Spring naar inhoud

“Waar heeft Hij dat vandaan?” Ez 2,2-5; 2 Kor 12,7-10; Mc 6,1-6

“Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is?” Met deze woorden wordt er over Jezus gesproken door zijn stadsgenoten. Ook ons kan dat overkomen als we spreken over ons geloof. Wie ben jij dat je mij zult vertellen wat ik zou moeten geloven? Dat is jouw waarheid. Ik heb mijn eigen waarheid. Op het eerste gezicht is de situatie van tegenwoordig te vergelijken met die van tweeduizend jaar geleden. Er is echter een belangrijk verschil. Bij Jezus werd er vooral getwijfeld aan de boodschapper. Wie meent Hij wel dat Hij is? In onze tijd staat de boodschap zelf ter discussie.

In de tijd van Jezus was iedereen ervan overtuigd dat er één waarheid is. Die waarheid moet gezocht worden. Die waarheid bestaat buiten onszelf. Alleen God kent de volle waarheid. Mensen kunnen de waarheid alleen kennen doordat zij aan hen geopenbaard wordt. In onze tijd hebben velen de neiging geheel van zichzelf uit te gaan. Daarmee is de waarheid subjectief geworden, afhankelijk van wat ik ervan vind. Onwrikbare en door ieder gedeelde waarheden bestaan dan niet meer. Dit geldt zowel voor geloofswaarheden als voor wetenschappelijke waarheden. Niet alleen het geloof is in de ogen van velen slechts een mening. Voor velen is dat ook met de wetenschap het geval. Voor zowel geloof als voor wetenschap is het essentieel dat de waarheid iets objectiefs is en niet afhankelijk van de mening van mensen. Mensen kunnen verschillende ideeën over de waarheid hebben. Maar dat neemt niet weg dat er slechts één waarheid bestaat, een waarheid die we op het spoor kunnen komen. Waarheid wordt niet bedacht maar gevonden. Dit geldt zowel voor het geloof als voor de wetenschap.

Zo zijn er meer zaken die wij niet zelf kunnen veroorzaken, niet zelf kunnen maken. Alleen door ervoor open te staan, kunnen we ze ontvangen. Zo wordt het leven ons gegeven. Niemand veroorzaakt zijn eigen leven. Ook liefde is niet iets wat we zelf kunnen maken. Je kunt aardig en vriendelijk doen, maar liefdevol zijn is een gave. Echt grote liefde overkomt je. De liefde voor je partner, de liefde voor je ouders en je kinderen en ook de liefde voor God en voor de medemens: het zijn geschenken. Ook gelukkig zijn is een gave. Geluk is niet maakbaar. Wat we wel kunnen, is dit soort belangrijke zaken kapot maken. Wij kunnen de waarheid ontkennen en leugens verspreiden. We kunnen de liefde kapot maken. We kunnen ons in het ongeluk storten. We kunnen ons zelfs van ons eigen leven beroven. Dit zijn uitersten. Er zijn mildere vormen van tegenwerking. Denk aan onverschilligheid. Denk aan geslotenheid. Denk aan overmoed het allemaal zelf in de hand te hebben.

Op de lagere school leerde ik dat wij met genade moeten meewerken. Dit is nog steeds een belangrijke levensles. Met de genade meewerken betekent, dat we niet passief kunnen afwachten. We moeten op zoek gaan en ons openstellen voor het goede dat het leven ons biedt, voor de waarheid, voor de liefde en voor het geluk. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”. (Joh 14,6) Jezus is de bron van alles wat ertoe doet in ons leven. Leerling van Jezus zijn betekent Hem beschouwen als de basis van ons bestaan.

Leerling zijn van Jezus betekent ook dat we deze schat niet alleen koesteren maar ook gaan delen met anderen. Hij zegt tegen ons: “Maakt alle volkeren tot mijn leerlingen”. (Mt 28,19) Wij worden opgeroepen daadwerkelijk ons geloof te verkondigen. Wij worden opgeroepen in gesprek te gaan met de mensen om ons heen. Het gesprek aangaan met de mensen om ons heen is geen eenvoudige opdracht. Paus Franciscus schrijft regelmatig over het voeren van de dialoog. Hij schrijft: “Ware wijsheid is de vrucht van reflectie, van dialoog en van de edelmoedige ontmoeting tussen mensen.”[i] En: “Samen kunnen we de waarheid zoeken in dialoog, in een ontspannen gesprek of in een heftig debat. Daarvoor is enig doorzettingsvermogen nodig; het brengt zwijgen en lijden met zich mee. Met het nodige geduld kan het de lange ervaring van mensen bijeenbrengen.”[ii] Deze manier van met elkaar in gesprek gaan, vraagt de erkenning dat geen enkele mens de gehele waarheid in pacht heeft. Het vraagt ook de bereidheid open te staan voor hoe de ander de waarheid ziet. Het vraagt een open uitwisseling van ervaringen en ideeën.

Paulus schrijft in zijn brief over de kracht van de zwakte: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.” Het gaat er niet om de ander met kracht van argumenten te overtuigen. Ons eigen zoeken, twijfelen en gelovig stamelen zullen onze gesprekpartner eerder tot nadenken brengen dan stevige leerstellige argumenten en inzichten. Ook Jezus ging er in Nazareth niet met volle kracht tegenaan. Hij genas een klein aantal zieken die Hij de handen oplegde. En Hij ging rond door de dorpen in de omtrek.

Als wij vanuit onze eigen zwakheid naar buiten treden zijn we in staat op uitnodigende en gastvrije wijze onze medemensen tegemoet te treden. Dan zullen zij ervaren en weten – evenals bij Ezechiël – dat wij onze waarheid, onze liefde en ons geluk als een geschenk ervaren en daarin graag anderen laten delen. Amen.


[i] Franciscus, Laudato si’, 47.

[ii] Franciscus, Fratelli tutti, 50.

Solidariteit en gerechtigheid; W 1,13-15.2,23-24; 2 Kor 8,7.9.13.15; Mc 5,21-43

God heeft alles geschapen om te leven. De tekst van de eerste lezing komt uit het boek Wijsheid. Dit boek is geschreven in de eerste eeuw voor Christus. De schrijver leefde in de stad Alexandrië in Egypte. Dat was toen een belangrijk centrum van de Griekse cultuur. De auteur richt zich op de Griekssprekende joden. Zij leven in de diaspora te midden van de heidenen. Hoe moeten zij zich verhouden ten aanzien van de wereld om hen heen. De schrijver zet zich niet alleen af tegen de Griekse cultuur. Hij neemt er ook zaken uit over en plaatst deze in het geloof van het jodendom.

De tekst die wij vandaag hebben gelezen bestaat uit vier zinnen. De eerste twee vormen de afsluiting van het eerste tekstgedeelte van het boek Wijsheid. De tweede twee zinnen vormen de afsluiting van het tweede tekstgedeelte. In het eerste tekstgedeelte gaat het over de gerechtigheid. Gods Geest van wijsheid vervult heel de schepping. Hij heeft de mensen lief. De heilige Geest onderwijst ons en houdt ons af van het kwaad.

De heilige Geest houdt ons op het pad van de gerechtigheid. Dit is de weg van de waarheid, van de liefde en van het leven. Dit is de weg die God voor de mensen heeft gewild. Dit is de weg die leidt tot het volle leven, tot het eeuwig leven. Daartegenover staat de weg die de goddelozen gaan. Hierover schrijft de auteur in het tweede tekstgedeelte. Deze tekst mag dan ruim tweeduizend jaar oud zijn, zij is ook heel herkenbaar voor onze tijd.

