Spring naar inhoud

Waar blijft de kerk

Auteur: Erik Borgman
Titel: Waar blijft de kerk: Gedachten over opbouw in tijden van afbraak
Uitgever: Adveniat, 2015
Prijs: € 19,50
ISBN: 97894 9209 312 7
Aantal pagina’s: 158

Erik Borgman stelt voor de berichten over krimp en de prognoses over afbraak van de kerk als een list van de heilige Geest te beschouwen. De r.-k. kerk kan niet meer gered worden door bezuinigingen, efficiënter beheer of intelligentere organisatie. “We moeten niet allereerst iets doen, we moeten weer iets gaan ontvangen: de signalen van de Geest.” Wij moeten terug naar de vraag: “wie en wat is God en wat betekent het in hem te geloven.”

De theoloog Borgman zoekt in dit boek naar de bron van de kerk. Het gaat hem om de vraag hoe de kerk in onze tijd teken en instrument van de liefde van God kan zijn. “Haar taak is te doen wat in het licht van het geloof als nodig verschijnt, ook al lijkt het onmogelijk.” De kerk moet niet met alle winden meewaaien, maar wel weten dat het verlangen naar God zich steeds weer opnieuw en zich steeds weer anders voordoet, en daarvoor openstaan. Dat vraagt een open en creatieve manier van kijken naar de wereld van vandaag.

De benadering van Borgman is verfrissend. Hij schrijft vanuit zijn liefde voor de kerk en noemt het boek een liefdesverklaring. Gods liefde voor ons doet ons “weten dat wij, wat er ook gebeurt, niet kunnen en mogen ophouden kerk te zijn.”

Als ik de liefde niet heb…; 1Kor 12,31-13,13; Lc 4,21-30

Jezus is zijn optreden in de synagoge begonnen met een tekst uit de profeet Jesaja te lezen. Vorige week hoorden we deze tekst: “De Geest des Heren is over Mij gekomen, omdat Hij Mij gezalfd heeft. Hij heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.” Dit is de tekst waarvan Jezus – zoals we vandaag horen – zegt: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan.” Jezus betrekt deze tekst op zichzelf. Hij is degene waarover de profeet Jesaja spreekt. Jezus presenteert zichzelf als een ware profeet.

Jezus is door God gezonden om Gods liefde voor de mensen te verkondigen. Hij is gekomen om het goede nieuws, de Blijde Boodschap te brengen: Hij verkondigt de bevrijding die God bewerkt. Eerder zijn de profeten van het Oude Testament gezonden met de opdracht deze boodschap van bevrijding te verkondigen. Al snel wordt duidelijk dat het leven van een profeet niet gemakkelijk is. Na een eerste enthousiaste reactie slaat de stemming van zijn stadsgenoten om. Jezus ziet dit gebeuren en concludeert: “Geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad”. Jezus herinnert er ook aan hoe het de grote profeten Elia en Elisa is vergaan. Ook wij ervaren in onze tijd dat het niet gemakkelijk is te spreken over God, over zijn liefde voor ons en over de hoop en het vertrouwen waarmee wij – dankzij die liefde – kunnen leven.

Paulus reikt ons de sleutel aan voor een goede verkondiging. Hij schrijft in zijn brief aan de Korintiërs over de liefde. In deze indrukwekkende tekst beschrijft hij het belang van de liefde. De liefde staat centraal, alles draait om de liefde. Dit geldt niet alleen voor de verkondiging, maar voor al ons doen en laten. Al ons spreken en al ons handelen moet vergezeld gaan van liefde. Wij leven in relatie met andere mensen en alles wat wij doen is relationeel en heeft met andere mensen te maken. Leven in pure eenzaamheid houden we niet lang vol.

In relatie met anderen worden wij pas mens. Wij worden mens door werkelijk in contact te staan met anderen, in onze verbondenheid met elkaar. Daarom mag ons spreken en handelen nooit puur functioneel zijn, want dan wordt de ander tot een object, een ding teruggebracht. Daarmee doen we niet alleen de ander te kort. Ook wijzelf worden daardoor minder mens. Paulus spreekt daar zeer beeldend over: “… als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal. … als ik de liefde niet heb, ben ik niets. … als ik de liefde niet heb, baat het mij niets.” Als wij niet spreken en handelen met liefde wordt het niets. Zonder liefde zijn wij geen goed ouders, zonder liefde zijn we geen goede onderwijzers, zonder liefde zijn we geen goede zorgers. Maar zonder liefde zijn we ook geen goede tuinders, geen goede bouwvakkers, geen goede bankiers, geen goede ambtenaren, geen goede kooplieden en zo kunnen we doorgaan.

Door ons spreken en handelen te doorspekken met liefde maken wij God zichtbaar in deze wereld. Door de liefde lijken wij op God. De liefde maakt zichtbaar dat wij naar het beeld van God geschapen zijn. Met een leven in liefde verkondigen wij God en verkondigen wij zijn blijde Boodschap. Met een leven van liefde zijn wij ware navolgers van Jezus Christus. Hij heeft ons laten zien hoe je leven in liefde kunnen leiden.

Bij de bewoners van Nazareth ging het niet om de liefde. Zij zagen Jezus als iemand die hun belangen kon dienen. Zij hadden alleen maar een functioneel idee over de rol van Jezus. Daarom wordt de belangstelling van Nazareth door Jezus afgewezen. Hij is gezonden om de liefde van God te brengen. Hij komt niet voor het particuliere gewin van zijn eigen stad. In onze tijd is ook alle aandacht gericht op eigen gewin en functionaliteit. Alles wordt instrumenteel gemaakt. Het gaat om meetbare resultaten en duidelijke doelen. Zo wordt ook alles verhandelbaar. Daarmee verdwijnt niet alleen de menselijkheid in onze onderlinge relaties, ook de functionaliteit zelf lijdt eronder. Onderwijs zonder liefde is slecht onderwijs. Zorg zonder liefde is slechte zorg. Maar ook huizen gebouwd zonder liefde zijn minder goede huizen en tomaten gekweekt zonder liefde zijn minder goede tomaten.

Velen zullen onze boodschap naïef noemen en niet serieus nemen. Net alles Jezus zullen we niet door iedereen gewaardeerd worden. Wij zelf zullen echter de kracht van de liefde ervaren in de mensen om ons heen en in onszelf. Dat maakt ons ongenaakbaar. Zoals Jezus door de menigte loopt, zo mogen ook wij ongenaakbaar zijn. Onze liefde voor iedereen zal uiteindelijk het respect van de ander oproepen. Met onze liefde voor allen wordt zichtbaar dat ook wij vervuld zijn van de Geest des Heren.

