Spring naar inhoud

Fratelli tutti: een inleiding

In Fratelli tutti staan de begrippen broederschap en sociale vriendschap centraal. Evenals in zijn vorige encycliek over de zorg voor de schepping ‘Laudato si’’ refereert de paus aan de heilige waaraan hij zijn naam ontleent: de heilige Franciscus van Assisi. Met de woorden ‘Fratelli tutti’ richt Sint Franciscus zich tot zijn medebroeders. De paus herinnert ons eraan dat Sint Franciscus had begrepen dat God liefde is, en dat hij inspireerde tot het idee van een broederlijke samenleving.

Broederschap en sociale vriendschap

De paus pleit voor een open samenleving met mensen die openstaan voor mensen die anders zijn. Dit gaat niet over het in economische termen openen van markten, maar over het liefdevol openen van onze harten naar alle mensen. Hij waarschuwt tegen het liberale marktdenken. Hierin worden mensen onderschikt aan persoonlijke belangen. In plaats van een doel te zijn, worden mensen hierin een middel en is er geen respect voor hun menselijke waardigheid. De fundamentele mensenrechten zijn dan niet voor iedereen gelijk. In het internationale handelen ontbreekt het vaak aan morele waarden en aan verantwoordelijkheidsgevoel voor het wereldwijde algemeen welzijn. Alles wordt opgeofferd aan kortzichtige economische belangen. Het loslaten van de grote broederlijke waarden leidt tot cynisme.

Menselijke waardigheid is een sleutelbegrip in onze benadering van vluchtelingen en migranten. Voortdurend moeten wij voor ogen houden dat het hier om mensen gaat. Mensen met een andere achtergrond en uit een andere cultuur hebben ons iets te bieden en kunnen ons in immateriële zin verrijken. Angst ontneemt ons echter vaak de moed om de ander te ontmoeten. De paus pleit voor echte ontmoeting tussen mensen en voor diepgaande communicatie en dialoog. Het gaat om het gestadig opbouwen van vriendschap en om een geleidelijk groeiende consensus. Hij waarschuwt hierbij voor de sociale agressie die we vaak op internet zien. De paus is niet bang voor scherpe bewoordingen bij het aan de kaak stellen van misstanden in de wereld van vandaag. Maar daarnaast is er vooral sprake van hoop op een betere wereld, want God blijft voortdurend het goede in de mensheid zaaien.

Wij mensen zijn geschapen voor de liefde. In relatie met anderen leren wij onszelf kennen en groeien wij als mens. Door de betrokkenheid op anderen komen we tot een sociale vriendschap die niemand uitsluit en een broederschap die voor iedereen openstaat. Deze universele broederschap is grensoverschrijdend. Broederschap en sociale vriendschap beperkt zich niet tot gelijkgestemden. Zij vereisen de erkenning van de waardigheid van alle mensen, altijd en overal. Alle mensen hebben het recht waardig te leven en zich volledig te ontwikkelen. Dat geldt ook voor kwetsbare mensen die economisch gezien mogelijk geen bijdrage leveren zoals ouderen en mensen met een handicap.

Het idee dat we allemaal broeders en zuster zijn, moet ook concreet worden in de internationale verhoudingen. Wederzijdse hulp tussen landen komt iedereen ten goede. De paus pleit voor het versterken van de internationale samenwerking en van de universele solidariteit. Dit vraagt onder meer om hervorming van de Verenigde Naties. Er is een juridische, politieke en economische wereldorde nodig om het concept van de familie van naties concreet te maken. Geen enkel land kan zonder de samenwerking met andere landen het algemeen welzijn van zijn eigen bevolking garanderen. De paus waarschuwt ook voor de verschillende vormen van populisme. Wanneer politici in naam van de welvaart van het eigen land haat en angst zaaien ten opzichte van andere naties, moeten we ons zorgen maken, op tijd reageren en actie ondernemen.

De liefde moet het spirituele hart van de politiek zijn. Dan is er openheid naar andere mensen en andere volkeren. Dan is er aandacht voor de zwakke en noodlijdende mensen. De liefde respecteert en verwelkomt verschillen tussen mensen. De liefde brengt ons met elkaar in gesprek. De paus pleit voor een cultuur van ontmoeting en dialoog. Ontmoeting en dialoog tussen verschillende culturen en tussen verschillende groepen in de samenleving. Een echt gesprek met anderen behoedt ons voor zelfgerichtheid en brengt ons tot solidariteit en samenwerking gericht op het algemeen welzijn.

In een pluralistische samenleving is de dialoog het beste middel om fundamentele waarheden te onderkennen. Waarheid kan nooit los gezien worden van gerechtigheid en barmhartigheid. Samen vormen zij de basis voor vrede en verzoening. De dialoog tussen de verschillende godsdiensten is nodig om te komen tot vriendschap, vrede en harmonie en om spirituele en morele waarden en ervaringen in een geest van liefde en waarheid met elkaar te delen. Op basis van de gedeelde overtuiging dat iedereen een kind van God is, kunnen godsdiensten samen bijdragen aan de universele broederschap en in vrede met elkaar samenleven. De rol van de Kerk beperkt zich niet tot de privésfeer. Zij heeft respect voor de autonomie van de politiek, maar is ook zelf van publieke betekenis. De Kerk heeft aandacht voor de waardigheid van de mens, het algemeen welzijn en de ontwikkeling van de volkeren. Alles wat menselijk is gaat ook de Kerk aan.

Misstanden in de wereld

Lang leek het dat de wereld van de vele oorlogen en mislukkingen had geleerd en zich langzaam ontwikkelde in de richting van integratie. Maar in onze tijd zien we een terugslag. Oude conflicten spelen weer op. In een aantal landen leidt het idee van de eenheid van volk en natie tot nieuwe vormen van egoïsme en verlies van sociaal denken. Meer dan ooit zijn we alleen in deze wereld waarin het vooral gaat om individuele belangen en de gemeenschap in de verdrukking zit. De toenemende globalisering versterkt de positie van de sterke gebieden maar verzwakt de positie van de zwakste en armste regio’s. Zij worden hierdoor kwetsbaarder en afhankelijker. Zij hebben te maken met nieuwe vormen van culturele kolonisatie. Het lijkt dat sommige mensen opgeofferd mogen worden ten gunste van een bevoorrechte groep om te kunnen doen wat ze wil. Mensen worden niet langer gezien als een hoogste waarde die gerespecteerd en beschermd moet worden. Zeker als ze arm of gehandicapt zijn, als ze nog niet nuttig zijn – zoals de ongeborenen – of als ze niet langer nuttig zijn – zoals de ouderen.

