Skip to content

Zelfgenoegzaamheid; Js 25,6-10a; Mt 11,1-14

God richt voor ons een feestmaal aan. U weet hoe God is. Dat betekent een overvloedige maaltijd. Van alles is er meer dan genoeg: geen afgemeten porties. Nee God houdt van overvloed en overdadigheid. Dan zullen we met Jesaja zeggen: “Dat is onze God, op wie wij hoopten. Hij heeft ons gered! Dat is de Heer, op wie wij vertrouwden, laat ons jubelen en ons verheugen om de redding, die Hij ons gebracht heeft!” Jesaja weet ons op beeldende wijze te vertellen hoe overvloedig Gods liefde en genade voor ons mensen is, en welk antwoord God daarop van ons verwacht.

Ook Jezus gebruikt het beeld van een overvloedige maaltijd om Gods bedoelingen met ons mensen te schetsen. Ook Jezus beschrijft de wijze waarop mensen hierop reageren. In het verhaal dat Jezus ons vertelt, is er niet direct sprake van jubelen. Hier zien we geen mensen die zich verheugen om wat God voor hen doet. De genodigden willen niet komen. Een deel van hen is nogal onverschillig. Zij gaan verder met hun bezigheden. Anderen verzetten zich en vermoordden de dienaars. Vervolgens wordt iedereen uitgenodigd: “slechten zowel als goeden”. En nu kan het feest beginnen, en dan blijkt er toch nog iemand te zijn die niet de moeite heeft genomen zich voor het feest te kleden. Het laat hem blijkbaar even onverschillig als de eerdere genodigden die verder gingen met hun zaken.

Velen begrijpen blijkbaar niet dat overvloedige liefde en genade om een antwoord vragen. Zo’n daad van liefde mag niet onbeantwoord blijven. Stel je voor je nodigt al je geliefden uit voor een feest en je krijgt zulke reacties. Dat is toch om gek van te worden.

Jezus vertelt deze gelijkenissen aan de hogepriesters en de oudsten van het volk. Net als de verhalen die we de afgelopen twee zondagen hoorden, maakt deze gelijkenis deel uit van een discussie van Jezus met vooraanstaande mannen uit het Joodse volk. Er is dan ook veel voor te zeggen om deze gelijkenis op hen te betrekken. Dan is het het volk van Israël dat Gods liefde niet beantwoordt en worden vervolgens alle andere mensen uitgenodigd hun plaats in te nemen.

In het Evangelie volgens Lucas wordt deze gelijkenis op een wat ander manier vertelt. Daar ligt de nadruk veel meer op de zelfgenoegzaamheid van de genodigden. Zij zijn met hun eigen dingen bezig en hebben geen aandacht voor het feest. Daar worden vervolgens armen, gebrekkigen, blinden, kreupelen en vele anderen voor de maaltijd uitgenodigd. Bij Lucas krijgt deze gelijkenis een andere betekenis. Nu gaat het niet alleen over anderen, nu gaat het ook over mijzelf. Op welke wijze word ik door deze gelijkenis aangesproken. Hoezeer ben ik met mijzelf en met mijn eigen dingen bezig? Hoe zelfgenoegzaam ben ik zelf? Draait alles om mij of heb ik vooral oog voor anderen? En hoe open sta ik voor de liefde en genade van God?

Stel je eens voor dat Jezus afgelopen week de Tweede Kamer was binnengelopen en daar deze gelijkenis had verteld. Hoe zouden we dit verhaal dan interpreteren? Dan zou het werkelijk over ons gaan, over onze manier van denken en over onze manier van doen.

Hoe zouden we dan het idee van de gewone, normale Nederlander zien? Is dat na dit verhaal van Jezus nog steeds een onschuldige aanduiding van de gemiddelde Nederlander? Gaat het dan nog steeds over hoe wij onszelf zien? Of staat de gewone, normale Nederlander dan voor zelfgenoegzaamheid? Voelt deze gewone, normale Nederlander zich beter dan anderen? Welke mensen worden met deze aanduiding uitgesloten? Hoe zit het met de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen van nu? Wie zijn die Nederlanders voor wie we geen aandacht hoeven te hebben, omdat zij niet normaal en niet gewoon zijn? Dat je als politicus vooral opkomt voor bepaalde groepen, het zij zo. Maar is het werkelijk nodig anderen weg te zetten en uit te sluiten als ongewoon en abnormaal? Hoever willen we gaan met het bevorderen van de tweedeling in Nederland?

En wie zouden de uitnodiging van Jezus voor het Rijk Gods aannemen? De gewone, normale Nederlanders die het zo geweldig met zichzelf getroffen hebben? Of zijn het juist de mensen die zich daardoor niet aangesproken voelen, omdat ze beseffen dat ze proberen zo goed mogelijk te leven, maar desondanks mensen zijn die tekort schieten en mensen zijn die afhankelijk zijn van andere mensen.

