Zevenentwintig doden bij een schietpartij op een basisschool in de Verenigde Staten. Burgeroorlog in Syrië. Vóórtdurende economische crisis. Verwoesting van het milieu. Zomaar wat krantenkoppen van de afgelopen dagen. En dan zegt Paulus tegen ons: “Weest onbezorgd.” Maar we maken ons juist wel zorgen. Is er nog een toekomst voor onze kinderen? Zullen ze een goede boterham kunnen verdienen? Is er nog schone lucht en schoon water en zijn er voldoende grondstoffen? Zijn er kansen voor mensen in de arme landen? Zal er ooit vrede zijn?
“Broeders en zusters, verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u! Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij. Weest onbezorgd.” De Heer is nabij, maar ondertussen gaan er mensen dood door oorlog en geweld, door milieuverontreiniging, door honger en door armoede. Hoe kunnen wij onbezorgd zijn?
In dit jaar van het geloof worden wij opgeroepen de teksten van het Concilie van vijftig jaar geleden opnieuw te lezen. De pastorale constitutie Gaudium et spes gaat over de Kerk in de wereld van deze tijd. Zij begint met de volgende woorden: “De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens, vooral van de armen en van alle lijdenden, zijn ook de vreugde en de hoop, het leed en de angst van Christus’ leerlingen; en er is niets echt menselijks, of het vindt weerklank in hun hart.”
Het Concilie wijst ons erop dat de Kerk niet los staat van de wereld. Zij maakt er deel van uit. Christenen zijn mensen zoals alle anderen. De Kerk deelt de vreugde en de hoop, het leed en de angst van alle mensen. “Verheugt u! Weest onbezorgd.” Dat betekent dus niet: sluit je ogen voor de ellende en doe alsof het niet bestaat.
Johannes de Doper geeft ons wijze raad. De mensen vragen hem: “Meester, wat moeten wij doen?” De antwoorden die hij hen geeft, zijn van een alledaagse gewoonheid. Je moet gewoon je werk doen en doe het goed. Doe je werk met liefde voor de medemens. Er wordt niets buitensporigs van je verwacht. Johannes zegt dit tegen tollenaars en soldaten, mensen waarop de anderen neerkijken. Tegen hen zegt hij niet: zoek ander werk. Hij zegt niet ga je leven drastisch veranderen. Hij zegt: doe dat wat je moet doen, doe dat goed: wees een goede tollenaar, wees een goede soldaat.
Doe wat je moet doen, doe dat goed. Dat is de boodschap die Johannes vandaag ook voor ons heeft. Johannes zegt tegen ons: wees tevreden met je eigen leven. Tevreden zijn en onbezorgd zijn liggen in elkaars verlengde. Zo zijn wij in staat het overtollige te delen met degenen die het minder goed hebben. Paulus zegt: “Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn.” Johannes roept ons op onze overvloed met anderen te delen. Dat betekent dat wij mogen leven met vertrouwen in de toekomst. Vertrouwen in de toekomst maakt ons tevreden en onbezorgd. En juist daardoor zijn wij in staat anderen een helpende hand toe te steken. Als wij tevreden en onbezorgd zijn, kunnen we onze overvloed delen, hoeven we niet meer alles voor onszelf op te eisen. “De Heer is nabij.” God is met ons. Hij deelt ons leven, onze vreugde en hoop, leed en angst. Het geloof in God geeft ons het vertrouwen in de toekomst.
In 2005 zegt paus Benedictus in een van zijn toespraken: “De aarde kan werkelijk voldoende voortbrengen om al haar bewoners te voeden, op voorwaarde dat de rijke landen niet dat wat aan iedereen toebehoort, voor zichzelf houden.” En in 2007 zegt hij in Loreto tegen de jongeren: “De schoonheid van alle schepselen is een van de wegen waarlangs wij Gods schoonheid werkelijk ervaren; hierdoor zien wij dat de Schepper bestaat en goed is. Het is waar zoals de heilige Schrift ons met het scheppingsverhaal leert, dat God de wereld voorzag en maakte met zijn hart, zijn wil en zijn wijsheid, en dat Hij het goed vond.”
Een goede omgang met de schepping, duurzaamheid en zorg voor het milieu vragen dat wij de schepping zien als een geschenk van God. Met dit geschenk openbaart God zijn liefde en goedheid aan ons. De dankbaarheid voor het geschenk brengt ons in beweging om ervan te getuigen, het goed en respectvol te gebruiken en het verder uit te bouwen tot een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De paus spreekt bij herhaling zijn zorgen uit over de wereld waarin wij leven: over het milieu, de armoede, over oorlog en geweld. Het geloof in God betekent: Hem zien als de Schepper en de schenker van het leven. Dat geeft ons vertrouwen, maar maakt ons ook verantwoordelijk.
“Weest onbezorgd.” Vol vertrouwen op God mogen wij met Hem meewerken aan een betere wereld. Door niet alles voor onszelf op te eisen, maken wij ruimte voor de ander. Door onze zorgen niet op onszelf te richten, maar op de ander. Juist hierin ervaren wij dat de Heer nabij is en dat is wat ons werkelijk verheugt. Amen.
Auteur: Chiara Lubich
Titel: De kunst van het liefhebben: Een evangelische kracht
Uitgever: Adveniat, 2012; prijs: € 14,50
ISBN: 978 94 9104 253 9; aantal pagina’s: 135
Liefde en eenheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Christus navolgen is de radicale keuze maken te willen liefhebben zoals Christus en dat vraagt eenheid. In 84 korte teksten beschrijft Chiara Lubich de kunst van dit liefhebben. “Ze vereist dat we onszelf ‘één maken’ met de anderen, dat we onszelf ‘inleven’ in de ander met zijn pijnen, zijn vreugden, zijn behoeften, om hem te kunnen begrijpen en hem daadwerkelijk te helpen. Deze kunst wil dat we Jezus liefhebben in de persoon die we voor ons hebben.”
Eenheid is ook het resultaat van liefde: “Wanneer de wederzijdse liefde radicaal wordt beleefd, heeft ze als effect dat er eenheid van denken ontstaat. De wederzijdse liefde maakt niet alleen dat mensen één worden van hart, maar ook één van geest.”
Chiara Lubich (1920-2008) stichtte de wereldwijde Focolarebeweging. Door te leven met het Evangelie ontwikkelde zij haar eigen kunst van het liefhebben. Dit boek bevat een verzameling van haar inspirerende gedachten, brieffragmenten en uitspraken. Mooie teksten om bijvoorbeeld de dag mee te beginnen of te overwegen als inspiratie voor een komende week.
Met enige regelmaat wordt de aandacht gevraagd voor een duurzaam leefmilieu. Hoe denkt de Kerk over duurzaamheid en ecologie?
Groene paus
Paus Benedictus XVI – de ‘groene’ paus – vraagt voortdurend aandacht voor het milieu. Hij gaat hiermee verder op de eerder ingeslagen weg. In 1971 deed paus Paulus VI de volgende uitspraak over de mens: “Door een onbezonnen uitbuiting van de natuur dreigt hij haar te verwoesten en zelf slachtoffer van deze verwoesting te worden.” Een jaar later verscheen het rapport ‘Grenzen aan de groei’ van de Club van Rome. In 1990 riep paus Johannes Paulus II op tot ‘ecologische bekering’. Volgens deze paus kan de wereldvrede niet gegarandeerd worden als de wereld de milieuproblematiek niet serieus oppakt en haar collectieve verantwoordelijkheid neemt jegens de armen en de toekomstige generaties. Van hem is ook het begrip ‘ecologische zonde’: wie schade toebrengt aan het milieu, begaat een zonde. Duurzaamheid en de zorg voor het milieu maken sindsdien deel uit van de sociale leer van de Kerk. Paus Benedictus XVI laat het niet alleen bij woorden, hij brengt het ook in de praktijk: in 2007 was het Vaticaan het eerste CO2-neutrale land ter wereld.
Groen zijn
‘Groen zijn’ is niet alleen zorg voor het milieu, leert paus Benedictus XVI ons. Het is ook een morele en religieuze noodzaak: “Goede en effectieve maatregelen tegen de verspilling en vernietiging van de schepping kunnen alleen ontwikkeld en gerealiseerd worden, begrepen en nageleefd worden, als de schepping vanuit Gods standpunt wordt gezien.”[i] Duurzaamheid staat ook niet los van gerechtigheid. Onverantwoorde levenskeuzes en leefstijlen kunnen niet alleen de aarde vernietigen, zij maken ook het leven van de armen nog moeilijker.
