Spring naar inhoud

Vonken in de nacht

Hoe vinden we God? En waar vinden we God? Daarvoor zullen op zijn minst een idee moeten hebben van wie Hij is. Wie is God voor ons?

Is God de almachtige Allerhoogste die alles kan? Is Hij de alleskunner die voor elk probleem een oplossing heeft? We kunnen God zien als degene die voortdurend onze problemen oplost, die ons telkens weer geeft wat we Hem vragen. We denken dan: Als wij maar braaf zijn en goed bidden, dan geeft God ons wel een mooi diploma en een goede baan. Dan geeft Hij ons een lieve levenspartner en fijne kinderen. Dan geeft Hij ons gezondheid en een lang en gelukkig leven. Wij weten dat God geen Sinterklaas is. Maar het kost ons vaak veel moeite om het leven met al zijn wisselvalligheden te aanvaarden. Groot is dan onze behoefte ergens met onze zorgen terecht te kunnen, terecht te kunnen bij iemand die op ons past en die ons beschermt.

Vaak hebben we onze eigen ideeën over God. Maar al te vaak weten wij precies wat God zou moeten doen. Ook in ons denken en in ons spreken over God gaan we vaak verder dan goed is. Als wij precies weten hoe het mysterie van God in elkaar steekt, dan weten we ook precies wat ons te doen staat, dan is alles helder en duidelijk en komen we niet voor verrassingen te staan. Precies weten wie God is en wat Hij wil, maakt ons leven lekker overzichtelijk.

Jezus van Nazareth leert ons dat God liefde is. God houdt van ons en wij mogen van Hem houden. Jezus leert ons dat onze relatie met God een liefdesrelatie is. Van elkaar houden betekent dat je elkaar vertrouwt en dat je jezelf aan de ander durft toe te vertrouwen. Niet dat dat altijd even makkelijk is, maar dat is wel de essentie van liefde. In een liefdesrelatie is er geen plaats voor egoïsme en zelfgerichtheid. Daar is ook geen plaats voor zelfgenoegzaamheid. Als wij geweldig tevreden met ons zelf zijn, is er geen ruimte meer voor de ander en is het met de liefde gedaan. Zelfgenoegzaamheid bedreigt de relatie van mensen met elkaar en ook onze relatie met God.

Afgelopen maandag sprak paus Franciscus de curie toe. De curie is – zeg maar – het ambtenarenapparaat van de Kerk. Hij waarschuwde hen voor allerlei bekoringen die op de loer liggen. Franciscus had het over vijftien ziektes die het kerkbestuur in Rome bedreigen. Hij noemde onder andere ‘zichzelf onsterfelijk en onmisbaar voelen’, ‘mentale verstarring’, ‘spirituele Alzheimer’ en ‘terrorisme van de roddel’. Het zijn allemaal uitingen van zelfgenoegzaamheid. Volgens de media is de heren flink de les gelezen. Velen zullen dat met genoegen gehoord of gelezen hebben. Maar hoe zit het met onszelf? Ligt ook bij ons de zelfgenoegzaamheid niet voortdurend op de loer? Wij hebben het goed voor elkaar hier in Nederland. Wij hebben het goed voor elkaar in ons dorp, in onze parochie en in ons gezin. We vieren op een mooie manier samen Kerstmis. Het is een en al vrede, liefde en geluk. Is dat wel zo? Of is dit denken een uiting van zelfgenoegzaamheid?

Het is goed om hier en thuis samen onze verbondenheid met elkaar te vieren. Wij mogen daar echt van genieten zonder ons schuldig te voelen. Maar het mag niet leiden tot zelfgenoegzaamheid, tot een zelfvoldaan achterover leunen, de ogen te sluiten en te stoppen met luisteren naar anderen en daarover na te denken.

Jezus had het waarschijnlijk ook goed voor elkaar daar in Nazareth. Hij werkte in de zaak van zijn vader Jozef en had een liefdevolle moeder die goed voor Hem zorgde. Toch heeft Jezus die situatie verlaten en trok Hij de wereld in. Hij wist dat Hij de boodschap van liefde, de liefde van zijn Vader moest verkondigen. De liefde die Hij ook thuis ervoer, was er niet om voor zichzelf te houden. Hij moest die liefde delen met alle mensen. Hij koos niet voor de gemakkelijke weg, maar voor een weg die op weerstand stuitte. Het spreken over de liefde van God bracht Hem de dood aan het kruis. Hij kon niet anders. Dit was de weg van leven en liefde die Hij moest gaan. Wij mogen zijn navolgers zijn en het vuur van zijn liefde in ons dragen. Als wij leven vanuit liefde zoeken wij niet naar een almachtige God die alles voor ons regelt, of naar een God die wij helemaal begrijpen. Als wij weten dat God liefde is, is dat voor ons genoeg. Als wij leven vanuit Gods liefde voor ons, vinden wij God in de liefde en zijn wij zelf de vonken in de nacht, de vonken van liefde waaraan anderen zich kunnen warmen.

Onze onderlinge liefde en verbondenheid is niet het eindpunt. Vanuit onze gemeenschap en vanuit ons gezin trekken wij de wereld in om Gods liefde zichtbaar te maken voor de mensen die wij ontmoeten. De liefde voor God en de medemens houdt ons af van zelfgenoegzaamheid. De liefde opent juist onze ogen voor de ander en doet ons luisteren naar zijn wensen en zijn ideeën. Ons eigen geluk is de basis voor het geluk van anderen. Het Kind in de kribbe vraagt ons onze liefde en ons geluk te delen. Hij vraagt ons om vonken in de nacht te zijn, vonken van liefde. Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.

Mij geschiede naar uw woord; 2 S 7,1-5.8b-11.16; Lc 1,26-38

Wij zijn op weg naar Kerstmis. De vierde en laatste kaars op de adventskrans is aangestoken. De Advent is een tijd van hopen en verlangen, een tijd van verlangend uitkijken naar de komst van het Kind. De komst van een kind vraagt dat we ruimte maken, dat we ruimte scheppen in ons huis, maar vooral dat we ons mentaal instellen op de aanwezigheid van nieuw leven. Ook de aanwezigheid van God in ons leven vraagt dat wij ruimte scheppen.

David wil een huis bouwen voor de Heer. Dat lijkt een goed idee. David woont zelf een in paleis en de ark van God staat in een tent. De profeet Natan denkt ook dat het een goed idee is. En dan krijgt Natan een visioen en hoort van God, dat het helemaal geen goed idee is. God wil juist het omgekeerde: niet David bouwt een huis voor God, nee, God bouwt een huis voor David. Waarom wil God niet dat David een huis voor Hem bouwt? In het hier weggelaten vers 7 laat God weten, dat Hij nooit om een huis van cederhout gevraagd heeft. Maar waarom mag Davids zoon Salomo dan wel de tempel bouwen? Later zal David tegen Salomo zeggen, dat hij geen tempel mocht bouwen omdat hij teveel bloed had vergoten, daarom vraagt hij zijn zoon Salomo de tempel te bouwen. (1 Kr 22,6-8)

Het wordt er allemaal niet duidelijker op. Misschien moeten we het als volgt zien. David wil zijn eigen ideeën volgen. Hij vraagt zich niet af wat God wil. David woont in een mooi paleis en denkt dat wil God natuurlijk ook. Of misschien voelt hij zich er schuldig over dat hij meer aandacht heeft gehad voor zijn eigen woning dan die van God. Het lijkt erop dat David denkt: ik ga het even regelen en bouw een tempel. Dat deden de heidense koningen in die tijd ook. Dan zegt God: ho ho David, het initiatief ligt niet bij jou maar bij mij, ik ga een huis voor jou bouwen en jouw zoon mag je vragen een tempel voor Mij te bouwen.

