Spring naar inhoud

Rorate caeli; Js 45,8-12

“Rorate caeli desuper, et nubes pluant justum.” “Dauwt hemelen van boven en wolken, beregene ons met gerechtigheid.” Deze Latijnse tekst is het refrein van een gregoriaans lied dat tijdens de Advent vaak in onze kerken wordt gezongen. Het refrein is gebaseerd op het eerste vers van de tekst die we zonet hebben gelezen.

De Advent is een tijd van uitzien naar, een tijd van hoop. We zien uit naar de komst van onze Verlosser. Hij zal ons het heil brengen. Hij brengt de wereld gerechtigheid. Dit is de strekking van het lied en ook de boodschap die Jesaja ons vandaag voorhoudt. Jesaja maakt ons duidelijk dat wij ons vertrouwen op God moeten stellen. Hij en Hij alleen brengt ons het heil. Hij is onze Schepper en onze Vader. Hij weet wat goed voor ons is. Wij zijn het werk van zijn handen. Zijn liefde voor ons maakt ons gelukkig en stelt ons staat tot liefde voor Hem en voor elkaar.

Gods liefde en genade stellen ons in staat te geloven. Ons geloof geeft ons vertrouwen. Het geloof voedt de hoop. Onze christelijke hoop geeft ook richting aan ons menselijk verlangen: het verlangen van iedere mens naar het goede leven, het verlangen naar een leven in liefde en waarheid, het verlangen naar een leven in een wereld van gerechtigheid. Gerechtigheid kent twee kanten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: liefde en waarheid. Gerechtigheid vraagt om waarheid. Als de waarheid niet boven tafel komt maar wordt toegedekt, is er geen sprake van gerechtigheid. Gerechtelijk vraagt ook om liefde. Zonder liefde en barmhartigheid is er geen vergeving mogelijk. Liefde en waarheid zijn beide nodig om een nieuw begin te maken. God is liefde en God is waarheid. Dat is wat Jezus Christus ons met zijn leven geopenbaard heeft.

In onze huidige cultuur ligt de nadruk sterk om de waarheid. De liefde schiet er nogal eens bij in. Waarheid zonder liefde leidt tot kille zakelijkheid. In plaats van gerechtigheid is er dan enkel de kille toepassing van wetsregels. Mensen worden dan alleen gezien als productiemiddelen of als consumenten. Vluchtelingen worden gelukszoekers. Vrijheid van meningsuiting vervalt in het recht tot beledigen. Omdat iedereen een potentiële oplichter is, wordt vertrouwen vervangen door procedures en controles. Maar liefde zonder waarheid gaat ook niet goed. Dan leven we in een roze wolk en verliezen we de werkelijkheid uit het oog. Zonder waarheid verwordt liefde tot sentimentaliteit. Zonder waarheid worden onze kinderen allemaal uitzonderlijke talenten. Zonder waarheid is er geen oog meer voor het kwaad. Zonder waarheid is er ook geen oog meer voor onze eigen zondigheid. Zonder waarheid is er geen vergeving mogelijk.

De Advent is een tijd van hoop. Het is ook een tijd van bezinning. Wat mogen wij zelf doen om te leven in liefde en waarheid en om de wereld van gerechtigheid dichterbij te brengen. Het heil komt van God, maar Hij nodigt ons ook uit daaraan zelf onze bijdrage te leveren. Wij mogen ook zelf bijdragen aan de verbetering van de wereld en op die manier het Rijk Gods dichterbij te brengen.

De Advent is een tijd van hoop en daarmee geeft het ook troost. God zal ons werkelijk heil en vergeving brengen. Het Rijk Gods is nabij. Ik eindig met het laatste couplet van het gregoriaanse Adventslied.

“Troost u, troost u, mijn volk!
Spoedig zal uw heil komen.
Waarom wordt gij door verdriet verteerd,
grijpt de smart u opnieuw aan?
Vreest niet, Ik zal u redden.
Want ik ben de Heer, uw God,
de Heilige van Israël, uw Verlosser.”

Amen.

In dialoog met andere godsdiensten

Auteur: Berry van Oers
Titel: In Dialoog, met mensen van andere godsdiensten en levensbeschouwingen

Uitgever: SRKK, 2015
Prijs: €10,-; te bestellen via: bestel@rkk.nl of 076-522.34.44
ISBN: 979 90 824431 0 3
Aantal pagina’s: 160 

“Een cultuur van solidariteit betekent dat men de anderen niet als rivalen ziet of als statistieken, maar als broeders en zusters.” In de huidige tijd is het meer dan ooit noodzakelijk dat mensen met verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen met elkaar in gesprek zijn.

Bovenstaande uitspraak deed paus Franciscus op 25 juli 2013 in Rio de Janeiro. In Evangelii gaudium besteedt Franciscus een hele paragraaf aan de sociale dialoog als bijdrage aan de vrede. Hij noemt hierin het belang van de dialoog tussen geloof, rede en wetenschap, de oecumenische dialoog, de relaties met het jodendom en de interreligieuze dialoog. Over de interreligieuze dialoog schrijft hij: “De dialoog moet solide en vreugdevol gebaseerd zijn op de eigen identiteit, maar zo dat men ook de waarden van anderen kan erkennen, de zorg kan waarderen die onder hun vragen liggen en licht kan laten schijnen over gedeelde overtuigingen.”

Nostra aetate

Paus Franciscus staat hiermee in de traditie van het Tweede Vaticaans Concilie. Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat het Conciliedocument Nostra aetate het licht zag. Dit document is de verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten. Hierin wordt met respect gesproken over andere religies en wordt erop gewezen dat ook daar waarheid omtrent het goddelijk geheim wordt gezocht en gevonden. “De katholieke Kerk verwerpt niets van datgene wat in deze godsdiensten waar en heilig is. Met oprechte eerbied beschouwt zij die gedrags- en levensregels, die – hoewel in veel opzichten verschillend van wat zij zelf houdt en leert – toch niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid welke alle mensen verlicht.”

In Dialoog, met mensen van andere godsdiensten en levensbeschouwingen

Onder deze titel beschrijft Berry van Oers, secretaris van de landelijke katholieke Contactraad voor Interreligieuze Dialoog, de houding van de r.-k. Kerk ten opzichte van andere godsdiensten. Hij doet dit met een ruime verzameling citaten uit Conciliedocumenten en uit uitspraken en documenten van de pausen van de afgelopen vijftig jaar en van organen van de Romeinse Curie. Op deze wijze ontstaat een helder beeld van het kerkelijk denken en doen op dit gebied. Het boek is bedoeld als een vitale motivatie en inspiratie en om daarnaast praktische handvaten voor het voeren van de interreligieuze dialoog aan te reiken.

