Spring naar inhoud

Vuur kom Ik brengen; Jr 38,4-6.8-10; Lc 12,49-53

Vandaag maakt Jezus het ons niet gemakkelijk. Wat moeten we met deze uitspraken? Wat bedoelt Hij in godsnaam met: “Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen zeg Ik u, juist verdeeldheid.”

Een aantal keren houdt Lucas ons voor dat Jezus vrede komt brengen. Dat begint al met zijn geboorte. Dan zingen de engelen: “Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.” (Lc 2,14) Twee keer horen we Jezus zeggen: “Uw geloof heeft u gered: ga in vrede.” (Lc 7,50 en Lc 8,48) Als Jezus zijn leerlingen eropuit stuurt, moet dit overal hun eerste woord zijn: “Vrede aan dit huis!” (Lc 10,5) En dan vandaag deze tekst: niks vrede, maar juist verdeeldheid. Jezus zegt dat Hij een doopsel moet ondergaan. Eerder is Hij in de Jordaan gedoopt door Johannes de Doper. Johannes zei over Jezus: “Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.” (Lc 3,16)

Vandaag zegt Jezus dat Hij vuur op de aarde komt brengen en het is duidelijk dat Hij het hier niet heeft over het vuur van het enthousiasme, niet over het vuur van de heilige Geest. Het gaat hier over het vuur van het oordeel. Het gaat om het vuur van de loutering. Het gaat om het vuur waarin het kaf wordt verbrand, nadat het van het koren gescheiden is. Jezus brengt ons verlossing en bevrijding, maar dat is geen goedkope vrijheid en ook geen goedkope vrede. Hij vraagt van ons dat wij werkelijk voor die vrijheid en die vrede kiezen. Hij vraagt van ons een betrokkenheid die niet zonder pijn gaat. Ook een geboorte, de verlossing van een kind gaat niet zonder pijn. Ook het veroveren van vrijheid gaat niet zonder strijd.

De verlossing die Jezus ons brengt is op de eerste plaats een strijd die Hij zelf te voeren heeft. Dit is het doopsel dat Hij moet ondergaan: het offer van zijn eigen leven. Het is een onderdompeling waarbij Hij zijn leven zal verliezen. Alleen zo komt Hij tot nieuw leven. Alleen zo geeft Hij ook ons nieuw leven. Door zijn dood aan het kruis komen wij met Hem tot een leven met God. Het is een doopsel dat als een vuur de wereld verlost en reinigt van het kwaad. Het vuur bevrijdt de wereld van de goddeloosheid. Deze loutering door het vuur maakt het Rijk Gods mogelijk.

Jezus brengt ons bevrijding. Hij brengt ons het Rijk Gods. Hoe moeten we dat combineren met de uitspraak dat Hij verdeeldheid brengt? De verdeeldheid ontstaat als wij niet van harte kiezen voor Jezus. Zijn boodschap van bevrijding is niet vrijblijvend. Zijn verlossing vraagt dat wij ons met Hem verbinden en dat wij werkelijk zijn leerling willen zijn. De keuze voor Jezus kan niet halfslachtig zijn. Zij is niet te combineren met zelfgenoegzaamheid. Het is een keuze die de zaken op scherp stelt, een keuze die niet uit is op het behoud van de lieve vrede.

Verdeeldheid ontstaat er niet alleen tussen mensen onderling. Er ontstaat ook verdeeldheid in onszelf. Hoezeer we ook voor Jezus kiezen telkens zijn er situaties waarin we geneigd zijn water bij de wijn te doen en de soep minder heet te eten dan ze wordt opgediend. Ook bij koning Sidkia zien we een dergelijke innerlijke verdeeldheid. Hij wil de edelen te vriend houden, praat hen naar de mond en laat toe dat zij Jeremia in een put werpen. Anderzijds weet hij ook dat de Ethiopiër Ebed-Melek gelijk heeft en geeft hem de opdracht Jeremia te bevrijden.

Jezus legt de lat hoog. Hij vraagt van ons een duidelijke en radicale keuze. Dat is voor ons mensen geen eenvoudige opgave. Eigenlijk weten wij allemaal dat dit ons nooit gaat lukken, dat deze opgave onze krachten ver te boven gaat. Juist dit onvermogen plaatst onze keuze in een ander licht. De vraag is niet of wij in staat zijn Jezus na te volgen. De vraag is: durven wij het aan het te proberen Jezus na te volgen. De keuze gaat tussen het wel en het niet proberen.

Je kunt ervoor kiezen Jezus niet te volgen en zo alle problemen uit de weg gaan. Je kunt ervoor kiezen tevreden met jezelf te zijn en iedereen te vriend te houden. Je kunt er ook voor kiezen Jezus proberen te volgen, zijn leerling te zijn en daarmee kiezen voor een weg van vallen en opstaan, een weg van de fout ingaan en vergeving vragen, een weg die door anderen verworpen en soms belachelijk gemaakt wordt.

Kiezen voor de weg van Jezus is ook kiezen voor hoop en voor vertrouwen. Kiezen voor de weg van Jezus is ook zijn barmhartigheid aanvaarden. Hij weet dat wij mensen zijn die tekort schieten. Hij zal ons niet oordelen op onze resultaten. Hij zal ons oordelen op ons streven naar het goede: hebben we het aangedurfd op Hem te vertrouwen en zo zijn weg te gaan. Hij zal niet alleen ons onze zonden en tekortkomingen vergeven. Zijn barmhartigheid zal ons uiteindelijk ook in vrede doen leven en zal ervoor zorgen dat wij gelukkige mensen zijn. Juist dat is de vrucht van de verlossing en de bevrijding die Hij ons heeft gebracht. Amen.

Rijk zijn bij God; Pr 1,2;2,21-23; Lc 12,13-21

Soms vraag je je af hoe actueel zijn de verhalen die we in de Bijbel lezen. Maar het omgekeerde komt ook voor. Dan denk je: dat verhaal gaat over de huidige tijd; was dat toen ook al aan de orde? Deze gedachte kwam bij mij op toen ik de lezingen van vandaag las. Waren de mensen toen ook al zo materialistisch dat deze verhalen nodig waren? Jezus leefde tweeduizend jaar geleden en het boek Prediker is een paar honderd jaar eerder geschreven.