De teksten van de paus over het milieu zijn samengebracht in ‘Tien geboden voor het milieu’.[ii] Op basis van de teksten van de paus heeft Woodeene Koenig-Bricker de indeling in tien geboden gemaakt. Het zijn tien hoofdthema’s van het denken van de Kerk over het milieu. De boodschap is dat de mensheid een verantwoordelijke beheerder moet zijn van de schepping. Mensen mogen de aarde gebruiken, niet misbruiken. Op die manier wordt de mens medeschepper met God in het proces van het maken van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
De tien geboden
1. Gebruiken, niet misbruiken. De mens staat aan het hoofd van de schepping en moet haar overeenkomstig Gods plan op verantwoordelijke wijze beheren en gebruiken.
2. Weinig minder dan een God. De natuur is geen gebruiksobject dat kan worden gemanipuleerd en geëxploiteerd, en ook geen absolute waarde die boven de menselijke waardigheid staat.
3. Eén voor allen, allen voor één. Het is een gezamenlijke plicht het milieu te respecteren als een collectief bezit, bestemd voor de huidige en de toekomstige generaties.
4. Het is geen ‘brave new world’. Bij milieuproblemen gaan ethiek en menselijke waardigheid boven techniek.
5. Gaia is geen god. De natuur is niet goddelijk en zo lang de schepping en de natuurlijke orde worden gerespecteerd, is menselijk ingrijpen goed.
6. Vooruitgang tot welke prijs? Economisch en ecologisch beleid moeten op elkaar afgestemd worden. Naast de economische zijn ook de ecologische kosten van belang.
7. Stromen als een rivier. Het stoppen van de wereldwijde armoede vraagt eerlijke verdeling van alle grondstoffen.
8. We zitten in hetzelfde schuitje. Het recht op een veilige en schone leefomgeving moet door wereldwijde samenwerking en internationale akkoorden beschermd worden.
9. Discipline is niet een vies woord. Milieubescherming vereist een andere levensstijl. We moeten ons afkeren van consumentisme en productiemethoden nastreven die de natuurlijke orde respecteren en waarmee we kunnen voorzien in de basisbehoeften van alle levende wezens.
10. Alles is gegeven. Milieuvraagstukken vragen om een spiritueel antwoord, geïnspireerd door het geloof dat de schepping een geschenk van God is. De mens is God dankbaar voor de schepping.
De paus roept ons op door onze levensstijl te getuigen dat alles en iedereen is geschapen om God eer te bewijzen. Dat onderscheidt ons van de seculiere milieubeweging. Het is God die centraal staat, niet de mens. En het is Gods liefde die ons de moed en de hoop geeft dit probleem aan te pakken. In het vervolg van dit artikel worden de tien geboden stuk voor stuk nader belicht en toegelicht met teksten van de paus zelf.[iii] Dit artikel is gebaseerd op het hierboven genoemde boek van Woodeene Koenig-Bricker.
1e gebod: Gebruiken, niet misbruiken
De mens staat aan het hoofd van de schepping en moet haar overeenkomstig Gods plan op verantwoordelijke wijze beheren en gebruiken.
Het scheppingsverhaal leert ons dat de mens door God is belast met de niet eenvoudige opgave van het beheer van de schepping: “God sprak: ‘Nu gaan wij de mens maken, als beeld van ons, op ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’” (Gen 1,26) Wij hebben de opdracht de schepping te gebruiken en verder te ontwikkelen. Daarmee worden we naast God medescheppers in het tot stand brengen van een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. We hebben echter niet alleen de mogelijkheid de schepping te gebruiken en verder uit te bouwen; we zijn ook in staat haar te misbruiken en zelfs te vernietigen.
In gesprek met de clerus van het bisdommen Belluno-Feltre en Treviso zegt de paus op 24 juli 2007: “We zien tegenwoordig dat de mens de basis van zijn bestaan, zijn aarde kan vernietigen en dat we daarom met deze aarde, met de ons toevertrouwde werkelijkheid niet meer kunnen doen wat we willen en wat ons op het moment nuttig en veelbelovend lijkt. Als wij willen overleven, moeten wij de eigen wetten van de schepping, van deze aarde respecteren en deze wetten leren kennen en ook gehoorzamen. Deze gehoorzaamheid aan de stem van de aarde, de stem van het zijn is voor ons toekomstig geluk belangrijker dan de stem van het moment, de wensen van het moment. Dit is het eerste te leren criterium: het zijn zelf, onze aarde spreekt tot ons en wij moeten luisteren als wij willen overleven en de boodschap van de aarde willen ontcijferen.”[iv]
2e gebod: Weinig minder dan een God
De natuur is geen gebruiksobject dat kan worden gemanipuleerd en geëxploiteerd, en ook geen absolute waarde die boven de menselijke waardigheid staat.
Sinds Darwin de evolutieleer ontdekte, is het denken over het ontstaan van de mens veranderd en daarmee voor velen ook het mensbeeld. Psalm 8 zegt ons: “Wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt, de zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat? Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt en hem met glorie en luister gekroond.” Ook al is de mens de beheerder van de schepping, hij maakt er ook deel van uit. De waarde van de mens gaat de schepping te boven, maar het menselijk bestaan is ook afhankelijk van de schepping. De mens kan niet willekeurig de schepping manipuleren, maar hij moet zich ook niet passief onderwerpen aan de grillen van de natuur.
In de toespraak van de paus tot de Pauselijk Academie van Wetenschappen op 31 oktober 2008 lezen we: “Vanzelfsprekend dienen zich vragen aan over de relatie tussen de wetenschappelijke lezing van de wereld en de interpretatie die de christelijke openbaring geeft. Mijn voorgangers paus Pius XII en paus Johannes Paulus II bevestigden dat er geen tegenspraak is tussen het door het geloof bepaalde begrip van de schepping en de verklaring die empirische wetenschappen geven. (…) Om zich te kunnen ontwikkelen en te kunnen ontvouwen moet de wereld er eerst zijn en dus vanuit het niets in het zijn gekomen zijn. Met andere woorden: zij moet geschapen zijn door het eerste Wezen, Hij die er per definitie is.”[v]
Geloof en wetenschap strijden niet met elkaar. Zij geven antwoord op van elkaar verschillende vragen. De wetenschap verklaard hoe de wereld is ontstaan. Het geloof zegt ons waarom de wereld er is en ook welke plaats de mens in deze wereld heeft.
Tijdens zijn preek tijdens Eucharistieviering bij de inauguratie tot paus op 25 april 2005 leert de paus ons: “Wij zijn niet het toevallige en zinloze product van de evolutie. Ieder van ons is het resultaat van een gedachte van God. Ieder van ons is gewenst, ieder van ons is geliefd, ieder van ons is nodig.”[vi]
3e gebod: Eén voor allen, allen voor één
Het is een gezamenlijke plicht het milieu te respecteren als een collectief bezit, bestemd voor de huidige en de toekomstige generaties.
Duurzaamheid en zorg voor het milieu zijn een onlosmakelijk onderdeel van de sociale leer van de Kerk. Algemeen welzijn, solidariteit, vrede en gerechtigheid staan in directe relatie met duurzaamheid. De mensheid van heel de wereld en van alle tijden vormt één grote familie. Het bereiken van positieve resultaten vraagt ieders inspanning en de samenwerking van velen, waaronder politici, wetenschappers en economen.
