Spring naar inhoud

Gemeenschap in Christus; Hnd 14,21-27; Apk 21,1-5; Joh 13,31-35

Vandaag gaan de lezingen over gemeenschap. In de Handelingen van de apostelen lezen we hoe er een nieuwe gemeenschap wordt opgebouwd. Ze houden elkaar bij de les door over God en zijn werk te blijven spreken. Hierdoor zijn ze in staat ook de tegenslagen gezamenlijk te dragen. Er worden mensen aangesteld om verantwoordelijkheden op zich te nemen. Mensen nemen hun dienstwerk binnen de gemeenschap op zich en zij mogen zich door de gemeenschap gedragen weten. Johannes ziet in zijn visioen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Christus, die op de troon is gezeten, zegt: “Zie, ik maak alles nieuw.” In de ideale gemeenschap woont God onder de mensen. God en mensen vormen één gemeenschap en er is geen rouw, geen geween en geen smart; al het oude is voorbij. Jezus vertelt ons hoe de verrezen en verheerlijkte Christus de bron van gemeenschap is. Hij is het ware gezicht van Gods liefde en barmhartigheid. Hij vormt het fundament van de gemeenschap in en met Hem. Aan die gemeenschap is het toevertrouwd Gods liefde voor allen te verkondigen en in de praktijk te brengen.

Vijftig jaar geleden was het Tweede Vaticaanse Concilie. Dit Concilie bracht de Kerk terug naar de plaats waar zij thuishoort: midden tussen de mensen. De pastorale constitutie ‘Gaudium et spes’ begint met: “De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens, vooral van de armen en van alle lijdenden, zijn ook de vreugde en de hoop, het leed en de angst van Christus’ leerlingen; en er is niets echt menselijks, of het vindt weerklank in hun hart.” Twee elementen van de Kerk en van het christendom krijgen nieuwe aandacht: dienstbaar zijn en gemeenschap vormen. De hele Kerk wil dienstbaar zijn aan alle mensen. Zij voelt zich ten diepste verbonden met iedereen, met de gehele mensheid. Deze dienstbaarheid van de Kerk krijgt mede gestalte door het nieuw leven inblazen van het diaconaat, het ambt van de diaken. Maar de diaken is niet de enige die de opdracht heeft vanuit en namens de Kerk dienstbaar te zijn. Het is de opdracht van de gehele Kerk om dienstbaar te zijn aan de mensheid en het is de roeping van iedere christen om dienstbaar te zijn aan de medemens.

Het tweede element is het vormen van gemeenschap, communio. Communio was een veel gebruikt woord in de jaren na het Concilie. Een belangrijke uitdrukking daarvan is de Kerk zien als het volk Gods. Maar wat betekent het: het volk Gods te zijn? Wat is een gemeenschap in Christus? Wat is een gemeenschap gebaseerd op liefde en barmhartigheid? We kennen het begrip gemeenschap uit ons dagelijks leven. We vormen gemeenschappen als gezin, als familie, als vrienden, als collega’s, als leden van verenigingen, als buurtgenoten als volk et cetera. Is een gemeenschap in Christus iets geheel anders? Het antwoord lijkt mij: ja en nee, oftewel ze liggen in elkaars verlengde.

Ruim tien jaar geleden schreef paus Benedictus de encycliek ‘Deus caritas est’. Met deze brief ‘God is liefde’ liet hij zien hoe de goddelijke en de menselijke liefde in elkaars verlengde liggen. Ze staan niet los van elkaar, ze zijn met elkaar verbonden. Je zou bij wijze van spreken ook kunnen zeggen: ze zijn van het zelfde materiaal gemaakt. Zo mogen we ook ons menselijk begrijpen en menselijk aanvoelen gebruiken om in te zien wat een gemeenschap in Christus is. We kunnen de goddelijke vorm van gemeenschap zien als de meest volmaakte vorm van een menselijke gemeenschap.

De goddelijke vorm van gemeenschap vinden we in de gemeenschap die door de heilige Drie-eenheid wordt gevormd. Hier is geen na-ijver en geen eigenbelang. Hier is alleen wederzijdse liefde, harmonie en dienst aan elkaar. Onze menselijke gemeenschap heeft dit beeld als na te streven ideaal voor ogen. Als we spreken over een gemeenschap in Christus is dat een gemeenschap die dit ideaal van liefde, harmonie en dienstbaarheid nastreeft. Zo’n gemeenschap sluit niet uit. Zij is niet exclusief, maar juist inclusief. Iedereen is er welkom, iedereen hoort erbij. Zo’n gemeenschap is bestendig en duurzaam. Zij staat open naar de toekomst. Zij past zich aan en laat verandering en groei toe. Het is niet: ‘zo hebben wij het hier altijd gedaan en zo blijven we het dus doen’. Zij is niet zelfgenoegzaam. Zij is niet dwingend maar juist dienend naar elkaar. Zo’n gemeenschap houdt rekening met iedereen en vooral met de kwetsbaren en met minderheden. Er is geen dictaat van de meerderheid. Het is niet de meeste stemmen tellen. Er is nadrukkelijk aandacht voor de minderheid. De pijn en het verdriet van de één treft allen. Als er één lijdt, lijden allen. Het is zoals verstandige ouders ervoor zorgen dat ieder kind aan bod komt. Binnen zo’n gemeenschap gaat het niet om rechten en plichten, maar draagt ieder naar vermogen zijn verantwoordelijkheid. Er is respect voor elkaar, voor het geheel en voor de instituties en tradities. Ambten en instituties zijn niet het eigendom van de dragers ervan, maar van de gemeenschap als geheel. De gemeenschap vertrouwt de verantwoordelijkheid toe aan bepaalde personen.

Zo’n gemeenschap wordt gedragen door goddelijke bezieling: door Gods woord en Gods liefde en barmhartigheid. Het is een gemeenschap van vrijheid en blijheid: vrij zijn om uit liefde voor de ander het goede te doen en daardoor blij te zijn. Ik wens u toe zo’n gemeenschap te vormen en uit te dragen. Amen.

Ze volgen Mij; Hnd 13,14.43-52; Joh 10,27-30

“Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en ze volgen Mij.” Het is ons gegeven de stem van Jezus te herkennen en naar Hem te kunnen luisteren. Dat is de genade van het geloof: dat wij niet doof zijn voor zijn stem. Wij horen zijn stem. Hij kent ons en Hij roept ons bij onze naam om Hem te volgen. Hij roept ons om ons met Hem te verbinden en Hem na te volgen, om te gaan lijken op Hem, te zijn zoals Hij is.