In het Evangelie horen we hoe God een tempel bouwt. Hij kiest Maria om uit om zwanger te worden van een zoon. Deze zoon is zowel Zoon van de Allerhoogste, Zoon van God, als Zoon van David: Hem wordt de troon van zijn vader David geschonken. Maria begrijpt er niets van. Hoe moet dit alles gebeuren? De uitleg die de engel Gabriël geeft, is zo wonderlijk dat Maria daar ook niet veel wijzer van wordt. Maar Maria gelooft in God en vertrouwt op Hem. Zij durft zich aan Hem toe te vertrouwen: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.”

Vandaag staan deze twee verhalen tegenover elkaar. Eerst zien we David die een tempel wil bouwen en daar van af wordt gehouden, en daartegenover zien we God die een tempel voor zijn Zoon bouwt. God bouwt zijn eigen tempel. Hij wil op zijn geheel eigen wijze onder ons aanwezig zijn.

Meestal zijn wij mensen zoals David. We zitten vol goede ideeën en willen daarmee de wereld naar onze hand zetten. En dat is helemaal niet verkeerd. Van ons wordt verwacht dat we ons actief inzetten voor het geluk van anderen, dat we alles doen wat in ons vermogen ligt om anderen gelukkig te maken. Wat we daarbij nogal eens vergeten, is werkelijk te luisteren naar de ander. Wij hebben de neiging zelf te bepalen wat goed is voor de ander. We denken vanuit onze eigen situatie. We weten wat goed is voor onszelf. We weten waar we zelf behoefte aan hebben. We plakken onze eigen ideeën op de ander en handelen daarnaar. Meestal gaat dat wel goed, maar het kan ook echt fout uitpakken. In dat geval schaden wij de ander en ook onszelf.

Het is niet alleen in de omgang met andere mensen dat we hiervoor moeten oppassen. Ook over God hebben we vaak onze eigen ideeën. Maar al te vaak weten wij precies wat God zou moeten doen. Ook in ons denken en in ons spreken over God gaan we vaak verder dan goed is. Als wij precies weten hoe het mysterie van God in elkaar steekt, dan weten we ook precies wat ons te doen staat, dan is alles helder en duidelijk en komen we niet voor verrassingen te staan. Kennis over iemand anders geeft ons macht over de ander. Als je weet hoe de ander reageert, weet je zo de handelen dat de ander doet wat jij graag wilt. De ander wordt tot een instrument in jouw handen: als ik op deze knop druk gebeurt wat ik wil. Op de zelfde wijze willen wij ook wel macht over God hebben. Dat is mogelijk ook de fout die David maakte. In zijn tijd was het normaal zo te denken. Het idee was: ‘voor wat, hoort wat’. Je offert een geitenbokje en de goden zorgen voor een goede oogst. Het is een tamelijk zakelijke manier van denken over God.

Jezus van Nazareth leert ons dat God liefde is. Dat is Evangelie van Jezus Christus zoals ook Paulus ons verkondigt. God houdt van ons en wij houden van Hem. Onze relatie met God is geen zakelijke relatie, maar een liefdesrelatie. Daarin is geen ruimte voor ‘voor wat, hoort wat’. Mensen die van elkaar houden, doen iets uit liefde voor elkaar, niet uit berekening. Van elkaar houden betekent dat je elkaar vertrouwt en dat je jezelf aan de ander durft toe te vertrouwen. Niet dat dat altijd even makkelijk is, maar dat is wel de essentie van liefde. Dit is ook de houding die Maria heeft. Zij durft zich aan God toe te vertrouwen.

Ruimte maken voor Gods aanwezigheid onder ons betekent, dat wij ons openstellen voor wat Hij ons te zeggen heeft. Niet God moet naar ons luisteren maar wij naar Hem. Zo zullen wij zijn liefde voor ons ervaren. Zo komen wij tot vertrouwen en geloof en durven we ons net als Maria aan Hem toe te vertrouwen. Amen.

Muren

Vijfentwintig jaar na de val van de Berlijnse muur bezocht Menno Bentveld een aantal muren die her en der in de wereld zijn opgetrokken. Dat leverde een serie fascinerende TV-uizendingen op. Wat brengt mensen ertoe muren op te trekken en zo het contact met andere mensen onmogelijk te maken? Bentveld heeft zich erover verbaasd. Soms kon hij enig begrip voor de murenbouwers opbrengen, maar het beeld dat blijft hangen, is dat van verbijstering.

Muren zijn cynische bouwwerken. Zij zijn bedoeld om anderen buiten te sluiten. Mensen die niet tot de eigen groep behoren, mogen het bestaan niet verstoren. Zij hebben niets positiefs te brengen en zorgen alleen maar voor problemen. Als de muur eenmaal is opgetrokken, wordt het nog erger. De ander wordt niet meer gezien. Zijn menselijkheid en zijn hoop en verlangen zijn niet meer zichtbaar. Zo verwordt de mens achter de muur tot een karikatuur. Gaandeweg raken de murenbouwers gevangen in hun eigen vooroordelen en hebben ze met de muur hun eigen gevangenis van cynisme gebouwd.

We zijn op weg naar Kerstmis. We vieren de komst van het Licht in de wereld, de geboorte van de Vredesvorst. Jezus Christus is gekomen om muren af te breken. Hij leert ons over onze vooroordelen heen te stappen en de waardigheid en eigenheid van iedere mens te zien. Mensen hebben elkaar nodig. Gelukkig worden we alleen in relatie met anderen en elke slechte relatie knaagt aan ons geluk. Met het wegstoppen van de ander door het optrekken van muren, verstoppen we ook dat knagende gevoel, maar daarmee is het niet verdwenen.

De muren van onze tijd zijn niet alleen fysieke bouwwerken. Ook met wetten en regels worden er onder meer door Nederland muren gebouwd en worden er mensen buitengesloten. Ook in onze persoonlijke situatie bouwen we op allerlei manieren muren om anderen buiten te sluiten. Geen enkel mens of land kan het leed van heel de wereld op zijn schouders nemen, maar dat wil niet zeggen dat we onze ogen er maar voor moeten sluiten door een muur om ons heen te bouwen.

In contact staan met mensen die anders zijn dan wij, levert een wezenlijke bijdrage aan ons eigen geluk. Het opent onze blik en bevrijdt ons van onze vooroordelen. Wij worden wijzer en rijker door met respect kennis te nemen van de ander en met hem een relatie op te bouwen. Door elkaar te leren kennen en te respecteren leveren we een wezenlijke bijdrage aan de vrede in de eigen leefomgeving en uiteindelijk aan de wereldvrede. Zo kan Kerstmis een feest van vrede op aarde worden.

Column in Telstar, 17 december 2014

Hopen en verlangen; Js 40,1-5.9-11; 2 Pe 3,8-14; Mc 1,1-8

Verlangen en hopen, geloven en vertrouwen: een mens kan niet zonder. Zonder verlangen en hopen, geloven en vertrouwen kunnen wij niet leven. Dan is ons leven uitzichtloos. De Advent is bij uitstek de tijd van uitzien naar, uitzien naar een nieuw begin, naar nieuwe inspiratie, naar een nieuwe impuls. Door de Advent kunnen we weer verder.