De paus doet vooral ook een beroep op de jongeren. In zijn preek op 2 september 2007 in Loreto zegt hij tegen de Italiaanse jongeren: “Ik weet dat velen van jullie je binnen de verschillende sociale omgevingen genereus wijden aan de getuigenis van het eigen geloof, door te werken als vrijwilliger, door je in te zetten voor de bevordering van het algemeen welzijn, van de vrede en gerechtigheid in iedere gemeenschap. Een van de terreinen waarop het urgent lijkt je in te zetten, is ongetwijfeld dat van het behoud van de schepping. Aan de nieuwe generaties is de toekomst van de planeet toevertrouwd, terwijl hier duidelijk de tekenen aanwezig zijn van een ontwikkeling die niet altijd het delicate evenwicht in de natuur heeft weten te beschermen. Voordat het te laat is, is het nodig om moedige keuzes te maken die opnieuw een hecht verbond tussen de mens en de aarde scheppen. Hier is een vastbesloten ‘ja’ tot bescherming van de schepping nodig en een krachtige inzet om die tendensen om te buigen die dreigen te leiden tot situaties van onomkeerbare neergang.”[vii]
Wij mogen erop vertrouwen dat de schepping in staat is voor iedere mens een goed leven mogelijk te maken, want Gods schepping is goed. Op 17 juli 2008 tijdens het welkomsfeest van de Wereldjongerendagen in Sydney leert de paus de jongeren: “Mijn lieve vrienden, Gods schepping is uniek en goed. De inspanningen voor geweldloosheid, duurzame ontwikkeling, gerechtigheid en vrede, evenals de zorg voor het milieu zijn van vitaal belang voor de mensheid.”[viii]
4e gebod: Het is geen ‘brave new world’
Bij milieuproblemen gaan ethiek en menselijke waardigheid boven techniek.
Aldous Huxley beschrijft in zijn roman ‘Brave New World’ een toekomstige wereld die totaal door technologie en rationaliteit wordt beheerst. Rationaliteit, wetenschap en techniek zijn ons door God als een geschenk in handen gegeven. Op zichzelf zijn het neutrale instrumenten die zowel voor goede als voor kwade doelen kunnen worden gebruikt. Een goed gebruik van wetenschap en techniek vraagt een ethische afweging, een toetsing aan de waarden die het geloof ons leert. Dit geldt niet alleen voor het doel maar ook voor de mogelijke bijeffecten en voor de bijkomende onzekerheden.
In zijn toespraak tot de christelijke associaties van Italiaanse arbeiders stelt de paus op 27 januari 2007: “Wij leven in een tijd waarin wetenschap en techniek buitengewone mogelijkheden bieden tot verbetering van de kwaliteit van het leven van alle mensen. Misbruik van deze macht kan echter een ernstige en onomkeerbare bedreiging van het leven zelf worden.”[ix]
In een gezamenlijke verklaring van de paus met Bartholomew I, patriarch van Constantinopel, op 30 november 2006 in Istanbul vinden we: “Met het oog op de grote bedreiging van het natuurlijke milieu willen we uiting geven aan onze bezorgdheid over de negatieve gevolgen voor de mensheid en voor het geheel van de schepping die het resultaat zijn van de economische en technologische vooruitgang, die haar grenzen niet kent. Als religieuze leiders beschouwen we het als een van onze plichten om de inspanningen die ondernomen worden om Gods schepping te beschermen en de komende generaties een wereld na te laten waarin zij kunnen leven, aan te moedigen en te ondersteunen.”[x]
5e gebod: Gaia is geen god
De natuur is niet goddelijk en zo lang de schepping en de natuurlijke orde worden gerespecteerd, is menselijk ingrijpen goed.
In de Griekse mythologie is Gaia de oermoeder, Moeder Aarde. In onze tijd is het beeld van een goddelijke aarde nieuw leven ingeblazen. Hiermee krijgt de mens een ondergeschikte positie ten opzichte van de aarde. De Bijbel leert ons met het scheppingsverhaal echter dat de aarde door God is geschapen en dat zij aan de mens is toevertrouwd: de aarde is een geschenk van God aan de mens. Het gebruik van geschenken vraagt dat wij respect hebben voor de bedoelingen van de schenker.
In zijn boodschap op 1 januari 2008, de Internationale Dag van de Vrede, bespreekt de paus dit onderwerp: “De familie heeft een thuis nodig, een haar passende omgeving waar zij haar onderlinge relaties kan realiseren. Voor de mensheid is dit thuis de aarde, de wereld die God, de Schepper ons heeft gegeven om haar met creativiteit en verantwoordelijkheid te bewonen. We moeten zorg dragen voor de wereld: zij is de mensen toevertrouwd om haar in verantwoordelijke vrijheid te beschermen en te cultiveren waarbij het algemeen welzijn voortdurend het leidend criterium moet zijn. Natuurlijk zijn mensen in vergelijking met de gehele schepping van grotere waarde. Het milieu respecteren betekent niet de natuur of de dierenwereld belangrijker achten dan de mensen. Het betekent eerder de natuur niet op egoïstische wijze zien als compleet beschikbaar voor onze eigen belangen, want ook de komende generaties hebben het recht van de schepping te profiteren en daarbij aan dezelfde verantwoordelijke vrijheid uiting te geven als wij voor onszelf opeisen. Zo mogen ook de armen niet vergeten worden: zij die vaak uitgesloten zijn van de vruchten van de schepping die voor iedereen zijn bedoeld. Tegenwoordig maakt de mensheid zich terecht zorgen over het toekomstige ecologische evenwicht. Het is goed bedachtzaam tot voorspellingen op dit gebied te komen in dialoog tussen deskundigen en geleerden, zonder ideologische druk tot overhaaste conclusies en vooral met het doel overeenstemming te bereiken over een model van duurzame ontwikkeling dat met respect voor het ecologisch evenwicht het algemeen welzijn van iedereen garandeert.”[xi]
6e gebod: Vooruitgang tot welke prijs?
Economisch en ecologisch beleid moeten op elkaar afgestemd worden. Naast de economische zijn ook de ecologische kosten van belang.
Ons economisch handelen wordt over het algemeen vooral door de direct zichtbare kosten bepaald. Eventuele negatieve effecten voor het milieu blijven daarmee meestal buiten beschouwing. Economische en ecologische ontwikkelingen mogen niet los van elkaar worden gezien. In zijn brief van 1 september 2007 aan Bartholomaios I, patriarch van Constantinopel, ter gelegenheid van het zevende symposium over godsdienst, wetenschap en de milieubeweging schrijft de paus: “Behoud van het milieu, bevordering van duurzame ontwikkeling en vooral aandacht voor klimaatveranderingen zijn voor de gehele menselijke familie zaken van groot belang. Geen land of bedrijfstak kan de ethische aspecten die zich in elke economische en sociale ontwikkeling voordoen, negeren. Wetenschappelijk onderzoek levert steeds overtuigender het bewijs dat de invloed van menselijk handelen waar dan ook op aarde wereldwijde gevolgen kan hebben. De gevolgen van veronachtzaming van het milieu kunnen niet tot de directe omgeving of de eigen bevolking beperkt worden, omdat zij altijd de menselijke samenleving kwetsen en dus de menselijke waardigheid verraden en de rechten van de burgers die in een veilige omgeving willen leven, geweld aandoen.”[xii]
De aarde en de natuur zijn niet onuitputtelijk: er zijn grenzen. Binnen de mogelijkheden van de schepping moet de mens streven naar het algemeen welzijn van iedereen. In de pauselijke boodschap aan de directeur-generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties op Wereldvoedseldag, 16 oktober 2006 lezen we: “De scheppingsorde vraagt dat er prioriteit wordt gegeven aan menselijke activiteiten die geen onomkeerbare schade aan de natuur toebrengen, maar die integendeel in het sociale, culturele en religieuze weefsel van de verschillende gemeenschappen zijn verankerd. Op deze wijze wordt een gezond evenwicht tussen het gebruik en de duurzaamheid van de natuurlijke bronnen bereikt.”[xiii]
7e gebod: Stromen als een rivier
Het stoppen van de wereldwijde armoede vraagt eerlijke verdeling van alle grondstoffen.