In het boek Wijsheid zijn de heidenen de goddelozen, maar ook de joden die teveel de ideeën van de Griekse cultuur volgen. Ook de goddelozen hebben het over gerechtigheid, maar deze verschilt sterk van de gerechtigheid van de Geest van wijsheid. De gerechtigheid van de Geest van wijsheid is gericht op het leven, op de liefde en op de waarheid. Het is een gerechtigheid die gericht is op het recht van de ander.

De gerechtigheid van de goddeloze is gericht op zichzelf. Hier heb ik recht op. Je hoort het ook tegenwoordig met grote regelmaat. Omdat het leven kort is en eindig moet je nu zoveel mogelijk genieten. Je moet feestvieren en voortdurend vrolijk zijn. Je moet ook sterk zijn want zwakheid leidt tot niets. Deze gerechtigheid gaat ten koste van de ander. De zelfgerichtheid leidt tot ledigheid en verslaving. Zij is niet het pad van het leven, maar van de dood en van het kwaad. De zelfgerichtheid gaat niet alleen ten koste van andere mensen. Zij gaat ten koste van heel de scheppin. Zij gaat ten koste van alle leven.

Ook Paulus waarschuwt ons voor zelfgerichtheid. Hij vraagt de christenen van Korinthe om solidair te zijn met de christenen in Jeruzalem. Zij verkeren in slechtere omstandigheden dan de gemeenschap in Korinthe. Gerechtigheid en solidariteit vragen niet dat je alles weggeeft wat je bezit. Het gaat om het delen van jouw overvloed. Paulus schrijft: “Er moet een zeker evenwicht tot stand komen.” Hierna citeert Paulus woorden uit het boek Exodus: “Hij die veel had verzameld, had niet te veel, en hij die weinig had verzameld kwam toch niet te kort.”

Deze tekst komt uit het verhaal over het manna in de woestijn. Er is genoeg manna voor iedereen. Een grote hoeveelheid was niet teveel en een kleine hoeveelheid niet te weinig. Iedereen verzamelde precies wat hij nodig had. Het gaat echter mis als iemand iets wil bewaren, dus zich meer heeft toegeëigend dan nodig is. Dan gaat de overvloed rotten en stinken. God geeft in overvloed, maar wij zijn zelf verantwoordelijk daar op de juiste wijze mee om te gaan.

Dit lezen we ook in de laatste twee zinnen van de lezing uit het boek Wijsheid. God heeft ons naar zijn evenbeeld geschapen en daarmee tot onsterfelijkheid bestemd. Maar door de afgunst, door de zelfgerichtheid keren wij ons af van God. Zo komt het kwaad en de dood in de wereld. Het overvloedig toe-eigenen van het manna leidt tot rotting en tot stank. De zelfgerichtheid is een kwaad dat ten koste gaat van het leven, het leven van onze medemensen en het leven van heel de schepping.

Solidariteit en gerechtigheid leiden ons op de weg van het leven. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Hoezeer Jezus zelf het leven is, zien wij vandaag in het Evangelie. Hij geneest zieken en laat doden weer leven. Als leerlingen van Jezus mogen wij in zijn voetsporen treden. Wij doen dit door naar vermogen bij te dragen aan het leven en het geluk van onze medemensen. Door onze gerichtheid op de ander brengen wij de ander tot leven. Zo gaan wij de weg van de gerechtigheid, de weg van de waarheid en van de liefde. Zo brengen wij de wijsheid die ons geschonken wordt, in de praktijk. Dit brengt ook ons een leven van geluk, een leven in liefde en waarheid, een leven in en met God. Amen.

Ontvankelijkheid, geduld en vertrouwen; Ez 17,22-24; 2 Kor 5,6-10; Mc 4,26-34

Vandaag vertelt Jezus ons twee gelijkenissen: de gelijkenis van de kracht van het zaad en de gelijkenis van het mosterdzaadje. De twee gelijkenissen vormen één geheel met de eerder vertelde gelijkenis van de zaaier. In de gelijkenis van de zaaier gaat het over het zaad dat op de rots valt, tussen de doornen of op goede grond. Afhankelijk van de grond draagt het zaad wel of niet rijke vruchten. In de uitleg die Jezus zelf van deze gelijkenis geeft, vertelt Hij dat het zaad staat voor het Woord. Afhankelijk van de verstaander draagt het Woord vam God wel of niet rijke vruchten.

Vandaag gaat Jezus dieper in op het vrucht dragen door het zaad. Het zaad bezit een enorme kiemkracht. Maar het is niet het zaad alleen: “Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort…”. Het gaat om de combinatie van het zaad en de grond waarin het ontkiemt. Evenals in de gelijkenis van de zaaier gaat het om de combinatie van het Woord en de mensen die het Woord horen. Het zaad is het Woord van God dat een enorme kracht in zichzelf bezit, maar ondanks die grote kiemkracht is de medewerking, de ontvankelijkheid van de mens noodzakelijk om het vrucht te laten dragen.

In de gelijkenis van vandaag voegt Jezus daar nog het een en ander aan toe. Het ontkiemen van het zaad vraagt geduld en vertrouwen. Het gebeurt terwijl de zaaier met andere zaken bezig is. Het vrucht dragen van Gods Woord gebeurt niet van de een op de andere dag. Het is een levenslang proces van groeien in geloof.

Ook Paulus schrijft hierover. Hij schrijft over ons ongeduld. We “zouden liever uit het lichaam verhuizen om onze intrek te nemen bij de Heer.” Waarschijnlijk denkt u, net als ik: zoveel haast heb ik nu ook weer niet. We verlangen naar het goede leven, een leven vol van liefde en geluk. We hopen dat ooit te vinden in een leven geheel opgenomen in God. Maar we zijn ook gehecht aan ons aardse bestaan. Dat geeft ons ook de tijd en de mogelijkheid verder te groeien in geloof, te groeien in de verbondenheid in en met God.

De komst van het Rijk Gods is geen spectaculair gebeuren. Het is een geleidelijk proces: langzaam maar zeker komt het Rijk Gods tot stand. Langzaam groeit het zaad uit tot een vruchtdragende plant. Het uiteindelijke resultaat is wel spectaculair. Dit wordt duidelijk uit de gelijkenis van het mosterdzaadje. Het kleinste zaadje groeit uit tot een enorme struik. Een mosterdzaadje is een millimeter groot. Een mosterdstruik meet enkele meters zowel in hoogte als in breedte. Dat is in het geheel zo’n vijfentwintig miljard keer groter dan het zaadje.

De profeet Ezechiël gebruikt het beeld van een twijgje van een ceder dat door God geplant wordt en uitgroeit tot een machtige boom. En net als in de mosterdstruik zullen vogels in zijn schaduw kunnen nestelen. Het Rijk Gods biedt onderdak en beschutting voor de velen die het moeilijk hebben en bescherming zoeken. Zij kunnen rekenen op Gods barmhartigheid.