Op het dieptepunt van de Babylonische ballingschap laat Jesaja weten: “Troost, troost toch mijn stad – zegt uw God – spreek Jeruzalem moed in, roep haar toe dat haar straftijd voorbij is, dat haar ongerechtigheid vergeven is.” Petrus laat ons in zijn brief weten dat ons nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zijn beloofd, waar gerechtigheid zal wonen. En Marcus begint zijn Evangelie met de woorden: “Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God.” Hier begint niet alleen een nieuw verhaal, hier begint een nieuwe tijd: de tijd van God met de mensen.

Verlangen en hopen zonder geloven en vertrouwen is uitzichtloos; dat houd je niet vol. Verlangen en hopen met geloven en vertrouwen geeft troost en uitzicht. Dan kun je weer verder. Ons leven is vol verlangen. In de tijd van Sinterklaas zien de kinderen vol verwachting uit naar de dag dat ze hun nieuwe speelgoed zullen krijgen. Kinderen zijn onstuimig en grenzeloos in hun verlangens: het is een en al levenslust en een toekomst vol mogelijkheden. We kennen het verlangen van jonge mensen naar een geliefde, een levenspartner die hen gelukkig zal maken. Het verlangen van jonge paren naar nieuw leven, naar kinderen die hun leven nog meer betekenis zullen geven. We kennen ook het verlangen van ouderen naar vrede en naar rust: een verlangen naar het einde, een verlangen naar God.

De tijd waarin ik een jongere was – 40, 50 jaar geleden – was echt een tijd van hoop en verlangen. Het was een tijd van alles wordt beter, een tijd van vernieuwing. We lieten al het oude achter ons en we gingen het nu echt goed doen. Het was een tijd van nooit meer oorlog, van love en peace: van liefde en vrede. Veel van dat idealisme is verdwenen en wordt nu gezien als een naïef dromen. Misschien werd Jesaja in zijn tijd ook wel als een naïeveling gezien. Veel mensen van onze tijd zien Jezus van Nazareth ook als een dromer. Maar als wij niet meer kunnen dromen, niet meer hopen en verlangen dan zal er zeker nooit een betere toekomst komen. Dan zien we ook niet de droom, de hoop en het verlangen van anderen. Zonder dromen worden we cynische mensen. Als wij niet kunnen dromen sturen we in ons cynisme vluchtelingen terug naar hun land van herkomst. Dan sturen we schepen de Middellandse Zee op niet om mensen te redden, maar om ze tegen te houden. En dan halen we onze schouders op als de kusten bedekt zijn met dode mensen. Hoe kunnen ze zo stom zijn in zo’n wankel bootje te stappen. Cynici zien geen droom, hoop en verlangen op de gezichten van anderen. Wat er mis is gegaan met de dromen van weleer, is niet de naïviteit. Wat er mis is gegaan, is de hoogmoed, het idee dat we in staat waren die betere wereld zelf geheel op eigen kracht te realiseren. Al ons vertrouwen was gevestigd op techniek en wetenschap. Het was alleen maar een kwestie van goede plannen maken en die goed uitvoeren.

Petrus heeft het over de komst van de dag des Heren. Jesaja heeft het over de komst van God: “Uw God is op komst! Zie, God de Heer komt met kracht… Als een herder zal Hij zijn schapen weiden…” Verlangen en hopen, geloven en vertrouwen: het is geen zaak van dat regelen we even, maar het is ook geen passieve bezigheid, geen kwestie van maar afwachten. Het een activiteit, wij bereiden ons voor en banen een weg. Een weg banen; het nieuwe leven, de nieuwe toekomst mogelijk maken. De lezingen van vandaag leggen daar de nadruk op. Bij Jesaja is het: “Baan de Heer een weg in de steppe, effen voor onze God een heerbaan in de woestijn…” Petrus spreekt over de noodzaak tot inkeer te komen om niet verloren te gaan. En Marcus verwijst naar Jesaja: “Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht.”

Het nieuwe leven, de nieuwe toekomst ze komen niet als wij er niet ontvankelijk voor zijn. Ontvankelijk zijn is een houding van open staan, van naar buiten gericht zijn. Als wij teveel op onszelf gericht zijn, op ons eigen ik, dan zijn we gesloten en is er geen ruimte voor het heil dat van buiten komt. Als wij denken onze toekomst zelf te kunnen realiseren, als wij niemand nodig hebben, zijn wij niet ontvankelijk, staan we niet open voor het heil, staan we niet open voor God. Dan zullen we niet verder komen dan materiële rijkdom en aards genieten. Voor het volmaakte geluk en het ware leven is er dan geen ruimte. Ontvankelijk zijn betekent ook tot inkeer komen, beseffen dat we tekort schieten en God nodig hebben. Hij zal ons vergeven en ons een nieuwe kans geven. Een weg banen naar het nieuwe leven, de nieuwe toekomst vraagt naast verlangen en hopen, geloven en vertrouwen om ontvankelijkheid en inkeer, om open staan voor God. Amen.

Weest waakzaam; Js 63,16b-17.19b; 64,3b-8; 1Kor 1,3-9; Mc 13,33-37

Jezus roept ons op tot waakzaamheid, want wij weten niet wanneer het moment daar is. Jezus spreekt hier over het einde der tijden en de komst van de Mensenzoon. Voor het zo ver is, moeten wij op onze hoede zijn. Wat betekent dat voor ons dagelijks leven? Moeten wij voortdurend angstig om ons heen kijken of we misschien de eerste tekenen van het naderend einde zien? Moeten we steeds gestresst zijn over onze onwetendheid, want wij kennen dag, noch uur? Paulus leert ons dat we vol verwachting mogen uitkijken naar de openbaring van onze Heer Jezus Christus. Op Hem mogen wij ons vertrouwen stellen, want Hij zal ons doen standhouden tot het einde, zodat ons geen blaam treft op de dag van onze Heer Jezus. Niets aan de hand dus. Het komt allemaal wel goed. We gaan weer over tot de orde van de dag.

Wat heeft Jesaja ons op dit gebied te zeggen? Jesaja bidt om de komst van God. Alleen Hij kan ons redden en verlossen. Deze tekst kunnen we lezen als een gebed om de komst van de Messias, om de menswording van Gods Zoon. Jesaja begint met de vraag hoe het allemaal zo ver kon komen. Hoe is het mogelijk dat wij mensen ons zo van God kunnen afkeren? Hoe kan het dat God dat toelaat, dat Hij het kwaad niet vernietigd? Het is een telkens terugkerende vraag: hoe kan de almachtige God al deze ellende toelaten, waarom grijpt Hij niet in? Het is een van de mysteries waarmee wij moeten leren leven. Blijkbaar is God tot iets in staat waarmee wij grote moeite hebben. Als het in ons menselijk vermogen lag, zouden we onmiddellijk ingrijpen. Zo niet God. Hij wacht af wat wij doen. Hij geeft ons de ruimte.