Op 16 juni 2005 wijst de paus de nieuwe ambassadeurs bij de Heilige Stoel op het volgende: “De aarde kan werkelijk voldoende voortbrengen om al haar bewoners te voeden, op voorwaarde dat de rijke landen niet dat wat aan iedereen toebehoort, voor zichzelf houden.”[xiv] Solidariteit en gerechtigheid zijn pijlers van de sociale leer van de Kerk. Zij richten onze aandacht op de positie van de armen. Aandacht voor de armen is vooral ook van belang bij de verdeling van schaarste. Het zijn ook de armen die het eerst en het meest onder de gevolgen van milieurampen te lijden hebben. In zijn preek tijdens de Eucharistieviering op 1 december 2006 in Istanbul zegt de paus: “In een wereld waarin mensen zoveel moeite hebben de vruchten van de aarde met elkaar te delen en waarin men zich terecht zorgen begint te maken over de schaarste aan water dat zo kostbaar is voor het leven van het lichaam…”[xv]
In zijn boodschap op 1 januari 2009, de Internationale Dag van de Vrede stelt de paus: “In de encycliek Centesimus annus wees Johannes Paulus II op de noodzaak ‘de mentaliteit op te geven die de armen – individuen en volkeren – als een last en als ongelegen verstoorders beschouwt die willen verbruiken wat andere hebben geproduceerd’. ‘De armen’, schrijft hij, ‘vragen het recht om te delen in het genot van de stoffelijke zaken en om hun werkkracht vruchtbaar te maken en zo een wereld te scheppen die rechtvaardiger en voor allen welvarender is’. In de huidige geglobaliseerde wereld wordt het steeds duidelijker dat vrede alleen tot stand kan worden gebracht wanneer iedereen van de mogelijkheid van een redelijke groei is verzekerd: vroeg of laat moet door iedereen de rekening betaald worden van de verstoringen die het gevolg zijn van onrechtvaardige systemen. Het is complete waanzin een luxueus huis te midden van verval en woestenij te bouwen. Globalisering op zich is niet in staat vrede tot stand te brengen en in vele gevallen veroorzaakt het zelfs verdeeldheid en conflicten. Veel eerder maakt het de noodzaak duidelijk tot oriëntatie op een doel van volledige solidariteit gericht op het welzijn van allen. In deze zin moet de globalisering gezien worden als een uitgesproken kans iets substantieels tot stand te brengen in de strijd tegen de armoede, en tot op heden ondenkbare wegen te gaan leidend naar vrede en gerechtigheid.”[xvi]
8e gebod: We zitten in hetzelfde schuitje
Het recht op een veilige en schone leefomgeving moet door wereldwijde samenwerking en internationale akkoorden beschermd worden.
Zonder internationale samenwerking komen we niet tot een duurzame samenleving. In de pauselijke boodschap op 1 januari 2008, de Internationale Dag van de Vrede vinden we: “Ik nodig iedere man en vrouw uit om zich nog meer bewust te worden van het diepe gevoel dat we tot één gezamenlijke mensenfamilie behoren, en ernaar te streven dat de menselijke samenleving deze overtuiging steeds meer weerspiegelt. Dit is essentieel om tot werkelijke en duurzame vrede te komen.”[xvii] Naast vrijwillige samenwerking is er ook internationale regelgeving noodzakelijk. Iedere mens heeft recht op een schoon milieu.
In zijn boodschap aan de directeur-generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties op Wereldvoedseldag, 16 oktober 2006 schrijft de paus: “Meer dan ooit is het tegenwoordig, met het oog op de terugkerende crises en het najagen van enkel persoonlijk belang, nodig dat er tussen de landen samenwerking en solidariteit is. Ieder land moet aandacht hebben voor de noden van de zwaksten onder zijn burgers, want zij zijn de eersten die lijden onder armoede. Zonder deze solidariteit bestaat het gevaar dat het werk van de internationale organisaties die zich inzetten voor de strijd tegen honger en ondervoeding, beperkt of zelfs verhinderd wordt. Op deze wijze bouwen de landen werkelijk de geest van gerechtigheid, eensgezindheid en vrede tussen de volkeren op: ‘opus iustitiae pax’ (zie Jes 32,17).”[xviii]
9e gebod: Discipline is niet een vies woord
Milieubescherming vereist een andere levensstijl. We moeten ons afkeren van consumentisme en productiemethoden nastreven die de natuurlijke orde respecteren en waarmee we kunnen voorzien in de basisbehoeften van alle levende wezens.
Het zal iedereen volstrekt duidelijk zijn, dat we niet door kunnen gaan met onze Westerse manier van leven en overconsumptie. Dat vraagt discipline en een andere mentaliteit. We moeten van een mentaliteit van ‘hebben’ naar een mentaliteit van ‘zijn’ met nadruk op waarden als waarheid, schoonheid, deugdzaamheid en gemeenschap.
In gesprek met de clerus van het bisdom Belluno-Feltre zegt de paus op 6 augustus 2008: “Het gaat er niet alleen om dat wij technologieën ontdekken om de schade te voorkomen; nog belangrijker is het dat we alternatieve bronnen van energie en nog veel meer vinden. Maar niets van dit alles is voldoende als wij niet zelf een nieuwe levensstijl vinden, een discipline van afzien, een discipline van erkennen van anderen aan wie de schepping net zo goed toebehoort als aan ons terwijl wij er gemakkelijker over beschikken, een discipline van verantwoordelijkheid voor de toekomst voor anderen en voor onszelf, want dat is de verantwoordelijkheid die ons door Hem is gegeven die onze Rechter is en als Rechter ook onze Verlosser, maar zeker ook onze Rechter. In het verlengde hiervan ben ik er van overtuigd dat we de beide dimensies – schepping en verlossing, aards leven en eeuwig leven, verantwoordelijkheid voor de schepping en verantwoordelijkheid voor anderen en voor de toekomst – bij elkaar moeten brengen. Ook denk ik, dat het onze opgave is nadrukkelijk en duidelijk aan het openbare debat deel te nemen. Om te kunnen overtuigen moeten wij tegelijkertijd door ons eigen voorbeeld, door onze eigen levensstijl laten zien dat het een boodschap is waarin wij zelf geloven en die kan worden nageleefd. En laten wij de Heer bidden ons allen te helpen, dat wij zelf zo vanuit het geloof en vanuit de verantwoordelijkheid van het geloof leven, dat onze levensstijl een getuigenis is, en ook zo te spreken dat ons woord geloofwaardig laat zien dat het geloof een wegwijzer in onze tijd is.”[xix]
10e gebod: Alles is gegeven
Milieuvraagstukken vragen om een spiritueel antwoord, geïnspireerd door het geloof dat de schepping een geschenk van God is. De mens is God dankbaar voor de schepping.
In gesprek met de Italiaanse jongeren leert de paus hen op 1 september 2007 in Loreto: “De schoonheid van alle schepselen is een van de wegen waarlangs wij Gods schoonheid werkelijk ervaren; hierdoor zien wij dat de Schepper bestaat en goed is. Het is waar zoals de heilige Schrift ons met het scheppingsverhaal leert, dat God de wereld voorzag en maakte met zijn hart, zijn wil en zijn wijsheid, en dat Hij het goed vond.”[xx]
Een goede omgang met de schepping, duurzaamheid en zorg voor het milieu vragen dat wij de schepping zien als een geschenk van God. Met dit geschenk openbaart God zijn liefde en goedheid aan ons. Schepping en verlossing zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De dankbaarheid voor het geschenk brengt ons in beweging om ervan te getuigen, het goed en respectvol te gebruiken en het verder uit te bouwen tot een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Op 17 juli 2008 tijdens welkomsfeest van de Wereldjongerendagen in Sydney zegt de paus tegen de jongeren: “De opdracht om te getuigen is geen gemakkelijke. Velen beweren tegenwoordig dat God buiten beschouwing moet worden gelaten, en dat religie en geloof wel mooi zijn voor individuen, maar geheel uit het openbare leven moeten worden geweerd of slechts moeten worden ingezet om beperkte pragmatische doelen te bereiken. Deze geseculariseerde opvatting tracht met nauwelijks of geen beroep op de Schepper het menselijk leven te verklaren en de maatschappij vorm te geven. Zij presenteert zichzelf als neutraal, onpartijdig en daarmee voor iedereen geldend. Maar in werkelijkheid, zoals iedere ideologie, dringt de secularisatie een bepaald wereldbeeld op. Wanneer God in het openbare leven betekenisloos is, wordt de maatschappij op basis van een goddeloos denkbeeld vorm gegeven. Wanneer God buiten beschouwing wordt gelaten, wordt ons langzamerhand de mogelijkheid ontnomen de natuurlijk orde, haar doel en het goede te herkennen. Wat opschepperig als menselijke genialiteit wordt aangemoedigd, manifesteert zichzelf al snel als dwaasheid, gierigheid en egoïstische uitbuiting. En zo zijn wij ons meer en meer bewust geworden van de noodzaak bescheiden te zijn in het aangezicht van de broze complexiteit van Gods wereld.”[xxi]
[i] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2008/august/documents/hf_ben-xvi_spe_20080806_clero-bressanone_en.html
[ii] Woodeene Koenig-Bricker, Ten Commandments for the Environment: Pope Benedict XVI Speaks Out for Creation and Justice, Notre Dame: Ave Maria Press, 2009.