De komst van het Rijk Gods is niet zoals een donderslag bij heldere hemel. God overvalt ons niet. Het begint met een klein zaadje, het groeit uit tot een enorme plant en vervolgens komen er vruchten aan de plant. Die vruchten groeien en rijpen en daarna is het pas tijd voor de oogst. “Zodra de vrucht het toelaat slaat hij er de sikkel in…”. Als de vruchten volgroeid en gerijpt zijn wordt er geoogst: Het Rijk Gods komt als een oogstfeest. Het Rijk Gods komt niet op ons af. Het is niet iets dat buiten ons staat. Wij zijn het zelf die door God worden geoogst. Gods Woord komt in ons tot bloei en draagt in ons rijke vruchten. Het mensgeworden Woord van God, Jezus, wil ook mens worden in ons. Jezus wil ook in ons geboren worden. Als leerlingen van Jezus verbinden wij ons met Hem, doordat Hij zich met ons heeft verbonden.

Tenslotte is er nog de slotzin van de Evangelielezing: “Anders dan in gelijkenissen sprak Hij niet tot hen, maar eenmaal met zijn leerlingen alleen gaf Hij van alles uitleg.” Wat moeten we hiermee. Vertelde Jezus iets aan de leerlingen, wat wij niet mogen weten? Waarom schrijft Marcus niet over deze uitleg die de leerlingen krijgen? Uit niets blijkt dat er een geheim is, dat de leer van Jezus geheimen bevat. Integendeel Jezus is zelf de openbaring van God. Wel lezen we met grote regelmaat dat de leerlingen Jezus niet begrijpen. Jezus verkondigt zijn leer in gelijkenissen op een verstaanbare wijze. Het kunnen verstaan van de boodschap van Jezus is niet op de eerste plaats een kwestie van met ons verstand kunnen begrijpen. Het kunnen verstaan is hier op de eerste plaats een kwestie van openstaan voor het mysterie.

De boodschap van Jezus is niet in strijd met logica en rationaliteit, maar gaat wel verder dan dat. Het gaat verder dan wat wij met ons verstand kunnen begrijpen. Naast verstandelijk begrijpen is er ook sprake van geloof, hoop en liefde. Geloof, hoop en liefde zijn geen logische, geen rationele zaken. Geloof, hoop en liefde vragen ontvankelijkheid en vertrouwen. Geloof, hoop en liefde vragen om een persoonlijke relatie. Het lijkt mij dat Jezus juist hieraan werkte als Hij met zijn leerlingen alleen was. Dit geldt nog steeds. Geloofsoverdracht is niet alleen een zaak van onderricht. Het vraagt ook ontvankelijkheid en vertrouwen en het opbouwen van een relatie, een relatie met elkaar en een relatie met Jezus. Ook dat vraagt kiemkracht, geduld en tijd om te groeien. Amen.

Mede-erfgenaam; Dt 4,32-34.39-40; Rom 8,14-17; Mt 28,16-20

Vlak voordat het volk van Israël het beloofde land binnen zal trekken, spreek Mozes hen toe. Na de uittocht uit Egypte en een tocht van veertig jaar door de woestijn herinnert Mozes hen aan de grote daden die God verrichtte, hoe God zich met de mensen heeft verbonden. Deze God, de Schepper van hemel en aarde is de God van Israël. Wanneer zij zijn geboden onderhouden, zullen zij gelukkig zijn.

Paulus schrijft over de rol van de heilige Geest. De heilige Geest laat ons leven naar Gods wil en Gods geboden onderhouden. Door de heilige Geest weten wij dat we kinderen van God zijn. Doordat we kinderen van God zijn, zijn we samen met Jezus Christus ook erfgenamen van God. Met Jezus delen wij de lasten van het menselijke bestaan, het lijden en sterven. Met Hem delen wij ook in de liefde van God voor zijn Zoon. Zoals de Vader zijn eniggeboren Zoon liefheeft, zo heeft God ook ons lief. Wij delen met Jezus het aardse geluk. Met Hem delen wij ook in de verheerlijking en het geluk van het eeuwig leven. Uit de gelijkenis van de verloren zoon weten we wat het betekent om erfgenaam te zijn. Hier zegt de vader tegen de oudste zoon: “Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou.” (Lc 15,31)

In dit licht mogen wij ook de woorden Jezus tot zijn leerlingen zien. “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen.” Alle mensen moeten weten dat zij kinderen van God mogen zijn. Leerling zijn van Jezus is delen in zijn leven, is mede-erfgenaam zijn. Mede-erfgenaam zijn is samen met Jezus leven vanuit de liefde van God. Dat doet ons delen in zijn lijden en in zijn verheerlijking. Dat maakt ons ook deelgenoot in zijn zending. Jezus is alle macht in de hemel en op aarde gegeven. Met die macht stelt Hij ook ons in staat het werk te doen waartoe Hij gezonden is.

Het maakt niet uit of wij ons twijfelend of uit volle overtuiging in aanbidding neerwerpen: alle leerlingen van Jezus delen in zijn zending, zijn missie. Wij zijn mede-erfgenaam. Wij zijn daarmee ook medeverantwoordelijk. Het maakt ook niet uit dat we niet meer of nog niet compleet zijn. Van de twaalf leerlingen gaan er elf naar Galilea. Judas heeft hen verlaten. Het getal twaalf staat in de Bijbel maar ook daarbuiten voor compleetheid. Denk aan de twaalf maanden in een jaar. Denk aan de klok.

Ook al heeft Jezus als Zoon van God alle macht, toch doet Hij een beroep op ons. Hij geeft ons geen opdracht vanuit een machtspositie. Het is zoals Paulus schrijft: “De Geest die gij ontvangen hebt is er niet een van slaafsheid die u opnieuw vrees zou aanjagen.” Jezus geeft ons geen bevel. Hij vraagt ons om onze medewerking. Jezus vraagt ons samen met Hem en in gemeenschap met elkaar deze taak op ons te nemen. “Ziet, Ik ben met u, alle dagen, tot aan de voleinding der wereld.”

God heeft hemel en aarde geschapen. In en door Jezus Christus is alles herschapen en verlost van het kwaad. Het brengen van de schepping naar de voltooiing is een gezamenlijk project van God en de mensen. Het herscheppen is een voortgaand proces. Hiertoe heeft Jezus ons zijn Geest geschonken. Hij geeft ons het inzicht en de wijsheid, de kracht en liefde die nodig is om dit gezamenlijke project tot een goed einde te brengen. De uitvoering van dit gezamenlijke project is geen kwestie van macht of van dwang. Dit kan alleen op basis van vrijwilligheid en van persoonlijke overtuiging. Wij mensen hebben een vrije wil. Wij zijn geroepen zelf de keuze te maken.

De heilige Geest maakt ons vrij. Hij zorgt ervoor dat wij niet vervallen in zonde en verslaving. Hij behoedt ons voor onze zwakte, onze begeerten en onze zelfgerichtheid. Hij zorgt ervoor dat wij in vrijheid God kunnen aanroepen als onze Vader. God aanroepen als onze Vader zegt veel over de relatie tussen God en ons. Het is een relatie van liefde. Hem Vader noemen wijst op respect en ontzag, maar tegelijkertijd ook op vrijmoedigheid en vertrouwdheid. God onze Vader noemen betekent ook dat wij elkaar als broeders en zusters zien. De heilige Geest maakt ons tot een gemeenschap: een gemeenschap van mensen en een gemeenschap in en met God.

De drie-ene God heeft alles geschapen. Vanaf het eerste begin heeft God zich met zijn schepping verbonden. Gaandeweg heeft Hij zich aan ons mensen geopenbaard. In Jezus Christus werd deze openbaring compleet. De heilige Geest wordt ons gegeven om God steeds beter te leren kennen. Hij helpt ons de oproep van Jezus aan ons uit te voeren en zo in een gezamenlijk project van God en mensen de schepping tot zijn voltooiing te brengen.

