In onze tijd zien we twee ontwikkelingen die op het eerste gezicht strijdig met elkaar zijn. Enerzijds is er sprake van globalisering. De wereld kent steeds meer samenhang en integratie. Ontwikkelingen zijn niet langer lokaal maar mondiaal. Om maar een voorbeeld te noemen overal ter wereld zie je mensen tegenwoordig dezelfde brillen dragen. Wezenlijke onderwerpen als vrede en veiligheid, economie en ecologie vragen om een wereldwijde aanpak: alles hangt met elkaar samen, niemand kan meer zonder de anderen. Anderzijds is er de ontwikkeling van lokalisering of regionalisering. Hierbij ligt de nadruk op de lokale aanpak en op het eigene van de lokale situatie.
Marketingmensen uit het bedrijfsleven hebben beide ontwikkelingen de afgelopen decennia samengebracht onder de term glocalisering. Er worden wereldwijde concepten ontwikkeld die overal ter wereld een lokale invulling en uitvoering krijgen. Een voorbeeld is McDonalds. Overal ter wereld zie je restaurants van McDonalds, maar de menukaart is afhankelijk van de lokale smaak en van de lokale eetgewoonten. Zo komt men tegemoet aan het idee van wereldwijde verbondenheid, aan de wens erbij te willen horen. En anderzijds wordt het lokale eigene gerespecteerd en gehonoreerd.
De term glocalisering is ongeveer vijfentwintig jaar oud. Maar feitelijk bestaat het idee al tweeduizend jaar. Het christendom heeft vanaf het begin geweten dat zij een boodschap heeft voor alle mensen, voor heel de wereld. En vanaf het begin is er bij de verkondiging van de Blijde Boodschap aansluiting gezocht bij de lokale situaties. Dit kenmerkt het christendom van de eerste eeuwen en dit kenmerkt ook het christendom van alle eeuwen daarna tot op de dag van vandaag.
Zoals uit het voorbeeld van McDonalds al blijkt, is er bij glocalisering ook sprake van een spanningsveld: de tegenstelling tussen wereldwijde eenheid en lokale verscheidenheid. Zo is het gebruik van satésaus typisch Nederlands, dus verwacht niet dat je bij een McDonalds in Duitsland een ‘chicken-saté’ kunt kopen. Het christendom heeft de eeuwen door met deze spanning tussen eenheid en verscheidenheid geworsteld, en zal dat voorlopig ook wel blijven doen. Wat zijn de grenzen van de verscheidenheid? Hoe sterk mag je van elkaar verschillen zonder de eenheid te verliezen? Wat zijn de grenzen van de eenheid? Moeten allen gelijk zijn? Kun je een idee of een gebaar wereldwijd voorschrijven als het in verschillende culturen tegengestelde betekenissen heeft? In het verleden heeft deze spanning geleid tot ernstige verdeeldheid: niet alleen wereldwijd, maar ook lokaal. Dat laatste ervaren wij concreet hier ter plekke in Bleiswijk.
Wat vraagt de toekomst van ons? Laat ik eerst enkele recente ontwikkelingen in de katholieke kerk noemen. Als eerste wil ik stilstaan bij de ‘small Christian communities’: kleine groepen gelovigen die regelmatig bij elkaar komen om samen te bidden en om samen hun geloof te verdiepen. Hier vinden we mensen die hun geloof met elkaar delen, die zich verbonden voelen met elkaar en die zich bij elkaar geborgen weten. Een tweede ontwikkeling zijn de Wereldjongerendagen: jongeren uit de hele wereld komen op uitnodiging van de paus naar een plaats om daar samen in de verbondenheid met elkaar hun geloof te beleven, te verdiepen en te vieren.
De kleine geloofsgroepen zijn typisch een lokale manifestatie van de kerk. Er is volop ruimte voor de lokale eigenheid en de lokale cultuur. Maar deze groepen zijn er niet alleen voor zichzelf. Zij weten dat zij deel uit maken van het grotere geheel van de parochie en van het grotere geheel van de wereldkerk. Vaak wordt vanuit dergelijke groepen vrijwilligerswerk in de parochie gedaan en streven deze groepen ernaar in eenheid met de wereldkerk te leven door de leer en het gezag van de kerk te volgen.
De Wereldjongerendagen zijn een wereldwijde manifestatie van de kerk. Hier staat de eenheid en de wereldwijde verbondenheid met elkaar voorop. Maar juist hier worden jongeren geconfronteerd met de enorme verscheidenheid die de kerk kent: een verscheidenheid van talen, culturen en volkeren. Het is de eenheid in verscheidenheid die hier het meest tot de verbeelding spreekt. Dit kun je overigens ook ervaren als je samen met duizenden anderen – ieder in de eigen taal – het Onze Vader bidt op het Sint Pietersplein in Rome.
Een derde fenomeen zijn de nieuwe bewegingen. Zij zijn in de tweede helft van de vorige eeuw ontstaan en tot bloei gekomen. Het zijn vaak lekenbewegingen rond een specifieke spiritualiteit. Dit laatste maakt ook dat zij zeer divers van karakter zijn. De nieuwe bewegingen combineren het globale en lokale. Lokaal zijn het vaak kleine groepen gelovigen, vergelijkbaar met de eerder genoemde small Christian communities. Daarnaast zijn het ook wereldwijde organisaties. Al deze kleine gemeenschappen onderhouden nationaal en internationaal nauw contact met elkaar. Zowel deze bewegingen als de kerkelijke autoriteiten streven er over het algemeen naar dat de bewegingen door de kerk worden erkend.
Zeggen deze drie ontwikkelingen ons iets over de toekomst van de kerk? Het lijkt mij wel. Wat hier opvalt, is dat er geen sprake is van een richtingenstrijd. Over het algemeen respecteren en waarderen de verschillende groepen en bewegingen elkaar. De postmoderne mens is het pure rationalisme voorbij. Hij weet dat kennen en weten niet alleen een kwestie van het verstand is: voor het kennen en weten van de waarheid heb je ook je hart te nodig. Geloven doe je met hart en hoofd. Dat maakt ook dat je elkaar nodig hebt. In verbondenheid met anderen leer je met je hart te zien en met je hart te spreken. Het individualisme is geen weg naar geluk, geen weg naar liefde. Liefde en geluk vinden we in de gemeenschap, in de verbondenheid met elkaar. Leven in gemeenschap vraagt tegelijkertijd te durven denken in termen van eenheid en in termen van verscheidenheid. De meesten van ons weten dit uit ervaring. Iedereen die getrouwd is, weet dat de eenheid van man en vrouw slechts kan bestaan omdat beide partners wezenlijk van elkaar verschillen.