Jesaja leert ons dat God ieder bijstaat die op Hem durft te hopen, allen die met vreugde gerechtigheid beoefenen, allen die bij al wat ze doen aan Hem denken. Is dit ook niet wat Jezus van ons vraagt? De waakzaamheid waartoe Jezus ons oproept, wordt hier prachtig omschreven door Jesaja: wij moeten leven met God in onze gedachten. Dan stellen wij onze hoop en ons vertrouwen op Hem. Dan doen wij met vreugde en plezier goed voor onze medemensen. Waakzaam zijn en goed doen zijn geen zware verplichtingen. Het zijn wegen naar een goed en gelukkig leven. Het is niet het vluchtige vermaak dat ons gelukkig maakt, maar het zijn de bestendige liefdevolle relaties met anderen. Wij moeten ervoor op de hoede zijn dat wij ons niet verliezen in kortstondig plezier, in materiële zorgen, in nuttigheid en efficiëntie. Wij moeten ervoor waken dat we niet alles willen regelen en alles naar onze hand willen zetten. Een liefdevolle relatie met anderen schept juist ruimte en vrijheid. Zo zijn wij vrij om met vreugde het goede te doen. Als wij zo waakzaam zijn en leven met God in onze gedachten, als we bij alles wat we zeggen en doen aan God denken, zijn wij gelukkige mensen en maken wij ook anderen gelukkig. Dan kijken we met vreugde en met vertrouwen uit naar de komst van Jezus Christus, de Mensenzoon.

Jesaja weet ons net als Paulus vertrouwen te geven. Hij zegt ons dat God onze Vader is. Als een vader zal Hij voor ons zorgen en ons nooit uit het oog verliezen. Hij zal het er niet op aan laten komen. God is onze Schepper. Wij zijn het werk van zijn handen. Gods liefde voor ons is grenzeloos. Hij zal niet eindeloos vertoornd en boos blijven vanwege onze fouten. Telkens weer kunnen wij tot inkeer komen en afstand nemen van het kwaad. Telkens weer kunnen wij naar God terugkeren en zal Hij ons met open armen ontvangen. Telkens weer krijgen wij een nieuwe kans. Wij zijn Gods volk. Hij ziet op ons neer en naar ons om. Daarop mogen wij vertrouwen. Wij kunnen op God vertrouwen als wij in staat zijn ons leven in zijn handen te leggen. Amen.

Verzoening

De roep om vergelding is sterk in ons land. Zodra er wat dan ook aan kwaad is geschied, roepen velen dat de daders opgepakt en gestraft moeten worden. De toon is daarbij vaak genadeloos. Het liefst moet de vergelding zodanig zijn dat we er nooit meer last van zullen hebben. Natuurlijk moet het recht zijn loop hebben. Maar is het recht alleen bedoeld om met vergelding het kwaad te bestrijden of is er ook nog zoiets als verzoening? Moet aan daders niet ook weer een nieuwe kans geboden worden om hun leven een positieve draai te geven? Brengt een zware straf werkelijk troost en verlichting voor slachtoffers en nabestaanden? Ook zij moeten met hun leven verder en moeten leren leven met het leed dat hen is aangedaan. Zij zullen zich ermee moeten verzoenen.

Teveel aandacht voor vergelding staat de verzoening in de weg. Elders in de wereld zijn andere wegen bewandeld om met het kwaad in het reine te komen. Denk aan de Waarheids- en Verzoeningscommissie in Zuid-Afrika. Onder leiding van bisschop Desmund Tutu zijn de misstanden van de apartheidsstrijd aan het licht gebracht en hebben mensen zich met het verleden en met elkaar verzoend. Een ander voorbeeld is hoe Denemarken momenteel omgaat met terugkerende jihadisten. In plaats van te dreigen met de gevangenis, zoals in Nederland en België, ligt in Denemarken de nadruk op de opvang van deze jongeren. Door hen een opleiding en een baan te geven, krijgen ze een kans op terugkeer in de maatschappij. De critici noemen dit gevaarlijk en naïef, maar de eerste resultaten lijken positief. Het aantal mensen dat vanuit Denemarken naar Syrië vertrekt om daar te vechten, is gedaald.

Op 31 oktober nam Geert Corstens afscheid als president van de Hoge Raad, de hoogste rechtsprekende instantie in Nederland. Hij pleit voor de mogelijkheid van excuses door de dader zonder dat dit door de rechter als een bekentenis wordt gezien. Hiermee opent hij de weg naar meer aandacht voor verzoening. In De Volkskrant zegt hij: “Als twee buren elkaar de kop hebben ingeslagen, moeten ze morgen weer met elkaar verder. Dat gaat beter als je je met elkaar verzoent dan wanneer je vijandig tegenover elkaar staat.”

Jezus van Nazareth heeft voortdurend mensen hun zonden vergeven. Hij roept ook ons op vergeving te schenken en vergeving te vragen. Beide zijn niet gemakkelijk en vragen dat we boven onszelf uitstijgen. Beide zijn daden van liefde. Vergeving vragen is afzien van je trots en maakt je nederig. Vergeving schenken is afzien van je slachtofferschap en wraakgevoelens. Vergeving is de enige weg naar leven en naar toekomst. Verzoening voorkomt dat we in het verleden blijven hangen. Dat geldt zowel voor het slachtoffer als voor de dader.

Column in Telstar, 26 november 2014

Augustinus over diakens

Auteur: Bart Koet
Titel: Augustinus over diakens: Zijn visie op het diakonaat
Uitgever: Parthenon, 2014
Prijs: € 24,90
ISBN: 978 90 79578 702
Aantal pagina’s: 240

De titel en doel

De titel van deze studie van Bart Koet belooft meer dan het uiteindelijke resultaat. Koet zocht naar de visie van Augustinus op het diaconaat, maar heeft die helaas nauwelijks of niet kunnen vinden in de geschriften van Augustinus. Deze schreef over problemen in de Kerk, meningsverschillen en zaken die om opheldering vroegen. Blijkbaar waren er geen problemen met het diaconaat en was voor ieder duidelijk wat de rol en plaats van de diaken was en vond Augustinus het niet nodig hierover te schrijven. Dat neemt niet weg dat het boek een boeiend ver. slag van deze zoektocht is met veel informatie over het diaconaat in de vroege Kerk. Voor protestanten is er nog een extra teleurstelling. Zij verstaan onder diaconaat niet het ambt van de diaken maar het werk van de diaconie. Dit laatste wordt door katholieken caritas of diaconie genoemd.

Koet schrijft: “De doelstelling van dit boek is om gegevens aangaande diakens in de werken van Augustinus te onderzoeken. De ordening ervan kan er toe leiden dat we een profiel kunnen schetsen van zijn visie op het ambt diaken. Dat profiel is niet meer, maar ook niet minder dan een beperkt regionaal beeld van de manier waarop het diaconaat functioneerde in de toenmalige provincie Africa in de kerk van het einde van de vierde en aan het begin van de vijfde eeuw. Zo kan er enig inzicht ontstaan in het functioneren van het diaconaat in de oude kerk. Een proefboring naar zo’n detail kan ons bovendien iets leren van de oude kerk in het algemeen.

Begrip van het functioneren van het diaconaat als onderdeel van de andere ambten in het Hippo van de vierde eeuw kan de theologen van de eenentwintigste eeuw helpen met het doordenken van ambt in de verschillende kerken. Zelfs is het mogelijk dat creatieve geesten ideeën aangaande leiderschap en ambt ook breder vruchtbaar kunnen maken voor het hedendaagse denken over management en leiderschap.”

Leiderschap

Koet begint zijn boek met het woord leiderschap. Hoe geef je ook in onze tijd goed leiding? Zijn aandacht gaat hierbij uit naar mensen die leidinggevenden assisteren. “Zij moeten vaak bemiddelend leiding geven.” Het diaconaat in de oude Kerk is een dergelijke vorm van leidinggeven. Dit thema wordt niet verder uitgewerkt. Koet spreekt vervolgens slechts in algemene termen over managers en leidinggevenden en over “Servant Leadership”. Hij legt een relatie tussen dienen en verbinden en wijst op de mogelijkheid van verbindend leiderschap, maar werkt dit niet uit.