Wanneer wij delen in Gods liefde en ook de anderen daarin laten delen, zijn ook wij ware profeten en verkondigers van de Blijde Boodschap. Amen.

Barmhartig als de Vader

Eerst wat toelichting van begrippen. Daarna wordt in gegaan op de barmhartigheid.

Wat is een heilig jaar? Het heilig jaar of jubeljaar vindt zijn oorsprong in het joodse jubeljaar. Levitus 25 beschrijft hoe er elke zeven jaar een sabbatsjaar zal zijn: een jaar van rust voor het land. Na zeven sabbatsjaren volgt in het vijftigste jaar een jubeljaar, waarin voor iedereen kwijtschelding wordt afgekondigd. Het is een jaar van herstel. Jezus verwijst hiernaar als Hij zegt: “De geest des Heren is over Mij gekomen, omdat Hij Mij gezalfd heeft. Hij heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.” (Lucas 4,18-19) In de Middeleeuwen ontstond in de Kerk het heilig jaar. Het was een bijzonder jaar van pelgrimage naar Rome, waar in ieder geval de vier belangrijkste kerken bezocht werden. Ook hierbij zijn kwijtschelding en herstel belangrijk. Nu gaat het om het herstel van de relatie met God en om de kwijtschelding van zonden. Om iedereen in de gelegenheid te stellen een heilig jaar mee te maken, is er iedere vijfentwintig jaar een heilig jaar. Daarnaast kan de paus ook tussendoor een heilig jaar afkondigen.

Aan het begin van het heilig jaar opent de paus de heilige deur van de Sint Pieter. Aan het einde van het jaar wordt deze weer gesloten. Ook de andere drie basilieken hebben een heilige deur. De paus opent de deur met de woorden: “Aperite mihi portas iustitiae.” (Open voor mij de poorten der gerechtigheid.) Deze tekst verwijst naar Psalm 118,19-21: “Open de poort die gerechtigheid heet, ik wil naar binnen en de Heer danken. Hier is de poort van de Heer, hier mag binnen wie rechtvaardig blijkt. U dank ik, U hebt mij verhoord, U bent mijn redder gebleken.” Zo is het gaan door de heilige deur een pelgrimage, een daad van bezinning en boetvaardigheid. Om iedereen in de gelegenheid te stellen aan dit ritueel deel te nemen, zijn er deze keer in alle bisdommen wereldwijd heilige deuren geopend. In het bisdom Rotterdam is dat in de basiliek van de heilige Liduina en Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans in Schiedam. Ook in de Bedevaartskerk HH. Martelaren van Gorcum in Den Briel en de kerk van de heilige Jeroen in Noordwijk zal voor korte tijd een heilige deur geopend worden.

Zoals gezegd gaat het om het herstel van de relatie met God en om de kwijtschelding van zonden. Daarin speelt in de katholieke Kerk het sacrament van boete en verzoening een belangrijke rol. Dit sacrament vraagt van de ontvanger van het sacrament oprecht berouw, belijdenis van de zonden en het voornemen het aangedane kwaad daadwerkelijk te herstellen. Daarna volgt de kwijtschelding van de zonden. Dan is er nog de aflaat. Hierover schrijft de paus: “In het sacrament van de verzoening vergeeft God de zonden, die werkelijk worden uitgewist; en toch blijft de negatieve indruk die de zonden in onze gedragingen en onze gedachten hebben achtergelaten. De barmhartigheid van God is echter ook sterker dan dit. Zij wordt kwijtschelding door de Vader, die (…) de zondaar die vergiffenis heeft gekregen, bereikt en hem bevrijdt van iedere rest van het gevolg van de zonde en hem in staat stelt te handelen met naastenliefde, te groeien in de liefde in plaats van weer te vervallen in zonde. (…) Aflaat is de heiligheid van de Kerk ervaren, die deelneemt aan alle weldaden van de verlossing van Christus, opdat de vergeving zich uitstrekt tot de uiterste gevolgen waartoe de liefde van God komt.”[1]

Dit heilig jaar is een jaar van barmhartigheid. De paus schrijft in zijn aankondiging: “Wij willen dit Jubeljaar beleven in het licht van het woord van de Heer: barmhartig als de Vader.”[2] Hij verwijst hiermee naar: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is.” (Lucas 6,36).

In het boekje ‘De naam van God is genade’ zegt de paus: “Strikt genomen betekent barmhartigheid je hart openen voor mensen die het moeilijk hebben. En dan komen we meteen bij de Heer: barmhartigheid is de goddelijke wil om te omarmen, waarmee God ons welkom heet door zichzelf te geven en door zich naar ons toe te buigen om ons te vergeven. Jezus heeft gezegd dat Hij niet is gekomen voor de rechtvaardigen, maar voor de zondaars. Hij is niet gekomen voor de gezonde mensen die geen arts nodig hebben, maar voor de zieken. Je zou dus kunnen zeggen dat barmhartigheid de identiteitskaart van onze God is.”[3]

Over de noodzaak van barmhartigheid in deze tijd: “Omdat het een gewonde mensheid is, een mensheid die diepe kwetsuren draagt. Zij weet niet hoe ze die moet behandelen of denkt dat die gewoon onmogelijk te behandelen zijn. En dan gaat het niet alleen om sociale kwalen en mensen die gewond zijn door armoede, door maatschappelijke uitsluiting, door de vele verslavingen van het derde millennium. Ook het relativisme verwondt vele mensen: alles lijkt om het even, alles lijkt hetzelfde. Deze mensheid heeft behoefte aan barmhartigheid. (…) Daar komt tegenwoordig ook nog het drama bij dat we ons kwaad, onze zonde, als onbehandelbaar beschouwen, als iets wat niet kan worden genezen en vergeven. Men heeft geen concrete ervaring met barmhartigheid.”[4]