Vaak krijg je de indruk dat de mensenrechten niet voor iedereen gelijk zijn. Er is geen sprake van gelijke waardigheid van alle mensen. In de wereld van vandaag zijn er nog vele vormen van onrecht. Terwijl het ene deel van de mensheid in weelde leeft, ziet een ander deel zijn eigen waardigheid genegeerd, geminacht of met voeten getreden en worden fundamentele rechten genegeerd of geschonden. Vrouwen hebben vaak niet dezelfde waardigheid en rechten als mannen. Ondanks het sluiten van overeenkomsten door de internationale gemeenschap om een einde te maken aan alle vormen van slavernij, zijn er nog steeds miljoenen mensen die van hun vrijheid worden beroofd. Zij worden gedwongen te leven in omstandigheden vergelijkbaar met slavernij.

Oorlogen, aanslagen, vervolgingen en vele andere gewelddadigheden tegen de menselijke waardigheid worden verschillend beoordeeld, afhankelijk van de vraag of ze al dan niet gunstig zijn voor bepaalde, vooral economische belangen. Onze wereld zit gevangen in een merkwaardige tegenstrijdigheid: wij denken stabiliteit en vrede te garanderen met een vals gevoel van veiligheid gebaseerd op een mentaliteit van angst en wantrouwen. Er is sprake van een verval van ethiek in het internationaal handelen, en van een verzwakking van spirituele waarden en verantwoordelijkheidsgevoel. In spanningshaarden worden wapen- en munitievoorraden opgebouwd. Dit gebeurt in een wereldwijde context van onzekerheid, ontgoocheling, angst voor de toekomst en kortzichtige economische belangen.

Zowel sommige populistische politieke stromingen als liberale economische benaderingen stellen dat de komst van migranten ten koste van alles moet worden vermeden. Ook wordt beweerd dat de hulp aan arme landen beperkt moet blijven, zodat deze de bodem van de put bereiken en besluiten tot bezuinigingsmaatregelen. Men beseft niet dat achter deze abstracte en moeilijk te handhaven uitspraken veel levens op het spel staan. Door gesloten en intolerante houdingen sluiten wij onze ogen voor anderen. Van de andere kant worden de afstanden tot hen paradoxaal genoeg steeds kleiner of raakt het recht op privacy in het gedrang. Alles wordt een soort spektakel dat bespied en bekeken kan worden, en het leven staat onder voortdurende controle. Digitale acties van haat en destructie zijn geen vorm van positieve aandacht maar daden van vijandschap. Sociale agressie heeft op internet alle ruimte. Dit leidt tot complete schaamteloosheid bij ideologische groeperingen.

De les uit corona

De coronapandemie kan een les zijn op weg naar een betere toekomst. Corona bracht het onvermogen tot samenwerking van landen aan het licht. Niemand kan in zijn eentje het leven aan. We hebben een gemeenschap nodig die ons steunt, die ons helpt en waarin we elkaar helpen om vooruit te kijken. Door de wereldwijde tragedie van de coronapandemie beseffen we dat we een wereldgemeenschap zijn, dat allen in hetzelfde schuitje zitten en dat het probleem van de één ieders probleem is. We realiseren ons dat niemand alleen gered wordt, dat het alleen mogelijk is om samen gered te worden.

De harde en onverwachte klap van deze pandemie dwong ons weer aandacht te hebben voor het belang van alle mensen in plaats van het voordeel van enkelen. Nu beseffen we dat we onszelf gevoed hebben met dromen van pracht en praal en dat we uiteindelijk enkel verstrooiing, bekrompenheid en eenzaamheid hebben geconsumeerd. Als alles met elkaar verbonden is, is het moeilijk voor te stellen dat deze catastrofe los staat van de wijze waarop we de werkelijkheid zien met onze claim dat we de absolute heersers zijn over ons eigen leven en over alles wat er bestaat.

Het is de wereld zelf die schreeuwt en rebelleert. Maar we vergeten al snel de lessen van de geschiedenis. Als deze gezondheidscrisis voorbij is, zal de ergste reactie zijn dat we ons nog meer in een koortsachtig consumentisme en nieuwe vormen van egoïstisch zelfbehoud storten. Laten we hopen dat de immense pijn niet nutteloos zal zijn, maar dat we een stap maken naar een nieuwe manier van leven en definitief ontdekken dat we elkaar nodig hebben. Als we er niet in slagen de gedeelde passie voor een gemeenschap van saamhorigheid en solidariteit terug te winnen, zal de wereldwijde illusie die ons misleidt, ineenstorten en velen achterlaten in de greep van angst en leegte.

Uitgesproken op 12 oktober 2022 in het overleg van de katholieke contactraad voor interreligieuze dialoog met moslims van Hizmet.

Een groot geloof? Hab 1,2-3;2,2-4; 2 Tim 1,6-8.13-14; Lc 17,5-10

“Wij zijn niet geroepen om grootse en opvallende dingen te doen, maar om de gewone dingen op grootse wijze te doen.” Afgelopen woensdag klonken deze woorden als een refrein tijdens de voorstelling van Peter Vermaat ‘Titus Brandsma, held of heilige?’. “Wij zijn niet geroepen om grootse en opvallende dingen te doen, maar om de gewone dingen op grootse wijze te doen.” Deze woorden komen uit een losse aantekening van pater Titus Brandsma. Zij typeren de wijze waarop deze heilige in het leven stond. Woorden waardoor wij ons vandaag kunnen laten inspireren.

Deze uitspraak van Titus Brandsma sluit goed aan bij het Evangelie van vandaag. Jezus zegt dat zelfs een klein geloof bergen kan verzetten. Hij zegt: “Als ge een geloof hadt als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: ‘Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee’ en hij zou u gehoorzamen.” De leerlingen willen graag een geloof dat is zich uit in zichtbare daden. Ze vragen om geloofskracht waarmee ze wonderen kunnen verrichten om op die manier imponerend en overtuigend naar buiten kunnen treden. En dan komt Jezus met deze uitspraak. Blijkbaar is ons geloof voldoende, maar zijn wij het zelf die daaraan twijfelen. Jezus raadt ons ook aan om gewone knechten te zijn. Het gaat er helemaal niet om spectaculaire dingen te doen. Het gaat erom je roeping te volgen en dat goed te doen.

