“Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden. Dan zal de Vader u (…) een andere Helper geven (…): de Geest van waarheid.” Jezus koppelt hier een aantal zaken aan elkaar: liefhebben, geboden onderhouden en waarheid. Drie begrippen die wij niet gewend zijn zo met elkaar te verbinden.
Geboden onderhouden doen wij omdat het moet. Meestal zien we er ook de redelijkheid wel van in. Soms doen we het alleen om een mogelijke straf te ontlopen. Maar geboden onderhouden uit liefde is niet onze eerste gedachte. En dan de waarheid. Waarheid zien we primair als iets objectief. Waarheid is wat wetenschappelijk wordt vastgesteld op basis van objectieve waarnemingen, berekeningen en logische redeneringen. Daar speelt de liefde geen rol in. De combinatie van waarheid en geboden onderhouden past ook niet in onze gedachtegang.
Jezus denkt blijkbaar op een andere wijze dan wij gebruikelijk doen. Overigens is Hij zich daarvan bewust. Hij waarschuwt ons ervoor dat de wereld niet ontvankelijk is voor de Geest van waarheid, omdat zij Hem niet ziet en niet kent.
Laten we nog eens verder nadenken over het begrip waarheid. Gaat het in ons leven alleen om de wetenschappelijke benadering of hebben we ook nog andere manieren van spreken over waarheid. Naast hetgeen dat wij als waarheid kunnen aantonen en kunnen bewijzen, is er ook dat wat wij als waarheid ervaren. Wij ervaren waarheid wanneer iets zich op eenduidige wijze en bestendig aan ons voordoet. Maar ook een moment van geluk, een moment waarop alles op zijn plaats valt, ervaren wij als een moment van waarheid. We hebben het over de ware als we diegene gevonden hebben, waarmee wij ons leven willen verbinden. Waarheid is een veel ruimer begrip dan alleen wetenschappelijke waarheid. Daarnaast is er ook de waarheid van het geloof. De waarheid van het geloof gaat juist over een deel van ons bestaan waarover de wetenschap zwijgt. Geloofswaarheden vallen buiten het gebied van waarnemen, uitrekenen en bewijzen. Dit geldt ook voor wat de liefde ons aan waarheid leert. En ook de waarheid van de kunst is geen wetenschappelijke waarheid.
Dit zijn geen objectieve waarheden die buiten ons staan. Het zijn waarheden die we zelf ervaren, waarheden die gebeuren in relaties tussen mensen en in relaties tussen God en mensen. Zo zijn liefde en waarheid met elkaar verbonden. Zo is de liefde een bron van waarheid. Ook het onderhouden van de geboden die Jezus ons geeft, heeft alles met liefde te maken. Het belangrijkste wat Hij ons leert is het gebod van de liefde: “Gij zult de Heer, uw God, beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” Alle andere geboden zijn hiervan afgeleid. Wie Jezus liefheeft, kan dus niet anders dan zijn geboden onderhouden. Dat is geen plicht of opdracht; het is een resultaat van de liefde.
Zo zijn liefde, waarheid en geboden onderhouden met elkaar verbonden. Maar daarmee zijn het nog geen vanzelfsprekendheden. Zoals Jezus zegt, heeft de wereld er moeite mee het te zien. Daarom stuurt Hij ons zijn Helper, de heilige Geest. De heilige Geest helpt ons lief te hebben. Hij helpt ons de waarheid op het spoor te komen. De heilige Geest helpt ons een leven vanuit de liefde te leven en daarmee Gods geboden te onderhouden.
Met Pinksteren vieren wij de komst van de heilige Geest. Op deze dag zullen er in Berkel 36 kinderen uit de parochies van Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk het sacrament van het Vormsel ontvangen. Zij worden gezalfd met Chrisma en ontvangen het zegel van de heilige Geest. Met het Vormsel ontvangen zij een extra genade en de gaven van de heilige Geest: wijsheid, verstand, inzicht, sterkte, kennis, liefde en ontzag voor God. Het zijn deze gaven die ons brengen tot een waarachtig en authentiek leven in navolging van Christus, tot een leven in liefde en waarheid. Bidden wij vandaag en de komende weken voor onze kinderen die het Vormsel gaan ontvangen; dat zij mogen uitgroeien tot ware christenen. Amen.
De structuren van allerlei organisaties zijn voortdurend in beweging. Telkens wordt er gezocht naar een vorm die past bij de veranderde omstandigheden. We zien het direct bij huis in de fusie van parochies. Velen van ons hebben er in de werksituatie mee te maken. En we zien het bij de overheid: gemeentelijke herindeling, superprovincies, delegatie van de zorg naar de gemeenten en overdracht van bevoegdheden aan Europa. Wat is de juiste wijze van organiseren? Vanaf het begin maakt het principe van de subsidiariteit deel uit van de sociale leer van de Kerk.
