Spring naar inhoud

Titus Brandsma over Sinte Liduina: Liduinalezing 2019

Inleiding

Deze lezing gaat over de heilige Liduina. We kennen Liduina echter alleen uit wat anderen over haar geschreven hebben. Zelf heeft zij ons geen geschriften achtergelaten. Dat betekent dat we altijd door de bril van iemand anders naar Liduina kijken. Vanavond is dat mede de bril van Titus Brandsma. En ook hij keek door de bril van anderen zoals die van Jan Brugman en van Thomas van Kempen. Deze laatste twee zijn u ongetwijfeld bekend. Zij hebben zon twintig jaar na het overlijden van Liduina op basis van eerdere levensbeschrijvingen haar leven beschreven.

Vandaag richten we onze aandacht op de visie van Titus Brandsma op het leven van Liduina. Daarom zullen we eerst kort stilstaan bij het leven van Titus Brandsma en vervolgens bij mijn relatie met hem, want ook mijn bril is in het geding. In het derde deel kijken we naar het denken van Titus Brandsma over mystiek en tenslotte kijken we naar wat hij over Liduina schreef en ook wat niet en hoe dat in verband staat met zijn denken over mystiek en ook met de tijd waarin hij leefde.

Wie was Titus Brandsma1

Titus Brandsma werd in 1881 onder de rook van Bolsward geboren als Anno Sjoerd Brandsma. Hij was de oudste zoon van een vroom boerengezin. Vijf van de zes kinderen werden kloosterling. Na de lagere school ging Anno naar het kleinseminarie van de franciscanen in Megen. In 1898 verhuisde hij naar het klooster van de karmelieten in Boxmeer. Hij verkoos de spiritualiteit van de karmelieten boven het midden in de wereld werkzaam zijn van de franciscanen. Als kloosternaam koos hij de naam van zijn vader: Titus. Na twee jaar noviciaat en het grootseminarie volgde in 1905 zijn priesterwijding. Daarna vertrok Titus voor verdere studie naar Rome, waar hij in 1909 promoveerde.

In dat jaar werd hij docent filosofie in Oss. In deze periode tot 1923 ontplooide Titus allerlei initiatieven en activiteiten. Hij schreef veelvuldig in allerlei katholieke bladen, was een van de initiatiefnemers van het op de volksdevotie gerichte ‘Carmelrozen’ en hij begon met het vertalen van de werken van Teresa van Avila. Ook Friesland trok zijn aandacht. Hij was de eerste secretaris van het Roomsk Frysk Boun’, werkte mee aan de Friese vertaling van de ‘Navolging van Christus’ en was lid van verschillende Friese verenigingen. Zijn interesse voor de katholieke pers leidde tot het hoofdredacteurschap van ‘De Stad Oss’. Ook zette hij zich in voor het katholiek onderwijs. Hij was ad interim directeur van de katholieke handelsdagschool. In Oss werd een katholieke HBS opgericht, het huidige Titus Brandsma Lyceum, en in Oldenzaal een katholiek lyceum. Ook kwam er in Oss een katholieke bibliotheek.

In 1923 werd Titus aan de pas opgerichte katholieke universiteit in Nijmegen hoogleraar in de geschiedenis van de wijsbegeerte en van de mystiek, met name van de Nederlandse mystiek. Naast Thomas van Kempen, Geert Groote en Jan Brugman had hij veel aandacht voor de Nederlandse mystici Ruusbroec en Hadewych. Ook stond Liduina van Schiedam volop in zijn belangstelling.

Friesland, het katholieke onderwijs en de katholieke pers bleven zijn aandacht vragen. Na de bezetting in 1940 kwamen de aanvallen op het bijzonder onderwijs. Het was aan Titus om deze maatregelen met steun van aartsbisschop Jan de Jong te bestrijden. Namens de bisschoppen liet hij weten, dat de Kerk geen enkel onderscheid van geslacht, ras of volk zou maken. In 1935 werd hij landelijk adviseur van de katholieke dagbladschrijvers. In deze rol moest er tegen de Duitse overheid voor vrijheid van de pers gestreden worden. In overleg met de aartsbisschop werd besloten dat Titus alle katholieke dagbladen zou bezoeken om advertenties van de N.S.B. op principiële gronden te blijven weigeren. Op 1 januari 1942 begon hij een negendaagse rondreis door Nederland. Dit leidde ruim een week later, op 19 januari, tot zijn arrestatie.

Titus werd opgesloten in het Huis van Bewaring in Scheveningen, het zogenaamde Oranjehotel. In de gevangeniscel vond de monnik de rust van de kloostercel terug. Op 12 maart werd hij naar Kamp Amersfoort overgebracht. Hier hield hij op Goede Vrijdag 3 april voor zijn medegevangenen een indrukwekkende meditatie over het lijden. Op 6 mei werd hij tot deportatie naar Dachau veroordeeld, waar hij op 19 juni aankwam. Voortaan was hij nummer 30492. De wreedheden in dit kamp zijn genoegzaam bekend. Op 26 juli 1942 overleed Titus na toediening van een fatale injectie.

Mijn relatie met Titus Brandsma

In ben net als Titus opgegroeid op Friese platteland. Van jongs af aan is Titus Brandsma in mijn leven aanwezig geweest. Mijn heeroom was karmeliet en het tijdschrift van de Karmel werd ook bij ons thuis gelezen. Ongetwijfeld ben ik hierin regelmatig foto’s van Titus tegengekomen. Ik kan mij niet herinneren dat zijn persoon onderwerp van gesprek was. Later op de HBS in Bolsward, kwam ik Titus dagelijks tegen: in de kantine hing een grote foto van hem. Zo’n dertig jaar geleden vertelde een van mijn tante zusters dat de operatie die ze had gehad, mede op voorspraak van Titus Brandsma geslaagd was. Het was niet alleen haar gebed; hij was toch ook familie van ons.

Mijn eerste echte kennismaking met Titus Brandsma was zo’n vijfentwintig jaar geleden. Ik las zijn biografie geschreven door Henk Aukes. Titus’ levensverhaal raakte mij. Ik zag overeenkomsten tussen zijn achtergrond en wijze waarop ik zelf opgevoed was. Er was niet alleen sprake van een familiaire band, maar ook van geestverwantschap. Daarna ben ik me meer in zijn persoon gaan verdiepen en heb ook eens uitgezocht hoe het met ons bloedverwantschap zit. De vader van Titus en mijn overgrootmoeder – Waltje Brandsma – hebben dezelfde overgrootvader: Hendrik Johannes. Dat betekent dat ik in de negende graad familie ben van Titus. De naam Hendrik komt nog steeds voor in mijn familie. Het is de naam van mijn jongste broer.

