Spring naar inhoud

De ogen gaan open; Hnd 2,14.22-32; Lc 24,13-35

“Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem…” De twee leerlingen zijn verblind door hun verdriet en teleurstelling. Zij hadden hoge verwachtingen van Jezus en die hebben zij niet waar zien worden: “Hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.” Het is herkenbaar. Je wordt zo in beslag genomen door je eigen gedachten en je eigen verwachtingen dat je niet meer openstaat voor wat er werkelijk gebeurt. Alles wat je hoort en ziet, interpreteer je vanuit je eigen veronderstellingen.

Ook voor Petrus was het moeilijk om de werkelijkheid te zien. Maar op de dag van Pinksteren breekt bij hem het licht door. De heilige Geest is over hem neergedaald en heeft hem het licht doen zien. Nu begrijpt hij eindelijk wat Jezus de afgelopen tijd heeft gezegd en heeft gedaan. Nu treedt Petrus naar buiten, nu heeft hij een boodschap voor zijn landgenoten. Vol overtuiging richt hij zich tot de menigte: “Gij allen, Joodse mannen en bewoners van Jeruzalem, weet dit wel en luistert aandachtig naar mijn woorden.” Petrus gaat hen haarfijn uitleggen hoe het zit.

Hoe blind zijn wij in onze tijd? Niemand is in staat de gehele waarheid te kennen. Altijd zien wij slechts een gedeelte van het geheel. We zien de wereld vanuit een bepaald perspectief. Onze eigen ervaringen zijn zeer bepalend voor onze kijk op de wereld. Onze gevoelens en emoties hebben grote invloed op ons denken. Dat is onze menselijke beperktheid. Dat leidt ook tot onze vooroordelen.

We kunnen ons daarin opsluiten en onze beperkte visie tot de waarheid verklaren. We kunnen onze vooroordelen tot wijsheid verklaren. We kunnen onze eigen ideeën voortdurend laten bevestigen door alleen om te gaan met mensen die denken zoals wij. Tegenwoordig zegt men dat mensen leven in hun eigen bubble. Ze kijken naar de TV-programma’s die hun mening bevestigen. De sociale media voorziet hen van informatie die ze graag horen en zien. Ze verkeren met mensen die zijn zoals zij zijn. Dat is prettig. Het maakt het leven overzichtelijk. Het geeft een duidelijk idee van goed en kwaad en zelf sta je aan de goede kant.

Maar het kan ook anders. We kunnen ook een stukje meelopen met een vreemdeling, zoals de leerlingen van Jezus doen. Hen overkomt het dat een buitenstaander plotseling een heel ander licht op de gang van zaken werpt. Zo worden hun ogen gaandeweg geopend. Ook in ons leven zijn er talloze mogelijkheden om een ander geluid te horen. We kunnen uit onze vertrouwde omgeving treden en onze comfortabele bubble verlaten. Ook wij kunnen met andere ogen naar onze eigen situatie kijken.

“Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem…” In het evangelie van vandaag is nog meer aan de hand. De leerlingen leren niet alleen met andere ogen te kijken. Ze krijgen niet alleen een nieuw zicht op de waarheid. Zij ontdekken een geheel nieuwe waarheid, namelijk dat Jezus Christus in hun midden is. Hier hebben we te maken met een veel ernstiger vorm van blindheid die ons mensen kan treffen. Veel mensen zijn niet in staat God te herkennen. In hun denken is er geen ruimte voor het mysterie. Zij kennen alleen harde feiten, rationaliteit en oorzaak en gevolg.

God in je leven toelaten, Hem herkennen vraagt moed. Durven wij het aan toe te geven dat ons denken niet alles onder controle heeft? Durven we om te gaan met onzekerheden? Durven we ons afhankelijk op te stellen? Durven we ons leven aan God toe te vertrouwen? Kunnen we God zien in de momenten van geluk die we ervaren? De leerlingen hadden zo’n moment van geluk. Zij voelden werkelijk verbondenheid met elkaar op het moment dat de vreemdeling het brood brak. Op dat moment wisten zij God in hun midden. Toen wisten zij dat Jezus leefde, dat Hij verrezen was. Toen zagen zij dat de vreemdeling Jezus zelf was.

“Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht.” Het zijn slechts korte momenten. Wij leven niet in een constante stroom van gelukzaligheid. Wij leven vanuit korte momenten van geluk, korte momenten van inzicht en van de waarheid kennen. Voor Petrus was dat genoeg om de wereld te vertellen welk geluk hem is overkomen. Ook wij mogen dat geluk ervaren en het delen met onze medemensen. Jezus Christus is werkelijk verrezen. Hij leeft en Hij deelt zijn leven met ons. Amen.

Op zoek naar Bonifatius

Dit jaar vieren we 750 jaar Kerk in Rijswijk. Waarschijnlijk was de eerste kerk aan Maria toegewijd, Zeker is dat Rijswijk sinds 1497 verbonden is met de heilige Bonifatius. Maar wie was Bonifatius?

Op school leerden we dat Bonifatius bij een laatste poging om de Friezen te bekeren in 754 bij Dokkum werd vermoord. Na een periode van veel aandacht voor Bonifatius nam dat in de tweede helft van de vorige eeuw snel af tot er in 1990 na een onderdompeling in de Bonifatiusbron een wonderbare genezing plaatsvond. Sindsdien trekken er duizenden pelgrims per jaar naar Dokkum.

Geloofsheld
Rond 760 beschreef Willibald von Mainz het leven van Bonifatius want “zulke voorbeelden helpen de lezers om ook zelf naar volmaaktheid te streven”. Ik zoek mijn bronnen dichter bij huis: pater Titus Brandsma die de verering van Bonifatius sterk gestimuleerd heeft, en de protestantse kerkhistoricus Auke Jelsma. Voor pater Titus was Bonifatius een geloofsheld: “een martelaar in de strijd voor de uitbreiding van het Rijk Gods”. Uit liefde en tot het geluk van de mensen verkondigde hij het geloof, zich bewust van de noodzaak aan te sluiten bij hun eigen Godsbegrip. Bonifatius en Willibrord zijn voor pater Titus de grondleggers van onze beschaving die tegen het moderne heidendom van het nationaal-socialisme verdedigd moest worden.