We weten dat God een is, een en ongedeeld. Zo is ook de waarheid waarin wij christenen geloven een en ongedeeld. Maar niemand is als individu in staat die volle waarheid te kennen. Het is zoals de apostel Paulus schrijft: “Nu kijken we nog in een wazige spiegel…” (1 Kor 13,12). Levend vanuit de liefde en in verbondenheid met elkaar, levend in gemeenschap krijgen we een beter zicht op de waarheid. Eenheid, gemeenschap en verbondenheid betreffen niet alleen het lokale en nabije. De begrippen betreffen ook de gehele mensheid, alle kinderen van God. Wat wij lokaal kunnen ervaren aan eenheid en verbondenheid staat in directe relatie met de wereldwijde eenheid en verbondenheid. De weg naar de waarheid gaat niet alleen langs onze cultuur, zij ligt in handen van alle volkeren en alle culturen samen. Alleen in concrete verbondenheid met elkaar is er een weg naar het heil.
Uitgesproken op 22 okotober in de Dorpskerk te Bleiswijk tijdens de afsluitende bijeenkomst in het kader van ‘1000 jaar kerk in Bleiswijk’. De voorgangers van de vier deelnemende kerken spraken onder leiding van burgemeester Van Vliet over de toekomst van het christendom.
Wat is bidden? Een veel gegeven antwoord is: “Praten met God”. Een breder antwoord is: “Zijn voor Gods aangezicht”. God is er altijd, Hij is altijd bij mij. Ben ik ook bij Hem? Ben ik mij bewust van zijn aanwezigheid? Bidden is je bewust zijn van Gods aanwezigheid.
Wat doe je in aanwezigheid van iemand van wie je houdt, in aanwezigheid van je geliefde, je ouders, je kinderen, je vrienden? Je praat met elkaar, je doet dingen samen, je bent zwijgend bij elkaar. Ieder geeft op zijn eigen manier inhoud aan de verbondenheid met elkaar. Wezenlijk is dat je jezelf bloot geeft, aan de ander durft te laten zien wie echt bent en wat je bezig houdt. Dat geldt ook voor bidden. God wil een relatie met ons. Hij zoekt ons. Hij houdt van ons. Wij willen zijn liefde beantwoorden. Daarom bidden wij.
Het gebed kan heel verschillende inhouden hebben. Het is afhankelijk van jouw situatie: vragen, klagen, bedanken, God prijzen, schuld belijden, geloof belijden. Het volk van Israël moppert in de woestijn en God geeft hun te eten. Vorige keer ging het over de Bijbel. Daarin spreekt God tot ons. In het gebed antwoorden wij God. Bidden kan op vele verschillende manieren: met of zonder woorden, eigen woorden of een bestaand gebed, in stilte of hardop, sprekend of zingend, samen of alleen, binnen of buiten, tijdens andere bezigheden, lopend, dansend. In de stilte van ons hart spreekt God tot ons. Attributen zoals een kruisbeeld of een afbeelding kunnen ons bij het gebed helpen ons te concentreren. Ook de omgeving of muziek kan bijdragen aan het gebed. Houding, gebaren en rituelen kunnen vorm geven aan het gebed. Denk aan het Kruisteken. Sint Augustinus zegt: “Zingen is dubbel bidden.” Mijn moeder zei altijd: “Werken is ook bidden.” Ook met onze daden geven wij een antwoord op Gods liefde voor ons.
Tot wie bidden wij? Wij bidden tot God, tot Hem alleen. Als eerste bidden wij tot God de Vader, we kunnen ook bidden tot Jezus, Gods Zoon en tot de heilige Geest. Jezus is mens geworden zoals wij. Hij kent ons door en door. Vaak bidden wij op zijn voorspraak. Hij is onze middelaar bij God. Wij bidden door Christus, onze Heer. Het initiatief ligt altijd bij God. Wij bidden niet uit onszelf. Het is God die ons laat bidden. Het gebed is de werking van de heilige Geest in ons. Het is de heilige Geest die in ons bidt, Hij laat ons bidden. Het getijdengebed begint ’s ochtends met: “Heer open mijn lippen.” Wij aanbidden alleen God. Katholieken bidden ook het Wees gegroet. Wij kunnen Maria en de heiligen vragen voor ons en met ons te bidden.
Mag je alles aan God vragen? Ja, je mag alles vragen. God zal je geven wat goed voor je is. “Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan.” (Mt 7,7) “Of is er wel iemand onder u, die zijn zoon een steen zal geven als hij om brood vraagt? Of een slang wanneer hij vraagt om een vis?” (Mt 7,9-10) Jezus noemt God zijn vader. Hij zegt ons dat wij dat ook mogen doen. Zie het citaat hierboven en zie het Onze Vader. De basis voor het gebed is de liefde: de liefde van God voor ons en onze liefde voor Hem. Dit verwoorden wij door God Vader te noemen.
Zoals in elke relatie is het nodig dat we met elkaar in het reine zijn. Wanneer wij elkaar tekort doen, als wij elkaar iets verwijten, is er spanning in onze relatie en is er geen ruimte voor de liefde. Dit geldt ook voor onze relatie met God. Hoe weten wij dat wij God liefhebben? “Vrienden laten wij elkander liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is een kind van God, en kent God.” (1 Joh 4,7) Als wij elkaar liefhebben, hebben wij God lief. Dan zijn wij in staat te bidden, dan durven wij God onder ogen te komen.
We vinden dit ook terug in het Onze Vader. “En vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.” Elkaar vergeven is het meest liefdevolle wat je kunt doen. Je kunt iemand alleen maar vergeven als een daad van liefde. Je kunt niet iemand vergeven omdat het moet, omdat het verplicht is of omdat het je goed uitkomt: dat lukt absoluut niet. Elkaar vergeven betekent elkaar liefhebben en dus God liefhebben. Alleen in die situatie zijn wij in staat te bidden en zal God ons vergeven. Heel veel wordt ons gegeven alleen uit liefde van God voor ons. Bij de vraag om het dagelijks brood staat niet: “zoals ook wij aan anderen hun brood geven.” Deze wederkerigheid wordt alleen bij de vergeving genoemd. Vergeving kan niet zonder wederzijdse liefde. Dat geldt voor vergeving schenken, maar voor vergeving vragen. Je kunt geen vergeving vragen zonder liefde voor de ander. Ook vergeving vragen is een daad van liefde. Alles wat de wederzijdse liefde in de weg staat, de wederzijdse liefde verhindert, maakt het gebed onmogelijk. Op dat moment willen wij helemaal niet voor Gods aangezicht verschijnen. Op dat moment kunnen we hooguit doen alsof, alleen maar toneel spelen.