Titus Brandsma over mystiek

Jaarlijks organiseert het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen in de eerste week van juli de Studieweek Mystiek. Sinds enkele jaren zijn mijn vrouw en ik daar trouwe bezoekers van. Vorig jaar was het onderwerp: ‘In de leerschool van Titus Brandsma’. Tijdens de colleges werden teksten van Titus behandeld om zo een beeld te krijgen van zijn denken over mystiek. Hier ontstond ook het idee voor deze lezing om het denken van Titus over mystiek te relateren aan het leven van Liduina.

Voor de Katholieke Encyclopedie schrijft Titus in 1937 een zeer uitgebreid artikel over mystiek met een wetenschappelijk verantwoorde definitie van wat mystiek is2. Hier beperk ik mij tot kortere typeringen. In 1929 schrijft hij: “Mystiek is voor mij het heerlijkste, het mooiste in onzen H. Godsdienst, een voorsmaak van den Hemel, omdat zij de vereeniging, de innigste vereeniging laat zien van den mensch met God en van God met den mensch. (…) Zij is de bloem, waarin de plant des Geloofs en der Genade haar pracht ten toon spreidt in de weelde van haar levenskracht, God wilde, dat zijn kinderen het leven zouden hebben, het leven van geloof en genade, maar Hij wilde, dat zij het overvloedig zouden hebben. Dat leven moest tintelen en gloeien, stralen en lichten. God die Zich zoo gaarne schuil houdt achter de nevelen des verstands zoowel als achter de raadselen en geheimen des Geloofs, scheurt nu en dan de wolken uiteen om met een enkel straaltje van zijn zon het leven in een anderen tint te zetten, anders te laten bezien, met goud te overgieten, tot iets te bestempelen niet alleen van ons, maar ook van Hem.”3

Mystiek is voor Titus Brandsma niet iets dat alleen van God afkomstig is, zij heeft ook een menselijke zijde. “Zooals de bloem zich in de ongeziene stralen der zon naar deze zon van licht en warmte richt, zoo richt zich ook het menschelijk hart, dat zich vrij weet te maken van onedele driften, naar God, zoekt Hem, luistert, of Hij spreekt, roept Hem, opdat Hij antwoord geve, de deur opene opdat Hij zich late zien. Ja, de menschelijke ziel zoekt naar God. In Hem vindt zij rust.”4

Deze citaten geven een mooi beeld van de beeldende wijze waarop Titus Brandsma zijn ideeën onder woorden wist te brengen. Opvallend is het gebruik van beelden uit de natuur: bloem, plant, nevelen, wolken en zon. De verbondenheid met de natuur en de schepping waarmee hij als plattelandsjongen is opgegroeid, klinkt door in de wijze waarop hij zich uitdrukt.

In de mystiek maakt Titus Brandsma onderscheid tussen de intellectualistische en de voluntaristische richting. De intellectualistische richting is verbonden met het verstand en richt zich op de schouwing van de geheimen Gods en de aanschouwing Gods. De dominicanen voelen zich tot deze richting aangetrokken. De voluntaristische richting wordt ook wel de school van de liefde genoemd. Deze richting kent bijvoorbeeld veel aanhangers onder franciscanen.5 Ook de mystiek van Liduina kunnen we bij deze richting indelen.

Mystici leiden vaak een ascetisch leven. De mystiek leidt tot de beoefening van deugden als gehoorzaamheid, nederigheid, liefde tot God en de naaste, zuiverheid, onthechting van het aardse en gelijkvormigheid met Gods wil. De deugden moeten gezien worden als een resultaat van mystiek. Zij zijn geen weg naar mystiek. Titus waarschuwt voor werkheiligheid.6

De mystiek streeft naar een gelijkvormigheid met God. Tot de dertiende eeuw werd dit vooral geestelijk gezien. Vanaf die tijd kwam de gelijkvormigheid met Christus, de mensgeworden God meer centraal te staan. Denk hierbij aan de ‘Navolging van Christus’ van Thomas van Kempen en het ontvangen van de stigmata, de wondtekenen van Christus, zoals Franciscus van Assisi overkwam. Ook het persoonlijke lijden verbinden met het lijden van Christus is een vorm van gelijkvormigheid met Christus.7

Lichamelijke, psychosomatische verschijnselen behoren volgens Titus Brandsma niet tot het wezen van de mystiek. Hij noemt het bijverschijnselen van de mystiek. Hierbij moet gedacht worden aan extatische toestanden, het optreden van wondtekenen, het geen behoefte hebben aan eten en drinken of aan slaap, zich alleen voeden met de heilige Communie, levitatie, helderziendheid et cetera.8

Karmelieten hebben een bijzondere verering voor Maria, Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel. Voor Titus Brandsma is Maria’s moederschap van God de leidende gedachte in het mystieke leven. “Er is daarin een wondere mengeling van Goddelijke vrije uitverkiezing en van menschelijke voorbereiding. Straalt het Goddelijke Zonnevuur zijn gloed, waarheen Hij wil, de zonnezucht der ziel trekt de stralen van den goddelijken liefdebrand in het hart van de bloem, die zich naar de Zon blijft keeren. Maar gelijk de bloem zich keert naar de zon onder invloed van de zonnestralen zelve, zoo is ook de ontvankelijkheid en voorbereiding tot het opgaan in Gods liefdevuur, onze omvorming in Hem weder een werk van Gods genade, die de natuur niet opheft, maar veredelt. (…) In Maria zien wij het schoonste beeld van onze vereeniging met God. Zij, de bruid des H. Geestes, leert ons, hoe ook wij, zij het niet in die volheid van genade, maar in verwijderden zin, bruiden van God den H. Geest moeten zijn, hoe zijn overschaduwende kracht ook ons God moet doen ontvangen, opdat Hij in ons geboren worde, vereenigd, ook in ons, met de menschelijke natuur, onze menschelijke natuur.”9

Titus Brandsma over Sinte Liduina

Na een beknopte uitzetting over het denken van Titus Brandsma over mystiek gaan we nu vier artikelen bekijken die hij over de heilige Liduina schreef. Deze serie van artikelen verscheen in het voorjaar van 1939 in ‘De Gelderlander’ in de rubriek ‘Van Ons Geestelijk Erf’. De artikelen stonden dus in een katholiek dagblad en waren dan ook gericht op een breed publiek. Ze zijn nu te vinden op de website van het Titus Brandsma Instituut ‘Writings of Titus Brandsma’10.