Zo worden wij opgenomen in de heilige Drie-eenheid: één God in drie personen. De heilige Drie-eenheid die een volmaakte liefdesgemeenschap is. De voltooiing van de schepping, de komst van het Rijk Gods betekent dat heel de schepping wordt opgenomen in deze liefdesgemeenschap van Vader, Zoon en heilige Geest. Amen.

In de wereld zijn; 1 Joh 4,11-16; Joh 17,11b-19

“Zij zijn niet van de wereld zoals Ik niet van de wereld ben.” In het Evangelie van vandaag horen we dit Jezus twee keer zeggen; “Zij zijn niet van de wereld zoals Ik niet van de wereld ben.” Wat moeten wij met deze uitspraak van Jezus? Wat betekent het voor ons? Net als ik heeft ook u daar ongetwijfeld een eerste gevoel bij. En het is zeker niet slecht om zo’n intuïtie te volgen. Wij zijn leerlingen van Jezus en hebben enig idee van zijn manier van spreken. Dat geeft een gezonde basis aan ons aanvoelen. Vandaag wil ik echter een stap verder gaan en er wat dieper induiken.

Allereerst is daar het woord ‘wereld’. Het woord ‘wereld’ komt in de Bijbel minder vaak voor dan je je zou kunnen verwachten. Het woord ‘wereld’ wordt vooral door de apostel Johannes gebruikt. Hij doet dat in het Evangelie dat door hem is geschreven en in zijn eerste brief waaruit we vandaag ook hebben gelezen. Wat opvalt is dat het woord ‘wereld’ meestal een negatieve bijklank heeft. Dit is ook vandaag het geval: de wereld heeft de leerlingen gehaat. En Jezus bidt dat ze bewaart worden voor het kwaad. Dat kwaad hangt blijkbaar samen met de wereld.

Wij gebruiken het woord wereld in verschillende betekenissen. Van Dale geeft er twintig. Ik zal ze niet allemaal noemen. Een van die twintig betekenissen is: het aardse bestaan, het leven hier en nu. Hierbij wordt ook verwezen naar teksten van Johannes. Het gaat dan om het aardse bestaan tegenover het hemelrijk, de mensenwereld tegenover de wereld van God, de gebrokenheid en zondigheid tegenover de volmaaktheid. Johannes schrijft dat Jezus in de wereld is gekomen en dat Hij de wereld weer zal verlaten. Ook daaruit blijkt een duidelijk onderscheid tussen de wereld van God en ons aardse bestaan: de wereld van de mensen.

Toen Johannes deze teksten schreef, was dit onderscheid er ook fysiek. Het wereldbeeld was toen: wij mensen leven hier op aarde, een aarde die plat is en over die platte aarde staat een grote koepel en boven die koepel is de hemel en daar woont God. Jezus was uit die hemel gekomen en daar ging Hij ook weer naar terug. In onze tijd kennen wij dit fysieke onderscheid niet. We hebben een op de wetenschap gebaseerd beeld van de wereld. Wij moeten het daarom doen met een abstracte interpretatie van dit onderscheid: de gebrokenheid van het menselijk bestaan aan de ene kant en de volmaaktheid van God aan de andere kant.

Jezus spreekt op een negatieve manier over het menselijk bestaan. Dit menselijk bestaan wordt getekend door het kwaad en de zondigheid. Ook als we vandaag om ons heen kijken, komen we tot die conclusie. Het is niet alleen liefde en vrede in onze wereld; er zijn ook vele misstanden waarachter echt kwaad schuil gaat.

Wij mensen – en dat geldt ook voor ons als leerlingen van Jezus – zijn innig met deze wereld verbonden. Wij maken hoe dan ook deel uit van deze wereld. Wij zijn er in geboren. Deze wereld bestaat mede uit ons. En dat geldt ook voor de mensgeworden Zoon van God. Toch zegt Jezus dat én Hijzelf én wij – als zijn leerlingen – niet van deze wereld zijn. Wij zijn wel in de wereld maar niet van de wereld. Ook al zijn wij innig met de wereld verbonden, we hoeven ons niet te laten tekenen door het kwaad. Dat heeft Jezus ook niet gedaan. Hij was geheel aan de mensen gelijk, maar niet in de zonde.

God is de Schepper van alles. Hij heeft heel deze wereld geschapen. De wereld is van oorsprong goed. Toch is het kwaad de wereld binnengedrongen en kreeg haar in haar macht. Door het bevrijdende werk van Jezus is de wereld herschapen. De macht van het kwaad is gebroken. Het kwaad bestaat zeker nog, maar wij hoeven er niet aan toe te geven.

Aan het begin van zijn openbare leven zegt Jezus tegen Nikodemus: “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.” Jezus kwam in de wereld niet om haar te oordelen, maar haar te redden. Met zijn leven, zijn lijden en sterven heeft Hij het kwaad overwonnen. Wij zijn niet langer geknecht door het kwaad.

Op deze wijze zijn wij in de wereld maar niet van de wereld. Ons leven is gericht op God, is gericht op een betere wereld. Dit betekent niet dat wij de wereld moeten verachten of moeten proberen zo snel mogelijk haar te verlaten om in de hemel te komen. Sterker nog Jezus stuurt ons juist de wereld in om te getuigen van de waarheid. Uit liefde voor de wereld kwam Hij in de wereld en stuurt Hij ons de wereld in. Ook daarin mogen wij Jezus navolgen. Hij kwam in de wereld als het ware Licht, het Licht dat iedere mens verlicht. Meer dan eens schrijft Johannes dat Jezus het Licht der wereld is.

Vorige week hoorden we Jezus zeggen: “Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt.” Door elkaar lief te hebben zijn ook wij een licht in de wereld. Door elkaar lief te hebben, getuigen ook wij van de waarheid. Door elkaar lief te hebben weerstaan wij het kwaad. In zijn eerst brief schrijft Johannes: “als wij elkaar liefhebben woont God in ons en is zijn liefde in ons volmaakt geworden.” “God is liefde.” Als wij elkaar liefhebben leven wij in de wereld van God. Als wij elkaar liefhebben verandert onze wereld in de wereld van God. Met de liefde brengt God ons een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Door de Geest van liefde zal alles worden herschapen. Amen.

Zorg voor het eigen huis

Onlangs is ons huis opnieuw geschilderd en zijn de platte daken vernieuwd. Voorlopig kan het huis er weer even tegen. Dat is niet onbelangrijk. De plek waar we wonen en ons thuis voelen, speelt een belangrijke rol in ons leven. Het is de plek waar je je veilig voelt en beschut weet. Dat gaat verder dan primaire levensbehoeften. Je richt je huis in naar je eigen smaak, zodat het een aangename plaats is waar je je op je gemak voelt. Je gaat je ook hechten aan je huis. Een thuis is meer dan alleen een materiële zaak.

Het thuisgevoel beperkt zich niet tot je woning. Het geldt ook de straat, de buurt, de stad of het dorp waar je woont en voor de kerk die je bezoekt. In groter verband geldt het ook voor de streek en het land waar je woont. Al die verschillende vormen van thuis kennen een vorm van vertrouwdheid en gehechtheid. Bij elke vorm van thuis voel je je ook medeverantwoordelijk voor het in stand houden ervan. Bij je eigen huis is dat heel concreet. Bij de grotere verbanden zijn er verschillende verplichte en vrijwillige manieren van bijdragen aan de instandhouding van het gezamenlijke huis.