Vandaag is het roepingenzondag. Natuurlijk bidden wij vandaag voor roepingen tot het priesterschap en het diaconaat: vormen van christelijk leven waarmee Jezus Christus in deze wereld present gesteld wordt. Maar de basis daarvoor is de roeping die ons allemaal betreft: de roeping een christelijk leven te leiden. De roeping ons leven te verbinden met Christus, de roeping Hem na te volgen en aan Hem gelijkvormig te worden.

Het is het jaar van barmhartigheid. Jezus toont ons het gezicht van zijn Vader. Hij is het gezicht van de barmhartige Vader. Hij roept ook ons op barmhartig te zijn als zijn Vader. Onze bisschop noemt de Kerk een netwerk van liefde. Zij is geroepen het Evangelie te verkondigen en te bouwen aan een beschaving van liefde. Het verkondigen van het Evangelie is het uitdragen van de Blijde Boodschap van liefde en barmhartigheid. Wij worden geroepen om aan iedereen te vertellen over de liefde en barmhartigheid van God. Wij worden ook geroepen om die liefde en barmhartigheid concreet gestalte te geven. Zo bouwen wij aan een beschaving van liefde.

Paulus en Barnabas geven ons het voorbeeld. Zij spreken vrijmoedig over Gods liefde en barmhartigheid. Zij verkondigen de redding die Jezus ons gebracht heeft. Het is een boodschap die voor iedereen bestemd is, niet alleen voor de joden maar ook voor de heidenen. Dat gaat niet zonder tegenslag. Ook in die tijd was er verzet. De gevestigde belangen wensten hun positie niet te verliezen. Bezit en macht maken conservatief en behoudend. Elke verandering is een bedreiging. Er is een klimaat nodig waarin men openstaat voor verandering. Als dat op korte termijn niet verwacht wordt, is het beter de aandacht naar anderen te verplaatsen. We worden niet geroepen om te trekken aan een dood paard. Paulus en Barnabas vertrekken om elders het Evangelie te verkondigen.

Ook in onze tijd ervaren wij dat men vaak niet ontvankelijk is voor de boodschap van Evangelie. Het klimaat is momenteel niet gunstig. Vele mensen zijn vooral uit op eigenbelang en zoeken hun geluk in materiële zaken en piekervaringen. Paulus en Barnabas konden naar elders vertrekken. Dat is de meesten van ons niet gegeven. Maar dat betekent nog niet dat we maar bij de pakken moeten neerzitten. Als het klimaat niet gunstig is, kunnen we proberen het klimaat te veranderen. Uiteindelijk zijn wij zelf onderdeel van dat klimaat. Wij maken deel uit van de samenleving en van de huidige cultuur. Ons doen en laten, ons spreken en ons zwijgen gebeurt binnen de cultuur waarvan wij deel uitmaken, en heeft daarmee ook invloed op die cultuur. Wij zijn werkelijk in staat onze bijdrage te leveren aan een beter klimaat. Wij kunnen er met ons voorbeeld en met ons aanstekelijke gedrag voor zorgen dat de boodschap van het Evangelie in vruchtbare aarde valt. Dat doen we simpelweg door zichtbaar als een christen te leven.

Vandaag bidden we speciaal voor roepingen voor het gewijde ambt van priester en diaken. Het is hun taak speciale taken uit te voeren binnen de Kerk, binnen het netwerk van liefde dat door de Kerk gevormd wordt. Vandaag ervaren wij het gemis van een priester die ons kan voorgaan in de Eucharistie. Dat vraagt dat ook deze geloofsgemeenschap priesters voortbrengt. Daarom is het belangrijk dat ook wij een klimaat realiseren waarin roepingen goed gedijen: een klimaat waarin wij dergelijke roepingen stimuleren en het zelf aandurven ons te laten roepen en ook anderen op te roepen tot dienst aan de gemeenschap.

Die roeping is niet van jezelf. Je kunt het je niet toe-eigenen. Het is de Heer die je roept én het is de gemeenschap die je roept. De roepstem van de Heer wordt bekrachtigd door zijn volk. De geroepene stelt zich beschikbaar. Hij is degene die antwoord geeft. Hij herkent de stem van de Heer en tracht op die roepstem in te gaan door zich met Christus te verbinden en Hem na te volgen. Wij allemaal worden geroepen. Als ieder van ons gehoor geeft aan de roepstem van de Heer, zijn stem herkent en naar Hem luistert, dan bouwen wij samen de Kerk op tot een netwerk van liefde. Binnen zo’n gemeenschap zullen ook de roepingen voor bijzondere taken en voor bijzondere vormen van christelijk leven een goede voedingsbodem vinden. Te weinig roepingen is niet primair het probleem van de bisschop; het is het probleem van ieder van ons. Roeping begint bij onszelf. Amen.

Hoed mijn schapen; Joh 21,1-19

Johannes vertelt in zijn Evangelie hoe Jezus na zijn verrijzenis aan de leerlingen verschenen is. Bij de eerste verschijningen waren de leerlingen in Jeruzalem in een zaal bij elkaar. Nu is de situatie heel anders dan bij de vorige verschijningen. De leerlingen zitten niet meer bang in een afgesloten ruimte. Ze zijn weer terug in Galilea – hun eigen streek – en op initiatief van Petrus hebben ze hun werk – vissen – weer opgepakt. Het lijkt even alsof er helemaal niets gebeurd is. Maar dan is daar Jezus weer. Er moet nog een teken gedaan worden. En er moet nog iets gezegd worden. De boodschap is nog steeds niet helemaal duidelijk voor de leerlingen. Evenals in het verhaal van de Emmaüsgangers in het Evangelie volgens Lucas herkennen de leerlingen Jezus in eerste instantie niet. De Emmaüsgangers herkennen Jezus aan het breken van het brood. Nu is het de wonderbare visvangst die de leerlingen de ogen opent.