Wat is subsidiariteit
Het is niet goed als de overheid zich bemoeit met de persoonlijke levensomstandigheden van individuen. Zo is het ook verkeerd hetgeen in de maatschappij op het lager organisatorisch niveau geregeld kan worden, naar een hogere overheid over te hevelen. Het subsidiariteitsbeginsel houdt tevens in dat het hogere bestuursniveau het lagere in staat stelt deze zaken te behartigen, zo nodig ondersteunt en hiervoor de ruimte schept. Binnen het bedrijfsleven leerde ik: “Doe centraal wat centraal moet en decentraal wat decentraal kan.”
Maatschappelijk middenveld
De mens kan niet los gezien worden van zijn sociale omgeving, familie, buurt en organisaties waarvan hij deel uit maakt en waarbinnen hij allerlei activiteiten ontplooit. Dit is het terrein van het maatschappelijk middenveld of de civil society. Het is het geheel van relaties tussen individuen en sociale groeperingen, dat relatief onafhankelijk is van de overheid en van de markt, en dat sociaal pluralisme mogelijk maakt. De overheid staat ten dienste van de burgers en van de civil society.
Menselijke waardigheid
Subsidiariteit beschermt mensen tegen misbruik door instanties van hogere rangorde en spoort deze instanties aan individuen en organisaties te helpen hun functies te vervullen. Elke persoon, elk gezin en elke organisatie kan en mag iets oorspronkelijks aan de maatschappij aanbieden. Bepaalde vormen van centralisatie, bureaucratie, bijstand en buitensporige aanwezigheid van de staat zijn strijdig met het subsidiariteitsbeginsel. Zij tasten de menselijke waardigheid aan door de individuele mens niet serieus te nemen en van de eigen verantwoordelijkheid en het eigen initiatief te beroven.
Concrete situaties
Het zal duidelijk zijn dat het principe van subsidiariteit in vele situaties een rol speelt, zoals in de discussies over de macht van Brussel binnen de Europese Unie. Ook bij het denken over de participatiesamenleving is subsidiariteit een belangrijk aspect. Paus Franciscus schrijft in Evangelii Gaudium: “Het is niet raadzaam, dat de paus op de stoel van de plaatselijke bisschoppen gaat zitten door elke lokale kwestie te beoordelen. Zo ben ik mij bewust van de noodzaak om een heilzame ‘decentralisatie’ te bevorderen.”
Op 22 mei zijn er weer verkiezingen voor het Europese parlement. Vanaf het begin is Nederland een voorvechter geweest voor de Europese samenwerking. Echter de laatste jaren is deze Nederlandse houding veranderd. Tegenwoordig telt blijkbaar alleen nog maar wat het ons oplevert. En dat resultaat moet dan vooral economisch en financieel zijn. Zo is het destijds niet begonnen.
Europese samenwerking
Toen na de Tweede Wereldoorlog de Franse Jean Monnet en Robert Schuman samen met de Duitse Konrad Audenauer met hun plan voor Europese samenwerking kwamen, ging het hen primair om vrede in Europa. Er werd begonnen met economische samenwerking die vervolgens moest leiden tot sociale, culturele en politieke integratie. En zo is het ook gegaan.
COMECE en Pax Christi
Onze vorige bisschop mgr. Van Luyn was van 2006 tot 2012 voorzitter van de COMECE (Commissie van Bisschoppen van de Europese Gemeenschap). Hierdoor was hij sterk betrokken op de Europese samenwerking. De COMECE levert op basis van de sociale leer van de Kerk een bijdrage aan het denken over de uitdagingen waarmee de Europese Unie wordt geconfronteerd. Toen vorig jaar na ruim achttien jaar een einde kwam aan zijn rol als voorzitter van de Nederlandse sectie van de katholieke vredesbeweging Pax Christi, was de voorzitter van de Europese Unie Van Rompuy uitgenodigd om hem toe te spreken. Zo kwam de combinatie van Europa en vrede uitdrukkelijk aan de orde.
Vrede voor Europa
Van Rompuy sprak over het ‘vredesproject Europa’. Voor hem was het duidelijk dat de doelstelling van het eerste begin – vrede voor Europa – nog steeds actueel is. Hij noemde het onze opdracht om de vrede door te geven aan de komende generaties. De basis voor de vrede is de verzoening. Vrede is het werk van de rechtvaardigheid. Democratie bevordert de vrede doordat ze de oorlog belemmert. Rechtvaardigheid en verdraagzaamheid staan tegenover egoïsme en populisme. “Angst en vrees kunnen uiting zijn van egoïsme; wanneer men vrees heeft voor de ander, zijn op den duur alle anderen een bedreiging. Politiek kan die vrees kunstmatig aanwakkeren.” De dialoog is het beste wapen tegen extremisme. Economische samenwerking binnen Europa staat volgens Van Rompuy nog steeds in dienst van de vrede in Europa.