[iii] De auteur is verantwoordelijk voor de Nederlandse vertalingen.
[iv] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2007/july/documents/hf_ben-xvi_spe_20070724_clero-cadore_en.html
[v] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2008/october/documents/hf_ben-xvi_spe_20081031_academy-sciences_en.html
[vi] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/homilies/2005/documents/hf_ben-xvi_hom_20050424_inizio-pontificato_en.html
[vii] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/homilies/2007/documents/hf_ben-xvi_hom_20070902_loreto_en.html
[viii] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2008/july/documents/hf_ben-xvi_spe_20080717_barangaroo_en.html
[ix] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2006/january/documents/hf_ben-xvi_spe_20060127_acli_en.html
[x] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2006/november/documents/hf_ben-xvi_spe_20061130_dichiarazione-comune_en.html
[xi] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/messages/peace/documents/hf_ben-xvi_mes_20071208_xli-world-day-peace_en.html
[xii] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/letters/2007/documents/hf_ben-xvi_let_20070901_symposium-environment_en.html
[xiii] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/messages/food/documents/hf_ben-xvi_mes_20061016_world-food-day-2006_en.html
[xiv] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2005/june/documents/hf_ben-xvi_spe_20050616_ambassadors_en.html
[xv] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/homilies/2006/documents/hf_ben-xvi_hom_20061201_istanbul_en.html
[xvi] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/messages/peace/documents/hf_ben-xvi_mes_20081208_xlii-world-day-peace_en.html
[xvii] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/messages/peace/documents/hf_ben-xvi_mes_20071208_xli-world-day-peace_en.html
[xviii] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/messages/food/documents/hf_ben-xvi_mes_20061016_world-food-day-2006_en.html
[xix] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2008/august/documents/hf_ben-xvi_spe_20080806_clero-bressanone_en.html
Jezus spreekt over het einde der tijden: “Hemel en aarde zullen voorbijgaan.” “Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op de wolken met grote macht en heerlijkheid.”
In de tijd van Jezus was men gewend in dergelijke begrippen te denken. Het beeld van de Mensenzoon die komt in heerlijkheid vinden we ook bij de profeet Daniël zo’n twee eeuwen voor Christus. Ook in de brieven van Paulus gaat het regelmatig over het einde der tijden en het boek Openbaring van Johannes gaat geheel over dit onderwerp. In die tijd dacht men dat het einde der tijden nabij was en elke ramp en elke vorm van buitensporig geweld werd als een voorbode gezien.
In onze huidige tijd is het einde der tijden niet zo concreet, niet zo dichtbij. Het is iets wat ooit zal gebeuren, maar – anders dan destijds – verwacht niemand van ons dat hij het zelf mee zal maken. Het einde der tijden ligt in de verre toekomst. Ons besef van tijd is geheel anders dan in de tijd van Jezus. Wij weten dat het heelal bijna 14 miljard jaar bestaat en de aarde bijna 5 miljard. De eerste mens leefde zo’n 200.000 jaar geleden. We weten ook dat de zon over ongeveer 5 miljard jaar zal uitdoven en geen warmte meer zal geven. Veel eerder – maar dat duurt toch nog altijd 1 miljard jaar – zal door de verandering van de zon het leven op aarde onmogelijk zijn. Wij rekenen op dit gebied in miljoenen en miljarden jaren. Dat was in de tijd van Jezus geheel anders. Volgens de joodse jaartelling leven we nu in het jaar 5773. Volgens de joodse traditie is dat geteld vanaf de schepping. Dus in de tijd van Jezus bestond de wereld volgens deze jaartelling nog geen 3000 jaar. Dan kun je je veel makkelijker voorstellen dat er binnenkort ook weer een einde aan komt.
Dat zijn natuurlijk allemaal mooie berekeningen en wetenschappelijke verklaringen, maar wat moeten wij vandaag nog met dit verhaal over het einde der tijden. Het lijkt mij niet goed dat wij terugkeren naar het wereldbeeld van toen. Ook zonder dat wereldbeeld heeft dit Evangelieverhaal ons veel te zeggen. De sleutel hiervoor ligt elders in de Bijbel. In de Handelingen der Apostelen lezen we over de marteldood van Stefanus. Vlak voor Stefanus sterft, roept hij uit: “Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.” Stefanus ziet aan het einde van zijn leven, op het moment van zijn sterven de Mensenzoon verschijnen in heerlijkheid. Het beeld van de komst van de Mensenzoon in zijn heerlijkheid is hier van toepassing op één enkele mens. Te midden van zijn lijden openbaart de Mensenzoon zich aan Stefanus.
Wij mogen het beeld van het einde der tijden en van de komst van de Mensenzoon in heerlijkheid, dus direct op ons eigen leven en op onze eigen sterfelijkheid betrekken. Te midden van de duisternis schijnt het licht van Gods Woord. Aan het begin van het Evangelie volgens Johannes lezen we: “Het Woord is vleesgeworden en heeft onder ons gewoond.” Gods Woord is mens geworden in Jezus Christus. Hij is het Licht der wereld, het teken van Gods liefde voor alle mensen. Gods Woord, zijn Licht, zijn mensgeworden liefde komt tot ons. Overal om ons heen zijn de tekenen zichtbaar, zoals aan de vijgenboom te zien is dat de zomer in aantocht is. Als wij onszelf ervoor openstellen, zien we de tekenen van Gods liefde, zien we hoe het leven van mensen weer nieuw perspectief krijgt, hoe mensen elkaar vergeven en zich met elkaar verzoenen, hoe geloof en vertrouwen het winnen van angst en onzekerheid. Het zijn allemaal voorbeelden van hoe Gods Woord de duisternis overwint, hoe zijn licht en liefde sterker zijn dan het lijden en het kwaad.
Jezus zegt: “Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.” Als we dit op ons eigen leven betrekken, mogen wij zeggen: Ook al komt mijn leven op aarde tot een einde, de liefde van God voor mij kent geen einde. Juist in de diepste duisternis van onze dood verschijnt de Mensenzoon in heerlijkheid. Niet alleen aan het einde van ons leven komt de Mensenzoon tot ons. Christus wil heel ons leven delen, in al onze vreugde en verdriet wil Hij bij ons zijn. Hij is mens geworden om het leven met ons te delen. Dat is niet alleen een historische gebeurtenis, dat is een blijvende werkelijkheid voor iedere mens. Voor iedere mens en gedurende zijn hele leven wil Christus er zijn als het verlossende woord, het licht dat de duisternis verdrijft, de liefde die alle lijden en alle kwaad overwint.
Dat is ook de boodschap van de Kerk voor de wereld, voor alle mensen. Dat is boodschap van iedere christen voor zijn medemens. Het is deze boodschap die wij onszelf eigen moeten maken en die wij vervolgens mogen uitdragen. Vaak ervaar ik dat deze boodschap diep in de harten van mensen leeft. Ik zie dit in gesprekken rond het sterven van een geliefde, maar even sterk in gesprekken over de Doop van kinderen. Diep in de harten van de mensen – jong en oud – is dit geloof en vertrouwen aanwezig, maar vaak weten we er geen woorden aan te geven. Dat is misschien een van grootste problemen van onze tijd, dat wij niet over de woorden beschikken om ons geloof uit te drukken, dat we niet verder komen dat het uiten van een vaag gevoel, terwijl het in feite een zeer concrete werkelijkheid is.
In dit jaar van het geloof worden wij opgeroepen ons geloof te verdiepen, om woorden te geven aan hetgeen ons vertrouwen geeft. Alleen als wij in staat zijn ons eigen geloof te verwoorden en vorm te geven, zijn wij in staat datgene wat voor onszelf van grote waarde is, door te geven aan de komende generaties. Alleen als we weet hebben van ons eigen geloof, zijn wij in staat werkelijk missionair te zijn. Alleen dan zal het Woord dat ons leven verlicht, ook een licht voor de wereld, een licht voor iedereen zijn.