Hoe actueel deze verhalen zijn, is op te maken uit hoe wij met onze aarde omgaan. Afgelopen maandag was het “Earth overshoot day” ofwel “Overschrijdingsdag”. Op overschrijdingsdag hebben wij mensen verbruikt wat de aarde in één jaar produceert. Dit jaar was dat dus op 29 juli. De mensheid heeft in zeven maanden de jaarproductie van de aarde verbruikt. De komende vijf maanden teren we in op de reserves van de aarde. We putten haar uit en nemen een voorschot op de toekomst. We leven de komende vijf maanden ten koste van de komende generaties. Voor onze huidige manier van leven hebben we als wereldbevolking dus ongeveer eenendriekwart aarde per jaar nodig. En als we naar onze Nederlandse manier van leven kijken, is het nog erger. Nederland had haar aandeel al begin mei verbruikt. Als iedereen op dezelfde wijze leeft zoals wij, zijn er jaarlijks drie aardes nodig. De grote boosdoeners zijn het gebruik van energie uit fossiele bronnen, zoals olie en gas, en het gebruik van water. Het meeste water dat wij verbruiken, zit in de productie van dierlijk voedsel, en in de productie van elektriciteit. De vruchten van onze aarde zijn beperkt. Er is genoeg maar we moeten ze wel met elkaar delen en daarbij ook rekening houden met de mensen die na ons komen. Alles wat we boven ons eigen aandeel gebruiken gaat ten koste van anderen.

In het Evangelie lezen we dat iemand uit het volk Jezus een vraag stelt. Hij doet alsof Jezus een soort vragenuur houdt waar ieder met zijn persoonlijke problemen naar toe kan komen. Maar dat is niet het geval. Als we de voorafgaande tekst erbij pakken, blijkt dat Jezus bezig is zijn volgelingen gerust te stellen en te bemoedigen. Er staan hen moeilijke tijden te wachten, maar de heilige Geest zal hen daar doorheen helpen. En dan wordt Jezus plotseling door deze man onderbroken met zijn vraag over een persoonlijke aangelegenheid. Hebben mensen dan alleen maar aandacht voor hun eigen materiële zorgen? Zijn wij werkelijk zo egocentrisch, werkelijk zo zelfgericht?

Het lijkt op een volgende situatie. Er wordt over duurzaamheid en over de toekomst van de aarde gesproken en dan komt er plotseling iemand met de opmerking dat de vliegreis naar de verre witte stranden die hij geboekt heeft, voor hem ook ontzettend belangrijk is. Dan vraag je je toch ook af: begrijp je wel waar het vandaag over gaat? Gaat het werkelijk alleen maar over ik en over mijn plezier? Prediker noemt dit ijdelheden. Het is lucht en het is leegte. Telkens zijn wij uit op eigen plezier, eigen bezit en eigen roem. We zijn voortdurend bezig met vergankelijke zaken. Dat gaat ten koste van de aandacht voor God en ten koste van de aandacht voor de ander. We kunnen daaraan nog toevoegen dat het ook ten koste van de aarde gaat. Tenslotte gaat het ook ten koste van ons eigen geluk.

Jezus gaat in zijn antwoord aan de vragensteller in op de hebzucht van ons mensen. In feite laat Hij de man weten: je kunt me van alles vragen, maar met deze vraag ben je bij mij toch echt aan het verkeerde adres. Jezus geneest zieken. Hij drijft boze geesten uit. Zo geeft Hij mensen leven om op weg te gaan naar het Rijk Gods. Voor materiële zaken moet je niet bij Hem zijn. Bezit kan ons leven niet redden. Sterker nog bezit leidt ons af van het werkelijke doel van ons leven. Voor dat je het weet leef je zoals Prediker ons voorhoudt: je stopt al je tijd en energie is vergankelijke zaken. Jezus zegt ons dat wij ons op God en op zijn Koninkrijk moeten richten. Alleen zo worden we goede en gelukkige mensen. Alleen zo komen we tot heiligheid. Alleen zo worden we rijk bij God.

Is bezit daarmee verwerpelijk? Is plezier maken verwerpelijk? In het geheel niet. Jezus heeft geen moeite met de rijkdom van de man met de grote oogst. De rijkdom wordt hem in de schoot geworpen. Zij wordt hem geschonken. Het probleem is dat hij op zijn bezit gaat vertrouwen. Hij denkt dat zijn bezit de rest van leven veilig stelt.

God heeft ons de schepping gegeven om gelukkige mensen te worden. Hij heeft ons haar ook gegeven om voor haar te zorgen. Hij heeft ons medeverantwoordelijk gemaakt voor de schepping. Ook met onze zorg voor de schepping richten wij ons op God. Wij zorgen ervoor dat de schepping blijvend God lof kan brengen. En wij zorgen ervoor dat zij beschikbaar is voor de mensen die na ons komen. Alles wordt ons gegeven om te kunnen leven zoals God het bedoeld heeft. Ook in de materiële zaken en ook in het plezier kunnen wij ons richten op het werkelijke doel van ons leven. In alles wat we doen kunnen ons richten op God, op onze medemens en op het behoud van de schepping. het enige dat van ons gevraagd wordt is dat wij verder zien dan onze eigen neus lang is en dat we niet louter op ons zelf gericht zijn. Amen.

Aan Jezus’ voeten

Afgelopen maanden zijn wij bezig geweest met het formuleren van een nieuw beleidsplan voor onze parochies. We zijn daar nog niet mee klaar. In de gesprekken die daarover met parochianen gevoerd werden, werd duidelijk dat iedereen wil dat wij gastvrije geloofsgemeenschappen zijn. Gastvrijheid is een ruim begrip, een begrip dat in de praktijk om nadere invulling vraagt: voor wie gastvrij, waarom gastvrij, hoe gastvrij? Vandaag geven de lezingen onze handvatten om daar over na te denken.

Marta is druk in de weer met het bedienen van Jezus. Ondertussen luistert Maria naar de woorden van Jezus. Beiden zijn gastvrij, maar zij zijn het op verschillende manieren. Bij Jezus gaat het regelmatig over gastvrijheid. Hij vertelt over een heer die gasten voor een feest uitnodigt. Hij ziet de verlegenheid die voor de gastheer dreigt als tijdens de bruiloft in Kana de wijn bijna op is. Hij vermaant mensen op een feest niet de beste plaatsen in te nemen. Vandaag wijst Hij ons erop waar het uiteindelijk omgaat bij gastvrijheid. “Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden.”

De brief van Paulus gaat niet direct over gastvrijheid, maar wel over wat belangrijk is in ons leven, over onze verbondenheid met Jezus Christus. Deze verbondenheid kleurt niet alleen onszelf. Zij kleurt ook de wijze waarop wij als christenen de gastvrijheid vorm geven. Paulus schrijft deze brief vanuit de gevangenis in Rome en hij begint hier met de mededeling dat hij blij is dat hij voor de geadresseerden, voor de luisteraars mag lijden. Hij wil hen geruststellen want hij weet dat zij met hem meelijden. Hun liefde voor elkaar doet hen delen in elkanders lijden. De liefde is hier ook de basis voor de vreugde van Paulus. Hij weet zich in liefde verbonden met Jezus Christus. Zijn gevangenschap, zijn lijden is het gevolg van die liefde. Vanwege zijn liefde voor Christus zit hij gevangen.