Na het ontbijt is er het gesprek tussen Jezus en Petrus. Petrus krijgt de opdracht de kudde te leiden. Ondertussen wordt hij herinnerd aan de avond voor de kruisiging. Toen heeft hij Jezus tot driemaal toe verloochend. Jezus kent Petrus. Hij weet dat Petrus niet zonder zonde is, maar Hij weet ook dat er een sterke liefde in hem is: een liefde die Petrus in staat stelt tot grote daden. Petrus is geen brave heilige, maar een mens zoals u en ik. Dat maakt hem zo sympathiek en tot een aansprekend voorbeeld. Dat maakt hem ook zo geschikt om de Kerk te leiden. Hij is vol liefde voor Christus, maar is geen haar beter dan de mensen die hij moet leiden. Dat maakt hem nederig en bescheiden. Petrus – de man met bravoure – weet dat ook hij een zondig mens is. Hij – met al zijn grootspraak – heeft op de eerste plaats Gods barmhartigheid nodig. Zonder de vergeving van zijn zonden kan hij niet verder. Zonder die vergeving kan zijn liefde voor Jezus niet bestaan.

Dit hele jaar staat in het teken van de barmhartigheid. Allereerst is er Gods barmhartigheid. Deze uit zich bovenal in de vergeving van onze zonden. Elke keer weer als wij spijt hebben van onze verkeerde gedrag, schenkt God ons vergeving. Elke keer weer biedt Hij ons de mogelijkheid van een nieuw begin. In zijn oneindige barmhartigheid accepteert Hij ons zoals wij zijn. Dit maakt het voor ons mogelijk ook onszelf te accepteren zoals wij zijn. Als wij onder ogen durven zien dat we niet volmaakt zijn, dat we niet perfect zijn en niet alles zelf kunnen, dat wij God en elkaar nodig hebben, pas dan kunnen we leven in vrede met onszelf. Dan zijn wij net als Petrus in staat tot liefde en zijn wij gelukkige mensen.

Onze zelfkennis maakt ons bescheiden. Vanuit die bescheidenheid ben je juist in staat grote dingen te doen. Niet vanwege zijn grootspraak, maar juist vanwege zijn bescheidenheid is Petrus de juiste man om de Kerk te leiden. Omdat hij barmhartigheid heeft ontvangen, is hij in staat ook voor anderen barmhartig te zijn. Door het kennen van onze eigen pijn en ons eigen verdriet kunnen wij met de pijn en het verdriet van de ander meeleven, daardoor zijn wij in staat tot medelijden en tot steun voor de ander. Bescheidenheid maakt dat ons gedrag voor de ander helend is, dat wij woorden van verlossing en bevrijding kunnen spreken door elkaar te vergeven, elkaar te troosten en elkaar te bemoedigen.

In het boekje ‘De naam van God is genade’ zegt de paus: “Strikt genomen betekent barmhartigheid je hart openen voor mensen die het moeilijk hebben. En dan komen we meteen bij de Heer: barmhartigheid is de goddelijke wil om te omarmen, waarmee God ons welkom heet door zichzelf te geven en door zich naar ons toe te buigen om ons te vergeven. Jezus heeft gezegd dat Hij niet is gekomen voor de rechtvaardigen, maar voor de zondaars. Hij is niet gekomen voor de gezonde mensen die geen arts nodig hebben, maar voor de zieken.” Ook wij worden opgeroepen er te zijn voor de armen en de gewonden. Mensen van onze tijd zijn gewond door armoede, gewond door uitsluiting en gewond door verslaving. Mensen denken ook dat zij onbehandelbaar zijn omdat zij de vergeving niet kennen.

Jezus laat ons zien hoe ook wij barmhartig kunnen zijn, hoe wij God en elkaar kunnen liefhebben, elkaar kunnen vergeven, en hoe wij in vrede kunnen leven. Jezus laat ons zien hoe wij op God kunnen vertrouwen en hoe wij de waarheid op het spoor kunnen komen. Jezus heeft het ons voorgeleefd: Hij is onze weg, waarheid en leven. (Joh 14,6)

De afgelopen jaren is er in de Kerk steeds meer aandacht voor de barmhartigheid. Vorige week vierden we de zondag van de goddelijke barmhartigheid. Paus Johannes Paulus II besloot Beloken Pasen deze naam te geven. De huidige paus Franciscus riep het jaar van barmhartigheid uit. Afgelopen vrijdag verscheen de brief Amoris laetitia, de vreugde van de liefde. Met deze brief over huwelijk en gezin maakt de paus duidelijk dat barmhartigheid belangrijker is dan het stellen van regels. De toekomst van de Kerk ligt in woorden en daden van liefde en barmhartigheid, niet in het uitspreken van verboden en elkaar de maat nemen. Dat gaat niet ten koste van onze idealen. Amen.

Vrede zij u; Hnd 5,12-16; Joh 20,19-31

Na zijn verrijzenis is het eerste wat Jezus tegen zijn leerlingen zegt: “Vrede zij u.” Dat zijn woorden die ook vandaag veel betekenis hebben. Voortdurend bidden wij om vrede in de wereld. Maar ook vrede in en met onszelf is van groot belang. Zonder die vrede zijn wij niet gelukkig. Johannes schrijft dat Jezus na zijn verrijzenis nog vele tekenen heeft gedaan, opdat wij mogen geloven dat Hij de Zoon van God is. En door het geloof mogen wij leven in zijn Naam. Jezus doet niet alleen vele tekenen. Hij schenkt ons ook de heilige Geest, Hij geeft ons vrede en Hij zegt ons dat wij elkaar mogen vergeven.

Niet alleen deze zondag, maar dit hele jaar staat in het teken van de barmhartigheid. Allereerst is er Gods barmhartigheid. Deze uit zich bovenal in de vergeving van onze zonden. Elke keer weer als wij spijt hebben van onze verkeerde gedrag, schenkt God ons vergeving. Elke keer weer biedt Hij ons de mogelijkheid van een nieuw begin. In zijn oneindige barmhartigheid accepteert Hij ons zoals wij zijn. Dit maakt het voor ons mogelijk ook onszelf te accepteren zoals wij zijn. Als wij onder ogen durven zien dat we niet volmaakt zijn, dat we niet perfect zijn en niet alles zelf kunnen, dat wij God en elkaar nodig hebben, pas dan kunnen we leven in vrede met onszelf. Dan wordt de vrede die Jezus ook ons wenst, werkelijkheid en zijn wij gelukkige mensen.

Bij de aankondiging van dit heilig jaar van barmhartigheid schrijft de paus: “Wij willen dit Jubeljaar beleven in het licht van het woord van de Heer: barmhartig als de Vader.” Hij verwijst hiermee naar het Evangelie volgens Lucas: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is.” (Lc 6,36) Jezus heeft ons laten zien wat barmhartigheid is: In het Lucasevangelie zegt Hij over zichzelf: Ik ben “gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid.” (Lc 4,18-19) In de eerste lezing uit Handelingen hebben we gehoord hoe de apostelen Jezus hierin navolgen. Ook zij zijn barmhartig als de Vader. En dit is wat er ook van ons gevraagd wordt: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is.” Dat vraagt niet dat wij wonderen doen. Dat vraagt wel dat ook ons gedrag voor anderen helend is, dat wij woorden van verlossing en bevrijding spreken door elkaar te vergeven, elkaar te troosten en elkaar te bemoedigen.