Vier jaar geleden schreef paus Franciscus de exhortatie ‘Verheugt u en juicht’. Hierin roept de paus ons op tot heiligheid. Hij roept ons op ons leven te heiligen. Als wij met ons christelijk leven een voorbeeld voor anderen zijn, is dat bij uitstek een vorm van verkondiging van het Evangelie. De oproep tot heiligheid is aan alle gelovigen gericht. De vreugde die het volgen van onze roeping tot heiligheid geeft, is er niet alleen voor hen die door de Kerk heilig worden verklaard. Iedere gelovige wordt geroepen tot heiligheid. Het gaat om het leven van alledag, om het goed doen van de gewone dingen. Iedereen is geroepen zijn leven op zijn eigen wijze goed te leven. Het gaat om het vinden van het geluk in het bijzondere van het gewone. De paus schrijft: “Het is belangrijk, dat iedere gelovige zijn eigen weg onderscheidt en het beste uit zichzelf naar boven haalt, dat wat God hem persoonlijk gegeven heeft (vgl. 1 Kor 12,7)…” Verder schrijft de paus: “Wees niet bang voor heiligheid. Zij ontneemt je geen energie, vitaliteit of vreugde. In tegendeel, je wordt wat de Vader bedoelde toen Hij je schiep, en je zult trouw aan jezelf zijn.” (32)

Paulus zegt ons dat we ons niet moeten schamen voor ons geloof. Wij moeten ons niet schamen voor onze zwakte. De bespottingen en het lijden dat het ons oplevert, hebben wij te dragen. Wij mogen ons gedragen en gesteund weten door de liefde van Christus en de hulp van de heilige Geest die in ons woont. Pater Titus Brandsma heeft dit aan den lijve ervaren. De terreur van de Nazi’s hebben hem niet kapot gekregen. Maar op weg naar Dachau zal ook hij – net als de profeet Habakuk – menigmaal gedacht hebben: “Hoelang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert? Hoelang moet ik de hemel nog geweld aandoen, terwijl Gij maar geen uitkomst brengt?” Ook al ging Titus Brandsma door een diep dal en kende ook hij het idee geheel door God verlaten te zijn, uiteindelijk hervond hij zijn Heer in de diepste ellende van Dachau. Zo kon hij zijn vertrouwen in God stellen. Zo kon hij zijn leven in Gods handen leggen.

“Wij zijn niet geroepen om grootse en opvallende dingen te doen, maar om de gewone dingen op grootse wijze te doen.” Het gaat niet om een groot geloof. Het gaat om het geloof in iets groots, het geloof in de grootheid van God. De weg van Jezus volgen, het pad van de heiligheid gaan, betekent dat we een andere mening durven te hebben als het gaat om mensen in de verdrukking en dat we opkomen voor de rechten van de armen en de mensen in nood. Het betekent dat we weten dat alle mensen je broeders en zusters zijn. Ook hierin is de heilige Titus Brandsma een voorbeeld voor ons. Het zijn de vaak kleine daden van liefde die bergen doen verzetten. Niet in de ogen van de wereld, maar in de ogen van de enkele medemens. Hoeveel vreugde kun je niet brengen met steun aan een mens in nood? Hoeveel blijdschap met aandacht voor een zieke of eenzame medemens? Hoe bevrijdend kan een bemoedigend woord zijn en hoe verlossend een simpele glimlach? Amen.

Generatie Vrede; Am 8,4-7; 1 Tim 2,1-8; Lc 16,1-13

Al zevenenzeventig jaar leven we in dit deel van de wereld in vrede. De meesten van ons hebben geen eigen herinneringen aan oorlog en het aantal mensen dat hier oorlog heeft meegemaakt, wordt steeds kleiner. In die zin zijn we er aan gewend geraakt in vrede te leven. De vorming van de Europese Unie is het grote vredesproject van onze tijd. Dit vredesproject is vruchtbaar gebleken. Maar dit is geen reden om zelfgenoegzaam achterover te leunen. Werken aan vrede is een opdracht die voortdurend de aandacht vraagt.

Vrede is niet vanzelfsprekend. Oekraïne, Jemen, Palestina, Zuid-Soedan noem maar op. Overal ter wereld zijn miljoenen mensen op de vlucht. De Nederlandse vredesbeweging PAX roept ons op tot het vormen van een Generatie Vrede. Een Generatie Vrede bestaande uit jong en oud, een Generatie Vrede die mensen van verschillende huidskleur, gender en klasse met elkaar verbindt, een Generatie Vrede die zich inzet voor een vreedzame wereld.

Momenteel is er een groep parochianen van de federatie Vlietstreek die teksten van de heilige Titus Brandsma leest en bespreekt. Afgelopen week lazen we zijn toespraak die hij in 1931 hield over vrede en vredelievendheid. Op dat moment lag de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog nog vers in het geheugen en fascisme en nationaalsocialisme waren duidelijk in opkomst.

Titus Brandsma verzet zich tegen de gedachte dat alleen oorlog tot vrede kan leiden. Het mag niet zo zijn dat in onze wereld het recht van de sterkste geldt. Hij constateert dat het ontbreekt aan liefde voor de vrede. Hij zegt: “Men meent, neen, men verkondigt het openlijk, dat men in de maatschappij met beginselen van vrede en liefde niets begint, dat men in den strijd om het bestaan sterk moet zijn en zich steeds sterker moet maken omdat de macht van den sterkste het recht schept.” Titus Brandsma constateert dat oorlog vaak voortkomt uit maatschappelijke situaties waarin men geen uitweg meer ziet. Hij zegt: “Wil men den oorlog voorkomen, dan zal het noodig zijn, dat de maatschappij zich anders instelt. (…) De eigenliefde en de hebzucht zijn de grote kwalen van deze tijd en de diepste oorzaken van den oorlog. Daartegen moeten wij stelling nemen. Dan alleen kunnen we vruchtbaar vredeswerk verrichten.”