Paulus stelt dat hij met zijn lijden ook iets terug kan doen voor Christus, iets kan doen voor de Kerk, het Lichaam van Christus. Door zijn verbondenheid met Christus weet hij ook dat Christus zijn lijden bekrachtigt. Het is Christus zelf die Hem vreugde brengt en in staat stelt zijn lijden te dragen. De liefde voor Jezus Christus maakt Paulus tot dienaar van de Kerk. Hij verkondigt het woord van God. Hij onthult het geheim, het mysterie. Paulus verkondigt Jezus Christus als het heil voor alle volkeren.

Het geheim is dat Christus ook in ons is. Jezus Christus is mens geworden en heeft zich met alle mensen verbonden. Hij is onze hoop op eeuwige heerlijkheid. Wij mogen ons op onze beurt met Hem verbinden zoals ook Paulus zich met Christus verbonden heeft. Vanuit die verbondenheid met Jezus Christus mogen ook wij Hem verkondigen om iedereen zonder onderscheid tot en in Christus te brengen, om iedereen gastvrij op te nemen in onze geloofsgemeenschap, in het Lichaam van Christus en zo tot een goed en gelukkig leven, tot volmaaktheid te brengen.

Om de verbondenheid met Christus op te bouwen en te verdiepen, is het nodig dat wij Hem steeds meer en beter leren kennen, naar Hem luisteren. Het is nodig dat wij zijn leerling zijn. Maria heeft deze keuze gemaakt. Zij is aan Jezus’ voeten gaan zitten. Zij wil zijn leerling zijn. Jezus roept Martha op hetzelfde te doen. Hij wijst haar niet terecht, maar roept haar op tot een rijkere vorm van gastvrijheid: de gastvrijheid waarmee je een ander toelaat in je leven en je iets van hem wilt leren.

Werkelijke gastvrijheid gaat verder dan iemand onderdak verlenen en te eten en te drinken geven. Werkelijke gastvrijheid is je tot de ander keren, belangstelling voor hem hebben, en hem leren kennen. Gastvrijheid kent ook wederkerigheid. Op onze beurt laten wij ons aan onze gast kennen. Wij laten hem zien wat ons lief is en wat ons bezighoudt. Christelijke gastvrijheid is gastvrij zijn zoals Jezus dat is. Het is handelen zoals Jezus handelt. Het is openstaan voor iedereen en geen voorwaarden vooraf stellen. Het vraagt dat wij onze angst voor het vreemde en onbekende afleggen. Juist in de vreemdeling en de mens in nood ontmoeten wij Jezus zelf. Vanuit onze band met Jezus ontmoeten wij Hem in de ander. Gastvrijheid is met de ander delen wat ons lief is. We nemen de gast op in onze gemeenschap en laten hem kennismaken met wat ons bij elkaar brengt. Zo stellen we onze gast in staat zelf ook op zijn eigen wijze lid te worden van onze gemeenschap.

Het sleutelwoord is telkens weer de liefde. Door aan zijn voeten te gaan zitten, ervaren wij de liefde van Jezus voor ons. Zijn liefde voor ons stelt ons in staat anderen lief te hebben. Zijn liefde is de basis voor onze gastvrijheid. Zijn liefde willen wij delen met iedereen. Zij geeft ons de vreugde die we iedereen gunnen. Liefde gaat niet zonder lijden, zoals ook Paulus heeft ervaren. Maar zonder lief te hebben zijn we dood. Zonder liefde hebben we geen leven.

Paulus schrijft elders: “Vergeet de gastvrijheid niet; door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald.” Als wij de gastvrijheid vergeten en iedereen buiten de deur houden, zullen we zeker geen engelen ontvangen. Als wij de gastvrijheid vergeten, houden we ook God buiten de deur. Amen.

Als God renoveert

Auteur: Fr. James Mallon
Titel: Als God renoveert: De parochie van onderhoud naar bloei
Uitgever: Adveniat, 2019
Prijs: € 14,95
ISBN: 978 94 9209 377 6
Aantal pagina’s: 325

Wat is in een parochie belangrijker een klaverjasavond of een Alpha-cursus? Hiermee opent James Mallon zijn boek en schetst hij de situatie waarin veel parochies verkeren. Moeten we voortaan gaan met de vertrouwde en door de jaren heen gegroeide situatie of staan we voor de opdracht echt nieuwe wegen te zoeken.

Mallon beschrijft hoe hij als pastoor in Canada zijn parochie nieuw leven inblaast. De Kerk verkeert in een identiteitscrisis: “we zijn vergeten wie we zijn en welke roeping we als Kerk hebben”. De grote opdracht van de Kerk is: “Ga, en maakt alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.” Het gaat erom leerlingen te maken en daarvoor moeten vooral eerst zelf leerling zijn. Kernbegrippen in zijn aanpak zijn: de relatie met Jezus, gastvrijheid, gemeenschap, duidelijkheid en Alpha-cursus.

Met dit lezenswaardige boek geeft Mallon een scherpe analyse van de Kerk in onze tijd en komt hij met een aanpak tot vernieuwing. Hij schrijft heel duidelijk vanuit zijn situatie in Canada en die is niet dezelfde als in Nederland. Kennisnemen van zijn manier van denken is echter zeer verhelderend voor ieder die ziet dat onze huidige manier van doen geen toekomst heeft.

Een rivier van vrede

Jezus zendt tweeënzeventig leerlingen eropuit om te doen waar Hij zelf niet aan toe komt. “De oogst is groot maar arbeiders zijn er weinig.” Velen van ons hebben de tijd meegemaakt waarin we bij deze tekst dachten aan de missionarissen die uit onze eigen parochies naar verre streken waren vertrokken om daar het geloof te verkondigen. Wat dat betreft zijn de tijden duidelijk veranderd. Nu komen er priesters uit het buitenland om hier in ons land missionair te zijn. Dit is niet een ontwikkeling van de laatste jaren. In 1932 – toen de meesten van ons nog niet geboren waren – sprak pater Titus Brandsma de volgende woorden: “Onder de vele vragen welke ik mijzelf stel, houdt geen mij meer bezig dan het raadsel, dat de zich ontwikkelende mens – prat en fier op zijn vooruitgang – zich in zo groten getale afkeert van God.”

Als wij vandaag de woorden van het Evangelie horen, denken we niet als eerste aan onze missionarissen. We denken al gauw aan onszelf. Wat heeft Jezus ons hiermee in deze tijd te zeggen? Stuurt Hij ook ons eropuit? En wat wordt er dan van ons verwacht?

De ontwikkeling die Titus Brandsma negentig jaar geleden waarnam, werd ook waargenomen door de deelnemers aan het Tweede Vaticaans Concilie. Dat was vijftig jaar geleden. Sindsdien is die ontwikkeling hier in West-Europa steeds sterker geworden. In het eerste jaar van zijn pontificaat schreef paus Franciscus hierover. Deze brief – Evangelii gaudium – opent als volgt: “De vreugde van het Evangelie vult de harten en levens van allen die Jezus ontmoeten.” De paus wil “de christenen aanmoedigen deel te nemen aan een nieuw hoofdstuk van evangelisatie dat gekenmerkt wordt door deze vreugde…” Het woord vreugde keert steeds weer terug; het is een sleutelwoord in deze brief aan alle katholieken. “Niemand moet denken dat deze uitnodiging niet voor hem of haar bedoeld is, want niemand wordt uitgesloten van de vreugde die door de Heer wordt gebracht.”

