Vandaag vieren we het feest van de heilige Drieëenheid: één God in drie personen: Vader, Zoon en heilige Geest. Het is waarschijnlijk het moeilijkst te doorgronden mysterie van ons geloof. Drie personen en toch één God. En bovendien is een van die drie personen ook nog eens mens geworden. Begrijpt u het? Ik niet, maar het gaat ook niet over begrijpen.
Er is maar één mens die ons kan met zekerheid zeggen wie God is, die weet hoe Hij eruit ziet, wat Hij wel en niet is. Alleen Jezus Christus kan dat. Hij kent God. Hij is God. In Hem is God mens geworden om zich aan ons te openbaren. We horen Jezus inderdaad vaak en uitvoerig over God spreken. Maar Hij doet dat niet in de vorm van theologische betogen. Hij spreekt in beelden over God. Hij vertelt ons parabels en gelijkenissen. Hij verwoordt hoe wij God in ons eigen leven kunnen ervaren.
De kern van de boodschap die Jezus ons brengt is dat God liefde is. God is liefde: dat is de centrale boodschap van zijn evangelie. Liefde kun je niet in je eentje zijn. Ik kan niet zeggen: ik ben liefde. Wel kan ik zeggen: ik houd van mijn vrouw. Liefde bestaat alleen wanneer er een relatie is. Als we dus zeggen: God is liefde, zeggen we ook God is relatie in zichzelf. God is liefde en gemeenschap in zichzelf. De Vader, de Zoon en de heilige Geest houden van elkaar en zij zijn innig met elkaar verbonden. Jezus vertelt ons voortdurend over de liefde tussen Hem en de Vader. Hij vertelt ons over de intense verbondenheid die er in God is.
Vandaag horen we Jezus zeggen: “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen.” Het is teveel en te lastig voor ons om het mysterie werkelijk te doorgronden. We hoeven het ook niet te begrijpen. We zullen het in ons leven moeten ervaren. Daarom stuurt Jezus ons de heilige Geest, de Helper. De Geest van waarheid zal ons de waarheid laten ervaren. We kennen allemaal dat soort momenten van openbaring. Het zijn de momenten waarop alles op zijn plaats valt, momenten waarop we echt gelukkig zijn. Het zijn de momenten waarop we even helemaal met onszelf samenvallen en ons innig verbonden weten met de mensen om ons heen.
Vijftig jaar geleden was er het Tweede Vaticaanse Concilie: de grote vergadering van de Kerk waar alle bisschoppen van heel de wereld. Zij zochten opnieuw naar de betekenis van de boodschap van Jezus, naar de betekenis van de woorden: God is liefde. De bisschoppen kwamen met twee zaken waarmee de liefde in de wereld werkelijkheid kan worden: dienstbaar zijn en gemeenschap vormen. De hele Kerk wil dienstbaar zijn aan alle mensen. Zij voelt zich ten diepste met iedereen verbonden, met de gehele mensheid.
Vandaag ben ik hier voor het eerst in uw midden. Als diaken mag ik deel uitmaken van uw lokale gemeenschap. De dienstbaarheid van de Kerk krijgt mede gestalte in het diaconaat, in het gewijde ambt van de diaken. Maar de diaken is niet de enige die de opdracht heeft vanuit en namens de Kerk dienstbaar te zijn. Het is de opdracht van de gehele Kerk om dienstbaar te zijn aan de mensheid en het is de roeping van iedere christen om dienstbaar te zijn aan de medemens. Het is de taak van de diaken de dienstbaarheid van Kerk te bevorderen. Hij doet dit door zelf dienstbaar te zijn en met woorden en daden ook anderen te motiveren tot dienstbaarheid. De dienst van de diaken kent drie aspecten: de dienst van de tafel, de dienst van het woord en de dienst van de liefdewerken. De dienst van de liefdewerken is de meest bekende.