Vreemdelingschap
Jelsma tekent een genuanceerder beeld. Hij wijst op de belangrijke rol van Bonifatius als bestuurder en kerkhervormer. In de Duitse gebieden bracht hij tijdens de warrige tijd van de overgang van heidendom naar christendom duidelijkheid. Hij was een gedreven man die moeite had met compromissen. Ook noemt Jelsma Bonifatius een pelgrim die kiest voor het vreemdelingschap. Ver van huis trok hij rond om zo een ware christen te zijn: een vrij mens die wel in maar niet van de wereld is.

Dokkum
Ik ben in Dokkum bij de Bonifatiusbron. Hier ergens was het kamp waar Bonifatius verbleef en waar hij wachtte op de bekeerlingen om hen het Vormsel toe te dienen. Er kwam echter een bende beulen aanzetten die hem en zijn gezellen vermoordden. Mogelijk was deze radicale man even koppig als de te bekeren Friezen.

Artikel in Kerk aan de Vliet april/mei 2017

God is liefde; Joh 20,1-9

Vroeg in de morgen gaat Maria Magdalena op pad. Ze gaat naar het graf van Jezus en ziet dat de steen weggerold is. Elk jaar weer hoort u dit verhaal. En waarschijnlijk denkt u net als ik: ja, zo is het gegaan, zo ontdekten de vrouwen dat het graf leeg was  en dat onze Heer, Jezus Christus uit het graf is opgestaan, dat Hij verrezen is.

Als we echter de vier Evangelieverhalen naast elkaar leggen, blijken ze nogal van elkaar te verschillen. Afgelopen nacht hoorden we de lezing van Matteüs. Bij hem gaat Maria Magdalena samen met de andere Maria naar het graf. Op het moment dat ze daar aan komen, is er een aardbeving en verschijnt er een engel die de steen wegrolt. De engel vertelt de vrouwen dat Jezus verrezen is. Het zijn geen kleine details  waarin deze lezingen van Johannes en Matteüs van elkaar verschillen. De verhalen zijn zo verschillend  dat het voor ons in onze tijd de nodige verbazing wekt. Hoe is het mogelijk dat er over zo’n belangrijke gebeurtenis zo van elkaar verschillende verhalen worden verteld.

Hebben de vrouwen zo slecht opgelet, dat ze niet weten wat er precies gebeurd is, dat ze zelfs niet weten of ze met zijn tweeën waren of Maria Magdalena alleen? Het maakt het verhaal in onze ogen bepaald niet geloofwaardig. Dat hadden die vier evangelisten toch ook kunnen beseffen. Waarom hebben die dan niet de verhalen beter op elkaar afgestemd? Dat je verschillende accenten legt, is prima, maar laat de feiten asjeblieft een beetje kloppen en met elkaar overeen komen. Zo denken wij in onze tijd. Juist bij dramatische gebeurtenissen willen we exact weten wat er gebeurd is. Denk aan een vliegtuigramp.  Minutieus wordt uitgezocht hoe de gang van zaken is geweest. Dat is niet alleen om te voorkomen dat zoiets weer gebeurd of om te weten welke verzekeringsmaatschappij de schade moet vergoeden. Nee, ook de nabestaanden vragen erom. Zij willen van minuut tot minuut weten hoe hun geliefde verongelukt is.

Hoe anders zijn de Evangelieverhalen. De evangelist is geen journalist die nauwkeurig de gang van zaken beschrijft. De evangelist is geen objectieve buitenstaander. Hij is zelf tot in zijn ziel door de gebeurtenissen geraakt. Hij is geheel en al betrokken en maakt er zelf onderdeel vanuit. De evangelist wil zijn lezer en toehoorder overtuigen en deelgenoot maken van wat dit allemaal ook met hemzelf heeft gedaan. Neem bijvoorbeeld de zwachtels en de zweetdoek die zijn blijven liggen. Johannes maakt hier een nadrukkelijk verschil met de opstanding van Lazarus. Die kwam met de doeken nog om zich heen het graf uitlopen. Hij had de dood niet overwonnen. Hij zou weer opnieuw sterven.

Misschien heeft u donderdagavond naar The Passion gekeken. Met behulp van liedjes uit deze tijd werd het lijden en sterven en ook de verrijzenis van Jezus Christus in beeld gebracht. Hier werd er zeker niet naar gestreefd  een precies verslag van die gebeurtenissen te geven. Net als in de Evangelieverhalen probeerde men de essentie ervan te verwoorden. Wat doet dit verhaal met ons? Wat betekent het voor ons in deze tijd? Zo merkwaardig zijn de verschillen tussen de Evangeliën dus ook weer niet. Als we tot de essentie doordringen,  blijkt het om een universele boodschap te gaan, een boodschap die niet aan tijd en plaats gebonden is. Alleen de wijze van vertellen is aan tijd en plaats gebonden.

Die essentiële boodschap is: God is liefde. Uit liefde heeft Hij ons geschapen. Uit liefde voor de mensen is zijn Zoon mens geworden, heeft Jezus Christus zich tot in alles met ons verbonden. In zijn liefde voor ons ging Hij tot het uiterste toe, tot de dood aan het kruis. Het is Gods liefde voor ons die maakt dat ook voor ons de dood niet het einde is. Ook wij zullen opstaan en leven, eeuwig leven. Christus heeft de dood en het kwaad definitief overwonnen. Wij zullen leven als mensen, in liefde en verbondenheid met elkaar. Daartoe zijn wij geschapen.

Hoe het eeuwig leven zal zijn: wij weten het niet. De verrijzenis van Jezus Christus geeft ons wel een aanwijzing. Hij verscheen aan zijn leerlingen zichtbaar als een mens. Hij sprak met hen en was met hen verbonden. Dat mogen ook wij verwachten van het eeuwig leven, dat wij het meest essentiële van onze menselijkheid behouden: dat wij met elkaar verbonden blijven en van elkaar houden. Dat is ook wat wij belijden in onze geloofsbelijdenis als wij getuigen van ons geloof in de gemeenschap van de heiligen,  de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.  Wij mensen blijven leven in liefdevolle relatie met elkaar.