Over de rol van de Kerk: “De Kerk is niet op de wereld om te veroordelen, maar om de ontmoeting mogelijk te maken met die intense liefde die Gods barmhartigheid is. Om dat mogelijk te maken moeten we naar buiten, dat zeg ik heel vaak. De kerk en de parochie uit, naar buiten om de mensen te gaan zoeken op de plek waar ze wonen, waar ze lijden, waar ze hopen. Het veldhospitaal, het beeld waarmee ik die ‘uitgaande kerk’ altijd graag vergelijk, heeft als kenmerk dat het daar verrijst waar de strijd wordt geleverd: het is niet het solide, volledig uitgeruste bouwwerk waar mensen naartoe gaan om zich te laten behandelen voor hun kleine en grote kwalen. Het is een mobiel gebouw, voor de spoedeisende hulp, de noodgevallen, om te voorkomen dat de strijders sterven. (…). Ik hoop dat het Buitengewoon Jubeljaar steeds meer het gezicht naar boven zal halen van een kerk die de moederlijke gevoelens van barmhartigheid herontdekt en die tegemoetkomt aan de vele ‘gewonden’, die behoefte hebben aan een luisterend oor, begrip, vergeving en liefde.”[5]

Over barmhartigheid en gerechtigheid: “Alleen gerechtigheid is niet voldoende. Met barmhartigheid en vergeving gaat God verder dan gerechtigheid, Hij neemt die op en verheft haar tot iets hogers, waardoor we de liefde kunnen ervaren die het fundament is van ware gerechtigheid. (…)
De mensheid wordt besmet door de goddelijke barmhartigheid. Jezus was God, maar Hij was ook mens, en in zijn persoon vinden we ook de menselijke barmhartigheid. Met barmhartigheid is de gerechtigheid rechtvaardiger, en kan werkelijk tot haar recht komen. Dat betekent niet dat je al te toegeeflijk moet zijn, in die zin dat je de gevangenisdeuren wijd open zet zodat ook mensen met zware misdaden op hun geweten eruit kunnen. Het betekent dat we degenen die zijn gevallen moeten helpen om niet op de grond te blijven liggen. Het is moeilijk om dat in praktijk te brengen, want soms willen we iemand liever voor de rest van zijn leven opsluiten in plaats van ons best doen hem overeind te laten krabbelen en hem te helpen met zijn re-integratie in de samenleving.
God vergeeft alles, Hij biedt iedereen een nieuwe kans, Hij deelt zijn barmhartigheid uit aan iedereen die erom vraagt. Wij zijn zelf degenen die niet kunnen vergeven.”
[6]

Wat kunnen wij zelf? “Je openstellen voor Gods barmhartigheid, jezelf en je hart openen, Jezus toestaan om je tegemoet te komen, met vertrouwen het sacrament van boete en verzoening ervaren. En proberen barmhartig te zijn jegens anderen.”[7]

Over de werken van barmhartigheid: “Ze helpen ons onszelf open te stellen voor Gods barmhartigheid, God te vragen om de genade dat we begrijpen dat iemand zonder barmhartigheid niets kan doen, dat jij dan niets kunt doen, en dat ‘de wereld niet zou bestaan’, zoals die oude vrouw zei die ik in 1992 ontmoette.
Laten we op de eerste plaats kijken naar de zeven lichamelijke werken van barmhartigheid: de hongerigen spijzen; de dorstigen laven; de naakten kleden; de vreemdelingen herbergen; de zieken verzorgen; de gevangenen bezoeken; de doden begraven. Daar valt niet veel aan uit te leggen, toch? En als we naar onze situatie kijken, naar onze samenleving, dan zijn er wat mij betreft volop omstandigheden en gelegenheden om ons heen. Wat staat ons te doen tegenover de dakloze die bij ons voor de deur op straat leeft, tegenover de arme die niets te eten heeft, tegenover het gezin van onze buren dat het eind van de maand niet haalt vanwege de crisis, omdat de buurman zijn baan is kwijtgeraakt? Hoe moeten we ons gedragen tegenover de vluchtelingen die de tocht over zee hebben overleefd en op onze kusten stranden? Wat staat ons te doen tegenover eenzame, in de steek gelaten bejaarden, die niemand meer hebben?
Belangeloos hebben we ontvangen, belangeloos geven we. (…)
Op de zeven lichamelijke werken van barmhartigheid volgen de zeven geestelijke werken van barmhartigheid: in moeilijkheden goede raad geven; de onwetenden onderrichten; de zondaars vermanen; de bedroefden troosten; beledigingen vergeven; het onrecht geduldig verdragen; voor de levenden en overledenen bidden. Laten we even stilstaan bij de eerste vier werken van geestelijke barmhartigheid: komen die in wezen niet overeen met dat wat we hebben omschreven als ‘het apostolaat van het oor’? Naar iemand toe gaan, kunnen luisteren, raad geven, onderwijzen, vooral door het goede voorbeeld te geven. In het omarmen van de verschoppeling die lichamelijk gewond is, in het omarmen van de zondaar die gewond is tot in zijn ziel, daarin staat onze geloofwaardigheid als christenen op het spel.”
[8]

De paus legt veel nadruk op vergeving ontvangen en zelf ook vergeven. Meer dan op de concrete hulpverlening. Je eigen en andermans tekortschieten onder ogen zien en daarin noch jezelf noch de ander af wijzen, is essentieel voor mensen. Het is ook een voorwaarde om tot concrete hulpverlening te komen. De nood van de ander wordt anders maar al te gemakkelijk gezien als: ‘eigen schuld, dikke bult’. In het Onze Vader bidden we: “en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”. Bij de vraag om ons dagelijks brood ontbreekt deze toevoeging. We bidden niet: en geef ons heden ons dagelijks brood, zoals ook wij aan anderen brood geven. Blijkbaar is elkaar vergeven belangrijker.

Inleiding bij Diaconaal Platform Lansingerland op 26 januari 2016

 

[1] Franciscus, Misericordiae vultus: Bul met de afkondiging van het buitengewone jubileum van de barmhartigheid, 22. Nederlandse tekst op http://www.rkdocumenten.nl.

[2] Ibidem, 13.

[3] Paus Franciscus, De naam God is genade: De paus in gesprek met Andrea Tornielli, Vianen: The House of Books, 2016, 29-30.

[4] Ibidem, 39.

[5] Ibidem, 83-84.

[6] Ibidem, 114, 117-118.

[7] Ibidem, 139.

[8] Ibidem, 140-142.

Het woord is aan jou; Ex 19,3-6; 1 Pe 2,9-12; Mt 5,14-16

“Het woord is aan jou.” Geloven is niet iedereen gegeven. Geloven is een vrucht van Gods genade. Niet dat het buiten onszelf omgaat, maar primair wordt de genade ons gegeven. Wij mogen dit geschenk aanvaarden, maar kunnen het ook weigeren. Wij kunnen ons openstellen voor God, maar Hem ook afwijzen. Als wij de genade van het geloof in dankbaarheid aanvaarden, mogen we er ook mee aan de slag, dan is het woord aan ons. Op katholieke wijze wordt dat verwoord met het idee van ‘met de genade meewerken’.