Ook mgr. Van Luyn sprak over het vredesproject Europa: “De Europese Unie heeft nog steeds een historische opdracht actief bij te dragen aan vrede en gerechtigheid binnen en buiten haar grenzen. Werken aan een klimaat van vrede vraagt om gerichtheid op het algemeen belang en waar nodig het opgeven van eigen belangen, zelfs het uit handen geven van directe eigen competenties, om de mensenrechten beter en algemener te bevorderen en te borgen in een supranationale structuur.”
Europese verkiezingen
Bij het uitbrengen van onze stem voor de Europese verkiezingen is het goed ons de vraag te stellen welke bijdrage de partij van onze keuze zal leveren aan de vrede in Europa en daarmee aan de vrede in de wereld en de vrede in ons eigen land.
Geloof en wetenschap worden vaak gezien als strijdig met elkaar. Iemand die wetenschappelijk denkt, gelooft niet en een gelovige is niet in staat tot onbevangen en waardevrije wetenschap. Hoe zijn geloof en wetenschap met elkaar te verenigen?
De wetenschap versterkte mijn geloof
Begin jaren zeventig studeerde ik scheikunde en ontwikkelde ik mijn analytisch denken. Ook probeerde ik het bestaan te doorgronden. Met mijn analytisch en wetenschappelijk denken kwam ik er niet uit. Het enige dat mij werkelijk in staat stelde echt te leven, was het geloof dat mijn ouders mij hadden voorgeleefd. De aanvaarding van het mysterie gaf mij rust. Zo kon ik mij verder ontwikkelen. Geloof en wetenschap strijden niet met elkaar. Beide hebben een plaats in mijn leven.
Geloof en wetenschap vallen samen
Altijd is de mens op zoek naar het waarom van het bestaan. Waarom besta ik? Waarom is de wereld zoals zij is en hoe is zij zo geworden? Lange tijd is het bestaan van God een bevredigend antwoord. God heeft het zo gewild en Hij heeft er zijn bedoelingen mee. Geloof en wetenschap zijn met elkaar in harmonie. Vanaf de 17e eeuw verandert dat. Door de ontwikkeling van de wetenschap is God niet meer nodig als gatenvuller. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de vraag naar het waarom en de vraag naar het hoe. Het waartoe zijn wij op aarde is een kwestie van geloof. De wetenschap geeft antwoord op de vraag hoe alles ontstaan is. God wordt nu de grote horlogemaker die alles bedacht heeft, in gang heeft gezet en richting en doel heeft gegeven.
Evolutieleer
In de 19e eeuw komt Darwin met de evolutieleer. Deze is niet strijdig met het geloof, maar het latere darwinisme is dat wel. Hierin wordt de evolutieleer van toepassing verklaard op het ontstaan van de gehele aardse werkelijkheid. Alles wordt toegeschreven aan het toeval en de noodzaak die de natuurwetten voorschrijven. Doel en intentie en ook een schepper bestaan niet. Dit denken is overheersend in onze samenleving. Met het doortrekken van de evolutieleer naar de vraag van het waarom wordt de grens van de wetenschap overschreden. Het ontkennen van God en van een doel en een intentie van de schepping is geen wetenschappelijke, maar een religieuze bewering. Als reactie op het darwinisme ontstaat het creationisme. Hierin is het Bijbelse scheppingsverhaal de basis voor wetenschap. Alles wat bestaat vindt zijn oorsprong in een scheppingsdaad van God. De schoonheid, ordening en complexiteit van de natuur verwijzen naar de almacht en voorzienigheid van God. Met het creationisme wordt de grens van de religie overschreden.
Intelligent design
Een recente wetenschappelijke ontwikkeling is het intelligent design. De fundamentele fysica en de moleculaire biologie hebben de afgelopen decennia de complexiteit van onze wereld blootgelegd. De complexiteit is zo groot en zo wijd verbreid dat het geen toeval kan zijn. Ze is ook niet door natuurwetten veroorzaakt. De wereld kan volgens deze visie alleen zijn ontstaan omdat er een ontwerp aan ten grondslag ligt. Over de ontwerper zelf laat men zich niet uit. Het ontwerp kan ook in de natuur zelf besloten liggen zonder dat er een ontwerper is. Intelligent design is dus geen godsbewijs.
Geloof tegenover wetenschap
Geloof en wetenschap strijden met elkaar als een van beide of allebei de eigen grenzen te buiten gaat. Het erkennen van God en het mysterie met Hem verbinden is een daad van geloof. Hetzelfde geldt voor het ontkennen van God. Beweren dat God niet bestaat omdat je niet kunt bewijzen dat Hij wel bestaat, is geen wetenschappelijke maar een religieuze bewering. Iemand die de Bijbel als een geschiedenisboek leest of als een wetenschappelijke verhandeling, overschrijdt de grenzen van het geloof. Anders dan vroeger is het in onze tijd juist het seculiere denken dat de religie met agressie benadert.