In de gelijkenis die Jezus vertelt, maakt ook de koning een tweedeling. En hij doet dat bepaald niet zachtzinnig. Maar deze tweedeling is niet gebaseerd op wie deze mensen zijn. Het gaat hier niet om rijk of arm, ziek of gezond, wit of zwart, vrouw of man. Het gaat niet om afkomst, etniciteit of godsdienst. Het gaat hier om de keuzes die mensen zelf maken. God laat zijn zon immers opgaan over slechten en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. (Mt 5,45) Iedereen krijgt een kans. Iedereen wordt uitgenodigd: “slechten zowel als goeden”.

Mensen zijn zelf verantwoordelijk te kiezen voor het goede. Zij mogen er zelf voor kiezen zich open te stellen voor Gods liefde en genade. Mensen zijn geschapen met een vrije wil. In de liefde is geen dwang. De keuze is aan onszelf. Amen.

Advertenties

Gemeenschap en eenheid; Fil 2,1-11; Mt 21,28-32

Vorige week eindigde de eerste lezing met: “Gij moet een leven leiden dat het Evangelie van Christus waardig is.” Vandaag maakt Paulus duidelijk wat hij hiermee bedoeld. Paulus roept op tot saamhorigheid en eensgezindheid, tot gemeenschap en eenheid.

In vergelijking met andere brieven is de vermaning van Paulus in deze brief aan de christenen van Filippi redelijk vriendelijk van toon. Blijkbaar zijn er geen enorme misstanden in Filippi, maar maakt Paulus zich wel zorgen over het gebrek aan gemeenschap en het gebrek aan eenheid. Hoe was de situatie in Filippi? Kunnen wij ons daar een beeld van vormen? Filippi was een belangrijke stad in Macedonië. Het lag op de handelsroute van Byzantium naar Rome, een belangrijke verbinding tussen oost en west. Naast de Grieken woonden er velen met een Romeinse achtergrond en er was ook een joodse gemeenschap.

Filippi is de eerste plaats op het Europese vasteland waar Paulus een geloofsgemeenschap opbouwt. Deze gemeenschap zal ongetwijfeld mensen van allerlei soort gekend hebben. Mensen met een verschillende etnische achtergrond, met een verschillende religieuze achtergrond, mensen van verschillende rangen en standen, arm en rijk, man en vrouw. Als christen worden deze mensen allemaal gelijkwaardig aan elkaar: broeders en zusters in Christus. Ondanks de grote verschillen vormen ze een gemeenschap. Dat was toen evenals tegenwoordig geen gemakkelijke opgave. Om in een dergelijke situatie tot een gemeenschap te komen, zijn er twee strategieën mogelijk: ten eerste het opheffen van de verschillen en ten tweede leren omgaan met de verschillen.

Ook in onze tijd kennen we het probleem van gebrek aan eenheid en het ontbreken van gemeenschapszin. Als oorzaak wordt vaak gewezen naar de vele verschillen die er in onze samenleving zijn ontstaan. Veel politici kiezen de strategie van het willen opheffen van de verschillen. Een opvallend aspect hiervan is dat de ander moet veranderen. De ander moet zich aanpassen. De ander moet worden zoals ik ben. Nooit hoor je iemand roepen dat hij van plan is zelf te veranderen, dat hij van plan zichzelf aan te passen.

Paulus kiest hier duidelijk voor een andere strategie. Hij heeft het niet over aanpassen en het opheffen van de verschillen. Hij roept zijn lezers op ermee om te gaan. Het wegzetten van de ander en het pronken met eigenheid wordt door Paulus verworpen als partijzucht en ijdelheid. Paulus roept zijn lezers op tot saamhorigheid en verbondenheid. Dat vraagt nederigheid en ootmoet. Door jezelf bescheiden op te stellen kun je respect hebben voor een ander en hem hoger achten dan jezelf. Gemeenschap en eenheid verkrijg je niet door alleen aan je eigen belang te denken, maar juist door het belang van de ander te behartigen. Eenheid vraagt hartelijkheid en mededogen.

Paulus laat een ander geluid horen dan er zo dikwijls uit onze samenleving opstijgt. Eerder in deze brief staat de volgende bede: “moge uw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid, om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt.” Paulus eindigt deze vermaning met te wijzen op de nederigheid en onbaatzuchtigheid van Jezus Christus. “Hij (…) heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. (…) Hij is aan de mensen gelijk geworden.” Wij worden op onze beurt geroepen gelijk te worden aan Hem.

