Spring naar inhoud

Titus Brandsma: Godsbegrip

“Onder de vele vragen, welke ik mijzelven stel, houdt wel geen mij meer bezig dan het raadsel, dat de zich ontwikkelende mensch, prat en fier op zijn vooruitgang, zich in zoo grooten getale afkeert van God. Ontstellend is het, dat wij in onzen tijd van zoo grooten vooruitgang op allerlei gebied staan voor een, als een besmettelijke ziekte voortwoekerende Godsonteering en Godsontkenning. Hoe is het Godsbeeld zoo verduisterd, dat zoovelen er niet meer door getroffen worden?”

Met deze woorden opent pater Titus Brandsma in 1932 als rector magnificus van de katholieke universiteit van Nijmegen zijn rede ter gelegenheid van de negende verjaardag van de universiteit. In deze toespraak zoekt hij naar antwoorden op deze vragen. Allereerst is het de vraag aan wie ligt deze Godsontkenning: aan de mensen die zich van God afkeren of aan ons? Schieten wij tekort in onze opdracht het Evangelie te verkondigen? Vervolgens constateert Titus: “Wij leven in een tijd van groote verwarring in het rijk der gedachte. De meest tegenstrijdige stelsels worden als waarheid gehuldigd en door erkende geleerden met geestdrift verdedigd.”

Deze woorden van negentig jaar geleden zijn nog steeds actueel. In zijn toespraak – getiteld ‘Godsbegrip’ – staat Brandsma uitvoerig stil bij de vele godsbeelden die er in de loop van de geschiedenis zijn geweest. Hiermee wordt duidelijk dat iedere tijd een eigen Godsbeeld kent. “Nieuwe tijden vragen nieuwe vormen.” Dat leidt als eerste tot de vraag: “Wat is het Godsbeeld, dat wij dragen? Zal het sterk zijn en in staat, de wereld te veroveren voor Hem.” De tweede vraag is: welk Godsbegrip heeft deze tijd nodig? Het antwoord van Titus op deze vraag is: “Wij moeten allereerst God zien als den diepsten grond van ons wezen, verholen in het meest innerlijke onzer natuur, maar daar toch te zien en te aanschouwen, na eerste beredeneering duidelijk kenbaar, bij geregelde instelling daarop zonder telkens herhaalde beredeneering en als bij intuitie, zoodat wij ons zien in voortdurende aanschouwing Gods en Hem niet slechts aanbidden in ons eigen wezen maar evenzeer in alles, wat bestaat, allereerst in den medemensch, maar dan ook in de natuur, in het heelal, alom tegenwoordig en alles doordringend met het werk zijner handen. Die inwoning en inwerking Gods moet niet enkel het voorwerp van intuitie wezen, maar zich in ons leven openbaren, in onze woorden en daden tot uitdrukking komen, uitstralen uit heel ons wezen en optreden.”

Voor Titus Brandsma is God de diepste grond van ons wezen. God ligt verborgen in het meest wezenlijke van ons menszijn. God vinden we in onszelf, in elkaar en ook in de natuur. Dat is onze zoektocht en onze levensopdracht. Bij Titus gaan persoonlijke devotie en maatschappelijke betrokkenheid hand in hand. Bij Titus is er geen sprake van een tegenstelling tussen deze twee.

Veertig, vijftig jaar geleden was er in onze kerken veel aandacht voor sociaal engagement. Ons geloof werd zichtbaar in onze maatschappelijke betrokkenheid. Veel jongeren van nu zijn veel meer op zoek naar een persoonlijke relatie met God en met Jezus. Zij willen zich werkelijk met Jezus verbinden. Vaak is een nieuwe vorm een reactie op een vorige. Titus waarschuwt: “Alle eenzijdige instelling wreekt zich en doet behoefte ontstaan aan hetgeen werd verwaarloosd.”

Het is onze opdracht in deze tijd te getuigen van God, zijn aanwezigheid en liefde voor alle mensen in de wereld van vandaag met woord en daad te verkondigen. Leerling zijn van Jezus is niet alleen een kwestie van zijn voorbeeld volgen. Leerling zijn vraagt op de eerste plaats om een relatie met de leraar. In het leerling zijn komen beide hiervoor genoemde aspecten samen. Leerling zijn van Jezus vraagt werken aan een persoonlijke relatie met Jezus én het vraagt – net als Jezus – ons leven dienstbaar maken aan de medemens.

Het leven en martelaarschap van Titus Brandsma is te begrijpen vanuit zijn intieme relatie met God. Titus inspireert ons om te werken aan een persoonlijke relatie met God en van daaruit elkaar en de hele schepping lief te hebben. Titus inspireert ons om tegen de waan van de dag in te gaan en voor de waarheid te blijven strijden. Titus inspireert ons tot een andere relatie met het lijden. Minder ontkennend, creatiever, liefdevoller en het te zien in het perspectief van het totale leven in verbondenheid met Jezus. Vandaag vieren we de heiligverklaring van pater Titus Brandsma. Hij is voor ons een bron van inspiratie. Hij is ook onze voorspraak bij God. Amen.

Vrede zij u; Apk 1,9-11a.12-13.17-19; Joh 20,19-31

“Sjaloom. Vrede zij u.” Het zijn gewone begroetingswoorden waarmee Jezus de apostelen begroet. Maar vandaag klinken ze toch anders dan gebruikelijk. Dat geldt ook voor de apostelen. Jezus herhaalt deze woorden nog een keer. Zo wordt de nieuwe betekenis extra duidelijk. “Vrede zij u.” Uit de mond van de verrezen Heer is het meer dan een groet, is het meer dan een wens. Vandaag zijn deze woorden geen wens, maar een toezegging. De vrede van de Heer is werkelijkheid geworden. Langzaam dringt het tot de apostelen door. Vandaar de herhaling. Jezus zegt hen dat zij mogen delen in zijn vrede. Die toezegging is er niet alleen voor de apostelen. Die toezegging van de vrede is er ook voor ons. Wij allen mogen delen in de vrede van Christus.