Als we over diaconie of caritas spreken, hebben we het over deze dienst. Het gaat om het lenigen van concrete menselijke noden. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken en gevangen bezoeken en tenslotte doden begraven. De dienst van het woord wordt het meest concreet binnen de liturgie. Het is de taak van de diaken het Evangelie te lezen. En hij kan zoals vandaag de preek verzorgen. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer mogelijkheden om de Blijde Boodschap van Jezus Christus te verkondigen. De diaken treedt met woord en daad naar buiten. Hij gaat vanuit de Kerk de maatschappij in, legt daar contacten, ziet wat daar leeft en brengt dat terug de Kerk in. Hij brengt de noden van de samenleving ter sprake binnen de Kerk. Tenslotte de dienst van de tafel. Het is de taak van de diaken de priester tijdens de Eucharistieviering te assisteren. Dit is een liturgische functie. Het heeft een symboolwerking. De dienstbaarheid van de diaken in de liturgie staat symbool voor het handelen van de Kerk naar buiten.
Jezus heeft gezegd: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc 10,45). De diaken mag de dienstbaarheid van Jezus in de Kerk en in de wereld zichtbaar maken en aan de orde stellen. Hij mag Christus Dienaar binnen en buiten de Kerk present stellen. De diaken mag ook werken aan de gemeenschap, aan een gemeenschap van solidariteit en verbondenheid, aan het komen tot een eenheid in verscheidenheid. Hij probeert mensen over grenzen heen bij elkaar te brengen. Ik hoop van harte dat met uw medewerking hier te kunnen doen. Vragen wij de heilige Geest ons allen daarbij te helpen. Heilige Geest, die ons liefde, dienstbaarheid en gemeenschap geeft. Amen.
Eind 2015 eindigden de millenniumdoelen. Veel is er bereikt, maar niet alles. Ondertussen is de ongelijkheid in de wereld toegenomen en vraagt het milieu nog meer onze nadrukkelijke aandacht. Op 25 september 2015 hebben 193 landen de nieuwe werelddoelen tijdens de vergadering van de Verenigde Naties ondertekend. Er worden zes kernwaarden onderscheiden: mensen, waardigheid, planeet, welvaart, samenwerken en gerechtigheid. In dit artikel worden deze kernwaarden bekeken aan de hand van de encycliek Laudato si’ van paus Franciscus.[1]
De millenniumdoelen
In 2000 ondertekenden de regeringsleiders van 189 landen de United Nations Millennium Declaration. Zij verbonden zich aan de volgende acht millenniumdoelen die in 2015 moesten worden behaald.
- De armoede halveren en minder mensen honger
- Alle kinderen naar school
- Mannen en vrouwen gelijkwaardig
- Minder kindersterfte
- Verbetering van de gezondheid van moeders
- Bestrijding van aids, malaria en andere dodelijke ziektes
- Meer mensen in een duurzaam leefmilieu
- Mondiaal samenwerkingsverband voor ontwikkeling
De doelen zijn concreet gemaakt door aan te geven wat de omvang van de verbetering moet zijn ten opzichte van de situatie in 1990. De concrete doelen zijn in de meeste gevallen niet gehaald. Er zijn aanzienlijke resultaten bereikt, maar is er nog veel te doen. Er is een wereldwijde samenwerking tot stand gekomen en veel mensen zijn zich bewust geworden van de problematiek. Het is duidelijk dat met een gezamenlijke aanpak nodig is en daadwerkelijk verbetering oplevert.
De nieuwe werelddoelen
De nieuwe werelddoelen van de Verenigde Naties blijven inzetten op het beëindigen van de armoede, maar hebben daarnaast meer aandacht voor duurzaamheid, vrede en veiligheid. Deze Sustainable Development Goals (duurzame ontwikkelingsdoelen, DOD) moeten in 2030 gerealiseerd zijn. Ban Ki-moon, de secretaris generaal van de Verenigde Naties, onderscheidt binnen de zeventien werelddoelen zes essentiële kernwaarden: mensen, waardigheid, planeet, welvaart, samenwerken en gerechtigheid.