Het eerste hoofdstuk van het boek gaat over de grondslagen van de interreligieuze dialoog en het tweede over de doelen ervan. Daarna komt de praktische kant aan bod. In hoofdstuk drie worden vormen en plaatsen van interreligieuze dialoog beschreven: wie doet wat en waar? In het vierde hoofdstuk worden handreikingen voor het voeren van de dialoog gegeven. Hoofdstuk vijf beschrijft hoe de verhoudingen de afgelopen vijftig jaar veranderd zijn en gaat in op de specifieke situatie in Nederland.

In de aanbeveling van de Pauselijke Raad voor Interreligieuze Dialoog spreekt de Raad haar waardering voor dit boek uit. Zij schrijft: “De katholieke Kerk is er van overtuigd dat de ‘dialoog geen optie is maar een vitale noodzakelijkheid, waarvan in grote mate onze toekomst afhangt’ (Benedictus XVI, 25-09-2006).”

Dialoog hier en nu

De interreligieuze dialoog is geen hobby of specialisme van enkelen. Zij is een kernopdracht van de Kerk en betreft daarmee ook alle gelovigen. De dialoog is een zaak van het geloof zelf. Het meest nadrukkelijk is dit aan de orde in de dialoog van het leven. Mensen van verschillende godsdiensten ontmoeten elkaar als buren, collega’s en zelfs als echtgenoten. Hier liggen belangrijke momenten om met elkaar te spreken over elkaars levenswijze en motivatie. Daarnaast zijn er de georganiseerde ontmoetingen. Hier ligt een taak voor de parochies. Berry van Oers noemt in zijn boek hiervan vele voorbeelden. Ook beschrijft hij voorbeelden van gezamenlijke actie voor de integrale ontwikkeling en bevrijding van mensen.

Veel concrete activiteiten van landelijke katholieke Contactraad voor Interreligieuze Dialoog vinden plaats binnen het bisdom Rotterdam. Hier is het meest sprake van multiculturaliteit en multireligiositeit. Een voorbeeld hiervan zijn de dialoogbijeenkomsten die samen met het Platform INS in Rotterdam werden georganiseerd. Christenen en moslims vanuit eenzelfde beroepsgroep spraken met elkaar over hun geloof in relatie met hun beroep.

Deugdethiek, levensbeschouwing en religie

Auteur: Andreas Kinnegin en Timo Slootweg (red.)
Titel: Deugdethiek, levensbeschouwing en religie
Uitgever: Het Spectrum, 2015
Prijs: € 22,50
ISBN: 978 90 00 34527
Aantal pagina’s: 319

Velen streven ernaar een goed en deugdzaam mens te zijn. De deugdethiek reikt handvaten en wegen aan om dit streven vorm te geven. Dit boek bevat een serie artikelen van verschillende filosofen over de deugdethiek binnen verschillende religies en levensbeschouwingen. Zij geven een beeld van de verschillen en overeenkomsten tussen de verschillende religies en levensbeschouwingen in hun visie op het streven van mensen naar het goede. Er blijken veel overeenkomsten te zijn en de deugdethiek is daarmee een goed onderwerp voor de interreligieuze dialoog. Zij kan hiermee de interreligieuze dialoog bevorderen en intensiveren. De overeenkomsten liggen in de gemeenschappelijke waarden, de deugden. De normen, de manieren waarop die waarden vorm worden gegeven, kunnen juist grote verschillen vertonen.

Andreas Kinneging: De deugden in de Oudheid

Kinneging ziet deugden als morele waarden die mensen zich eigen gemaakt hebben waardoor ze hun karakter stempelen en een eigenschap zijn geworden. Hij maakt onderscheid tussen sociale en individuele deugden. De sociale deugden zijn gericht op een harmonieuze inpassing van het individu in de gemeenschap; de individuele op het welslagen van het individu zelf.

Aristoteles en Plato werken in hun geschriften de deugdethiek uit, maar Homerus heeft hiervoor eerder al in zijn Ilias en Odyssee op verhalende wijze de basis gelegd. Homerus is in deze zin de ‘opvoeder der Grieken’ geweest. Plato zoekt op abstracte wijze een antwoord op de vraag hoe te leven. Goed leven is volgens hem de deugden beoefenen. Alleen wie deugt, kan uiteindelijk gelukkig zijn. Hij stelt de rechtvaardigheid centraal. Verstandigheid, moed en matigheid zijn hiervoor noodzakelijk.

Aristoteles komt tot een opsomming van vele deugden zonder hierin ordening en samenhang te onderkennen. Hij ziet de deugd als de ‘gulden middenweg’, een midden tussen twee ondeugden. Dit midden is voor iedereen verschillend en afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden. Het gaat ook om het handelen op het juiste moment, met het juiste doel en op de juiste manier. Cicero grijpt later terug op Plato en Aristoteles. Hun denken is bepalend geweest voor de eeuwen na hen en vormt mede de basis voor de christelijke deugdethiek.

Paul van Tongeren: De kerstening van de klassieke deugden: aanpassing en aanvulling

Van Tongeren laat zien hoe de kerstening van de antieke deugden drievoudig van aard is: ze werden vertaald en opnieuw geïnterpreteerd, ze werden verder gedifferentieerd en gesystematiseerd en ze werden aangevuld met enkele nieuwe deugden.

Het vertalen hield in dat een nieuwe boodschap in het jargon van vroeger werd verwoord. Het is een omduiden van de klassieke traditie in een hogere aan het christendom ontleende betekenis. Van Ambrosius is het gebruik van de term kardinale deugden voor vier hierboven genoemde centrale deugden van Plato. Thomas van Aquino vertaalt en interpreteert de aristocratische ethiek van Aristoteles zo dat die past bij en een verheldering oplevert van het christelijk leven van de gewone mens.

Mede door de toepassing van de deugdethiek in de concrete levenspraxis is er een systematische ordening nodig. De vier kardinale deugden spelen hierin een belangrijke rol. Thomas ontwikkelt een schema waarin hij zeer vele deugden kan ordenen en elk hun eigen plaats geven.

Het christendom brengt ook een radicaal nieuw element in de deugdethiek aan: nederigheid en aandacht voor de ander. Augustinus maakt duidelijk dat niet de zelfwerkzaamheid maar de activiteit van God op de eerste plaats staat. Hij verlegt de aandacht van het lukken naar het falen en er verschijnen drie nieuwe deugden: geloof, hoop en liefde. Deze drie theologale deugden komen niet voort uit onze wil maar worden ons door God geschonken.