In de eerste lezing en in het Evangelie gaat het over genezing maar meer nog over de reactie van hen die genezen zijn: hun dankbaarheid. De Syriër Naäman bekeert zich tot de God van Israël. Voor hem zijn goden verbonden met het land waar zij vereerd worden. Daarom wil hij een vracht aarde mee naar huis. Op deze aarde kan hij de God van Israël aanbidden.
In het Evangelie is het slechts één van de tien genezen melaatsen die terugkeert om Jezus te danken voor zijn genezing. Deze ene is een Samaritaan, de andere negen zijn waarschijnlijk joden. Zij vervullen eerst de wet van Mozes en gaan naar priesters om van hen de verklaring te ontvangen dat zij werkelijk genezen zijn. Er blijft veel onduidelijk in dit verhaal. De tien mannen zijn blijkbaar samen op weg gegaan naar Jeruzalem om zich aan de priesters te laten zien. Onderweg zijn zij genezen van hun melaatsheid. Wanneer is de Samaritaan teruggekeerd naar Jezus? Was voor hem de genezing belangrijker dan de verklaring van de priesters? Of heeft ook hij eerst de priesters bezocht? En de anderen? Zijn die gewoon overgegaan tot de orde van de dag? Wat het verhaal wel vertelt, is dat de Samaritaan God verheerlijkt vanwege zijn genezing. Hij erkent dat de genezing een geschenk van God is. Deze dankbaarheid is voor Jezus het bewijs van zijn geloof: “Uw geloof heeft u gered.” Het geloof leidt niet alleen tot genezing, het brengt ook redding.
Alleen als je gelooft, kun je het leven zien als een gave, als genade. Alle liefde en geluk en ook alle materiële welvaart aanvaard je als een geschenk. Daarom vieren wij oogstdankdag: wij ervaren de vruchten van de aarde en de vruchten van onze arbeid als een geschenk van God. Ongetwijfeld heeft het ons zelf ook inspanning gekost, maar zonder zijn instemming komt het niet tot stand. In Psalm 127 wordt dat als volgt verwoord: “Als de Heer het huis niet bouwt, werken de bouwers vergeefs. Als de Heer de stad niet beschermt, waakt de wachter vergeefs.”
Hoe anders is dat voor de ongelovige. Hij moet alles op eigen kracht doen. Volgens hem wordt ons niets gegeven. Als het tegen zit of als hij ongelukkig is, kan hij alleen zichzelf daarvan de schuld geven. Degene die gelukkig en succesvol is, heeft dat geheel aan zichzelf te danken. Hij zal zichzelf op de borst slaan omdat hij zo geweldig is. Hij zal pronken met zijn succes: heel de wereld mag weten hoe goed hij is. Dat is het beeld van onze seculiere samenleving, van de cultuur van vandaag. Je ziet het overal om je heen: de mensen met succes worden bejubeld en de mensen zonder succes worden – onder het motto ‘eigen schuld, dikke bult’ – aan de kant gezet. Onafhankelijkheid en zelfredzaamheid zijn de sleutelwoorden in het hedendaagse denken. Het leven en het geluk zijn maakbaar door onszelf.
Alleen de gelovige kan omgaan met de onbeheersbaarheid en kwetsbaarheid van het leven. Ons leven is niet alleen afhankelijk van onze eigen inspanningen. Natuurlijk moeten wij onze bijdrage leveren, maar op de eerste plaats leven we uit de genade. Op de eerste plaats is alles een geschenk. Om dat te kunnen zien, moet je er open voor staan, moet je geloven. Dan ben je ook in staat met de genade mee te werken. Geloven betekent niet dat je vervalt in fatalisme, dat je achterover leunt, omdat je er niets aan kunt doen. Geloven betekent niet, dat je denkt: laat maar waaien. Het geloof maakt je ook verantwoordelijk: niet als eindverantwoordelijke, maar als medewerker.
Het thema van deze oogstdankdag is: “Wat houdt ons gaande, wat houdt ons staande.” Op dit moment denkt u mogelijk dat is mijn geloof in God, morgen zoekt u het mogelijk weer meer in aardse zekerheden. Het moge duidelijk zijn: het gaat om de combinatie van beide. Gods genade vormt de basis. Met onze eigen inspanningen zijn wij zijn medewerkers.
Als wij in dit jaar van het geloof bidden om meer geloof, moeten wij vooral vragen dat ons geloof een grotere plaats in ons leven mag krijgen, dat wij veel meer en met grotere intensiteit leven vanuit ons geloof, dat wij ons geloof de centrale plaats in ons leven geven.
Als gelovige mensen kunnen wij oprecht dankbaar zijn voor alles wat wij ontvangen: voor het geluk dat ons ten deel valt, voor gezondheid en voorspoed en voor de resultaten die wij boeken. Deze dankbaarheid maakt ook dat wij werkelijk van ons leven genieten.
Maar ook bij tegenslag en in tijden dat het minder goed met ons gaat, hoeven wij niet bij de pakken neer te zitten en verlamd te raken. Ons geloof geeft ons ook hoop, hoop op betere tijden. In het lijden en de tegenslag mogen wij ons verbonden weten met Christus: Hij die ons menselijk bestaan heeft aangenomen en voor ons geleden heeft. Paulus ervaart het in zijn gevangenschap in Rome. Vanuit die situatie schrijft hij zijn brief aan Timoteüs. Zoals Paulus zich innig verbonden voelt met Christus, zo mogen wij dat ook doen: “Als wij met Hem gestorven zijn zullen wij met Hem leven. Als wij volharden, zullen wij met Hem heersen.” Zelfs als wij – zwakke mensen – het niet altijd kunnen opbrengen Hem trouw te blijven, zelfs dan blijft Hij ons trouw: “Zichzelf verloochenen kan Hij niet.” Amen.
We vieren het jaar van het geloof. Een jaar waarin ook wij bidden om meer geloof. De apostelen geloven in Jezus, maar zij willen meer. Vanuit hun geloof in Jezus vragen zij Hem: “Geef ons meer geloof.” Het antwoord dat Jezus zijn leerlingen geeft, vraagt enig nadenken. Wat wil Jezus hiermee tegen apostelen, en ook tegen ons zeggen?
Het eerste deel van het antwoord gaat in op de aard van de vraag. Wat bedoelen de apostelen met ‘meer geloof’. Zij vragen Jezus om geloof dat bergen kan verzetten. Zij vragen om geloof waarmee zij grote daden en wonderen kunnen verrichten. Zo’n geloof dat zou de mensen overtuigen. Met een dergelijk geloof zouden zij de aanvallen op Jezus kunnen pareren. Dan zouden ze met hun daden een weerwoord hebben op de aantijgingen richting Jezus en zijn volgelingen. Wie van ons droomt niet zo nu en dan van een dergelijk geloof. Juist in deze tijd waarin het geloof niet als een rijkdom maar als een teken van armoede en achterstand wordt gezien, zouden wij graag over een geloof beschikken dat bergen kan verzetten. Dan zouden we ze eens een poepje laten ruiken.