Jezus maakt met de gelijkenis van de twee zonen op een andere manier duidelijk hoe wij de eenheid kunnen bevorderen en kunnen werken aan de gemeenschap. Eensgezindheid en verbondenheid vraagt niet alleen dat we elkaar naar de mond praten, maar er ook daadwerkelijk naar handelen. De gelijkenis die Jezus vertelt, is voor ons direct duidelijk. In onze cultuur hechten wij meer belang aan het doen dan aan het zeggen: geen woorden maar daden. In vele andere culturen ligt dat anders. Daar is nee zeggen iets wat je niet doet. Nee zeggen is een ernstige belediging. Nee zeggen tegen je vader is helemaal uit den boze. Het is een daad die ingaat tegen het respect en de liefde voor je vader. Dit is waarschijnlijk ook zo in de cultuur waarbinnen Jezus dit verhaal vertelt.

Jezus leert hier dat het niet alleen gaat om mooie woorden. Hij is ook kritisch naar de cultuur waarin Hij leeft. Op de zelfde wijze worden ook wij uitgenodigd kritisch te zijn naar onze eigen cultuur en naar onze eigen manier van doen. Zo mogen wij ons afvragen of het nodig is meteen bot en afwijzend te reageren als een vraag ons niet aanstaat. Wat doe je de ander aan met jouw zogenaamde eerlijkheid? Wat is waarheid als zij zonder liefde gaat? De bede van Paulus is ook op ons van toepassing: “moge uw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid, om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt.” Amen.

De vrede van Christus; Fil 1,20c-24.27a; Mt 20,1-16

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar de kans is groot dat u – net als ik – niet dagelijks bezig bent met de vraag die Paulus hier aan de orde stelt: Wanneer ben ik beter af? Is het beter voor mij dat ik blijf leven of ben ik beter af als ik ga sterven? Paulus zit op dat moment in de gevangenis, waarschijnlijk in Caesarea. Vanuit Jeruzalem – waar de joden hem wilden vermoorden – is hij naar Caesarea overgebracht om daar berecht te worden. Paulus verkeert in moeilijke omstandigheden en is zijn leven niet zeker. Onder dergelijke omstandigheden is de vraag van Paulus over leven en dood mogelijk meer voor de hand liggend dan in het gebruikelijke leven van alledag.

Paulus weet zich innig verbonden met Christus. “Voor mij toch is het leven Christus…” Paulus gaat helemaal op in zijn Verlosser en Zaligmaker. Het maakt hem daardoor niet zoveel uit wat er met hem gebeurt. Als hij leeft, leeft hij in en met en door Christus. Als hij sterft zal hij voor eeuwig met zijn Heer verenigd zijn. Wat er ook gebeurt: in hem zal Christus verheerlijkt worden. Zijn hele leven, zijn hele bestaan staat in het teken van Jezus Christus. De dood zal daar geen einde aan maken.

De meesten van ons zullen niet zo licht spreken over leven en dood. Wij mensen zijn over het algemeen zeer gehecht aan ons leven. Hoe groot ons geloof ook mag zijn, we willen ons leven niet zomaar inruilen voor de onzekerheid van het eeuwig leven. We weten wat we hebben. Niemand weet precies hoe het hierna zal zijn. Voor Paulus is de liefde van Christus zo’n allesomvattende werkelijkheid dat deze menselijke onzekerheid blijkbaar geen rol meer speelt. In deze brief die nog geen vijf bladzijden lang is, schrijft Paulus uitvoerig over zijn persoonlijke geloofsleven en zijn persoonlijke verhouding tot Christus.

Bij het lezen van de brief dringt de vraag zich op: Hoe kan iemand zich zo intens verbonden weten met Christus? Hoe kan ik als mens van vlees en bloed zoveel houden van iemand, die ik nooit in levende lijve gezien heb? Paulus ervaart Christus als de bron van de vreugde in zijn leven. Christus geeft hem de kracht zijn missionaire arbeid te verrichten en alles wat hij heeft moeten verduren, te verdragen. In Christus ervaart hij een diepe verbondenheid met de mensen aan wie hij deze brief schrijft.

De eenheid in Christus, de eensgezindheid en de onderlinge verbondenheid geven vreugde en blijdschap zoals Paulus zelf heeft ervaren. Deze vreugde en blijdschap gunt Paulus aan iedereen. Daarom wil hij ook wel blijven leven om te kunnen getuigen van Christus en iedereen te laten delen in zijn geluk. De weg naar dat geluk ligt volgens Paulus in het leiden van een leven dat het Evangelie waardig is. In deze brief zijn saamhorigheid en eensgezindheid daarin sleutelwoorden. Paulus roept op tot gemeenschap en eenheid. Volgende week horen we daar meer over.