In 1890 werd door een besluit van paus Leo XIII bevestigd dat Liduina inderdaad een heilige was. Voortaan was haar sterfdag, 14 april, in het bisdom Haarlem een officiële kerkelijke feestdag. Gaandeweg werd de verering van Liduina een zaak van de gehele Nederlandse kerkprovincie. In 1933 werd het vijfde eeuwfeest van haar sterfdag in heel Nederland gevierd. Een artikel van Titus Brandsma was de aanleiding tot dit initiatief. In 1931 vroeg hij zich af: “wat er bij het Nederlandsche volk is overgebleven van de Liduina-vereering, waarin onze voorouders toch zo hebben uitgeschitterd?” Blijkbaar was Titus van mening dat er veel te weinig aandacht voor Liduina was. De viering van het eeuwfeest was niet zonder resultaat. Liduina kreeg een ongekende populariteit als patrones van de langdurig zieken.11

Deze groeiende belangstelling voor Liduina bood Titus Brandsma de gelegenheid om met haar als voorbeeld te wijzen op de grote waarde van de Eucharistie en van het veelvuldig ontvangen van de heilige Communie. Hierbij moeten we ons realiseren dat vele vrome katholieken begin twintigste eeuw niet vaker te Communie gingen dan nu randkerkelijken doen. Met dit verschil dat zij met Pasen te Communie gingen en de huidige randkerkelijken dit met Kerstmis doen. Het was paus Pius X (1903-1914) die het wekelijks en zelfs dagelijks communiceren tot de kern van een volledig katholiek leven bestempelde. De betekenis van de Eucharistie in het leven van Liduina speelt een grote rol in deze vier artikelen die Titus Brandsma over haar schreef.

Het eerste artikel is een inleiding op de volgende drie. In het tweede komt het lijden van Liduina aan de orde en de betekenis van de Eucharistie in haar leven. In het derde artikel wordt op dit laatste nog verder ingegaan en worden vervolgens de deugden van Liduina beschreven. Het vierde artikel gaat over de naastenliefde van Liduina. We lezen nu een aantal fragmenten uit de vier artikelen.

Zij wilde liever misvormd en gebrekkig zijn. Dan zou zij door niemand anders worden bemind dan door God, die niet naar het uiterlijke, maar alleen naar het innerlijke ziet. Het voorwerp te zijn van Gods liefde met uitsluiting van elken anderen minnaar dat was voor haar een ideaal, dat zij veel en veel hooger stelde dan de lichamelijke schoonheid en bevalligheid, die zij van God ontvangen had. Dat is een eerste openbaring van haar lijdensdrang om in het lijden het voorwerp te zijn van Gods bijzondere liefde. Ik leg hier den nadruk op haar zucht, het voorwerp te wezen van Gods bijzondere liefde. Dat is iets eigens en karakteristieks in Sint Liduina’s leven. Andere Heiligen zullen uitmunten als vurige minnaars en minnaressen des Heeren… Bij Liduina draagt de liefde een ander karakter. (…) [Z]ij wil niet op de eerste plaats beminnen, maar bemind worden…”

Het eten werd haar hoe langer hoe moeilijker, reeds in de eerste jaren harer ziekte was het haar niet meer mogelijk, eenige vaste spijze te gebruiken, spoedig ook geen andere vloeistof meer dan wat water, eindelijk was ook het nuttigen van enkele druppelen water haar niet meer mogelijk. Het eenige dat zij nog kon doorslikken was de H. Hostie en zoo werd Jezus’ H. Lichaam 19 jaar lang haar eenige spijs. Deze weldadige invloed van het geestelijk voedsel van het H. Lichaam des Heeren op den toestand ook van het menschelijk lichaam, waarin het wordt ontvangen, staat volstrekt niet alleen in de geschiedenis van de Heiligen der Kerk. (…) De H. Teresia weidt er in haar mooie werken uitvoerig over uit, hoe de levende God, die op zoo bijzondere wijze in de H. Communie in ons wonen komt, in den overvloed zijner liefde niet zelden ook nieuw leven schenkt aan het lichaam en zij meermalen bij het ontvangen van de H. Communie ineens van hare ziekten bevrijd werd. Zoo was het ook met de H. Liduina. Zij is een dier lievelingen des Heeren geweest, die Hij zelf rechtstreeks in het leven heeft willen houden door zich zóó innig met haar te vereenigen, dat het lichaam den weldadigen invloed van de sterking der ziel onderging. Hoe innig moet die gemeenschap zijn geweest. (…) Voor Liduina was in de H. Communie dusdanigerwijze alle behoefte vervuld, dat zij niet alleen niet dacht aan eten of drinken, maar het zelfs niet vermocht te nuttigen. Het Lichaam des Heeren, zegt Thomas van Kempen van haar, was haar geneesmiddel en haar troost, het voedsel dat haar kracht gaf, de rust, die haar verkwikte.”

Uitvoerig schrijft Titus over de houding van pastoor Andries, die in eerste instantie weigerde Liduina serieus te nemen. Na ingrijpen van de bisschop van Utrecht verandert zijn houding. “Hij bracht nu voortaan elke veertien dagen aan Liduina de H. Communie. Hij deed dit tot zijn dood in 1413. Zijn opvolger bracht haar ook geregeld de H. Communie. Hiermede was voor Liduina het hevigst lijden geëindigd. Want ofschoon haar lichamelijk lijden eer vermeerderde, dan geringer werd, zij had nu haar geregelden troost en bij al haar pijnen en smarten was het vooruitzicht van weer spoedig Onzen Lieven Heer te ontvangen, voor haar een reden tot berusting en geduld, een blijde gedachte, die alle gevoel van smart terugdrong. Zij is de Eucharistische Heilige bij uitstek en vooral in onzen tijd van veelvuldige H. Communie een voorbeeld. (…) We zijn gewoon haar te beschouwen als de geduldige lijderes en deze deugd bij haar op den voorgrond te plaatsen. Men zou zich kunnen afvragen, of we nog niet meer aandacht moeten schenken aan den grondslag, waarop zij dat geduld in zich heeft opgebouwd, op haar leven uit Jezus in Zijn H. Sacrament, waarvan zij zulk een wonderbaar voorbeeld is. Wij zien op naar haar als toonbeeld van geduld in het lijden, wij worden gedrongen haar, zij het van verre, daarin na te volgen. Wij zullen daartoe niet geraken dan door ons, naar haar voorbeeld, allerinnigst te vereenigen met God, onze kracht, in ons neergedaald in de H. Communie.”

Over haar deugden schrijft Titus verder. “Door Hem slechts gevoed, begon zij ook steeds meer Hem te gelijken, niet slechts door haar geduld, haar ootmoed en zachtmoedigheid, haar overgroote liefde tot de menschen, maar ook uiterlijk, doordat er geen gezondheid meer was in haar vleesch, geen schoonheid in haar gedaante, heel haar lichaam één wonde was van het hoofd tot de voeten. (…) [M]eer nog dan door haar geduldig lijden werd zij bekend om de gunsten, welke God blijkbaar aan dit heldhaftig lijden verbond. Nadat zij jaren in de overweging van het H. Lijden kracht had gezocht om zich steeds meer te zuiveren van alle smet en tegelijk zich de deugden eigen te maken, die de bruid voegen van zulk een hemelschen Bruidegom, vereenigde Deze zich steeds inniger met haar en ging Hij met haar om en deed haar deelen in Zijn tegenwoordigheid…”