Voor de paus is het volstrekt duidelijk dat Jezus ieder van ons eropuit stuurt, ieder in zijn eigen situatie en ieder op zijn eigen wijze. Vlak voor zijn Hemelvaart geeft Jezus de leerlingen de opdracht om alle volkeren tot zijn leerlingen te maken. De voornaamste taak van een leerling van Jezus is om anderen ook leerling te laten worden.

Iedereen mag en moet weten dat de Heer ons vrede brengt en dat het Rijk Gods nabij is. Dat maakt ons allen tot vredebrengers en tot verkondigers van het Rijk Gods. Als een rivier leidt de Heer de vrede naar ons toe. En allen worden getroost zoals een moeder haar kind troost. Een rivier van vrede. Een rivier die vrede is en die vrede brengt. Het is als de rivieren die wij kennen: ze zijn water en ze brengen water. Zo mogen ook wij vrede zijn en vrede brengen. Wij mogen liefde zijn en liefde brengen. Wij mogen aan de borst liggen en wij mogen de borst geven. Wij mogen vreugde zijn en vreugde brengen. Wij mogen het Rijk Gods verkondigen en het in onszelf zichtbaar maken. Dat is de essentie van het leerling van Jezus zijn. Je bent boodschap en boodschapper tegelijkertijd. Dat vraagt van ons dat we ons bewust zijn van onze rol in de samenleving.

Titus Brandsma sprak destijds over de verduistering van het Godsbeeld en zocht naar de oorzaak van die verduistering. Zijn conclusie was niet, dat de verduistering van het Godsbeeld het gevolg is van de vooruitgang, het gevolg is van de wetenschap of van de toenemende welvaart. Hij zocht de oorzaak niet bij de ongelovigen. Hij zocht de oorzaak vooral bij de gelovigen! De vraag is niet van mankeert er aan de anderen, maar waar gaat het bij ons verkeerd. Is het aan ons wel te zien dat wij christen zijn? Is het wel zichtbaar dat wij leerlingen van Jezus zijn? Maken wij Hem wel zichtbaar of verstoppen wij Hem?

Bij paus Franciscus is vreugde het sleutelwoord. Dat evangelisatie een vreugde is, geeft de paus aan met: “Een evangelist moet er nooit uitzien alsof hij net van een begrafenis is teruggekeerd!” Wij verkondigen de vreugde van het Evangelie vooral door zelf vol van vreugde te zijn. We brengen vrede door zelf een rivier van vrede te zijn.

Is daar veel voor nodig? Eigenlijk niet: geen beurs, geen reiszak, geen schoeisel. Zelfs simpele plichtplegingen als iemand groeten is overbodig want dat kan ertoe leiden dat je van je doel afdwaalt. Het gaat erom vrede te brengen door vrede te zijn, om vreugde te brengen door vreugde te zijn, om liefde te brengen door liefde te zijn. Je wordt arbeider doordat je zelf ook oogst bent. Amen.

Gemeenschap in Christus; Joh 16,12-15

Jezus beloofd ons zijn Geest van waarheid. Hij zal ons tot de volle waarheid brengen. De Geest zal ons verkondigen wat Hij van Jezus heeft ontvangen. Jezus is zelf gelijk aan de Vader: “Al wat de Vader heeft is het Mijne.” Jezus Christus is de openbaring van God zelf en de heilige Geest leert ons alles wat Hij van Jezus heeft ontvangen. Jezus brengt ons ook kennis van de goddelijke Drie-eenheid. Hij spreekt over zijn Vader in de hemel en Hij stuurt ons zijn Geest, de heilige Geest. Maar bovenal laat Hij ons delen in de liefde die er tussen de drie goddelijke personen bestaat.

Jezus laat ons zien en ervaren dat God liefde is. Hij leeft in verbondenheid met zijn Vader en met de Geest. Zij vormen samen een hechte gemeenschap. Jezus deelt die liefde en gemeenschap met ons. Wij mogen delen in de goddelijke liefde en de goddelijke gemeenschap. Met zijn leven laat Jezus ons zien hoe ook wij goed kunnen leven. Hij laat ons zien hoe we kunnen geloven, hoe we kunnen liefhebben, hoe we de waarheid op het spoor kunnen komen en hoe we met elkaar gemeenschap kunnen vormen. De heilige Geest helpt ons daarbij. Hij is onze Helper.

Als wij zeggen God is liefde, zeggen we ook God is relatie. God is relatie in zichzelf: de relatie tussen de drie goddelijke personen. Zo is God ook gemeenschap in zichzelf. En God zoekt de relatie met zijn schepping, met de mens. God heeft ons geschapen om zijn liefde met ons te delen, om ook met ons een relatie aan te gaan en met ons een gemeenschap te vormen. Vanuit de liefde die God ons geeft, zijn wij in staat zelf ook liefde te geven. Wij mensen kunnen van elkaar houden, relaties met elkaar aangaan en wij kunnen gemeenschap met elkaar vormen.

We kennen vele vormen van gemeenschap. Al die gemeenschappen zijn gebaseerd op een of andere vorm van liefde. We kennen onze vriendenclub gebaseerd op vriendschap. We kennen gemeenschappen die gebaseerd zijn op een gezamenlijke interesse. Die gezamenlijke interesse verbindt mensen met elkaar. We kennen sportverenigingen, gezelligheidsclubjes, buurtverenigingen. Ook als wijk, als dorp, als stad, als land vormen wij gemeenschappen. Al die gemeenschappen hebben hun eigen karakter. Ondanks de verschillen zijn al die gemeenschappen gebaseerd op verbondenheid van mensen met elkaar. Je zou kunnen zeggen dat elke vorm van gemeenschap uit hetzelfde materiaal namelijk verbondenheid, is opgebouwd. Die verbondenheid ligt altijd in het verlengde van de liefde van God voor ons. Zo is ook elke vorm van gemeenschap van goddelijke oorsprong en komt voort uit de gemeenschap die God in zichzelf vormt.

Eén vorm van gemeenschap heb ik nog niet genoemd. Dat is de geloofsgemeenschap. Dat is de Kerk. In de vorige eeuw tijdens het Tweede Vatiaans Concilie is er veel nagedacht over het wezen van de Kerk. Het ging over het vormen van gemeenschap, communio. Naast het beeld van de Kerk als lichaam van Christus zijn we de Kerk ook als het volk Gods gaan zien. Maar wat betekent het: het volk Gods te zijn? Wat is een gemeenschap in Christus, een gemeenschap als zijn lichaam? De goddelijke vorm van gemeenschap vinden we in de gemeenschap die door de heilige Drie-eenheid wordt gevormd. Hier is geen na-ijver en geen eigenbelang. Hier is alleen wederzijdse liefde, harmonie en dienst aan elkaar. Onze menselijke gemeenschap heeft dit beeld als na te streven ideaal voor ogen.