Leven in verbondenheid met Christus is zoeken Hem na te volgen, te leven zoals Hij het heeft voorgedaan, en zijn lessen zoals gegeven in gelijkenissen in de praktijk te brengen. De boodschap uit de gelijkenis van vandaag vinden we terug in de sociale leer van de Kerk. De landeigenaar zegt tegen de arbeiders: “Ik zal u geven wat billijk is.” Eén denarie was in die tijd een fatsoenlijk dagloon: een gezin kon daar een dag van leven. Door iedereen die ene denarie te betalen hoeft er niemand honger te lijden. De Kerk heeft de boodschap hiervan vertaald in haar sociale leer. De Kerk leert dat iedereen met het loon voor zijn arbeid in staat moet zijn om een gezin te onderhouden. De prijs die voor arbeid betaald wordt, is niet alleen een economisch gegeven, niet alleen afhankelijk van de marktwerking. De arbeidskosten kennen ook een ethische kant. In ons land vinden we dit denken terug in het minimumloon.

Het gaat niet alleen om de waarde van het verrichte werk. Het gaat ook om de waardigheid van de mens. Waarde en waardigheid zijn verschillende begrippen. De waarde van iets kun je in geld uitdrukken. Waardigheid is een absoluut begrip. Waardigheid is niet te koop. Dingen hebben waarde. Zij hebben een prijs. Mensen hebben waardigheid. Dingen zijn ook vervangbaar. Hun waarde wordt bepaald door de markt. Daarentegen is iedere mens uniek en onvervangbaar. Iedereen is geschapen als beeld en gelijkenis van God. Zo zijn alle mensen gelijkwaardig aan elkaar.

We zijn aan het einde van de vredesweek. Paulus roept ons op tot gemeenschap en eenheid, tot saamhorigheid en eensgezindheid. Voor hem is het duidelijk dat de werkelijke vrede alleen te vinden is in een leven in verbondenheid met Christus. Jezus houdt ons voor wat billijk is. Billijkheid is meer dan vraag en aanbod. Billijkheid overstijgt het marktdenken. Billijkheid heeft te maken met gerechtigheid en met de waardigheid van iedere mens. Ook dat zijn aspecten van werkelijke vrede, aspecten van de vrede van Christus. Amen.

De kracht van verbeelding; Sir 27,30-28,7; Mt 18,21-35

Dit jaar is het thema van de Vredesweek: de kracht van verbeelding. Je hebt verbeeldingskracht nodig om te kunnen dromen, om te kunnen geloven dat het schijnbaar onmogelijke mogelijk wordt. Je hebt ook verbeeldingskracht nodig om uit je gebruikelijke manier van denken kunnen te stappen, om los te komen van je eigen denkpatronen.

Volharden in je boosheid, je gramschap tegenover een medemens heeft ook te maken met niet los kunnen komen van je eigen denkpatroon. Het vraagt verbeeldingskracht om een ander te kunnen vergeven. het vraagt verbeeldingskracht om vrede te kunnen stichten. Telkens weer hebben wij de neiging om stempels te drukken op mensen. We stoppen ze in hokjes. Zo lijkt de wereld overzichtelijk.

Het is goed om goed en kwaad van elkaar te onderscheiden. Het is goed om goed en verkeerd handelen en spreken van elkaar te onderscheiden. Het is goed het goede lief te hebben en het kwade te haten. Het is echter niet goed als we de wereld indelen in goede en verkeerde mensen. En het is helemaal niet goed alleen goede mensen lief te hebben en verkeerde mensen te haten. Als we op die manier onderscheid maken tussen mensen verliezen we de waardigheid van iedere mens uit het oog. Dan zien we geen mogelijkheden tot verandering meer. Dan hebben we onszelf opgesloten in onze eigen denkpatronen en zijn alleen nog in staat tot wrok en gramschap.

De waardigheid van iedere mens vraagt van ons dat we de ander willen zien als een mens zoals wij maar vooral ook als een mens die werkelijk anders is dan wij zijn. De ander is een ander, zoals ik mezelf ben en ik mezelf wil kunnen zijn. Dat vraagt verbeeldingskracht. In het Evangelie geeft Jezus een voorbeeld van verbeeldingskracht. Iemand is de koning tienduizend talenten schuldig. Een andere dienaar is deze dienaar honderd denariën schuldig. Die bedragen zeggen u waarschijnlijk niet veel. Voor één denarie kon je een schaap kopen. Tegenwoordig kost een schaap zo’n €100,=. Dus honderd denarie is in onze tijd ongeveer €10.000,=. Dat is een flink bedrag, maar niet direct reden om schuldsanering aan te vragen. Eén talent is ongeveer zesduizend denarie, dus ongeveer €600.000,=. De dienaar heeft een schuld van tienduizend talenten ofwel €6.000.000.000,=. Kortom een onafzienbaar groot bedrag. Het gaat hier om het grootste bedrag dat Jezus kon noemen, want men kende in die tijd geen groter getal dan tienduizend.