Timo Slootweg: De deugd en het protestantisme

Slootweg begint zijn bijdrage door de rooms-katholieken een obsessie met eenvormigheid toe te schrijven, waar hij het protestantse idee van de kerk als in vele facetten geslepen diamant tegenover plaatst. Het reformatorische protestantisme staat gereserveerd ten opzichte van de deugdethiek die verbonden is met het idealisme dat strijdig is met de protestantse verscheidenheid. Dit idealisme is het christendom binnengeslopen en is strijdig met het Bijbelse personalisme. Voor het protestantisme wordt de hoogste waarde gevormd door de persoon en niet door het idee. Dit betekent dat het niet gaat om normen en waarden, noch om deugden maar om de waarheid van de ontmoeting. De deugdenleer is geestelijke slavernij. Deze positie wordt in het artikel verder uitgewerkt.

Niet alleen de deugdethiek wordt verworpen, ook het idee dat een mens goed zou kunnen zijn, past niet in het protestantse denken. Alle mensen zijn even onwaardig en zondig en totaal onbekwaam tot enig goed. De deugdenleer is een instrument om tot zelfrechtvaardiging in plaats van de rechtvaardiging door het geloof en door God te zoeken. Het gebod te geloven is het hoogste gebod. Niet de deugd is het tegenovergestelde van de zonde maar het geloof. De objectieve geldigheid van waarden en deugden is strijdig met het protestantse idee van een moeten dat aan de individuele persoon geopenbaard wordt. Uit de Bijbel kan worden ervaren wat God van de mens verlangt.

Binnen dit boek neemt dit artikel een unieke positie in die niet uitnodigt tot dialoog op dit gebied.

Rico Sneller: Jodendom en deugd

Sneller stelt dat het in het jodendom om vrijheid gaat. Omdat die vrijheid een goddelijke vrijheid is, moet de mens zich ervoor inspannen haar te verwerkelijken. Deze inspanning wordt in de Thora aangeduid als levensheiliging. Om dichter bij God te komen, is het nodig slechte karaktertrekken te breken. Vrijheid maakt verantwoordelijk. Deugden hebben te maken met de gezindheid van waaruit iemand handelt. De deugden zijn de toestand, de plichten de inhoud van de daad. De gezindheid is gefundeerd op deugd en bevat de plichten.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen verstandsdeugden zoals kennis en waarachtigheid en gevoelsdeugden die een cultivering van onmiddellijke gevoelens inhouden. Medelijden, medevreugde en plichtsgevoel zijn gevoelsdeugden. De belangrijke categorie is die van de wilsdeugden. De wil is de grondslag van het morele handelen en bepaalt de gezindheid. Zelfbeheersing, bezonnenheid, harmonie, vlijt, dapperheid, standvastigheid en onbevreesheid zijn wilsdeugden. Hier speelt de vrijheid een wezenlijke rol. Tenslotte wordt berouw genoemd niet als deugd maar vanwege haar betekenis voor deugdzaamheid. Een andere indeling kent deugden van het denken (waarachtigheid en bescheidenheid), sociale deugden (gerechtigheid en vrede) en deugden van de wil (dapperheid en trouw).

In de joodse deugdenleer gaat het om heiliging: om volwassenwording en vrijheid. De deugden sluiten aan bij de menselijke constitutie. Om God beter te kunnen kennen, is Thorastudie een hulpmiddel in het gezamenlijk zoeken naar God. Deugden bieden mensen een wapenuitrusting. De waarachtigheid doet de vrijheid oplichten. Berouw en boetedoening zijn essentieel voor de vrijheid. De menselijke deugden dienen zich te oriënteren op de attributen van God.

Henk Barendregt en Sabine Wassenberg: Boeddhistische deugden

Het Boeddhisme kent de Weg, het pad van de verlichting waardoor de deugden tot uiting komen na het zuiveren van het bewustzijn. De mens is in wezen goed; de mogelijkheid tot verlichting is altijd al aanwezig. De verlichting is echter verduisterd door onwetendheid. In deze conditionering ligt het zondige.

Er kunnen volgens Barendregt en Wassenberg vier grenzeloze deugden onderscheiden worden die ieder tegengestelde eigenschap kennen en een eigenschap die erop lijkt maar een wolf in schaapskleren is. De deugd compassie heeft als tegengestelde wreedheid en als wolf in schaapskleren medelijden. Voor gelijkmoedigheid zijn het rusteloosheid en onverschilligheid; voor medevreugde jaloezie en eer willen krijgen en voor liefdevolle vriendelijkheid zijn het tenslotte haat en liefde opdat…

De vier deugden hebben allemaal hun kiem in het loslaten van het mechanisme van de egogerelateerde beoordeling. Zonder dit loslaten verkeert het deugdelijk proberen in eigenschappen die een wolf in schaapskleren zijn. Wel kan het deugdelijk gedrag ook helpen het pad van de verlichting te gaan zonder dat de wortel van de ondeugden al verwijderd is.

Buchard Mansvelt Beck: Deugden in het confucianisme

Het confucianisme leert dat de schriftgeleerden, die kennis hebben van de oude geschriften, deelnemen aan de kracht ten goede. De doctrine van de schriftgeleerden stelt dat in elk sociaal contact sprake is van ongelijkheid. Er is altijd een hogere of meerdere en een lagere of mindere. De gedragsregels in de sociale contacten gelden als de traditionele confucianistische deugden. Uit de grote hoeveelheid deugden worden er vier nader door Mansvelt Beck beschreven. Dit zijn de eerbied voor de ouders, de kuisheid die de vrouw aan haar man verschuldigd is, en de twee paradepaardjes van de doctrine: betrokkenheid en plaatsbesef. De toepassing van deze laatste twee is vooral zichtbaar op politiek, openbaar niveau. Zij leiden tot het nemen van sociale maatregelen.

Geheel eigen aan het confucianisme is de plicht tot kritiek. Staatsdienaren mogen en moeten gevraagd en ongevraagd kritiek leveren op de plannen van hun superieuren. Deze confuciaanse deugd is echter tegenwoordig verdwenen.

Freek L. Bakker: Deugden in het hindoeïsme

Binnen het hindoeïsme heeft het karma een centrale plaats: elke daad heeft zijn gevolg binnen de grote kringloop van wedergeboorte en dood. De uitweg uit deze kringloop van lijden ligt in het juiste inzicht dat verkregen wordt door meditatie en leidt tot de absolute vrijheid. Een belangrijk doel van het leven is dat je dingen die je doet goed doet, dus volgens de ethische regels. Ook in het handelen ligt een weg die de mens loutert en tot de absolute vrijheid leidt. Belangrijke ethische geboden zijn volgens Bakker afzien van geweld, liefde voor de waarheid, niet stelen, kuisheid en vrijgevigheid. Op een volgend niveau liggen lichamelijke zuiverheid, innerlijke tevredenheid, soberheid, zelfstudie en overgave aan God.