Deze woorden van Titus Brandsma zijn nog steeds actueel. Het zijn woorden van alle tijden. Zevenhonderdvijftig jaar voor Christus trad de profeet Amos op. Hij verzette zich tegen de sociale misstanden in Israël. Jezus wijst op het belang van betrouwbaarheid en rechtvaardigheid. “Wie betrouwbaar is in het kleinste is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste is ook onrechtvaardig in het grote. (…) Geen knecht kan twee heren dienen… Gij kunt niet God dienen en de mammon.” Vrede en rechtvaardigheid zijn nauw met elkaar verbonden. Werken aan de vrede begint met werken aan de rechtvaardigheid. Alleen een rechtvaardige verdeling van de aardse goederen, alleen een rechtvaardige verdeling van de vruchten van de aarde maakt het mogelijk tot werkelijke vrede te komen.

Een vredeswens is ook altijd een liefdesverklaring. We kunnen elkaar geen vrede wensen zonder elkaar te respecteren, zonder elkaars menselijke waardigheid te erkennen. We kunnen elkaar geen vrede wensen zonder van elkaar te houden. Streven naar vrede vraagt om bekering. Het vraagt om af te zien van zelfgerichtheid en eigenbelang. Alleen als we bereid zijn elkaar werkelijk ruimte te bieden kunnen we herauten en apostelen van vrede zijn. Paulus schrijft aan Timoteüs dat hij is aangesteld als heraut en apostel van Jezus Christus. Hij is aangesteld om de boodschap van Jezus te verkondigen.

Bij de geboorte van Jezus zongen de engelen: “Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.” (Lc 2,14) Na zijn verrijzenis begroet Jezus de apostelen met: ‘Vrede zij u.” (Joh 20,20). Jezus is de vredeskoning. Eerder zei Hij: “Vrede laat Ik u na; mijn vrede geeft ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u.” (Joh 14,27) De vrede van Jezus is niet de vrede van de oorlog. De vrede van Jezus is de vrede van de liefde en van de rechtvaardigheid. Van die vrede mogen wij herauten en apostelen zijn. Amen.

Barmhartigheid; Ex 32,7-11.13-14; 1 Tim 1,12-17; Lc 15,1-32

Zes jaar geleden vierden we het heilig jaar van barmhartigheid. Bij de afkondiging van dit heilig jaar schreef paus Franciscus: “Jezus Christus is het gelaat van de barmhartigheid van de Vader. Het mysterie van het christelijk geloof lijkt in deze woorden zijn samenvatting te vinden.” (nr. 1). “Voor ons is het nodig voortdurend het mysterie van de barmhartigheid te overwegen. Het is een bron van vreugde, gemoedsrust en vrede.” (nr. 2) “Barmhartigheid is niet tegengesteld aan gerechtigheid, maar drukt het gedrag van God jegens de zondaar uit: Hij geeft hem een verdere mogelijkheid om tot inkeer te komen, zich te bekeren en te geloven.” (nr. 21). “De toorn van God duurt een ogenblik, terwijl zijn barmhartigheid tot in eeuwigheid duurt.” (nr. 21). “Laten wij (…) de Vader vragen om de vergeving van de zonden en de verbreiding van zijn barmhartige kwijtschelding.” (nr. 22). “Uit het hart van de Drie-eenheid, uit het diepste van het mysterie van God ontspringt en vloeit onophoudelijk de grote stroom van de barmhartigheid.” (25).

In de eerste lezing zien we een voorbeeld van: “De toorn van God duurt een ogenblik, terwijl zijn barmhartigheid tot in eeuwigheid duurt.” God is woedend over het gedrag van zijn volk, maar ziet na aandringen van Mozes af van een vernietigende bestraffing.

Paulus schrijft dat de Heer hem barmhartigheid heeft bewezen. Paulus noemt zichzelf de eerste van de zondaars. Hij was verloren en Jezus Christus heeft hem het eeuwig leven gegeven. De Heer heeft hem vertrouwen geschonken en heeft hem in dienst genomen. Jezus heeft hem zijn liefde doen kennen. Zo beschrijft Paulus wat het voor hem betekende toen hij zich bekeerde van een godslasteraar, vervolger en geweldenaar tot een volgeling van Jezus Christus.

In het Evangelie horen we drie verhalen over iemand die iets kwijt is: een man die een schaap verliest, een vrouw die een zilverstuk kwijt is en een vader wiens zoon ervandoor is. Drie keer horen we van de grote vreugde die het brengt als het verloren schaap, het verloren zilverstuk en de verloren zoon weer gevonden wordt dan wel uit zichzelf terugkeert. Jezus vergelijkt deze vreugde met de vreugde van de engelen van God als een zondaar zich bekeert.

Paulus schrijft: “Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden.” In het licht van deze uitspraak kunnen we de Evangelieteksten lezen. Dan zien we dat het Jezus zelf is die op zoek gaat naar wat verloren is. Hij brengt ons terug naar zijn Vader. Hij brengt ons naar God. Hierin zien we de woorden van paus Franciscus terug: “Jezus Christus is het gelaat van de barmhartigheid van de Vader.” Ons wordt niet alleen de mogelijkheid tot bekering geschonken, Jezus is ook actief op zoek naar wat verloren is. Hij spoort ons aan tot bekering, maar Hij dwingt ons niet. Wat voor de verloren zoon geldt, geldt ook voor ons. Wij zijn vrije mensen. Uiteindelijk is de keuze aan onszelf. Openstaan voor de barmhartigheid van God vraagt dat wij van onze kant zoeken naar de persoonlijke ontmoeting met Jezus. Dat wij zoals de verloren zoon zelf op weg gaan.

Willen wij werkelijk de barmhartigheid van God ervaren, is het nodig dat wij tot het inzicht komen dat wij niet zonder zijn barmhartigheid kunnen, dat wij die barmhartigheid hard nodig hebben. Wij zijn niet in staat op eigen kracht tot een gelukkig leven te komen. Het geluk is een geschenk. Dat betekent dat we moeten kunnen ontvangen, dat we ons afhankelijk weten van God en van onze medemensen.

Barmhartigheid kent twee kanten: wij mogen barmhartigheid ontvangen en wij mogen zelf op onze beurt barmhartig zijn. Denk aan de woorden van het Onze Vader: “vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”. Als wij niet in staat zijn zelf barmhartig te zijn, hebben we er ook grote moeite mee barmhartigheid te ontvangen.