Het vraagt veel verbeeldingskracht van de koning om zich voor te stellen hoe de dienaar deze gigantische schuld kan aflossen. Met zijn verbeeldingskracht komt hij tot een opmerkelijke oplossing, namelijk het kwijtschelden van de schuld. Het is deze verbeeldingskracht die bij de dienaar – ook nadat hem het goede voorbeeld is gegeven – totaal ontbreekt. De dienaar volhardt in zijn eigen denkpatronen. Dit gebrek aan verbeeldingskracht wordt hem ernstig kwalijk genomen.

Verbeeldingskracht stelt ons in staat tot vergeven. Het bevrijdt ons van de neiging de zonde en de zondaar op één hoop te gooien. Een mens is niet alleen maar wat hij doet. Jezus leert ons de zonde, het kwaad te haten, maar Hij leert ons ook de zondaar juist lief te hebben. Door de zondaar lief te hebben, komen we ertoe onze verbeeldingskracht aan te wenden. Door de zondaar lief te hebben komen we tot vergeving en we komen tot oplossingen in uitzichtloze situaties.

Oorlog en geweld brengen geen vrede in de wereld. Vrede is ook veel meer dan alleen maar het ontbreken van oorlog. Werkelijke vrede vraagt dat mensen elkaar waarderen. Dat zij elkaar respecteren en accepteren. Dat we de ander zien als een ander en niet als een kopie van onszelf. Werkelijke vrede vraagt gerechtigheid. Zij vraagt dat er voor iedereen een volwaardige plaats is in de samenleving. Wij leven in vrede als wij onze medemens waarderen, hem een plaats in de samenleving gunnen, en hem in staat stellen zichzelf te zijn, te zijn zoals hij zelf werkelijk wil zijn.

Vrede vinden wij als wij los komen van onze vooroordelen, van onze wrok en gramschap. Dan leren wij de wereld met andere ogen te zien. Het vraagt verbeeldingskracht om met anderen in gesprek te gaan en een relatie met hen aan te gaan. Werkelijke vrede begint bij ons zelf, bij vrede in onze harten. Vrede vinden wij als wij vergeving voor onze eigen zonden durven te vragen en in staat zijn ook anderen hun zonden te vergeven.

Straks is er een tweede collecte voor het werk voor mensen die de gevangenis hebben verlaten. Het gaat om mensen die werkelijk de fout ingegaan zijn, hun handelen is afkeurenswaardig geweest. Ook deze mensen moeten wij liefhebben. Door bij te dragen aan deze collecte geven wij hen nieuwe kansen. Zo brengen wij vergeving en het komen tot verzoening in de praktijk. Zo werken we concreet aan het dichterbij brengen van de vrede. Amen.

God, mens, schepping; Jr 20,7-9; Mt 16,21-27

De afgelopen weken was telkens de vraag aan de orde: wie is Jezus? Vier weken geleden op de berg Tabor klonk er een stem uit de hemel: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde.” De week daarop liep Jezus over het water en was er een storm op het meer. De leerlingen zeiden: “Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God.” Twee weken geleden noemde de Kananeese vrouw Jezus: “Heer, Zoon van David”. Vorige week hoorden we Petrus zeggen: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Ondertussen noemt Jezus – zoals ook vandaag – zichzelf de Mensenzoon. We zien hoe de leerlingen ontdekken dat Jezus meer is dan alleen maar een gewoon mens. Dit is ook wat Jezus zelf met de titel Mensenzoon aangeeft.

Petrus denkt dat hij het begrijpt, maar dat valt tegen. Petrus kan zich niet voorstellen dat de Zoon van God wordt berecht door menselijke rechters en dat Hij veroordeeld wordt en zal lijden en sterven. Petrus denkt op menselijke wijze over het goddelijke. Daarmee wordt Petrus de spreekbuis van het kwaad, van de duivel. Petrus verzet zich zo tegen dat wat God wil. God heeft zijn Zoon gezonden om mens te zijn zoals wij. Als mens maakt Jezus net als wij deel uit van de schepping. In Jezus wordt duidelijk hoe alles met elkaar verbonden is en alles met elkaar samenhangt. Het een kan niet zonder het andere. Zonder dood is er geen verrijzenis.

De liefde van de Schepper voor zijn schepping is zo groot, het werk van zijn handen is zo met Hem verbonden, dat de Schepper zelf schepsel heeft willen worden. De Schepper is opgegaan in zijn schepping. “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” (Joh 1,14) “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.” (Joh 3,16) Paulus schrijft aan de Romeinen: “Ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods.” (Rom 8,21) Met de menswording van Jezus Christus is niet alleen de mens maar heel de schepping verlost en vervuld van goddelijke glorie en goddelijke genade.

