij de deur voor de agressiviteit van de machten van het kwaad. (…) Met al onze vooruitgang, met al onze welvaart, zijn we een samenleving van de vermoeidheid geworden. (…) Bejaarden rijk aan wijsheid en humor doen goed aan de jongeren. (…) Het zijn zij die in de jongeren de honger en dorst naar gerechtigheid zullen zaaien.”

Ouderen kunnen hun omgeving niet alleen hun hoop maar ook hun dankbaarheid tonen voor alles wat het leven hun geschonken heeft, alle liefde die hebben mogen ontvangen en hebben mogen geven. In dankbaarheid en hoop kunnen zij met een glimlach naar het einde toeleven en uiteindelijk ook afscheid nemen met de glimlach.

Vragen voor het gesprek

  1. Hebben ouderen een bijdrage aan de samenleving te leveren?
  2. Laten wij ons geweten spreken in de omgang met anderen?
  3. Is ons geloof in de loop der jaren gerijpt en standvastiger geworden?
  4. Zijn wij dankbare en hoopvolle mensen?

De gesprekken vonden plaats op 30 november en 7 en 14 december in de pastorie van de Sint Martinuskerk in Voorburg.

De H. Benedictus en duurzaamheid

Als het over duurzaamheid en zorg voor de schepping gaat wordt terecht vaak gerefereerd aan de spiritualiteit van de H. Franciscus van Assisi. Hij laat ons zien hoe je je over de schepping kunt verwonderen, hoe je van de schepping kunt houden en hoe alles met elkaar verbonden is. Duurzaamheid en zorg voor de schepping is ook het op een goede manier omgaan met de schepping. Hoe gebruiken we de schepping? Hoe werken aan de schepping? Om hierin een goede aanpak te vinden biedt de pragmatische spiritualiteit van de H. Benedictus van Nursia ons handvatten.

Mensen zijn deel van de schepping en leven van wat de schepping hen biedt. Mensen zijn in staat om grondstoffen en ruwe producten te bewerken en om te zetten in bruikbaar voedsel en nuttige gereedschappen. Dit is voor het menselijk leven een essentiële vaardigheid. Techniek is zo oud als de mensheid. Dierenhuiden worden omgezet in kleding. Voedsel wordt gekookt en eetbaar gemaakt. Voor de jacht zijn vuistbijlen en speren nodig. De grond moet bewerkt worden voor het verbouwen van voedsel. In het scheppingsverhaal zien we al hoe de eerste mensen vijgenbladeren gebruiken om zich te kleden (Gn 3,7). En God laat hen weten dat ze de aarde moeten bewerken om te kunnen eten (Gn 3,17). Techniek is een wezenlijk onderdeel van ons menselijk bestaan. Wetenschap en techniek zijn geschenken van God. Het is aan ons om ze op verantwoorde wijze te gebruiken.

Bij Franciscus denken we vooral aan ongerepte natuur en wildernis. De benedictijner monniken associëren we met het in cultuur brengen van ons land en het aanleggen van dijken: het ontwikkelen van land als onderdeel van de spiritualiteit van ora et labora (bid en werk). Niet alleen verwondering, zang en gebed zijn een lofprijzing aan de Schepper; ook met het werken in en aan zijn schepping loven wij de Heer. Benedictus heeft aandacht voor het evenwicht en het mogelijke, het menselijk haalbare. Matigheid krijgt meer aandacht dan soberheid. Duurzaamheid en zorg voor de schepping zijn primair gericht op het menselijk leven. Het gaat niet om het voortbestaan van de aarde en van de natuur, maar om het voor mensen bewoonbaar houden van de aarde. Dat vraagt om menselijk oplossingen. Daarmee is het ook primair een politiek vraagstuk. Het oplossen daarvan vraagt naast gedrevenheid om haalbaarheid, de juiste inzet van middelen, compromissen en geduld. Hierin is Benedictus mogelijk een betere inspiratiebron dan Franciscus.

Ook gepubliceerd op de website Kerk en Milieu.