Het antwoord van Jezus is, dat het niet gaat om de grootte van het geloof. Een geloof zo groot als een mosterdzaadje is groot genoeg. Een mosterdzaadje is nog geen millimeter in doorsnee. Het is echt helemaal niks. Zo’n klein geloof is in staat bergen te verzetten. Hier gebruikt Jezus niet het beeld van een berg, maar van de moerbeiboom: een boom met een enorm uitgebreid wortelstelsel. In feite zegt Jezus tegen de apostelen en ook tegen ons: Jullie hebben genoeg geloof maar onvoldoende zelfvertrouwen. Niemand van jullie durft te geloven dat de moerbeiboom daadwerkelijk zal doen wat je zegt. Het gaat niet om de omvang van het geloof maar om de intensiteit. Welke plaats durven wij het geloof in ons leven te geven.
Het tweede deel van het antwoord van Jezus gaat over de noodzaak van het verzetten van bergen met je geloof, over de noodzaak van het doen van wonderen. Vorige week ging het Evangelie over de arme Lazarus en de rijke man. Die lezing eindigde met: “Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden als er iemand uit de doden opstaat.” De rijke man vraagt om grote daden en wonderen om zijn nog levende broers ervan te overtuigen dat ze een beter leven moeten leiden. Hij krijgt als antwoord dat dat niet zal werken. De mensen moeten zichzelf openstellen voor het woord en de liefde van God.
Nu geeft Jezus een soortgelijk antwoord. Je moet gewoon de dingen doen die van je gevraagd worden. Daarvoor word je op een fatsoenlijke manier beloond. Dit geldt voor de knecht in dienst van zijn heer. Dit geldt ook voor ons in relatie met God. Juist in de gewone dingen, juist in ons dagelijks leven moet ons geloof zichtbaar worden. Jezus zelf geeft ons het voorbeeld. Hij laat ons zien hoe wij goed kunnen leven. Hij laat ons zien hoe Hij van zijn Vader houdt en zijn Vader van Hem. Hij laat ons zien hoe Hij die liefde deelt met alle mensen. Het is de liefde voor God en voor de mensen waarin ons geloof zichtbaar wordt.
God roept ons niet met macht en majesteit, niet met wonderen. Hij roept ons in de stilte van ons hart, in de liefde tussen mensen. Zo moet dat ook zijn met ons geloof. Het vraagt niet om het doen van wonderen en grote daden. Ons geloof moet zichtbaar worden in onze liefde en dienstbaarheid voor de medemens. Daarin kunnen wij groot zijn. Juist in het kleine moeten wij onze grootheid zoeken. Wij zijn maar gewone knechten, maar miezerige mannetjes en vrouwtjes. Vele heiligen, zoals bijvoorbeeld Franciscus van Assisi zijn deze weg gegaan.
Als wij bidden om meer geloof, moeten wij vooral vragen dat ons geloof een grotere plaats in ons leven mag krijgen, dat wij veel meer en met grotere intensiteit leven vanuit ons geloof, dat wij werkelijk de liefde voor God en voor onze medemens de centrale plaats in ons leven geven. Het gaat niet om onze eigen grootheid, maar om de grootheid van God en de naaste. Hen moeten wij dienen en liefhebben. Toen Jezus op de avond voor zijn lijden en sterven tot zijn Vader bad, zei Hij: “Niet mijn wil, maar uw wil geschiede.” Hij werd het meest miezerige mannetje van ons allen en stierf aan het kruis. En juist hierin werd de grootheid van zijn liefde voor ons zichtbaar. Amen.
Onze menselijke samenleving kan niet zonder structuur en organisatie. Samenleven in gemeenschap vraagt om verdeling van taken. Van ons wordt gevraagd onze talenten in te zetten voor het algemeen welzijn. Ieder van ons dient zo goed mogelijk de rol te vervullen waarmee hij belast is. Een van mogelijke de verantwoordelijkheden is het geven van leiding.
Bijbels leiderschap
In het Oude Testament moet de koning van Israël Gods heerschappij en heilsplan voor de wereld zichtbaar maken. De koning moet zich opstellen als de verdediger van de armen en aan het volk rechtvaardigheid garanderen.
Als leerlingen met elkaar twisten over de vraag wie onder hen de grootste is, leert Jezus hen dat zij de laatste van allen en de dienaar van allen moeten worden (Mc 9,33-35). Na de voetwassing zegt Hij: “Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen.” (Joh 13,14) Van zichzelf zegt Hij, dat “de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen” (Mt 20,28).
Dienend leiderschap
Christelijk leiderschap is dienend leiderschap. Het is een rol die je gegeven wordt; het is geen persoonlijk eigendom. De leider is er niet voor zichzelf maar voor de ander; bij de ander ligt zijn verantwoordelijkheid. Het uitoefenen van macht is een instrument dat alleen dan aan de orde is als alle andere mogelijkheden niet werken. Leiding geven is primair een kwestie van gezag hebben; dat wil zeggen: gezag dat je gegeven wordt. Door te overtuigen en te motiveren zal de leider de gestelde doelen zien te realiseren. Het gaat niet om overheersing, maar om dienstbaarheid: macht behoort alleen God toe.
Menselijke waardigheid en subsidiariteit zijn twee pijlers van de sociale leer van de Kerk. Beide zijn ook hier van belang. Dienend leiderschap heeft respect voor iedere mens, voor zijn waardigheid als kind van God. Een mens is nooit een middel, maar altijd een doel. Het principe van de subsidiariteit leert ons dat we dat wat iemand zelf kan regelen, niet aan hem voorschrijven. Delegatie houdt in dat een taak en een verantwoordelijkheid wordt gegeven. De wijze van uitvoering ervan is aan de uitvoerder. Deze heeft zich daarbij te houden aan mogelijke randvoorwaarden en geldende normen.
Christelijk leiderschap vraagt om voortdurende zelfreflectie op de eigen motivatie en op de persoonlijke effectiviteit. De Bijbel geeft hiervoor de gouden regel: “Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet.” (Tob 4,15) Jezus formuleert deze positief: “Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen.” (Mt 7,12)
De herder gaat op zoek naar het verloren schaap; de vrouw veegt haar huis aan om een verloren zilverstuk te vinden. Zij doen alle moeite om het verlorene terug te vinden. De vondst van het verloren schaap en van het verloren zilverstuk leidt tot grote vreugde. Zo is ook de vreugde in de hemel groot als één zondaar zich bekeert. Het is duidelijk wat Jezus ons te vertellen heeft: Zijn zorg en aandacht gaan niet als eerste naar de rechtvaardigen, maar juist naar de mensen die er moeite mee hebben op het rechte pad te blijven, mensen die zich soms van God hebben afgekeerd. Hen probeert Hij te laten terugkeren naar een liefdevolle relatie met God, naar gemeenschap met God.