Franciscus van Assisi bezingt met zijn Zonnelied de relatie tussen God en zijn schepping en de relatie van de schepselen met elkaar. Hij noemt de zon zijn broeder en de aarde zijn zuster en moeder. Franciscus weet zich innig verbonden met de schepping. Samen met alle schepselen, samen met heel de schepping looft en eert Franciscus zijn Schepper, de Allerhoogste.

God wil de verbondenheid van alle schepselen met elkaar, want zij zijn allen in Christus met Hem verbonden. Paus Franciscus schrijft in zijn encycliek Laudato si’ dat alles samenhangt. Alles, heel de schepping is bedoeld één harmonieus geheel te vormen. De mens is deel van de schepping. Hij is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren. Maar de harmonie tussen de Schepper, de mensheid en de schepping als geheel is verstoord doordat wij mensen ons aanmatigen de plaats van God in te nemen en weigeren onze beperkingen als schepselen te erkennen. De schepping is ons niet gegeven om haar te beheersen en haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken; niet om te verbruiken. Zij is ons gegeven om haar door te geven aan de volgende generaties. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.

Ter gelegenheid van de wereldgebedsdag voor het behoud van de schepping schrijft de patriarch van Constantinopel Bartholomaios: “Het is duidelijk dat de vervorming en de verwoesting van de natuurlijke leefomgeving een direct gevolg is van een specifiek model van economische vooruitgang, dat onverschillig is voor de ecologische consequenties.” Hij hekelt het kortetermijndenken dat slechts uit is op de verhoging van de levensstandaard in sommige delen van de wereld.

Net als Petrus laten wij ons vaak leiden door onze menselijke overwegingen. De korte termijn gaat daarbij meestal voor de lange termijn. Jezus roept ons op een radicale keuze te maken: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.” Dat klinkt alles behalve aantrekkelijk. De profeet Jeremia beklaagt zich bij God. Nadat hij allerlei onheil heeft geprofeteerd, is zijn positie niet benijdenswaardig. Hij wordt uitgelachen en bespot. Het woord van de Heer brengt hem schande en smaad. Ook nu roept de boodschap van het Evangelie veel weerstand op. Ook de oproep tot zorg voor de schepping is geen vrolijke boodschap. Het vraagt dat wij ons werkelijk bezinnen op wat voor ons van waarde is.

Paus Franciscus en patriarch Bartholomaios van de orthodoxe Kerk roepen ons op tot een ecologische bekering. Zij roepen ons op af te zien van onze de schepping verkwistende levensstijl. Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’. Soberheid maakt vrij. Echter niemand is in staat tot een leven van soberheid en tevredenheid, als hij of zij niet in vrede met zichzelf leeft. Deze innerlijke vrede vinden we alleen bij God en in zijn liefde voor ons. Amen.

Kerkproeverij; Js 56,1.6-7; Mt 15,21-28

Het is toch een raar verhaal: Jezus, die zo onaardig doet tegen deze vrouw. Zo kennen we Hem niet en zo willen we Hem ook niet kennen. De vrouw geeft helemaal geen aanleiding tot een dergelijke afwijzing. Zij spreekt Jezus aan met ‘Zoon van David’. Daarmee spreekt zij uit dat Jezus de Messias is. Dat heeft voor haar we nog vrijwel niemand gezegd. Men heeft zich alleen afgevraagd of Hij misschien de Messias is. Deze vrouw uit het heidendom ziet Jezus zoals Hij zichzelf ziet.

Wij moeten ons goed realiseren: Jezus is geen christen, Hij is niet katholiek of protestant en ook niet orthodox. Jezus is een jood en Hij staat in de joodse traditie. Het volk van Israël verwacht de Messias, die allereerst hen zal verlossen. Pas als het volk van Israël verlost is en gerechtigheid doet, pas daarna is de verlossing van de gehele mensheid aan de orde. Dan zullen zij een licht voor de heidenen zijn en komt iedereen naar Jeruzalem om de ene God, de God van Abraham, Isaäk en Jakob te aanbidden. Bij Jesaja horen we dat de vreemdeling deel kan hebben aan de gerechtigheid als hij zich aansluit bij de religieuze praktijken van Israël. Eerst moet iemand zich volledig aanpassen daarna kan hij deel uit maken van het uitverkoren volk.