Een van de wegen die Jezus ons via de Kerk aanbiedt, is het Sacrament van Boete en Verzoening: de Biecht. Ook in dit Sacrament ontmoeten we Jezus Hij die het gelaat van de barmhartigheid van de Vader is. In dit Sacrament worden we net als de verloren zoon met open armen door de Vader ontvangen. Amen.

Bescheidenheid; Sir 3,17-18.20.28-29; Hb 12,18-19.22-24a; Lc 14,1.7-14

Over het algemeen houden wij mensen meer van mensen die zich bescheiden gedragen, dan van mensen die voortdurend zichzelf op de borst kloppen omdat ze zichzelf zo geweldig vinden. Twee honderd jaar voor Christus was dit niet anders. In het boek Ecclesiasticus schrijft Jezus Sirach: “Mijn kind, als ge rijk zijt, blijf dan bescheiden, en gij zult meer geliefd worden dan iemand die geschenken uitdeelt.” Hij voegt eraan toe dat ook juist bescheiden mensen genade vinden bij God. Je kunt jezelf op de borst kloppen uit hoogmoed, omdat je jezelf een geweldig iemand vindt. Je kunt je zelf ook op de borst kloppen uit rouwmoedigheid zoals we doen bij de schuldbelijdenis aan het begin van de viering. Zowel God als onze medemensen waarderen juist deze laatste vorm van borstklopperij. Zij waarderen mensen die bescheiden zijn en zich dienstbaar opstellen en ergeren zich aan de mensen met te grote ego’s.

Het gekke is echter dat we dit niet terugzien in onze samenleving. Bij verkiezingen stemmen velen op mensen die onbeschaamd alle ruimte innemen, op mensen die totaal geen respect hebben voor anderen. Ook in het maatschappelijk verkeer gunnen we anderen vaak weinig ruimte. Voordringen en de ander niet zien staan zijn zaken waaraan we ook zelf wel schuldig zijn. We leren onze kinderen dat ze assertief moeten zijn, dat ze zich de kaas niet van hun brood moeten laten eten. Je moet voor jezelf opkomen want een ander doet dat niet. Laat niet over je heen lopen. De afgelopen tweeduizend jaar is er op dit gebied weinig vooruitgang geboekt. Sterker nog tegenwoordig lijkt onbescheidenheid in hoger aanzien te staan dan bescheidenheid.

Ik moet hierbij wel zeggen dat het zo gemakkelijk nog niet is om de juiste mate van bescheidenheid te vinden. Jezus leert ons vandaag dat we onszelf niet op de voorgrond moeten plaatsen. Elders leert Hij ons echter ook dat we ons licht niet onder de korenmaat moeten zetten. Ons licht moet stralen voor het oog van de mensen. Door onze goede werken te laten zien, zullen anderen God verheerlijken. (Mt 5,15-16) Valse bescheidenheid wordt ook niet op prijs gesteld. Onszelf als waardeloos beschouwen is zeker niet de bedoeling van God. En het is ook niet wat anderen van ons verlangen. Indirect wordt ons geleerd ook van onszelf te houden. “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” (Mc 12,31) Zonder van jezelf te houden wordt naastenliefde erg moeilijk.

Waar het om gaat is dat we onze eigen grenzen kennen, onze grenzen ten opzichte van elkaar en onze grenzen ten opzichte van God. Onze grenzen ten opzichte van God vinden terug in de beperkte maakbaarheid van het leven. Hoe groot onze kennis ook is geworden we hebben ons eigen leven slechts gedeeltelijk in de hand. Als bescheiden mensen kunnen wij naderen tot God, zoals in de brief aan de Hebreeën geschreven staat. Het gaat niet alleen om ontzag hebben voor God. Wij mensen moeten ook ontzag hebben voor elkaar, elkaar respecteren en elkaar de ruimte geven.

Dat geldt voor de mensen die ons het meest dierbaar zijn. Als wij geen ontzag hebben voor onze geliefden, hen niet zien als een ander, dan gaan we ons de ander toe-eigenen, hem of haar beschouwen als deel van onszelf. Dan is er geen sprake meer van liefde. Elkaar respecteren en de ruimte geven geldt voor al onze medemensen. Het geldt ook voor de vluchtelingen in ons land. Het geldt ook voor de kwetsbare mensen in Tanzania, waarvoor MIVA onze aandacht vraagt. Iedere mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Iedere mens is een kind van God. Iedere mens heeft recht op een menswaardig bestaan, ook als wij daarvoor ruimte moeten maken, daarvoor moeten inschikken en daarvoor iets moeten laten. Wij hebben niet het recht ons de hele schepping toe te eigenen. Amen.

Wat de Bijbel wél zegt over homoseksualiteit

Auteur: Daniel A. Helminiak (vertaling en aanvulling Mark-Robin Hoogland)
Titel: Wat de Bijbel wél zegt over homoseksualiteit: Een kritische en spirituele herlezing
Uitgever: Berne Media, 2022
Prijs: € 19,95
ISBN: 978 90 8972 444 1
Aantal pagina’s: 175

Homoseksualiteit is een heikel onderwerp binnen de Kerk. Bisschop De Korte heeft het in zijn voorwoord over een zwaktebod dat dit onderwerp veelal vermeden wordt. Zij die homoseksualiteit veroordelen zwaaien vaak met de Bijbel, maar wat zegt de Bijbel hierover. De katholieke priester Daniel Helminiak heeft alle betreffende Bijbelteksten in kaart gebracht en becommentarieerd. Belangrijk is hoe lezen en vertalen wij de Bijbel. Doen we dat letterlijk, dat wil zeggen zoals wij de woorden vandaag begrijpen, of proberen we de tekst te plaatsen in de tijd waarin hij tot stand kwam. Gebaseerd op een heldere en goed te volgen argumentatie concludeert Helminiak dat er in de Bijbel geen argumenten tegen homoseksualiteit te vinden zijn.

Pater Mark-Robin Hoogland vertaalde het boek in het Nederlands en vulde het aan met zeven overwegingen. Zijn ervaringen als studentenpastor zijn voor hem daarbij een belangrijke bron van inspiratie. Het resultaat is een waardevol boek. Een aanrader voor ieder die met dit onderwerp worstelt.