Na deze gelijkenissen van het verloren schaap en het verloren zilverstuk volgt de gelijkenis van de verloren zoon. De gelijkenis van de verloren zoon maakt nog duidelijker dat Jezus het heeft over mensen die afgedwaald zijn. Hoe ga je daarmee om? Moet je zorg en aandacht voor hen hebben, zoals Jezus doet of moet je ze vermijden zoals de Farizeeën en de schriftgeleerden willen. De boodschap van Jezus is volstrekt helder: je moet ze opzoeken en hun terugkeer met vreugde begroeten.
Hoe doen we dat hier in Bleiswijk? Hoe doen we dat als parochie? Is het verhaal van Jezus ook van toepassing op onze situatie hier en nu? De eerste gedachte is dat de boodschap van Jezus tijdloos is en dus ook zonder meer op ons van toepassing is. Maar bij nader inzien ligt de zaak toch ingewikkelder. Het verschil met toen is onze huidige manier van denken over gemeenschap.
In de tijd van Jezus, maar ook tot ver in de vorige eeuw was het de gemeenschap waar het omdraaide. De gemeenschap stond centraal en het individu was daaraan ondergeschikt. En ook vandaag de dag geldt dit voor het grootste deel van de wereldbevolking. Hier in West Europa zijn de rollen omgedraaid: het individu staat centraal en de gemeenschap is daaraan ondergeschikt. Dat betekent in ons denken dat niet het individu van de gemeenschap afdwaalt, maar dat gemeenschap het niet juist ziet: het is de gemeenschap die dwaalt. Niet ik moet mij aanpassen aan het geheel. Nee, zij moeten zich aan mij aanpassen. De gemeenschap is niet een ‘wij’ waarvan ik deel uit maak. Nee, de gemeenschap is een ‘zij’ en ik kan daar een relatie mee hebben.
Onze huidige cultuur is sterk individualistisch, misschien te individualistisch. In ieder geval zien we hier en daar de negatieve gevolgen ervan. Is de economische crisis niet mede het gevolg van teveel aandacht voor het eigenbelang boven het belang van de gemeenschap? De aandacht voor het eigenbelang leidt tot verminderde aandacht voor anderen. Het populisme is aan de winnende hand in de politiek. De samenleving raakt verbrokkeld en vele gezinnen vallen uit elkaar. Maar de individualisering heeft ook positieve gevolgen. Denk aan de emancipatie van vrouwen en van minderheden. Denk aan het verdwijnen van rangen en standen en aan de toegenomen ruimte voor zelfontplooiing. De individualisering is niet alleen negatief. Zij is ook positief. Weinigen willen echt terug naar de tijd van vroeger.
Het probleem is wel dat we nog steeds niet goed weten hoe we opnieuw inhoud geven aan de gemeenschap. Want ook de gemeenschap heeft positieve en negatieve kanten. Hoe combineren we de positieve kanten van gemeenschap en individualisme? Hoe gaan we om met het spanningsveld tussen gemeenschap en individualiteit? Hoe maken we individu en gemeenschap vruchtbaar voor elkaar? Het is geen eenvoudige vraag en het antwoord ligt nog grotendeels in de toekomst verscholen. Zeker is dat zowel het individu als de gemeenschap onze aandacht vragen, dat individu en gemeenschap beide waardevol zijn. Mensen kunnen niet zonder elkaar. Je kunt niet in je eentje gelukkig worden. We hebben elkaar nodig om elkaar gelukkig te maken. En dat gaat niet zonder gemeenschap, maar ook niet zonder individuen.
Het Evangelie laat dit ook zien. Jezus heeft juist veel aandacht voor het individu. Ook in de lezing van vandaag gaat het juist om het redden van de eenling, van de degene die verloren is geraakt. De gemeenschap moet juist aandacht hebben voor het geluk van het individu. Jezus leert ons niet dat wij moeten opkomen voor onszelf als individu. Hij leert ons dat wij moeten opkomen voor de ander als individu. Jezus leert ons niet het eigenbelang te dienen. Hij leert ons de naastenliefde. Anders dan nu hoefde Jezus geen aandacht voor de gemeenschap te vragen. Die aandacht was er genoeg. Zie maar de houding van de Farizeeën en de schriftgeleerden: hoe haalt die man het in zijn hoofd om te gaan en te eten met mensen die de gemeenschap schade toe brengen?
Wat betekent dit alles voor onze wijze van omgaan met elkaar? De gemeenschap vraagt dat wij ons inzetten voor het geheel. Dat hoef ik tegen onze vrijwilligers niet te zeggen. Zij zijn van die noodzaak overtuigd en handelen daarnaar. Het vraagt van ons als gemeenschap dat we aandacht hebben voor het individu, dat we respect hebben voor het anders zijn van de ander, dat we de ander de ruimte geven en niet onze manier van doen aan hem opdringen. Zo wordt de gemeenschap pluriformer en veelkleuriger. Zo worden ook de grenzen van de gemeenschap minder scherp en staat zij meer open voor anderen om er ook deel aan te nemen. Het vraagt van ons als individu dat we luisteren naar de gemeenschap: welke waarden draagt zij uit, waar staat zij voor? We hoeven het daarmee niet perse eens te zijn, maar we kunnen het ook niet zomaar als niet ter zake doende ter zijde leggen. We moeten er werkelijk over nadenken en het serieus nemen. Zo zijn er ongetwijfeld meer zaken te noemen waar we als gemeenschap en als individu rekening mee moeten houden. Het belangrijkste is dat we erkennen dat we elkaar nodig hebben en dat beide van grote waarde zijn voor ons menselijk bestaan.
Terug naar de vraag van het begin: Hoe gaan we als parochie in Bleiswijk om met mensen die afgedwaald zijn? Het respect voor het individu vraagt van ons dat we respect hebben voor keuzes die mensen in hun leven maken. Als iemand werkelijk op het verkeerde pad zit, vraagt de naastenliefde ook dat wij hem daar op wijzen en hem helpen weer op het rechte pad te komen. Belangrijk is dat we nooit een persoon afwijzen, dat we alleen kritiek hebben op zijn daden. Jezus veroordeelt de zonde, niet de zondaar. Ondertussen is er ook de zorg voor de gemeenschap. Een enkeling kan de gemeenschap werkelijk schade toebrengen. De gemeenschap kent ook haar grenzen, ook zij is kwetsbaar. Jezus leert ons echter wel dat we de gemeenschap tijdelijk ondergeschikt mogen maken: de herder laat de negenennegentig schapen alleen om het verloren schaap te zoeken.