God is liefde. Dat is onze boodschap aan de wereld. Wat er ook gebeurt, God houdt van je.  Hij zal je doen opstaan. Hij zal je doen leven. Zelfs als jij je van Hem afkeert, zal Hij je blijven zoeken. Hij geeft je telkens weer een nieuwe kans. En wij mensen mogen dat ook naar elkaar in praktijk brengen. Ook wij mogen elkaar hoop en vertrouwen en nieuwe kansen geven. Wij mogen elkaars fouten vergeven en barmhartig zijn naar elkaar. Ook wij mogen mensen laten opstaan en toekomst geven. Want de Heer is waarlijk opgestaan. Alleluia.

Bonifatius in Dorestad

Auteur: Luit van der Tuuk (red.)
Titel: Bonifatius in Dorestad:
De evangeliebrenger van de Lage Landen – 716
Uitgever: Omnibook, 2016
Prijs: € 14,99
ISBN: 978 94 0190 759 0
Aantal pagina’s: 190

In 716 kwam Bonifatius aan in Dorestad. Hier begon zijn eerste poging om aan de Friezen het evangelie te brengen. Dorestad lag op de grens tussen de Friese gebieden en het rijk van de Franken. Met steun van de christelijke Franken wilde Bonifatius het geloof aan de heidense Friezen brengen. Op dat moment zijn de Friezen op en rond de Rijn aan de macht. Bonifatius boekt weinig resultaat verlegt zijn naar het oosten. Hij wordt bisschop van Mainz. Aan het eind van zijn leven doet hij een nieuwe poging. Dit wordt hem noodlottig. Hij wordt in 754 in de buurt van Dokkum vermoord.

Het boek bestaat uit verschillende bijdragen. Het grootste deel is van de historicus Luit van der Tuuk. Daarnaast zijn er bijdragen van bisschop Gerard de Korte en Kees Slijkerman, de professoren Paul Post en Anton Vernooij en de predikanten Piet de Jong, Henk Kroese en Rebecca Onderstel. Naast de geschiedenis is er ook aandacht voor de betekenis van Bonifatius in onze tijd.

We leren Bonifatius kennen als een gedreven man. Hij stond voor zuiverheid leer en liturgie. Anders dan Willibrord is hij meer kerkhervormer en bestuurder dan missionaris. Hij zorgt met steun van de Frankische machtshebbers voor een gedegen organisatie en heeft hiermee een stempel onze geschiedenis gedrukt.

Standvastigheid; 1 Kr 29,10-18; Joh 14,15-21.25-29

Koning David staat aan het einde van zijn leven. Zijn zoon Salomo zal hem opvolgen. David eert God en dankt Hem voor al de rijkdom die er voor de bouw van de tempel bijeengebracht is. Niet David maar zijn zoon Salomo zal de tempel bouwen. David echter kent zijn volk. Hij weet hoe de mensen zijn. Vandaag denken ze aan God, maar hoe zal dat in de toekomst zijn. Zijn zij standvastig? Daarom vraagt hij aan God, de God van Abraham, Isaäk en Israël: “Laat deze gezindheid in het hart van uw volk altijd voortduren en houd hun harten op U gericht.”

Ook Jezus kent de zwakte van de mensen. Ook Hij staat aan het einde van zijn leven hier op aarde. Het is de laatste keer dat Hij met zijn vrienden eet en praat. Hij weet wat hen te wachten staat en dat in het geheel niet standvastig zijn. Nu al spreekt Hij hen moed in: “Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden.” God zal hen een andere Helper geven, de Geest van waarheid, de heilige Geest.

De heilige Geest geeft ons zijn gaven: wijsheid, liefde, moed. De heilige Geest geeft ons standvastigheid. Wij zijn gedoopt met water en met heilige Geest. Zo hebben ook wij deze gaven van de heilige Geest ontvangen. Maar toch blijft het lastig om werkelijk standvastig te zijn. Elke keer weer hebben de Helper nodig. Titus Brandsma wist dit ook. Hij geloofde in God en vertrouwde op Hem. Hij wist dat hij er nooit alleen voor zou staan. Zo was hij standvastig.

Titus Brandsma is geboren in 1881 in Oegeklooster bij Bolsward. Na de lagere school gaat hij naar het seminarie. Hij wordt pater karmeliet. Titus was docent filosofie en later hoogleraar in Nijmegen. Daar verdiepte hij zich in de Nederlandse mystiek. Daarnaast zette hij zich in voor het katholieke onderwijs, de Friese taal en de katholieke pers. Ook zelf schreef hij voor verschillende kranten.

Al in de jaren dertig maakte hij duidelijk dat hij helemaal niets van het nationaalsocialisme moest hebben. Dat was voor hem een heidense ideologie. Tijdens de oorlog komt hij in conflict met de Duitsers. Hij strijdt voor de vrijheid van de pers. Begin 1942 wordt hij door de Duitsers opgepakt en komt in de gevangenis in Scheveningen terecht. Daar schrijft hij het gedicht dat wij straks zingen. Op 19 juni komt hij in Dachau aan. Hier sterft hij op 26 juli.

Titus Brandsma wist wanneer er geen ruimte meer is voor onderhandelen, wanneer de grenzen bereikt zijn, wanneer bij verder toegeven je jezelf weggeeft. Zo was hij een standvastig man. Het kostte Titus Brandsma zijn leven. Maar het is zoals Jezus zegt: “Wie zijn leven verliest, zal het behouden.” Voor ons is Titus Brandsma een voorbeeld. Hij laat ons zien hoe ook wij standvastig kunnen zijn. Ook in onze tijd is dat niet altijd gemakkelijk. Ook wij mogen de heilige Geest vragen ons te helpen. Amen.

Maria Boodschap; Lc 1,26-38

Het is niet niks wat Maria allemaal meemaakt. De engel Gabriël komt haar vertellen, dat zij zwanger wordt van de heilige Geest en een zoon zal baren. Haar kind zal Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. Het is een boodschap die niet te begrijpen is. Hoe moet dit allemaal? Maar Maria gelooft en vertrouwt op God en zij antwoordt aan Gabriël: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.” Maria is door God uitverkoren: God zag welwillend neer op de kleinheid zijner dienstmaagd. Hij die machtig is, deed aan haar zijn wonderwerken. Zo heeft zij het zelf uitgezongen in het Magnificat. De genade die Maria ontvangt, brengt haar tot dienstbaarheid. De genade doet haar geloven en vertrouwen.