Zowel voor leidinggevenden als voor diakens vraagt dit thema om verdere uitwerking. In het Nederlands wordt het onderscheid waarop Koet duidt, het best weergegeven met de woorden bestuurder en manager. De bestuurder is degene die de organisatie als geheel bestuurt en die de eindverantwoordelijkheid draagt en de manager is iemand die ondergeschikt aan de bestuurder leiding geeft aan een deel van de activiteiten van de organisatie. De manager moet bemiddelend leidinggeven. Voor hem is dienend leiderschap niet zozeer een keuze als wel een noodzaak. Hij moet ervoor zorgen dat de medewerkers doen wat de bestuurder bepaalt. Dit is vergelijkbaar met de positie van de diaken in de oude Kerk maar ook in de huidige Kerk. Het tweede Vaticaans Concilie maakt in die zin in Lumen gentium ook onderscheid tussen het leidinggeven door bisschoppen en priesters enerzijds en diakens anderzijds. Bij de eersten worden de termen regere en gubernare gebruikt. Hierin herkennen we Nederlandse woorden regeren en gouvernement. Bij diakens is sprake van administrare. Deze term vinden we terug in het bestuur van de V.S. waar de ministers de administration uitvoeren. Binnen dit presidentiële systeem is de president de bestuurder. Een bestuurder kan ervoor kiezen een dienend leider te zijn. Zo noemt binnen de r.-k. Kerk de paus zich dienaar der dienaren. Voor legers is een strikt hiërarchisch leiderschap gebruikelijk waarbij de legeraanvoerder besluit wat er moet gebeuren en zijn officieren en vooral de sergeants dat samen met hun manschappen mogen realiseren.

Positie van de diaken

Zo nu en dan wekt Koet de indruk dat de diaken van tegenwoordig er maar bekaaid van afkomt. Dat was in de oude Kerk toch beter. Mij lijkt een dergelijke vergelijking tussen de Kerk van nu met die van vroeger niet erg op zijn plaats. Destijds was de Kerk vooral een in de steden opkomende beweging. Een stad kende een gemeenschap van christenen met een eigen bisschop. Die beschikte over een aantal diakens om hem te ondersteunen. Als het aantal bisschoppen in hetzelfde tempo was gegroeid als het aantal gelovigen waren er nu in Nederland alleen al een honderdtal bisschoppen geweest. Dat zou de eenheid van de Kerk ongetwijfeld niet ten goede komen. Voorbeelden uit het verleden kunnen dienen als bron van inspiratie. We moeten ze niet zien als voor de huidige situatie mogelijke oplossingen.

Diakens moeten zich niet als Calimero gedragen. Koet klaagt er bijvoorbeeld over dat het diaconaat in wetenschappelijk onderzoek weinig aandacht krijgt. Diakens zijn niet klein en minderwaardig. Ze hebben het prachtige ambt van dienaar en kunnen daar trots op zijn.

Dienen

Koet maakt een duidelijk onderscheid tussen de begrippen dienaar en slaaf. Het Grieks kent de woorden δουλος (doulos) en διακονος (diakonos). De δουλος is een slaaf, iemand die niet vrij is. De διακονος is een vrije dienaar, bijvoorbeeld een ambtenaar van de koning. Van dit laatste woord is ons woord diaken afgeleid. Koet volgt hierin de studie van Collins waarin de rol als boodschapper en bemiddelaar benadrukt wordt.

In Mc 10,43-44 worden de woorden slaaf en dienaar – δουλος en διακονος – naast elkaar gebruikt: “Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen.” Er kan er natuurlijk maar één de eerste zijn en dat is Jezus zelf. Alleen Hij is in staat slaaf te zijn zonder zijn vrijheid te verliezen. Alleen Hij kan zijn leven geven als losprijs voor velen, ons bevrijden uit de slavernij en tot vrije mensen maken. Wij christenen mogen dienaar zijn.

Opzet van het boek

In hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op de oorsprong van het begrip diaken en in hoofdstuk 3 wordt het diaconaat in de oude Kerk beschreven. Na deze twee inleidende hoofdstukken volgt nog een inleidende hoofdstuk over de persoon van Augustinus. Daarna komt in de hoofdstukken 5 tot en met 7 het werk van Augustinus aan de orde. Koet onderscheidt in het spreken en schrijven van Augustinus over diakens drie velden:

  • de diaken als bode en gezant;
  • de diakens als evangelist en verkondiger;
  • de heilige diakens van de vroege Kerk.

Het boek wordt afgerond met conclusies en een epiloog.

Waar komt de term diaken vandaan?

In dit hoofdstuk volgt Koet het onderzoek en de conclusies van Collins. Hij schrijft over het gebruik van de woorden met de diakon-stam in het Bijbelboek Esther, bij de joodse geschiedschrijver Flavius Josefus, bij de Griekse filosoof Plato en in het verhaal over de bruiloft van Kana in het evangelie volgens Johannes.

Koet concludeert dat er nergens sprake is van een nederig dienaar of van nederig dienen. Hij noemt de betekenissen: boodschapper, gezant, verbinder en dienaar van een hogere bestuurder.

Diaconaat in de oude Kerk

In de vroege Kerk was er in eerste instantie het tweevoudige ambt van de bisschop en de diaken. Daarnaast ontwikkelde zich het drievoudige ambt van bisschop, priester en diaken. Gedurende langere tijd hebben beide vormen naast elkaar bestaan. De bisschop staat centraal en de diaken is zijn assistent. Koet schrijft op basis van de Didascalia: “Alhoewel de diaken alles aan de bisschop moet communiceren, moet hij wel zoveel mogelijk (niet nader genoemde) zaken zelf oplossen. Wel moet de diaken het gehoor van de bisschop, zijn mond, zijn hart en zijn ziel zijn.” De diaken heeft ook verschillende taken tijdens de viering van de Eucharistie. Het aantal diakens is afhankelijk van de hoeveelheid werk. De Didascalia kenmerkt de verhouding tussen bisschop en diaken met: “Voor ons, nu, is Aaron de diaken en Moses is de bisschop.” Naast sociale, liturgische en praktische taken hebben de diakens ook een taak op het gebied van catechese.

Begin tweede eeuw schrijft Ignatius van Antiochië een brief aan de Tralliërs. Hieruit haalt Koet een typologie van de drie ambten: “…dat allen gelijkelijk eerbied moeten hebben voor de diakens als voor Jezus Christus, zoals ook voor de bisschop, zijnde een afspiegeling van de Vader, en de priesters als raadsvergadering van God en als band van apostelen.” Ook in de Didascalia komt deze typologie voor aangevuld met: “De diacones is het type van de Heilige Geest.”

In de vierde eeuw krijgt het drievoudige ambt de overhand en vindt de cursus honorum ingang. Dit betekent dat er een carrièrepatroon ontstaat van diaken naar priester naar bisschop. Later begint dit met de vier kleine wijdingen gevolgd door het subdiaconaat. Terwijl de rol van de priesters belangrijker wordt, neemt die van de diakens geleidelijk af. Tot ver in de Middeleeuwen is het diaconaat een zelfstandige functie en zijn er voorbeelden van permanent diaconaat zoals Adelbert van Egmond, Alcuinus, waarschijnlijk Franciscus van Assisi en Geert Grote. Ruim honderd jaar geleden ging kardinaal Teodolfo Mertel tot zijn dood in 1899 naar de H. Mis bij zijn secretaris omdat hijzelf diaken was. De afgelopen eeuw, maar ook lang daarvoor, was het diaconaat in feite alleen maar een noodzakelijke opstap naar de priesterwijding, totdat het Tweede Vaticaans Concilie het diaconaat weer een zelfstandig karakter geeft.