Als we spreken over een volk van God, een gemeenschap in Christus is dat een gemeenschap die dit ideaal van liefde, harmonie en dienstbaarheid nastreeft. Zo’n gemeenschap sluit niet uit. Zij is niet exclusief, maar juist inclusief. Iedereen is er welkom, iedereen hoort erbij. Zo’n gemeenschap is bestendig en duurzaam. Zij staat open naar de toekomst. Zij past zich aan en laat verandering en groei toe. Het is niet: ‘zo hebben wij het hier altijd gedaan en zo blijven we het dus doen’. Zij is niet zelfgenoegzaam. Zij is niet dwingend maar juist dienend naar elkaar. Zo’n gemeenschap houdt rekening met iedereen en vooral met de kwetsbaren en met minderheden. Er is geen dictaat van de meerderheid. Het is niet de meeste stemmen tellen. Er is nadrukkelijk aandacht voor de minderheid. De pijn en het verdriet van de één treft allen. Als er één lijdt, lijden allen. Binnen zo’n gemeenschap gaat het niet om rechten en plichten, maar draagt ieder naar vermogen zijn verantwoordelijkheid. Er is respect voor elkaar, voor het geheel en voor de instituties en tradities.

Zo’n gemeenschap wordt gedragen door goddelijke bezieling: door Gods woord en Gods liefde en barmhartigheid. Het is het volk van God en niet een volk dat aan zichzelf genoeg heeft. Het is het lichaam van Christus. Heel de gemeenschap, al haar leden verbinden zich met Christus, met God. Vanuit die verbondenheid wordt de gemeenschap, de Kerk gevormd. Zo is het een gemeenschap van vrijheid en blijheid: vrij zijn om uit liefde voor de ander het goede te doen en daardoor blij te zijn. Wij worden uitgenodigd op deze wijze gemeenschap, op die manier Kerk te zijn en dat ook uit te dragen. Amen.

Titus Brandsma over Sinte Liduina: Liduinalezing 2019

Inleiding

Deze lezing gaat over de heilige Liduina. Zij leefde van 1380 tot en met 1433. We kennen Liduina echter alleen uit wat anderen over haar geschreven hebben. Zelf heeft zij ons geen geschriften achtergelaten. Dat betekent dat we altijd door de bril van iemand anders naar Liduina kijken. Vanavond is dat mede de bril van Titus Brandsma. En ook hij keek door de bril van anderen zoals die van Jan Brugman en van Thomas van Kempen. Deze laatste twee zijn u ongetwijfeld bekend. Zij hebben zon twintig jaar na het overlijden van Liduina op basis van eerdere levensbeschrijvingen haar leven beschreven.

Vandaag richten we onze aandacht op de visie van Titus Brandsma op het leven van Liduina. Daarom zullen we eerst kort stilstaan bij het leven van Titus Brandsma en vervolgens bij mijn relatie met hem, want ook mijn bril is in het geding. In het derde deel kijken we naar het denken van Titus Brandsma over mystiek en tenslotte kijken we naar wat hij over Liduina schreef en ook wat niet en hoe dat in verband staat met zijn denken over mystiek en ook met de tijd waarin hij leefde.

Wie was Titus Brandsma1

Titus Brandsma werd in 1881 onder de rook van Bolsward geboren als Anno Sjoerd Brandsma. Hij was de oudste zoon van een vroom boerengezin. Vijf van de zes kinderen werden kloosterling. Na de lagere school ging Anno naar het kleinseminarie van de franciscanen in Megen. In 1898 verhuisde hij naar het klooster van de karmelieten in Boxmeer. Hij verkoos de spiritualiteit van de karmelieten boven het midden in de wereld werkzaam zijn van de franciscanen. Als kloosternaam koos hij de naam van zijn vader: Titus. Na twee jaar noviciaat en het grootseminarie volgde in 1905 zijn priesterwijding. Daarna vertrok Titus voor verdere studie naar Rome, waar hij in 1909 promoveerde.

In dat jaar werd hij docent filosofie in Oss. In deze periode tot 1923 ontplooide Titus allerlei initiatieven en activiteiten. Hij schreef veelvuldig in allerlei katholieke bladen, was een van de initiatiefnemers van het op de volksdevotie gerichte ‘Carmelrozen’ en hij begon met het vertalen van de werken van Teresa van Avila. Ook Friesland trok zijn aandacht. Hij was de eerste secretaris van het Roomsk Frysk Boun’, werkte mee aan de Friese vertaling van de ‘Navolging van Christus’ en was lid van verschillende Friese verenigingen. Zijn interesse voor de katholieke pers leidde tot het hoofdredacteurschap van ‘De Stad Oss’. Ook zette hij zich in voor het katholiek onderwijs. Hij was ad interim directeur van de katholieke handelsdagschool. In Oss werd een katholieke HBS opgericht, het huidige Titus Brandsma Lyceum, en in Oldenzaal een katholiek lyceum. Ook kwam er in Oss een katholieke bibliotheek.

In 1923 werd Titus aan de pas opgerichte katholieke universiteit in Nijmegen hoogleraar in de geschiedenis van de wijsbegeerte en van de mystiek, met name van de Nederlandse mystiek. Naast Thomas van Kempen, Geert Groote en Jan Brugman had hij veel aandacht voor de Nederlandse mystici Ruusbroec en Hadewych. Ook stond Liduina van Schiedam volop in zijn belangstelling.

Friesland, het katholieke onderwijs en de katholieke pers bleven zijn aandacht vragen. Na de bezetting in 1940 kwamen de aanvallen op het bijzonder onderwijs. Het was aan Titus om deze maatregelen met steun van aartsbisschop Jan de Jong te bestrijden. Namens de bisschoppen liet hij weten, dat de Kerk geen enkel onderscheid van geslacht, ras of volk zou maken. In 1935 was hij landelijk adviseur van de katholieke dagbladschrijvers geworden. In deze rol moest er tegen de Duitse overheid voor vrijheid van de pers gestreden worden. In overleg met de aartsbisschop werd besloten dat Titus alle katholieke dagbladen zou bezoeken om advertenties van de N.S.B. op principiële gronden te blijven weigeren. Op 1 januari 1942 begon hij een negendaagse rondreis door Nederland. Dit leidde ruim een week later, op 19 januari, tot zijn arrestatie.