Titus Brandsma beschrijft hoe Liduina op vier manieren de naastenliefde beoefende. “Op de eerste plaats bad zij veel voor de menschen. (…) Het eerste dat wij doen moeten om den naaste weldaden te bewijzen, is die te vragen van Onzen Lieven Heer, den rijken almachtigen God, die beter dan wij kan geven, wat de evenmensch behoeft. Op de tweede plaats wilde zij voor Hem lijden. Zij beschouwde, hiervan is heel haar leven vol, het Lijden des Heeren als de bron van alle genade en gunsten des Heeren… Haar geduldig lijden was de voortdurende uitdrukking van haar overtuiging, dat er geen rijker bron is van genade en geluk dan deelen in het offer, dat Onze Lieve Heer voor ons gebracht heeft. (…) En zoo nam zij voor den naaste allerlei lijden op zich en was voor haar de gedachte, dat zij door haar lijden voor haar evenmensch nieuw geluk, nieuwe genade kon verkrijgen, een bron van voortdurende vreugde en geluk. Maar naast deze meer geestelijke vormen van beoefening der liefde verwaarloosde zij allerminst de lichamelijke. Zij deed alwat zij kon om het lijden van den naaste te verzachten, zijn nood te lenigen. (…) Zij verstond ook in hooge mate, anderen tot weldoen aan te sporen. Door haar eigen milddadigheid mocht zij ook iets zeggen. En zij deed het ook. Zij liet om zoo te zeggen geen gelegenheid voorbij gaan zonder voor hare armen te vragen en ieder, die er toe in de gelegenheid was, zoo dringend mogelijk te verzoeken, iets voor de armen af te zonderen. (…) De diepere grond van haar liefdadigheid was (…) haar liefde tot God en haar onthechting van al wat Hij niet was.”

Centraal in deze artikelen staat de betekenis van de Eucharistie in het leven van Liduina. Het ontvangen van de heilige Communie is de meest bijzondere wijze van vereniging van God met de mens. Deze vereniging is voor iedere katholiek weggelegd. Titus ziet Liduina als eucharistische heilige bij uitstek. Titus constateert dat het er bij Liduina omgaat dat God haar liefheeft en niet dat zij God liefheeft. Zonder dat hij dat expliciet vermeldt, kan gesteld worden dat ook dit karakter van de liefde bij Liduina past in dit beeld van haar als eucharistische heilige. De Eucharistie is een gave van God aan ons. Hiermee maakt Hij zijn liefde voor ons tastbaar.

Overeenkomstig Titus’ denken over mystiek staat het lijden van Liduina in deze artikelen niet op de voorgrond. Het vormt de achtergrond voor het werkelijke verhaal over Liduina. Haar lijden is een blijk van de “gelijkvormigheid met den Lijdenden Zaligmaker”. Ook heeft Titus weinig aandacht voor andere bijverschijnselen. Hij noemt alleen haar eucharistisch visioen. Gezien zijn eigen verering voor Maria en de plaats die Hij haar in de mystiek geeft, is het opmerkelijk dat een beschrijving van het Mariavisioen van Liduina ontbreekt. Mogelijk dat Titus dacht dat teveel aandacht voor Maria ten koste zou gaan van Christus en de ontmoeting met Hem in de Eucharistie.

Overeenkomstig Titus’ denken worden de deugden van Liduina als een resultaat van haar vereniging met Christus gepresenteerd en niet als een weg naar de ontmoeting met Hem. Met de beschrijving van Liduina’s beoefening van de naastenliefde reikt Titus ook ons handvatten aan voor de manier waarop wij Gods liefde voor ons vruchtbaar kunnen maken voor onze medemens.

1 H.W.F. Aukes, Het leven van Titus Brandsma, Utrecht: Het Spectrum, derde druk 1985.
Constant Dölle, De weg van Titus Brandsma, Kampen/Gent: Ten Have/Carmelitana, 2000.

2 Titus Brandsma Instituut, In de leerschool van Titus Brandsma: Studieweek Mystiek 2018, Reader, Nijmegen: TBI, 2-9.

3 Ibidem, 45.

4 Ibidem, 46.

5 Ibidem, 4.

6 Ibidem, 4-5.

7 Ibidem, 5-6.

8 Ibidem, 7-8.

9 Ibidem, 19.

11 Charles Caspers & Thomas van Kempis, Een bovenaardse vrouw: Zes eeuwen verering van Liduina van Schiedam & Het leven van de Heilige Maagd Liduina, Hilversum: Verloren, 2014, 69-71.
Zie ook: https://titusbrandsmateksten.nl/the-miraculous-holy-communion-of-lidwina-of-schiedam/

Advertenties

Eenheid in verscheidenheid; Joh 17,20-26

Op de avond voor zijn lijden en sterven bidt Jezus voor de eenheid. Hij vraagt zijn Vader dat allen één mogen zijn. Bij eenheid denken wij al gauw aan eenvormigheid. Je straalt bijvoorbeeld eenheid uit door allemaal het zelfde uniform te dragen. Maar dat is niet de eenheid waarom Jezus vraagt. Hij vraagt om eenheid in verscheidenheid. Hij vraagt dat al die verschillende mensen zich met elkaar verbonden weten.

Het is de eenheid zoals die aan de schepping is gegeven. Het heelal vormt een eenheid, onze zonnestelsel vormt een eenheid, onze aarde vormt een eenheid. Alles hangt in de schepping met elkaar samen. Terwijl de schepping een enorme verscheidenheid vertoont, vormt zij een eenheid. Alle scheikundige elementen, alle planten, alle dieren: ze bestaan niet los van elkaar, ze zijn met elkaar verbonden. Het is daarom niet voor niets dat wij ons zorgen maken over de afnemende biodiversiteit. Zoals heel de schepping een eenheid in verscheidenheid is, zo is het Gods wens dat ook de mensheid een eenheid in verscheidenheid is. Jezus vraagt aan zijn Vader dat zijn volgelingen, zijn leerlingen, wij dus daarvan een toonbeeld mogen zijn. Als wij christenen die eenheid zichtbaar maken, zal de wereld geloven dat Jezus Christus Gods Zoon is die de wereld verlost en bevrijdt.

Een tijdje geleden las ik het volgende verhaal[i]. Toen de Spanjaarden Amerika ontdekt hadden, waren er vele jongemannen die vol enthousiasme het Evangelie aan de Indianen wilden brengen. Eindelijk eens echte heidenen aan wie zij het Koninkrijk konden verkondigen. Maar hoe groot was de teleurstelling toen bleek dat dat nogal tegenviel. Een groepje dat naar Spanje terugkeert, bezoekt een grote theoloog van die tijd. Zij stellen hem de volgende vraag: “Waarom kunnen wij geen wonderen doen zoals de apostelen? Als wij dat konden doen, zouden de Indianen naar ons luisteren, ze zouden in het Evangelie geloven en alles was veel makkelijker. Dus waarom geeft God ons niet die mogelijkheid?”