Augustinus

In hoofdstuk 4 beschrijft Koet het leven van Augustinus en zijn betekenis voor het christendom. Hierbij gaat hij uitgebreider in op de opvattingen van Augustinus over het ambt. Deze blijken vooral het bisschopsambt te betreffen. Het diaconaat krijgt weinig aandacht. Als bisschop noemt Augustinus een andere bisschop coepicopus, een priester conpresbyter en een diaken condiaconus. Als bisschop is hij ook priester en diaken. Als bisschop wenst hij ook niet anders gekleed te gaan dan als een van zijn nederigste diakens. Augustinus heeft geen expliciete en uitgewerkte visie op het ambt nagelaten. Zijn opvattingen over het diaconaat moet als terloopse informatie uit zijn werken opgediept worden. Naast het woord diaconus gebruikt Augustinus soms ook de woorden minister en levita om het diakenambt aan te duiden. De laatste term verwijst naar de levieten uit het jodendom. Ook de subdiaken wordt door hem genoemd. Diaconessen komen we anders dan in Constantinopel bij Johannes Chrysostomos bij Augustinus niet tegen.

De diaken als bode en gezant

Vlak na zijn priesterwijding schrijft Augustinus: “dat er in dit leven en vooral in onze tijd niets bestaat dat gemakkelijker, aangenamer en in de ogen van de mensen meer begerenswaard is dan het ambt van bisschop, priester of diaken, indien men het gemakzuchtig en op een kruiperige manier uitoefent. Maar dan is er ook niets dat bij God ellendiger, treuriger en veroordelenswaardiger is. Van de andere kant kan men zeggen, dat er in dit leven en vooral in onze tijd niets is dat moeilijker en gevaarlijker is en meer inspanning vraagt dan het ambt van bisschop, priester of diaken. Maar wanneer men deze dienst uitvoert zoals onze Gebieder beveelt, is er ook niets dat bij God gelukkiger maakt.” Hij ziet hier bisschoppen, priesters en diakens als één groep met een ambivalent ambt.

Bij Augustinus staat de bisschop centraal. De bisschop heeft priesters en diakens om hem heen: zijn priesters en zijn diakens. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe Augustinus de diaken als bode en gezant ziet. Koet beschrijft hoe de communicatie destijds vaak over grote afstanden per brief plaatsvond en wat hierin het grote belang van de betrouwbare bode was. De band tussen de bisschop en diaken maakt de diaken tot een uitermate geschikte bode. In zijn brieven vermeldt Augustinus met aanbeveling vaak de diaken die de brief zal bezorgen. De diaken wordt ook in penibele kwesties geacht bode te zijn, zoals in de strijd tussen Augustinus en Pelagius. Hij is als de rechterhand van de bisschop zijn vertrouweling, gezant en afgevaardigde en kan ook namens de bisschop optreden. Diakens hebben ook financiële verantwoordelijkheden en moeten soms delicate, pastorale taken uitvoeren. Zo zijn zij bij het bestuur van het bisschopsstadje Hippo betrokken.

De diaken als evangelist en verkondiger

In de katholieke Kerk krijgt de diaken bij zijn wijding een evangelieboek overhandigd. De verkondiging van het geloof en het geven van catechese is in de ogen van Augustinus een van de taken van de diaken. Hij verwijst maar zelden expliciet naar diakens die voor de armen en de zieken zorgen. Het is voor hem ook geen expliciete taak van de diaken. Zonder dat Augustinus hiervan een uitgebreide beschrijving geeft, is het duidelijk dat de diaken in de liturgie functioneert. Het is de diaken die als een go-between het volk oproept om samen te bidden. Ook wordt het lezen van het evangelie en van officiële stukken genoemd.

Uitgebreid schrijft Koet over het geloofsonderricht aan doopleerlingen. Hierin spelen volgens Augustinus ook diakens een rol als leraar. Zij moeten het grote verhaal vertellen – van de schepping tot de huidige dag – en daarbij de krenten uit de pap halen die wervend en aantrekkelijk zijn om te horen en goed te onthouden. Dat vraagt pedagogische kwaliteiten. De diaken is de go-between tussen Schrift en traditie en zijn leerlingen.

De heilige diakens van de vroege Kerk

Er is een flink aantal preken van Augustinus bewaard gebleven die aan drie heilige diakens gewijd zijn. Het zijn Stefanus van Jeruzalem, Laurentius van Rome en Vincentius van Spanje. Drie martelaren met namen die verwijzen naar de overwinning, die zij met hun dood hebben behaald. Augustinus besteedt vooral aandacht aan hun martelaarschap. Het martelaarschap verbindt hij met de bediening van de kelk tijdens de Eucharistieviering door de diaken. Bij Stefanus, de eerste diaken, wijst Augustinus op zijn bijzondere preekcompetenties en op de relatie van Stefanus met Christus. Hierbij citeert hij Joh 12,26: “Waar Ik ben, daar is ook mijn dienaar (diakonos).” Bij Laurentius, de grote diaken van het Westen, wordt de zorg voor de armen genoemd en zijn sterke relatie met de bisschop: “Waar gaat gij, vader, zonder uw zoon; waarheen haast gij, heilige bisschop, u zonder diaken.” Wat ons over Vincentius, de Spaanse diaken, is overgeleverd, vertoont een grote gelijkenis met de verhalen over Laurentius.

Naast deze drie grote diakens preekt Augustinus ook over minder bekende diakens. Ook hier is aandacht voor de bijzondere band tussen de bisschop en zijn diakens. Tenslotte komt ook Filippus regelmatig in het werk van Augustinus voor. Met Stefanus behoort hij tot de zeven mannen uit Hnd 6 die volgens Augustinus door de handoplegging tot diaken zijn gewijd. Hij noemt Filippus een evangelist; hij verkondigt en hij doopt.

Conclusies

Koet schrijft: “In de tijd van Augustinus ontbreekt voor een groot gedeelte systematische reflectie op het ambt, wellicht omdat de taken van de verschillende ambten bekend verondersteld werden.” Uit het werk van Augustinus trekt Koet drie conclusies: “Allereerst komt naar voren dat hij diakens zag als medeclerici en daarnaar verwijst hij geregeld in zijn werk. Ze behoren vanzelfsprekend bij de structuur van de kerk, maar juist die vanzelfsprekendheid leidt er toe dat het eigenlijke functioneren van diakens alleen maar in het ‘voorbijgaan’ besproken worden. Toch kunnen we op grond van die verwijzingen een globaal profiel schetsen van de taken van diakens. Tenslotte blijkt dat er in de tijd van Augustinus er verschillen bestaan tussen de verschillende kerken, ook wat betreft de clerici.”

Augustinus heeft een collegiale opvatting over het ambt. Voor hem zijn ook diakens collega’s en samenwerkers. Diakens maken deel uit van het drievoudige ambt. ”De bisschop is het hart, diakens en priesters zijn daarvan afhankelijk. (…) Een bisschop verhoudt zich tot zijn diakens als een vader tot zijn zoons.“

Over de verbindende rol van de diaken concludeert Koet: “Er zijn twee dingen die bij Augustinus naar voren komen als taken van de diaken en die taken zijn alle twee op een bepaalde manier verbindend.” Het is de rol van de diaken als hulp bij de geloofsinitiatie en zijn rol als bode en gezant. Daarnaast is er de verantwoordelijkheid voor het beheer van het bezit van de Kerk en de assistentie tijdens de liturgie. “Zo legt hij de verbinding tussen de bisschop en het volk.”