“Vrede zij u.” Deze nieuwe werkelijkheid vormt de basis voor de opdracht die Jezus aan zijn leerlingen geeft. Het is hun opdracht en het is ook onze opdracht de missie van Jezus voort te zetten. “Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft zo zend Ik u.” Hier begint de Kerk. De Kerk is het instrument om de missie van Jezus voort te zetten. De missie van Jezus heeft de Kerk als werktuig. Deze missionaire opdracht kunnen wij, kan de Kerk niet zonder de hulp van de heilige Geest. Zonder de kracht, zonder de bezieling van de heilige Geest zijn wij machteloos.

Jezus blies na het uitspreken van zijn woorden zijn adem uit over de leerlingen. Zoals God Adam zijn adem heeft ingeblazen en hem het leven gaf, zo geeft Jezus ons met zijn adem, met de heilige Geest nieuw leven. Jezus verwijst hier naar wat op Pinksteren zal gebeuren. Op Pinksteren zullen de apostelen de heilige Geest ontvangen. Nadat Jezus ten hemel is opgestegen zend Hij hen zijn Helper. Met de komst van de heilige Geest krijgt de Kerk werkelijk gestalte.

“Vrede zij u”, dat is de missie van Jezus die wij met de hulp van de heiige Geest mogen verkondigen. In vrede leven kent drie dimensies: in vrede leven met jezelf, in vrede leven met God en in vrede leven met elkaar. Deze drie dimensies van vrede hangen met elkaar samen en vragen om verzoening, verzoening met ons zelf, verzoening met God en verzoening met elkaar. Om dat mogelijk te maken geeft Jezus ons niet alleen de heilige Geest. Jezus stelt ons ook in staat elkaar vergeving te schenken. Het grote verlossingswerk dat Jezus met zijn leven, lijden en sterven heeft verricht en dat met zijn verrijzenis is bevestigd, is ons, is de Kerk in handen gegeven in het sacrament van Boete en Verzoening.

Ook bij de vergeving blijft het niet bij een wens. Ook de vergeving komt daadwerkelijk tot stand. De vergeving vindt werkelijk plaats. Wij worden verlost van onze zonden, onze tekortkoningen worden ons vergeven. Door de vergeving van de zonden kunnen wij in vrede leven: in vrede met onszelf, in vrede met God en in vrede met elkaar. Zo wordt ons telkens weer nieuw leven geschonken. Zo kunnen we leven in Jezus Naam.

In het boek Openbaring schrijft Johannes over Jezus: “Vrees niet. Ik ben het, de Eerste en de Laatste, de Levende. Ik was dood, en zie Ik leef in de eeuwen der eeuwen. En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.” De verrezen Heer is de Levende. Eerder al heeft Jezus van zichzelf gezegd: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Jezus geeft ons leven. Hij is het leven zelf. Door in Hem te geloven mogen wij leven in zijn Naam. Door ons geloof in Jezus Christus, de Zoon van God, wordt ons leven op een hoger plan gebracht. Alle mensen – gelovigen en ongelovigen – ontvangen het leven. De mensen die in Jezus geloven, die zich met Hem verbonden weten: over hen schrijft de evangelist Johannes dat zij mogen leven in Jezus’ Naam. Zij hebben toegang tot het volle leven, het eeuwig leven, het leven met de Levende, het leven met de verrezen Heer.

Op deze zondag van de goddelijke barmhartigheid hebben wij in het bijzonder aandacht voor de mensen in de gevangenis. Het verlossingswerk van Jezus is er ook voor hen. Ook hen wordt vergeving en vrede toegezegd. Ook zij zijn onze broeders en zusters. Wij kunnen ook hen onze aandacht en liefde schenken. Zij mogen delen in de liefde die God ons schenkt, en in de vrede die Jezus alle mensen brengt. Ook voor hen is er de weg van verzoening. en ligt er de belofte van het volle leven, het leven met Christus. Amen.

Zien, ervaren, geloven en leven; Hnd 10,34a.37-43; Kol 3,1-4; Joh 20,1 -9

“Hij zag en geloofde.” Met een paar simpele woorden geeft Johannes aan hoe hij tot geloof kwam. Hoe Petrus de aanblik van het lege graf verwerkt, vertelt het verhaal niet. Misschien had hij wat meer tijd nodig. Misschien realiseerde hij zich niet direct wat het lege graf voor hem betekende. Maar ook hij kwam tot het geloof en legde daarvan getuigenis af, zoals wij hebben gehoord in de eerste lezing. In de tweede lezing getuigt Paulus van zijn geloof. Hij heeft het lege graf niet gezien. Hij heeft op een andere wijze ervaren, dat Christus voor hem leeft.

Zien, ervaren, geloven. Maar daar blijft het niet bij. Petrus en Paulus laten ons zien dat het verder gaat dan dat. Geloven heeft verregaande consequenties voor je leven. Het gaat dus niet om drie woorden maar om vier: Zien, ervaren, geloven en leven. Pasen is het feest van bevrijding en verlossing. Het is het feest van nieuw leven. “Zie Ik maak alles nieuw.” Pasen is het feest van de hoop. Hopen betekent niet dat we rustig kunnen afwachten, totdat het goed komt. Hopen leidt niet tot passiviteit, maar juist tot activiteit. Hopen betekent dat ik, dat u, dat wij iets kunnen doen, iets kunnen doen om de situatie te verbeteren, om ervoor te zorgen dat alles nieuw wordt, dat we tot nieuw leven komen.

Hoop is dus iets anders dan optimisme. Optimisme leidt tot passiviteit, hoop leidt tot actie. Bij hoopvolle mensen is er geen ruimte voor zelfgenoegzaamheid. Hoopvolle mensen roepen niet dat ze in een gaaf land wonen. Dat doen politici die niet plan zijn werkelijk de situatie te verbeteren. Aan een gaaf land valt natuurlijk weinig te verbeteren. Dat is lekker goedkoop. Verbeteringen kosten geld en inspanning. Zelfgenoegzame mensen houden daar niet van.