Evenals in andere grote religies kent het Hindoeïsme de Gouden Regel: “Doe een ander niet aan wat jou onaangenaam is.” De Gouden Regel is binnen het hindoeïsme een weg naar vrede en naar geweldloosheid.

Gürkan Çelik en Karel Steenbrink: Een deugdzaam karakter volgens islamitische ethiek

Çelik en Steenbrink schrijven dat naast de geboden van de sjarie’a de islam haar deugdenleer kent met aandacht voor de menselijke ontwikkeling en keuzevrijheid. De basis voor de ethiek ligt in de nobele eigenschappen van Mohammed. Naast de Koran is de soennah, de overleveringen (hadieth) van de profeet dan ook een belangrijke bron in de islam. Hoewel het een vaste regel binnen de jurisprudentie daden te beoordelen naar de intentie, speelt de deugdethiek een ondergeschikte rol.

In het verleden hebben moslimgeleerden veel studie van de Griekse oudheid gemaakt. De klassieke deugdenleer heeft hierdoor haar sporen in de islamitische ethiek achtergelaten. In onze tijd is Fethullah Gülen een belangrijk denker. Hij pleit voor altruïsme, tolerantie, dialoog, acceptatie en respect voor anderen. Onderwijs en de media ziet hij als sleutelinstrumenten tot ethische vorming. Hij ziet mensen als spiegels van de namen en eigenschappen van God. De middenweg is een belangrijk begrip in zijn leer. De ideale mens vindt het evenwicht tussen de uitersten. Het leven van de profeet Mohammed is een uitmuntend voorbeeld en de uiteindelijke bestemming van de menselijke reis. Gülen geeft vier principes om deugdzaam te worden: zelfkennis, goede vrienden, losraken van verkeerde ideeën en maatschappelijke betrokkenheid.

Bart Labuschagne: Deugd en zedelijkheid bij Hegel

Volgens Labuschagne wordt de deugd bij Hegel altijd overstegen door een hoger beginsel en wordt het belang van een uitgewerkte deugdethiek door Hegel danig afgezwakt. De individuele ethiek maakt deel uit van de geestelijke infrastructuur van de samenleving als geheel. Rechtschapenheid vraagt een inbedding in een zedelijkheid die gestalte krijgt in de samenleving. De deugdethiek is van belang in de ontstaansfase van een beschaving.

De deugden bevinden zich tussen de liefde en de plichten. Zij vormen het complement op de gehoorzaamheid aan de wetten. De liefde op haar beurt verzoent de mens met de deugd. De deugd gaat op in het hogere beginsel van de liefde. De liefde is de basis van de deugden.

Het individu moet zich inpassen in het grotere geheel. In de deugd onderwerpt hij zijn drijfveren en wensen aan het handelen ten bate van het algemene. Het deugdzame individu weet dat hij het plan van de geschiedenis, van de vooruitgang, van het goede voltrekt. De verwerkelijking van het goede is echter niets anders dan het bewustzijn dat men heeft over de historische gebeurtenissen en blijft daarmee steken op het niveau van het abstracte.

Labuschagne stelt dat de huidige mens door de verregaande individualisering op zichzelf is teruggeworpen. Hij is verweesd, van God verlaten, ontworteld en overgeleverd aan oerdriften. De traditionele zedelijkheid is verdwenen. We zullen de deugdethiek nog lange tijd nodig hebben.

Jan Pieter van Oudenshoven, Marlies Pomp en Anne Fetsje Sluis: Deugden in de praktijk

Van Oudenshoven, Pomp en Sluis hebben onderzoek gedaan naar de deugden in Nederland. Zij onderscheiden de volgende groepen: katholieken, protestanten, moslims en niet-religieuzen. Er wordt ook onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen en naar opleiding. Zij hebben hun onderzoek gericht op opinieleiders: geestelijk leiders, leerkrachten van scholen en gemeenteraadsleden. Ook zijn leerlingen van gemiddeld 15 jaar ondervraagd.

Deugden worden gedefinieerd als goede eigenschappen die iedereen kan bezitten. Onderscheiden worden: betrouwbaarheid, bescheidenheid, zorgzaamheid, respect, openheid, geloof, doelgerichtheid, genade, liefde, wijsheid, matigheid, vreugde, rechtvaardigheid, moed en hoop.

De voornaamste conclusies van het onderzoek zijn dat er afgezien van accentverschillen er geen grote verschillen tussen de onderscheiden groepen bestaan. Deugden spelen een belangrijke rol. Er is een duidelijke verschuiving van de vier klassieke deugden en de drie christelijke deugden naar meer sociale deugden: respect, betrouwbaarheid, rechtvaardigheid, liefde en zorgzaamheid.

Het andere gezicht van de kerk

Auteur: Tom van den Beld
Titel: Het andere gezicht van de kerk: De Acht Mei Beweging 1985-2003
Uitgever: Valkhof Pers, 2015
Prijs: € 19,50
ISBN: 978 90 5625 443 8
Aantal pagina’s: 208

Anders dan in andere landen heeft het Tweede Vaticaans Concilie veel beroering teweeg gebracht in katholiek Nederland. Het idee ontstond dat alles anders moest. Dit leidde hier tot forse tegenstellingen binnen de Kerk. Een van de vruchten van deze ontwikkelingen was de Acht Mei Beweging.

Tom van den Beld heeft de geschiedenis van de Acht Mei Beweging beschreven. Hij ziet de organisatie als een generatieverschijnsel. Vrijwel alle betrokkenen hadden het concilie bewust meegemaakt. Zij zagen zichzelf als een vernieuwingsbeweging die niet alleen kerkelijk maar ook maatschappelijk geëngageerd was. Anderen zagen haar vooral als een binnenkerkelijke protestbeweging.

Van den Beld is zeker geen neutrale en afstandelijke geschiedschrijver. Hij sympathiseert met de ideeën van de Acht Mei Beweging en dat laat ook zijn sporen na in dit boek. Ondanks zijn betrokkenheid is hij erin geslaagd een goed beeld van deze roerige tijd te schetsen. Dat maakt het tot een waardevol boek dat ook inzicht geeft in de situatie van de Kerk in het Nederland van vandaag.