De meeste ruime vorm van een gemeenschappelijk huis is de aarde die we als mensheid bewonen. In 2015 schreef paus Franciscus de encycliek Laudato si’ (Geprezen zijt Gij). De paus roept ons op in verbondenheid met elkaar verantwoordelijkheid te nemen voor ons gemeenschappelijk huis. Hij roept ons op te zorgen voor de schepping. God heeft ons de aarde gegeven om er te wonen, om er veilig en gelukkig te zijn, om er werkelijk mens te zijn. Wij mensen zijn niet alleen uit het stof van de aarde gemaakt; we hebben de aarde ook nodig om ons te voeden met haar vruchten en we hebben grond nodig om ons te vestigen en te wortelen. Een plaats om je volledig te kunnen ontplooien, om binnen een gemeenschap tot een goed en gelukkig mens uit te kunnen groeien is van essentieel belang voor ons mensen.

Ons huis is er om te gebruiken, om ervan te genieten, maar niet om het te verbruiken. Niemand stopt zijn voordeur in de kachel om zich zo te warmen. Ook voor de aarde geldt dat wij haar mogen gebruiken, maar niet verbruiken. We moeten voor de aarde zorgen, zoals we voor ons eigen huis doen.

Ook gepubliceerd op Kerk en Milieu en in het maandblad van de KBO Voorburg, Contact mei 2021.

“Ik ben de goede herder”; Hnd 4,8-12; 1 Joh 3,1-2; Joh 10,11-18

“Ik ben de goede herder.” Jezus noemt zichzelf de goede herder. Hij stelt de goede herder tegenover de huurling, die geen hart heeft voor de schapen. Wij doen dit zelf ook vaak om iets aan een ander duidelijk te maken. Als we uitleggen wie we zijn en wat we doen, vertellen we wie we niet zijn en wat we niet doen. De tegenstelling gebruiken we dan om het beeld van onszelf te verduidelijken en af te bakenen.

Het goed om de huurling eens nader te bekijken; wie is hij en wat doet hij? Dat maakt duidelijk waarom Jezus geen huurling is, maar de goede herder. De huurling is geen slecht mens. Hij is een dagloner, die voor korte tijd, bijvoorbeeld één of twee nachten, de taak van de herder op zich neemt. In onze tijd zouden het over een uitzendkracht of een zzp’er hebben, die tijdelijk een bepaalde taak op zich neemt. Deze persoon verdient zo op een respectabele manier de kost. Hij houdt ongetwijfeld van schapen en van het omgaan met dieren. Maar hij is een voorbijganger. Hij is voor tijdelijk. Daardoor is hij niet in staat een relatie met de schapen op te bouwen. Hij kent deze schapen niet en zij kennen hem niet.

De goede herder wordt door de schapen herkend. Zij luisteren naar zijn stem. Daarmee onderscheidt de herder zich van de huurling die niet herkend wordt. De goede herder onderscheidt zich van de huurling omdat hij een relatie met de schapen aangaat. “Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij.” Er ontstaat een verbondenheid tussen de schapen en de herder. Net als de huurling houdt de herder van schapen en van dieren in het algemeen, maar met deze specifieke schapen is hij een relatie aangegaan. Hij houdt van deze schapen. Dus gaat hij ook op zoek naar dat ene schaap dat verdwaald is. Dat zal de huurling niet doen. De kans is te groot dat dan de hele kudde verdwaalt. En dan heeft hij zijn werk slecht gedaan. Hij weet niet hoe de kudde zich zal gedragen als hij ze alleen laat.

Ook in dit verhaal is liefde het sleutelwoord. De liefde van God voor ons is het centrale thema van de brief van Johannes. De apostel Johannes leert ons: “God is liefde.” De wereld begrijpt het niet. De wereld begrijpt niet dat wij kinderen van God zijn, dat zijn liefde voor ons eindeloos is. De wereld begrijpt niet dat zijn liefde voor ons ons in staat stelt van onze medemensen te houden. Gods liefde stelt ook Petrus en Johannes in staat een lamme te genezen. Liefde past echter niet in het denken van de overheden en de oudsten. Liefde geeft gedoe. Liefde verstoort de orde. Dus worden Petrus en Johannes – zoals we in de eerste lezing zien – ter verantwoording geroepen.

In onze huidige tijd is dat niet anders. Voor managers heeft liefde geen waarde. Ook nu is gedoe ongewenst en mag de orde niet verstoord worden. Alles moet volgens de procedures verlopen en uitzonderingen zijn lastig. Het gaat om het geheel en daarbij wordt geaccepteerd dat er zo nu en dan mensen tussen de wielen raken. Zo nu en dan raakt er een schaap verdwaald. Jammer, maar helaas. Dat is niet alleen het geval bij de belastingdienst. We zien het op vele plaatsen in onze samenleving. Ik heb dit destijds van dichtbij meegemaakt in het bedrijfsleven. Daar gaat het tegenwoordig vooral om de belangen van de aandeelhouders. De belangen van de medewerkers en de klanten zijn daaraan ondergeschikt. Voor betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheid van mensen is weinig ruimte. Het gaat om controleerbaarheid en handelen volgens procedures. Zo worden mensen gedwongen zich als huurlingen te gedragen.

Vandaag is het roepingenzondag. Wij allen zijn geroepen tot een christelijk leven, tot een leven waarin de liefde centraal staat. Vandaag bidden we speciaal voor roepingen tot het priesterschap, het diaconaat en het godgewijde religieuze leven. We bidden om mensen die zich geroepen weten op speciale wijze liefdevol te leven als herder of als dienaar.

Ik raad u aan ook nog op onze website te kijken. Daar vindt u de video van het ‘Leef- en geloofmoment’ van pastoor Bakker. Bij het beeld van goede herder vertelt hij over Jezus als de goede herder, over de liefde van de goede herder voor zijn schapen. De goede herder roept ons op om zijn voorbeeld te volgen, om lief te zijn voor onze medemensen zoals Hij dat is. God roept ook enkelen op om op speciale wijze Jezus als priester, als diaken of als religieus te volgen. Jezus, onze goede herder, heeft mensen nodig om zijn liefde te verkondigen en gestalte te geven in onze wereld. Als leerlingen van Jezus zijn wij allen geroepen om ons herders en dienaren voor elkaar te zijn. In heel ons leven, in al ons doen en laten moet de liefde centraal staan.

Bidden we daarom vandaag niet alleen om roepingen, Maar bidden we ook om een samenleving waarin mensen in staat worden gesteld liefdevol te handelen en niet gedwongen worden zich als huurlingen te gedragen. Amen.

Vrede en verzoening

De vorige video ging over dialoog. Iedere vorm van dialoog staat in dienst van de vrede. Paus Franciscus schrijft in Fratelli tutti: “Het doel van dialoog is om vriendschap, vrede en harmonie tot stand te brengen en om morele en spirituele ervaringen in een geest van waarheid en liefde met elkaar te delen.” (FT 271) Vandaag gaat het over vrede. Wat zegt de sociale leer van de Kerk ons over vrede? Vrede is meer dan het ontbreken van oorlog. Vrede is de vrucht van liefde en rechtvaardigheid. Vrede begint in de harten van de mensen en komt niet door oorlog tot stand.