In het boekje ‘De naam van God is genade’ zegt de paus: “Strikt genomen betekent barmhartigheid je hart openen voor mensen die het moeilijk hebben. En dan komen we meteen bij de Heer: barmhartigheid is de goddelijke wil om te omarmen, waarmee God ons welkom heet door zichzelf te geven en door zich naar ons toe te buigen om ons te vergeven. Jezus heeft gezegd dat Hij niet is gekomen voor de rechtvaardigen, maar voor de zondaars. Hij is niet gekomen voor de gezonde mensen die geen arts nodig hebben, maar voor de zieken.” Ook wij worden opgeroepen er te zijn voor de armen en de gewonden. Mensen van onze tijd zijn gewond door armoede, gewond door uitsluiting en gewond door verslaving. Mensen denken ook dat zij onbehandelbaar zijn omdat zij de vergeving niet kennen. De mens van vandaag kent geen barmhartigheid, niet voor de ander maar ook niet voor zichzelf. In onze cultuur wordt de nood van de ander maar al te gemakkelijk gezien als: ‘eigen schuld, dikke bult’. Als wij niet in staat zijn elkaar te vergeven, zijn we ook niet in staat elkaar – op wat voor wijze dan ook – bij te staan.

In zijn oneindige barmhartigheid heeft God ons zijn Zoon gegeven. Jezus is voor ons mens geworden. Hij laat ons zien wie God werkelijk is: God is liefde, zijn barmhartigheid en goedheid kennen geen grenzen, God zoekt ons tot het einde toe. Als mens laat Jezus ons zien hoe ook wij barmhartig kunnen zijn, hoe wij God en elkaar kunnen liefhebben, elkaar kunnen vergeven, en hoe wij in vrede kunnen leven. Jezus laat ons zien hoe wij op God kunnen vertrouwen en hoe wij de waarheid op het spoor kunnen komen. Jezus heeft het ons voorgeleefd: Hij is onze weg, waarheid en leven. (Joh 14,6) De liefde tot het einde toe die Jezus ons bewijst, brengt ons de redding: daardoor zijn wij verlost. Nu zijn wij vrij en kunnen goed doen en barmhartig zijn. God bevestigt dit door Jezus weer tot leven te wekken en uit de dood te doen opstaan.

Jezus geeft ons de heilige Geest, de Helper. De heilige Geest helpt ons te geloven en te vertrouwen. Hij stelt ons in staat goed en in vrede te leven: de ander lief te hebben en te vergeven. De heilige Geest doet ons leven in Jezus’ Naam. De heilige Geest maakt ons ontvankelijk voor de goddelijke barmhartigheid. De heilige Geest maakt het mogelijk dat ook wij barmhartig zijn als de Vader. Amen.

Waar zijn wij?

Wij waken bij onze dierbare overledenen en we vertellen elkaar verhalen, eindeloze verhalen. Het zijn verhalen die ons troosten, verhalen van dankbaarheid en verhalen die ons hoop geven. Het is iets van alle tijden. Gisteren nog was een groot deel van de krant met dergelijke verhalen gevuld. Er was een groot voetballer overleden.

In deze traditie staat ook de Paaswake: van de invallende duisternis tot het licht van de morgen wordt de nacht biddend en wakend doorgebracht. De grote verhalen van ons geloof en van de heilsgeschiedenis worden verteld. We zien uit naar het licht van de morgen, het licht van Pasen, het licht van de verrezen Christus. In deze nacht waken we bij het graf van Jezus van Nazareth. Hij heeft zijn boodschap van liefde met de dood moeten bekopen. We verkeren tussen licht en donker. En wij vragen ons vertwijfeld af: Waar zijn wij? We lezen de verhalen die ons altijd op de been hebben gehouden. We lezen hoe God de wereld gewild heeft en hoe Hij alles wat Hij gemaakt heeft, goed vindt. We lezen hoe God de mensen steeds weer redt. Hoe Hij hen verlost uit de slavernij. Hij trekt zich het lijden van zijn volk aan en tegen Mozes zegt Hij: Mijn Naam is: Ik zal er zijn. Het zijn verhalen uit een ver verleden, verhalen die de geschiedenis van God met de mensen vertellen. Deze verhalen vertellen ons hoe God met mensen omgaat, ook vandaag.

Met de vrouwen zijn wij bij het lege graf. Het gaat ons rationele denken te boven. Dit kan niet bestaan: dood is dood. Wat de vrouwen zeggen is ook maar een mening. Dat staat ze vrij. Toch nog maar even samen met Petrus het graf in lopen. Is het dan toch waar? Hij is er niet! Later die dag zal Hij met twee leerlingen meelopen naar Emmaus. Zij herkennen Hem in het breken van het brood en zij geloven: De Heer is waarlijk verrezen! En Paulus legt ons uit dat ook wij met Hem zullen verrijzen. Ook wij mogen eeuwig leven.

Jezus Christus, Hij stierf een schandelijke dood aan het kruis. Nu heeft God Hem doen opstaan uit de dood. Hij ging in zijn liefde voor ons tot het uiterste toe, tot in de dood. Nu heeft Hij het kwaad en de dood overwonnen en wij mogen delen in de overwinning van onze leider. Maar willen wij werkelijk bij Hem zijn? Is Hij echt onze leider of slechts een mooi voorbeeld? Waar zijn wij en wie is Hij voor ons?

Twee weken geleden verscheen het rapport: God in Nederland. Dit is de vijfde editie van dit onderzoek en zo hebben wij een beeld van 50 jaar christendom in Nederland. Vooral voor hen die houden van de kerk waarmee ze zijn opgegroeid, is het een beeld waar je niet vrolijk van wordt.

In zijn algemeenheid neemt de gelovigheid van de Nederlanders af en de toch nog omvangrijke groep die op een of andere manier gelooft, doet dat bij voorkeur niet binnen een kerkelijk verband: ‘Believing without belonging’, geloven zonder ergens bij te horen. Vrij algemeen is het idee dat geloven een privéaangelegenheid is. Geloven hoort achter de voordeur. Ook binnen de Kerk hoor je velen zeggen dat ze best zonder de Kerk kunnen. Om te geloven heb je de Kerk niet nodig. Er zijn vele vormen van geloof waarvoor dat zonder meer geldt, maar hoe zit dat met het christendom?