Titus werd opgesloten in het Huis van Bewaring in Scheveningen, het zogenaamde Oranjehotel. In de gevangeniscel vond de monnik de rust van de kloostercel terug. Op 12 maart werd hij naar Kamp Amersfoort overgebracht. Hier hield hij op Goede Vrijdag 3 april voor zijn medegevangenen een indrukwekkende meditatie over het lijden. Op 6 mei werd hij tot deportatie naar Dachau veroordeeld, waar hij op 19 juni aankwam. Voortaan was hij nummer 30492. De wreedheden in dit kamp zijn genoegzaam bekend. Op 26 juli 1942 overleed Titus na toediening van een fatale injectie.

Mijn relatie met Titus Brandsma

In ben net als Titus opgegroeid op Friese platteland. Van jongs af aan is Titus Brandsma in mijn leven aanwezig geweest. Mijn heeroom was karmeliet en het tijdschrift van de Karmel werd ook bij ons thuis gelezen. Ongetwijfeld ben ik hierin regelmatig foto’s van Titus tegengekomen. Ik kan mij niet herinneren dat zijn persoon onderwerp van gesprek was. Later op de HBS in Bolsward, kwam ik Titus dagelijks tegen: in de kantine hing een grote foto van hem. Zo’n dertig jaar geleden vertelde een van mijn tante zusters dat de operatie die ze had gehad, mede op voorspraak van Titus Brandsma geslaagd was. Het was niet alleen haar gebed; hij was toch ook familie van ons.

Mijn eerste echte kennismaking met Titus Brandsma was zo’n vijfentwintig jaar geleden. Ik las zijn biografie geschreven door Henk Aukes. Titus’ levensverhaal raakte mij. Ik zag overeenkomsten tussen zijn achtergrond en wijze waarop ik zelf opgevoed was. Er was niet alleen sprake van een familiaire band, maar ook van geestverwantschap. Daarna ben ik me meer in zijn persoon gaan verdiepen en heb ook eens uitgezocht hoe het met ons bloedverwantschap zit. De vader van Titus en mijn overgrootmoeder – Waltje Brandsma – hebben dezelfde overgrootvader: Hendrik Johannes. Dat betekent dat ik in de negende graad familie ben van Titus. De naam Hendrik komt nog steeds voor in mijn familie. Het is de naam van mijn jongste broer.

Titus Brandsma over mystiek

Jaarlijks organiseert het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen in de eerste week van juli de Studieweek Mystiek. Sinds enkele jaren zijn mijn vrouw en ik daar trouwe bezoekers van. Vorig jaar was het onderwerp: ‘In de leerschool van Titus Brandsma’. Tijdens de colleges werden teksten van Titus behandeld om zo een beeld te krijgen van zijn denken over mystiek. Hier ontstond ook het idee voor deze lezing om het denken van Titus over mystiek te relateren aan het leven van Liduina.

Voor de Katholieke Encyclopedie schrijft Titus in 1937 een zeer uitgebreid artikel over mystiek met een wetenschappelijk verantwoorde definitie van wat mystiek is2. Hier beperk ik mij tot kortere typeringen. In 1929 schrijft hij: “Mystiek is voor mij het heerlijkste, het mooiste in onzen H. Godsdienst, een voorsmaak van den Hemel, omdat zij de vereeniging, de innigste vereeniging laat zien van den mensch met God en van God met den mensch. (…) Zij is de bloem, waarin de plant des Geloofs en der Genade haar pracht ten toon spreidt in de weelde van haar levenskracht, God wilde, dat zijn kinderen het leven zouden hebben, het leven van geloof en genade, maar Hij wilde, dat zij het overvloedig zouden hebben. Dat leven moest tintelen en gloeien, stralen en lichten. God die Zich zoo gaarne schuil houdt achter de nevelen des verstands zoowel als achter de raadselen en geheimen des Geloofs, scheurt nu en dan de wolken uiteen om met een enkel straaltje van zijn zon het leven in een anderen tint te zetten, anders te laten bezien, met goud te overgieten, tot iets te bestempelen niet alleen van ons, maar ook van Hem.”3

Mystiek is voor Titus Brandsma niet iets dat alleen van God afkomstig is, zij heeft ook een menselijke zijde. “Zooals de bloem zich in de ongeziene stralen der zon naar deze zon van licht en warmte richt, zoo richt zich ook het menschelijk hart, dat zich vrij weet te maken van onedele driften, naar God, zoekt Hem, luistert, of Hij spreekt, roept Hem, opdat Hij antwoord geve, de deur opene opdat Hij zich late zien. Ja, de menschelijke ziel zoekt naar God. In Hem vindt zij rust.”4

Deze citaten geven een mooi beeld van de beeldende wijze waarop Titus Brandsma zijn ideeën onder woorden wist te brengen. Opvallend is het gebruik van beelden uit de natuur: bloem, plant, nevelen, wolken en zon. De verbondenheid met de natuur en de schepping waarmee hij als plattelandsjongen is opgegroeid, klinkt door in de wijze waarop hij zich uitdrukt.

In de mystiek maakt Titus Brandsma onderscheid tussen de intellectualistische en de voluntaristische richting. De intellectualistische richting is verbonden met het verstand en richt zich op de schouwing van de geheimen Gods en de aanschouwing Gods. De dominicanen voelen zich tot deze richting aangetrokken. De voluntaristische richting wordt ook wel de school van de liefde genoemd. Deze richting kent bijvoorbeeld veel aanhangers onder franciscanen.5 Ook de mystiek van Liduina kunnen we bij deze richting indelen.

Mystici leiden vaak een ascetisch leven. De mystiek leidt tot de beoefening van deugden als gehoorzaamheid, nederigheid, liefde tot God en de naaste, zuiverheid, onthechting van het aardse en gelijkvormigheid met Gods wil. De deugden moeten gezien worden als een resultaat van mystiek. Zij zijn geen weg naar mystiek. Titus waarschuwt voor werkheiligheid.6

De mystiek streeft naar een gelijkvormigheid met God. Tot de dertiende eeuw werd dit vooral geestelijk gezien. Vanaf die tijd kwam de gelijkvormigheid met Christus, de mensgeworden God meer centraal te staan. Denk hierbij aan de ‘Navolging van Christus’ van Thomas van Kempen en het ontvangen van de stigmata, de wondtekenen van Christus, zoals Franciscus van Assisi overkwam. Ook het persoonlijke lijden verbinden met het lijden van Christus is een vorm van gelijkvormigheid met Christus.7

Lichamelijke, psychosomatische verschijnselen behoren volgens Titus Brandsma niet tot het wezen van de mystiek. Hij noemt het bijverschijnselen van de mystiek. Hierbij moet gedacht worden aan extatische toestanden, het optreden van wondtekenen, het geen behoefte hebben aan eten en drinken of aan slaap, zich alleen voeden met de heilige Communie, levitatie, helderziendheid et cetera.8

