Spring naar inhoud

Waar is God? 1 K 19,9a.11-13a; Rom 9,1-5; Mt 14,22-33

Elia is op de vlucht. Hij is bang zijn leven te verliezen. Hij zoekt steun bij God. Hij hoopt rust te vinden bij de berg Horeb, de berg van God. Hij vindt God niet in de storm, niet in de aardbeving en niet in het vuur. In het natuurgeweld vindt Elia God niet, maar in de zachte bries is God voor Elia aanwezig.

In de rust vinden we God en God geeft ons rust. Wij mensen denken graag in termen van oorzaak en gevolg. Alles moet een oorzaak en een reden hebben. Er moet altijd iets vooraf zijn gegaan. Zo kunnen we ons ook de vraag stellen: Brengt de rust ons tot God of brengt God ons rust? Het is een kip-en-eiprobleem. Wat was er eerder de kip of het ei? De rust brengt ons tot God en God brengt ons rust. Beide zijn waar. Een ontmoeting is nooit eenzijdig. God zoekt ons maar er is geen ontmoeting als wij ons er niet voor open stellen, als wij niet de rust nemen voor de ontmoeting. Wij zoeken God. Wij zoeken vertrouwen en rust in ons leven. Wij kunnen God ontmoeten omdat Hij altijd voor ons klaar staat.

In het Evangelie horen we over de tegenwind die de leerlingen op het meer ervaren. Ook in ons leven kan het flink stormen en is er vaak tegenwind. Mijn vader nam van zijn grootmoeder de schipperswijsheid over, dat je op het water en ook in het leven de meeste tijd tegenwind hebt: In het Fries luidt dat: “De measte einen binne tsjin ‘e wyn yn.” Tegenslag is een wezenlijk onderdeel van ons leven. Juist op die momenten zoeken wij God en zoeken wij houvast. Petrus roept vol overtuiging “Heer, red mij!” Het zijn woorden van geloof, maar het zijn ook woorden van twijfel. Juist in onze nood is er ook twijfel en ongeloof. Juist dan hebben wij er moeite mee Gods aanwezigheid te ervaren.

Waar was God in Auschwitz? Waar was God in Hiroshima? Velen hebben er moeite mee om dergelijke gebeurtenissen uit de geschiedenis te verenigen met hun beeld van de almachtige God. Ook gebeurtenissen uit de persoonlijke levensgeschiedenis kunnen op deze wijze tot ongeloof leiden. Onze manier van denken over God zorgt ervoor dat we God niet zien. Omdat God niet doet wat wij van Hem verwachten zien we Hem niet. maar dat wil niet zeggen dat Hij er ook niet is.

God was er in de storm, in de aardbeving en in het vuur. Elia was niet in staat Hem daar te zien. Elia had rust nodig en zo vond Hij God in de zachte bries. Ook bij Paulus gaat het niet van een leien dakje. Vorige week hoorden we nog: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?” Een paar regels verder in zijn brief schrijft Paulus: “in mijn hart is grote droefheid en een pijn die niet ophoudt”. Paulus heeft het er erg moeilijk mee dat zijn volksgenoten, zijn broeders – dat zijn de Joden – zich niet tot Jezus Christus bekeren. Het verhaal van Petrus is bekend. Hij heeft hier nog een lange weg te gaan. Telkens weer blijkt de weg van Jezus, de weg van God een andere te zijn dan Petrus zich voorstelt.

God was in Auschwitz. God was in Hiroshima. God is er als wij tegenwind hebben. God is er als het stormt in ons leven. God is er als wij in nood zijn. Jezus zegt ons bij zijn Hemelvaart: “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.” Leerling zijn van Jezus houdt in dat wij hierop vertrouwen, dat we leren te zien hoe in Jezus God ons altijd nabij is

U kent ongetwijfeld het gedicht ‘Voetstappen in het zand’. De dichter kijkt terug op haar leven, een leven met God. In het zand ziet ze twee sporen: een van haarzelf en een van God die met haar meeloopt. Maar op de moeilijke momenten in haar leven is het maar één paar voetstappen. Zij vraagt zich af: God waar was je toe ik het moeilijk had. God antwoordt haar: “Mijn lieve kind, toen het moeilijk was, toen heb ik jou gedragen…” Amen.

Wat is wijsheid? Js 55,1-3; Rom 8, 35.37-39; Mt 14,13-21

Jezus weet veel mensen op de been te brengen. Het is een grote menigte die Hem vanuit de steden achterna gaat. Dat zien we vaker: iemand die veel mensen weet aan te spreken. Dat kan goed uitpakken, maar het kan ook tot het kwade leiden. We kennen de volksmassa’s eind jaren dertig in Duitsland. We kennen ook de betogingen onder leiding van Martin Luther King. In ons land zien we bijeenkomsten op het Malieveld in Den Haag en op de Dam in Amsterdam. Hoeveel waarheid en hoeveel wijsheid wordt er dan verkondigd?