De apostel Johannes heeft de boodschap van Jezus Christus zeer kernachtig met drie woorden samengevat: “God is liefde.” Dat is de kern van ons geloof en dus kunnen we zeggen: Geloven is liefhebben. Liefhebben doe je niet in je eentje. Daar heb je anderen voor nodig. Liefhebben in je eentje komt niet verder dan eigenliefde en egocentrisme. Dat is niet de boodschap die Jezus ons gebracht heeft. Onze bisschop noemt in het nieuwe ‘Bisdom Magazine’ – u vindt het achter in de kerk – de Kerk “een netwerk van liefde”. Waar zijn wij? Willen wij werkelijk in Christus’ naam bouwen aan een beschaving van liefde? Willen wij ons werkelijk in Christus verbinden met de anderen? Willen wij ons echt liefdevol – zoals Christus – inzetten voor de medemens? Hebben wij – zoals de Kerk verkondigt – allereerst aandacht voor de zwaksten? Willen we ons werkelijk inzetten voor de vrede en ons verzetten tegen haat en tegen geweld?

Christen zijn is niet primair een troostrijke gedachte. Het is niet primair een kwestie van eigen welbevinden. Christen zijn is voor alles Christus navolgen. Het is je verbinden met Hem en vanuit die liefde de medemens dienen en liefhebben. Alleen zo beleven wij de werkelijke vreugde van Pasen. Alleen de liefde voor de ander is onze bron van vreugde. Dat vraagt dat wij ons verzetten tegen de zelfgenoegzaamheid van deze tijd. Dat we ons werkelijk druk maken om mensen in de knel. Dat we ons verzetten tegen elke vorm van haat en geweld. Zeker tegen haat en geweld in onze directe omgeving, zoals die varkenskop bij de moskee in Berkel.

Geloven in de verrezen Christus en delen in de vreugde van Pasen doet ons telkens weer vragen: Waar zijn wij? Amen.

Verspilling

Vorig jaar heb ik samen met een rabbi en een imam bij gelegenheid van het einde van de ramadan een korte inleiding verzorgd over verspilling. Nu zijn we in de Veertigdagentijd. Ons vasten is minder ingrijpend dan dat van de moslims, maar ook voor ons is de Veertigdagentijd een tijd van soberheid en bezinning. Een goed moment om opnieuw stil te staan bij het begrip verspilling.

Het woord verspilling valt vaak als we over duurzaamheid en over het milieu spreken. Bij mij roept dat soms een beeld op alsof mensen willens en wetens waardevolle zaken vernietigen of weggooien. Van onthechte kloosterlingen zou je dat kunnen verwachten. Zij hechten totaal geen waarde aan materiële zaken. Maar de mens van tegenwoordig is toch door en door materialistisch. Een materialist gooit nooit zomaar iets van waarde weg. Hier klopt iets niet!

Van verspilling is alleen sprake als het gaat om iets dat door schaarste waardevol is. Als we het overvloedige regenwater via het riool afvoeren, noemt niemand dat verspilling. Als iemand voor zijn plezier aan het sporten is, noemen we dat hooguit gekscherend energieverspilling. Als je de schepping als onmetelijk en grenzeloos ervaart, is het moeilijk om over verspilling van het milieu te spreken. Ik ben opgegroeid op het platteland van Friesland. Diep in mij zit de ervaring van grenzeloosheid als het over de schepping gaat.

Ook heb ik de enorme welvaartsgroei van de naoorlogse decennia meegemaakt. De bomen zouden werkelijk tot de hemel doorgroeien. Wetenschap en techniek zouden steeds weer nieuwe mogelijkheden en oplossingen brengen. Toen in 1972 de Club van Rome met het rapport ‘Grenzen aan de groei’ kwam, werd ik daar niet echt zenuwachtig van. Ik dacht: daar vinden we wel wat op.

En dan ben ook nog katholiek. God is zeker niet zuinig en afgemeten. Hij is juist in alles overvloedig. Overvloedig is zijn genade. Paulus schrijft: “Waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos.” (Rom 5,20) Psalm 136 herhaalt telkens: “Tot in eeuwigheid is zijn genade.” Niet alleen Gods liefde en genade zijn overvloedig. Ook in materiële zaken is Hij beslist niet karig. Jeremia schrijft: “Ik schenk de priesters veel vet van de offers en het volk overstelp Ik met mijn gaven – godspraak van de Heer.” (Jr 31,14) In Psalm 23 wordt het inschenken van wijn door de Heer bezongen: “Mijn beker vloeit over.” Als Hij in Kana water in wijn verandert, is Jezus al even royaal. Het gaat hier maar liefst over zes kruiken van twee of drie metreten geheel gevuld met water. Dat is vijf- tot zevenhonderd liter wijn voor een bruiloftsfeest, genoeg om de hele stad uit te nodigen. Als Hij met vijf broden en twee vissen het volk te eten geeft, blijven er twaalf korven vol brokken over. Hoelang hebben de leerlingen daar nog van gegeten?

Dat de schepping eindig is en dat de bomen niet tot de hemel doorgroeien, is ondertussen wel tot mij doorgedrongen maar dat God ons een te kleine aarde zou hebben gegeven, gaat er bij mij niet in. Ik zal een aantal op het eerste gezicht tegenstrijdige zaken bij elkaar moeten brengen.

De overvloedigheid waar de Bijbel over spreekt, betreft zeer waardevolle zaken. Zij dalen niet in waarde ook al zijn ze niet schaars. Ondanks overvloed kan er toch sprake van verspilling zijn! Ook zaken die niet schaars zijn, kunnen waardevol zijn. Voor economen is dit onzin, maar deze paradox is deel van ons bestaan.

Column op de website Kerk en Milieu, maart 2016: www.kerkenmilieu.nl

Christus kennen; Fil 3,8-14; Joh 8,1-11

“Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond.” Het is een mysterieuze bezigheid: niemand weet wat Hij schrijft. De schriftgeleerden en Farizeeën stellen Hem een strikvraag, zij leggen Hem het vuur na aan de schenen. Jezus zegt niets, Hij schrijft met zijn vinger op de grond. Hij is blijkbaar geheel in gedachten verzonken.