Dit is een vraag die wij in onze tijd ook zouden kunnen stellen. Mensen hebben zich van God afgekeerd. Waarom lukt het ons niet hen te overtuigen van Gods liefde? Waarom zijn wij niet in staat hen te doen geloven in het Koninkrijk Gods? De grote Spaanse theoloog geeft de jonge mannen het volgende antwoord. “Leef het leven in gemeenschap, woon in het klooster, leef samen zonder onderlinge verdeeldheid. Dat zal een echt wonder zijn dat de Indianen zal bekeren.” Mogelijk dacht deze theoloog aan de Evangelietekst, die wij vandaag hebben gelezen. Jezus vraagt hier inderdaad precies dit voor ons, dat wij leven in gemeenschap en in verbondenheid met elkaar. Als ons dat lukt, is dat een wonder en dan zullen er nog grotere wonderen geschieden. Dan zal de wereld werkelijk geloven in Gods liefde en in zijn Koninkrijk.

Jezus weet dat wij dit wonder niet op eigen kracht tot stand brengen. Hij geeft zijn leerlingen hier ook niet de opdracht om een eenheid te vormen. Nee, Hij vraagt het zijn Vader om deze eenheid en verbondenheid te realiseren. Zijn wij dan louter passief of is de eenheid ook van ons afhankelijk? Jezus zegt: “Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die Gij Mij geschonken hebt, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn.” Wat bedoelt Hij met die heerlijkheid? Jezus bevrijdt ons met zijn leven, lijden en sterven van het kwaad. Hij maakt ons weer tot vrije mensen, zoals ook Hijzelf werkelijk vrij is. Wij staan niet langer onder de dwingelandij van het kwaad. Wij zijn niet langer de slaaf van onze zelfgerichtheid. Als vrije mensen zijn wij vrij om het goede te doen. Wij zijn vrij om Gods genade te ontvangen, vrij om in zijn heerlijkheid te leven. We hoeven ons daar niet langer dwangmatig tegen te verzetten.

Maar zelfs dat gaat niet vanzelf. We zullen ons werkelijk open moeten stellen voor die genade. Wij moeten het toelaten tot een gemeenschap te behoren. We kunnen ons er ook van afkeren. Wij moeten het toelaten afhankelijk van anderen te zijn. Wij moeten het toelaten met anderen verbonden te zijn, ook als die andere zo geheel anders is als wijzelf zijn.

Een open en gastvrije gemeenschap vormen, is anderen werkelijk toelaten en deel te laten zijn van onze gemeenschap. Wij zijn vaak geneigd de ander eerst te beoordelen en dan pas toe te laten. Een gastvrije gemeenschap laat anderen zonder meer toe. Zij laat anderen toe zonder oordeel en zonder voorwaarden vooraf. Integratie van buitenstaanders is niet hen vragen te zijn zoals wij zijn. Integratie is hen laten zijn wie ze zijn en samen met hen een gemeenschap te vormen. Liefde en verbondenheid bouwen uit de verscheidenheid telkens weer een nieuwe eenheid op.

De eenheid in verscheidenheid waarom Jezus vraagt, is niet een statische en onveranderlijke eenheid. Het is een eenheid die telkens weer een ander gezicht trekt. Het is eenheid die telkens weer opnieuw opgebouwd wordt. Het is een eenheid die God zelf tot stand brengt. Het is zijn liefde voor ons die de eenheid opbouwt. Het is de heilige Geest, de Geest die voortkomt uit de Vader en de Zoon, de Geest die in ons woont die ons tot eenheid brengt. Maar dat vraagt wel dat wij dat toelaten en ons er niet tegen verzetten. Amen.

[i] Adrien Candiard, Onder de vijgenboom: Mijmeren over christelijk leven, Heeswijk: Berne Media, 2019, 62-63.

Video

Waar liefde is… Hnd 15,1-2.22-29; Joh 14,23-29

“Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden…” Jezus geeft met een paar woorden aan wat het betekent christen te zijn, wat het betekent een leerling van Hem te zijn. Het lijkt geen moeilijke vraag die Hij ons stelt. Wij mensen doen meestal graag wat een geliefde van ons vraagt. Als we van iemand houden, willen we het die persoon graag naar de zin maken.

Iets doen wat een ander van je vraagt, betekent ook altijd dat je iets van jezelf weggeeft: je geeft je tijd, je aandacht, je geld, je energie. Iets geven gaat niet zonder inspanning van jouw kant. In die zin is er sprake van een concurrentie tussen jou en de ander, tussen wat de ander vraagt en wat je voor jezelf wilt. In de praktijk betekent dat, dat er grenzen zijn. We doen graag wat de ander wil, maar het moet niet te gek worden. Zo stellen we grenzen aan de liefde. Iedere mens heeft hiermee te maken. Ook in de jonge Kerk speelde dit al. Natuurlijk zijn niet-joden van harte welkom, maar ze moeten zich wel aan onze geboden houden. Ze moeten zich net zo gedragen als wij doen. Het is net alsof je een hedendaagse goedwillende politicus hoort: natuurlijk zijn vluchtelingen hier welkom, maar ze moeten wel onze waarden en normen overnemen, ze moeten zich wel gedragen zoals wij doen.

Liefde is het centrale begrip van ons geloof: God is liefde. Wij mogen leven vanuit en door en met de liefde van God. Hij geeft ons zijn liefde en wij mogen die liefde delen met anderen. Alle liefde tussen mensen is afgeleid van de liefde van God voor mensen. Wij mensen kennen vele vormen van liefde: de liefde tussen geliefden, de liefde van ouders voor hun kinderen, de liefde tussen broers en zussen, vriendschap, nabuurschap, collegialiteit, ga zo maar door. In al die vormen van liefde zijn we op zoek naar een gepast evenwicht tussen wat de ander van ons vraagt en ons eigen belang. Telkens weer is er sprake van een mengeling van eigenliefde en wegschenkende liefde.

Jezus leert ons wat liefde werkelijk is: jezelf geheel wegschenken. Jezus maakt voor ons de wegschenkende liefde van God zichtbaar. Hij roept ons op Hem daarin na te volgen. Op die manier worden wij werkelijk leerlingen van Hem. Op die manier onderhouden wij zijn woord. Jezus geeft aan hoe wij dat kunnen doen. Hij geeft zelf het voorbeeld. Hij geeft ons geen uitgebreide uitleg over hoe we elkaar moeten liefhebben. Nee, Hij laat ons met zijn eigen leven zien hoe je dat kunt doen. Hij laat ons zien hoe Hij van zijn Vader houdt. Hoe zijn Vader van Hem houdt. Hij laat ons zien hoe Hij die liefde deelt met alle mensen. Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (Joh 14,6) Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven en hoe je kunt liefhebben. Hij doet het ons voor en zegt tegen ons: doe zoals ik doe, leef zoals ik leef dan word je gelukkig.