Wat moeten we denken van de lezingen van vandaag. Het klinkt nogal populistisch. Jesaja roept: “Komt kopen, geniet zonder geld en zonder te betalen. Komt kopen wijn en melk.” Jezus laat aan duizenden mensen gratis brood en vis uitdelen. Het kan niet op!

De afgelopen zondagen hoorden we Jezus gelijkenissen vertellen. Toen leerden we Hem kennen als een wijsheidsleraar. Ook in de eerste lezingen ging het toen over wijsheid. Vandaag zien we een andere Jezus. Vandaag geeft Hij te eten in overvloed. Of is het toch dezelfde Jezus? We lezen fragmenten uit het Evangelie. Na de gelijkenissen die we afgelopen weken lazen, schrijft Mattheüs eerst nog over de reacties die daarop volgen. In Nazareth, de geboortestad van Jezus, zijn ze bepaald niet enthousiast: “Waar heeft Hij die wijsheid vandaan en de macht om wonderen te doen? Is Hij niet de zoon van de timmerman?” Jezus roept duidelijk nogal tegengestelde reacties op.

Hoe weten we dat iemand wijsheid verkondigt. Juist in onze tijd is onderscheidingsvermogen belangrijk. We worden overstelpt met informatie. Hoe vinden we daarin onze weg?

Een week geleden schreef iemand in De Volkskrant over de menselijke zoektocht naar wijsheid. Hij bepleit dat we nieuwe moderne wijsheden moeten formuleren. We moeten op zoek naar wijsheden die de toets van de wetenschap kunnen doorstaan. We moeten niet kritiekloos de klassieken zoals Aristoteles en Augustinus volgen. Op het eerste gezicht klinkt het aannemelijk. Bij de klassieke filosofen komen we ook ideeën tegen die we nu verwerpen. Denk aan ideeën over slavernij en over de plaats van de vrouw in de samenleving.

De wijsheidsboeken in het Oude Testament bevatten veel wijsheden die duidelijk gebaseerd zijn op de jarenlange ervaring van mensen. Ze zijn niet wetenschappelijk onderbouwd maar men had ervaren dat het werkte. In die zin beweerde de schrijver niets nieuws. Toch werd ik niet blij van dit artikel. Alles werd teruggebracht tot wijsheid en waarheid die wetenschappelijk aantoonbaar is. Alleen dan zou er sprake zijn van werkelijke wijsheid.

Ruim tien jaar geleden schreef paus Benedictus XVI de encycliek ‘Caritas in veritate’: Liefde in waarheid. De begrippen liefde en waarheid staan centraal in deze encycliek. Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar. Volgens de paus wordt liefde zonder waarheid sentimentaliteit, staat zij los van kennis en ervaring en is er geen sprake van solidariteit en verantwoordelijkheid. Bij waarheid zonder liefde wordt alles enkel technologie en nuttigheid. Zonder liefde wordt wetenschap onmenselijk. De liefde richt haar juist op de mens en de menselijke waardigheid.

Jesaja en Jezus leren ons hoe waarheid en liefde met elkaar verbonden zijn. Jesaja tekent een beeld van de Messiaanse tijd, van Gods heerschappij op aarde, van het Rijk Gods. Dan is er overvloed niet alleen aan water en brood, maar ook aan wijn en melk: tekenen van weelde en vreugde. God de Heer zelf is onze gastheer. Hij laat ons delen in zijn gastvrijheid, delen in zijn liefde. Jezus leert ons zelf ook gastvrij te zijn. Hij zegt tegen zijn leerlingen en daarmee tegen ons: “Geeft gij hun maar te eten.” Jezus geeft het brood aan zijn leerlingen en die geven het weer aan het volk. De volgelingen van Jezus zijn nauw betrokken bij het uitdelen van het brood, bij het geven van gastvrijheid, het geven van liefde.

Werkelijke wijsheid geeft niet alleen maar kennis en inzicht. Werkelijke wijsheid smeedt ook banden van liefde. Paulus schrijft: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?” Zijn liefde en wijsheid verbindt ons met Hem.

Paus Benedictus schrijft dat we liefde in waarheid vinden bij Jezus Christus. In Hem is liefde in waarheid werkelijkheid geworden. Hij roept ons op onze broeders en zusters in waarheid lief te hebben. Hijzelf is de Waarheid. Dit jaar is door onze bisschop uit geroepen tot het Jaar van Woord van God. Het Woord van God vinden wij in de Bijbel. Het Woord van God is de Wijsheid die vanaf het begin bij God was. Het is deze wijsheid waarover de apostel Johannes schrijft: “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Jezus Christus zelf is het Woord van God. Hij is de mensgeworden wijsheid. Onze verbondenheid met Jezus Christus geeft ons het onderscheidingsvermogen dat we nodig hebben om werkelijke wijsheid te herkennen. Amen.