Voortdurend hebben mensen zich afgevraagd: wat zou Jezus daar geschreven hebben? Afgelopen woensdag was ik met mijn vrouw in Gouda. Wij bezochten daar de tentoonstelling over Erasmus. Die is zeker de moeite van het bezoeken waard. Met de katholieke priester Erasmus begint van de huidige Bijbelwetenschap. Zijn Griekse versie van het Nieuwe Testament vormt ook de basis voor de protestantse Statenvertaling. Daarna gingen we naar de Sint Jan, de langste kerk van Nederland, met een grote rijkdom aan glas-in-loodramen. De oudste ramen zijn nog door de katholieken aangebracht, maar direct na de reformatie zijn de protestanten hiermee verder gegaan. Een van deze latere ramen is het raam van Jezus met de overspelige vrouw.

De glazenier – of misschien was het zijn opdrachtgever, de kerkenraad – kon blijkbaar niet leven met het mysterie: dat wij niet weten wat Jezus daar op de grond schreef, was voor hem blijkbaar ondragelijk. En dus heeft hij het zelf maar ingevuld. Hij laat Jezus schrijven: “Wie onder u zonder zonde is, die werpe de eerste steen op haar.” Dat maakt het leven een stuk overzichtelijker. Geen mysterieus gedoe, maar heldere taal. En waarom niet? Dit zijn toch de woorden die Jezus vervolgens zelf zal uitspreken. Maar het gaat niet om ‘waarom niet’. Het gaat juist om ‘waarom wel’. Waarom willen wij perse weten wat Jezus daar op de grond schrijft? Als dat echt nodig is, waarom staat het dan niet in het Evangelie? Blijkbaar vindt de schrijver het belangrijk dat we dat nou juist niet weten. Blijkbaar vindt hij het belangrijk dat wij leven met een mysterie.

Een goed christen wil Jezus navolgen en om dat te kunnen doen, wil hij Hem leren kennen. Sint Franciscus van Assisi had dit ideaal voor ogen. Hij probeerde zoveel mogelijk op Jezus te gelijken en precies dezelfde dingen te doen als Jezus deed. Maar dat is niet de reden van zijn heiligverklaring. Hij is geen grote heilige omdat hij een kopie van Jezus is. Hij is een groot heilige omdat hij Jezus in zijn eigen leven tot leven liet komen. Hij heeft zich zo innig met Jezus verbonden, dat Jezus in hem tot leven kwam in zijn tijd en op de plaats waar hij leefde. Daarmee ontsteeg Franciscus het eenvoudige kopieerwerk. Hij brengt Jezus Christus werkelijk tot leven maar doet het op zijn eigen manier en geeft er ook zijn eigen kleur aan. Zo vond Franciscus de weg van navolging van Christus. Voor een tentoonstelling over Sint Franciscus kunt u momenteel in Utrecht terecht in het Catharijneconvent.

De weg van Sint Franciscus vinden we ook in de brief van de apostel Paulus. Paulus schrijft dat het kennen van Christus alles te boven gaat. Om Christus heeft hij alles prijsgegeven. Wat bedoelt Paulus met het kennen van Christus? Paulus schrijft: “Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden.” Net als bij Sint Franciscus gaat het bij Paulus om een intensieve verbondenheid met Christus. Paulus wil de kracht van de opstanding ervaren en delen in het lijden van Christus. Het gaat Paulus niet om kennis die je met woorden kunt overdragen. Het gaat hem niet om een soort van boekenwijsheid. Het gaat Paulus om een echte persoonlijke ervaring, geestelijk en lichamelijk. Verbondenheid en gemeenschap zijn essentiële menselijke ervaringen.

Op dezelfde wijze is ook gerechtigheid meer dan het toepassen van de wet. Gerechtigheid is ook dat wat wij als waar en rechtvaardig ervaren. De weg naar de ware gerechtigheid, de goddelijke gerechtigheid vinden wij door ons leven in geloof te verbinden met Christus. Deze gerechtigheid – zo schrijft Paulus – is verbonden met het geloof. Paus Franciscus schrijft bij de afkondiging van het jaar van barmhartigheid het volgende over barmhartigheid en gerechtigheid: “Alleen gerechtigheid is niet voldoende. Met barmhartigheid en vergeving gaat God verder dan gerechtigheid, Hij neemt die op en verheft haar tot iets hogers, waardoor we de liefde kunnen ervaren die het fundament is van ware gerechtigheid. (…) Met barmhartigheid is de gerechtigheid rechtvaardiger, en kan werkelijk tot haar recht komen.”

Jezus schrijft met zijn vinger op de grond. Op dat moment schrijft Hij geen universele wetten en regels. Hij schrijft woorden die alleen in die situatie van toepassing zijn. Daarna zijn ze dan ook niet meer van belang. Bij barmhartigheid gaat het altijd om de specifieke situatie. Het gaat om individuele mensen op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd. De wetten zijn bij ieder bekend: bij Jezus, bij de vrouw en ook bij de schriftgeleerden en Farizeeën. Jezus roept hen en ook ons op tot barmhartigheid om zo tot de ware gerechtigheid te komen. Dat vraagt naast wetskennis vooral om liefde voor de medemens. Naast ons hoofd moeten we vooral ook ons hart laten spreken. De taal van het hart laat zich niet in woorden vangen. Zij vraagt om geloof en verbondenheid en gemeenschap met Christus. Amen.

Herstel van verhoudingen; 2 Kor 5,17-21; Lc 15,1-3.11-32

“Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten.” Met die woorden treedt de jongste zoon zijn vader tegemoet. Hij beseft dat hij ernstig tekort geschoten is en dat hij alleen maar verder kan als zijn vader zich barmhartig over hem ontfermt. Op de Nederlandse website van het heilig Jaar van Barmhartigheid heeft het schilderij van Rembrandt van de verloren zoon een centrale plaats. Ook buiten ons land wordt dit schilderij gebruikt als afbeelding en uitdrukking van Gods barmhartigheid. We zien de schuldbewuste zoon die van ellende niet weet wat hij moet en die weet dat zijn enige hoop en toevlucht zijn vader is. En we zien de vader die zich vol liefde en tederheid over zijn zoon ontfermt: wat er ook gebeurd is, de vader houdt van zijn kind.

Bij de aankondiging van het heilig Jaar schrijft paus Franciscus dat Jezus met deze parabel de natuur van God openbaart “als die van een Vader die zich nooit gewonnen geeft, totdat Hij de zonde heeft opgeheven en de afwijzing heeft overwonnen met medelijden en barmhartigheid.” Volgens de paus wordt God hier voorgesteld als vol van vreugde, vooral wanneer Hij vergeeft. “Hierin vinden wij de kern van het evangelie en van ons geloof, omdat de barmhartigheid wordt voorgesteld als de kracht die alles overwint, die het hart met liefde vervult en troost met de vergeving.”