Maria heeft dan nog een hele weg te gaan. De gezegende vrucht van haar schoot zal ze ter wereld brengen. Ze zal het Kind voeden en opvoeden. Ze zal Hem ook moeten loslaten, dan kan ze Hem alleen nog maar liefhebben. Ze zal Hem zien opgroeien tot een man met een missie, een man met een geheel eigen opdracht, een man die zijn eigen weg gaat. Hij zal uitgroeien tot de hoogste dienaar van God en van alle mensen. Met de weg die zij gaat, is Maria voor ons een voorbeeld van liefde en geloof. De liefde van God beantwoordt zij met haar dienstbaarheid en haar hele vertrouwen stelt zij op God. Hoe onzeker haar toekomst ook is, zij vertrouwt erop dat het goed komt. Hoe onbegrijpelijk haar Zoon Jezus ook is, zij geeft Hem haar vertrouwen, zij steunt Hem, zij volgt Hem, zij gelooft in Hem en zij houdt van Hem.

God wil dat wij mensen – zijn kinderen – gelukkig zijn. Daarvoor is Jezus, Gods Zoon mens geworden. Jezus laat ons zien dat wij het geluk vinden in de liefde voor God en voor elkaar. Hij heeft ons die liefde voorgeleefd en roept ons op zijn voorbeeld te volgen. Hij heeft ons zijn Geest gegeven om ons daarbij te helpen. Door Jezus hebben wij weet van de liefde van God, weet van de drie-ene God die liefde is en gemeenschap. De drie goddelijke personen – Vader, Zoon en Geest – zijn verschillend van elkaar en ook innig met elkaar verbonden. Ze zijn drie en ook volkomen een.

Wij mensen zijn geschapen naar het beeld van God. In verbondenheid met elkaar komen wij tot volle wasdom. Door de liefde voor elkaar kunnen we van elkaar ontvangen en kunnen we aan elkaar geven. Doordat we van elkaar verschillen kunnen we van elkaar houden. Door de verscheidenheid kunnen we elkaar aanvullen en elkaar van dienst zijn. Zo wordt de ontmoeting tussen mensen werkelijk een feest. Ons geluk en onze vreugde ligt niet in de zelfgenoegzaamheid. Zij liggen niet in onze onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Juist in verbondenheid met elkaar komen wij tot ontplooiing. Binnen de gemeenschap worden wij werkelijk mens.

Binnen de gemeenschap, in de relatie tussen mensen is Jezus aanwezig. Daar is zijn Geest werkzaam: de Geest van liefde en verbondenheid. Hij versterkt onze liefde en dienstbaarheid voor elkaar. Hij maakt die liefde vruchtbaar. Hij vervult onze harten daarmee met echte vreugde. Hij maakt dat wij – zoals Maria in het Magnificat – het uitzingen van vreugde. Maria weet waar liefde en geloof ons brengen. Liefde en geloof zijn de sleutelwoorden in onze menselijke relaties. Als wij elkaar niet waarderen en niet vertrouwen kunnen we niet met elkaar samenleven. Zonder liefde en geloof wordt onze samenleving een politiestaat. Alles moet gecontroleerd worden, want niemand is te vertrouwen. Alles moet verplicht worden, want niemand doet iets uit liefde.

Dienstbaarheid, gemeenschap en verbondenheid, liefde en geloof, respect en vertrouwen staan aan de basis van onze gezinnen en van onze vriendschappen, aan de basis van onze arbeid en van onze ontspanning. Geheel onze maatschappij is erop gebouwd. Als wij leven vanuit deze gedachte mogen wij onszelf werkelijk kinderen van Maria noemen.

Maria geeft ons het voorbeeld. Net zoals zij deed, mogen wij haar Zoon Jezus navolgen en Hem liefhebben. Zij leefde een leven van liefde en geloof, van dienstbaarheid en verbondenheid. Ook wij kunnen en mogen die weg gaan. Maria is ook onze voorspraak. Zij is ons gegeven als ons aller moeder in liefde en geloof. Zij staat ons ook bij op onze weg door het leven. Zij helpt ons – net als zijzelf – te leven vanuit de genade die God ons geeft. Amen.

Ramadan: Vasten in de islam

Inleiding

Om zicht te krijgen op het vasten in de islam wordt het vasten in de drie monotheïstische godsdiensten, jodendom, christendom en islam met elkaar vergeleken. Hierbij gaat het vooral om de beweegredenen tot het vasten.

Oude Testament

In de Thora, de eerste vijf boeken van het Oude Testament komt het woord vasten niet voor. Wel wordt in Leviticus beschreven dat het feest van Jom Kippoer, Grote Verzoendag gevierd moet door de ziel te pijnigen: “Het is een blijvend voorschrift voor u, dat gij u op de tiende dag van de zevende maand moet kastijden en dat gij geen arbeid verricht; dat geldt voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling die bij u woont.” (Lv 16,29) Dit wordt gezien als een verplichting om te vasten. De eerste vermeldingen van vasten vinden we in de historische boeken: Rechters (Re 20,26), Samuël (1 S 7,6; 1 S 31,13 en 2 S 1,12.16,21-23), Koningen (1 K 21,9.12.27) en Kronieken (1 Kr 10,12 en 2 Kr 20,3). Het vasten heeft te maken met rouw, boete, bezinning en bekering. Het gaat in deze gevallen niet om een religieuze plicht maar om een beweging vanuit het volk zelf. Dit zelfde beeld vinden we ook bij de latere profeten.