Menselijke waardigheid

De dood van George Floyd door politiegeweld heeft de wereld in beroering gebracht. Ook in ons land zijn er vele demonstraties die de aandacht vestigen op wat onze premier het ‘systemisch probleem’ van racisme noemt. Verreweg de meeste Nederlanders zijn geen racisten, maar velen van ons reageren op mensen met een andere huidskleur anders dan op mensen met dezelfde kleur. Waar wordt ons gedrag een ‘systemisch probleem’?

Dat wij ons meer op ons gemak voelen bij mensen met een soortgelijke achtergrond als wijzelf hebben, is een normaal menselijk verschijnsel en is ook geen probleem. Wij voelen ons meer met elkaar verwant naarmate we meer met elkaar gemeen hebben. Problematisch wordt het wanneer we iemand op een enkel kenmerk indelen in een groep en vervolgens als lid van die groep beoordelen. Het begint al dicht bij huis. Denk aan de rivaliteit tussen naburige plaatsen: mensen uit Leidschendam zijn toch echt anders dan wij Voorburgers. Het wordt echt problematisch als kinderen met een andere kleur systematisch een lager schooladvies krijgen, als bedrijven medewerkers met een andere kleur liever niet in dienst nemen, als verhuurders geen huurders met een andere kleur willen, als we op verjaardagen neerbuigend en stigmatiserend over bepaalde bevolkingsgroepen praten et cetera.

De sociale leer van de Kerk kent het begrip menselijke waardigheid. De mens is geschapen naar het beeld van God. Zo zijn alle mensen gelijkwaardig ongeacht hun kleur, is er geen verschil tussen man en vrouw, arm en rijk en is er geen sprake van rangen en standen. Gaandeweg is het begrip menselijke waardigheid een groeiende rol gaan innemen in het denken van de Kerk. Paus Johannes XXIII introduceerde het begrip personalisme. Ieder mens is een persoon, een wezen begaafd met verstand en vrije wil. Iedereen heeft rechten en plichten direct verbonden met het mens-zijn. De rechten van iedere mens zijn algemeen, onschendbaar, absoluut en onvervreemdbaar. Het gaat om de waardigheid van alle mensen.

Mogelijk komt een van uw beste vrienden uit Leidschendam. Dat zegt echter weinig over uw denken over de andere inwoners van Leidschendam. Dit voorbeeld uitbreiden naar mensen met een andere huidskleur, een andere godsdienst en andere seksuele voorkeur laat ik aan uzelf over. Vaak maken we onderscheid tussen mensen die we goed kennen en mensen op grotere afstand. Naarmate mensen verder van ons afstaan, gaan we ze meer zien als lid van een groep en daar begint het probleem.

Pier Tolsma, diaken

 

Artikel in het maandblad van de KBO Voorburg, Contact juli 2020

Leerling zijn; Mt 5,10-12

“Zalig die vervolgd worden
om de gerechtigheid,

want hun behoort
het Rijk der hemelen.
Zalig zijt gij,
wanneer men u beschimpt,

vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil:
Verheugt u en juicht,
want groot is uw loon in de hemel.

Zo immers hebben ze de profeten vervolgd die voor u geleefd hebben.”

We hebben gesproken over leerling van Jezus zijn en leerlingen maken. We zagen dat beide sterk met elkaar samenhangen. Door te leven als leerling van Jezus wekken wij bij anderen het verlangen op om ook zijn leerling te worden. Leerlingen maken doen we vooral door zelf leerling te zijn. Vandaag zien we dat leerling zijn van Jezus niet alleen maar rozengeur en maneschijn is. Jezus laat ons weten dat het ook gepaard gaat met beschimping, vervolging en kwaadsprekerij.

Twee jaar geleden schreef Paus Franciscus over de roeping tot heiligheid in de exhortatie Gaudete et exsultate: Verheugt u en juicht. De paus bespreekt de zaligsprekingen als de weg voor de christen, de weg van heiliging. Het is een weg die tegen de stroom in gaat. De paus schrijft: “De zaligsprekingen zijn als de identiteitskaart van de christen.” (63) “Het woord ‘gelukkig’ of ‘zalig’ wordt zo een synoniem voor ‘heilig’. Het geeft uitdrukking aan het feit dat zij die God trouw zijn en zijn woord naleven, door hun zelfgave het werkelijke geluk verkrijgen.” (64) “Hoewel de woorden van Jezus ons poëtisch mogen raken, zij gaan duidelijk in tegen de manier waarop de dingen gewoonlijk in onze wereld gaan. (…) We kunnen ze alleen praktiseren wanneer de heilige Geest ons met zijn kracht doordringt en ons bevrijdt van onze zwakheid van zelfgerichtheid, gemak en trots.”(65)