Ik zal niet beweren dat Nederland een slecht land is om te leven, maar er zijn wel tal van zaken die om verbetering vragen. Wat dacht u van de flexwerkers, migranten en Oost-Europeanen, mensen die hier onder barre omstandigheden en tegen lage betaling hun werk doen. Het begrip moderne slavernij is hier zeker van toepassing. Wat moeten we denken van de vastgelopen zorg en wat van jonge huisartsen die van pure ellende maar iets anders gaan doen? Wat is dit voor een land waarin burgers als misdadigers worden behandeld omdat hun achternaam op een buitenlandse achtergrond wijst? Zo maar wat zaken die regelmatig in het nieuws zijn.

Voor velen is Nederland helemaal geen gaaf land. Dit is een land van mooie plannen en schone schijn. Hoe zit het eigenlijk met onze christelijke waarden die basis zouden vormen van onze cultuur? Er worden grote woorden gesproken over onze joods-christelijke cultuur. Leven we werkelijk nog in een joods-christelijk land? Of is het alleen maar de bedoeling om mensen van andere religies op deze manier in diskrediet te brengen.

Pasen is het feest van hoop, het feest van nieuw leven. Dat betekent aan het werk! Wij zijn er – als leerlingen van Jezus – voor verantwoordelijk dat deze hoopvolle boodschap voor alle mensen geldt. Voor ons hier geldt dat we deze boodschap moeten uitdragen. Leerling van Jezus zijn is op de eerste plaats zijn Blijde Boodschap verkondigen. Het is onze opdracht te verkondigen dat alle mensen aan elkaar gelijkwaardig zijn, dat iedereen het recht heeft om gelukkig te worden.

Zien, ervaren, geloven betekent dat ook wij – net als Petrus en Paulus – ons leven in overeenstemming brengen met ons geloof. Petrus deed dat door van zijn geloof te getuigen. Het geloof heeft zijn leven wezenlijk veranderd. Paulus zegt ons: “Zint op het hemelse, niet op het aardse.” Dat betekent niet dat we ons vooral moeten richten op een leven na de dood. Het gaat er juist om dat we ons in dit aardse leven richten op de zaken die werkelijk belangrijk zijn, dat we ons richten op het geluk en welzijn van alle mensen, dat de liefde de enige maat is waarmee we onze daden beoordelen.

Vandaag zingen we alleluja. Dat betekent: looft de Heer met vreugde. Vorige week op Palmzondag riepen we hosanna. De pastoor heeft toen uitgelegd dat dat ‘help nu’ betekent. Alleluja zingen is goed. We zijn vervult van vreugde. Het is goed om dat aan de wereld te laten weten. We zijn geroepen om tot een betere wereld te komen, om tot nieuw leven te komen en om alles nieuw te maken. Dat kunnen we niet alleen, daarvoor is Gods hulp noodzakelijk. Daarom is het belangrijk om ook voortdurend hosanna te roepen: Help nu, God kom ons te hulp en geef ons vrede. Wij zwakke mensen hebben een grote opdracht. God, laat de wereld zien hoe U in onze zwakheid uw kracht en uw grote daden zichtbaar maakt. Amen.

Pasen in Oekraïne

Terwijl ik dit schrijf is het volop oorlog in Oekraïne. Grote stromen vluchtelingen verlaten het land op zoek naar veiligheid. Het is volstrekt onduidelijk hoe het zal aflopen. Waar stopt deze oorlog? Ondertussen zijn we op weg naar Pasen, het feest van bevrijding en verlossing, het feest van nieuw leven. Oorlog en Pasen twee zaken die totaal tegenstrijdig met elkaar zijn.

Hier in Nederland leven we al meer dan zeventig jaar zonder oorlog. We voelen ons veilig en kunnen ons nauwelijks meer een andere situatie voorstellen. Verhalen over de verschrikkingen van oorlog kennen we alleen nog uit de tweede hand, van mensen die de Tweede Wereldoorlog meegemaakt hebben, militairen die uitgezonden waren en vluchtelingen die naar hier gekomen zijn. Wij leven met een vooruitgangsgeloof dat alles steeds beter zal worden.

Ons vooruitgangsdenken is sterk gebaseerd op het optimistische geloof in wetenschap en techniek. Maar wezenlijker is ons geloof in de heilsgeschiedenis, de geschiedenis van God met de mensen. Dit is een geschiedenis van de hoop. Wij geloven en hopen dat God, die uit liefde alles geschapen heeft, uit liefde ook alles zal voltooien. In de Paaswake lezen we de verhalen van de heilsgeschiedenis. We lezen hoe God hemel en aarde heeft geschapen, hoe Hij het volk van Israël wegvoerde uit Egypte naar het beloofde land, we lezen hoe de komst van de Messias aangekondigd werd en we lezen hoe Jezus na zijn lijden en sterven uit de dood is opgestaan. Het zijn deze verhalen waarin God ons zijn bedoelingen duidelijk maakt en waarop onze hoop is gebaseerd.

Dat alles neemt niet weg dat het kwaad bestaat, dat het daadwerkelijk in onze wereld en ook in onszelf aanwezig is. Het kwaad heeft echter nooit het laatste woord. Dat is wezenlijk aan de verlossing. Wij mogen leven in de hoop op de komst van het Rijk Gods. Dat geldt ook voor de mensen in Oekraïne en in Rusland. Ook zij mogen leven in de hoop op vrede en veiligheid. De komst van het Rijk Gods vraagt onze medewerking. Wij zijn geroepen onze bijdrage te leveren aan de vrede in de wereld en aan het lenigen van de nood van hen die lijden onder oorlog en geweld. Wij kunnen materieel bijdragen en wij kunnen bidden voor vrede in de wereld. We kunnen bidden dat er ook in Oekraïne en Rusland werkelijk Pasen gevierd kan worden. U allen een zalig Pasen toegewenst.