Christus Koning 2015; Da 7,13-14; Apk 1,5-8; Joh 18,33-37

De profeet Daniël ziet een mens die bekleed wordt met luister en koninklijke macht. Voor ons is dit duidelijk een profetie over het koningschap van Christus. Ook de openbaring van Johannes spreekt in termen die wij passend vinden bij dat koningschap. “Hem zij de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen! Amen.” Hoe waar deze beelden van het koningschap ook zijn, in het Evangelie zien we een totaal andere Koning. Jezus zegt: “Mijn koningschap is niet van deze wereld.” Wat dit betekent, weten we uit het vervolg op de gelezen tekst: “Toen liet Pilatus Jezus geselen. De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten Hem die op het hoofd en wierpen Hem een purperen mantel om. Ze traden op Hem toe en zeiden: ‘Gegroet , koning der Joden!’ En zij sloegen Hem in het gezicht.” (Joh 19,1-3)

Verheven beelden van het koningschap en het beeld van een verschoppeling, beelden die tegelijkertijd waar zijn. Zij sluiten elkaar niet uit. Zij vullen elkaar aan. Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar vieren wij het hoogfeest van Christus Koning, Christus: Koning van het heelal. We vieren het als een bekroning van het kerkelijk jaar, als een bekroning van het leven en heilswerk van Jezus Christus.

Ja, het is feest vandaag, maar toch is deze dag niet te vergelijken met de koningsdag, waarop onze wereldse koning geëerd wordt. Jezus Christus – onze Koning – is ook een verschoppeling. Hij wordt bespot en vernederd en sterft aan het kruis. Hij toont niet het krachtig en zelfbewust leiderschap waar velen in deze tijd vragen om met macht de orde tot stand te brengen. Hij kiest een geheel andere weg dan we van wereldse heersers gewend zijn. Hij zegt ook van zichzelf: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc 10,45) Christus Koning is niet een feest van alleen pracht en praal. Het is niet een feest van alleen gezelligheid en leuke dingen. Dit feest confronteert ons ook met de totaal andere weg die Jezus kiest: de weg van de liefde, de weg van de opoffering, de weg van de verschoppeling. Hij is het ook die zichzelf herkent in de mens in nood. Hij is de mens die honger en dorst heeft. Hij is de zieke, de gevangene, de vluchteling.

Jezus draait voortdurend de zaak om. Hij laat ons telkens weer met andere ogen naar de waarheid kijken. Waar wij een koning verwachten verschijnt een verschoppeling. Waar wij een heerser verwachten verschijnt een dienaar. Waar wij een machthebber verwachten verschijnt een mens in nood. Waar wij een grootheid verwachten verschijnt de kleinste van allen. Waar wij geweld verwachten komt Hij met liefde. Jezus maakt het ons niet gemakkelijk. In de taal van vandaag: Hij haalt ons uit onze comfort zone. Het feest van Christus Koning geeft ons een ongemakkelijk gevoel.

Jezus Christus erkennen als onze Koning houdt ook in dat wij Hem willen navolgen, Hem, “die ons gemaakt heeft tot een koninkrijk van priesters.” Petrus schrijft in zijn eerste brief: “Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie.” (1 Pe 2,9) Als volk van God hebben wij het gemeenschappelijk priesterschap: wij delen in het priesterschap en het koningschap van Christus. Wij proberen Christus na te volgen in zijn koninklijk priesterschap. Wij willen een gelovig antwoord op Gods heilswerk in Christus geven. Hij nodigt ons uit te handelen als koningen door ons in dienst te stellen van anderen en niet in de eerste plaats ons eigen belang te zoeken. Daarom vieren wij het feest van Christus Koning als een diaconaal feest.

Dit feest leert ons te kijken met de ogen van Jezus. Zo leren wij de diepere dimensie van onze werkelijkheid te begrijpen. Zo ontdekken we hoezeer God de wereld bemint en haar steeds weer tot liefde voor Hem brengt. Het is Gods liefde voor ons die ons brengt tot liefde voor elkaar. Zo zijn wij een werktuig in de hand van God. Wij brengen niet op eigen kracht de verbetering van de wereld tot stand. Het is Gods genade die ons dit laat doen. Jezus geeft ons niet alleen een ongemakkelijk gevoel. Hij geeft ons ook het geloof en het vertrouwen dat God ons nabij is. Wij staan er nooit alleen voor. Wij hoeven niet de last van de wereld op onze schouders te nemen. Wat er van ons gevraagd wordt dat wij in geloof onze bijdrage leveren, dat wij met God meewerken aan een betere wereld.

Het is een opdracht van de Kerk om dienstbaar te zijn aan de wereld. Die opdracht hebben wij ook als parochie, als gemeenschap van gelovigen. Ieder van ons levert als deel van de gemeenschap zijn aandeel. Wij allen zijn geroepen om de naastenliefde in de praktijk te brengen. Ieder van ons kan hierin het zijne doen. De een door actief aan de slag te gaan; de ander door financiële ondersteuning te bieden aan het goede werk. Voor allen geldt dat het handelen altijd gepaard kan gaan met gebed. Ook in het gebed kunnen wij werkelijk gestalte geven aan onze liefde voor elkaar.

Christus kwam om te dienen, niet om gediend te worden. Hij kwam met liefde, niet met macht en geweld. Laten wij Hem daarin navolgen. Amen.

Lied voor Christus Koning

       melodie: Aan U, o Koning der eeuwen

Heer Jezus is onze Koning.
Dat feest vieren wij vandaag.
Nederig Dienaar van allen:
Hij luistert naar iedere vraag
Op ’t einde van de tijden
redt Hij ons van de dood.
De Herder kent ons lijden.
Hij is onze Koning groot!

“Wat jij nu doet aan de minsten,
dat heb je aan Mij gedaan.
Geeft hen te eten en drinken
en trekt hen weer kleren aan.
Wie ziek is of gevangen,
gevlucht is uit zijn wijk.”
Hij roept steeds al zijn schapen:
“Treedt binnen in mijn Rijk.”

Heer Jezus is onze Koning.
Gods Zoon, wij aan Hem gelijk.
Herder en Dienaar van allen:
Hij opende ons zijn Rijk.
Wij mogen Hem navolgen
met goede daad en woord.
De liefde Gods voor allen:
Nu zingt en zegt het voort.

Allerzielen 2015; Kl 3,17-26; Rom 5,5-11; Joh 14,1-6

Als wij het over heiligen hebben denken wij vooral aan hen die opgenomen zijn in Gods heerlijkheid, aan de heiligen in de hemel. Ook als wij in de twaalf artikelen van het geloof ‘de gemeenschap van de heiligen’ noemen, denken we vooral aan de heiligen in de hemel. Maar als de apostel Paulus het in zijn brieven over heiligen heeft, bedoelt hij de christenen hier op aarde. Heiligen zijn dus niet alleen degenen die heilig zijn verklaard. Alle christenen op aarde en in de hemel vormen één gemeenschap van heiligen. Vanouds onderscheiden we drie verschillende groepen heiligen: de strijdende Kerk op aarde, de lijdende Kerk in het vagevuur en de triomferende Kerk in de hemel.