Over de laatste twee zaligsprekingen schrijft de paus: “Jezus zelf waarschuwt ons dat de weg die Hij voorstelt tegen de stroom ingaat. Het gaat zelfs zo ver dat wij mensen worden die met hun leven de maatschappij ter discussie stellen, personen worden die ontregelen.” (90) “Wij moeten nooit vergeten dat als het Nieuwe Testament ons over het lijden vertelt dat wij omwille van het Evangelie moeten verdragen, het juist over vervolging gaat.” (92) “Vervolgingen zijn geen zaak van het verleden; ook tegenwoordig ondergaan wij hen, of op de bloedige wijze zoals vele martelaren van onze tijd of op de subtielere wijze door laster en leugen.” (94)

Mensen krijgen een ongemakkelijk gevoel als ze zien hoe christenen leven volgens de zaligsprekingen. Het roept een reactie op, een reactie van verlangen of van afwijzen. Mensen worden er door geraakt of raken er juist door geïrriteerd. Ook in onze eigen omgeving zien we in toenemende mate dat mensen zich keren tegen de christelijke waarden. Men maakt ons belachelijk en beschimpt ons.

Leven volgens de zaligsprekingen maakt vrij. Zij bevrijdt ons van het geluk te zoeken in bezit, genietingen en piekervaringen. Het gaat bij deze zaligsprekingen niet om zelfmedelijden of een slachtofferrol. De weg van Jezus is waardevoller dan wat de wereld ons te bieden heeft. Het lijden dat ermee gepaard kan gaan, is deel van onze weg naar ons eigen Pasen. Amen.

Leerling zijn; Hnd 2,42.44-47

De eerste christenen legden
zich ernstig toe
op de leer der apostelen,

bleven trouw
aan het gemeenschappelijk leven

en ijverig in het breken
van het brood en in het gebed.
Allen die het geloof
hadden aangenomen,

waren eensgezind
en bezaten alles gemeenschappelijk;

ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen
en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte.
Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel,
braken het brood in een of ander huis,
genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van het hart, loofden God
en stonden bij het hele volk in de gunst.

En elke dag bracht de Heer er meer bijeen, die gered zouden worden.

Afgelopen keren ging het over het leerlingen maken, het opwekken van verlangen en de noodzaak om Jezus te ontmoeten. We hoorden hoe Jezus de eerste leerlingen uitnodigt bij Hem op bezoek te gaan. Hoe de leerlingen Jezus vinden en op hun beurt anderen naar Jezus leiden. Door Jezus te volgen leren zij gaandeweg wat het inhoudt leerling van Jezus te zijn en wat het betekent als Jezus zegt: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” (Joh 14,6)

Vandaag zien we het resultaat van de getuigenis die Petrus op Pinksteren gaf na het ontvangen van de heilige Geest. De eerste christenen vormden een gemeenschap die gebaseerd was op wederzijdse liefde. Ze waren eensgezind. Ze deden alles samen en deelden alles met elkaar. Binnen deze gemeenschap stond Jezus centraal: dagelijks braken zij het brood in een of ander huis. Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen. Zo leerden ze over Jezus en over zijn Blijde Boodschap. Ze waren ijverig en trouw. Ze leefden in blijdschap en eenvoud van hart. Kortom ze vormden een gemeenschap van gelukkige mensen. Deze wijze van leven bracht hen redding. Deze gemeenschap van leerlingen van Jezus stond in de gunst bij het hele volk. Hun levenswijze was aanstekelijk. “Elke dag bracht de Heer er meer bijeen.”

Lucas schrijft het boek Handelingen zo’n veertig jaar later. Het idealisme van het begin heeft niet overal stand weten te houden. Zo schrijft Paulus over dronkenschap en schranspartijen in plaats van gezamenlijk de maaltijd in vreugde te genieten en alles te delen met elkaar. Ook de gunst van het hele volk heeft geen stand gehouden. De christenen hebben te maken met vervolgingen zowel vanuit het jodendom als door de Romeinse machthebbers. Net als in onze tijd was het voor Lucas een noodzaak te herinneren aan de idealen van het begin. Ook voor ons geldt dat we ons steeds weer moeten bezinnen op de betekenis van de woorden van Jezus: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Ook wij moeten herinnerd worden aan het idealisme van het begin.

Door onze levenswijze te spiegelen aan de levenswijze van de eerste christenen leren we wat het betekent een leerling van Jezus te zijn, wat het betekent Hem te volgen. Hoe aanstekelijk is onze levenswijze? Hoezeer staan wij in de gunst van onze omgeving? Weten wij werkelijk bij anderen het verlangen te wekken om ook de weg van Jezus te gaan?