Artikel in het maandblad van de KBO Voorburg, Contact april 2022

Christus kennen; Fil 3,8-14; Joh 8,1-11

“Broeders en zusters. Ik wil Christus kennen… Ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus. Ik reik naar wat voor me ligt, ik storm af op het doel.” Paulus maakt ons duidelijk wat en hoe groot zijn passie is. Paulus is een bevlogen man. Hij is gepassioneerd. Zijn leven heeft een compleet nieuwe wending gekregen. Er is voor Paulus nog maar een ding belangrijk: hij wil Christus kennen.

“Ik wil Christus kennen.” Wordt u weleens midden in de nacht wakker? En zit u dan rechtop in uw bed en weet u dan een ding heel zeker, namelijk dat u Christus wilt kennen? Voor Paulus is dit blijkbaar de gewoonste zaak van de wereld. Ik moet u bekennen tot nu toe is mij dat nooit gebeurd. Wij mensen hebben allerlei passies. Allereerst is er de liefde voor de mensen die ons nabij zijn. We hebben hobby’s, we houden van ons werk, we willen goede mensen zijn, ga zo maar door. Dergelijke passies, dergelijke gedrevenheid is goed. Passie en gedrevenheid helpen ons het goede te doen. Ze helpen ons gelukkig te worden.

Toch schrijft Paulus hierover: “Ik beschouw alles als verlies… Om Christus heb ik alles prijsgegeven en houd ik alles voor afval.” Paulus was een gelovige jood, een zeer religieus mens. Voor hem stond het joodse geloof als een huis. De Wet van Mozes, de Tora was voor hem heilig. Het gaf hem een stevig houvast. Het was de basis voor zijn leven. En dan op reis naar Damascus gebeurt er iets opmerkelijks. In een visioen verschijnt Jezus aan Paulus en roept Paulus op zijn leerling te worden. Dat visioen zet de wereld van Paulus compleet op zijn kop. Met de getuigenis van zijn eigen leven roept Paulus de christenen van Filippi op tot bekering. Met diezelfde brief roept Paulus ook ons op tot bekering. Paulus doet dat met enthousiasme en met passie.

Ook Jezus roept ons op tot bekering. Jezus is – anders dan Paulus – heel rustig en bedachtzaam. Jezus zegt tegen de vrouw: “Ga heen en zondig van nu af niet meer.” Ook voor de vrouw is dat een breuk met het verleden. Met diezelfde woorden roept Jezus ook ons op te breken met het verleden en werkelijk zijn leerlingen te worden. Breken met het verleden: dat is zo gemakkelijk nog niet. Zeker als het leven van het verleden moreel gezien niet slecht was. Zeker als je goede herinneringen aan dat verleden hebt. Zeker als dat leven van het verleden je gelukkig maakte.

Dat was de situatie van Paulus. Hij was ervan overtuigd dat hij leefde zoals het moest. Hij kende de heilige Schrift en hield zich aan de Wet van Mozes. Het was een leven dat hem gelukkig maakte. En juist over dat leven schrijft Paulus: “Ik beschouw alles als verlies… Om Christus heb ik alles prijsgegeven en houd ik alles voor afval.” Paulus vergeet alles wat achter hem ligt om zich op de toekomst te richten. Paulus wil zich volledig verbinden met Christus Jezus: “Ik wil Christus kennen.” Leerling van Jezus worden begint ermee Hem te leren kennen. Dat is de boodschap van Paulus aan ons.

Ons streven om goede en gelukkige mensen te worden kan op een hoger plan worden gebracht als wij Christus werkelijk leren kennen, als wij – net als Paulus – ons leven met Hem verbinden. Als leerlingen van Jezus leren wij Hem steeds beter kennen. Naarmate wij Hem beter kennen, kunnen Hem beter navolgen. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Jezus kennen is deelnemen aan zijn leven of zoals Paulus schrijft “één zijn met Hem”. Dan leeft Christus in ons. Dan is het de heilige Geest die ons de richting wijst en op pad stuurt. Als wij werkelijk leerling van Jezus zijn, neemt de heilige Geest het stuur van ons over. Dat is een risicovolle stap. Voor Paulus was het een strijd. Hij moest het jodendom achter zich laten om Christus te volgen. Van ons wordt gevraagd dat we op de weg die reeds gaan een nieuwe stap zetten, een nieuwe fase ingaan in ons christen-zijn.

Werkelijk leerling van Jezus zijn vraagt om een bekering. Het vraagt moed en het is niet gemakkelijk. Ook Paulus had nog een hele weg te gaan. Paulus schrijft: “Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog niet volmaakt. Nee, vrienden, ik beeld mij niet in er al te zijn.” Paulus gaat moedig voort op zijn weg. Hij weet wat zijn doel is: één worden met Christus en delen in zijn leven, samen met Jezus Christus leven in Gods Rijk van liefde en geluk. Jezus zegt ook tegen ons: “Ga heen en zondig van nu af niet meer.” Wij allen zijn geroepen Hem te volgen en te delen in zijn leven. Amen.

Samen op weg; Gn 15,5-12.17-18; Fil 3,17-4,1; Lc 9,28b-36

Soms heb je een moment van gelukzaligheid, een moment van volmaakt geluk. Alles is schoonheid. Alles straalt vrede uit. Je bent omgeven door liefde, door mensen van wie je houdt. Alles valt even op zijn plaats. Even zijn er geen vragen en twijfel, even is alles helder en duidelijk. Het zijn momenten van liefde en van waarheid, momenten van Godservaring. Ik denk dat dit Abram overkwam, toen hij naar de sterrenhemel keek en hem duidelijk werd hoe talrijk zijn nageslacht zou gaan worden. Op dat moment voelde hij zich omarmt door de liefde van God en wist hij precies waarom God hem op pad had gestuurd. Op dat moment geloofde hij onomstotelijk in God.