Samenhang tussen geloof en wetenschap
Mensen zoeken naar de alomvattende waarheid. Geloof en wetenschap bewandelen daarin verschillende wegen. Beide moeten ze zich beperken tot het eigen domein. Maar dit maakt geen einde aan het verlangen naar harmonie. Een mens wil dat beide manieren van kennen van waarheid in elkaars verlengde liggen. Een bekend voorbeeld is Albert Einstein. Hij had moeite met het toeval in de quantummechanica en verwierp dit idee met de opmerking: “God dobbelt niet.” Anderzijds kunnen geloof en wetenschap elkaar ook in positieve zin bevruchten. Een wetenschapper zonder visie zal weinig nieuws ontdekken. De wetenschap kan het geloof zuiveren van bijgeloof.
Geloof en wetenschap ontmoeten elkaar in de ethiek. Vanuit het geloof wordt er nagedacht over de wenselijkheid van technologische ontwikkelingen. Het geloof inspireert tot keuzes. Niet alles wat kan, is ook goed voor de mens. De waarheid van wetenschap en techniek kan niet zonder de door het geloof gepredikte liefde. Zonder de liefde verliest het leven haar menswaardigheid.
Een mens heeft niet alleen zijn fysieke zintuigen waarmee hij de wereld waarneemt en niet alleen zijn verstand waarmee hij verklaard wat hij ziet. Een mens kijkt en luistert ook met zijn hart en ontdekt zo een grotere wereld dan alleen de materiële. De stem van zijn hart zet hem op het spoor van de liefde voor de medemens en voor de schepping en leidt hem tot God. Zo komt hij in liefde en geloof tot een grotere waarheid, waarbinnen ook het materiële en wetenschappelijke zijn plaats heeft.
Lumen fidei
Begin vorige eeuw overheerste in de Kerk het antimodernisme. Zij wilde de wetenschap aan het gezag van de paus onderwerpen. Gaandeweg heeft de Kerk zich hiervan bevrijd. Vanaf midden vorige eeuw wordt de eigen plaats van de wetenschap erkend. Geloof en wetenschap strijden niet met elkaar. In 1965 werkt het Concilie dit uit in de pastorale constitutie ‘Gaudium et spes’. Johannes Paulus II doet dit in ‘Fides et ratio’ en Benedictus XVI in ‘Caritas in veritate’. Ook in de in 2013 verschenen encycliek ‘Lumen fidei’ besteedt paus Franciscus er aandacht aan. Hier volgt een sterk ingekort citaat.
“Het licht van de liefde, dat eigen is aan het geloof, kan de vragen van onze tijd aangaande de waarheid verklaren. Wanneer de waarheid een waarheid van de Liefde is, kan ze een deel worden van het gemeenschappelijke goed. Omdat ze voortkomt uit liefde, kan ze het hart bereiken, de persoonlijke kern van ieder mens. Zo wordt duidelijk, dat het geloof niet onverzoenlijk is, maar juist groeit in een vreedzaam samenleven met anderen. Verre van ons te verharden, brengt de zekerheid die het geloof biedt, ons in beweging; ze maakt het getuigenis en de dialoog met eenieder mogelijk. Omdat het verenigd is met de waarheid van de Liefde, is het licht van het geloof ook niet vreemd aan de stoffelijke wereld, omdat de liefde steeds met lichaam en ziel beleefd wordt. Het geloof nodigt de wetenschapper uit om open te blijven staan voor het geheel van de werkelijkheid. Door verwondering te wekken over het mysterie van de schepping, biedt het geloof de rede een weidser perspectief om de wereld, die zich voor wetenschappelijk onderzoek ontsluit, beter te kunnen verlichten.”
Als Jezus en Marta elkaar ontmoeten, zegt Jezus: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof in Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.” Jezus klinkt hier erg overtuigd en zeker van het eeuwig leven. Sterker nog: Hijzelf is het eeuwig leven en Hij geeft het eeuwig leven aan allen die in Hem geloven.
Ondanks deze overtuiging lezen we iets verderop, dat Jezus diep ontroerd is door de dood van zijn vriend Lazarus: Hij weent en tot tweemaal toe is er sprake van een huivering. De dood van zijn vriend gaat Hem bepaald niet in zijn koude kleren zitten. Het is een opvallende tegenstelling. Waarom raakt iemand zo ontroerd bij de dood van zijn vriend terwijl hij zeker weet dat deze weer tot leven zal komen. In het begin van het verhaal zegt Jezus: “Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods erdoor verheerlijkt moge worden.” Jezus weet precies wat er zal gebeuren en toch is Hij diep ontroerd.