Barmhartigheid heeft twee kanten. Wij mogen barmhartig zijn naar anderen. Denk daarbij aan de werken van barmhartigheid. Denk aan de solidariteit waartoe wij ook in deze Veertigdagentijd worden opgeroepen. De andere kant van de barmhartigheid is het ontvangen ervan. Barmhartig zijn en barmhartigheid ontvangen zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ze kunnen niet zonder elkaar. We kunnen niet barmhartig zijn zonder open te staan voor de barmhartigheid die ons geschonken wordt. En we kunnen geen barmhartigheid ontvangen zonder zelf ook barmhartig te zijn. Denk hierbij aan de woorden van het Onzevader: “vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”.

Barmhartig zijn en barmhartigheid ontvangen vragen beide dat wij ons daar niet te groot voor voelen. Beide vragen om nederigheid en bescheidenheid. Als wij onszelf te groot achten, denken we de barmhartigheid van de ander niet nodig te hebben. Vaak achten wij onszelf onafhankelijk: we redden onszelf wel. Wij hebben geen vergeving nodig. Niet dat we onszelf als volmaakt en perfect zien, maar om nu te zeggen dat we zondaars zijn, dat we kleine mensen zijn dat gaat toch veel te ver: zo slecht zijn wij absoluut niet. Meer bescheidenheid zou ons niet misstaan. Meer bescheidenheid opent ons hart ook voor Gods barmhartigheid. Als wij onszelf te groot achten, laten we ons ook niet raken door het lijden en den nood van onze medemens. Dan zijn we niet in staat tot medelijden, dan zijn we onverschillig en niet in staat tot liefdevolle barmhartigheid. Alleen als wijzelf bescheiden zijn, zijn we in staat ons hart te openen voor de ander. Alleen dan komen we tot werkelijke solidariteit en tot werkelijke naastenliefde. Alleen dan kunnen ook wij barmhartig zijn als de Vader.

Een heilig Jaar is vooral een jaar van herstel en verzoening. Verstoorde verhoudingen tussen mensen onderling en verstoorde relaties tussen de mensen en God moeten geheeld worden. Zij moeten weer goed gemaakt worden. Een van de wegen tot verzoening en herstel die Jezus ons via de Kerk aanbiedt, is het Sacrament van Boete en Verzoening: de Biecht. Hierover schrijft de apostel Paulus in zijn brief aan de Korintiërs. Vele mensen denken dat de Biecht afgeschaft is en ook niet meer nodig is. Niets is minder waar. Wel is het sacrament ontdaan van het plichtmatige en de beladenheid die het vroeger had.

De paus schrijft: “Iedere biechtvader zal de gelovigen moeten ontvangen zoals de vader in de parabel van de verloren zoon: een vader die zijn zoon tegemoet snelt, ook al had hij zijn goederen verkwist. Biechtvaders zijn geroepen die berouwvolle zoon die naar huis terugkeert, tegen zich aan te drukken en zijn vreugde dat hij hem heeft teruggevonden, tot uitdrukking te brengen. (…) Zij zullen geen impertinente vragen stellen, maar zoals de vader van de parabel het door de verloren zoon voorbereide verhaal onderbreken, omdat zij in het hart van iedere boeteling het roepen om hulp en het vragen om vergeving zullen weten op te vangen. Kortom, de biechtvaders zijn geroepen om altijd, overal, in iedere situatie en ondanks alles het teken te zijn van het primaatschap van de barmhartigheid.”

Vooral jonge mensen hebben de weg die dit sacrament aanbeidt, weer gevonden. Maar nog veel meer mensen blijven huiverig en blijven vasthouden aan achterhaalde beelden. Wat let u om het weer eens aan te durven en het schoorvoetend te proberen. Dit jubeljaar is daarvoor een uitgesproken gelegenheid. U wordt met de open armen van de barmhartige Vader ontvangen. Amen.

Samen bij de Bron; Ex 3,1-8.13-15; Lc 13,1-9

Niet alleen de mensen in Oeganda zijn schuldig. Niet alleen de vluchtelingen zijn schuldig. Niet alleen verkeerslachtoffers zijn schuldig. Niet alleen mensen die sterven aan kanker, zijn schuldig. Er zijn vele varianten te bedenken op de uitspraken van Jezus in het evangelie van vandaag. Jezus leert ons in het Evangelie, dat de mensen die door het kwaad getroffen zijn, niet de enigen zijn die gezondigd hebben. Op de zonde volgt niet automatisch en onmiddellijk de straf. Slechts enkelen worden getroffen door het kwaad, terwijl allen zondigen. Er is geen sprake van simpele vergelding, van eenvoudig oorzaak en gevolg. Ook goede mensen worden door het kwaad getroffen.

In de Bijbel staan meer verhalen over hoe het kwaad goede mensen treft. Denk aan het boek Job. Job wordt door het kwaad getroffen zonder daaraan schuldig te zijn. Job vindt het daarom onrechtvaardig dat het kwaad hem overkomt. God maakt hem echter duidelijk dat die gedachte niet opgaat. Wij mensen zijn geneigd te denken, dat wanneer iemand door het kwaad getroffen wordt, de oorzaak daarvan bij die mens zelf of desnoods bij zijn familie ligt. Dat is makkelijk en overzichtelijk. Onze simpele manier van denken, is: God is almachtig en slechte mensen worden door hem gestraft. Door de oorzaak van het kwaad te leggen in de eigen schuld, denken wij onszelf ook tegen het kwaad te beschermen. Dan kun je namelijk beweren: Ik leid een goed leven, dus mij zal het niet overkomen, God zal mij goed gezind zijn en beschermen tegen het kwaad.

Het verhaal van Job laat ons zien, dat dat een verkeerde manier van denken is. Het laat ons ook zien hoe moeilijk het voor ons is om te aanvaarden, dat ook goede mensen slachtoffer van het kwaad zijn. Voortdurend worstelt de mensheid met deze vraag. Dat was ook in de tijd van Jezus het geval. En ook in ons eigen leven horen wij de vraag: Waarom ik? Waarom moet mij dit overkomen? Hoe vaak stellen wij zelf niet deze vraag? Telkens weer vragen wij ons af: Waar komt het kwaad vandaan? Waarom worden wij door het kwaad getroffen? Hoe wij ook blijven zoeken, we zullen het antwoord op deze vraag niet vinden. Beter is het bezig te zijn met de vraag: Hoe om te gaan met het kwaad? Wat doen wij als wijzelf of anderen door het kwaad worden getroffen?