Aandachtig leven; W 18,6-9; Hb 11,1-2.8-19: Lc 12,32-48

Het is vakantietijd. Op reis gaan, wegtrekken en weer thuiskomen zijn ook voor ons in deze tijd bekende activiteiten. Ook in de lezingen van vandaag horen we over deze begrippen. Het volk van Israël trekt weg uit Egypte. Zij gaan op weg naar het beloofde land, het land dat God voor hen bestemd heeft. Zij vertrouwen erop dat God zijn belofte nakomt. Vertrouwen: daar gaat de lezing uit de brief aan de Hebreeën over. Hier lezen we: “Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen…” Door het geloof vertrouwde Abraham erop dat hij en zijn erfgenamen hun bestemming zullen vinden in het land waar God hem naartoe leidt. Abraham en Sara zijn de vader en moeder van de gelovigen. Zijn zij de stamouders van joden, christenen en moslims. Zij hebben ons op het pad van het geloof gezet. Wij zijn hun nageslacht: “talrijk als sterren aan de hemel, ontelbaar als de zandkorrels aan het strand van de zee.”

De Hebreeënbrief geeft een uitvoerige opsomming van mensen uit het Oude Testament die geloofden. Mensen die overtuigd zijn van een werkelijkheid zonder dat ze die kunnen zien. De werkelijkheid is niet beperkt tot dat wat we kunnen zien, niet beperkt tot dat wat we wetenschappelijk kunnen aantonen, en ook niet beperkt tot dat wat wij ons als mensen kunnen voorstellen. De werkelijkheid bestaat los van ons mensen. Wij maken deel uit van de werkelijkheid, maar bepalen haar niet. Voor Abraham is het onvoorstelbare mogelijk. God heeft hem beloofd dat de nakomelingen van Isaäk een groot volk zullen vormen. Hij blijft in deze belofte van God geloven zelfs als hij Isaäk ten offer wil gaan brengen. Abraham heeft er nooit van gehoord dat er iemand uit de dood opstond. Hij kon zich niet voorstellen hoe de ten offer gebrachte Isaäk hem een groot nageslacht zal gaan geven. Toch gelooft Abraham dat God dit onvoorstelbare mogelijk zal maken.

Jezus spreekt zijn leerlingen moed in. Zij moeten nog leren te geloven dat het onvoorstelbare mogelijk is. God zal hen het Koninkrijk schenken. Zij zullen thuiskomen in het huis van de Vader. Zo zullen zij een onuitputtelijke schat verwerven. Dat vraagt dat zij aandachtig leven. Zij moeten paraat zijn – “de lendenen omgord en de lampen brandend” – zoals het volk van Israël klaarstond om uit Egypte weg te trekken. Aandachtig leven is leven in de aanwezigheid van God. Als we ons bewust zijn van Gods aanwezigheid, kijken we met de ogen van God. Dan zien we onze medemensen als Gods kinderen, als onze broeders en zusters. Dan zien we de schepping als het werk van Gods handen, als een kostbaar geschenk. Aandachtig leven is klaarstaan voor de komst van de Heer. Jezus spreekt in de parabel over zijn eigen terugkeer. Hoe zal Hij ons aantreffen: aandachtig levend of onverschillig voor wat er om ons heen gebeurt?

Al enige weken wordt onze aandacht gevraagd voor vluchtelingen en asielzoekers. Steeds vaker zien we beelden van mensen waarvoor geen bed beschikbaar is. Ze slapen op een stoel of zelfs buiten. Nederland is een van de rijkste landen van de wereld. Dat maakt ons extra verantwoordelijk. “Van ieder aan wie veel is gegeven zal veel worden geëist; en van hem aan wie veel is toevertrouwd zal des te meer worden gevraagd.”

Vluchtelingen en asielzoekers zijn weggetrokken uit hun land. Zij vertrouwen erop dat ze elders een nieuw thuis zullen vinden: een plek waar ze veilig zijn, een plek waar ze gelukkig kunnen worden, een plek waar ze een toekomst voor hun zelf en hun kinderen hebben. Het is een schande dat een rijk land als Nederland niet de moeite neemt om hun opvang goed te organiseren. Sterker nog dat men denkt door slechte opvang de komst van vluchtelingen en asielzoekers te kunnen afremmen. Zeker, dit is een dichtbevolkt land, maar zeker niet vol. Sterker nog, we komen veel mensen tekort. Allerlei bedrijven en instellingen kunnen hun werk niet doen door een tekort aan personeel.

Aandachtig leven is ook aandacht hebben voor vluchtelingen en asielzoekers, aandacht hebben voor hun hoop en geloof in een goede toekomst. Zien met de ogen van God, is Jezus herkennen in de vreemdeling. “De Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht.” Hij komt ook op een wijze waarop wij het niet verwachten. “Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.” (Mt 25,35) Of is dat toch teveel moeite? Amen.

Gebed; Gn 18,20-32; Kol 2,12-14; Lc 11,1-13

Een van de leerlingen vraagt Jezus: “Heer, leer ons bidden.” Jezus geeft de leerlingen het Onze Vader. De tekst die wij vandaag hoorden is korter dan de tekst die wij gewend zijn. Onze tekst is afkomstig uit het Evangelie volgens Matteüs. De versie die Lucas geeft is iets korter. Jezus leert ons hier dat ons gebed gebaseerd is op de liefdesband die er is tussen God en de mensen. Wij mogen God onze Vader noemen. Jezus introduceert een nieuw godsbeeld: God als onze liefdevolle Vader. De voorbeelden die Jezus noemt betreffen de relatie tussen een vader en zijn kinderen. Daarnaast is er ook het voorbeeld van de relatie tussen vrienden. Liefde kent vele vormen. Altijd is het een relatie tussen personen: goddelijke en menselijke personen.

Ons manier van bidden is direct verbonden met ons godsbeeld. Het gebed van Abraham is anders van karakter dan de wijze waarop Jezus ons leert bidden. Abraham heeft een verbond met God gesloten. Abraham doet wat God van hem vraagt en God zal hem vader van een groot volk maken. De verbondsgedachte is bepalend binnen het Oude Testament. Er zijn duidelijke afspraken tussen God en Israël, het uitverkoren volk. Binnen dergelijke afspraken past de manier waarop Abraham met God onderhandelt over de vernietiging van Sodom en Gomorra. De verbondsgedachte bepaalt zijn manier van bidden.