Misschien zien we hierin Jezus wel het meest duidelijk zoals Hij werkelijk is: de Zoon van God én de zoon van Maria, God en mens tegelijkertijd. Enerzijds heeft Hij de goddelijke kennis van het eeuwig leven en anderzijds de diep menselijke emoties bij leven en dood. Zo leeft Hij in twee werelden die niet los van elkaar staan, maar innig en direct met elkaar verbonden zijn: het hemelse en het aardse leven.
Wat we hier nadrukkelijk bij Jezus zien, is ook onze werkelijkheid. Ook wij mensen hebben hiermee te maken. Enerzijds is er de waarheid van ons aardse bestaan, de waarheid van onze concrete waarnemingen met onze zintuigen, de waarheid van ons horen en zien, ons ruiken en voelen. Dit is de werkelijkheid van zwart is zwart en wit is wit. Dit is ook de werkelijkheid van dood is dood. Dit is de waarheid van ons biologisch bestaan: de waarheid zoals ook de dieren die kennen. Maar naast deze biologische en materiële werkelijkheid kennen wij ook de werkelijkheid van onze diep menselijke ervaringen die te maken hebben met liefde en verbondenheid, met aanwezigheid en communicatie, met vertrouwen, hoop en geloof. Ook deze geestelijke werkelijkheid maakt wezenlijk deel uit van ons bestaan.
Wij mensen leven in een wereld die enerzijds heel concreet is, maar die dat anderzijds niet is, niet zintuiglijk waarneembaar is. Zo hebben wij te maken met twee soorten van waarheid. De concrete waarheid van onze zintuigen en de geestelijke waarheid van onze ervaringen. De waarheid van onze zintuigen behoort tot hetzelfde gebied als de waarheid van de wetenschap; de geestelijke waarheid tot gebied van de waarheid van het geloof. Het zijn twee verschillende domeinen van waarheid, die niet los van elkaar staan, maar ook niet met elkaar verward moeten worden. We moeten geen geloofsuitspraken doen over wetenschappelijke zaken en ook geen wetenschappelijke uitspraken over geloofszaken.
In Jezus wordt duidelijk hoe beide werelden met elkaar verbonden zijn. Hij is God en mens tegelijkertijd. Als God is Hij het leven en de verrijzenis. Hij is de oorsprong van alles, in Hem is alles geschapen. Deze oorsprong, dit Woord is vlees geworden: God is mens geworden. Op deze wijze is Hij voor ons: ‘de weg, de waarheid en het leven’. In Hem vinden wij de waarheid en Hij laat ons zien hoe wij in waarheid kunnen leven. Hij laat ons zien hoe wij kunnen leven in liefde en geloof.
Als Jezus voorstelt weer naar Judea te gaan, zegt Hij: “Heeft de dag geen twaalf uren? Overdag kan iemand gaan, zonder zich te stoten, omdat hij het licht van deze wereld ziet. Maar gaat iemand ’s nachts dan stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.” Hiermee geeft Jezus aan dat het ook voor ons mogelijk is in beide werkelijkheden te leven. Als wij ons met Hem verbinden, is Hij ons licht en dragen wij het licht in ons. Als wij in Hem geloven, zien wij alsof het dag is: wij zullen niet struikelen en leven in waarheid. Als wij ons echter van Hem afwenden, verkeren wij in het duister en zijn wij onderworpen aan het kwaad van deze wereld.
Wij zijn op weg naar Pasen. De komende weken zien wij hoe Jezus zijn weg gaat, een weg die door lijden en dood voert tot opstaan en verrijzenis. Het is zijn weg van een leven in liefde en geloof. Zijn weg van dood en verrijzenis is onze weg ten leven. Amen.
“Kijken met je hart”, staat er als thema op uw liturgieboekje. Op de afbeelding zien we Sint Franciscus de melaatse omarmen. We zien de liefdevolle blik van de beide mannen. Het is 1205; Franciscus rijdt op zijn paard in de buurt van Assisi. Hij weet niet goed wat hij met zijn leven aan moet. Dan ziet hij een melaatse lopen. Normaal zou hij hard wegrijden, maar nu stapt hij van zijn paard. Hij gaat naar de melaatse en omhelst hem. Het maakt hem erg gelukkig. Franciscus is er erg van onder de indruk. Vanaf dat moment kiest hij altijd partij voor de zwakkeren en de verdrukten. Franciscus heeft leren kijken met zijn hart.
Ik lees u voor uit ‘De Kleine Prins’: de kleine prins in gesprek met de piloot.
“– Bij jou kweken de mensen vijfduizend rozen in één tuin, zei het prinsje en ze vinden daarin niet wat ze zoeken.
– Nee, dat vinden ze niet, antwoordde ik.
– En toch zouden ze kunnen vinden wat ze zoeken in één enkele roos of in een beetje water.