De profeet Jesaja vraagt aandacht voor de intentie waarmee gevast wordt. Hij schrijft: “Roep uit volle borst, houd u niet in, verhef uw stem als een ramshoorn. Leg aan mijn volk hun weerspannigheid voor, aan Jakobs huis zijn zonden. Dag aan dag zoeken zij Mij, verlangend mijn wegen te kennen, als gold het een volk dat gerechtigheid beoefent, en het recht van zijn God niet verwaarloost. Rechtvaardige oordelen vragen zij Mij verlangend naar Gods nabijheid. ‘Waarom ziet Gij niet dat wij vasten, merkt Gij niet dat wij ons vernederen?’ Op de dag dat gij vast zoekt gij nog uw voordeel, en beult gij uw slaven af. Gij kijft en krakeelt als gij vast en slaat er boosaardig met uw vuisten op los. Neen, bij een vasten als dit dringt uw stem in den hoge niet door. Is dat soms het vasten dat Ik verkies, is dat een dag waarop de mens zich vernedert? Zijn hoofd als een riet laten hangen en neerliggen in zak en as: noemt gij dat soms vasten, en een dag die Jahwe behaagt? Is dit niet het vasten zoals Ik het verkies: boosaardige boeien slaken, de strengen van het juk losmaken, de geknechte de vrijheid hergeven, en alle jukken door te breken? Is vasten niet dit: uw brood delen met wie honger heeft; arme zwervers opnemen in uw huis; een naakte kleden die gij ziet en u niet onttrekken aan de zorg voor uw broeder? Dan breekt uw licht als de dageraad door en groeien uw wonden spoedig dicht; dan gaat uw geluk voor u uit, en sluit Jahwe’s glorie uw stoet. Als gij dan roept, geeft Jahwe u antwoord, en smeekt gij om hulp, Hij zal zeggen: ‘Hier ben Ik!’ Als gij het juk uit uw midden verwijdert, geen vinger bedreigend meer uitsteekt en geen valse aanklachten indient, de hongerige aanbiedt wat gij voor uzelf verlangt en de onderdrukte met voedsel verzadigt, dan zal uw licht in de duisternis opgaan, uw nacht als de heldere middag zijn. Dan zal Jahwe u steeds blijven leiden, in verschroeide oorden uw honger stillen. Hij zal uw krachten sterken en gij zult zijn als een rijkbesproeide tuin, als een bron die nooit teleurstelt als men om water komt. De oude ruïnes worden dan door u weer opgebouwd, gij herstelt de fundamenten van vroegere geslachten. Een hersteller van bressen zal men u noemen, herbouwer van straten.” (Js 58,1-12)

De profeet Zacharia noemt vier voorgeschreven vastendagen: “Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: Zo spreekt Jahwe van de machten: De vasten van de vierde, de vasten van de vijfde, de vasten van de zevende en de vasten van de tiende maand zal voor het huis Juda verkeren in vreugde, in blijdschap en in feestelijke samenkomsten. Hebt de waarheid en de vrede lief!” (Zach 8,18-19)

Vasten in het jodendom

Het vasten in het huidige jodendom vindt haar basis in de teksten van het Oude Testament zoals hierboven geciteerd. Naast de door Zacharia genoemde vastendagen wordt er door orthodoxe joden ook op andere dagen gevast om de vele rampen die het joodse volk getroffen hebben te herdenken. “Het zijn dagen van berouw en bezinning, maar vooral van rouw. Berouw en bezinning, vanwege overtredingen van G’ds geboden die, naar streng-orthodoxe overtuiging, tot rampen hebben geleid. Rouw om de talloze moorden, wreedheden en verwoestingen.”[1]

Nieuwe Testament

Jezus trekt aan het begin van zijn openbare leven de woestijn in om veertig dagen te vasten. “Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger.” (Mt 4,1-2) Aansluitend bij de profeet Jesaja zegt Jezus het volgende over de wijze van vasten: “Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om de mensen te tonen dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als gij vast, zalft dan uw hoofd en wast uw gezicht, om niet aan de mensen te laten zien dat gij vast, maar vast voor uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.” (Mt 6,16-18)

In de jonge Kerk komen we het vasten ook als een vorm van bezinning tegen. “Terwijl ze eens voor de Heer de heilige dienst verrichtten en vastten, sprak de heilige Geest: ‘Zonder Mij Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen heb geroepen.’ Na vasten en gebed legden ze hun toen de handen op en lieten hen vertrekken.” (Hnd 13,2-3)

Vasten in het christendom

De Katechismus van de Katholieke Kerk[2] wijst op de heilzame betekenis van het vasten van Jezus in de woestijn. Tijdens de Veertigdagentijd verenigen wij ons met het mysterie van Jezus in de woestijn. (538-540). Het vasten, het gebed en de aalmoes (zie Mt 6,1-18) worden genoemd als uitingen van boetvaardigheid. “Het zijn uitdrukkingen van onze bekering in onze relatie tot onszelf, tot God en tot de anderen.” (1434) De Katechismus leert: “Het vijfde gebod (Op onthoudingsdagen geen vlees gebruiken en op de vastendagen vasten.) beschermt de tijd van ascese en boete die ons op de liturgische feesten voorbereiden; zij helpen ons onze instincten te beheersen en de vrijheid van het hart te verwerven.” (2043)

De vorige bisschop van Rotterdam sprak regelmatig over solidariteit, spiritualiteit en soberheid. “Deze Rotterdamse S’en zijn niet bedacht vanuit de deugdethiek. Ze zijn überhaupt niet vanuit een theoretische constructie samengenomen. Ze zijn uit de praktijk van ons bisdom ontwikkeld binnen de setting van de Randstad als een eigentijdse vertaling van het dubbelgebod uit het evangelie: bemin God boven alles en de naaste als jezelf. Deze twee relaties vormen één geheel en zijn onmisbaar voor een menswaardig leven. Spiritualiteit staat in het bijzonder voor de persoonlijk beleefde relatie met God, onze Schepper en Verlosser. De daadwerkelijke concrete relatie met de medemens, vooral de medemens in nood, wordt gevat in de solidariteit. De derde S, die van soberheid, is voor de beleving van het dubbelgebod de onmisbare voorwaarde: soberheid voorkomt en verhindert dat ik mezelf steeds in het centrum plaats, waardoor er geen ruimte, tijd, aandacht en zorg overblijft voor de ander/Ander.”[3] De begrippen solidariteit, spiritualiteit en soberheid nemen een belangrijke plaats in in de Veertigdagentijd.