Jezus leert ons dat God liefde is. Hijzelf is de mensgeworden liefde. Met Hem zijn wij innig verbonden. Paulus schrijft hierover in zijn brief aan de Kolossenzen. Door het Doopsel zijn wij nieuwe mensen geworden. Zoals Jezus door de dood heen tot nieuw leven kwam, zo zijn wij door het water van het Doopsel tot een nieuw leven gekomen. Het oude leven van de zonde is begraven. Door het kruis van Jezus Christus zijn wij verlost. Wij zijn door Hem bevrijd. Door ons leven in en met Jezus zijn wij in staat werkelijk lief te hebben.

Leerling zijn van Jezus is ons steeds meer met Hem verbinden. Door Hem ontdekken wij onze verbinding met God. Jezus maakt ons duidelijk dat deze relatie met God veel meer is dan een afhankelijkheidsrelatie en veel meer dan een verbond. Onze relatie met God is bovenal een liefdesrelatie. Hij heeft ons geschapen uit liefde. En Hij schenkt ons zijn liefde onophoudelijk. Liefde vraagt om een antwoord. Wij kunnen Gods liefde beantwoorden met onze liefde voor Hem en met onze liefde voor elkaar. Als kinderen van eenzelfde Vader zijn wij geroepen tot liefde voor elkaar.

Geliefden zoeken elkaars nabijheid. Zo wil God ons nabij zijn en zoeken wij zijn nabijheid. Bidden is vorm geven aan dit zoeken naar nabijheid. In het gebed delen wij ons lief en leed met God. Als een liefhebbende Vader zal Hij ons geven wat we nodig hebben. Bidden kent vele vormen, zoals wij ook op verschillende manieren onze verbondenheid met elkaar beleven. Met de een is er een grote intimiteit, bij de ander meer afstand. We zijn met elkaar verbonden door een gesprek, door samen te eten en te drinken, door samen spelletjes te doen of samen te wandelen, door samen een klus te klaren en ga zo maar door.

Zo zijn er ook vele vormen van bidden. Het kan alleen of in gemeenschap, in stilte zwijgend of luid roepend of zingend. We kunnen bidden voor anderen, voor onszelf of voor de schepping en de wereld. Het kan in de kerk, bij het Allerheiligste, het kan thuis aan tafel of in bed, het kan in de auto in de file of wandelend in de natuur. Voor iedereen en op ieder moment is er een passende wijze van bidden. Bidden is leven in het aangezicht van God. Bidden is leven in verbondenheid met zijn Zoon Jezus. Amen.

De oogst is groot; Js 66,10-14c; Gal 6,14-18; Lc 10,1-12.17-20

Vorige week hoorden we hoe Jezus op reis gaat naar Jeruzalem. Het verhaal over de reis naar Jeruzalem is een belangrijk onderdeel van het Evangelie volgens Lucas. Tijdens deze reis verkondigt Jezus de Blijde Boodschap. Tot het feest van Christus Koning lezen we uit dit reisverhaal. Vandaag horen we hoe Jezus tweeënzeventig leerlingen op pad stuurt. Hij zendt hen twee aan twee naar de steden en de plaatsen die Hij zelf van plan is te bezoeken. Zij bereiden de mensen voor op de komst van Jezus. Zij kondigen de komst van Jezus aan. Zij kondigen de komst van het Rijk Gods aan.

De eerste lezing helpt ons de tekst van het Evangelie te begrijpen. Jezus zegt: “De oogst is groot.” Jesaja profeteert: “Als een rivier leid Ik de vrede naar haar toe, en als een onstuimige stroom de schatten der volken.” Jesaja schetst ons een beeld van de overvloedigheid van het Rijk Gods. Er zijn veel arbeiders nodig deze grote oogst binnen te halen en uit te delen. De tweeënzeventig leerlingen doen dit door vrede te brengen, zieken te genezen en demonen uit te drijven.

Vol vreugde keren zij terug van hun opdracht. In Jezus’ naam hebben ze duivels aan zich kunnen onderwerpen. Zij waren in staat het kwaad te bestrijden. Ook wij zijn geroepen om als leerlingen van Jezus de overvloedigheid van het Rijk Gods uit te delen. Mogelijk is uw eerste gedachte daarbij dezelfde als de mijne. Ik heb ik niet direct de indruk dat ik bezig ben het kwaad te bestrijden en in Jezus’ naam duivels te onderwerpen.

Wat ik wel ervaar is de vreugde die het mensen brengt te mogen delen in de Blijde Boodschap, de vreugde te mogen deelnemen in het Rijk Gods. Een voorbeeld. Een aantal keren per jaar mag kinderen dopen. Dat brengt altijd grote vreugde bij de ouders. Zij zijn echt blij te horen dat hun kind een kind van God is. Ruim een maand geleden doopte ik een jongetje van drieënhalf jaar. Ik keek hem indringend aan en vertelde hem dat hij een kind van God is. De boodschap drong tot hem door. Hij werd er echt blij van en hij reageerde door zijn duim op te steken. Hoe blij kan een kind zijn met de titel ‘kind van God’?

Zoals de meesten van ons ben ook ik gedoopt toen ik pas geboren was. Mijn hele leven ben ik katholiek geweest. Ik weet niet hoe het is om ongelovig te zijn. Hoe anders is dit bij mensen die op latere leeftijd christen worden. Zij hebben bewust een verandering in hun leven meegemaakt. Zij hebben ervaren hoe het is zonder God te leven. Zij kennen de leegte van een goddeloos bestaan. Zij kunnen u vaak wel vertellen hoe het geloof hen geluk en vreugde bracht.

Zo zien we hoe geluk en vreugde en het kwaad met elkaar te maken hebben. De leegte van een goddeloos bestaan is het grote kwaad van onze tijd. De filosoof Nietzsche verwoordde dit ruim honderd jaar geleden met de uitspraak ‘God is dood’. Als God uit het leven van mensen verdwijnt, verdwijnt daarmee voor velen ook de waarde van het goede, het schone en het ware. Wat rest is een leeg bestaan dat gevuld wordt met louter consumeren. Genieten wordt dan het hoogste doel in het leven, een leven waarin het erom gaat onmiddellijk te doen waar je zin in hebt.