Morgen volgt de laatste overweging in deze serie. Morgen lezen we uit de zaligsprekingen. Wat betekent het om als leerling van Jezus beschimpt en vervolgd te worden. Amen.

Leerling zijn; Joh 1,43.45-48

Toen Jezus in die tijd
naar Galilea wilde vertrekken,

trof Hij Filippus aan
en zei tot hem: “Volg Mij.”

Filippus ontmoette Natanaël
en zei hem:
“Degene over wie
Mozes in de Wet geschreven heeft
en ook de profeten,

Hem hebben wij gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.”
Natanaël smaalde: “Uit Nazaret, kan daar iets goeds vandaan komen?”
Waarop Filippus antwoordde: “Kom dan kijken.”
Jezus zag Natanaël naar zich toekomen en zei, doelend op hem:
“Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!”
Natanaël zei tot Hem: “Hoe kent Gij mij?”
Jezus gaf hem ten antwoord:
“Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom zitten.”
Toen zei Natanaël tot Hem:
“Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël.”
Jezus antwoordde: “Omdat Ik u zei dat Ik u onder de vijgenboom zag, gelooft ge?
Gij zult grotere dingen zien dan deze.”

Vorige week ging het over het leerlingen maken, het opwekken van verlangen en de noodzaak om Jezus te ontmoeten. We hoorden hoe Jezus de eerste leerlingen, Jacobus en Johannes, uitnodigt bij Hem op bezoek te gaan. Aansluitend volgt de roeping van Petrus. Petrus is door Jacobus naar Jezus toegestuurd. Dan volgt de tekst die we vandaag hebben gelezen.

Jezus roept Filippus met de eenvoudig oproep “Volg Mij.” Vermoed wordt dat Petrus Filippus op de weg van Jezus bracht. Filippus op zijn beurt vertelt Natanaël over Jezus. Het proces herhaalt zich een aantal malen. Iemand ontdekt Jezus, hij vertelt het aan iemand anders, die vervolgens ook Jezus ontdekt en het weer verder doorverteld. Het is niet Jezus die leerlingen zoekt. Het zijn de leerlingen die Jezus vinden. Vervolgens roept Jezus hen op Hem te volgen. De leerlingen vinden Jezus. Jezus kent hen echter al voordat zij Hem ontdekken. Dit blijkt uit het verhaal over Natanaël. “Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom zitten.”

Wij mensen mogen in alle vrijheid Jezus vinden. Wij zijn vrij Hem te zoeken en ons bij Hem te melden. Jezus wacht op ons. Hij weet al wie we zijn en wacht geduldig af. Als wij dan naar Hem toe komen, worden wij liefdevol door Hem ontvangen. En na die concrete kennismaking met elkaar volgt de roeping: “Volg Mij.” Als we Jezus werkelijk gaan volgen, begint het pas echt: “Gij zult grotere dingen zien dan deze.” De leerlingen gaan met Jezus op pad. Ze trekken naar Galilea om daar de Blijde Boodschap te verkondigen. En ze volgen Hem weer op zijn weg naar Jeruzalem.

In Jeruzalem zal hen blijken wat het werkelijk betekent om Jezus te volgen. Hier zal blijken wat het betekent zijn leerling te zijn. Bij het laatste Avondmaal horen zij Jezus zeggen: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” (Joh 14,6) De daarop volgende dag wordt duidelijk waar zijn weg van liefde toe kan leiden. Dan wordt duidelijk dat Hij zijn weg van liefde tot het uiterste gaat.

Door Jezus te volgen, door zijn weg te gaan ontdekken we wat werkelijk leven en liefde betekent. Door zijn leerling te zijn komen we op het spoor van de waarheid. Door leerling te zijn ontdekken wat het mysterie van ons leven inhoudt. Door de weg van de liefde te volgen vinden we God in ons leven. Door Jezus te volgen worden we goede en gelukkige mensen.

Komende donderdag horen we hoe de leerlingen de Kerk gaan vormen en hoe de eerste christenen de opdracht van Jezus gestalte geven. Amen.

Menselijke waardigheid; Jr 20,10-13; Rom 5,12-15; Mt 10,26-33

In de eerste lezing horen we dat Jeremia zich opgejaagd voelt. Zelfs zijn vrienden willen hem ten val brengen. In onze tijd zijn er velen die zich opgejaagd voelen. Vele mensen slaan werkelijk op de vlucht voor oorlog en geweld. Mensen worden vervolgd vanwege hun geloof en overtuiging. Anderen worden gediscrimineerd vanwege hun huidskleur. Mensen met schulden worden belaagd door hun schuldeisers.