Samenhang werelddoelen en kernwaarden
De zeventien werelddoelen zijn als volgt met de zes kernwaarden verbonden.
- Mensen en waardigheid
- Geen armoede
- Geen honger en duurzame landbouw
- Schoon water en sanitair voor iedereen
- Gezondheidszorg voor iedereen
- Onderwijs voor iedereen
- Gelijke rechten voor meisjes en vrouwen
- Planeet en welvaart
- Klimaatverandering tegengaan
- Duurzaam gebruik van zeeën
- Bescherming van ecosystemen, bossen en biodiversiteit
- Economische groei, werkgelegenheid
- Infrastructuur voor duurzame industrialisatie
- Duurzame consumptie en productie
- Samenwerken en gerechtigheid
- Versterking mondiaal partnerschap om doelen te bereiken
- Toegang tot betaalbare en duurzame energie
- Verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen
- Steden veilig, weerbaar en duurzaam
- Promotie veiligheid, publieke diensten en recht voor iedereen
Paus Franciscus
Op 9 mei 2014 schreef paus Franciscus aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties: “Het is nodig duurzame ontwikkelingsdoelen te formuleren en die genereus en moedig tot uitvoering te brengen, opdat zij een wezenlijke invloed op de structurele oorzaken van armoede en honger en substantiëlere resultaten bij het beschermen van het milieu zullen hebben, fatsoenlijk werk voor iedereen garanderen en de juiste bescherming van het gezin opleveren. Dit laatste is een essentieel onderdeel van een duurzame menselijke en maatschappelijke ontwikkeling.”[2] In de encycliek Laudato si’ geeft de paus aan dat alles met elkaar samenhangt. “Wij zullen niet op een adequate wijze het hoofd kunnen bieden aan de vernietiging van het milieu, als wij geen aandacht besteden aan de oorzaken die verband houden met het menselijk en maatschappelijk verval.” (48) Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst.
Laudato si’ over de zes kernwaarden
Door een aantal teksten van paus Franciscus uit Laudato si’ aan elkaar te rijgen, verkrijgen we een beeld van zijn visie die richting geeft aan ons denken over de zes kernwaarden van de nieuwe werelddoelen. Gelijk aan bovenstaand schema komen de zes kernwaarden paarsgewijs aan de orde.
Mensen en waardigheid
“De verwoesting van het menselijk milieu is iets zeer ernstigs, niet alleen omdat God de wereld aan de mens heeft toevertrouwd, maar omdat het menselijk leven zelf een gave is die tegen de verschillende vormen van verval moet worden beschermd. (…) Een authentieke menselijke ontwikkeling heeft een moreel karakter en veronderstelt een volledig respect voor de menselijke persoon, maar moet ook aandacht besteden aan de wereld van de natuur en rekening houden met de natuur van ieder wezen en met het onderlinge verband in een geordend systeem.” (5) “Niet alleen de aarde is aan de mens gegeven, die haar gebruiken moet met eerbiediging van de oorspronkelijke bedoeling, volgens welke ze hem geschonken is als een goed, maar ook is de mens aan zichzelf gegeven door God en hij moet daarom de natuurlijke en zedelijke structuur respecteren waarmee hij begiftigd is.” (115)
“De Bijbel leert dat iedere mens uit liefde geschapen wordt, geschapen naar het beeld van en de gelijkenis met God (vgl. Gn 1,26). Deze woorden laten ons de immense waardigheid van iedere mens zien, die niet iets is, maar iemand. (…) Zij die zich inzetten voor de verdediging van de menselijke waardigheid, kunnen in het christelijk geloof de diepste redenen vinden voor die inzet. Wat voor een wonderbaarlijke zekerheid is het te weten dat het leven van iedere persoon niet verloren gaat in een hopeloze chaos, in een wereld die door puur toeval wordt geregeerd of door cycli die zich zinloos herhalen!” (65) “De rijke en de arme hebben een gelijke waardigheid, omdat ‘de Heer hen allen heeft gemaakt’ (Spr 22,2), ‘Hij zelf klein en groot heeft gemaakt’ (W 6,7) en ‘de zon laat opgaan over slechten en goeden’ (Mt 5,45).” (94)