De uiteindelijke wijsheid komt van God. Het is de heilige Geest die ons de juiste weg wil wijzen. Vragen wij Hem ons te helpen de weg te vinden die leidt naar een toekomst met ruimte voor individu en voor gemeenschap. En dat Jezus ons voorbeeld mag zijn, dat ook wij gemeenschap en individu met liefde te dienen. Amen.
Auteur: Francesca Ambrogetti & Sergio Rubin
Titel: Paus Franciscus: Leven en denken van Jorge Bergoglio
Uitgever: Adveniat 2013; prijs: € 19,50
ISBN: 978 94 91042 77 5; aantal pagina’s: 216
Jorge Bergoglio werd op 13 maart 2013 paus Franciscus. Wie is deze zoon van Italiaanse migranten die in 1936 in Beunos Aires werd geboren en na drie jaar scheikunde als 21-jarige besloot priester te worden. Ambrogetti en Rubin spraken met hem. Het in 2010 verschenen boek ‘El Jesuita’ is nu opnieuw uitgegeven. De paus vertelt over zijn jeugd, zijn priesterroeping, zijn ervaringen in het onderwijs en het pastoraat en over zijn jaren als aartsbisschop van Buenos Aires.
Over zijn roeping zegt hij: “Kijk, je bent geliefd om wie je bent, je bent uitverkoren. Het enige dat je moet doen, is die liefde tot je toelaten. Dat is het aanbod dat mij werd gedaan.” Over een deel van zijn leven zegt hij: “Ik deed alsof ik Tarzan was.” Wijzer geworden weet hij dat wij geduldig de weg moeten gaan: het is de tijd die doet rijpen. Dat vraagt geduld met de ander en geduld met ons zelf.
Het is een uitstekend boek om kennis te maken met de persoonlijkheid en het denken van de paus.
Wie zijn eigen leven niet haat, kan mijn leerling niet zijn. Dat klinkt in onze oren als een onmogelijkheid. Jezus leert ons toch dat wij een ander moeten liefhebben als onszelf? Staan deze twee uitspraken niet haaks op elkaar, zijn ze niet elkaars tegengestelde? Wat moeten we hiermee? Hoe kunnen wij van een ander houden als we onszelf haten? Om deze tekst te begrijpen zijn er twee zaken om rekening mee te houden. Ten eerste het voorafgaande verhaal, waarvan we vorige week een deel hebben gelezen. En ten tweede de wijze van uitdrukken in de Semitische talen.
Om met het laatste te beginnen: Als ik als Fries zeg, dat het eten niet slecht is, bedoel ik dat zelden zo lekker gegeten heb. De Engelsen noemen dit een understatement. Semitische volken doen het tegenovergestelde, zij overdrijven nogal als ze iets duidelijk willen maken. Stel even we moeten kiezen tussen twee verschillende gerechten die we beide erg lekker vinden: bijvoorbeeld een kalfschnitzel of een runderbiefstukje. Een Fries zegt dan: de schnitzel ziet er niet slecht uit om aan te geven dat hij de schnitzel kiest. De jood uit de tijd van Jezus zegt om de schnitzel te kiezen: ik haat biefstuk. Haten betekent hier niet zo zeer afkeur maar wel een duidelijke keuze voor het andere.
Hoe lezen we dit verhaal met de lezing van vorige week in gedachten. Vorige week ging het over een maaltijd. Jezus zegt tegen de andere gasten dat ze niet op de beste plaatsen moeten gaan zitten. “Want al wie zichzelf verheft zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.” Tegen de gastheer zegt Jezus dat het beter is armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit te nodigen dan vrienden, broers, bloedverwanten en rijke buren. De laatsten zullen jou op hun beurt uitnodigen en dus krijgt het terug. Maar armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden kunnen je niets teruggeven: dat is ware liefde en dat maakt je echt gelukkig.
Vandaag doet Jezus er nog een schepje bovenop en zet Hij de zaak op scherp. Het is niet alleen een kwestie van een mindere plaats kiezen. Nee, om Jezus’ leerling te kunnen zijn moet iemand zijn kruis dragen. Het is niet alleen een kwestie van wie nodig je aan tafel uit. Nee, om Jezus te volgen moet je radicaal voor Hem kiezen en alles wat je eigenbelang is, komt op de tweede plaats. Jezus navolgen en zijn leerling zijn is kiezen voor Hem en met Hem voor God en voor de naaste. Dat is een radicale keuze en het eigenbelang is daaraan ondergeschikt. Vandaag zijn de slotwoorden: “Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.” Over twee weken horen we Jezus zeggen: “Gij kunt niet God dienen en de mammon.” We kiezen of voor onze medemens of voor ons zelf.
Het is onze roeping om radicaal voor de ander te kiezen. Radicaal kiezen is niet hetzelfde als impulsief kiezen. Jezus raadt ons juist aan ons goed voor te bereiden en plannen te maken. We moeten onze keuze goed overwegen en er bewust van zijn wat we doen. Jezus zegt ons: Bezint eer ge begint. Maar als je de keuze gemaakt hebt: Ga er dan voor. Zet alles ervoor opzij, al je eigenbelang, al je zelfgerichtheid: “Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.”
Goed nadenken over wat je te doen staat, ontdekken wat God wil, een keuze voor je leven maken: het is geen eenvoudige zaak. De eerste lezing uit het boek Wijsheid gaat hierop in. “De gedachten der stervelingen zijn immers onzeker, en twijfelachtig onze berekeningen. Het vergankelijke lichaam is een last voor de ziel, en onze aardse gebondenheid belemmert de beweeglijke geest.” Zozeer worden wij in beslag genomen door onze zelfgerichtheid, dat het heel ons denken voortdurend beïnvloed. Altijd is er de overweging: Wat heb ik hieraan? Wat zullen de mensen van mij denken? Wat is mijn voordeel en hoe wordt er over mij geoordeeld? Wij zijn mensen met al onze onvolkomenheden. De werkelijke wijsheid komt niet van onszelf, die komt van God. “Wie zou uw wil kunnen kennen, als Gij hem het inzicht niet geeft, en uw heilige Geest niet van boven zendt?”