Koran

In de Koran[4] wordt het vasten op verschillende plaatsen genoemd. De belangrijkste tekst is de volgende: “Jullie die geloven! Aan jullie is voorgeschreven te vasten, zoals het was voorgeschreven aan hen die er voor jullie waren – misschien zullen jullie godvrezend zijn – voor een bepaald aantal dagen. Maar als iemand van jullie ziek is of op reis, dan een aantal andere dagen. En zij die er wel toe in staat zijn maar het niet doen hebben als vervangende plicht een behoeftige te spijzigen, maar als iemand uit zichzelf iets goeds doet, is dat beter voor hem en dat jullie vasten is ook beter voor jullie, als jullie dat maar weten. De maand Ramadan is het waarin de Koran werd neergezonden als een leidraad voor de mensen en als duidelijke bewijzen van de leidraad en het reddend onderscheidingsmiddel. Wie van jullie aanwezig is in de maand die moet erin vasten en als iemand ziek is of op reis, dan een aantal andere dagen. God wenst het jullie gemakkelijk te maken en niet moeilijk. Maakt het aantal dus vol en verheerlijkt God. Misschien zullen jullie dank betuigen. Wanneer Mijn dienaren jou naar Mij vragen: Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van iemand die bidt, wanneer hij Mij aanroept. Zij moeten Mij dus gehoor geven en in Mij geloven. Misschien zullen zij de goede weg opgaan. Het is jullie toegestaan in de nacht van de vasten omgang met jullie vrouwen te hebben; zij zijn bekleding voor jullie en jullie bekleding voor haar. God weet dat jullie jezelf bedriegen, dus heeft Hij zich genadig tot jullie gewend en jullie vergeven. Hebt nu dus gemeenschap met haar en streelt naar wat God jullie heeft voorgeschreven. Eet en drinkt totdat voor jullie in de morgenschemering de witte draad van de zwarte draad te onderscheiden is. Vast dan volledig tot aan de nacht. En hebt geen gemeenschap met haar, terwijl jullie in de moskeeën verblijven. Dat zijn Gods beperkingen. Komt die niet te na. Zo maakt God Zijn tekenen aan de mensen duidelijk. Misschien zullen jullie godvrezend worden.” (2,183-187)

Naast het verplichte vasten tijdens de Ramadan is er de mogelijkheid te vasten als deel van de compensatie of verzoening van verkeerde daden zoals het niet volbrengen aan de bedevaart naar Mekka (2,196), het per ongeluk doden van een gelovige (4,92) en het verbreken van een eed (5,89). Het vasten is een van de kenmerken van de gelovigen en zij zullen ervoor worden beloond. (9,112 en 33,35)

Vasten in de islam

Ook voor moslims is vasten vooral een mentale houding. Slechte gedachten en slechte daden doorbreken het vasten. Ziauddin Sardar schrijft het volgende over het vasten: “Terwijl het gebed dagelijks plaatsvindt, is het vasten tijdens de maand Ramadan een jaarlijkse aangelegenheid. Vasten is een geweldige spirituele oefening. In de islam is het geen daad van boetedoening, maar een oefening in zelfvertrouwen en zelfbeheersing. De eerste functie is het aankweken van discipline in spirituele zin, het opbrengen van waardering voor lichamelijke ontbering (in de vorm van honger en dorst) en het onderkennen en onderhouden van de menselijke waardigheid. Vasten is een vorm van reizen en wie vast, gaat op reis om dichter bij God te komen.
Vasten heeft een persoonlijke en een maatschappelijke dimensie. Het leert de individuele mens voorbereid te zijn op ontbering en beproeving en niet toe te geven aan verleiding. Deze les wordt een maand lang dag in dag uit herhaald. Net zoals lichamelijke oefening het lichaam sterkt, versterkt de vasten de besluitwaardigheid. Wie zijn/haar verlangens kan beheersen, kan zich spiritueel en moreel verheffen. Wie vast, onthoudt zich van zonsopgang tot zonsondergang niet alleen van eten, drinken en seks, maar vermijdt ook alle immorele gedachten en daden.
Maatschappelijk gezien staan arm en rijk dan op hetzelfde niveau; in hun persoonlijke leven worstelen ze met dezelfde beproevingen. En van beiden wordt gevraagd dat ze er in de maand Ramadan op uitgaan om de mensheid weldaden te bewijzen. In de islamitische traditie staan tijdens de Ramadan, de maand waarin de Koran werd geopenbaard, de poorten van de hemel open. Vandaar dat moslims in die maand meer gebeden zeggen en de hele Koran van begin tot eind wordt gereciteerd.
”[5]

Openbaring

Wezenlijk aan de monotheïstische godsdiensten is dat wij mensen God niet vanuit onszelf kunnen kennen. Het initiatief ligt bij God, niet bij de mens. Om te kunnen weten wie God is en wat Hij wil, heeft God Zichzelf en zijn wil aan de mensen geopenbaard. Voor christenen ligt de nadruk op de zelfopenbaring van God; voor moslims op de openbaring van zijn geboden. In Jezus Christus wordt God mens en openbaart Hij zijn wezen. Christus is de ultieme openbaring van God. Gods Zoon is mens geworden; het Woord is vlees geworden. Voor moslims is de Koran de ultieme openbaring van de wil van God. In christelijke termen: het Woord is boek geworden. De Koran is rechtstreeks uit de hemel neergedaald en is een exacte kopie van de Koran zoals in de hemel aanwezig is.

Voor moslims zijn de Thora van de joden en het Evangelie van de christenen eerdere vormen van openbaring van Gods wil. Profeten ontvangen deze openbaring. Mozes heeft de Thora ontvangen en Jezus het Evangelie. Voor christenen zijn profeten mensen die een bijzondere godservaring hebben gehad. Voor christenen staat Christus centraal als openbaring; voor moslims is dit de Koran. Het zijn niet Christus en Mohammed of Bijbel en Koran die vergelijkbare plaatsen hebben binnen de beide religies, maar het zijn Christus en de Koran die vergelijkbare rollen vervullen: zij worden als de ultieme openbaring gezien.

[1]  Lou Evers, Jodendom voor beginners: Een heldere inleiding, Amsterdam: De Boekerij, 2005, 105.

[2]  R.-K. Kerkgenootschap in Nederland, Katechismus van de Katholieke Kerk, Utrecht: Stichting Rooms-Katholiek Kerkgenootschap, 1995.