Het is de heilige Geest, de Helper die ons hierin de weg wijst. Hij brengt ons voortdurend het woord van Jezus in herinnering. Hij helpt ons in concrete situaties het goede te doen. Hij helpt ons ware navolgers en leerlingen van Jezus te zijn. Zo zien we dat ook in de jonge Kerk gebeuren. De apostelen gaan in gebed en vragen om inspiratie van de heilige Geest. Zij gaan met elkaar in vergadering en luisteren naar elkaar. Zo is de heilige Geest in hun midden en is Hij bij hen in de vergadering. Zo kunnen zij zeggen de heilige Geest en wij hebben besloten…

Een leven in liefde brengt ons geluk. Dit is niet het geluk van op een roze wolk zitten. het is niet het geluk van een verliefdheid. Het is de vreugde van de ware liefde. Een vreugde die ook niet zonder pijn is. Het is de vreugde van de wegschenkende liefde. Het is een liefde die offers van je vraagt. Het is een liefde die pijn met zich meebrengt. Als wij de pijn van de liefde niet hebben, zijn we in wezen doodongelukkig en leven wij in een hel want we staan niet in relatie met andere mensen.

Eenzaamheid, verlatenheid, maar ook zelf gekozen afzondering maken het onmogelijk te leven in relatie met anderen. Ze maken het onmogelijk een leven in liefde te leiden. In relatie tussen mensen: daar is liefde. Daar waar wij omzien naar elkaar, waar wij lief en leed met elkaar delen: daar is liefde. Ubi caritas et amor Deus ibi est. Waar liefde is daar is God. Waar liefde is daar wordt het woord van Jezus onderhouden. Waar liefde is daar zijn wij werkelijk gelukkig. Amen.

Schepping, herschepping, verlossing en bevrijding; Apk 21,1-5a; Joh 13,31-33a.34-35

In het boek Openbaring schrijft de apostel Johannes over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. In het Evangelie laat hij Jezus aan het woord over zijn aanstaande verheerlijking. In het boek Openbaring gaat het erover hoe heel de schepping haar voltooiing zal vinden. In het Evangelie gaat het over de verheerlijking aan het kruis waardoor heel de schepping wordt bevrijdt en verlost.

Alleen in het Evangelie volgens Johannes komen we dit beeld van de verheerlijking aan het kruis tegen. Het is niet het eerste dat bij ons opkomt als wij aan het kruis van Christus denken. Wij zijn gewend aan het beeld van een lijdende Jezus aan het kruis. Dat is wat wij zien op de kruisbeelden in onze kerken en in onze huizen. Dit is niet altijd zo geweest. Allereerst heeft het een paar honderd jaar geduurd voordat het kruis een gangbaar christelijk symbool werd. Voordat een martelwerktuig een religieus symbool wordt, duurt enige tijd. Pas duizend jaar geleden verschijnen de eerste afbeeldingen van de lijdende Christus aan het kruis. Daarvoor was de verheerlijking aan het kruis een gangbare wijze van afbeelden. Velen van u zullen bekend zijn met het kruis van San Damiano. Dit is het kruis waarbij Franciscus van Assisi heeft gebeden en waar hij zijn roeping verstond. Op dit kruis zien we niet een lijdende Christus maar de verrezen Heer afgebeeld.

Dood en verrijzenis zijn nauw met elkaar verbonden. Pasen en Goede Vrijdag kunnen niet los van elkaar bestaan. De dood van Jezus is niet zomaar een dood. Het is een sterven dat vrucht draagt. Zelf zegt Jezus: “als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort”. (Joh 12,24) Zijn dood is onze verlossing, de verlossing van heel de schepping. Hij is mens geworden zoals wij. De Schepper werd schepping. Hij heeft onze dood ondergaan. En als eerste van alle schepselen is Hij verrezen en heeft Hij de dood overwonnen. Als een van ons is Hij ons op deze weg voorgegaan. Jezus laat ons zien dat de weg van de dienstbaarheid de weg is die vruchten draagt. Hij heeft ons verlost van onze zelfgerichtheid. Hij heeft ons geleerd dat wij elkaars voeten moeten wassen. Het gaat niet om onze eigen glorie, maar om de glorie van de ander en in hen om de glorie van God.

In de verheerlijking van Christus, wordt God zelf verheerlijkt. In Jezus’ dood en verrijzenis wordt Gods grootheid zichtbaar voor ons. Gods grootsheid en heerlijkheid worden zichtbaar in zijn liefde voor ons. Uit liefde heeft Hij ons geschapen en uit liefde heeft Hij ons verlost en bevrijd. Het is aan ons om die liefde zichtbaar te maken voor iedereen: Jezus zegt ons: “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben.”

Jezus’ dood en verrijzenis is een uniek gebeuren in de wereldgeschiedenis. Het is een eenmalige gebeurtenis, maar ook iets wat zich voortdurend afspeelt. Het is een gebeurtenis met terugwerkende kracht tot het begin van de schepping en een gebeurtenis die werkzaam is tot het einde der tijden, tot de voltooiing van de schepping in Christus, zoals eens alles in en door Hem geschapen is. (vgl. Rom 11,36) Voortdurend is er sprake van schepping, herschepping, verlossing en bevrijding. Dat ervaren wij ook in het leven van ieder van ons. Zolang wij leven zijn we nooit klaar. Telkens weer is er ook sprake van een nieuw begin, een leven lang. Voortdurend maakt God alles nieuw. De liefde van God voor zijn schepping en schepselen is er altijd. Zijn liefde die zichtbaar is in Jezus Christus, is de drijvende kracht voor schepping, herschepping, verlossing en bevrijding.

Het is deze liefde die ons uitnodigt tot liefde voor elkaar en tot zorg voor heel de schepping. Het is Gods liefde die alles met elkaar verbindt en alles van elkaar afhankelijk maakt. Iedere geboorte, ieder nieuw leven is een nieuwe daad van schepping. Zo is er ook in ieder sterven, in elke dood sprake van voltooiing. Telkens weer is het een moment van algehele vernieuwing, van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het is de voltooiing van onze weg naar God. Wij komen thuis bij Hem en mogen wonen bij Hem. God zal met ons zijn en wij met Hem: Hij is onze God. De voltooiing van ons leven brengt een einde aan alle tranen en door de dood heen zal de dood er niet meer zijn. Vanuit deze hoop mogen wij leven. Amen.

God zag dat het goed was

Toen ik een van de latere werken van de schilder Piet Mondriaan zag, was mijn eerste gedachte dat de afwerking wel wat beter had gekund. Blijkbaar heeft Mondriaan na vele aanpassingen besloten dat het zo goed was. Bij nader inzien moest ik inderdaad concluderen dat een strakke en perfecte afwerking helemaal niet beter zou zijn. Het rommelige en rafelige, het onaffe is een essentieel onderdeel van het kunstwerk.