De opkomst van atoomwapens was voor Paus Johannes XXIII mede aanleiding de vredesencycliek ‘Pacem in terris: Vrede op aarde’ te schrijven. Hij schrijft: “Steeds sterker wordt in onze tijd de overtuiging, dat eventuele conflicten tussen de volken niet door de wapens, maar door onderhandelingen en overeenkomsten moeten worden opgelost.” (PiT 126) “Het is ondenkbaar, dat in ons atoomtijdperk de oorlog nog het geschikte middel zou kunnen zijn om de geschonden rechten te herstellen.” (PiT 127) Voor de samenleving van de naties gelden dezelfde waarden als voor de relaties tussen mensen: waarheid, rechtvaardigheid, actieve solidariteit en vrijheid. Het Tweede Vaticaans Concilie veroordeelt de oorlog. Alleen als alle pogingen tot vreedzame onderhandelingen zijn uitgeput, is zelfverdediging toegestaan. Paus Johannes Paulus II roept op tot internationale structuren en algemene procedures om spanningen tussen verschillende gemeenschappen die de internationale veiligheid bedreigen, op te lossen. Hij verwerpt het idee dat rechtvaardigheid door oorlog bereikt kan worden. Paus Benedictus XVI benadrukt in ‘Caritas in veritate: Liefde in waarheid’ de relatie tussen vrede en de eerlijke verdeling van natuurlijke hulpbronnen en aardse goederen.

In de encycliek ‘Fratelli tutti: Allen broeders’ schrijft paus Franciscus uitgebreid over vrede en verzoening. Hij schetst een sombere situatie. Het eerste slachtoffer van elke oorlog is onze aangeboren roeping tot broederschap. Onze wereld zit gevangen in een merkwaardige tegenstrijdigheid: wij denken stabiliteit en vrede te garanderen met een vals gevoel van veiligheid gebaseerd op een mentaliteit van angst en wantrouwen. (FT 26) In de huidige wereld vervaagt het gevoel tot dezelfde menselijke familie te behoren. De droom samen rechtvaardigheid en vrede op te bouwen lijkt een utopie van andere tijden. (FT 30)

De paus is zeker niet zonder hoop. Hij ziet wegen naar vrede. Als we ervan uitgaan dat er rechten voortvloeien uit onze onvervreemdbare menselijke waardigheid, kunnen we de uitdaging aangaan ons een nieuwe mensheid voor te stellen. We kunnen streven naar een wereld die land, thuis en werk biedt voor iedereen. Dit is de ware weg naar vrede. (FT 127) Universele broederschap en sociale vrede komt er niet zonder goede politiek. (FT 176) Sociale vrede vraagt hard werken en vakmanschap. De integratie van verschillen is moeilijk en gaat langzaam, maar het is de garantie voor een echte en duurzame vrede. Waar het om gaat, is het initiëren van processen van ontmoeting, processen die een volk opbouwen dat verschillen kan accepteren. Laten we onze kinderen uitrusten met de wapens van de dialoog! Laten we ze de goede strijd van de ontmoeting leren! (FT 217)

Een hernieuwde ontmoeting is niet terugkeren naar de tijd van voor de conflicten. Zij die elkaar heftig hebben bestreden, moeten spreken vanuit een heldere en duidelijke waarheid. Ze moeten zich oefenen in een mentaliteit van boetvaardigheid. Alleen vanuit de historische waarheid komt men tot de bestendige inspanning elkaar te begrijpen en in ieders belang te streven naar nieuwe inzichten. (FT 226) Waarheid, gerechtigheid en barmhartigheid zijn onafscheidelijk van elkaar. Samen zijn ze essentieel om tot vrede te komen. (FT 227)

De weg naar de vrede vereist geen uniformering van de samenleving maar wel om samenwerking om met elkaar het algemeen welzijn na te streven. (FT 228) Het overwinnen van onze verdeeldheid zonder ieders eigen identiteit te verliezen vraagt een basaal gevoel van saamhorigheid. (FT 230) Het opbouwen van sociale vrede in een land is nooit klaar. Het vraagt ieders inzet om de eenheid van de natie op te bouwen en om ondanks verschillen tot een vreedzame samenleving te komen. Dit vraagt continue stimulering van de ‘cultuur van ontmoeting’, een centrale plaats voor de menselijke waardigheid en het algemeen welzijn in alle politieke, sociale en economische activiteiten. (FT 232)

De paus wijst op de noodzaak van vergeving en verzoening. Sommigen hebben het liever niet over verzoening, omdat ze denken dat conflicten, geweld en breuken deel uitmaken van het normale functioneren van een samenleving. Anderen stellen dat vergeving neerkomt op het afstaan van eigen terrein en invloed aan anderen. Weer anderen zien verzoening als een teken van zwakte. (FT 236) Het Evangelie leert ons om “zeventig maal zeven maal” te vergeven (Mt 18,22). (FT 238) Ook zegt Jezus: “Denkt niet, dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; Ik ben geen vrede komen brengen, maar het zwaard.” (Mt 10,34) Hiermee zegt Jezus ons trouw te blijven aan onze keuze Hem te volgen en ons daarvoor niet te schamen, ook niet als dit tegenstand oplevert en als onze geliefden zich ertegen verzetten. We moeten het conflict niet zoeken maar onvermijdelijke conflicten wel verdragen. We mogen onszelf niet ontrouw worden uit respect voor anderen en om de lieve vrede te bewaren. (FT 240) We mogen ook niet onze eigen rechten ontkennen door vergeving te schenken aan corrupte bestuurders, criminelen of mensen die onze waardigheid aantasten. Zij die lijden onder onrechtvaardigheid, moeten hun rechten en die van hun familie krachtig verdedigen. (FT 241)

We moeten niet de woede voeden die onze eigen ziel en de ziel van ons volk verziekt, of geobsedeerd raken door wraak en vernietigingsdrang. Daarmee komt niemand tot innerlijke rust en een normale manier van leven. (FT 242) Het is zeker niet gemakkelijk de door conflicten nagelaten bittere erfenis van onrechtvaardigheid, vijandigheid en wantrouwen te overwinnen. Dat kan alleen doordat het kwaad door het goede overwonnen wordt (vgl. Rom 12,21) en door de deugden van verzoening, solidariteit en vrede te beoefenen. (FT 243) Als conflicten stilgezwegen worden in plaats van opgelost, maakt het zwijgen ons medeplichtig aan ernstige misdaden en zonden. Echte verzoening komt tot stand door dialoog en transparante, oprechte en geduldige onderhandelingen zonder het conflict te mijden. (FT 244)

Oorlog is een voortdurende bedreiging. (FT 256) Oorlog is de ontkenning van alle rechten en een dramatische aanslag op het milieu. (FT 257) De Catechismus van de Katholieke Kerk spreekt over de mogelijkheid van een legitieme verdediging met militair geweld. Door de ontwikkeling van nucleaire, chemische en biologische wapens en de enorme mogelijkheden van nieuwe technologieën heeft de oorlog een oncontroleerbare vernietigende kracht gekregen, die vele onschuldige burgers treft. We kunnen oorlog niet meer zien als een oplossing, omdat de risico’s waarschijnlijk altijd groter zullen zijn dan de beoogde resultaten. Daarom is het tegenwoordig zeer problematisch om te spreken van een mogelijke ‘rechtvaardige oorlog’. (FT 258) Daarbij komt dat de globalisering tot een keten van schermutselingen leidt die uiteindelijk de hele planeet treft en de weg vrijmaakt voor nieuwe en ergere oorlogen. (FT 259) Het is onzinnig te denken dat de oorlog nog als een instrument van rechtvaardigheid kan worden gebruikt. (FT 260) Elke oorlog laat de wereld slechter achter. (FT 261) Internationale vrede en stabiliteit kunnen niet gebaseerd zijn op de dreiging van wederzijdse uitschakeling of totale vernietiging of op het handhaven van een machtsevenwicht. De toenemende onderlinge afhankelijkheid en de globalisering vragen om antwoorden gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Dat komt alleen tot stand door een dialoog gericht op het algemeen welzijn. (FT 262)

Deze tekst is uitgesproken en op 1 april 2021 op video gezet.
Zie www.rkvlietstreek.nl.