Het is de kracht van het gebed: dat wij ons openstellen voor God, voor de stem van de heilige Geest die ons woont, voor het voorbeeld van Jezus Christus, die het ons heeft voorgeleefd. Door en in gebed komen wij tot het inzicht wat onze roeping is. “Zo alleen kunnen de mensen op aarde rechte wegen gaan, leren zij kennen wat U welgevallig is, en worden zij door de wijsheid gered.”
Jezus navolgen is op het eerste gezicht niet de gemakkelijkste weg. Het is wel de weg die ons ten diepste doet leven. Het is de weg van de liefde. Het is de weg die ons tot volle bloei laat komen. Het is de weg die ons volledig mens laat zijn. Het is de weg die tot werkelijk geluk leidt, werkelijk geluk niet alleen in het hiernamaals maar ook hier in het tijdelijke. Dit is de weg die voor iedereen open ligt. Het is de weg die wij iedereen toewensen. Daarom is het goed te bidden voor onszelf om te ontdekken wat God van ons wil, en wat zijn plan met ons is. En het is goed te bidden voor iedereen, maar vooral ook voor onze geliefden en voor onze kinderen, dat ook zij ontdekken wat God van hen wil. Alleen zo ontstaat er een klimaat waarin roeping voor een christelijk leven mogelijk is. Roeping tot het christelijk huwelijk en het ouderschap, roeping tot het gewijde ambt van priester en diaken en roeping tot het aan God toegewijde kloosterleven: de roeping tot Jezus navolgen en zijn leerling zijn. Amen.
In de vieringen op 21 en 22 september besteden wij aandacht aan de vredesweek. Dit jaar is het thema ‘Act for peace’. In de zaligsprekingen zegt Jezus: “Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.” (Mt 5,9) Wij worden allemaal opgeroepen vredestichters te zijn. Act for peace: wees een vredesactivist.
Ten opzichte van oorlogsgeweld buiten ons eigen land voelen wij ons vaak machteloos, maar toch staan wij niet met lege handen. Wij kunnen bidden voor vrede en voor een betere wereld, we kunnen organisaties als IKV Pax Christi financieel ondersteunen en we kunnen invloed uitoefenen op onze eigen overheid opdat zij bijdraagt aan de vrede in de wereld en aan de bestrijding van het onrecht.
Syrië
Speciale aandacht is er dit jaar voor de burgeroorlog in Syrië. In onze kerken zal er gecollecteerd worden voor het werk van IKV Pax Christi ten behoeve van de slachtoffers van het geweld en ten behoeve van de geweldloze strijd om vrede in Syrië. U kunt ook gebruik maken van giro 30.60.90 t.n.v. IKV Pax Christi.
Bij het schrijven van dit artikel is het nog volstrekt onduidelijk wat er in Syrië gaat gebeuren. Op welke wijze gaat de wereld ingrijpen: met of zonder geweld? Wel zijn er de oproepen van paus Franciscus en ook van de leiders van de kerken in het Midden-Oosten. Zij roepen op tot vrede en wijzen elk gebruik van geweld af. Volgens de paus zijn dialoog en onderhandelingen de enige legitieme middelen om vrede te bereiken. “Oorlog roept oorlog op! Geweld roept geweld op!”
Op 1 september zegt hij tijdens de Angelustoespraak: “Ik roep krachtig op tot vrede. Het is een oproep die uit mijn diepste binnenste komt. Hoeveel leed, hoeveel verwoesting, hoeveel pijn heeft het gebruik van wapens veroorzaakt in dat getormenteerde land, vooral onder burgers en ongewapenden. Ik denk aan de vele kinderen die het licht van de toekomst niet kunnen zien.”
Franciscus veroordeelt het gebruik van chemische wapens ten strengste. De paus roept alle betrokken partijen op tot vreedzame onderhandelingen om de conflicten te beëindigen. De internationale gemeenschap moet volgens hem concrete stappen zetten om de dialoog te bevorderen. “De mensheid wil gebaren van vrede zien en woorden van hoop en vrede horen.” Tenslotte roept hij ons op hulp te geven aan de slachtoffers.
Ambassade van Vrede
Onze roeping vredestichters te zijn geeft MOV-Oostland vorm met de oprichting van een Ambassade van Vrede. Hiermee willen wij aandacht vragen voor vredesvraagstukken veraf, maar vooral ook dichtbij. Twee jaar geleden is door IKV Pax Christi het Ministerie van Vrede opgericht. Na eerst Jan Terlouw is nu Jörgen Raymann Minister van Vrede. Lokaal zijn er de Ambassades van Vrede. Zie voor meer informatie: http://www.ministerievanvrede.nl.
Dit initiatief is gestart in Nootdorp waar nauw samengewerkt wordt met de jongerengroep van de parochies van Nootdorp en Pijnacker. We willen ons vooral op de jongeren richten. Vrede is iets wat deel uit maakt van hun dagelijks leven: denk aan de omgang met onze multiculturele samenleving, aan pesten op school en op het werk en denk aan het geweld op sportvelden. Ook moeten zij weten dat oorlog en vrede overal ter wereld deel uit maakt van hun eigen leven, dat wij allemaal betrokkenen zijn en dat ook ons doen en laten verschil uit maakt. Jörgen Raymann zegt tegen jongeren: “Luister naar de ouderen, want je kunt veel van hen leren.” Tegen ouderen zegt hij: “Deel je ervaring met jongeren.”
Na de start in Nootdorp worden ook de jongeren van de andere parochies bij dit initiatief betrokken. Ook wordt er contact gezocht met jongeren van andere kerken.
De Morgenster, september 2013
We vieren dit jaar het jaar van het geloof en kort geleden verscheen de eerste encycliek van paus Franciscus: Lumen fidei, het licht van het geloof. Vandaag overwegen we aan de hand van deze encycliek wat geloven is en wat het voor ons betekent.
Paus Franciscus begint zijn brief aan alle christenen met woorden van Jezus: “Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, opdat al wie in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft.” (Joh 12,46) Het licht van het geloof verlicht het gehele bestaan van de mens. Het is een krachtig licht, het is een licht dat van God komt. Door zijn menswording, zijn dood en verrijzenis is in Jezus Christus het licht van het geloof tot ons gekomen. Hij is het Licht der wereld.