[3]  Adrianus van Luyn, Waarden en deugden: Zorgvuldig in de Randstad, Kampen: Kok, 2006, 149.

[4]  Fred Leemhuis, De Koran: Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands, Houten: Fibula, 2002.

[5]  Ziauddin Sardar, Wat geloven moslims?, Rotterdam: Ad. Donker, 2007, 110-111.

Vertrouwen; Gn 12,1-4a; Mt 17,1-9

“In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd…” Je ziet het zo voor je: vier mannen gaan een berg op, ze spannen zich in en komen boven. Daar ontvouwt zich het uitzicht. Daar ontspannen zij zich. Daar komen ze tot rust en dan plotseling gebeurt het. Ze hebben zich losmaakt van het alledaagse en nu komen tot een nieuw inzicht. Een geheel nieuwe wereld ontvouwt zich.

Abram trekt weg uit zijn land. De Heer belooft hem een gezegende toekomst. Abram trekt niet alleen weg uit zijn land. Hij neemt ook afstand van de veelgoderij. Abram bekeert zich tot het geloof in één God. Hiermee is de stamvader van joden, christenen en moslims. Ook voor Abram is er een nieuwe wereld opengegaan.

Twee verhalen van afstand nemen, van loslaten. Maar ook twee geheel verschillende verhalen. Het verhaal van Jezus en zijn leerlingen lijkt in eerste instantie op een uitstapje. Even de dagelijkse beslommeringen achter je laten. Abram gaat een werkelijk moeilijke en eenzame weg. Hij en zijn familie nemen afstand van de veelgoderij, afstand van cultuur waarin zij zijn opgegroeid en die hen vertrouwd is. Zij trekken weg uit hun land, uit hun vertrouwde omgeving. Het is ook een tegenstelling die we ook in ons eigen leven vaak zien. Aan de ene kant mensen die voor ontspanning en vakantie naar een ander land trekken en aan de andere kant mensen die wegtrekken uit hun land om dat ze daar niet verder kunnen.

Abram gaat een totaal onzekere toekomst tegemoet, maar hij vertrouwd erop dat de Heer hem zal leiden en beschermen. Ondanks alle onzekerheid heeft Abram vertrouwen. De leerlingen van Jezus doen helemaal geen spannende dingen. De bergen in die streek zijn gemakkelijk te beklimmen. Daar loop je geen gevaar bij. Maar dan gebeurt iets onverwachts. Ze hebben een geweldig mooie ervaring. Daar willen ze nog wel een tijdje van genieten, maar dat wordt ernstig verstoord door een stem uit de hemel. Dat is flink schrikken en ze worden bang. De leerlingen missen het vertrouwen dat Abram heeft. Ze weten blijkbaar ook niet wie ze moeten vertrouwen. Niet voor niets wordt er gezegd: “Luistert naar Hem.” Het verschil tussen de leerlingen en Abram is groot. De leerlingen zijn snel bang, hebben geen vertrouwen en weten niet naar wie zij moeten luisteren. Abram daartegen weet wat hij wil. Hij luistert naar de stem van God en durft op Hem te vertrouwen. Zo gaat hij vol goede moed op weg het onbekende tegemoet.

Waar staan wij zelf. Zijn wij zoals Abram of zijn we zoals de leerlingen. Ik denk dat velen van ons meer zijn zoals de leerlingen. Wij zijn geen mensen die vol vertrouwen het grote onbekende tegemoet treden. De meesten van ons houden van zekerheden en vertrouwdheden. Als we op reis gaan dan moet alles goed geregeld zijn. Is de auto nagekeken? Zijn de verzekeringen op orde? Hebben we onze geliefden goed geïnformeerd? Et cetera. Wat voor een eenvoudig reisje geldt, geldt voor ons hele leven. Wij houden van zekerheid en laten het er niet op aan komen. Ons vertrouwen in onze medemensen is beperkt en dat geldt zeker voor onbekenden en vreemdelingen.

God zegt ons: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem.” Jezus is mens geworden om ons de weg te wijzen. Hij laat ons zien hoe wij hoe God en medemens kunnen vertrouwen. Hij wijst ons de weg ten leven. Jezus zegt ook tegen ons: “Staat op en weest niet bang.” Hij roept ons op in beweging te komen, het onbekende tegemoet te gaan. Wij hoeven niet bang te zijn. Wij mogen werkelijk vertrouwen. Wij mogen vertrouwen op God en vertrouwen op de medemens.

In vervolg daarop worden wij ook opgeroepen het ons gegeven vertrouwen niet te beschamen. God heeft zijn schepping aan ons toevertrouwd. Mensen in nood en zeker vluchtelingen rekenen op ons. Wij mensen zijn aan elkaar toevertrouwd. Het is aan ons daarop te vertrouwen én dat vertrouwen naar elkaar waar te maken. Amen.

Waarom het kwaad? Gn 2,7-9;3,1-7; Rom 5,12-19; Mt 4,1-11

Hoe is het kwaad in de wereld gekomen? Waarom doen mensen niet alleen goed? Waarom laat God het kwaad toe? Hoe gaan wij mensen met het kwaad om? Dit zijn vragen waar alle mensen van alle tijden mee worstelen. Het zijn vragen die ons ten diepste raken. Ze gaan over de essentie van ons menselijk bestaan. Van oudsher zoekt men naar antwoorden. Hoe kunnen we geloven in een God die almachtig is en het goede wil, terwijl we voortdurend met het kwaad geconfronteerd worden? Het kwaad zien we niet alleen om ons heen, maar we ervaren het ook in onszelf.

Paulus baseert zich op het scheppingsverhaal en schrijft: “Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood…” Paulus legt een verband tussen de zonde, het kwaad in de mens en de dood, het kwaad dat van buitenaf komt. Iedere mens doet kwaad en iedere mens ondergaat kwaad. Het scheppingsverhaal is niet bedoeld om een verslag te geven van een historische gebeurtenis. Het is geschreven om antwoorden te geven op de vragen die wij hebben. Het schetst een beeld van de ontwikkeling van de mensheid, een ontwikkeling die ook iedere mens afzonderlijk doormaakt. Iedere mens ontdekt op een gegeven moment dat hij keuzes kan en moet maken. Hij ontdekt zijn vrije wil en ontdekt dat hij kan kiezen tussen goed en kwaad. Hij ontdekt ook dat hij zelf verantwoordelijk is voor de keuzes die hij maakt. Met de vrije wil ontdekt hij ook de hem gegeven verantwoordelijkheid en dat hijzelf tot het doen van kwaad in staat is.