Christen zijn is een uitverkiezing, maar het is geen privilege. Christen zijn is een roeping: wij zijn geroepen tot een opdracht. Vijftig jaar geleden legde het Tweede Vaticaans Concilie de basis voor de volgende omschrijving in onze katechismus: “Christengelovigen zijn zij die, door het doopsel in Christus ingelijfd, tot volk van God zijn gemaakt, en aldus aan de priesterlijke, profetische en koninklijke ambt van Christus op hun eigen wijze deelachtig, ieder volgens zijn eigen plaats, geroepen worden de zending uit te voeren die God aan de Kerk ter vervulling in de wereld toevertrouwd heeft.” Twee opmerkingen: Het gaat niet alleen over katholieken, maar over alle christengelovigen, allen die gedoopt zijn in de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Ook gaat het niet expliciet over de rooms-katholieke Kerk, maar over Kerk van Christus. Kortom deze omschrijving gaat over alle christenen, over ons allen zoals wij hier vanavond bijeen zijn.

Wij allen zijn door het Doopsel ingelijfd in de Kerk van Christus. Wij allen zijn daarmee geroepen tot priester, profeet en koning. Daarmee hebben wij allen deel aan het werk van Christus in deze wereld. De Letten hebben dit verwoord in het thema van deze dienst: “Het woord is aan jou.” Wij allen worden geroepen goede christenen te zijn. Wij allen worden geroepen daden van liefde te stellen. Zo zijn wij het licht van de wereld, een teken van Gods aanwezigheid onder de mensen.

Wij zijn gedoopt met water. Door het water van de Doop is ons een nieuw leven gegeven. Zoals Christus door de dood aan het kruis heen met zijn verrijzenis tot nieuw leven kwam, zo zijn wij door het water van de Doop heen een nieuw leven begonnen: een leven met Christus, een leven met God. In de katholieke Kerk volgt na de Doop een zalving met chrisma. Vanuit het Oude Testament kennen we de zalving van priesters, profeten en koningen. Wij noemen Jezus van Nazareth, de Messias en de Christus. Wij noemen Hem de Gezalfde.

Met de zalving krijgen mensen een ambt, een opdracht en een taak. De gezalfde wordt geroepen, uitverkoren en gewijd die opdracht uit te voeren. Zo worden wij met onze Doop de wereld ingestuurd om priesters, profeten en koningen te zijn, om op die manier ware volgelingen van Jezus Christus te zijn. Met de zalving ontvangen wij ook de Geest van Jezus, de heilige Geest. Hij stelt ons in staat tot ons christelijke opdracht. Als koningen zijn wij geroepen om elkaar te dienen, als profeten om elkaar te vertellen over de Blijde Boodschap van Christus, en als priesters om elkaar te bemoedigen, ons leven te heiligen en het aan God en aan elkaar toe te wijden. Jezus heeft ons laten zien hoe wij onze opdracht inhoud kunnen geven. Hij heeft ons de weg gewezen, sterker nog Hij zegt van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Wij worden geroepen Hem in woord en daad na te volgen: het woord is aan ons.

Onze huidige cultuur is erg gericht op comfort en geriefelijkheid. Welvaart en lichamelijke welzijn staan vaak op de eerste plaats. Welvaart en welzijn leveren ons een aangename verdoving op. Wij voelen ons goed en sluiten de gordijnen voor de boze buitenwereld. Er is niets tegen comfort en geriefelijkheid, maar er is meer. Veel mensen zoeken een uitdaging, ze willen iets presteren, ze willen van betekenis zijn in deze wereld, ze willen verschil uitmaken. Velen worden onrustig van comfort en geriefelijkheid. Zij zoeken avontuur, zij zoeken eer en roem, zij willen zich onderscheiden. Vooral jonge mensen hebben deze onrust in zich. De een trekt met een rugzak de wereld in, de ander zoekt het in drugs, weer een ander in uitzonderlijk avontuur en het nemen van extreme risico’s en weer anderen zoeken het in sportprestaties of carrière maken. Christelijke ambities komen in dit rijtje zelden voor. Sterker nog het geloof wordt eerder gezien als iets dat je juist troost en comfort biedt.

Onze wereld heeft nood aan idealen en aan mensen die zich daarvoor werkelijk willen inzetten, die zich willen inzetten voor anderen, mensen die niet uit zijn op persoonlijk gewin en persoonlijke roem. Het gaat in het leven niet om het opbouwen van een mooie cv. Het gaat erom werkelijk een bijdrage te leven aan de verbetering van de wereld en aan het geluk van anderen. Daarin ligt onze roeping tot priesters, profeten en koningen. Daarin kunnen we ons ware christenen tonen, navolgers van Jezus Christus.

Het woord is aan jou, aan mij, aan ons. Amen.

Uw God is op komst! Js 40,1-5.9-11; Tit 2,11-14;3,4-7; Lc 3,15-16.21-22

Met Kerstmis vierden we de geboorte van Christus, we vierden dat God voor ons mens geworden is, dat Hij ons leven heeft willen delen. In onze westerse wereld krijgt dit aspect van de menswording de meeste aandacht. In de Oosterse Kerk wordt juist de nadruk gelegd op de daaropvolgende openbaring. Daar is het feest van de Openbaring des Heren het hoogtepunt. Wij noemen dit feest meestal Driekoningen. Dit aspect van de openbaring wordt in onze Kerk benadrukt door er maar liefst drie keer aandacht aan te besteden: vorige week met Driekoningen, vandaag met de Doop van de Heer en volgende week met de Bruiloft van Kana.

Bij de menswording van Christus gaat het er niet om dat God wil weten hoe het is om mens te zijn. Het gaat erom dat Hij zich aan ons wil laten kennen. Het belang van de menswording is dat wij in de persoon van Jezus Christus aan de weet komen, wie God is. In Christus wordt God geopenbaard. In het Evangelie van Johannes kunnen we lezen, wat daarmee wordt bedoeld. Op de avond voor zijn lijden zegt Jezus: “Wie Mij ziet, ziet de Vader.” Hoe kan treffender gezegd worden dat in Christus God geopenbaard wordt. De Zoon is sprekend zijn Vader. Vandaag wordt dit op een andere wijze gezegd. Nu klinkt er een stem uit de hemel die spreekt: “Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb ik mijn behagen gesteld.”