We hebben de liefde gelovig aanvaard (vgl. 1 Joh 4,16)
De paus noemt Abraham onze vader in het geloof. God heeft zich aan hem geopenbaard. Hij heeft hem geroepen bij zijn naam. God spreekt mensen persoonlijk aan. Daarmee is Hij een persoonlijke God en een God van personen: de God van Abraham, Isaak en Jakob. Het geloof geeft Abraham inzicht in het bestaan en in de bron van het bestaan. Het geloof is voor hem ook een belofte waarin hij vertrouwt. Voor Abraham valt geloven samen met vertrouwen op God. Abraham staat aan de basis van het geloof van Israël. Dit volk verkondigt telkens weer de grote daden van God: hoe God zich liefdevol over hen ontfermde en bevrijdde uit de slavernij. Deze weldaden tonen aan dat Gods beloften in vervulling gaan: Hij is een betrouwbare God. Toch blijft bij hen de bekoring van het ongeloof. Ze willen onmiddellijk resultaat zien en vervallen tot afgoderij. Zo vertrouwen ook wij vaak teveel op onze eigen kracht, op ons banksaldo en op de verzekeringen die afsluiten. Maar telkens weer is er bekering mogelijk. Geloven betekent: zich toevertrouwen aan een barmhartige liefde, die steeds weer aanneemt en vergeeft, die het leven draagt en richting geeft en die haar macht toont doordat ze in staat is om recht te trekken wat in onze geschiedenis verkeerd gegaan is.
De definitieve vervulling van Gods beloften is de menswording van Jezus Christus. In Hem wordt Gods liefde in zijn volheid geopenbaard. In deze liefde geloven wij als het fundament en het doel van ons bestaan. Jezus’ dood en verrijzenis zijn het ultieme bewijs van Gods liefde voor ons. Wij geloven in Christus en wij kunnen ons met Hem verenigen. Een persoonlijke relatie met Christus doet ons geloven, Hem navolgen en ons aan Hem toevertrouwen. Hij is in ons en wij zijn in Hem. Het geloof in Christus brengt ons redding. Onszelf redden kunnen we niet. Door het geloof stellen wij ons open voor de liefde. De liefde opent onze ogen voor de weidsheid van ons bestaan. Zo werkt de heilige Geest in ons, de Geest die liefde is. Door deel uit te maken van Christus zijn wij gelovigen met elkaar verbonden. Samen vormen wij één lichaam, het Lichaam van Christus, zijn Kerk. Wij zijn individuen in verbondenheid met elkaar. Geloven doe je niet alleen. Het is geen privéaangelegenheid. Geloven doe je in gemeenschap, in liefde tot elkaar.
Wanneer u niet gelooft, dan begrijpt u niet (vgl. Js 7,9)
In het volgende hoofdstuk schrijft de paus over de verhouding tussen geloof en rede, geloof en wetenschap: hoe krijgen we zicht op de volle waarheid, waarbinnen ook het materiële en wetenschappelijke zijn plaats heeft. Waarheid is niet alleen verbonden met het verstand en met wetenschap. Het geloof laat ons weten met ons hart. Het geloof is verbonden met de liefde en met haar wijze van weten. Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar. Het geloof en de liefde brengen ons tot de kennis van God en tot kennis van zijn bedoelingen met ons. Geloof en rede versterken elkaar. Het geloof en de liefde zorgen ervoor dat wij wetenschap en techniek gebruiken tot heil van de mensen. Zonder de liefde verliest het leven haar menswaardigheid. Geloof zonder de waarheid van het verstand is een sprookje dat alleen beantwoordt aan onze verlangens naar geluk.
Ik geef u door, wat ik ontvangen heb (vgl. 1 Kor 15,3)
Hoofdstuk 3 gaat over het doorgeven van het geloof. Het geloof is een vorm van horen en zien en op die manier kunnen we het ook van mens tot mens doorgeven: erover vertellen en het laten zien. Het doorgeven van het geloof gebeurt in de relatie tussen mensen, als eerste tussen ouders en hun kinderen. De Kerk leert ons de taal van het geloof. Zij geeft ons de woorden om over het geloof te spreken. De Kerk geeft ons ook de sacramenten waarin wij het geloof ontvangen en ervaren. In de eerste plaats is dat het Doopsel waarmee we het geloof ontvangen. In de Eucharistie ontmoeten wij Christus heel concreet in Brood en Wijn. Hierin geeft Hij zichzelf hier en nu in liefde aan ons. Binnen de Kerk belijden wij gezamenlijk ons geloof. We treden er binnen in het mysterie waarvan het Credo getuigt, en maken zo deel uit van de liefde van de drie-ene God, de liefde tussen Vader, Zoon en heilige Geest. Tenslotte geeft de Kerk ons het gebed, vooral het Onze Vader en leert zij ons te leven overeenkomstig de Tien Geboden.
Wezenlijk aan de Kerk van Christus is haar eenheid: zij is één in tijd en ruimte. De heilige Paulus spreekt in zijn brief aan de Efeziërs over: één lichaam en één geest, één geloof (Ef 4,4-5). Allen hebben wij deel aan dat ene geloof, ieder op zijn eigen wijze, maar de een niet beter dan de ander. Dit ene geloof is ons door de apostelen gegeven en wordt door de Kerk ongeschonden doorgegeven.
God bereidt voor hen een stad (vgl. Heb 11,16)
In het laatste hoofdstuk schrijft de paus hoe het geloof in ons leven en in de maatschappij werkzaam is. Door de liefde staat het geloof ten dienste van de rechtvaardigheid, van het recht en van de vrede. Het geloof brengt onze menselijke relaties tot volle bloei. Het verrijkt daarmee het leven in gemeenschap en draagt bij aan het algemeen welzijn van alle mensen. Het geloof helpt ons de volheid van de liefde tussen man en vrouw te beleven. Het geeft inzicht in het mysterie van het doorgeven van het leven. Binnen het gezin leren kinderen te vertrouwen op de liefde van hun ouders. Hier leren zij uit te groeien tot volwassen gelovigen. Het geloof leert ons dat mensen elkanders broeders en zusters zijn en elke mens een unieke waarde heeft. Het leert ons ook respect te hebben voor de Schepping. Het geloof leert ons dat er vergeving mogelijk is, dat het goede sterker is dan het kwade. Zo zijn wij in staat conflicten op te lossen. Zo verlicht het geloof het leven in de maatschappij.
Het geloof is een troostende kracht in ons leven. In Psalm 116 lezen we: “Ik bleef vertrouwen, al zei ik; ik ben gebroken van smart.” (Ps 116,10) De christen weet, dat het lijden ook hem treft, maar wij mogen ons lijden delen met Christus en in Gods handen leggen. Zo kunnen wij door het lijden groeien in liefde en geloof. In het lijden van de medemens ontmoeten wij Christus zelf. Het geloof helpt ons het lijden van onze medemens te verlichten. Het geloof voedt onze hoop dat wij onze bestemming vinden in God.
Tenslotte stelt de paus ons Maria tot voorbeeld. Maria ontvangt het geloof, zij bewaart het in haar hart en zij laat het tot bloei komen en vrucht dragen. Zij is als Moeder van de Kerk ons tot voorbeeld en tot voorspraak. Amen.