Omgaan met het kwaad vraagt allereerst het aanvaarden van het kwaad: het kwaad in onszelf en het kwaad dat mensen overkomt, onder ogen te zien en te aanvaarden, aanvaarden van het kwaad als deel van het mysterie van ons leven. Als we in staat zijn de waarom-vraag achter ons te laten en niet alleen maar denken in termen van schuld, zijn we toe aan de vraag: Hoe nu verder? Hier kunnen we twee belangrijke wegen onderscheiden: ten eerste het afwijzen van het kwaad in onszelf en vergeving vragen voor het kwaad dat wij hebben aangericht, en ten tweede het verzachten van de gevolgen van het kwaad, het lenigen van de nood.

Het verzachten van het kwaad en het lenigen van nood is een daad van naastenliefde, van solidariteit en barmhartigheid. De liefde voor de naaste brengt ons er toe dat wij zijn lijden zien en het delen. God zegt tegen Mozes: “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden.” God kent het lijden van zijn volk en trekt het zich aan. Zo laat Hij zich kennen als onze barmhartige Vader. Vanuit medelijden en mededogen komen ook wij tot solidariteit, tot de bereidheid iets van onszelf te geven aan de ander. Dat kan zijn in de vorm van troost en van aandacht voor de ander. Wij kunnen de ander ook een deel van onze tijd of van onze welvaart schenken.

Tot dit laatste worden wij opgeroepen door het Vastenactieproject. Van ons wordt gevraagd een bijdrage te geven voor een betere toekomst voor de mensen in Oeganda. Zij zijn het slachtoffer van jarenlang oorlogsgeweld en van de wereldwijde klimaatveranderingen. Hierbij gaat het niet om de oorzaken en de schuldvraag, niet om vragen als: Is het rijke westen inderdaad de veroorzaker van de milieuproblemen? Waren de mensen niet zelf medeschuldig aan het oorlogsgeweld? Het enige dat aan de orde is, is dat deze mensen geholpen moeten worden. Daarvoor is straks de collecte.

In de eerste lezing laat God zich aan Mozes kennen. God stelt zich voor met de woorden: “Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob.” Hij stelt zich voor als een God van mensen, van mensen die in Hem geloven en zijn aanwezigheid ervaren. God zegt tegen Mozes: “Ik ben die is.” God zegt telkens weer tegen ons: Ik ben er voor jou, Ik heb je gehoord en Ik houd van je. God is de bron van ons bestaan, de bron waaruit wij blijven putten. Hij is er voor iedereen. Hij is het levende water voor alle mensen.

Wij mogen ons aan Hem overgeven, ons geluk en ons lot in zijn handen leggen. Hij zal voor ons zorgen. Hij zal ons gelukkig maken. Die liefde voor ons mogen wij delen met alle mensen. Samen staan wij – ondanks het kwaad – bij de Bron van liefde en leven. Amen.

Barmhartig als de Vader

We vieren het heilig jaar van de barmhartigheid. Ook de Veertigdagentijd die vandaag begint, staat daarmee in het teken van de barmhartigheid. Veertig dagen lang zijn wij samen met Jezus op weg naar Pasen. Veertig dagen lang mogen wij ons extra verbinden met Hem. Hij is het gezicht van Gods barmhartigheid. Hij is de mensgeworden barmhartigheid: barmhartig als de Vader.

Barmhartigheid heeft twee kanten. Wij mogen barmhartig zijn naar anderen. Denk daarbij aan de werken van barmhartigheid. Denk aan de solidariteit waartoe wij ook in deze Veertigdagentijd worden opgeroepen. De andere kant van de barmhartigheid is het ontvangen ervan. Barmhartig zijn en barmhartigheid ontvangen zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ze kunnen niet zonder elkaar.

We kunnen niet barmhartig zijn zonder openstaan voor de barmhartigheid die ons geschonken wordt. En we kunnen niet barmhartigheid ontvangen zonder zelf ook barmhartig te zijn. Denk hierbij aan de woorden van het Onzevader: “vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”. Openstaan voor de barmhartigheid van God vraagt dat wij ons tot Hem keren, dat wij ons bekeren, dat wij zoeken naar de persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus. Dat betekent dat wij Christus opzoeken in onze medemens in nood, maar het betekent ook dat wij Hem opzoeken in onze binnenkamer, dat wij ons in onszelf keren en ons even afsluiten van de buitenwereld. Willen wij werkelijk de barmhartigheid van God ervaren, is het nodig dat wij tot het inzicht komen dat wij niet zonder zijn barmhartigheid kunnen, dat wij die barmhartigheid hard nodig hebben.

Soberheid is niet alleen sober zijn in het genieten van aardse zaken. Soberheid is ook bescheiden zijn over onze eigen mogelijkheden. Wij hebben de genade en barmhartigheid van God werkelijk nodig, omdat we niet in staat zijn op eigen kracht tot het heil en het geluk te komen. De maakbaarheid van de wereld en ook van eigen geluk is beperkt. Daarvoor zijn wij geheel van God afhankelijk. Als wij ons op die wijze afsluiten van onze eigendunk, constateren we ook dat we meer dan eens tekortschieten en dat we fouten maken naar elkaar. Dat vraagt om reparatiewerkzaamheden, maar allereerst om erkenning van onze fouten en onze zonden om zo ook de vergeving toe te laten. Pas als wij ons met God en met elkaar verzoenen kunnen we werkelijk werken aan het herstel van de beschadigde relaties.

Een van de wegen tot verzoening en herstel die Jezus ons via de Kerk aanbiedt, is het Sacrament van Boete en Verzoening: de Biecht. Vele mensen denken dat de Biecht afgeschaft is en ook niet meer nodig is. Niets is minder waar. Wel is het sacrament ontdaan van het plichtmatige en de beladenheid die het vroeger had. Vooral jonge mensen hebben de weg die dit sacrament aanbeidt, weer gevonden. Maar nog veel meer mensen blijven huiverig en blijven vasthouden aan achterhaalde beelden. Wat let u om het weer eens aan te durven en het schoorvoetend te proberen. Dit jubeljaar is daarvoor een uitgesproken gelegenheid. U wordt met de open armen van God ontvangen. Amen.