Petrus, Johannes en Jakobus hebben ook zo’n ervaring van volmaakt geluk. Alles staat in een helder licht, alles is duidelijk en alles is liefde. Dat willen ze blijven vasthouden en dus zegt Petrus: “Meester het is goed dat we hier zijn. Laten wij drie tenten bouwen.” Maar Petrus wist niet wat hij zei. Na dit korte moment van geluk moesten zij terug naar de werkelijkheid. Ze moesten de berg weer afdalen, terug naar de weerbarstigheid van het dagelijks leven. Het is niet de bedoeling dat we drie tenten bouwen om het moment van geluk vast te houden. Het is niet de bedoeling dat wij ons opsluiten in een cocon van geluk. Het is niet de bedoeling dat we het geluk voor onszelf houden.

Onze bestemming is het Rijk Gods of zoals Paulus schrijft: “ons vaderland is in de hemel”. Wij zijn onderweg en mogen zo nu en dan een voorproefje ervaren. Dat is een persoonlijke ervaring. Maar op weg zijn naar het Rijk Gods is geen individuele aangelegenheid. We zijn als gemeenschap samen op weg: alle mensen en heel de schepping is op weg. Het geluk dat wij als een voorproefje ervaren, doet ons groeien in geloof, hoop en liefde. Het moedigt ons aan samen de weg te gaan, de weg die Jezus ons aangeeft. Dat is de boodschap van de stem uit de wolk: “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem.”

Samen op weg gaan betekent dat wij ons verbinden met de kinderen die op weg zijn naar hun eerste heilige Communie, met de mensen uit Oekraïne en Rusland die lijden onder geweld en terreur, dat we ons verbinden met de inheemse volkeren in Zuid-Amerika die onderdrukt worden en van hun land worden verdreven. Samen op weg gaan betekent ook dat we deelnemen aan de komende verkiezingen, dat we nadenken op wie we moeten stemmen voor een gemeenteraad die het welzijn van alle mensen in onze gemeente wil bereiken en die oog heeft voor de noden van de mensen die een beroep op ons doen, een gemeenteraad die ervoor zorgt dat we ook als gemeente gastvrij zijn.

Het Evangelie van vandaag maakt duidelijk, dat wij op zo’n moment van volmaakt geluk even raken aan het Rijk Gods. De leerlingen ervaren Jezus zoals Hij werkelijk is: de Zoon van God. Deze herinnering blijven zij met zich mee dragen. Het moment van gelukzaligheid is altijd van korte duur. Daarna is het voorbij en staan we weer in de harde realiteit. Die realiteit kan zo weerbarstig zijn dat de twijfel toeslaat. Als de oorlog toeslaat, vragen wij ons af: zijn wij werkelijk op weg naar het Rijk Gods? Ook bij Abram slaat de twijfel toe en dus zegt hij: “Heer God, hoe kan ik weten dat ik het inderdaad zal krijgen?”

Geloven in God is niet alleen aannemen dat Hij bestaat. Geloven in God betekent ook dat wij Hem vertrouwen, dat wij erop vertrouwen dat Hij zijn beloftes waarmaakt. Geloven in God is leven en handelen vanuit dat vertrouwen. Dat is de weg die Jezus gegaan is. Door ons leven te verbinden met het leven van Jezus, gaan ook wij als zijn leerlingen zijn weg ten leven. Amen.

Aswoensdag: Het goede oefenen

Vandaag is de Veertigdagentijd begonnen: veertig dagen die staan in het teken van bezinning en van inkeer. veertig dagen voor persoonlijke groei en gemeenschappelijke vernieuwing, veertig dagen om ons te oefenen in het goede en af te zien van het kwade, veertig dagen om te groeien in vertrouwen en hoop op God. Veertig dagen lang zijn wij samen met Jezus op weg naar Pasen. Veertig dagen lang mogen wij ons extra verbinden met Hem. Hij is onze weg naar de Vader. Niemand komt tot de Vader tenzij door Hem.

Paus Franciscus noemt de Veertigdagentijd de gunstige tijd om het goede te zaaien met het oog op de oogst. Hiermee is de Veertigdagentijd beeld voor heel ons leven. Oefenen is een vorm van zaaien. Ons hele leven blijven wij oefenen en leren. Altijd kunnen wij groeien. Daar ben je nooit te oud voor. Door te oefenen worden we betere mensen. De oogst is dat goed zijn ons gelukkig maakt.

Er zijn vele zaken die wij door te oefenen kunnen verbeteren. We kunnen ons oefenen is soberheid, solidariteit en in spiritualiteit. Soberheid oefenen we door te vasten, door af te zien van materiële genoegens. Soberheid stelt ons in staat tot solidariteit met onze medemensen. Vasten en het geven van aalmoezen gaan hand in hand. Het Vastenactieproject vraagt onze solidariteit met inheemse volkeren. Met name met de Maya’s in Guatemala die door onze giften geholpen worden bij het behoud van de rivier waarvan hun bestaan afhankelijk is. Straks wordt er uitgebreid uitleg gegeven over het Vastenactieproject. In deze tijd wordt onze solidariteit ook gevraagd voor de mensen in Oekraïne die lijden onder oorlog en geweld en voor hen die hun land ontvlucht zijn. Komende zondag zal de collecte voor Oekraïne zijn. Op onze website vindt u hierover meer informatie.