– Ja, dat is zo, antwoordde ik. En het prinsje voegde eraan toe:
– Maar ogen zijn blind. Met het hart moet men zoeken.”[1]
Eerder sprak de kleine prins met de vos. “– Vaarwel, zei de vos. Dit is mijn geheim, het is heel eenvoudig: alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.”[2]
Dit is ook wat Jezus tegen de Farizeeën zegt: “Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde.” Door de zonde zijn wij blind voor het ware, het wezenlijke.
Wij zijn zo gewend te vertrouwen op onze ogen, dat we vaak niet door hebben dat ons oordeel niet gebaseerd is op wat zien, maar op ons vooroordeel. Samuël ervaart dit als hij de toekomstige koning van Israël moet zalven. Hij ziet een rijzige man met een goed voorkomen en denkt: Ah dat is hem die ik moet zalven. Samuël kijkt met zijn ogen en hij ziet alleen de buitenkant. God zegt hem, dat het niet gaat om de buitenkant maar om het hart. Daarvoor moet Samuël zelf ook met zijn hart kijken.
Het verhaal van de genezing van de blindgeborene gaat voortdurend over niet op de juiste wijze kijken en willen zien. Het begint ermee dat de blinde man of zijn ouders gezondigd moeten hebben. Waarom zou hij anders blind geboren zijn? Als de blinde man genezen is en kan zien, zijn er velen die dat niet willen zien, niet willen aanvaarden. Omdat de genezing op de sabbat heeft plaatsgevonden, is het voor de Farizeeën onaanvaardbaar en moet het het werk van de duivel zijn. Zij zitten vast in hun wijze van denken en daarin is geen ruimte voor een genezing op de sabbat. De ouders van de man worden er bij gehaald. Zij zien de bui al hangen: zij kunnen niet op tegen de massieve kracht van het heersende oordeel. Zij gaan het antwoord uit de weg omdat ze bang zijn.
Alleen de blindgeborene staat open voor de liefde en genezing van Jezus. Hij ziet met zijn hart en dus weet hij: wat goed is, komt van God. Hij zit niet vast in de vooroordelen en de gebaande paden van de meerderheid. Hij gaat zijn eigen weg: hij ervaart het goede en aanvaardt dat in dankbaarheid wat de rest er ook van mag denken. Tegen hem zegt Jezus op de vraag naar de Messias: “Gíj ziet Hem, het is Degene die met u spreekt.” Alleen de blindgeborene is in staat de Messias te zien. De anderen zijn verblind door de zonde.
Hoe goed kijken wij? Kijken wij alleen met onze ogen of kijken wij ook met ons hart? Vandaag wordt onze aandacht gevraagd voor de mensen in Sierra Leone. Mensen die hebben geleden onder oorlog en geweld en die weer een nieuw leven willen opbouwen. Volgen wij de redeneringen die we in het Evangelie tegenkomen? Zeggen wij: het is hun eigen schuld, zíj maakten oorlog? Dat hebben wij toch niet gedaan? Zeggen wij: er is altijd wel wat in Afrika? Wat wij ook doen, het helpt toch niet? Is dat onze manier denken? Of zijn wij in staat te kijken met ons hart? En zien wij mensen zoals wij: mensen geschapen naar het beeld van God, onze broeders en zusters?
Jezus wil dat wij onze ogen openen en zien met ons hart. Hij wil dat wij net als Sint Franciscus de arme en de zieke omhelzen, dat wij liefdevolle aandacht voor hem hebben, hem waar nodig onze steun geven en onze welvaart met hem delen. Daarvoor is het nodig mensen niet als verzamelingen te zien, niet als groepen: een groep zieken, een groep ontheemden, een groep armen et cetera. Door mensen in soorten te classificeren zien we alleen met onze ogen. We beschrijven zaken als armoede, ziekte en eenzaamheid als neutrale eigenschappen en zien de mensen niet als slachtoffer, niet als mensen die lijden. Zo dacht Franciscus eerst ook over de melaatsen. Pas als wij mensen zien als individuen, als personen met vreugde en verdriet, zien wij deze mensen met ons hart en komen wij tot de liefdevolle omhelzing.
Het is zoals de kleine prins vertelt. Je moet niet denken in termen van vijfduizend rozen, maar denken in termen van één roos. Die ene roos kun je zien als een roos. In die ene roos zie je de schoonheid van een roos. Die ene roos kun je koesteren en met liefde verzorgen. Die ene roos maakt je gelukkig.
Kijken met je hart is een mens werkelijk zien als mens, als je broeder of zuster, als een kind van God en naar zijn beeltenis geschapen. Dan zie je een mens waarvan je houdt, een mens die je liefdevol omhelst en die je steunt in zijn nood. Kijken met je hart: dat is wat Jezus Christus ons heeft voorgeleefd, daarin wil Hij nagevolgd worden. Amen.