De Zoon die sprekend zijn Vader is, brengt ons redding. Hij verkondigt ons het goede nieuws, de blijde boodschap. En Hij doet dat met het gezag van de Zoon, het gezag van de Zoon die sprekend zijn Vader is, het gezag van de Zoon die één is met de Vader. Blinden laat Hij weer zien en gevangenen krijgen de vrijheid. Allen die in het duister verkeren, worden naar het licht gebracht. Hij brengt redding voor alle mensen. De liefde van God is er voor iedereen. Bij God is er geen aanzien van persoon. Iedereen die lijdt onder het kwaad, onder de dwingelandij van de duivel, wordt genezen. De menswording van Christus is niet primair een romantisch feest van een kindje in een kribbe. Centraal staat het feit dat in deze menswording God zich aan ons openbaart, dat God zich aan ons laat kennen. Door Christus weten wij wat het betekent dat God liefde is. Door Hem weten wij dat wij al onze hoop, al ons vertrouwen op Hem kunnen stellen. Hij is onze redding.

Het feest van de Doop van de Heer markeert ook het begin van het openbare leven van Jezus van Nazareth. Na de doop in de Jordaan begint Hij aan zijn missie, zijn zending. Hij, de Zoon van God is mens geworden om ons Gods liefde voor allen te leren kennen. Johannes de Doper is zich ervan bewust, dat hij op een keerpunt in de geschiedenis staat. “Er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken.” Jezus wordt bij zijn doop geopenbaard als de Zoon van God, zijn welbeminde. Hij is degene die zal dopen met de heilige Geest. Hij predikt niet alleen bekering, Hij brengt ook de gaven van de heilige Geest. Paulus schrijft in zijn brief aan Titus: “Hij heeft ons gered door het bad van wedergeboorte en vernieuwing door de heilige Geest. Want Hij heeft de Geest overvloedig over ons uitgestort door Christus onze Heiland.”

Met de menswording van Gods Zoon is een nieuwe tijd aangebroken. Met Kerstmis hoorden wij in het Evangelie volgens Johannes: “Het woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd.” Jesaja voorziet deze heerlijkheid als hij schrijft: “En verschijnen zal de glorie des Heren en alle vlees zal daarvan getuige zijn: De mond des Heren heeft het gezegd! Beklim de hoogste berg, (…) verkondig het luide, ken geen vrees, roep tot de steden van Juda: Uw God is op komst!” De menswording van Christus heeft zich niet in het geheim afgespeeld. Het is een openbare zaak. Direct na zijn geboorte wordt het Kind bezocht door de herders. Later komen de wijzen uit het Oosten op bezoek. Als Hij volwassen is, maakt Hij openbaar wie Hij werkelijk is.

De doop in de Jordaan markeert het begin van Jezus’ openbare leven. Ook onze Doop markeerde een begin. Met het Doopsel werden wij lid van de Kerk, van de gemeenschap van Christus. Wij werden gedoopt met water, maar ook met de heilige Geest. De Doop met de heilige Geest wordt concreet in de zalving met Chrisma. Deze zalving vindt plaats bij het Doopsel en wordt herhaald bij het Vormsel. Zo ontvangen wij niet alleen het Doopsel van bekering en vergeving, waartoe ook Johannes de Doper oproept. Met de zalving ontvangen wij ook de opdracht om als christen te leven. Wij christenen zijn gezalfden, zoals Christus de Gezalfde is. Wij zijn net als Christus gezalfd tot koningen, profeten en priesters. Als koningen zijn wij geroepen om elkaar te dienen, als profeten om elkaar te vertellen over de Blijde Boodschap van Christus, en als priesters om elkaar te bemoedigen, ons leven te heiligen en het aan God en aan elkaar toe te wijden.

Zo leeft Christus in ons, zo wordt Hij mens in ons en zo openbaart Hij zich door ons in de wereld van vandaag. Ook voor ons geldt het woord van Jesaja: “Verkondig het luide, ken geen vrees, (…): Uw God is op komst!” Amen.

Geschenken; Js 60,1-6; Ef 3,2-3a.5-6; Mt 2,1-12

“Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre.” De wijzen werden vervuld met overgrote vreugde. Zij staan oog in oog met het Kind en vallen op hun knieën neer. Geconfronteerd met de openbaring van het mysterie bieden zij hun geschenken aan het Kind aan. Alles is ons gegeven, niets wezenlijks hebben wij zelf tot stand gebracht. Omdat alles een geschenk is, worden wij zelf ook tot geven gebracht. Ons geven is een antwoord op de geschenken die wijzelf ontvangen.

In ons dagelijkse leven is er steeds meer sprake van ‘voor wat hoort wat’. Ons leven wordt meer en meer bepaald door afspraken en contracten. Ons leven hangt van overeenkomsten aan elkaar. Alles wordt tot handelswaar. Toch worden de meest wezenlijke zaken van ons bestaan ons gegeven. Dat begint al met het leven zelf. Het leven is ons zomaar gratis geschonken. We hebben er helemaal niets voor hoeven doen. Er rust ook geen hypotheek op die we gaandeweg moeten aflossen. We hebben er ook geen zeggenschap over. Op een goede dag – we weten niet wanneer – zullen we het weer teruggeven.

Ook liefde wordt ons gegeven. Liefde is niet te koop. Wel kan een betaalde dienst gepaard gaan met liefde. Hoe belangrijk deze toegevoegde liefde is, zien we bijvoorbeeld in de zorg. Maar ook de wijze waarop in een winkel geholpen worden, is er een voorbeeld van dergelijke liefde. Onze samenleving wordt koud en kil als de liefde en vriendelijkheid eruit verdwijnt. Enkel zakelijkheid levert een onleefbare wereld op. Onze meest innige relaties zijn gebaseerd op de liefde. Dat geldt vooral voor het huwelijk en voor het gezin. Dat geldt voor de familiebanden en vriendschappen. Maar ook collegialiteit en gemeenschapsvorming worden vooral gekenmerkt door de liefde.

Liefde en zakelijkheid kunnen heel goed samengaan. We noemden al de voorbeelden van de zorg en de klantvriendelijkheid. Maar liefde en zakelijkheid kunnen elkaar ook in de weg zitten. Als ze niet goed van elkaar gescheiden blijven, als ze door elkaar lopen en mensen hebben verschillende verwachtingen, kunnen er ernstige conflicten ontstaan. Zo zijn vele familieruzies het gevolg van het verdelen van een erfenis.