Karmelieten hebben een bijzondere verering voor Maria, Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel. Voor Titus Brandsma is Maria’s moederschap van God de leidende gedachte in het mystieke leven. “Er is daarin een wondere mengeling van Goddelijke vrije uitverkiezing en van menschelijke voorbereiding. Straalt het Goddelijke Zonnevuur zijn gloed, waarheen Hij wil, de zonnezucht der ziel trekt de stralen van den goddelijken liefdebrand in het hart van de bloem, die zich naar de Zon blijft keeren. Maar gelijk de bloem zich keert naar de zon onder invloed van de zonnestralen zelve, zoo is ook de ontvankelijkheid en voorbereiding tot het opgaan in Gods liefdevuur, onze omvorming in Hem weder een werk van Gods genade, die de natuur niet opheft, maar veredelt. (…) In Maria zien wij het schoonste beeld van onze vereeniging met God. Zij, de bruid des H. Geestes, leert ons, hoe ook wij, zij het niet in die volheid van genade, maar in verwijderden zin, bruiden van God den H. Geest moeten zijn, hoe zijn overschaduwende kracht ook ons God moet doen ontvangen, opdat Hij in ons geboren worde, vereenigd, ook in ons, met de menschelijke natuur, onze menschelijke natuur.”9

Titus Brandsma over Sinte Liduina

Na een beknopte uitzetting over het denken van Titus Brandsma over mystiek gaan we nu vier artikelen bekijken die hij over de heilige Liduina schreef. Deze serie van artikelen verscheen in het voorjaar van 1939 in ‘De Gelderlander’ in de rubriek ‘Van Ons Geestelijk Erf’. De artikelen stonden dus in een katholiek dagblad en waren dan ook gericht op een breed publiek. Ze zijn nu te vinden op de website van het Titus Brandsma Instituut ‘Writings of Titus Brandsma’10.

In 1890 werd door een besluit van paus Leo XIII bevestigd dat Liduina inderdaad een heilige was. Voortaan was haar sterfdag, 14 april, in het bisdom Haarlem een officiële kerkelijke feestdag. Gaandeweg werd de verering van Liduina een zaak van de gehele Nederlandse kerkprovincie. In 1933 werd het vijfde eeuwfeest van haar sterfdag in heel Nederland gevierd. Een artikel van Titus Brandsma was de aanleiding tot dit initiatief. In 1931 vroeg hij zich af: “wat er bij het Nederlandsche volk is overgebleven van de Liduina-vereering, waarin onze voorouders toch zo hebben uitgeschitterd?” Blijkbaar was Titus van mening dat er veel te weinig aandacht voor Liduina was. De viering van het eeuwfeest was niet zonder resultaat. Liduina kreeg een ongekende populariteit als patrones van de langdurig zieken.11

Deze groeiende belangstelling voor Liduina bood Titus Brandsma de gelegenheid om met haar als voorbeeld te wijzen op de grote waarde van de Eucharistie en van het veelvuldig ontvangen van de heilige Communie. Hierbij moeten we ons realiseren dat vele vrome katholieken begin twintigste eeuw niet vaker te Communie gingen dan nu randkerkelijken doen. Met dit verschil dat zij met Pasen te Communie gingen en de huidige randkerkelijken dit met Kerstmis doen. Het was paus Pius X (1903-1914) die het wekelijks en zelfs dagelijks communiceren tot de kern van een volledig katholiek leven bestempelde. De betekenis van de Eucharistie in het leven van Liduina speelt een grote rol in deze vier artikelen die Titus Brandsma over haar schreef.

Het eerste artikel is een inleiding op de volgende drie. In het tweede komt het lijden van Liduina aan de orde en de betekenis van de Eucharistie in haar leven. In het derde artikel wordt op dit laatste nog verder ingegaan en worden vervolgens de deugden van Liduina beschreven. Het vierde artikel gaat over de naastenliefde van Liduina. We lezen nu een aantal fragmenten uit de vier artikelen.

Zij wilde liever misvormd en gebrekkig zijn. Dan zou zij door niemand anders worden bemind dan door God, die niet naar het uiterlijke, maar alleen naar het innerlijke ziet. Het voorwerp te zijn van Gods liefde met uitsluiting van elken anderen minnaar dat was voor haar een ideaal, dat zij veel en veel hooger stelde dan de lichamelijke schoonheid en bevalligheid, die zij van God ontvangen had. Dat is een eerste openbaring van haar lijdensdrang om in het lijden het voorwerp te zijn van Gods bijzondere liefde. Ik leg hier den nadruk op haar zucht, het voorwerp te wezen van Gods bijzondere liefde. Dat is iets eigens en karakteristieks in Sint Liduina’s leven. Andere Heiligen zullen uitmunten als vurige minnaars en minnaressen des Heeren… Bij Liduina draagt de liefde een ander karakter. (…) [Z]ij wil niet op de eerste plaats beminnen, maar bemind worden…”

Het eten werd haar hoe langer hoe moeilijker, reeds in de eerste jaren harer ziekte was het haar niet meer mogelijk, eenige vaste spijze te gebruiken, spoedig ook geen andere vloeistof meer dan wat water, eindelijk was ook het nuttigen van enkele druppelen water haar niet meer mogelijk. Het eenige dat zij nog kon doorslikken was de H. Hostie en zoo werd Jezus’ H. Lichaam 19 jaar lang haar eenige spijs. Deze weldadige invloed van het geestelijk voedsel van het H. Lichaam des Heeren op den toestand ook van het menschelijk lichaam, waarin het wordt ontvangen, staat volstrekt niet alleen in de geschiedenis van de Heiligen der Kerk. (…) De H. Teresia weidt er in haar mooie werken uitvoerig over uit, hoe de levende God, die op zoo bijzondere wijze in de H. Communie in ons wonen komt, in den overvloed zijner liefde niet zelden ook nieuw leven schenkt aan het lichaam en zij meermalen bij het ontvangen van de H. Communie ineens van hare ziekten bevrijd werd. Zoo was het ook met de H. Liduina. Zij is een dier lievelingen des Heeren geweest, die Hij zelf rechtstreeks in het leven heeft willen houden door zich zóó innig met haar te vereenigen, dat het lichaam den weldadigen invloed van de sterking der ziel onderging. Hoe innig moet die gemeenschap zijn geweest. (…) Voor Liduina was in de H. Communie dusdanigerwijze alle behoefte vervuld, dat zij niet alleen niet dacht aan eten of drinken, maar het zelfs niet vermocht te nuttigen. Het Lichaam des Heeren, zegt Thomas van Kempen van haar, was haar geneesmiddel en haar troost, het voedsel dat haar kracht gaf, de rust, die haar verkwikte.”