Oefenen in soberheid is nodig om ons vaak luxe leven aan te passen. Ons leven moet aangepast worden aan de mogelijkheden van de aarde. De aarde biedt ons genoeg, maar we moeten het wel eerlijk verdelen. Een eerlijke verdeling is nodig om alle mensen te laten genieten van de vruchten van de aarde. De oogst is bedoeld om eerlijk onder alle mensen te verdelen. Ook mogen we de aarde niet uitputten door meer de oogsten dan wat de aarde kan opbrengen. Door teveel van de aarde te vragen putten we haar uit. Zo plunderen wij de schepping. We lenen onze aarde van onze kinderen en kleinkinderen. Het is onze opdracht goed voor de schepping te zorgen en haar in een gezonde staat door te geven aan de volgende generaties.

De paus schrijft dat “wij kunnen zaaien door het goede te doen. Deze oproep om het goede te zaaien moet niet als een last gezien worden, maar als een genade waarmee de Schepper ons actief deel wil laten uitmaken van zijn vruchtbare grootmoedigheid. Een eerste vrucht van het goede dat gezaaid is, vinden we in onszelf en in onze dagelijkse relaties, zelfs in de kleinste gebaren van goedheid. Bij God gaat geen enkele daad van liefde, hoe klein ook, en geen enkele ‘edelmoedige inspanning’ verloren. Het goede zaaien voor anderen bevrijdt ons van de enge logica van het persoonlijke gewin en verleent ons handelen de weidse adem van belangeloosheid, waardoor wij worden opgenomen in de wonderbare horizon van Gods welwillende plannen.”

De Veertigdagentijd is ook een tijd van spiritualiteit, van gerichtheid op God. Door de soberheid krijgen we ruimte voor God en medemens. De soberheid schept ruimte voor de liefde voor God en medemens. Soberheid is een vorm van bekering. Zij schept ook ruimte voor andere vormen van bekering. Door af te zien van verstrooiing zoals bijvoorbeeld door de digitale media krijgen we tijd voor bezinning en zelfreflectie. Bezinning en zelfreflectie doen ons de waarheid onder ogen zien. Zo worden we ons bewust van onze verslavingen aan materiële genoegens en lege tijdsbestedingen. We worden ons bewust van onze zwakheden en onze zelfgerichtheid. We worden ons bewust van het kwaad dat we aanrichten.

De Veertigdagentijd is een tijd van inkeer en verzoening. Door het oefenen van het goede vinden we nieuwe wegen in ons leven, wegen die ons op het spoor zetten van God en van onze medemens. Wegen die ons werkelijk geluk brengen. De Veertigdagentijd is ook bij uitstek de tijd voor het Sacrament van Boete en Verzoening. De apostel Paulus roept ons op tot verzoening met God. In het Sacrament geeft Jezus ons de genade om de nieuwe wegen te kunnen gaan. Hijzelf is onze weg ten leven. Paulus schrijft: “Nu is die gunstige tijd, vandaag is het de dag van heil.” Jezus roept ons op: “Bekeert u en gelooft in het Evangelie.” Hij is onze Weg, onze Waarheid en ons Leven. Als zijn leerlingen mogen wij ons leven verbinden met het zijn leven. Door en in Hem vinden wij onze weg naar God. Amen.

Op zoek naar wegen van soberheid

De Veertigdagentijd krijgt een nieuw karakter. Het is niet langer een tijdelijke periode van soberheid. Nu is het een periode waarin we op zoek gaan naar wegen van blijvende soberheid. We zijn ons ervan bewust dat we ons leven niet op de gebruikelijke wijze kunnen voortzetten. We moeten ons welzijn zoeken in andere dan materiële zaken. Alleen wegen van soberheid leiden naar een duurzame toekomst, een toekomst met behoud van de schepping, een toekomst samen met alle mensen.

Tot voor kort onthielden we ons gedurende de Veertigdagentijd een korte tijd van een aantal genoegens. Met Pasen stopten we daarmee en pakten we ons normale leven weer op. Het was een oefening in zelfbeheersing en het gaf ons ruimte voor meer aandacht voor God en voor onze medemens. Daar was helemaal niets mis mee.

De afgelopen eeuw heeft ons een enorme welvaart gebracht. Wetenschap en techniek maakten een geheel nieuwe manier van leven mogelijk, een leven met veel comfort en met vele geneugten, een leven ook met weinig ziekte en een lange levensduur. Ons streven was erop gericht deze welvaart voor iedereen mogelijk te maken. Voor ons gevoel boden wetenschap en techniek onbeperkte mogelijkheden. De laatste vijftig jaar echter zijn we er gaandeweg achter gekomen dat dat niet het geval is. De aarde heeft beperkte mogelijkheden en onze manier van leven vraagt veel meer dan de aarde aan kan, waardoor we leven ten koste van de aarde. In plaats van te leven van de vruchten van de aarde, putten we haar uit en plunderen we de schepping.

Eerlijk delen is niet langer de ander optrekken naar ons niveau. Eerlijk delen is nu de ander geven van onze overvloed, afstand doen van onze bevoorrechte positie en werkelijk een deel van onze welvaart inleveren. Eerlijk delen is erkennen dat alle mensen dezelfde rechten hebben. Dit vraagt een flinke omslag in ons denken en in ons doen. Zo’n omslag vraagt om geleidelijkheid.

We moeten ons oefenen in het maken van eerst kleine stappen om vervolgens grotere stappen te kunnen doen. De Veertigdagentijd is de tijd bij uitstek voor dit oefenen om te komen tot blijvende veranderingen.

Soberheid is niet met een zuur gezicht rondlopen met het idee dat niets meer mag. Soberheid vraagt dat we ons op andere dan materiële zaken richten. In plaats van ons op het hebben te richten, kunnen we ons richten op het zijn, het zijn van de ander en het zijn van onszelf. Genieten van elkaar en er zijn voor elkaar gaat heel goed zonder de aarde uit te putten. Eten moet je toch, dus doe het samen en zorg voor gezelligheid. Samen genieten van cultuur, van de natuur en sporten kan ook in de directe eigen omgeving zonder grote hoeveelheden CO₂ uit te stoten.