Het essentiële van een relatie die op liefde en vriendschap is gebaseerd, is dat het evenwicht tussen geven en ontvangen wordt losgelaten. Over het algemeen willen we graag evenwicht. Een bekend gezegde is dan ook dat de liefde niet van één kant kan komen, maar als het erop aan komt, hebben we daar geen enkel probleem mee. Neem de relatie tussen ouders en kinderen of het geval dat een van de huwelijkspartners ernstig ziek is. Het enige wat de ontvangende partij nog kan doen, is een goede ontvanger zijn.

Onze relatie met God is echt alleen gebaseerd op de liefde. God heeft geen zakelijk belang bij ons. God doet überhaupt niet in zaken. De Schepping is niet zijn bedrijf. De Schepping is geschapen uit liefde. Elk schepsel komt voort uit Gods liefde. Als wij mensen het hoogtepunt van de Schepping zijn, dan is dat omdat wij in staat zijn Gods liefde te beantwoorden. Wij zijn schepselen die ons niet alleen door onze driften laten drijven. Ons mensen is het gegeven elkaar lief te hebben, onze Schepper lief te hebben en ook zijn schepping lief te hebben.

Niet alleen in het Evangelie is er sprake van geven. Ook in de eerste en tweede lezing zijn geschenken aan de orde. In de eerste lezing wordt het volk Israël overladen met geschenken: de schatten van de zee en rijkdom van de volkeren. Zo openbaart de Heer zijn glorie aan hen. Paulus schrijft in zijn brief hoe het mysterie is geopenbaard. Via de apostelen en de profeten wordt de openbaring aan ons doorgegeven. Zo zijn wij in Christus Jezus mede-erfgenamen van Gods belofte.

Alles is ons gegeven, alles is genade. Het is aan ons om er open voor te staan en het te willen ontvangen. Als wij in staat zijn te ontvangen, zijn wij ook in staat zelf te geven. Alles wat ons gegeven wordt, kunnen en mogen wij ook doorgeven en delen met anderen. Amen.

Zalig gebakken

Auteurs: Marian Geurtsen & Bep Willers-van Oostwaard
Titel: Zalig gebakken: Verhalen, recepten en tradities wereldwijd – van Driekoningen tot Sinterklaas
Uitgever: Berne Media, 2015
Prijs: € 19,95
ISBN: 978 90 8972 076 4
Aantal pagina’s: 176

Wat is er mooier dan met je gezin een speciaal gerecht te eten wat je zelf hebt klaargemaakt en waar ook nog een mooi verhaal bij te vertellen is? Dit bakboek geeft veertig traditionele brood-, koek- en gebakrecepten. Iedere hobbybakker kan ze zonder ingewikkelde kunstgrepen en moeilijk verkrijgbare ingrediënten of keukenapparatuur bereiden.

Alle recepten zijn verbonden met speciale feesten: de hoogtijdagen uit het kerkelijk jaar en de feestdagen van populaire heiligen. Zo kunt u voor de komende Kerst Oostenrijks Kletzenbrot bakken en met Driekoningen een Franse Driekoningenkoek. Elk recept wordt ingeleid met het verhaal van de feestdag en een bijbehorende illustratie. De tradities rond het feest worden toegelicht. En ook is er een mooie afbeelding van het resultaat.

Het geheel is een prachtig boekwerk geworden. Dit boek biedt mogelijkheden het geloof in de huiselijke kring te vieren en voor alle gezinsleden van jong tot oud concreet en tastbaar te maken. Het is een verhalenboek, receptenboek en kunstboek in één.

Heilige Familie; Lc 2,41-52

In oktober was in Rome de bisschoppensynode over het gezin. Een jaar eerder was er al de buitengewone synode met als thema: de pastorale uitdagingen voor het gezin in de context van de evangelisatie. U hebt ongetwijfeld kennis genomen van de berichtgeving hierover. Als we de media moeten geloven ging het over twee onderwerpen: Mogen mensen die gescheiden en hertrouwd zijn de Communie ontvangen, en kunnen mensen van hetzelfde geslacht met elkaar trouwen: het homohuwelijk. Misschien denkt u: moeten we ons daar nou zo druk over maken, laat die mensen dat fijn zelf uitmaken, dat is toch hun zaak. Misschien heeft u daar wel gelijk in maar toch ziet u één ding over het hoofd. In onze tijd willen mensen inderdaad zelf bepalen hoe ze leven, maar ze willen ook dat hun manier van leven door anderen niet alleen gerespecteerd wordt maar ook als goed wordt erkend. Dus willen ze ook van de Kerk horen dat het goed is wat zij doen. En daar wringt de schoen: de Kerk vindt niet dat alles maar moet kunnen.

De media hebben deze twee onderwerpen veel aandacht gegeven, maar ging het ook werkelijk over deze twee vragen? Centraal in het denken van de Kerk staan het geluk en het heil van de mensen, van iedere mens en van de gehele mens in heel zijn wezen met alles erop en eraan. Welke wegen leiden mensen tot het geluk dat God voor hen voor ogen heeft? Hoe kan de Kerk ook een middel en een teken van heil zijn voor mensen die moeite hebben met de leer van de Kerk over huwelijk en gezin? Er zijn mensen die na een mislukt huwelijk een nieuwe liefde hebben gevonden. Er zijn mensen met homoseksuele gevoelens. Ook zij verlangen naar liefde en geluk. Ook zij zijn kinderen van God. God houdt ook van hen. Ook zij mogen deel uit maken van de Kerk van Jezus Christus. Ook hen moeten wij liefhebben en zeker niet veroordelen en uitsluiten.

De Kerk wordt tegenwoordig vaak gezien als een instituut dat allerlei onmogelijke regeltjes voorschrijft, als een instituut dat geen oog heeft voor de werkelijkheid van vandaag. Het zijn niet alleen de media die dit beeld hebben doen ontstaan. Ook de Kerk zelf, ook wijzelf hebben daaraan bijgedragen. Heldere regels maken het leven op een prettige manier overzichtelijk. Je weet waar je je aan moet houden en wat je te doen staat. Maar dat leidt er vaak toe dat de regels en wetten op de voorgrond komen te staan. Dan wordt vergeten welke waarden zij vertegenwoordigen en raakt de liefde en de barmhartigheid in de verdrukking. Dan verdelen de regels de wereld en de mensen in goed en fout.