Deze drie groepen vormen samen de gemeenschap van de Kerk: de gemeenschap van de heiligen. Zo horen niet alleen Allerheiligen en Allerzielen bij elkaar, maar zijn ook wij hier op aarde wezenlijk verbonden met onze broeders en zusters in het vagevuur en in de hemel. Gisteren vierden we het heil, de verlossing en verheerlijking die de heiligen in de hemel ontvangen hebben. Vandaag bidden wij voor de overledenen die nog onderweg zijn naar het heil. En wij zelf worden iedere dag geroepen ons leven te heiligen. Wij allen zijn door God geschapen om heiligen te zijn en uiteindelijk deel te nemen aan zijn rijk van vrede en geluk, aan het eeuwig leven.

Wij kunnen ons geen enkele voorstelling maken van het leven na de dood, van het eeuwig leven. En toch hopen en verlangen wij naar dat volmaakte geluk. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn. Hoe ziet het eeuwig leven eruit? De lezingen van vandaag helpen ons daarbij niet echt verder. Wel kunnen we hierin lezen dat wij als individuen zullen voortbestaan. Wij gaan niet op in iets algemeens, iets abstracts zoals licht of energie. Wij worden ook geen sterretje aan het firmament. Op een of andere wijze blijven we mensen, individuele mensen levend in gemeenschap. Dat is ook is ook wezenlijk aan het geloof in de verrijzenis.

Ook de leerlingen van Jezus zitten met vragen. Zij begrijpen Jezus niet. Dus zegt Tomas: “Heer, wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?” Zij zitten met dezelfde vraag als wij. Ook zij worstelen met het mysterie van het leven, het mysterie van de dood en het mysterie van God. “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.” De enige voorwaarde die Jezus noemt is geloof. Geloven is vooral durven vertrouwen. Jezus zegt ons: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.’ Hij houdt ons niet een systeem van regels en geboden voor. Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven, hoe je kunt geloven, hoe je kunt liefhebben, hoe je de waarheid op het spoor kunt komen. Jezus zegt ons: Kijk naar Mij, hoe Ik op de Vader vertrouw. Kijk hoe de Vader van Mij houdt en Ik van Hem. Kijk hoe Ik die liefde deel met alle mensen. Doe net als Ik doe: leef met vertrouwen en liefde. Dan zul je ook sterven in vertrouwen en liefde, dan zul je sterven in vrede.

Jezus geeft ons hoop, hoop op een goede afloop. De eerste lezing schetst ons het beeld van hoe wij in de put kunnen zitten, moedeloos zijn en het niet meer weten. Het verdriet over een verlies kan ons helemaal in beslag nemen en ons alle hoop en vertrouwen doen verliezen. Maar tegelijkertijd weten wij ook, dat we niet hoeven te wanhopen, dat we juist mogen vertrouwen, want “zonder einde is Gods genade, onuitputtelijk is zijn erbarmen.” Jezus heeft dit vertrouwen, deze hoop geleefd. Hij heeft het ons voorgeleefd en wij mogen Hem navolgen. Wij mogen delen in zijn heerlijkheid. Hij heeft voor ons een plaats bereid. Het huis van zijn Vader, de gemeenschap van de heiligen is onbegrensd.

De gemeenschap van alle gelovigen gaat ook over de grenzen van de dood heen. De banden van de liefde zijn sterker dan de dood. Zo zijn wij hier op aarde ook blijvend verbonden met onze overleden broeders en zusters. Zij die in de eeuwige zaligheid, voor het aangezicht van God leven, kunnen voor ons een voorspraak zijn. Hen kunnen wij aanroepen om voor ons tot God te bidden. Voor hen die nog onderweg zijn, bidden wij zelf. Ook met hen zijn wij verbonden en wij vragen aan God hen op te nemen in zijn rijk van vrede en geluk. Amen.

Dienstbaar in deze tijd; Js 53,10-11; Heb 4,14-16; Mc 10,35-45

“Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn.” Wij worden geroepen om te dienen, om dienstbaar te zijn. Dienstbaar zijn, dienaar zijn is in onze tijd geen vanzelfsprekendheid. In onze maatschappij staat vooral het eigen ‘ik’ centraal: je moet assertief zijn, je de kaas niet van het brood laten eten. Ieder voor zich en God voor ons allen. Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs die zouden ons wel begrijpen: Zij denken aan zichzelf, aan hun eigen toekomst en vragen dan ook aan Jezus: “Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand moge zitten.” Dat is de taal van onze tijd, de taal die ook wij spreken.

Dit is echter niet de taal van het Evangelie. Jezus roept ons op Hem na te volgen en dienaar te zijn. Over zichzelf zegt Hij: “want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” In de traditie van de Kerk worden de woorden uit de eerste lezing, de profetie van Jesaja, betrokken op Jezus. Jezus Christus is de rechtvaardige dienaar van God die zich met de fouten van de mensheid heeft belast. Deze rol als dienaar van allen doet Hem de verheven hogepriester zijn, waarover het in de brief aan de Hebreeën gaat. Deze hogepriester is mens geweest zoals wij. Hij kent al onze zwakheden en tekortkomingen. Hij geeft ons ook de genade en de hulp die wij nodig hebben, om op onze beurt dienaar en dienstbaar te zijn in onze wereld.

Dienstbaarheid wordt tegenwoordig vaak alleen gezien in termen van onderdanigheid en ondergeschiktheid. Maar dienen zoals hier in het Evangelie bedoeld, is juist handelen uit vrije wil en op basis van gelijkwaardigheid. Jezus heeft het over het vrije handelen van een dienaar. Hij heeft het niet over het handelen als een slaaf, niet over het onderdanige en gedwongen dienen. Elkaar dienen is bij Jezus een uiting van vriendschap en van liefde. Een slaafse houding van dienstbaarheid mist juist die liefde. Gedwongen liefde bestaat niet. Verslaafd zijn aan dienstbaarheid is dan ook eerder een kwaad. Een verslaving maakt je onvrij, maakt je slaaf en daarvan komt Jezus ons nu juist verlossen. Jezus is mens geworden om ons uit de slavernij te bevrijden, om van ons vrije mensen te maken.

Jezus maakt in deze tekst ook onderscheid tussen de slaaf en de dienaar. “Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen.” Er kan er natuurlijk maar één de eerste zijn en dat is Jezus zelf. Alleen Hij is in staat slaaf te zijn zonder zijn vrijheid te verliezen. Alleen Hij kan zijn leven geven als losprijs voor velen. Alleen Hij kan ons bevrijden uit de slavernij en tot vrije mensen maken. Wij zijn niet geroepen om slaaf maar om dienaar te zijn. Dienstbaar te zijn zoals God dienstbaar is. Hij komt ons met zijn oneindige liefde altijd weer te hulp.