[1]Antoine de Saint-Exupéry, De Kleine Prins, Rotterdam: Ad. Donker, 2005, 28e druk, blz. 79
[2] Ibid, blz. 70.
Redactie: Georg von Lengerke & Dörte Schrömges
Titel: Youcat: Gebedenboek voor jongeren
Uitgever: Lannoo, 2013
Prijs: € 16,99
ISBN: 978 94 014 0941 4
Aantal pagina’s: 175
Iedereen kan bidden, maar enige ondersteuning en structuur kan je daarbij geweldig helpen. Bidden is je met heel je hebben en houden aan God toevertrouwen. Dat vraagt ook oefening en geduld met jezelf. Na de catechismus voor jongeren is er nu ook een gebedenboek voor jongeren. Gebeden en teksten uit de Bijbel en uit de wereldwijde christelijke traditie zijn in toegankelijke taal opgenomen in deze rijke verzameling.
Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste bevat in een cyclus van twee weken gebeden voor het begin en het einde van iedere dag. In het tweede gedeelte zijn de gebeden thematisch gerangschikt. Naast de Bijbelteksten en de gebeden zijn er in kadertjes korte teksten voor overweging en bezinning opgenomen.
Het fraai uitgegeven boek is geïllustreerd met mooie foto’s en humorvolle tekeningen. Het is geschreven voor jongeren, maar zal voor mensen van iedere leeftijd een waardevol boek zijn. Een mooi boek om iemand cadeau te doen.
Abram trekt weg uit zijn land. De Heer belooft hem een gezegende toekomst. Jezus gaat samen met Petrus, Jacobus en Johannes een berg op. Boven op de berg verandert Hij van gedaante en wordt zijn glorie en heerlijkheid aan de drie leerlingen geopenbaard. Paulus schrijft aan Timoteüs: “Dierbare, draag uw deel in het lijden voor het Evangelie.” Het Evangelie laat ons zien hoe door Jezus Christus de dood is overwonnen en het onvergankelijk leven voor ons bereikbaar is. Vandaag horen we drie verhalen over op weg gaan, over geroepen en gered worden en over gezegend worden.
Abram trekt niet alleen weg uit zijn land. Hij neemt ook afstand van de veelgoderij. Abram bekeert zich tot het geloof in één God. Hiermee is de stamvader van joden, christenen en moslims. Abram gaat een werkelijk moeilijke en eenzame weg. Hij en zijn familie zijn de enigen die afstand nemen van de veelgoderij. Petrus, Jacobus en Johannes trekken met Jezus de berg op. Daar worden zij de aanwezigheid van God gewaar. Dat maakt ze bang: de ontzagwekkende aanwezigheid van God maakt ons mensen heel klein. Jezus blikt vooruit: Hij weet dat Hij nog een zware weg heeft te gaan voordat Hij uit de doden zal opstaan.
Paulus weet dat ook Timoteüs het niet gemakkelijk zal hebben. Timoteüs is als bisschop van Efeze de opvolger van Paulus. Verderop in de brief schrijft Paulus over wat hem te wachten staat: “Houd rekening met het feit dat er moeilijke tijden voor de deur staan… De mensen zullen zelfzuchtig zijn en geldzuchtig, arrogant en hovaardig, lasteraars, ongehoorzaam aan hun ouders, ondankbaar, onverschillig, liefdeloos, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, vermetel, verwaand, meer aan genot dan aan God gehecht…” (2 Tim 3,1-4)
Ook in de jaren van het vroege christendom was de boodschap van het Evangelie geen vanzelfsprekendheid. Paulus schrijft aan Timoteüs dat hij zich er niet voor moet schamen dat hij van de boodschap van Jezus Christus getuigt. Schaamte heeft te maken met het gevoel van anders zijn, met gevoel er niet bij te horen en buiten de gemeenschap te staan. Dat idee van buitenstaander te zijn bekruipt ons ook in deze tijd, Hoe vaak horen wij niet dat wij met verkeerde ideeën leven. Je moet niet in God geloven, want je kunt niet bewijzen dat Hij bestaat. Je moet gaan voor je eigen geluk en je eigen succes. Dat is de werkelijkheid. Dat is de strijd om het bestaan. Als je niet voor jezelf opkomt, ben je een dief van je eigen portemonnee. Zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. De boodschap van de naastenliefde wordt nauwelijks gehoord in onze tijd. Ook in deze verkiezingstijd staat voortdurend het eigen belang voorop.
Paulus schrijft aan Timoteüs: “Dierbare, draag uw deel in het lijden voor het Evangelie.” Indirect is deze boodschap ook aan ons gericht. Onze vorige bisschop Van Luyn ontleende hieraan zijn wapenspreuk: “Collabora Evangelio”. Bij collabora, collaboreren denken we niet meteen aan lijden. Collaboreren betekent meewerken en pas met de Tweede Wereldoorlog heeft het de betekenis van meewerken met de vijand gekregen. De Latijnse vertaling geeft samen met de Nederlandse vertaling een beeld van wat Paulus te zeggen heeft: een combinatie van meewerken en lijden.