Ook de leerlingen van Jezus vrezen vervolging. Jezus zegt hen: “Weest niet bang voor de mensen.” We vallen vandaag binnen midden in een gesprek van Jezus met zijn leerlingen. In het voorafgaande zendt Hij hen uit om het Koninkrijk de hemelen te verkondigen en geeft hen allerlei aanwijzingen en goede raad mee. Jezus heeft hen ook moed ingesproken en gezegd dat ze vertrouwen mogen hebben. Ze hoeven niet bang te zijn. De Vader in de hemel zal hen behoeden voor het kwaad. Zij zijn toch meer waard dan een zwerm mussen.

In de ogen van God is iedere mens van onschatbare waarde. Iedere mens is door Hem uit liefde geschapen. Iedere mens is geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Dit is de kern van onze menselijke waardigheid. Het begrip menselijke waardigheid is een centraal begrip in de sociale leer van de Kerk. De waardigheid van iedere mens en van heel het menselijke leven vormt de basis voor het katholieke denken over de samenleving.

De mens is geschapen naar het beeld van God. Zo zijn alle mensen gelijkwaardig aan elkaar ongeacht hun kleur. Zo is er geen verschil tussen man en vrouw, tussen arm en rijk en tussen jong en oud. Zo is er geen sprake van rangen en standen. Mensen zijn niet van waarde vanwege hun prestatie. Ze zijn niet van waarde vanwege hun nuttigheid. Het gaat er niet om wat zij bijdragen aan de samenleving. Het enige wat telt is hun bestaan. Het bestaan van iedere mens geeft hem zijn waardigheid elk moment van zijn leven. Het is Gods liefde voor de mens die de basis vormt van zijn waardigheid. Deze liefde stopt niet wanneer de mens zondigt. Ook al is de mens zelf een veroorzaker van kwaad, dat betekent niet het einde van Gods liefde voor ons.

In de brief van Paulus lezen we dat ondanks onze misstappen Gods genade overvloedig is. Deze overvloedige genade van God heeft gestalte gekregen in de ene mens Jezus Christus. Door het leven, lijden en sterven van Jezus zijn wij niet langer in de macht van de dood, in de macht van het kwaad. Hij heeft het kwaad overwonnen en zo heeft Hij ons onze waardigheid teruggegeven.

In deze tijd zijn er diverse zaken aan de orde waarbij we het begrip van de menselijke waardigheid nodig hebben om ons een oordeel te kunnen vormen. Overal waar mensen zich opgejaagd voelen, zich aan de kant gezet voelen is er sprake van een aantasting van de menselijke waardigheid. Ik noemde de mensen die op de vlucht slaan voor oorlog en geweld. mensen die worden vervolgd vanwege hun geloof en overtuiging, mensen die worden gediscrimineerd vanwege hun huidskleur. mensen met schulden die worden belaagd door hun schuldeisers.

Hoe vaak oordelen wij over deze mensen in termen van probleemgevallen, in termen van aantallen, in termen van schuldvraag in plaats van in termen van menselijke personen. Het gaat er niet om wie de schuldige is. Het gaat er niet om hoe groot of hoe klein het probleem is. Het gaat er niet om of het er veel of weinig zijn. Er gaat om mensen die in hun waardigheid zijn aangetast.

Jeremia sluit af met: “Zingt een lied, een loflied voor de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered.” Evenals bij Jezus is het bij Jeremia duidelijk dat God nooit ook maar één mens in de steek laat. Maar hoe zit het met ons? Is de zaak van de menselijke waardigheid alleen een zaak van God of is het ook de verantwoordelijkheid van iedere mens?

De vraag stellen is hem beantwoorden. Wij zijn aan onze eigen waardigheid verplicht de waardigheid van onze medemensen te respecteren. En dat betekent hen ook daadwerkelijk terzijde te staan als hun menselijke waardigheid in het geding is. Dat vraagt van ons dat wij met hen in contact treden. Zo onderscheiden wij de persoon van de groep. Zo ontdekken wij de mens achter het probleem. Zo voelen wij de pijn die de ander lijdt. Zo maken wij hun problemen tot onze problemen en zo kunnen we daadwerkelijk bijdragen aan oplossingen. Zo ontmoeten wij Jezus zelf in de pijn van onze medemens. Zo zingen ook wij een loflied voor de Heer. Amen.

Leerling zijn; Joh 1,35-39

In die tijd stond Johannes daar,
met twee van zijn leerlingen.

Hij richtte het oog op Jezus
die voorbijging
en sprak: “Zie het Lam Gods.”

De twee leerlingen hoorden
hem dat zeggen
en gingen Jezus achterna.
Jezus keerde zich om
en toen Hij zag
dat zij Hem volgden vroeg Hij hun:

“Wat verlangt gij?”
Ze zeiden tot Hem: “Rabbi” – vertaald betekent dit: Meester – “waar houdt Gij U op?”
Hij zei hun: “Gaat mee om het te zien.”
Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich ophield. Die dag bleven zij bij Hem.