De tijd van Augustinus is voor de Kerk een overgangstijd. De bisschop wordt “een publiek figuur (…) die in het seculiere leven een steeds belangrijkere rol gaat spelen. We zien ook bij Augustinus de eerste tekenen dat de priester bepaalde functies van de bisschop gaat overnemen. (…) De diaken, die de bisschop liturgisch bijstond met de kelk en in het bestuur van het bisdom met de functie van gezant, gaat aan invloed inboeten…”

Koet schrijft dat Augustinus “weet dat een bisschop en een diaken in die oude tijden van de kerk een bijzondere band hadden. Het is een band die teruggaat op de oudste ambtsstructuren van de kerk. Toch zal die band na Augustinus steeds meer verzwakken. Maar de band wordt niet uitgewist, zoals blijkt uit het feit dat ook vandaag de dag een dienst van bisschop en diaken voor een gedeelte een duet tussen deze ambten blijft.” Koet vermoedt dat er destijds binnen de Kerk grote verschillen waren wat de taken van de diakens betreft.

Epiloog

Tot slot schrijft Koet: “De opvatting die het diakenambt vooral en bijna uitsluitend beschouwt als liefdedienst aan de armen en zwakken is niet terug te vinden in de oude kerk, ook niet bij Augustinus. Hoe nobel zo’n dienst ook is, vanuit het begin van de vroege kerk zijn er twee kanttekeningen bij te maken. Allereerst was de dienst aan de armen in het begin van de kerk de verantwoordelijkheid van de bisschop en daarmee misschien wel van de hele kerkgemeenschap. Ook tegenwoordig zou zo’n dienst vooral bij de bisschop als voorzitter van de plaatselijke kerk mogen blijven. (…) Het Vaticaans Concilie zag voor de diaken drie taakvelden: een heiligingstaak (de diakonia van de liturgie), een verkondigingstaak (de diakonia van het woord) en een herderlijke taak (de diakonia van de liefdewerken). Alhoewel in de uitwerking van de theologie van het diaconaat soms zwaar het accent op het laatste element is komen te liggen, blijkt uit het feit dat het Concilie de diaken ook zag als verkondiger van het Woord dat dat niet zo bedoeld is. (…) We zien die drie munera op een of andere manier terug bij Augustinus. Maar er komt iets bij. Ook hij laat zien dat het diakenambt in de oude kerk erg verbonden was met verbindingen leggen, tussen Schrift en het kerkvolk, tussen het altaar en de mensen in de kerk, tussen bisschop en de mensen uit de ecclesia, maar zeker ook met het optreden als bode tussen verschillende mensen, steden en kerken. Een van de meest kenmerkende eigenschappen van de diakens is dat zij op een of andere manier een go-between zijn. (…) Eén van de belangrijkste nieuwe ontwikkelingen van de eenentwintigste eeuw is de snelle ontwikkeling van de communicatiemiddelen. (…) Juist in een wereld waar communicatie steeds veelzijdiger wordt en verbinding leggen belangrijker, is het nodig dat mensen leiding geven ook verbindingen leggen inhoudt. (…) De diaken als verbindingsofficier kan de wereld in de kerk brengen en de kerk in de wereld.”

Allerheiligen; Apk 7,2-4.9-14; 1 Joh 3,1-3; Mt 5,1-12

Op dit feest van Allerheiligen hebben we de neiging om de Bijbelteksten vooral te betrekken op hen die opgenomen zijn in Gods heerlijkheid, op de heiligen in de hemel. Ook als wij in de geloofsbelijdenis ‘de gemeenschap van de heiligen’ noemen, denken we vooral aan de heiligen in de hemel. Als de apostel Paulus het in zijn brieven over heiligen heeft, bedoelt hij echter de christenen hier op aarde. Heiligen zijn dus niet alleen degenen die heilig zijn verklaard. Alle christenen op aarde en in de hemel vormen één gemeenschap van heiligen. Vanouds onderscheiden we drie verschillende groepen heiligen: de strijdende Kerk op aarde, de lijdende Kerk in het vagevuur en de triomferende Kerk in de hemel. Deze drie groepen vormen samen de gemeenschap van de Kerk: de gemeenschap van de heiligen. Zo horen niet alleen Allerheiligen en Allerzielen bij elkaar, maar zijn ook wij hier op aarde wezenlijk verbonden met onze broeders en zusters in het vagevuur en in de hemel.

Vandaag vieren we het heil, de verlossing en verheerlijking die de heiligen in de hemel ontvangen hebben. Morgen bidden wij voor de overledenen die nog onderweg zijn naar het heil. En wij zelf worden iedere dag geroepen ons leven te heiligen. Wij allen zijn door God geschapen om heiligen te zijn. Dit is de boodschap van de eerste twee lezingen. Niet alleen de kinderen van Israël, de kinderen van het uitverkoren volk, nee, alle mensen, alle kinderen van God roept Hij tot het heil. Alle mensen worden verlost door Christus, allen dragen de witte gewaden gewassen door het bloed van het Lam. Nu reeds zijn wij kinderen van God. Wat ons nog te wachten staat, weten we niet, maar wel weten we dat we zullen delen in de heerlijkheid van Gods Zoon. Hij die aan ons gelijk is geworden, maakt ons aan Hem gelijk. Als wij in God geloven, van Hem het heil verwachten worden wij gelijk aan Christus. Zo beantwoorden wij zijn menswording, zijn vereniging met ons. Zo verenigen wij ons met Christus.

Wij zijn niet in staat op eigen kracht het heil te realiseren. Wij zijn voor ons heil geheel en al afhankelijk van God. Hij is onze Schepper en onze liefhebbende Vader. Hij wil het heil voor al zijn kinderen. In en door Christus is ons dit geopenbaard. Hij is de enige en universele middelaar van het heil. Hij is onze verlosser en redder. In en door Hem komt de schepping tot haar voltooiing. Wij zijn niet in staat op eigen kracht de hemel te verdienen, maar wij zijn ook geen willoze wezens. God heeft ons geschapen met een vrije wil. Deze vrije wil maakt ons medeverantwoordelijk. Wij kunnen ervoor kiezen ons vertrouwen op God te stellen, maar wij kunnen ons ook van Hem afkeren. Wij kunnen ook denken dat we onszelf gelukkig zullen maken, dat we het geluk zullen vinden in alleen aardse zaken.

God vraagt van ons dat wij in Hem geloven, ons vertrouwen op Hem stellen en het heil van Hem verwachten. Dat is ons antwoord op het heil dat God ons geeft. Wij beantwoorden zijn genade met geloof. Zo ontstaat de samenwerking tussen Gods genade en onze vrije wil. Op deze manier werken wij mee met de genade. Het eerste antwoord van de mens op de genade is het aanvaarden van de genade van het geloof. Vaak horen we Jezus zeggen: ‘Uw geloof heeft u gered.’ Maar het antwoord gaat verder dan het geloof alleen. Jezus zegt in de Bergrede ook: ‘Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.’ Door de genade komen wij tot geloof en vervolgens tot de goede werken. Op deze wijze is er sprake van ‘meewerken met de genade’. Zo komt het heil tot stand door de samenwerking tussen goddelijke genade en menselijke vrije wil.