“Vrede zij u.” Hnd 4,32-35; 1 Joh 5,1-6; Joh 20,19-31

Vandaag gaan de lezingen over een aantal essentiële zaken in ons leven. Het gaat over eigendom, het gaat over liefde, het gaat over vrede, het gaat over vergeving en het gaat over geloof. Het gaat over leven en geloven, het gaat over gelovig leven.

Sinds de zomer van vorig jaar worden er door het pastoraal team video’s gemaakt onder de titel: Leef- en geloofmoment. Hierin proberen wij antwoorden te geven op de vragen: Hoe leiden we een gelovig leven en hoe hebben we een levend geloof? Als u dat nog niet gedaan hebt, bekijk ze eens op onze website. Zelf verzorg ik daarin een serie ‘Zorg voor de schepping’ en een serie ‘Kerk en maatschappij’. In beide series gaat het over ons dagelijks leven. Hoe nemen wij deel aan de maatschappij? Hoe gaan we om met de schepping? Hoe verhouden wij ons tot onze medemensen?

De tweede lezing van vandaag reikt ons een belangrijke sleutel aan tot het beantwoorden van deze vragen. Wij zijn kinderen van God. Wij leven vanuit de liefde van God voor ons. Vandaag en de komende weken lezen we uit de eerste brief van Johannes. Over vijf weken lezen we de centrale woorden uit deze brief: ‘God is liefde’. Jezus zei tijdens het Laatste Avondmaal van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” God is liefde. Gods Zoon is het leven zelf. Leven en liefde zijn de grote geschenken die God ons geeft. Zij vormen de basis van ons bestaan. Hieruit leven wij. Als wij leven vanuit Gods liefde is het vanzelfsprekend dat wij – als kinderen van God – onze medemensen liefhebben, dat wij hen zien als onze broeders en zusters. Zo vormt de liefde de basis voor ons handelen. Onze plaats in de maatschappij en onze verhouding tot onze medemensen wordt bepaald door de liefde die God ons geeft.

In de eerste lezing gaat het over eigendom. Wat voor het leven en de liefde geldt, geldt voor alles in ons leven. Niets is louter onze eigen prestatie, louter onze eigen verdienste. Alles is in eerste instantie een geschenk van God aan ons. God geeft ons het leven en Hij geeft ons zijn liefde. Hij geeft ons de aarde met alles wat daarbij hoort, om te kunnen leven. Wij mogen voor dit geschenk, voor de schepping zorgen en haar verder ontwikkelen en vormgeven. Bezit en eigendom zijn menselijke constructies. Het zijn afspraken om de samenleving te ordenen en in goede banen te leiden. Eigendom is geen absoluut begrip. Ons bezit is niet exclusief van en voor ons. Ons bezit is er om er iets goeds mee te doen. Bezit maakt verantwoordelijk. De eerste christenen waren één van hart en één van ziel. Dat betekende voor hen dat ze hun bezit met elkaar deelden. Bezit staat ten dienste van een rechtvaardige verdeling van wat de aarde ons biedt. Met ons bezit kunnen wij bijdragen aan het geluk van anderen. Vandaag is het de zondag van de goddelijke barmhartigheid. Gods liefde en barmhartigheid voor ons nodigt ons uit barmhartig te zijn voor anderen. De werken van barmhartigheid zijn vormen van het delen van de geschenken die wij ontvangen hebben: liefde, aandacht, tijd en materiële zaken.

In het Evangelie gaat het over vrede, vergeving en geloof. Het geloof zet ons bestaan in een bepaald perspectief. Door het geloof weten wij dat God liefde is en dat Hij ons het leven geeft. Het geloof bepaalt hoe wij in de wereld staan en hoe wij ons leven leven. De heilige Geest laat ons leven in liefde en geloof. Hij is het goddelijke vuur in ons. Hij bezielt ons en laat ons leven zoals God dat van ons vraagt. De heilige Geest zorgt ervoor dat wij ons verbinden met God, dat wij leven vanuit Gods liefde voor ons. In de Evangelielezing van vandaag klinken drie keer de woorden: “Vrede zij u.” Onze zending in de wereld is direct met deze woorden van Jezus verbonden. Na het tweede “Vrede zij u.” zegt Jezus: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft zo zend Ik u.” De vrede die Jezus ons brengt mogen wij op onze beurt anderen brengen. Onze roeping is boodschappers en stichters van de vrede te zijn.

Direct verbonden met het brengen van vrede is de vergeving. De heilige Geest vervult ons met Gods liefde. Hij stelt ons in staat elkaar te vergeven. Vergeving en verzoening zijn voorwaarden om tot vrede te komen. Vrede is meer dan het ontbreken van oorlog. Vrede is de vrucht van liefde en rechtvaardigheid. Vrede begint in de harten van de mensen. Alleen als we elkaar zien als broeders en zusters is werkelijke vrede mogelijk. Verzoening en vergeving vraagt samen de situatie onder ogen te zien. De gedane zaken moeten met elkaar besproken worden. Het leed dat aangedaan is, moeten we niet verstoppen en vergeten; het aangedane leed moet juist duidelijk vastgesteld worden. Dat maakt het mogelijk om het leed te verwerken. Dat maakt het mogelijk elkaar weer aan te kijken. Dat opent de weg naar verzoening en vergeving. Dat opent de weg naar vrede. Komende week spreek in mijn video uitgebreider over vrede en verzoening.

Op deze zondag van de goddelijke barmhartigheid hebben wij in het bijzonder aandacht voor de mensen in de gevangenis. Ook zij zijn onze broeders en zusters. Ook met hen willen wij één van hart en één van ziel zijn. Zij mogen delen in de liefde die God ons schenkt, en in de vrede die Jezus alle mensen brengt. Amen.

Dialoog

De verkiezingen zijn achter de rug. Nu moet er een nieuwe regering gevormd worden. Verschillende partijen moeten het met elkaar eens worden. Daarvoor gaan zij met elkaar in gesprek. Hoe kom je tot een gezamenlijk standpunt, tot een gezamenlijk idee om de toekomst in te gaan?

In onze samenleving is het gebruikelijk dat je daarvoor met elkaar in discussie gaat en met elkaar onderhandelt. Door discussie probeer je de ander te overtuigen van jouw gelijk. En door onderhandeling probeer je zoveel mogelijk van jouw gelijk gerealiseerd te krijgen. Jouw gelijk gaat hierbij vaak ten koste van het gelijk van de ander. We hebben tegenwoordig de neiging om alles als een wedstrijd te zien. De media spelen hierin zeker een rol. Politieke verslaggevers gedragen zich soms als sportverslaggevers.