Laat ik besluiten met een citaat uit de boodschap van de paus aan de jongeren. Deze boodschap is van 18 oktober jongstleden en is een oproep ter voorbereiding op de Wereldjongerendagen volgend jaar in Brazilië. “Wat betekent het missionair te zijn? Het betekent vooral een volgeling van Christus zijn. Het betekent telkens opnieuw luisteren naar de uitnodiging Hem te volgen en naar Hem te kijken: ‘Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.’ (Mt 11,29) Een volgeling is iemand die altijd openstaat voor het woord van Jezus, iemand die erkent dat Jezus de Leraar is, die zoveel van ons houdt dat Hij zijn eigen leven voor ons gaf. Ieder van jullie moet zich daarom iedere dag laten vormen door Gods woord. Daardoor worden jullie vrienden van de Heer Jezus en zijn jullie in staat andere jongeren tot vriendschap met Hem te brengen.” Amen.
Vrij zijn: dat willen we allemaal. Maar wat verstaan we onder vrijheid? Wat betekent vrijheid voor ons? In het denken van deze tijd wordt vrijheid vaak gezien als kunnen doen wat je wilt. Zo wordt bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting gezien als mogen zeggen wat je maar voor de mond komt, mogen zeggen wat je wilt zonder rekening te hoeven houden met een ander. Maar is dit werkelijk vrijheid? Is dit de bevrijding die God ons brengt?
In de eerste lezing gaat het over de bevrijding uit de ballingschap. God voert zijn volk terug naar het beloofde land. Ook Psalm 126 bezingt deze terugkeer. Nu kan het volk van Israël weer in vrede en vreugde leven, want nu zijn zij weer vrij te leven naar Gods geboden. In het Oude Testament gaat het erom te kunnen leven zoals God het wil: dat is voor Israël de ware vrijheid. De brief aan de Hebreeën houdt ons voor dat vrijheid vooral vrij zijn van zonde betekent. Christus heeft ons van de zonde bevrijd. Christus is de hogepriester die ons met het offer van zijn leven voor eens en voor altijd heeft verlost en bevrijd. In het Evangelie wordt Bartimeüs door Jezus bevrijd van zijn blindheid. Door deze bevrijding kan Bartimeüs voluit leven, leven in overvloed. Hij sluit zich aan bij Jezus en volgt Hem.
Het beeld van vrijheid dat de Bijbel schetst, is van een andere orde dan het beeld dat onze huidige cultuur van vrijheid heeft. Laten we het begrip vrijheid nog eens nader onder de loep nemen en de hulp van filosofen inroepen.
Filosofen maken onderscheid tussen twee benaderingen van de vrijheid. De ene benadering heet de negatieve vrijheid en de andere de positieve vrijheid. De negatieve vrijheid is de vrijheid van het liberalisme. Je bent vrij om te doen en te laten wat je wilt, zolang je er een ander geen kwaad mee doet. Deze vrijheid is dus wel begrensd, maar de begrenzing is van negatieve aard: de last die een ander aangedaan wordt, begrenst je vrijheid.
Wat je wilt bereiken met deze vrijheid en welke gevolgen deze vrijheid voor jezelf heeft, zoek je zelf maar uit. Dus als je van roken ziek wordt, als je van te veel eten dik wordt, als je door te veel drinken je werk slecht doet, als je door luiheid je diploma niet haalt, het is allemaal ‘dikke bult, eigen schuld’. Dit is ook de vrijheid van het ongebreidelde kapitalisme. De markt bepaalt de prijs. Als het loon te laag is om van te leven: zoek ander werk. Als een bedrijf over de kop gaat door speculatie: dat is het risico van het vak. Een misoogst: jouw probleem, volgend jaar meer geluk. De negatieve vrijheid is een vrijheid zonder doel. Het middel vrijheid is zelf tot doel verheven.
De positieve vrijheid is een vrijheid met een doel: het doel om een goed mens te zijn, het doel om een goed leven te leiden. Deze vrijheid is er niet alleen voor mij, maar ook voor de ander. Zij vraagt juist om naar anderen om te zien. Zijn zij in staat zich te ontwikkelen tot goede mensen; hebben zij daartoe de ruimte en hebben zij daartoe de middelen.
Iemand die verslaafd is, wordt daartoe door niemand verplicht, maar het beperkt wel zijn vrijheid en dan is het niet voldoende te zeggen: je hebt het toch zelf gewild. Voor iemand die zelf tekort komt en alleen maar rijkdom om zich heen ziet, is het niet eenvoudig tevreden te zijn en te blijven hopen op betere tijden. Is iemand onder dergelijke omstandigheden vrij? Het wordt hem bepaald niet gemakkelijk gemaakt zich tot een goed mens te ontwikkelen.
Vanuit de positieve vrijheid gezien is vrijheid van meningsuiting de vrijheid te zeggen wat jou en de ander goed doet. Daarin zit geen ruimte voor belediging en schoffering.
De positieve vrijheid is de vrijheid die de Bijbel ons voorhoudt. Dit is de bevrijding die Christus ons brengt. De positieve vrijheid is de vrijheid Christus te kunnen navolgen. De vrijheid om een goed mens te worden, om werkelijk gelukkig te zijn. In feite is deze vrijheid onbegrensd: er zijn geen grenzen aan goed doen, goed zijn en gelukkig zijn. Nooit zal iemand enig nadeel ondervinden van deze vrijheid van een ander, sterker nog hij zal er alleen maar voordeel van hebben.
Dit is de bevrijding die God ons geeft. Deze vrijheid is voor iedereen weggelegd, maar je moet er wel voor kiezen. God doet ons een aanbod. De aanvaarding, het antwoord moet van ons komen. De positieve vrijheid vraagt van ons dat wij daadwerkelijk voor het goede kiezen, dat wij kiezen voor de liefde. Het vraagt ook van ons dat wij afzien van het kwaad, dat wij onze onhebbelijkheden, onze slechte gewoontes, onze verslavingen en onze zondigheid gaan beheersen. Het vraagt dat wij ons werkelijk richten op God, dat wij in geloof en in liefde Hem zoeken.
Als wij ons oefenen in het goede, ons oefenen in geloof, hoop en liefde dan ligt de weg van de vrijheid voor ons open, dan zullen wij de bevrijdende verlossing door Jezus Christus werkelijk ervaren, dan zullen wij gelukkige mensen worden. Amen.
Auteur: Tessa Afshar
Titel: Achter de muren van Jericho
Uitgever: Voorhoeve, 2011; prijs: € 19,95
ISBN: 978 90 297 9670 5; aantal pagina’s: 351
Na een tocht van veertig jaar door de woestijn komt het volk van Israël aan bij de Jordaan om het beloofde land binnen te trekken. Aan de overkant ligt Jericho, een met enorme muren versterkte stad. Jozua geeft twee spionnen de opdracht de stad te verkennen. Met hulp van de hoer Rachab weten zij weer uit Jericho te ontsnappen. Als beloning worden Rachab en haar familie bij de val van Jericho gespaard en opgenomen bij het volk van Israël. Verder vinden we Rachab terug in Matteüs 1,5 in de geslachtslijst van Jezus van Nazareth.
Op basis van deze gegevens en nog enkele feiten uit het Bijbelboek Jozua heeft Tessa Afshar een roman geschreven. Een roman over liefde, vertrouwen en geloof, over schuld en schaamte, over zondigheid, vergeving en verzoening: over de strijd die een jonge vrouw voert om tot een nieuw leven te komen.
Het is Tessa Afshar gelukt personen uit een ver verleden tot leven te wekken en vanuit onze tijd en cultuur toegankelijk te maken. Belangrijke geloofswaarden krijgen in deze makkelijk te lezen roman gestalte in het leven van mensen van vlees en bloed.
“Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn.” Vandaag gaat het over dienstbaar zijn. Dienstbaar zijn, dienaar zijn is in onze tijd geen vanzelfsprekendheid.