Het gaat niet over doelloos lijden. Het gaat over lijden, over een inspanning om het Evangelie te verkondigen. Jezus Christus en zijn boodschap navolgen is geen vrijblijvende zaak. Je zult je er echt voor moeten inspannen. Het kost je moeite. Je komt tegenstand en verzet tegen. Je vaart tegen de stroom in. Natuurlijk vind je ook troost in je geloof. Maar in de eerste plaats is het geloof een uitdaging. Het geluk volgt op het ingaan op die uitdaging. Gelukkig wordt je doordat je anderen gelukkig hebt gemaakt.
De Veertigdagentijd is een tijd van bezinning: Wat willen wij met ons leven? Waar leven wij voor? Hoe bekeren wij ons tot God? Hoe komen wij in beweging en hoe gaan wij op weg? Hoe spannen wij ons in voor het Evangelie? Paus Franciscus schrijft in zijn vastenbrief, dat Jezus arm is geworden om ons rijk te maken. De paus roept ons op de weg van Jezus na te volgen. Het gaat niet om de armoede, maar om het wegschenken van de overvloed. Het gaat erom solidair te zijn met de armen. De paus schrijft: “het zal ons goed doen ons af te vragen van welke zaken we ons kunnen ontdoen om anderen te helpen en te verrijken met onze armoede. Laten we niet vergeten dat ware armoede pijn doet.”
De weg van het Evangelie volgen gaat niet zonder pijn en lijden, maar het is ook de weg naar rijkdom en geluk voor anderen en voor onszelf. Het is ook geen eenzame weg. We gaan samen op weg: samen als gemeenschap en samen met Christus. In deze Veertigdagentijd is er volop gelegenheid iets voor anderen te doen. Denk bijvoorbeeld aan de Vastenaktie. Amen.
Vorige week is met Aswoensdag de Veertigdagentijd begonnen: een tijd van bezinning en soberheid, een tijd van aandacht voor God en aandacht voor de medemens. In onze parochies worden hiertoe verschillende activiteiten georganiseerd. Zo is er op 29 en 30 maart aandacht voor de Vastenaktie. Dit jaar is de opbrengst voor een project in Sierra Leone. In Nootdorp is elke dinsdagavond een meditatieve viering met aandacht voor de Kruiswoorden. In Pijnacker is weer een hongerdoek opgehangen, waarover komende vrijdag uitleg wordt gegeven.
Soberheid en vasten zijn erop gericht om jezelf en om anderen te bevrijden. Mensen lijden onder diverse vormen van armoede: materiële armoede, morele armoede en spirituele armoede. Gebrek aan voldoende eten en drinken, aan goede huisvesting, aan hygiëne of aan werk bij een deel van de mensheid gaat samen met overvloed bij anderen. Gerechtigheid en solidariteit zijn nodig om deze armoede terug te dringen, om mensen van hun materiële armoede te bevrijden.
Morele armoede is vaak een vorm van verslaving. We kunnen aan alles en nog wat verslaafd zijn: aan alcohol, aan drugs, aan gokken, aan seks, aan computerspelletjes, noem maar op. We kunnen ook verslaafd zijn aan zekerheden en aan het eigen bezit. Egoïsme en egocentrisme zijn ook vormen van verslaving. Morele armoede gaat samen met spirituele armoede, met de afwezigheid van God. God is in ons leven afwezig als wij denken Hem niet nodig te hebben, als wij ons van Hem verwijderen en zijn liefde afwijzen. Alleen God kan betekenis geven aan ons leven. Alleen Hij kan ons redden en bevrijden.
Paus Franciscus roept ons op – vooral in deze Veertigdagentijd – te werken aan de bevrijding van anderen en van onszelf. Met woorden en daden mogen wij de Blijde Boodschap van Jezus Christus uitdragen. Wij mogen zelf en kunnen anderen laten delen in de oneindige liefde van God. Het begint met soberheid voor onszelf. Zo maken wij ruimte voor God in ons leven en scheppen wij ruimte en tijd voor de medemens. Zo kunnen we hen aandacht geven en bijstaan in hun materiële nood. De liefde van God toelaten in ons eigen leven brengt ons ertoe deze liefde uit te dragen en te delen met anderen.
In zijn vastenbrief schrijft de paus over Jezus van Nazareth: “Hij is arm geworden om ons rijk te maken met zijn armoede.” Hiermee roept de paus ons op Jezus na te volgen en net als Hem de armoede te zoeken om anderen rijk te maken. Zo stellen wij ons open voor de rijkdom van Gods liefde en laten wij anderen daarin delen. Zo openen we voor onszelf en voor onze naaste de weg voor het bevrijdende werk van God.