Een andere wijze van met elkaar in gesprek gaan is de dialoog. Paus Franciscus heeft hier de afgelopen jaren het nodige over geschreven. In zijn brief ‘Evangelii gaudium’ komt het woord dialoog negenenvijftig keer voor en in de encyclieken ‘Laudato si’’ en ‘Fratelli tutti’ respectievelijk vijfentwintig en vijftig keer. Vandaag hebben we het over dialoog.

Allereerst zien we een ontwikkeling in de sociale leer van de Kerk. Binnen de Kerk vormen de menselijke waardigheid en de liefde steeds meer de basis voor het denken over de menselijke samenleving. Paus Johannes XXIII gaf aan de menselijke waardigheid een centrale rol. Ieder mens is een persoon, een wezen begaafd met verstand en vrije wil. Iedereen heeft rechten en plichten direct verbonden met het mens-zijn. Essentieel voor het menselijk bestaan is de relatie met de medemens. Paus Johannes Paulus II werkte dit verder uit. Hij benadrukt dat Jezus Christus voor iedereen mens geworden is. Met zijn leven, zijn lijden en sterven is Hij er voor alle mensen. Het gaat niet alleen om iedere mens; het gaat ook om de hele mens, om het hele leven vanaf het eerste begin tot de natuurlijke dood. Paus Benedictus XVI schreef de encycliek ‘Deus caritas est: God is liefde’. Hiermee wordt de centrale plaats van de liefde in ons geloof benadrukt. In zijn encycliek ‘Caritas in veritate: Liefde in waarheid’ schrijft hij: “Liefde is de rode draad die door de sociale leer van de Kerk loopt.” (CiV 2) Paus Franciscus gaat verder op de door zijn voorgangers ingeslagen weg. Zijn encycliek ‘Fratelli tutti’ gaat over broederschap en sociale vriendschap. Bij hem wordt de dialoog een manier van leven.

Als menselijke waardigheid en liefde de centrale begrippen zijn, is de aandacht voor dialoog vanzelfsprekend. Als iedere mens telt en meedoet, als mensen een doel zijn en niet slechts een middel en als alle mensen door de liefde met elkaar verbonden zijn, is het vanzelfsprekend dat zij met elkaar in dialoog gaan om hun gemeenschappelijk bestaan met elkaar vorm te geven.

Wat is dialoog? En waarom dialoog? Paus Franciscus schrijft hierover het volgende.

“Een dialoog is veel meer dan het communiceren van een waarheid. Hij komt tot stand vanuit de vreugde om te spreken en uit de wil tot het goede dat met woorden wordt gecommuniceerd tussen mensen die elkaar liefhebben. Het is een goed dat niet bestaat in dingen, maar in de personen zelf die zich aan elkaar geven in de dialoog.” (EG 142) De dialoog is een vorm van ontmoeting, een zoektocht naar consensus en overeenstemming die niet losstaat van de zorg voor een rechtvaardige samenleving, die het verleden niet verloochend en niemand uitsluit. (Zie: EG 239)

“Ware wijsheid is de vrucht van reflectie, van dialoog en van de edelmoedige ontmoeting tussen mensen.” (LS 47) “Samen kunnen we de waarheid zoeken in dialoog, in een ontspannen gesprek of in een heftig debat. Daarvoor is enig doorzettingsvermogen nodig; het brengt zwijgen en lijden met zich mee. Met het nodige geduld kan het de lange ervaring van mensen en volkeren bijeenbrengen.” (FT 50)

“We moeten met elkaar communiceren, de rijkdom van de ander ontdekken, waarderen wat ons verenigt en kijken naar verschillen als een kans om te groeien in wederzijds respect. Geduldig en in vertrouwen dialogeren is noodzakelijk, zodat individuele personen, gezinnen en gemeenschappen de waarden van hun eigen cultuur kunnen presenteren, en ze het goede dat uit de ervaringen van anderen voortkomt, kunnen overnemen.” (FT 134) “Openheid naar anderen waarbij de eigen rijkdom wordt opgegeven, lost niets op. Zonder eigen identiteit is er geen dialoog met de ander mogelijk. Er bestaat ook geen openheid tussen volkeren zonder liefde voor het eigen land, het eigen volk en de eigen cultuur. Zonder solide fundament kan ik de ander niet ontmoeten, want op basis daarvan verwelkom ik hem als een geschenk en bied ik hem iets authentieks van mijzelf aan.” (FT 143) “Dit is de basis voor een gezonde en verrijkende uitwisseling.” (FT 144) “De eigen identiteit wordt versterkt en verrijkt door de dialoog met de ander. De authentieke manier om onze identiteit te bewaren ligt niet in een verarmend isolement.(FT 148)

“Elkaar tegemoetkomen, elkaar spreken, naar elkaar luisteren, naar elkaar kijken, elkaar leren kennen en begrijpen, raakvlakken zoeken: dit alles wordt samengevat in het werkwoord ‘dialogeren’. We moeten met elkaar in gesprek gaan om elkaar te ontmoeten en te helpen. (…) Een volhardende en moedige dialoog leidt niet tot krantenkoppen zoals ruzies en conflicten doen, maar het helpt de wereld onopvallend tot een beter leven, veel meer dan we verwachten. (FT 198) “Een authentieke sociale dialoog veronderstelt het vermogen de standpunten van de ander te respecteren en als legitieme overtuigingen en belangen te erkennen. Op basis van hun identiteit hebben anderen iets te bieden. Voor een vruchtbaar debat is het wenselijk dat zij hun standpunten toelichten. (…) Zo groeit ons vermogen te begrijpen wat de ander zegt en doet, zelfs als we het niet met hem eens kunnen zijn. (…) Verschillen zijn creatief; ze creëren spanning en in de oplossing daarvan ligt de vooruitgang van de mensheid. (FT 203)

Er zijn vele vormen van dialoog. Mensen met verschillende belangen en verschillende achtergronden kunnen met elkaar in dialoog treden. Via mensen komen verschillende werelden met elkaar in gesprek. Het gaat om de dialoog tussen verschillende culturen, tussen verschillende religies, tussen geloof en rede, tussen geloof en wetenschap, tussen Kerk en staat, tussen verschillende wetenschappelijke specialisaties, tussen verschillende belangen, tussen arm en rijk, tussen verschillende politieke ideeën, tussen verschillende landen, et cetera.

“Hoewel de werkelijkheid één is, kan zij vanuit verschillende perspectieven en met verschillende methodes benaderd worden.” (FT 204) Telkens komen verschillende benaderingen van de werkelijkheid bij elkaar, waardoor er een intensieve en productieve dialoog mogelijk is, een dialoog die ook leidt tot de volle menselijke ontplooiing. Zorg voor de schepping en het algemeen welzijn vragen om dialoog. Iedere vorm van dialoog staat in dienst van de vrede. “Het doel van dialoog is om vriendschap, vrede en harmonie tot stand te brengen en om morele en spirituele ervaringen in een geest van waarheid en liefde met elkaar te delen.” (FT 271) De sociale leer van de Kerk is een middel om de dialoog te bevorderen en te ondersteunen.

In onze huidige pluriforme en complexe samenleving, in deze tijd van globalisering zijn wij geneigd ons terug te trekken in onze eigen bubbel. Maar juist nu is dialoog noodzakelijk. Alles hangt met elkaar samen. We zijn van elkaar afhankelijk.

Deze tekst is uitgesproken en op 1 april 2021 op video gezet.
Zie www.rkvlietstreek.nl.