Uitvoerig schrijft Titus over de houding van pastoor Andries, die in eerste instantie weigerde Liduina serieus te nemen. Na ingrijpen van de bisschop van Utrecht verandert zijn houding. “Hij bracht nu voortaan elke veertien dagen aan Liduina de H. Communie. Hij deed dit tot zijn dood in 1413. Zijn opvolger bracht haar ook geregeld de H. Communie. Hiermede was voor Liduina het hevigst lijden geëindigd. Want ofschoon haar lichamelijk lijden eer vermeerderde, dan geringer werd, zij had nu haar geregelden troost en bij al haar pijnen en smarten was het vooruitzicht van weer spoedig Onzen Lieven Heer te ontvangen, voor haar een reden tot berusting en geduld, een blijde gedachte, die alle gevoel van smart terugdrong. Zij is de Eucharistische Heilige bij uitstek en vooral in onzen tijd van veelvuldige H. Communie een voorbeeld. (…) We zijn gewoon haar te beschouwen als de geduldige lijderes en deze deugd bij haar op den voorgrond te plaatsen. Men zou zich kunnen afvragen, of we nog niet meer aandacht moeten schenken aan den grondslag, waarop zij dat geduld in zich heeft opgebouwd, op haar leven uit Jezus in Zijn H. Sacrament, waarvan zij zulk een wonderbaar voorbeeld is. Wij zien op naar haar als toonbeeld van geduld in het lijden, wij worden gedrongen haar, zij het van verre, daarin na te volgen. Wij zullen daartoe niet geraken dan door ons, naar haar voorbeeld, allerinnigst te vereenigen met God, onze kracht, in ons neergedaald in de H. Communie.”

Over haar deugden schrijft Titus verder. “Door Hem slechts gevoed, begon zij ook steeds meer Hem te gelijken, niet slechts door haar geduld, haar ootmoed en zachtmoedigheid, haar overgroote liefde tot de menschen, maar ook uiterlijk, doordat er geen gezondheid meer was in haar vleesch, geen schoonheid in haar gedaante, heel haar lichaam één wonde was van het hoofd tot de voeten. (…) [M]eer nog dan door haar geduldig lijden werd zij bekend om de gunsten, welke God blijkbaar aan dit heldhaftig lijden verbond. Nadat zij jaren in de overweging van het H. Lijden kracht had gezocht om zich steeds meer te zuiveren van alle smet en tegelijk zich de deugden eigen te maken, die de bruid voegen van zulk een hemelschen Bruidegom, vereenigde Deze zich steeds inniger met haar en ging Hij met haar om en deed haar deelen in Zijn tegenwoordigheid…”

Titus Brandsma beschrijft hoe Liduina op vier manieren de naastenliefde beoefende. “Op de eerste plaats bad zij veel voor de menschen. (…) Het eerste dat wij doen moeten om den naaste weldaden te bewijzen, is die te vragen van Onzen Lieven Heer, den rijken almachtigen God, die beter dan wij kan geven, wat de evenmensch behoeft. Op de tweede plaats wilde zij voor Hem lijden. Zij beschouwde, hiervan is heel haar leven vol, het Lijden des Heeren als de bron van alle genade en gunsten des Heeren… Haar geduldig lijden was de voortdurende uitdrukking van haar overtuiging, dat er geen rijker bron is van genade en geluk dan deelen in het offer, dat Onze Lieve Heer voor ons gebracht heeft. (…) En zoo nam zij voor den naaste allerlei lijden op zich en was voor haar de gedachte, dat zij door haar lijden voor haar evenmensch nieuw geluk, nieuwe genade kon verkrijgen, een bron van voortdurende vreugde en geluk. Maar naast deze meer geestelijke vormen van beoefening der liefde verwaarloosde zij allerminst de lichamelijke. Zij deed alwat zij kon om het lijden van den naaste te verzachten, zijn nood te lenigen. (…) Zij verstond ook in hooge mate, anderen tot weldoen aan te sporen. Door haar eigen milddadigheid mocht zij ook iets zeggen. En zij deed het ook. Zij liet om zoo te zeggen geen gelegenheid voorbij gaan zonder voor hare armen te vragen en ieder, die er toe in de gelegenheid was, zoo dringend mogelijk te verzoeken, iets voor de armen af te zonderen. (…) De diepere grond van haar liefdadigheid was (…) haar liefde tot God en haar onthechting van al wat Hij niet was.”

Centraal in deze artikelen staat de betekenis van de Eucharistie in het leven van Liduina. Het ontvangen van de heilige Communie is de meest bijzondere wijze van vereniging van God met de mens. Deze vereniging is voor iedere katholiek weggelegd. Titus ziet Liduina als eucharistische heilige bij uitstek. Titus constateert dat het er bij Liduina omgaat dat God haar liefheeft en niet dat zij God liefheeft. Zonder dat hij dat expliciet vermeldt, kan gesteld worden dat ook dit karakter van de liefde bij Liduina past in dit beeld van haar als eucharistische heilige. De Eucharistie is een gave van God aan ons. Hiermee maakt Hij zijn liefde voor ons tastbaar.

Overeenkomstig Titus’ denken over mystiek staat het lijden van Liduina in deze artikelen niet op de voorgrond. Het vormt de achtergrond voor het werkelijke verhaal over Liduina. Haar lijden is een blijk van de “gelijkvormigheid met den Lijdenden Zaligmaker”. Ook heeft Titus weinig aandacht voor andere bijverschijnselen. Hij noemt alleen haar eucharistisch visioen. Gezien zijn eigen verering voor Maria en de plaats die Hij haar in de mystiek geeft, is het opmerkelijk dat een beschrijving van het Mariavisioen van Liduina ontbreekt. Mogelijk dat Titus dacht dat teveel aandacht voor Maria ten koste zou gaan van Christus en de ontmoeting met Hem in de Eucharistie.

Overeenkomstig Titus’ denken worden de deugden van Liduina als een resultaat van haar vereniging met Christus gepresenteerd en niet als een weg naar de ontmoeting met Hem. Met de beschrijving van Liduina’s beoefening van de naastenliefde reikt Titus ook ons handvatten aan voor de manier waarop wij Gods liefde voor ons vruchtbaar kunnen maken voor onze medemens.

1 H.W.F. Aukes, Het leven van Titus Brandsma, Utrecht: Het Spectrum, derde druk 1985.
Constant Dölle, De weg van Titus Brandsma, Kampen/Gent: Ten Have/Carmelitana, 2000.

2 Titus Brandsma Instituut, In de leerschool van Titus Brandsma: Studieweek Mystiek 2018, Reader, Nijmegen: TBI, 2-9.

3 Ibidem, 45.

4 Ibidem, 46.

5 Ibidem, 4.

6 Ibidem, 4-5.

7 Ibidem, 5-6.

8 Ibidem, 7-8.

9 Ibidem, 19.

11 Charles Caspers & Thomas van Kempis, Een bovenaardse vrouw: Zes eeuwen verering van Liduina van Schiedam & Het leven van de Heilige Maagd Liduina, Hilversum: Verloren, 2014, 69-71.
Zie ook: https://titusbrandsmateksten.nl/the-miraculous-holy-communion-of-lidwina-of-schiedam/