Bij veel managementtrainingen wordt tegenwoordig gesproken over: dienend leiderschap. Op internet vinden we bijvoorbeeld: “Luisteren, empathie tonen, zorgen voor de mensen in je omgeving, je werknemers laten groeien, gemeenschapsgevoel bevorderen, je bewust zijn van jezelf en hoe je je verhoudt tot je omgeving, overtuigingskracht uitstralen, richting geven, vooruitzien, anticiperen en een goede rentmeester zijn.” Dat zijn volgens een website de eigenschappen van de dienende leider. Dat klinkt inderdaad geheel anders dan het beeld dat Jezus schetst: heersers der volkeren die met ijzeren vuist regeren en groten die misbruik maken van hun macht.
Dat managementtrainingen aandacht besteden aan dienend leiderschap betekent dat dit blijkbaar geen vanzelfsprekende stijl van leidinggeven is. In onze maatschappij staat vooral het eigen ‘ik’ centraal: je moet assertief zijn, je de kaas niet van het brood laten eten. Ieder voor zich en God voor ons allen. Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die zouden ons wel begrijpen: zij denken aan zichzelf, aan hun eigen toekomst en vragen dan ook aan Jezus: “Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand moge zitten.” Dat is de taal van onze tijd, de taal die ook wij spreken. Dit is echter niet de taal van het Evangelie. Jezus roept ons op Hem na te volgen en dienaar te zijn. Over zichzelf zegt Hij: “want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.”
In de Evangeliën worden in het Grieks twee woorden gebruikt die beide vaak met ‘dienaar’ worden vertaald. Dat is verwarrend, want ze hebben duidelijk verschillende betekenissen. Het zijn de woorden δουλος (doulos) en διακονος (diakonos). De δουλος is een slaaf, iemand die niet vrij is. De διακονος is een vrije dienaar, bijvoorbeeld een ambtenaar van de koning. Van dit laatste woord is ons woord ‘diaken’ afgeleid.
U zult begrijpen dat ik tijdens mijn opleiding tot diaken en ook na mijn wijding mij afgevraagd heb wat het voor mij betekent diaken, dienaar te zijn. Dienstbaarheid had ik min of meer met de paplepel binnengekregen. Mijn vader had een kruidenierswinkel op het Friese platteland en als kinderen hielpen wij natuurlijk in de winkel. Terugkijkend op zijn werkzame leven schreef mijn vader in zijn notitieboekje: “Ik had geen zaak, maar een dienstverlenend bedrijf.” Als diaken dienstbaar zijn: dat zou ik dus wel moeten kunnen. Maar er was nog iets anders. Voortdurend wordt er ook gesproken over nederigheid en over nederige dienstbaarheid. En dat was voor mij een begrip waar ik niet echt mee uit de voeten kon. Ik heb niets met onderdanigheid, ik ben trots op wie ben en wat ik kan. Ik ben een kind van God. Hij heeft mij gezegend met talenten. Daar ben ik werkelijk trots op. Bovendien ben ik een Fries, voortkomend uit een volk vol eer en roem.
Op een avond tijdens de opleiding was de bisschop van Antwerpen op bezoek en ook hij sprak over nederigheid. Ik trok de stoute schoenen aan en legde mijn probleem aan hem voor. Dat gaf lucht. Hij vertelde mij, dat ik het woord nederig niet moest uitleggen als onderdanig, maar als bescheiden. Bescheidenheid als de tegenstelling van hooghartigheid, als tegenstelling van egocentrisme. Deze bemoediging in combinatie met het onderscheid dat het Evangelie maakt tussen δουλος en διακονος maakten het voor mij mogelijk diaken te worden en nederige dienstbaarheid als mijn roeping te aanvaarden.
Wat is de essentie van de woorden van Jezus als Hij zegt: “de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” In het Grieks staat hier voor het woord dienen: διακονέω (diakoneo).Jezus heeft het dus over het handelen als een diaken, als een dienaar. Hij heeft het dus niet over het handelen als een slaaf, niet over het onderdanige en gedwongen dienen.
Hier zit – denk ik – ook het probleem van onze cultuur. Dienstbaarheid wordt tegenwoordig vaak alleen gezien in termen van onderdanigheid en ondergeschiktheid. Ook ik was tot een aantal jaren geleden onderdeel van dat denken. Maar dienen zoals hier in het Evangelie bedoeld, is juist handelen uit vrije wil en op basis van gelijkwaardigheid. Dienen is hier een uiting van vriendschap en van liefde.
Een slaafse houding van dienstbaarheid mist juist die liefde. Gedwongen liefde bestaat niet. Verslaafd zijn aan dienstbaarheid is dan ook eerder een kwaad. Een verslaving maakt je onvrij, maakt je slaaf en daarvan komt Jezus ons nu juist verlossen. Jezus is mens geworden om ons uit de slavernij te bevrijden, om van ons vrije mensen te maken. Het christendom leert – anders dan de filosoof Nietzsche beweert – geen slavenmoraal.
Er is nog iets bijzonders met het Evangelie van vandaag. In deze tekst worden de woorden slaaf en dienaar – δουλος en διακονος – naast elkaar gebruikt: “Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen.” Er kan er natuurlijk maar één de eerste zijn en dat is Jezus zelf. Alleen Hij is in staat slaaf te zijn zonder zijn vrijheid te verliezen. Alleen Hij kan zijn leven geven als losprijs voor velen. Alleen Hij kan ons bevrijden uit de slavernij en tot vrije mensen maken.
Wij zijn niet geroepen om slaaf maar om dienaar te zijn. Dienstbaar te zijn zoals God dienstbaar is. Hij komt ons met zijn oneindige liefde altijd weer te hulp. Die liefde mogen wij op onze beurt delen met allen. Amen.
Jarenlang is het uitleggen van de Bijbel het werk van mannen geweest. De mannelijke wijze van kijken naar de wereld heeft daarmee nog steeds een grote invloed op ons denken. En ik kan mij dan ook voorstellen dat veel vrouwen bedenkingen hebben bij de eerste lezing, bij dit deel van het scheppingsverhaal. Wij zijn allemaal opgevoed met de volgende uitleg van dit verhaal. Eerst is de man geschapen en daarna de vrouw. De vrouw is gemaakt uit de rib van de man. God heeft de vrouw geschapen om de man te helpen. Zij is de hulp van de man. Maar staat dat er ook of hebben wij geleerd het zo te lezen? Laten we tekst nog eens bekijken.
Als we voorin de Bijbel beginnen met lezen, vinden achterelkaar twee scheppingsverhalen. In het eerste verhaal schept God op de zesde dag de mens: “En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.” De mens wordt geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. De Drieëne God, Vader, Zoon en H. Geest, is gemeenschap: God is in zichzelf relationeel. Dat geldt ook voor de mens. Een mens bestaat niet zonder andere mensen. Man en vrouw bestaan niet zonder elkaar en zonder relatie met elkaar. Man en vrouw zijn aan elkaar gelijkwaardig. Zowel de vrouw als de man is beeld van God. Man en vrouw in relatie met elkaar, samen zijn zij beeld van God.
Ongeveer een bladzijde verder staat de tekst die we vandaag gelezen hebben. Deze tekst is uit het tweede scheppingsverhaal. Hier wordt met een ander verhaal in feite dezelfde boodschap verteld. Hier wordt eerst een enkele mens geschapen. Nergens staat dat dit een man of een vrouw is. Dan wordt duidelijk dat de mens niet bedoeld is om alleen te zijn. Om de eenzaamheid van de mens op te heffen, schept God de dieren om de mens tot hulp te zijn. Deze hulp van de dieren is een ondergeschikte hulp. Daarnaast heeft de mens God zelf als hulp, een hulp van bovenaf. Deze gedachte lezen we vaak in de Psalmen: “God kom mij te hulp.”
God ziet dat het niet werkt: ook al heeft de mens hulp van onderaf en van boven, hij blijft alleen en is eenzaam. Waar de mens werkelijk behoefte aan heeft, is een medemens, een gelijkwaardige, een hulp die hem past, iemand waarmee hij op voet van gelijkheid een relatie kan hebben, iemand waarvan de mens echt kan houden. Dan wordt er uit de rib van de mens een tweede mens geschapen. En nu pas is er sprake van man en vrouw! Daarvoor was er enkel een mens, niet een man of een vrouw. Pas als er twee zijn, is er een man en is er een vrouw. Dus de vrouw is geen afgeleide van de man, maar de eerste mens is als het ware gesplitst in een man en een vrouw.