Afgelopen maandag (zie hier) hoorden we de opdracht van Jezus: “Gaat en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen…” (Mt 28,19) Leerlingen maken is vooral verlangen opwekken. Johannes wekt dat verlangen bij zijn leerlingen op door Jezus aan te wijzen als het Lam Gods. Dit maakt de twee leerlingen van Johannes nieuwsgierig. Zij willen weten wie deze Jezus is. En dan nodigt Jezus hen uit om bij Hem op bezoek te komen: “Gaat mee om het te zien.” Deze uitnodiging van Jezus geldt iedereen die in Hem geïnteresseerd is. Hij nodigt iedereen uit Hem te ontmoeten en zo beter te leren kennen. Leerling worden van Jezus begint met Hem te ontmoeten. Hoe ontmoeten wij Jezus? Hoe kunnen wij bij Hem zijn?

Er zijn verschillende manieren voor een kennismaking met Jezus. We kunnen over Jezus horen vertellen, we kunnen over Hem lezen, we kunnen Hem ontmoeten in de Eucharistie, het gebed en in de schepping en we kunnen Hem ontmoeten in onze medemens. Deze verschillende manieren vullen elkaar aan. Daarnaast hebben mensen ook hun eigen voorkeuren en volgen zij hun eigen wegen.

We ontmoeten Jezus in onze medemens als wij de nood van een medemens lenigen. Hierover zegt Jezus: “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan.” (Mt 25,40) Als ons hart geraakt wordt door de nood van onze medemens, is dat een ontmoeting met Jezus. Paulus schrijft over Jezus Christus: “Want in Hem is alles geschapen… Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem.” (Kol 1,16) Jezus heeft zich wezenlijk verbonden met heel de schepping. Als wij het goede en het schone van de schepping zien, ontmoeten wij Hem. Op de avond voor zijn lijden gaf Jezus ons het Sacrament van de Eucharistie: “Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun met de woorden: ‘Neemt, dit is mijn Lichaam.’ Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe en zij dronken allen daaruit. En Hij sprak tot hen: ‘Dit is mijn Bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen.’” (Mc 14,22-24) Door de heilige Communie te ontvangen, komen we tot een persoonlijke, maar ook een gemeenschappelijke vereniging met Jezus. Ook het aanschouwen en aanbidden van het heilig Sacrament is een vorm van ontmoeting met Hem. Hem ontmoeten in het gebed kan natuurlijk onder alle omstandigheden. Altijd en overal kunnen we het gesprek met Hem aangaan, want “Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.” Horen en lezen over Jezus doen we vooral door de Bijbelverhalen over Hem. In de woorden door Hem gesproken en over Hem gesproken ontdekken we wie Hij is en leren wij Hem lief te hebben. Dat geldt ook als we mensen over Hem horen vertellen over hun ervaringen met Jezus, over wat Hij in hun leven betekent.

Leerling worden van Jezus begint met een ontmoeting. Die ontmoetingen zijn ook nodig om de relatie met Hem in stand te houden. De volgende stap is Hem volgen. Daarover komende dinsdag. Amen.

Leerling zijn; Mt 28,16-20

In die tijd begaven de elf leerlingen zich naar Galilea,
naar de berg die Jezus hun aangewezen had.
Toen zij Hem zagen, wierpen ze zich in aanbidding neer;
sommigen echter twijfelden.
Jezus trad nader en sprak tot hen:
“Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde.
Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen
en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest
en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb.
Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.”

Voordat Jezus ten hemel opstijgt zendt Hij zijn leerlingen uit. Zij krijgen de opdracht alle volkeren tot zijn leerling te maken. In ons pastoraal beleid staat het leerling zijn centraal. Vandaag en de komende gebedsvieringen zal ik daar bij stilstaan. Het gaat over het zelf leerling zijn en het anderen tot leerling maken. Vandaag gaat het over het leerlingen maken. Jezus zegt ons: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb.” De kern van deze opdracht die Jezus ons geeft, is het maken van leerlingen. Leerling van Jezus zijn betekent dat je verbindt aan een levenslang proces van leren van en over Jezus. Je verbindt je aan een levenslang groeiproces. Dat vraagt toewijding, volharding en discipline. Je bent ook hierin nooit te oud om te leren. Iedere fase van je leven vraagt ook weer een eigen wijze van leerling zijn.

In onze huidige tijd is christen zijn niet vanzelfsprekend. Een christelijke wijze van leven wordt je niet vanuit je omgeving opgedrongen. Eerder is het omgekeerde het geval. Christenen beginnen steeds meer een minderheid te vormen en dat geldt zeker voor christenen die serieus leerling van Jezus willen zijn. Hoe maken we in zo’n situatie anderen tot leerling van Jezus? Leerling zijn vraagt een inspanning. Tot die inspanning kom je pas als er een verlangen is, een verlangen naar kennis. Dat verlangen naar Jezus en naar kennis van Jezus moet gewekt worden. Leerlingen maken is dan ook vooral verlangen opwekken.