Bij de afsluiting van de synode was paus Franciscus heel duidelijk: het gaat niet om de letter maar om de geest van de wet, niet om de ideeën maar om de mens, niet om de formules maar om de genade van de liefde van Christus en van zijn vergeving. De synode was volgens de paus niet bedoeld om zaken voor eens en voor altijd op te lossen, maar om hedendaagse pastorale kwesties betreffende huwelijk en gezin te zien in het licht van het Evangelie en in het licht van de traditie en van tweeduizend jaar geschiedenis van de Kerk. Waar dit alles toe leidt is nog onduidelijk. Waarschijnlijk komt de paus in de loop van volgend jaar met een document waarin hij de vruchten van de synode verwerkt.

Vandaag op het feest van de heilige Familie gaat onze aandacht uit naar het gezin bestaande uit Jezus, Maria en Jozef. Zij worden ons voorgehouden als een voorbeeld en als een bron van inspiratie. Hoe voorbeeldig is dit gezin eigenlijk. Het is zeker niet het mooie gezinnetje wat vele jonge stellen voor ogen hebben. Laten we eens kijken welke informatie het Evangelie ons geeft. Ten eerste is er sprake van een ongehuwde vrouw, Maria die in verwachting raakt. Dan is er de man, Jozef die er aan denkt zijn verloofde te verlaten omdat zij een kind van een ander verwacht. Het jonge stel gaat samen op reis van Nazareth naar Bethlehem: een tocht van zo’n 150 kilometer te voet, heuvel op, heuvel af. Geen hotelreserveringen en dus geen plaats in de herberg op het moment dat Maria moet bevallen. Ruw volk over de vloer: de herders die het kind willen zien, en dan nog die vreemde snuiters uit het oosten met hun dure cadeaus waar je niets aan hebt. In de tempel komt ene Simeon nog vertellen, dat het kind zijn moeder veel verdriet zal bezorgen: een zwaard zal haar ziel doorboren. Vervolgens vluchten ze met het kind naar Egypte. En ook nu weer te voet. Na een aantal jaren keren ze terug naar Nazareth. Eindelijk een beetje rust. Het kind groeit op en als het twaalf jaar is, gaat het mee op de jaarlijks pelgrimstocht naar Jeruzalem om daar het Paasfeest te vieren. Gezellig met de hele familie en alle vrienden en bekenden op reis. Dan meent de belhamel dat hij – zonder iets aan zijn ouders te zeggen – nog even in de tempel met de leraren in gesprek moet en hij laat zijn ouders alleen naar huis vertrekken.

Dit is alles wat wij weten van het gezin van Jezus, Maria en Jozef. Mooier kunnen we het niet maken. Dit is inderdaad niet wat mensen voor ogen hebben, als ze een gezin gaan stichten. Dit is ook niet wat we wie dan ook toewensen. Toch is dit wat ons vandaag als voorbeeld wordt voorgehouden. Het voorbeeld zit zeker niet in deze feiten, maar in de manier waarop deze drie mensen met deze feiten omgaan. Dit gebeurt met veel geloof, hoop en liefde. Aan het begin van dit gezin staan de woorden van Maria: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.” Vandaag lezen we hoe Maria zich staande houdt: “Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.” Het zijn deze regels, deze korte verwijzingen naar geloof, hoop en liefde waar wij het mee moeten doen. Dus geen handboek over een gelukkig en ideaal gezinsleven, maar slechts enkele tekens van geloof, hoop en liefde hoe om te gaan met moeilijke situaties.

De heilige Familie is ons niet alleen tot voorbeeld. Zij is ook onze voorspraak. Wij mogen hen vragen voor ons te bidden en ons bij te staan in moeilijke tijden. Amen.

Licht in duistere tijden; Lc 2,1-14

“Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. En dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren kind vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.” Plotseling wordt het de herders duidelijk. Midden in de winternacht, midden in de duisternis is er licht. Op het meest onverwachte moment wordt het heil verkondigd. Er schijnt licht in duistere tijden. Gods aanwezigheid wordt in zijn volle omvang zichtbaar. Heel de aarde wordt vervuld van Gods glorie.

Ons menselijk bestaan is niet alleen licht en liefde, vrede en geluk. Soms verkeren wij in het duister en zien we het even niet zitten. De wereld om ons heen staat in brand door oorlog en geweld. In onze directe omgeving zien we onverschilligheid en worden mensen aan hun lot overgelaten. Ook in onszelf ervaren we het kwaad van onze zelfgerichtheid, van een egoïstische zorg en angst om het eigen bestaan. We voelen ons soms geheel teruggeworpen op ons materiële bestaan. Alles wat ons daarboven uittilt is dan weg. Dan ervaren we geen licht en liefde, geen vrede en geluk.

Maar wij zijn naar hier gekomen omdat wij hoe dan ook geloven, dat er meer is dan ons louter materiële bestaan. Wij geloven dat er ook in de diepste duisternis licht zal gaan branden. Wij geloven in God als Schepper van hemel en aarde. Wijzelf en alles om ons heen is door Hem gemaakt. Hij heeft zichzelf er in uitgedrukt en maakt zichzelf er in kenbaar. In alles mogen wij zijn hand zien: het is het werk van zijn handen.

Dit maakt ons mensen ook tot meer dan alleen materie. Wij zijn geschapen naar het beeld van onze Schepper. Hij heeft ons gemaakt tot mensen die in staat zijn het goede te doen, elkaar lief te hebben en elkaar te vergeven. Wij kunnen werkelijk relaties aangaan en leven in verbondenheid met elkaar. Wij zijn niet alleen maar materie en biologie. Wij zijn meer dan alleen chemische reacties, hormonen, driften en lusten, meer dan angst en strijd om te overleven. Wij kunnen ook verlangen en liefhebben, hopen en geloven. Wij hebben een vrije wil waarmee wij werkelijk keuzes kunnen maken.

Ondanks al het goede in ons kost het ons soms moeite om los te komen van ons materiële bestaan, van onze driften en angsten. We laten ons erdoor meeslepen en we verkeren in het duister. Dan zien we geen uitweg meer en is het licht verdwenen. God is niet alleen onze Schepper. Hij is ook onze Verlosser. Met de geboorte van Jezus Christus heeft God ons werkelijk bevrijd. Jezus Christus bevrijdt ons van onze driften en angsten. Hij bevrijdt ons van het kwaad in de wereld en van het kwaad in onszelf.