Hoe is onze eigen houding ten opzichte van mensen buiten onze eigen groep? Hoe staan we tegenover vreemdelingen, mensen met andere gewoonten en met andere manieren van doen? Hoe staan we tegenover mensen die tot een andere religie behoren? Hoe staan we tegenover mensen die misschien wel in iets geloven, maar daar geen helder beeld bij hebben en dat geloof niet vorm geven door zich bij een geloofsgemeenschap aan te sluiten? Hoe welkom zijn al deze mensen in ons leven en in onze gemeenschap? Moeten zij zich ook eerst volledig aan ons aanpassen?

De Kananeese vrouw weet Jezus ervan te overtuigen dat haar geloof voldoende is om haar verlangen in te willigen. Wij hebben geen idee van wat er allemaal bij Jezus door het hoofd is gegaan en wat hem ertoe bewogen heeft in eerste instantie zo afwijzend te reageren. Uiteindelijk wordt duidelijk dat Hij er niet alleen is voor het huis van Israël. Jezus Christus is het licht der wereld. Hij is er voor iedereen! Van ons vraagt Hij om zijn licht overal zichtbaar te laten zijn. Wij zijn de dragers van zijn licht. Dat licht is er niet alleen voor onszelf. Hoe laten we het licht van Christus schijnen in onze wereld? Hoe geven wij gevolg aan zijn opdracht: “Gij zijt het licht der wereld.”?

De actie Kerkproeverij biedt ons daarvoor een mogelijkheid. In het parochieblad Kerk aan de Vliet heeft u erover kunnen lezen. Mocht het blad niet bij u bezorgd worden, dan vindt u het ook achter in de kerk. De essentie is dat u mensen uit uw eigen omgeving uitnodigt om op 9 of 10 september mee te gaan naar de kerk. Zo krijgen mensen die zelden of nooit in de kerk komen, de gelegenheid om te ervaren wat het betekent te geloven en deel uit te maken van een geloofsgemeenschap. U laat hen kennismaken met iets wat voor uzelf belangrijk is.

Waarschijnlijk moet u een drempel over om deze stap te doen. Velen van ons voelen schroom om over ons geloof te praten zelfs bij mensen die we goed kennen zijn we terughoudend. Deze schroom moeten we zien te overwinnen. Op de website van de parochie vindt u een aantal tips voor het uitnodigen. Ook is er een inspiratieboekje beschikbaar: Rooms-katholiek in deze tijd. In dit boekje vertellen allerlei mensen kort over het geloof. Als u van plan bent iemand uit te nodigen, mag straks zo’n boekje meenemen om het aan de genodigde te geven.

Jesaja zegt dat Gods huis “een huis van gebed is voor alle volken”. Iedereen is welkom in zijn huis. Iemand die op latere leeftijd katholiek is geworden vertelde me ooit hoe zij op de drempel de Groningse Sint-Jozefkerk stond. Hoe mooi was het daarbinnen en hoe graag wou zij naar binnen, maar ondanks haar verlangen durfde ze het niet. Mensen die niet vertrouwd zijn met de kerk, lopen niet zo maar naar binnen. Zij moeten een drempel over die veel hoger is dan de drempel die wij ervaren om iemand uit te nodigen. Niet iedereen is zoals de Kananeese vrouw. Haar geloof was zo groot dat zij alles durfde. Zij durfde op deze vreemde man – Jezus – af te stappen. Vele anderen hebben een uitnodiging nodig, een persoonlijke uitnodiging van iemand die zij vertrouwen. Ieder van ons kent zo iemand. Nodig hem of haar uit mee te gaan naar de kerk.

Het verlangen van de Kananeese vrouw was duidelijk. Zij had er geen moeite mee dat luid en duidelijk te laten horen. Ook in onze tijd zijn er veel mensen die verlangen naar geborgenheid, naar gemeenschap, naar een concrete dragende kracht in hun leven, naar een persoonlijke relatie met de bron en basis van hun leven. Het verschil met de Kananeese vrouw is dat zij dit verlangen meestal niet kenbaar maken.

U kunt hen hierbij helpen. U hebt hen iets te bieden. U kunt uw geloof met hen delen. U kunt hen het licht en de liefde van Christus laten ervaren. Hij is altijd met ons, alle dagen van ons leven. Wij staan er nooit alleen voor. Het is zijn licht dat straalt heel over de wereld. Jezus Christus is er voor iedereen. Amen.

Vreest niet; K 19,9a.11-13a; Mt 14,22-33

Als de Heer het kan, dan wil ik het ook, dan wil ik ook over het water lopen. Petrus heeft veel vertrouwen in Jezus. Hij is een groot leraar, iemand waar je ontzag voor hebt. Hij doet ook wonderen. Hij beschikt over bijzondere krachten. Gisteren nog heeft Hij met vijf broden en twee vissen een hele menigte te eten gegeven. Als de Heer zegt dat ik, Petrus, over het water kan lopen dan gaat dat ook gebeuren. Jezus zegt “Kom”, en Petrus stapt zo uit de boot en loopt naar Jezus toe. Met veel bravoure loopt hij over het water, maar dan bedenkt hij plotseling: Ik loop over het water. Dit kan helemaal niet. Dit heeft nog nooit iemand gedaan. Help, het stormt en de golven slaan mij om de oren. Help, ik ga verdrinken! “Heer, red mij!”