De zaligsprekingen vormen het begin van de Bergrede. Jezus begint de verkondiging van het Rijk der hemelen met de zaligsprekingen. Het zijn een soort felicitaties. Hij wenst mensen geluk, zegt dat ze gezegend zijn. Deze mensen ontvangen het heil. Wie zijn het die het heil ontvangen? Het zijn de mensen die erkennen dat ze met lege handen staan. Dat zijn de armen van geest: mensen die weten dat ze niet op eigen kracht het heil kunnen realiseren, mensen die weten dat alles genade is, mensen die dankbaar zijn voor de genade die ze mogen ontvangen. Amen.

Oogstdankdag; Js 25,6-10; Fil 4,12-14.19-20; Mt 22,1-14

Ter voorbereiding op deze viering zocht ik op internet naar berichten over de tuinbouw. Naast allerlei vaktechnische berichten kwam ik natuurlijk berichten tegen over de boycot van onze tuinbouwproducten door Rusland. De Europese Unie en onze regering zijn bezig met steunmaatregelen. Ik las ook dat sommige bedrijven werktijdverkorting ingevoerd hebben. Het is duidelijk het telen van groente staat niet los van oorlog en vrede. In onze huidige wereld hangt alles met elkaar samen. De productie van ons eten mag niet een speelbal zijn van de vrije markt. Voedsel moet betaalbaar zijn voor iedereen en de producenten moeten er een behoorlijke prijs voor ontvangen. Dat geldt niet alleen voor onze eigen tuinders, maar voor allen die – waar ter wereld ook – voor de productie van voedsel zorgen.

Ik kwam nog meer berichten tegen. Sommige verrasten mij, zoals een bericht over het tekort aan huisvesting voor arbeidsmigranten. Er zou in Nederland een tekort zijn van 350.000 flexibele woonplekken voor mensen die hier een bepaalde tijd komen werken. Dat is natuurlijk niet alleen in de tuinbouw, maar ook in andere sectoren. Als ik een tomaat eet, denk ik nooit aan dergelijke zaken. Onlangs kwam de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) met een rapport over voedselbeleid. Het gaat om een voedselbeleid in plaats van een landbouwbeleid. Ook LTO Nederland pleit voor meer aandacht voor de volksgezondheid, het milieu en voor duurzaamheid, en ook voor aandacht voor dierenwelzijn en landschapsbeheer. In een ander bericht werd aandacht gevraagd voor de biodiversiteit, het voortbestaan van allerlei soorten planten en dieren. Ook dat heeft te maken met duurzaamheid. Ook consumenten hebben aandacht voor deze zaken. Zo las ik dat de export van biologische producten vorig jaar met 9% is gegroeid. We leven inderdaad in een ingewikkelde wereld. Je zoekt informatie over voedselproductie en binnen de kortste keren liggen alle wereldproblemen op je bord.

De lezingen van vandaag gaan ook over eten. In de tijd van Jesaja, van Jezus en van Paulus was de situatie onmiskenbaar overzichtelijker, maar daarmee niet eenvoudiger. Bij een goede oogst was er overvloed, maar als het tegen viel was er hongersnood. Veel meer dan wij was men afhankelijk van de wisselingen in de natuur. Paulus schrijft dat hij met overvloed en gebrek bekend is. Hij dankt de mensen die hem geholpen hebben in tijden van nood. Jesaja gebruikt het beeld van een overvloedige maaltijd voor de belofte die God ons doet. Tegenwoordig zullen velen niet direct blij worden van vette, mergrijke spijzen. Dat is in onze tijd al gauw teveel van het goede. Maar in een situatie van armoede en gebrek ligt dat anders. Jesaja schrijft voor mensen die lijden onder oorlog en geweld en te maken hebben met dood en verderf. Voor hen schetst hij een betere toekomst. Jesaja heeft het niet alleen over het einde van een slechte tijd. Hij heeft het ook over de dag van de Heer. Jezus spreekt over het Rijk der Hemelen. Dat zijn vergelijkbare begrippen. Wij noemen dat meestal het Rijk Gods. Het Rijk Gods is de situatie waarin niemand tekort komt en niemand lijdt. De dood is voor eeuwig vernietigd en alle tranen zijn voorbij. Het Rijk Gods is de wereld zoals God die wil voor ons.

Jezus vergelijkt het Rijk Gods – het Rijk der Hemelen – met een bruiloftsmaal waarvoor vele gasten zijn uitgenodigd. Jezus maakt ons duidelijk dat het Rijk Gods ons niet overkomt. God duwt het ons niet door de strot. Nee, we moeten er zelf voor kiezen. We worden uitgenodigd. We moeten dit geschenk van God wel willen aanvaarden door op zijn uitnodiging in te gaan en door ons feestelijk te kleden. Het Rijk Gods ligt in de toekomst en toch is het ook nabij. Ook in ons leven van dag tot dag ervaren wij de liefde van God. Hij omringt ons met zijn liefde en geeft ons hoop. Het zijn geloof, hoop en liefde die ons doen leven. Door op God te vertrouwen en in Hem te geloven kunnen wij de moeilijkheden en tegenslagen overwinnen. Zo kunnen wij ook genieten van het goede van het leven en het goede ervaren als een voorproef van het Rijk Gods en van het uiteindelijk geluk.

Geloof, hoop en liefde stemmen ons tot dankbaarheid voor al het goede dat ons overkomt. Geloof, hoop en liefde doen ons zaaien, oogsten en delen. Wij spannen ons in om te kunnen oogsten. Zo spannen wij ons ook in door te werken aan het Rijk Gods. Zoals we hopen op een goede oogst, hopen wij ook eens deel te mogen hebben aan het Rijk der Hemelen en aan te zitten aan het feestmaal dat God ons bereid. De vreugde en liefde die God ons geeft, willen wij delen met alle mensen. Amen.

Bijbel in Gewone Taal

Titel: Bijbel in Gewone Taal
Uitgever: Nederlands Bijbelgenootschap, 2014
Prijs: € 28,50 of € 39,50
ISBN: 978 90 8912 041 0 of 978 90 8912 040 3
Aantal pagina’s: 1.900 of 2.000

De Bijbel in Gewone Taal is een aanwinst voor het Nederlandse taalgebied. Het is een complete Bijbel in eenvoudige taal. Niet-alledaagse woorden worden niet gebruikt en moeilijke beeldspraak is vermeden. Dat maakt de teksten aanzienlijk makkelijker te begrijpen.

De vertalers richten zich op de velen die niet vertrouwd zijn met het Bijbelse en kerkelijke woordgebruik. Hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de verspreiding van de Blijde Boodschap. Deze vertaling is er niet alleen voor mensen buiten de Kerk. Ook bij de christelijke opvoeding van kinderen is zij zeker een aanwinst. Zij opent de weg om later een minder eenvoudige en meer genuanceerde vertaling te lezen.

De boodschap van de Bijbel is niet altijd een eenvoudige boodschap. Beeldspraak en minder gangbare woorden helpen ons juist te ervaren dat het goddelijke het menselijke te boven gaat. De woorden barmhartigheid, bekering, genade, gerechtigheid, heil, naaste en Rijk Gods komen in deze vertaling niet voor. Dat is jammer. Het zijn juist deze woorden die in het dagelijks spraakgebruik nauwelijks voorkomen, die ons duidelijk maken dat God anders is dan wij mensen.