Jezus verkondigt ons God. Hij laat ons God kennen als onze liefhebbende Vader. Hij laat ons zien wat werkelijk liefde is. Hij heeft afstand gedaan van zijn goddelijke heerlijkheid en het menselijk bestaan aangenomen, een leven in eenvoud en armoede. Jezus leeft geheel vanuit de liefde. De liefde is de bron van zijn bestaan. Vanuit die liefde geeft Hij alles. Hij is mensen tot steun. Hij geneest de zieken en brengt vergeving. Hij richt mensen weer op en geeft ze nieuw leven. Als teken van zijn oneindige liefde voor ons geeft Hij ook zijn leven. Hij is een en al liefde en zo is Hij het licht in de duisternis. Zijn liefde vervult heel de schepping en alle mensen. Hij vervult heel de aarde van de glorie van God. Jezus Christus, Gods Zoon daalt uit de hemel neer. Gods Zoon wordt mens. Hij wordt een van ons. Hij deelt ons menselijk bestaan. Daarmee brengt Hij ons op een hoger niveau. Hij tilt ons op. Hij brengt het goede in ons tot leven en tot bloei.

De menswording van Christus is niet alleen iets van tweeduizend jaar geleden. Wij vieren Kerstmis niet om een historisch feit te gedenken. Wij vieren Kerstmis omdat de menswording van Christus doorgaat en telkens weer opnieuw gebeurt in ieder van ons. Als wij Hem de ruimte geven door te erkennen dat we Hem nodig hebben, komt Hij tot ons, leeft Hij in ons en mogen wij ons met Hem verbinden. Dan werkt zijn liefde in ons en door ons. Als wij ons met Jezus Christus verbinden, als wij ons realiseren dat we het niet op eigen kracht kunnen, stelt Hij ons in staat zelf ook een bron van liefde te worden. Dan zet Hij ons op het spoor van het goede leven. Dan laat Hij ons anderen gelukkig maken. Dan breekt zijn licht in ons door. Dan schijnt er door ons heen licht in de duisternis. Als wij ons met Jezus Christus verbinden, als wij Hem de ruimte geven mens te worden in ons, worden wij zelf dragers van zijn Blijde Boodschap, worden wij zelf brengers van liefde, vrede en vergeving, van verbondenheid en geluk. Dan gaan wij zelf stralen van geluk, dan wordt onze manier van leven aanstekelijk voor anderen, dan nemen anderen een voorbeeld aan ons, dan worden wij zelf een licht in duistere tijden.

Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.

Nu daagt het in het oosten; Js 7,10-14; Lc 1,26-38

Nu daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal.
Hij komt de volken troosten,
die eeuwig leven zal.

Gisteren was het de kortste dag. Vanaf vandaag worden de dagen weer langer. Midden in de duisternis van de winter vieren wij het feest van Kerstmis: een feest van vrede, van warmte en van licht.

De zonne, voor wier stralen
het nacht’lijk duister zwicht,
en die zal zegepralen,
is Christus, ’t eeuwig licht!

Het is Jezus Christus, Gods Zoon die als mens wordt geboren. Hij is ons licht, onze zon. Daarom zijn onze kerken ook op het oosten gericht. Wij richten ons in gebed naar Christus: de opgaande zon. De zon als symbool van Christus: het Licht van de wereld. De opgaande zon is elke dag weer een teken van hoop. zoals ook elk pasgeboren kind een teken van hoop is. Onze opgaande zon, Christus wordt als een kind geboren. “Zie, de jonge vrouw zal ontvangen en een zoon baren, en zij zal hem noemen, Immanuel, God-met-ons.”

Gods Zoon wordt mens. Zo wordt Hij een van ons. Hij deelt ons menselijk bestaan. Het is echter niet alleen een neerdaling vanuit de hoogte; het is ook een opheffing. Door de menswording van Christus worden wij mensen opgeheven tot het goddelijke. Wij worden uit ons aardse bestaan opgetild tot een hoger niveau, tot een leven met God. God-met-ons betekent ook dat wij met God mogen zijn. Wij mogen Hem nabij zijn, zoals Hij ons nabij is.

Het is nog Advent. Wij zijn ons nog aan het voorbereiden op de komst van Christus. De Advent is ook een tijd van bezinning. Wat betekent Christus voor ons. Hoe is Hij het Licht in ons leven? Hoe brengt Hij ons vrede? Wat moeten wij zelf doen om in vrede te leven? Hoe zijn wij ontvankelijk voor zijn vrede? Telkens weer worden wij geconfronteerd met oorlog en geweld. Zoveel mensen leven met onderdrukking en bedreiging. Zij zijn hun leven niet zeker. Wij willen zo graag vrede in de wereld. Maar ook in onze eigen omgeving leven mensen in onvrede, zij leven in onvrede met de wereld om hen heen en in onvrede met zichzelf. Ook wijzelf zijn lang niet altijd gelukkig en tevreden. Wat zit ons dwars? Hoe maken we schoon schip? De Advent is een tijd om ons daarop te bezinnen. Hoe leven wij in vrede met onze omgeving en met onszelf? Wie moeten wij om vergeving vragen en wie moeten wij zelf vergeven? Hoe komen we tot acceptatie van het leven zoals dat ons gegeven is? Hoe komen we tot acceptatie van onszelf?

Christus is mens geworden. Dat is niet alleen geschiedenis. De menswording van Christus is ook de realiteit van vandaag. Ook vandaag wil Hij mens worden, mens worden in ieder van ons. Hij wil ons vrede geven en gelukkig maken. Dat vraagt van ons dat wij ons openstellen voor Hem, dat wij Hem toelaten mens te worden in ons. Als wij onze eigen onvrede en onrust onder ogen zien, maken wij ruimte voor Hem en zal Hij ons rust en vrede te geven.

Maria is ons hierin tot voorbeeld. Zei sprak: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.” Maria is de eerste die in geloof Christus ontvangen heeft. “De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen.” Maria was ontvankelijk voor het Woord van God. Op concrete en lichamelijke wijze heeft Gods Woord in haar gewoond. Jezus Christus is de vrucht van haar schoot.

Ook wij mogen Gods Woord, Jezus Christus ontvangen. Wij mogen dragers zijn van Hem, dragers van Gods Woord. Zo kan zijn licht stralen door ons. Zo verbinden wij ons met Christus en zijn wij werkelijk christen. Amen.