Jezus zegt tegen zijn leerlingen: “Ik heb u macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden, te heersen over heel de kracht van de vijand; en niets zal u kunnen schaden.” Wij hoeven geen angst te hebben. Wij hoeven niet bang te zijn voor het kwaad. Maar Jezus zegt ook: “Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.” Het kwaad is de wereld niet uit. Zoals we op onze hoede moeten zijn voor onweer, voor blikseminslag, zo moeten we ook op onze hoede zijn voor het kwaad. Zoals de bliksem kan inslaan zo kan ook het kwaad in ons leven toeslaan. Een levensstijl gericht op alleen maar consumeren en genieten kan ook ons ertoe verleiden God uit het oog te verliezen en geen oog meer te hebben voor het goede, het schone en het ware. Ook wij kunnen vervallen in zelfgenoegzaamheid.

Alleen het Rijk Gods brengt ons werkelijk vreugde en geluk. Alleen de weg van Jezus leidt ons tot onze bestemming. Alleen de liefde voor God en voor de medemens is het doel van ons leven. Jesaja laat ons zien welke vreugde dit brengt. De apostel Paulus noemt het Rijk Gods de nieuwe schepping. Wij worden geroepen nieuwe schepping te zijn. Dan komen vrede en barmhartigheid over ons. Jezus roept ons op deze Blijde Boodschap aan allen te verkondigen. Hij roept ons op alle mensen tot zijn leerlingen te maken. Het kwaad zal ons daar niet van kunnen weerhouden. De oogst is groot en wij mogen daarin delen en van uitdelen. Amen.

Sacramentsdag; Gn 14,18-20; 1 Kor 11, 23-26; Lc 9, 11b-17

“Geeft gij hun maar te eten.” Jezus nodigt ons uit te delen. We vieren Sacramentsdag. We vieren de instelling van de Eucharistie. We gaan terug naar Witte Donderdag, naar het laatste avondmaal op de avond voor het lijden en sterven van Jezus. Paulus schrijft: “Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt verkondigt gij de dood des Heren totdat Hij wederkomt.” In de Eucharistie vieren wij telkens weer het mysterie van Pasen: het mysterie van ons geloof in de verrezen Christus. Hij die voor ons zijn leven gaf, is door God tot leven gewekt. En Hij zal terugkeren aan het einde der tijden. Jezus Christus gaf zijn leven voor ons. Hij ging in zijn liefde voor ons mensen tot het uiterste toe. Hij gaf zijn leven om ons leven te geven. Hij maakte ons vrij om in liefde met en voor elkaar te leven.

In het Evangelie horen we hoe Jezus de apostelen vertelt dat de liefde voor de medemens om concrete daden vraagt. “Geeft gij hun maar te eten.” Hij vraagt hen niet hun overvloed met de anderen te delen. Nee, Hij vraagt hen vanuit hun armoede te delen. Ze hebben slechts vijf broden en twee vissen. Als je rijk bent en leeft in overvloed kun je gemakkelijk wat missen. Het is zelfs de vraag of je iets zult missen als je een klein deel van je rijkdom weggeeft. Vijf broden en twee vissen is voor Jezus en de twaalf apostelen echt een zeer sobere maaltijd. Vanuit die armoede vraagt Jezus hen te delen. Zij zullen werkelijk wat gaan missen.

Op deze wijze laat Jezus ons zien wat liefde werkelijk is. Liefde kent geen grenzen. Liefde is oneindig. Liefde opent een geheel nieuwe werkelijkheid. Liefde brengt ons op een hoger plan. Liefde creëert een nieuwe vorm van rijkdom en overvloed. Liefde kent ook niet de grens van de dood. Dit geldt ook voor de liefde van Christus voor ons. Zijn liefde, Gods liefde is onbegrensd. Als teken van zijn blijvende liefde voor ons gaf Jezus ons het teken van Brood en Wijn. Hij deelt zijn Lichaam en Bloed met ons. Hij geeft ons Brood ten leven. Hij laat ons delen in zijn eigen bestaan, in zijn eigen leven. Wij mogen leven in zijn goddelijke liefde, in zijn goddelijke rijkdom en overvloed. Jezus gebruikt de tekenen van brood en wijn. Brood als symbool voor ons dagelijks voedsel, brood dat wij lichamelijk nodig hebben om te leven. Daarnaast is er de wijn als symbool voor de vreugde, wijn als symbool voor de goddelijke overvloed die ons ten deel valt.

Bij delen gaat het niet alleen om geven. Het gaat ook om ontvangen. Liefde is de basis van het delen. Liefde vraagt altijd twee partijen. Liefde is alleen mogelijk in een relatie. Ook delen vraagt om een relatie. Wie niet kan ontvangen, kan ook niet geven. Wie onafhankelijk wil zijn, kan een ander niet ondersteunen. Delen is niet alleen het verdelen van geld en goed. Delen is ook deelnemen aan, delen in en deel zijn van. Wij mogen deel zijn van een gemeenschap. We mogen deel zijn van het Lichaam van Christus. Hij geeft ons zijn liefde. Wij mogen zijn leerling zijn. Zo zijn we geroepen te delen in zijn goddelijk leven.

Jezus zegt ons “Geeft gij hun maar te eten.” Jezus roept ons op het Brood dat Hij geeft door te geven. Hij roept zijn leerlingen, Hij roept ons op zijn liefde te delen met onze medemens. “Geeft gij hun maar te eten.” Samen eten is gemeenschap vormen. Jezus vraagt ons relaties met andere mensen aan te gaan. Hij vraagt ons gemeenschap te vormen met de anderen. Hij vraagt ons een netwerk van liefde op te bouwen. Elders in zijn brief schrijft Paulus dat wij allen één lichaam vormen doordat we allen deel hebben aan het ene brood. (1 Kor 10,17) Samen Eucharistie vieren is vieren dat we een gemeenschap vormen, dat wij samen als Kerk een netwerk van liefde vormen.

“Geeft gij hun maar te eten.” Wij worden uitgenodigd ons te verbinden met de anderen. We worden uitgenodigd tot een netwerk van liefde. Een netwerk van solidariteit en barmhartigheid. Als we delen in deze gemeenschap, delen we in het Lichaam van Christus en verbinden wij ons met Hem. Als we delen met anderen, geven we concreet vorm aan de liefde waartoe wij geroepen zijn. Als we delen, geven we van wat wij ontvangen. Als we delen komen we werkelijk tot leven. Als we delen worden we gelukkige mensen. Amen.