Tegenwoordig wordt er weer steeds vaker een beroep op onze dienstbaarheid gedaan. De verzorgingsmaatschappij waarin de overheid onze hele leven van de wieg tot het graf regelt en verzorgd, is gelukkig een onmogelijkheid gebleken. In de zogenaamde participatiemaatschappij is de onderlinge dienstbaarheid weer een noodzakelijk onderdeel van onze samenleving. Ook de overheid moet nog leren hier goed mee om te gaan. Zo zal zij haar regelzucht moeten opgeven en mensen zelf laten bedenken hoe ze daar inhoud aan willen geven. Wat mensen individueel of georganiseerd zelf kunnen regelen, kan de overheid beter aan hen over laten.

Ook de vreemdelingen in ons land, de vluchtelingen doen een beroep op onze dienstbaarheid. Ook zij zijn kinderen van God, onze broeders en zusters. Dat vraagt dat wij hen als gelijkwaardige mensen behandelen. Gelijkwaardigheid vraagt niet dat wij onze waarden op het spel zetten. Het vraagt ook niet dat wij zelf tot slachtoffer worden. Gelijkwaardigheid betekent wel gastvrijheid met de omgangsregels die bij gastvrijheid horen. Gastvrijheid betekent binnen je eigen mogelijkheden ruimte maken voor de ander. Het betekent niet je eigen leven of je eigen gemeenschap op het spel zetten. Gastvrijheid kent ook grenzen. Zodra wij ons niet meer bewust zijn van onze grenzen, vervallen we in verslaving en worden we tot slaven. Dan is er geen ruimte meer voor de liefde en zijn ook we geen dienaren.

Ook angst voor het vreemde brengt ons niet tot dienstbaarheid. Iedere mens kent deze angst en het is ook goed om goed op te letten als je je op onbekend gebied begeeft. Dat hebben wij mensen nodig om te kunnen overleven. Maar ook deze angst kan een vorm van verslaving aannemen. Alles wat anders is dan ik gewend ben, is dan fout. Dan sluiten wij ons af van de wereld en kruipen weg in ons holletje van zelfgenoegzaamheid, in een holletje waar geen ruimte is voor de ander en dus geen ruimte voor liefde en geen ruimte voor dienstbaarheid.

Jezus roept ons op tot dienstbaarheid. Daarbij zal Hij ons met zijn barmhartigheid, genade en hulp ter zijde staan. Amen.

Oogstdankdag; Mc 10,17-30

We vieren oogstdankdag. We danken God voor de vruchten van de aarde. We denken daarbij in de eerste plaats aan het voedsel dat de aarde voortbrengt. Oogstdankdag gaat ook verder. Alles wat de schepping ons geeft om ons leven mogelijk te maken, om ons leven te verrijken en alles wat het leven tot een vreugde maakt, dat alles stemt ons tot dankbaarheid. Oogstdankdag is er ook niet alleen voor hen die in de land- en tuinbouw werken. Het gaat om iedereen die bijdraagt aan het algemeen welzijn van allen. Het gaat om ons allemaal want wij allen leven dankzij de vruchten van de aarde en het werk van mensenhanden.

Oogstdankdag doet ons ook stil staan bij onze plaats binnen de schepping. God heeft ons het leven en heel de schepping gegeven als een geschenk. Wij maken deel uit van de schepping. Ons leven is direct afhankelijk van heel de schepping. Wij dragen ook verantwoordelijkheid voor de schepping. De schepping is ons gegeven om haar te bewerken en te beheren. Wij mogen haar verder ontwikkelen en vrucht laten dragen. En wij moeten voor de schepping zorgen. Wij hebben het vruchtgebruik. Het is niet de bedoeling dat we schepping verbruiken en zeker niet dat we haar misbruiken of vernietigen.

Paus Franciscus schrijft in de encycliek Laudato si’ over duurzaamheid, over de schepping en haar voortbestaan en over ons menselijk gedrag. De paus wijst ons op onze verantwoordelijkheid. Hij schrijft: “De aarde, ons huis, begint steeds meer op een enorme vuilnisbelt te lijken.” De aarde “schreeuwt ons op dit moment toe vanwege de schade die wij haar hebben toegebracht door ons onverantwoordelijk gebruik en misbruik van al het goede dat God in haar heeft gelegd.” De encycliek gaat ook over hoop en spoort ons aan tot een nieuwe spiritualiteit. De paus roept ons op op zoek te gaan naar een ecologische spiritualiteit. Een christelijke ecologische spiritualiteit verschaft onze de juiste houding. Als wij de juiste houding, de juiste mentaliteit hebben, zullen we ook juist handelen.

Jezus spreekt vandaag over de relatie tussen onze mentaliteit en ons handelen. De rijke jongeling is zeer gehecht aan zijn bezit. Van bezit gaat een verslavende werking uit. Bezit geeft ons het idee van onafhankelijkheid. We kunnen alles kopen wat we nodig hebben. Het geluk lijkt door onszelf te realiseren. Jezus ziet de verslaving van de rijke jongeling: “Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak…” Voor een rijke is het niet zo moeilijk om de geboden te onderhouden. Hij kan het zich gemakkelijk permitteren zich aan de regels te houden. Jezus wijst de jongeman erop dat het niet primair om het handelen gaat, maar dat de juiste instelling belangrijk is. Het gaat niet om onze wilskracht maar om onze overgave. Overgave aan God en op Hem vertrouwen zal ons het heil brengen. Jezus zegt ons dat we ons niet aan het materiële bezit moeten hechten. Onthechting maakt ons vrij om te denken en anders naar de wereld te kijken. Het is niet onze rijkdom die ons hier en later werkelijk gelukkig maakt. Hiervoor zijn voor alles afhankelijk van God. Hij zal ons gelukkig maken. De rijke die verslaaft is aan zijn bezit, staat niet open voor geschenken. Geschenken maken je afhankelijk van een ander. Dit maakt het voor hem zo moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan.

Ook in onze tijd zijn wij sterk gehecht aan materieel bezit. Onze rijkdom brengt ons tot mateloze consumptie. De paus roept op tot een nieuwe levensstijl aannemen. Wij moeten loskomen van het consumentisme. De paus schrijft: “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren.” “Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” Soberheid maakt vrij. Soberheid, matigheid en ook solidariteit passen ons mensen. Want de schepping is niet onbegrensd. Zij is niet grenzeloos. Onze menselijke bestaan kent in al haar facetten begrenzingen. Het meest nadrukkelijk geldt dat voor materiële zaken. De aarde is groot genoeg om iedereen te voeden en een goed leven te laten leiden. Maar dat vraagt van ons dat wij onze verantwoordelijkheid nemen en oog hebben voor de mogelijkheden en de begrenzingen die de schepping van nature heeft. En dat vraagt dat wij ook oog hebben voor elkaar en niet alles voor onszelf opeisen.