God heeft ons geschapen met een vrije wil. Het is uit liefde voor ons dat Hij ons die vrijheid heeft gegeven. Met onze vrije wil zijn wij ook tot liefde in staat. Onze liefde is niet dwangmatig of instinctief. Onze liefde is een vrije keuze. In volledige vrijheid kunnen wij elkaar en kunnen wij God liefhebben. De gegeven vrijheid maakt ons ook verantwoordelijk, verantwoordelijk voor ons eigen handelen en verantwoordelijk voor elkaar. De vrijheid stelt ons ook in staat ons van elkaar af te keren, elkaar schade toe te brengen en elkaar zelfs van het leven te beroven. Dat is de keerzijde van de vrijheid, maar zonder deze keerzijde is er helemaal geen vrijheid. De vrije wil geeft ons ook onze individualiteit. Ik ben een unieke persoon, een persoon die kan liefhebben, een persoon die in relatie staat met andere personen, maar ik val nooit met de ander samen. We zijn verschillend van elkaar en juist daardoor zijn voor elkaar van betekenis. Daardoor zijn we in staat relaties met elkaar aan te gaan. En zo ontdekt de mens ook zijn seksualiteit.

Het verhaal uit het boek Genesis wat we gelezen hebben, wordt meestal ‘de zondeval’ genoemd. Persoonlijk noem ik het liever ‘de ontdekkingsreis’. Het verhaal laat zien hoe mensen zich zelf ontdekken. Ze ontdekken hun vrije wil. Ze ontdekken de keuze tussen goed en kwaad. Ze ontdekken hun eigen verantwoordelijkheid. Ze ontdekken dat ze niet met elkaar samenvallen, maar van elkaar verschillen en ze ontdekken dat ze een relatie met elkaar aan kunnen gaan.

Ons menselijk denken zoekt telkens weer naar oorzaak en gevolg. Dat is een heel handige eigenschap. Zo zijn we in staat de oorzaken van slechte zaken te bestrijden en weg te nemen. Maar we kunnen het ook overdrijven door alles in termen van oorzaak en gevolg te willen verklaren. Dan vinden we dat ook het kwaad een duidelijke oorzaak moet hebben. Het kan toch niet zo zijn dat iemand kwaad overkomt, terwijl hij dat helemaal niet verdiend heeft. Wij mensen hebben snel het idee, dat degene die iets slechts overkomt daar zelf mede de oorzaak van is. Zo denken we ook vaak over onszelf. “Waaraan heb ik dit verdiend?” Het is een vaak gestelde vraag. De Franse filosoof Paul Ricoeur schreef, dat we ons niet moeten bezighouden met vragen als: “Vanwaar het kwaad en waarom het kwaad?” Daar komen we niet verder mee. Beter is het bezig te zijn met de vraag: “Hoe om te gaan met het kwaad?” Wat doen wij als wijzelf of een ander door het kwaad worden getroffen? Dat is ook de boodschap van het boek Job. Job krijgt geen antwoord op zijn vraag waarom ook een goed mens door het kwaad wordt getroffen. Hij leert er mee te leven. Het kwaad maakt nu eenmaal een wezenlijk deel van ons bestaan uit en waarom zou het mij niet treffen?

Jezus is gekomen om ons te bevrijden. Hij wijst ons de weg ten leven. Hij laat ons zien hoe wij werkelijk vrij kunnen zijn. Hij heeft uit vrije wil al het kwaad van de wereld op zich genomen. Met zijn lijden en sterven heeft Hij het kwaad ondergaan. Vandaag laat Hij zien hoe je weerstand kunt bieden aan het kwaad. Wij zijn geen weerloze speelbal in de handen van het noodlot. Verleidingen tot het kwaad kunnen we afwenden. Onze eigen neiging tot het kwaad kunnen we weerstaan. Met zijn lijden en sterven heeft Jezus laten zien, dat we ook als het ergste kwaad ons overkomt toch vrije mensen kunnen zijn, dat het kwaad ons nooit volledig in zijn greep hoeft te hebben. Jezus verlost ons ook van het alsmaar denken in termen van oorzaak en gevolg. Zo bevrijdt Hij ons ook van een onnodig schuldgevoel. Amen.

Tegen de stroom

Auteur: Ernst Hirsch Ballin
Titel: Tegen de stroom: Over mensen en ideeën die hoop geven in benarde tijden
Uitgever: Querido, 2016
Prijs: €20,00
ISBN: 978 90 214 0221 5
Aantal pagina’s: 150

Ernst Hirsch Ballin schrijft over vier mensen die met hun manier van leven en hun ideeën hoop geven. Titus Brandsma, Lodewijk Ernst Visser en Anton de Kom zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog gestorven. Thomas More werd in 1535 onthoofd. “Door onder heftige beproevingen stand te houden, hebben zij de hoop op meer medemenselijkheid levend gehouden.”

De menselijke waardigheid vereist morele waarden. Pater Titus Brandsma wist dat er grenzen zijn aan het sluiten van compromissen. Overeenkomsten zijn alleen goed als zij in volle vrijheid gesloten worden en voor beide partijen goed zijn. Lodewijk Ernst Visser wilde als voorzitter van de Hoge Raad geen onderscheid te maken op basis van ras. Anton de Kom, de zoon van een slaaf, zette de strijd die hij in Suriname gevoerd had, in Nederland voort. Het gaat altijd om de waardigheid van iedere afzonderlijke mens. Voor Thomas More was geloven een gewetenszaak, waarover de Engelse koning geen zeggenschap had.

“Recht moet idealen helpen realiseren.” Hirsch Ballin laat zien hoe je genuanceerd en doordacht stevig stelling kunt nemen inzake de menselijke waardigheid. Het is een mooi en zeer lezenswaardig boekje.