Paus Franciscus heeft ons met de encyclieken Laudato si’ en Fratelli tutti op de noodzaak van soberheid gewezen. Dit leidt in de Kerk tot allerlei actie. In Nederland hebben de bisschoppen en de religieuze ordes en congregaties het initiatief genomen tot de Laudato Si’ Alliantie Nederland (zie www.laudato-si.nl).

Wereldwijd is de internationale koepel van katholieke hulpen ontwikkelingsorganisaties Caritas Internationalis ter gelegenheid van haar zeventigjarig bestaan de drie jaar durende campagne Together We gestart (zie www.caritas.org/togetherwe). Genoeg mogelijkheden om inspiratie op te doen om ook zelf stappen te zetten. Ik wens u een vruchtbare Veertigdagentijd toe.

Liefde en waarheid; Sir 27,4-7; 1 Kor 15,54-58; Lc 6,39-45

Vandaag hebben we voor de derde keer gelezen uit de grote redevoering van Jezus in de weergave door Lucas. De weergave van Lucas heet de vlakterede. Hier zien we Jezus spreken op de vlakte aan de voet van de berg. De weergave van Matteüs heet de bergrede. Bij Matteüs spreekt Jezus vanaf de berg. Vandaag gaat het over leerling zijn, over blindheid en over waarheid. Hoe komen wij de waarheid op het spoor? Hoe komen wij tot het juiste onderscheid tussen goed en kwaad? Hoe laten we ons daarin leiden? Ook de eerste lezing uit Ecclesiasticus gaat hierover. Hierin staan wijsheidsspreuken, vertolkingen van volkswijsheden, van ervaringen die in de loop van de eeuwen zijn opgebouwd. Het zijn aanwijzingen om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Ook Jezus refereert in zijn toespraak aan dergelijke wijsheidsspreuken.

“Kan soms de ene blinde de andere leiden? Vallen dan niet beiden in de kuil?” Er is veel blindheid in onze wereld. Neem het idee van ‘ieder zijn eigen waarheid’. Het feit dat we verschillende meningen hebben en dat we als mensen de waarheid niet ten volle kunnen kennen, betekent niet dat er verschillende waarheden zijn. Hooguit hebben we als mensen daar verschillende ideeën over. Ons erbij neerleggen dat we het niet met elkaar eens worden en er daarom maar niet meer over praten is de gemakzuchtige weg. Het is onze opdracht gezamenlijk op zoek te gaan naar de waarheid. Dat vraagt om respect voor elkaar en het vraagt om dialoog met elkaar. Het vraagt om het kunnen maken van onderscheid.

In iedere mens licht er een sprankje van Gods waarheid op. Ieder mens is een kind van God, iedere mens is Gods erfgenaam. Juist door naar elkaar te luisteren, door met elkaar in gesprek te gaan krijgen we meer zicht op de werkelijke en de gehele waarheid. Blindheid is een grote handicap. Wij kunnen door allerlei oorzaken verblind worden. We kunnen ons uit luiheid of door gebrek aan moed verschuilen in onze eigen bubble van gelijkgestemden. We kunnen onze ogen sluiten voor wat er om ons heen gebeurd. We kunnen onze ogen sluiten voor de kennis en ervaringen die anderen vergaard hebben. We kunnen ook blind zijn door onze zelfgerichtheid. We kunnen blind zijn door haat en wraakgevoelens. We kunnen blind zijn door zucht naar roem en door machtswellust. Door onze blindheid zien we de ander niet langer als een mens. De ander wordt een ding dat gebruikt kan worden. De ander wordt een zaak die bestreden moet worden.

Ons eigen gelijk kan ons blind maken. Zelfs als leerlingen van Jezus kunnen wij verblind raken. Dan zien we niet langer onze medemens, maar alleen het vlekje op zijn gezicht, de splinter in zijn oog, de onvolmaaktheid die ook deze mens tekent. Onze eigen gelijk, onze obsessie voor de waarheid kan een balk in onze eigen ogen worden. Waarheid kan niet zonder liefde. Het gaat om liefde in waarheid. Alles komt voort uit de liefde van God, alles wordt er door gevormd en alles is er op gericht: God is liefde. Vormgeving van deze liefde in ons menselijk bestaan vraagt om waarheid. Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar.

Onze opdracht als leerlingen van Jezus is anderen tot zijn leerlingen te maken. Maar een blinde kan geen blinde leiden. Wie zelf niet liefdevol en barmhartig is kan geen mensen naar Gods liefde en barmhartigheid leiden. “De leerling staat niet boven zijn meester; maar hij zal ten volle gevormd zijn als hij is gelijk zijn meester.” Jezus is de leraar. Hij is onze meester, wij zijn leerlingen. Als volgelingen van Jezus moeten wij zijn zoals Hij is en doen zoals Hij doet. Zo laten wij met ons doen en laten het gezicht van Jezus zien. Zo maken wij zijn liefde en barmhartigheid zichtbaar in onze wereld.

De tweede lezing uit de brief van Paulus aan de Korintiërs eindigt met “Daarom geliefde broeders en zusters, weest standvastig en onwankelbaar en gaat altijd voort met het werk des Heren; gij weet toch dat uw inspanning, dank zij Hem, niet vergeefs is.” Als wij leven in liefde en waarheid wordt onze vergankelijkheid bekleed met onvergankelijkheid. Liefde en waarheid zijn blijvend; zij vergaan nooit. Liefde en waarheid bestaan over de grenzen van de dood heen. Liefde en waarheid overwinnen de dood. God is liefde. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Als wij de weg van Jezus gaan leven wij in liefde en waarheid. Hij doet ons in liefde de waarheid op het spoor komen. Hij geeft ons leven, nu en altijd. Amen.