Dit geldt ook voor de voedselproductie. Om voor iedereen voldoende voedsel te produceren is het nodig dat we gebruik maken de mogelijkheden die de moderne technologie ons biedt. Een duurzame voedselproductie houdt in dat er geen verspilling van natuurlijke bronnen zoals water en fossiele brandstoffen plaatsvindt, dat het milieu niet vervuild wordt door chemicaliën en pesticiden, dat de uitstoot van CO2 en andere schadelijke gassen beperkt is en dat de biodiversiteit, grote verscheidenheid van de schepping beschermd wordt. Van de consument vraagt dit dat we niet kiezen voor de laagste prijs, maar oog hebben voor duurzame producten. Duurzaam produceren en duurzaam consumeren vragen ook om een economie die niet alleen gebaseerd is op het marktmechanisme van vraag en aanbod.

Een ecologische spiritualiteit ziet het leven en de schepping als een geschenk. Dat brengt ons tot een houding van dankbaarheid, soberheid en solidariteit. Met een geschenk dat ons uit liefde is gegeven, zullen we goed en zorgvuldig omgaan. Amen.

Liefde en trouw; Gn 2,18-24; Mc 10,2-16

Vandaag begint in Rome de bisschoppensynode over het gezin. De bisschoppen staan voor de moeilijke opgave om de idealen die God aan de mensen heeft gegeven, opnieuw te verwoorden en opnieuw tot leven te brengen. Niet alleen de bisschoppen staan voor een moeilijke opgave. Ook wij – de gelovigen hier in Nederland – staan voor een moeilijke opgave. Van ons wordt gevraagd dat wij moeite doen te begrijpen wat de bisschoppen ons te zeggen hebben. Van ons wordt ook gevraagd dat wij bij onszelf nagaan op welke wijze wijzelf gestalte geven aan de idealen van God en op welke wijze wij hierover met anderen spreken.

Laten we eens een paar van die idealen nader bekijken. Wat is de betekenis van liefde en trouw in het leven van mensen? Wij noemen God “de Heer van liefde en trouw”. Zo heeft Hij zich aan ons laten kennen. Zo is God ons in Jezus Christus tegemoet getreden. Zo is Hij ons geopenbaard. Naar het beeld van de God van liefde en trouw zijn wij geschapen. Liefde en trouw bestaan alleen als mensen in relatie staan met elkaar. Eigenliefde en trouw aan jezelf zijn geen overbodige eigenschappen, maar kunnen maar al te makkelijk uitgroeien tot individualisme en zelfgerichtheid, tot egoïsme en egocentrisme. Liefde en trouw zoals we die in God ervaren, zijn gericht op de ander. Daarom is het ook “niet goed dat de mens alleen blijft.” In het individu komen liefde en trouw niet tot bloei. Als individu wordt een mens niet werkelijk mens. De Kerk spreekt daarom over de mens als persoon. Een persoon staat in relatie tot andere personen. Hij is niet alleen. Zo komen wij mensen tot volle ontplooiing; zo worden wij in verbondenheid met elkaar steeds meer beeld van God.

We spreken over liefde en trouw als twee samenhangende begrippen. Ze hangen met elkaar samen en er is een onderlinge afhankelijkheid. Het zijn ook twee verschillende begrippen. Liefde is vooral iets van het hart en trouw iets van het hoofd. Liefde is vooral een geschenk, een gave. Trouw komt daarentegen meer uit jezelf: je moet en kunt het zelf willen. Juist daarom hangen zij met elkaar samen en hebben ze elkaar nodig. Als wij alleen ons hart of alleen ons hoofd volgen, gaat het niet goed. Mensen zijn wezenlijk een combinatie van hoofd en hart.

In onze huidige samenleving begint een relatie tussen twee mensen vrijwel altijd met een wederzijdse verliefdheid. Vanuit de verliefdheid groeit de liefde. De verliefdheid op elkaar wordt omgevormd tot liefde voor elkaar. De eigenliefde van de verliefdheid wordt omgevormd tot liefde voor de ander. Zo groeien we van begerende liefde naar schenkende liefde. En uit de liefde groeit de trouw. En tenslotte leven ze lang en gelukkig. Zo ziet onze cultuur het ideaal van liefde en trouw. Maar het kan ook anders. Jaren geleden sprak ik een Syrische christen. Hij vertelde dat zijn ouders voor hem een vrouw hadden uitgezocht. Dat was volgens hem goed, want zijn ouders wisten beter wat goed voor hem was dan hijzelf. Hij was trouw aan zijn vrouw. Zij vormden een gezin. En zij leerden elkaar lief te hebben. Ook zij waren gelukkig met elkaar.

Blijkbaar is de ene weg niet zonder meer beter dan de andere. Het is dan ook niet goed onze eigen weg als de zaligmakende weg te zien. De verschillende wegen kunnen elkaar aanvullen. We kunnen van elkaar leren. Misschien is het wel een van de problemen van onze cultuur dat we trouw zien als een resultaat van de liefde en geen oog hebben voor het omgekeerde. Dat betekent dat we min of meer ons hoofd verliezen en ons overleveren aan de grillen van ons gevoel.

Een relatie tussen mensen kan nooit alleen maar een zaak van het hart zijn en net zo min alleen maar een zaak van het hoofd. In beide gevallen doen we de ander en onszelf geweld aan. Als we een relatie alleen met ons hoofd benaderen, lopen we het gevaar de ander alleen te zien als een object en de eigen waardigheid van de ander uit het oog te verliezen. Maar al te gemakkelijk vervallen we in een houding van berekening. Dan wordt het een kwestie van ‘voor wat hoort wat’. Dan is er geen ruimte meer voor spontaniteit. Dan is er geen ruimte meer voor liefde en voor werkelijk geluk. Als we alleen ons hart volgen, ligt het gevaar van de sentimentaliteit op de loer. We denken dan voor altijd in een roze wolk te kunnen leven. We zullen ook voortdurend overvallen worden door het idee dat ‘het gras bij de buren altijd groener is’. Dan denken we alleen gelukkig te kunnen zijn in een ideale wereld met volmaakte medemensen. Dan verliezen we de realiteit uit het oog. Dan hebben ook geen oog voor de gebrokenheid van ons eigen bestaan.

Liefde en trouw tezamen, de samenwerking van hoofd en hart doen ons tevreden zijn met wat ons gegeven is. Zij doen ons ook in het alledaagse het geluk vinden. Zij doen ons werkelijk ten volle leven en met volle teugen van het leven genieten. Liefde en trouw: Gods idealen voor ons mensen. Liefde en trouw vormen de basis van ons geluk, hier en altijd. Amen.