Wij mensen hebben de neiging om God op te zadelen met allerlei menselijke ideeën van perfectie en volmaaktheid. Wij leggen God allerlei beperkingen op door Hem almachtig, volmaakt en oneindig goed te noemen. En ook dit is weer menselijk gedacht. Mogelijk is dat ook bij de schepping het geval. God is niet alleen Schepper. Hij is ook voortdurend bezig met het werk van zijn handen te herscheppen, te verlossen en te bevrijden. Zo gezien betekent de vaststelling dat het goed was, dat het voorlopig goed was of dat het goed genoeg was. De schepping heeft ook haar eigen inbreng in haar geschiedenis met God. God ademt zijn Geest van wijsheid over de schepping en de schepselen om hen daartoe in staat te stellen. De schepping is niet geheel voorgeprogrammeerd en wij mensen bezitten een vrije wil.

De schrijver van het eerste scheppingsverhaal laat ons weten dat God een basis heeft gelegd om op voort te bouwen, een fundament dat ook blijft liggen als er een compleet nieuw begin gemaakt wordt, zoals bij de zondvloed. Hij legt een fundament dat onverwoestbaar is hoe slecht de schepselen zich ook gedragen. De mens is in staat de relatie met God te verstoren, maar zal nooit het werk van zijn handen volledig kunnen vernietigen. Tot en met de voltooiing zal er altijd schepping zijn om Hem te loven en te eren.

De mens is werkelijk vrij om het goede te doen. Daartoe heeft Christus ons bevrijd. Maar dat betekent wel dat het onze eigen keuze is en dat wij ook verantwoordelijkheid dragen. Wij zijn onderdeel van de schepping en wij zijn van haar afhankelijk. Ook is ons verstand, wijsheid en vrijheid geschonken en dat maakt ons verantwoordelijk voor ons aandeel in de geschiedenis van God met de schepping. We hebben niet het vermogen om het allemaal in een keer goed te doen, maar we mogen het telkens weer opnieuw proberen. Evenals Piet Mondriaan zoeken wij naar de juiste weg en de juiste oplossing. God heeft ons die ruimte gegeven. Wij moeten met al onze mogelijkheden van geloof, cultuur, politiek, wetenschap en techniek, van geheel onze menselijkheid inhoud geven aan onze verantwoordelijkheid.

Pier Tolsma, diaken

Ook verschenen op: http://www.kerkenmilieu.nl/

De roeping van Petrus

Vandaag speelt Petrus een centrale rol in het Evangelie. Ik heb een zwak voor Petrus. Ik ben natuurlijk ook naar hem genoemd; mijn doopnaam is Petrus. Petrus met zijn bravoure en zijn kleine hartje: Petrus die voortdurend de fout in gaat, Petrus die het niet begrijpt. En toch is het Petrus die de kar moet trekken en door Jezus als de leider wordt aangesteld.

De roeping van Petrus begint al aan het begin van het openbare leven van Jezus. De eerste leerlingen die Jezus roept, zijn Andreas en zeer waarschijnlijk Johannes. De volgende dag vertelt Andreas dat aan zijn broer Simon en hij brengt zijn broer bij Jezus. Jezus bekijkt Simon eens goed. Wie is deze man en wat zal er van hem worden? Jezus ziet wie Simon werkelijk is en zegt dan tegen hem: “Gij zijt Simon, de zoon van Johannes; gij zult Kefas – dat betekent: Rots – genoemd worden.” Vanaf dat moment kennen we Simon als Kefas, oftewel Petrus.

Dit is het begin van de roeping van Petrus. In dit jaar van de roepingen is het goed dit korte fragment uit het Evangelie even goed te bekijken. Het zegt veel over wat roeping nu eigenlijk is. Roeping is vooral ontdekken wie je zelf bent. Waartoe heeft God je bestemd, welke plan heeft Hij met jou? Jezus zegt: Jij bent Simon en je bent bedoeld om de rots van de Kerk te zijn. Er is nog een tweede aspect van belang. Het is Andreas die zijn broer bij Jezus brengt. Wij hebben andere mensen nodig om onze roeping te ontdekken. Niemand van ons is de eerste christen. Wij zijn allemaal door anderen op dit pad gezet. Voor de meesten van ons zijn dat onze ouders geweest.

Petrus heeft nog een lange weg te gaan. In het Evangelie volgens Johannes vinden het begin ervan in het eerste hoofdstuk en de afsluiting in het laatste hoofdstuk, waaruit we vandaag gelezen hebben. Op die weg van Petrus vinden we ook het verhaal van de voetwassing. Eerst weigert Petrus zijn voeten door Jezus te laten wassen en even later wil hij helemaal door Jezus gewassen worden. Bij de arrestatie van Jezus in de Hof van Olijven heeft Petrus een zwaard bij zich en hakt iemand een oor af. Ook hier moet Jezus hem tot de orde roepen. Het gebruiken van geweld hoort niet bij je roeping. En dan is er nog de verloochening en het kraaien van de haan.

Vandaag horen we Petrus zeggen: “Ik ga vissen.” Het is hem nog steeds niet duidelijk wat Jezus van hem wil. Hij pakt zijn beroep weer op en gaat weer over tot de orde van de dag. Het was toch zijn beroep, zijn roeping om vis te vangen en ervoor te zorgen dat mensen te eten hebben. Maar dan is daar Jezus weer. Na het ontbijt is er het gesprek tussen Jezus en Petrus. Petrus krijgt de opdracht de kudde te leiden. Ondertussen wordt hij herinnerd aan de avond voor de kruisiging. Toen heeft hij Jezus tot driemaal toe verloochend.

Jezus kent Petrus. Hij weet dat Petrus niet zonder zonde is, maar Hij weet ook dat er een sterke liefde in hem is: een liefde die Petrus in staat stelt tot grote daden. Petrus is geen brave heilige, maar een mens zoals u en ik. Dat maakt hem zo sympathiek en tot een aansprekend voorbeeld. Dat maakt hem ook zo geschikt om de Kerk te leiden. Hij is vol liefde voor Christus, maar is geen haar beter dan de mensen die hij moet leiden. Dat maakt hem nederig en bescheiden. Tot drie keer spreekt Jezus Petrus aan op zijn liefde voor Hem. Pas de derde keer dringt het echt tot Petrus door en dan breekt hij. Dan ziet hij wie hij werkelijk zelf is. De man met bravoure weet dat ook hij een zondig mens is maar hij weet ook dat de liefde van Jezus voor hem veel groter is dan de zonde. Nu Petrus zich van deze liefde bewust is, kan hij ook zelf lief hebben. Dan zegt Jezus tegen Petrus: “Volg Mij.” In de eerste lezing uit de Handelingen der Apostelen hebben we gehoord hoe Petrus inderdaad Jezus is gaan volgen en dat hij zijn roeping heeft verstaan.

Het verhaal van Petrus kent elementen die wij ook in ons eigen leven herkennen. Hoe ontdek je wie je zelf bent? Wat wil God met mij? Dit zijn geen eenmalige vragen. Deze vragen spelen niet alleen op je weg naar volwassenheid. Het zijn vragen die telkens weer opnieuw aan de orde zijn.