Leerling zijn; Jr 17,5-8; Lc 6,17.20-26

Je bent jarig. Je krijgt cadeautjes. Hoe reageer je daarop? Ben je echt blij met wat je krijgt of reageer je tamelijk blasé omdat je alles al hebt? Een dergelijke vraag stelt Jezus hier aan de leerlingen en aan de aanwezige volksmenigte afkomstig uit heel Israël. Ben je verlangend of ben je zelfgenoegzaam? Met deze vraag richt Jezus zich ook tot ons.

Vandaag horen we de zaligsprekingen zoals Lucas ze heeft beschreven. Deze versie van Lucas is minder bekend dan die van Matteüs. De versie van Matteüs wordt veel vaker aangehaald en klinkt ons daardoor ook bekender in de oren. Lucas en Matteüs geven ongetwijfeld beiden een getrouw beeld van deze gebeurtenis en van de woorden van Jezus, maar de beide evangelisten leggen wel verschillende accenten.

Een opvallend verschil is dat Lucas de zaligsprekingen tot vier beperkt en dat hij ze aanvult met vier wee-uitspraken. Met de wee-uitspraken ontstaat er een tegenstelling. Jezus plaatst de wee-uitspraken tegenover de zaligsprekingen. Door de tegenstelling die er ontstaat, door het tegenover elkaar plaatsen van de zaligsprekingen en de wee-uitspraken, worden we door deze versie van Lucas als christen voor een keuze geplaatst. Kies je als leerling van Jezus voor de ene of de andere levenswijze? Ben je verlangend of ben je zelfgenoegzaam?

Lucas vermeldt vier zaligsprekingen en vier wee-uitspraken. Zalig de armen, maar wee u, rijken. Zalig die nu honger hebben, maar wee u, die nu verzadigd zijt. Zalig die nu weent, maar wee u, die nu lacht. Zalig zij die gehaat worden, maar wee u, wanneer alle mensen lof over u spreken. Arm zijn en honger hebben staan hier voor verlangend zijn, rijk en verzadigd zijn voor zelfgenoegzaamheid. Wie weent, weet dat hem nog van alles ontbreekt. Wie lacht is tevreden met zichzelf.

Verlangen wij naar het bevrijdende werk van Jezus? Verlangen wij naar het Rijk Gods dat Hij verkondigd? Zien wij onszelf als afhankelijk van Gods liefde en genade? Of verliezen wij ons in kortstondig plezier? Zijn wij vooral uit op ons eigen genieten? Denken wij ons geluk zelf in de hand te hebben? Rijk en verzadigd zijn kan ons doen denken dat we dat aan ons zelf te danken hebben en dat het onze eigen prestatie is, in plaats van dat alles wat we zijn en hebben ons geschonken is.

Door zelfgenoegzaamheid sluiten we ons af van Gods liefde en genade. We verliezen onze ontvankelijkheid. Om ontvankelijk te kunnen zijn, moet we verlangend zijn. Ontvankelijkheid vraagt dat wij naar iets verlangen dat we niet zelf kunnen realiseren. Dit is ook wat we in de eerste lezing zien. De profeet Jeremia schetst de keuze van de mens heel beeldend: “Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt… Gezegend is hij de op de Heer vertrouwt…” Het is de keuze tussen onvruchtbaarheid en vruchtbaarheid, de keuze tussen dood en leven.

Leerling zijn van Jezus vraagt om durf en om moed. Het vraagt om afzien en het vraagt om geduld. Het vraagt te kiezen voor zaken die er werkelijk toe doen, te kiezen voor geloof, hoop en liefde, te kiezen voor gerechtigheid en vrede. Leerling zijn van Jezus vraagt om tegen de tijdgeest in te gaan en daarvan te getuigen zodat ook anderen deze keuze kunnen maken. Dat maakt je zeker niet altijd geliefd. Voor Jezus kiezen maakt je mogelijk een dwaas in de ogen van anderen met als consequentie dat je wordt uitgesloten en een paria wordt. Hierover zegt Jezus: Zalig zij die gehaat worden, maar wee u, wanneer alle mensen lof over u spreken. Er is moed voor nodig de weg van de liefde en de waarheid, de weg van het geloof te gaan en er niet voor weg te lopen. Het vraagt moed een leerling van Jezus te zijn.

Leerling van Jezus zijn betekent dat je beseft dat je van Hem afhankelijk bent, dat je het geluk niet op eigen kracht bereikt. Het betekent dat al het goede je gegeven wordt en dat het geen eigen prestatie is. Het geluk is niet te koop. Je krijgt het werkelijk cadeau. God staat voortdurend klaar met zijn cadeautjes aan ons. Hij heeft ons geschapen voor de liefde. Hij heeft ons geschapen om gelukkige mensen te worden. Deze grote cadeaus liggen voor ons klaar. Zalig is de leerling die het aandurft met lege handen te staan. Zalig is hij die het aandurft pijn te lijden. Zalig is hij die zijn vreugde niet zoekt in kortstondig plezier. Zalig is hij die tegen de stroom in durft te gaan.

God overlaad ons voortdurend met zijn cadeaus. Cadeaus die wij moeten willen ontvangen en willen uitpakken. Cadeaus waarmee wij zelf aan de slag moeten gaan. We moeten met de genade meewerken. Gelijkwaardigheid en medeverantwoordelijkheid van allen is zo’n cadeau. Paus Franciscus zegt hierover dat er binnen de Kerk geen sprake is van acteurs en toeschouwers. Alle gedoopten zijn actieve deelnemers. Allen zijn medeverantwoordelijk. Wij kunnen onze medeverantwoordelijkheid oppakken door deel te nemen aan het synodale proces. In een synodale Kerk zijn we samen op weg en doen allen mee.

Als wij in staat zijn te ontvangen, kunnen we ook geven. De liefde en genade die ons geschonken wordt, kunnen we delen met iedereen. Door leerling van Jezus te worden, worden we ook zijn navolgers. En als navolgers gaan we ook van Hem getuigen, getuigen in woord en in daad. Van leerlingen worden we navolgers en verkondigers. Samen gaan we de weg van Jezus. Amen.