In de ideale situatie van het scheppingsverhaal zijn man en vrouw gelijkwaardig aan elkaar. Zij hebben elkaar nodig om gelukkig te zijn. Zij zijn elkaar tot hulp. Man en vrouw zullen elkaar liefhebben en één vlees zijn. Dit verbeeldt het verlangen naar eenheid en harmonie waarin mensen het geluk ervaren. Gelukservaringen die wij soms ook werkelijk beleven: soms, heel even en dan weer het verlangen. Het verlangen naar eenheid is wezenlijk verbonden met de ervaring van verschil. Het is een eenheid in verscheidenheid en gelijkwaardigheid.
De scheppingsverhalen maken ons duidelijk dat het huwelijk een wezenlijk deel is van het menselijk bestaan. Op deze wijze wordt de liefde tussen mensen concreet vorm gegeven. Gaandeweg zijn mensen zich ervan bewust geworden dat de liefde tussen mensen te maken heeft met de liefde van God voor de mens. In dit verband is het goed te bedenken dat het sacramentele karakter van het huwelijk pas zo’n 800 jaar wordt onderkend.
Het sacramentele karakter van huwelijk verwijst naar de betrokkenheid van Gods liefde bij de verbintenis tussen man en vrouw. Man en vrouw brengen niet zelf deze liefde tot stand, het is God die hen zijn liefde geeft. God is de bron van de liefde tussen man en vrouw. De liefde tussen man en vrouw is een geschenk van God. Dat maakt het huwelijk tot een sacrament. Wij zijn allen geroepen tot een christelijk leven, tot een leven met Christus. In de liefdesrelatie tussen man en vrouw is Christus aanwezig. Hij roept ons op tot liefde voor elkaar. Man en vrouw stellen Christus voor elkaar present en roepen elkaar op om aan Christus gelijk te worden. Zo geven zij elkaar de liefde tot het uiterste toe. Zo volgen zij Christus na.
De liefde tussen man en vrouw is allereerst een geschenk van God. Maar dit is niet alleen een gave, het is ook een opgave. Wijzelf worden geroepen om deze liefde inhoud te geven. Wij moeten er aan werken om deze liefde levend te houden en uit te laten groeien tot een werkelijk onbaatzuchtige liefde. Dat vraagt allereerst onze bereidheid dit geschenk te aanvaarden.
Hiermee komen we bij het tweede deel van de Evangelielezing van vandaag. De kinderen worden ons tot voorbeeld gesteld. Zeker in die tijd werden kinderen niet in staat geacht zelf een bijdrage te kunnen leveren aan hun eigen geluk en heil. Zij zijn geheel afhankelijk van de genade en van Gods liefde. Jezus zegt ons dat wij Gods liefde en genade moeten aannemen als een kind. Wij moeten ontvankelijk zijn. Wij moeten niet het idee hebben dat we ons geluk zelf kunnen realiseren. Pas als wij ons open stellen voor Gods liefde, zijn wij in staat tot liefde voor elkaar. Als wij God als bron van onze liefde aanvaarden, zijn wij in staat die liefde aan elkaar te geven.
En dan nog blijft het vaak hard werken en is succes niet verzekerd. Hoe dan ook blijven wij mensen met tekortkomingen. Jezus spreekt over de hardheid van ons hart. Het huwelijk is een proces, een op weg gaan. Wij hebben daarbij mooie idealen en vergezichten voor ogen, maar de weg gaat langs de werkelijkheid van alle dag en dat is niet alleen rozengeur en maneschijn. Alleen als wij ons gedragen weten door Gods liefde, als wij ons werkelijk verbonden weten met Christus, die onze weg ten leven is, alleen dan zijn wij in staat alle moeilijkheden en tegenslagen te verwerken. Alleen als wij met Christus bereid zijn ook ons kruis te dragen, kunnen wij elkaar werkelijk gelukkig maken.
Tenslotte vraagt Gods liefde van ons mee te leven met hen die ondanks alle inspanningen niet in staat zijn deze weg te gaan en te bidden voor allen die door welke reden dan ook teleurgesteld zijn in het huwelijk en de liefde voor elkaar. Amen.
Arbeid is volgens de Kerk een wezenlijk onderdeel van het menselijk bestaan. Door de arbeid neemt de mens deel aan de schepping, hij neemt verantwoordelijkheid en komt tot samenwerking met anderen.
Bijbel
In de Bijbel wordt arbeid primair als iets waardevols gezien. Nadat God de wereld geschapen heeft, plaatst Hij de mens in de tuin van Eden om die te beheren en te bewerken (Gen 2,15). Pas na de zondeval is er in Gen 3,19 sprake van: “In het zweet zult ge werken voor uw brood.” Door te werken nemen wij deel aan de schepping, maar in het werk ervaren wij ook de gebrokenheid van ons bestaan. Jezus van Nazaret heeft een groot deel van zijn leven gewerkt. In zijn prediking waardeert Hij arbeid positief, maar Hij waarschuwt wel voor overschatting van het belang ervan (Mt 6,19-34).
Menselijke waardigheid
Het zijn mensen die werken en dat betekent dat arbeid menswaardig moet zijn. De mens is geen economische eenheid en mag niet gezien worden als enkel een arbeidskracht. Een mens is nooit een middel, maar altijd een doel. Hij is een kind van God en naar zijn gelijkenis geschapen. Arbeid is juist een mogelijkheid voor een mens om zijn waardigheid uit te drukken.
Menswaardige arbeid
Volgens de Sociale leer van Kerk moet arbeid mensen laten deelnemen aan de ontwikkeling van hun gemeenschap. Werk maakt het mogelijk in de behoeften van het gezin te voorzien en de kinderen naar school te sturen, zonder dat deze zelf gedwongen zijn te werken. Werk biedt de mogelijkheid tot ontwikkeling en zelfontplooiing. Werk laat voldoende ruimte voor een eigen persoonlijk, familiair en geestelijk leven. Werk verzekert ook de gepensioneerde van een waardige levensstandaard. Ieder die daartoe in staat is, heeft niet alleen de plicht om te werken, maar heeft ook recht op passende arbeid.
Werkomstandigheden
Werknemers moeten in staat zijn zich vrij te organiseren, hun stem te laten horen en hun belangen te behartigen. Hun rechten moeten gerespecteerd worden en onderlinge solidariteit moet mogelijk zijn. Arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen mogen de mens en zijn waardigheid niet schaden.
Op zondag 23 september besteden we aandacht aan de Vredesweek 2012. We lezen dan uit de brief van de apostel Jakobus. Jakobus draait er geen doekjes om. Hij houdt ervan de zaken bij hun naam te noemen. Hij schrijft: “Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en slechts wie de vrede nastreven zullen haar oogsten. Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies vandaan? Toch alleen van uw eigen hartstochten die u niet met rust laten? Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen. Gij moordt en benijdt en gij kunt uw doel niet bereiken. Dan gaat gij vechten en strijden.”
Jakobus sluit hiermee heel concreet aan bij het thema van de Vredesweek. Met het motto ‘Powered by Peace’ is het doel dat er een einde komt aan geweld en onrecht rond het delven van grondstoffen. Olie, steenkool, goud en andere grondstoffen zijn vaak de oorzaak van conflict in plaats van een bron van welvaart en vrede.
Opbrengsten uit grondstoffen worden vaak niet besteed aan armoedebestrijding, maar aan het leger, of ze komen terecht bij rebellen en criminelen. Op deze manier ontstaan nieuwe conflicten en worden lopende conflicten in stand gehouden. Regelmatig gaat de exploitatie gepaard met mensenrechtenschendingen. Voorbeelden zijn: de mijnbouw in Colombia, de oliewinning in Zuid-Soedan en de industriële mijnbouw in de Democratische Republiek Congo.
Dagelijks komen wij in aanraking met producten die gemaakt zijn met gebruik van omstreden grondstoffen. Bijvoorbeeld gouden sieraden, mobiele telefoons, of de stroom uit ons stopcontact. De Vredesweek vraagt aandacht voor dit belangrijke thema. Grondstoffen moeten niet langer grond zijn voor conflict maar wereldwijd een bron van vrede worden. Zie ook: http://www.ministerievanvrede.nl.
De Morgenster, augustus 2012