Die woorden “Heer, red mij!” zijn woorden van geloof, maar wel van een geloof uit nood geboren. Jezus noemt Petrus een ‘kleingelovige’. Het is een typisch geval van ‘nood leert bidden’. De nood waarin Petrus verkeert, heeft hij zelf veroorzaakt. Hij heeft veel vertrouwen in Jezus. Een moment lukt het Petrus om zonder vrees over het water te lopen. Hij gelooft echt in wat Jezus zegt: Petrus vreest niet. Maar de angst is toch niet helemaal verdwenen. Zeker, je moet de werkelijkheid wel onder ogen zien. Petrus is een ervaren visser. Hij kent de gevaren van de storm op het meer. Zo groot is zijn geloof ook weer niet. Er is nog steeds ruimte voor angst. Petrus gaat twijfelen en hij raakt in nood.

Hoe herkenbaar is dit alles. Ieder van ons wordt zo nu en dan door twijfel overvallen. Allemaal zijn we wel eens bang en kennen we angst. Het is ook goed dat we soms bang worden. Dat beschermt ons tegen het nemen van onverantwoorde risico’s. Zonder angst worden we roekeloos en overmoedig. Angst is zeker geen slechte eigenschap. Toch zegt Jezus ons: “Vreest niet.”

Er zijn verschillende vormen van angst. Regelmatig moeten wij risico’s nemen. Dan is het goed ons bewust te zijn van het gevaar dat we lopen. Deelnemen aan het verkeer, door een dakgoot lopen, op het hoge ladder staan of gewoon een keukentrapje: het zijn activiteiten die bij ons leven horen en die vragen om het goed inschatten van de risico’s. Het zijn activiteiten, waarbij angst geen slechte raadgever is. Daarnaast kennen we ook de angst voor het onbekende. Vele zaken vervullen ons van angst omdat we niet weten hoe het zal zijn. We zijn bang voor mogelijk lijden. We zijn bang voor de dood. We zijn bang om onbekende wegen te gaan. Het meest lijden wij onder de het lijden dat wij vrezen. Net als Petrus raken wij door onze eigen angst in nood.

De profeet Elia heeft ook zo’n ervaring. Hij is bang zijn leven te verliezen en daarom vlucht hij naar de berg Horeb. Daar krijgt hij een openbaring. Anders dan gebruikelijk in die tijd openbaart God zich niet in storm, aardbeving en onweer, maar in een zachte bries. God openbaart zich niet met macht en geweld, maar in een lieflijk, verzorgend en verkwikkend zacht windje. Hierna kan Elia er weer tegen en pakt hij zijn taak weer op. Zoals Jezus zijn leerlingen zegt niet bang te zijn voor het onbekende en juist dan op God te vertrouwen, zo leert ook Elia dat Hij op God mag vertrouwen. Gods liefde voor ons is als een lieflijk, verzorgend en verkwikkend zacht windje. Zijn liefde is als een uitgestoken hand, zoals Jezus Petrus de hand reikt.

Het is heel verkwikkend en het maakt ons werkelijk gelukkig als wij Gods liefde in ons leven ervaren en ons vertrouwen op Hem durven te stellen. Dat geluk, die vreugde wensen wij iedereen toe. Daarom doet het ook pijn als wij ervaren dat mensen die ons lief zijn deze ervaring missen. Vertrouwen en geloven, het gaat niet vanzelf. Je moet het leren. Dat kan doordat je gelovig bent opgevoed, doordat je ouders je lieten zien hoe zij geloofden, je het geloof voorleefden. Je kunt ook tot geloof komen doordat je iets hebt meegemaakt, een ervaring hebt opgedaan: iets dat jou tot in je ziel geraakt heeft. Juist de mensen waarvan wij het meeste houden wensen wij toe dat ook zij Gods liefde ervaren en dat zij met vertrouwen hun leven in Gods hand leggen.

Wij kunnen zichtbaar maken wat het geloof voor ons betekent, en zo anderen inspireren tot geloof. Alleen God kan mensen uiteindelijk tot geloof brengen. Wij kunnen bidden dat Hij hen een ervaring geeft die hen op die weg zet, een ervaring van liefde, van verzorging en verkwikking, een ervaring die hen doet vertrouwen dat het goed komt, dat zij hun vertrouwen op God kunnen stellen. Amen.