Ook bij Petrus was het einde van zijn roepingsverhaal nog niet bereikt. U kent ongetwijfeld het verhaal van zijn laatste dagen. Volgens een oude legende probeerde Petrus uit Rome weg te vluchten. Er was een grote christenvervolging gaande. Op zijn vlucht komt Petrus Jezus tegen met het kruis op de schouder. Petrus is ontzet en vraagt: “Quo vadis, Domine?”: Waar gaat u heen, Heer? Jezus antwoordt hem: “Ik ga naar Rome om in uw plaats gekruisigd te worden.” Dan begrijpt Petrus dat hij bij zijn geloofsgenoten moet zijn en hij gaat terug naar Rome.

Ook wij worden telkens weer geroepen om volgeling en leerling van Jezus te zijn. Het is een zoektocht tot het einde toe. Deze week staat in het bijzonder in het teken van roeping. Volgende week is het roepingenzondag. Wij worden opgeroepen tot gebed voor roepingen. Aan het eind van de viering kom ik hier nog op terug. Allereerst moeten wij onszelf en onze eigen roeping ontdekken. Daarna kunnen we anderen helpen hun weg en roeping te vinden. Amen.

Zie hier voor de gebeden om roepingen.

Wij geloven erin; Hnd 10,34a.37-43; Joh 20,1-9

Het is Pasen. De Heer is waarlijk verrezen! Veertig dagen zijn we onderweg geweest. En vooral de afgelopen week leefden we toe naar de dag van vandaag. Zo was afgelopen maandagmorgen deze kerk gevuld met de kinderen van de Maria Bernadetteschool. En woensdagmorgen waren hier de kinderen van groep 5 t/m 8 van de Balans, de basisschool uit Leidschenveen. De scholen vinden het belangrijk op deze wijze aandacht te besteden aan Pasen.

Hoe leg je aan kinderen uit wat Pasen is? Waar geloven wij in? Hoe vind je de juiste toon. Dat gaat de ene keer beter dan de andere keer. Hoe voorkom je dat de kinderen het saai vinden? Maar Pasen is ook niet alleen maar leuk. Pasen is veel meer dan leuk. Pasen is echte vreugde, echte blijdschap. Pasen is verrijzenis, opstanding en nieuw leven. Pasen is vergeving van onze zonden en een nieuw begin maken. Maar Pasen wordt ook voorafgegaan door Goede Vrijdag.

Beide scholen hadden gekozen voor het Trefwoordthema Overwinnen. Met het woord overwinnen raak je aan de essentie van Pasen. Jezus overwint de dood. Hij is weer levend. Het goede overwint het kwade. God zorgt ervoor dat het uiteindelijk goed komt. Hij zorgt ervoor dat onze pijn en ons verdriet niet het laatste woord hebben. Zijn liefde overwint de dood en overwint het kwaad. Dat is de kern van ons geloof. Dat is de ervaring van de apostel Johannes toen hij tot geloof kwam.

Pasen ervaren we ook in ons eigen leven. Voortdurend zijn er gebeurtenissen die we kunnen zien als Paaservaringen. Afgelopen maandagavond vond ik een berichtje op mijn telefoon. Een goede vriend was in het ziekenhuis opgenomen. Hij schreef er luchtig over, maar het klonk toch ernstig. De volgende dag vond ik een bericht of ik hem wat spullen wou brengen. Ja, de operatie had ’s nachts al plaatsgevonden en was geslaagd. Ik vond hem even later opgewekt en met een goed humeur in zijn bed. Alsof er niets gebeurd was.

Maandag werd de wereld opgeschrokken door de brand in de Notre Dame. Wie heeft de beelden van de felle brand niet gezien. Plotseling blijkt zo’n gebouw tot het wezen van Frankrijk te behoren. Een heel land zat verslagen te kijken naar wat er gebeurde. Op zo’n moment besef je weer hoe belangrijk het voor ons is dat wij onze verbeelding, onze gedachten en gevoelens, ons geloof in materie vorm kunnen geven. Ook de bloemen die vanuit de Bollenstreek naar Rome gestuurd worden om het Sint Pietersplein met Pasen te verfraaien, zijn er een voorbeeld van. Het is ook daarom belangrijk dat de bisschop de bloemen zegent. Wij zijn mensen van vlees en bloed, wij zijn niet enkel geesten en gedachten. De materie maakt een wezenlijk onderdeel uit van ons bestaan. Daarom is de verrijzenis van het lichaam van enorme betekenis voor ons leven en ons geloof. We weten niet wat we ons bij een verheerlijkt lichaam moeten voorstellen. Het is niet om aan het aardse vast te houden, maar het is ook niet om onze menselijkheid achter ons te laten. De volgende dag werd duidelijk dat herstel van de Notre Dame mogelijk is. De president beloofde dat de kathedraal er over vijf jaar weer in volle glorie zal staan. En vanaf dat moment stroomde ook het benodigde geld binnen.

Een heel andere Paaservaring hadden mijn vrouw en ik afgelopen dinsdag. We waren samen naar de Keukenhof. De weelde van de vele bloemen en van al die kleuren: het is werkelijk een fantastisch gezicht. Maar wat minstens zo indrukwekkend is, zijn de mensen. Mensen van allerlei volkeren en naties, jong en oud, arm en rijk, allen genieten van de schoonheid zonder zich te ergeren aan elkaar. Iedereen gunt elkaar de ruimte en er valt geen onvertogen woord. Mijn vrouw opperde dat de Keukenhof de Nobelprijs voor de vrede verdient.

Woensdagavond was ik in de kathedraal bij de Chrismaviering waarin jaarlijks de oliën door de bisschop gezegend en gewijd worden. Het was een mooie viering met een bemoedigend preek van de bisschop. Op de terugweg hoorde ik op de radio het bericht van het busongeluk op Madeira. Plotseling is het dan weer Goede Vrijdag. Hoe zal het voor deze mensen en hun nabestaanden weer Pasen worden? Op de dag van Goede Vrijdag horen we van de journalist Lyra McKee die in Noord-Ierland door kogels wordt getroffen en overlijdt. Het kwaad is zeker niet de wereld uit. Telkens weer steekt het zijn kop op. Telkens weer worden mensen daar het slachtoffer van.

Ondanks dat blijven wij erin geloven. Achter elk kruis van Goede Vrijdag gloort het licht van de verrijzenis. De verrijzenis van Christus stelt ons in staat om te gaan met het kwaad. Wij geloven dat het kwaad en de dood niet het laatste woord hebben. Dat het leven verder gaat. Dat er altijd een nieuw begin is. Dat het goede het kwade uiteindelijk altijd overwint. De liefde van God die Jezus Christus ons getoond heeft, is vele malen sterker dan alle kwaad van de wereld. Zijn liefde overwint alles. Wij mogen leven vanuit die liefde van God voor ons. Wij geloven erin. En dit geloof mogen wij net als Petrus verkondigen aan allen die hunkeren naar liefde en geluk. Ik wens u allen een zalig Pasen. Amen.