Wij wekken dat verlangen op door zichtbaar te maken wat het voor onszelf betekent om leerling te zijn, wat het voor onszelf betekent om met Jezus te leven. Het rusteloos zoeken naar Jezus leidt uiteindelijk naar vreugde en vrede, naar het besef dat we mogen leven vanuit de genade die Hij ons geeft. Ons leven verbinden met Jezus verlost ons van het voortdurend streven naar nieuwe ervaringen en nieuwe bezittingen. Niets maakt zo ontevreden als verantwoordelijk zijn voor het eigen geluk, als het zoeken van het eigen geluk, het zoeken van het geluk in bezit, genietingen en piekervaringen. Dat voedt alleen maar de honger naar meer.

Ons leven verbinden met Jezus verlost ons ook van onze zelfgerichtheid. Jezus richt ons op het leven zelf, op het goede en op het ware. Hij tilt ons op uit onze zelfgerichtheid en brengt ons op een hoger plan. Hij is “de Weg, de Waarheid en het Leven”. (Joh 14,6) Verlost van onze zelfgerichtheid zijn we ook verlost van de eenzaamheid. Hij is met ons “alle dagen tot aan de voleinding der wereld.” Wij staan er nooit alleen voor. Hij staat ons altijd terzijde. Zo gaat de wereld voor ons open. Zijn liefde voor ons is er altijd als wij ons voor Hem openstellen en zijn liefde voor ons beantwoorden door een relatie met Hem aan te gaan.

Om leerlingen te maken is het op de eerste plaats nodig dat wijzelf leerlingen zijn. Daarover komende donderdag. Amen.

Woord van God; Joh 1,1-4.14

In het begin was het Woord
en het Woord was bij God
en het Woord was God.

Dit was in het begin bij God.
Alles is door Hem geworden
en zonder Hem is niets geworden
van wat geworden is.

In Hem was leven en dat leven was het licht der mensen.
Het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond.

Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd,
zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt,
vol genade en waarheid.

In het kader van het Jaar van het Woord van God lazen we afgelopen woensdag uit het Oude Testament, uit het boek Deuteronomium. (Zie hier.) We zagen hoe God via Mozes bekend heeft gemaakt, hoe wij als mensen goed kunnen leven door zijn Woord te onderhouden. Vandaag lezen wat het Nieuwe Testament schrijft over het Woord van God. Met de geboorte van Jezus, met de menswording van Gods Zoon, breekt een nieuwe tijd aan. “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.”

Vanaf dit moment is niet de Bijbel de openbaring van God en van Gods wil. Vanaf dit moment is het Jezus Christus, die de openbaring van God is. Ook hier is duidelijk dat Gods wil geopenbaard moet worden. Het Woord was bij God en het is vlees geworden.

Hier zien we waarom we de Bijbel en de Koran, en ook Jezus en Mohammed niet met elkaar moeten vergelijken. Voor ons is Christus de ultieme openbaring van God. Gods Zoon is mens geworden; het Woord is vlees geworden. Voor moslims is de Koran de ultieme openbaring van de wil van God. In christelijke termen: het Woord is boek geworden. Als je een vergelijking tussen christendom en islam wilt maken, dan moet je Christus en de Koran op één lijn plaatsen. Dit maakt ook waarom voor ons de Bijbel toch iets minder heilig is dan dat voor de joden het geval is en bij moslims voor de Koran geldt.

Is hiermee de Wet van Mozes door Jezus aan de kant gezet? Daar is Jezus heel duidelijk over: “Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen.” (Mt 5,17) Vervolgens komt Jezus met een radicale uitleg van de Wet van Mozes. Jezus maakt duidelijk dat het niet alleen gaat om het naleven van de regels. Het gaat primair om onze houding, om onze intenties. Het naleven van de regels volgt daaruit.

Jezus verkondigt ons een hoog ideaal, het ideaal van de liefde. Alles draait om het dubbelgebod van de liefde: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.”(Mt 22,37-39) Al ons doen en laten, al ons spreken en zwijgen, heel ons bestaan moeten wij grondvesten op het gebod van de liefde. Jezus heeft ons laten zien dat dit voor mensen mogelijk is. Hij heeft ons laten zien hoe je Gods liefde kunt delen met alle mensen. De liefde die God voor ons heeft, houden we niet voor onszelf. De liefde van God is er om te delen. Het gaat niet op de eerste plaats om onszelf. Het gaat primair om God en om de medemens.

Jezus verkondigt ons een hoog ideaal en Hij weet dat wij mensen in ons streven naar dit ideaal telkens weer tekort schieten. Jezus leert ons ook over de barmhartigheid van God. God zal ons altijd weer vergeven en ons een nieuwe kans bieden. Amen.