“Waartoe zijn wij in dit leven geroepen? Met wat voor doel werken en strijden wij? Waarom heeft deze aarde ons nodig? Daarom is het niet alleen voldoende dat wij ons zorgen maken om de toekomstige generaties. Wij moeten ons realiseren dat ook onze eigen waardigheid op het spel staat.” (160) De paus roept op tot een ecologische bekering: “Deze bekering impliceert verschillende, met elkaar verbonden, grondhoudingen die een edelmoedige en liefderijke inzet voor het milieu op gang brengen. Op de eerste plaats houdt zij dankbaarheid en belangeloosheid in, dat wil zeggen de erkenning van de wereld als een, vanuit de liefde van de Vader, ontvangen geschenk. (…) Zij houdt ook het liefdevolle besef in dat men niet gescheiden is van de andere schepselen, maar met de andere wezens van het heelal een schitterende universele gemeenschap vormt.” (220)
Planeet en welvaart
“Wij vergeten dat wij zelf uit aarde zijn (vgl. Gn 2,7). Ons lichaam zelf wordt gevormd door de elementen van de planeet; haar lucht geeft ons adem en haar water schenkt ons leven en verkwikt ons.” (2) “Wij zijn (…) geroepen instrumenten van God de Vader te worden, opdat onze planeet de planeet is waarvan Hij gedroomd heeft, toen Hij haar schiep, en beantwoordt aan zijn plan van vrede, schoonheid en volheid.” (53) “Het milieu is een collectief goed, een erfenis van heel de mensheid en een verantwoordelijkheid van allen. Als iemand er een deel van bezit, dan is dat alleen maar om het te beheren ten nutte van allen.” (95) “Als de aarde ons wordt geschonken, kunnen wij niet alleen meer denken vanuit een utilitaristisch criterium van efficiëntie en productiviteit voor individueel profijt.” (159)
“De klimaatveranderingen zijn een wereldwijd probleem met ernstige implicaties voor het milieu, de maatschappij, de economie, de distributie en de politiek, en vormen een van de belangrijkste actuele uitdagingen voor de mensheid.” (25) “De hulpbronnen van de aarde worden geplunderd ten gevolge van opvattingen over economie en commerciële activiteiten die te zeer verband houden met het korte termijn resultaat.” (32) “Het is echter niet genoeg hierbij alleen maar te denken aan de verschillende soorten als eventuele te exploiteren ‘hulpbronnen’ en daarbij te vergeten dat zij een waarde op zich hebben.” (33) “Daar alle schepselen onderling met elkaar zijn verbonden, moet van ieder ervan de waarde met liefde en verwondering worden erkend en hebben wij allen als geschapen wezens elkaar nodig.” (42)
“De mensheid wordt opgeroepen om zich de noodzaak bewust te worden van een verandering van levensstijl, van productie en consumptie om de opwarming van de aarde te bestrijden of minstens de menselijke oorzaken die deze voortbrengen of verergeren.” (23) “Een wereld van onderlinge afhankelijkheid betekent niet alleen maar begrijpen dat de schadelijke gevolgen van levensstijlen, productie en consumptie allen treffen, maar vooral ervoor zorgen dat de oplossingen worden voorgesteld vanuit een wereldomvattend perspectief en niet alleen maar ter verdediging van de belangen van enkele landen.” (164) “Men moet een magisch idee van de markt vermijden dat ertoe neigt te denken dat de problemen alleen maar worden opgelost met de groei van de winsten van ondernemingen of van individuen. (…) Binnen het schema van het rendement is er geen plaats om te denken aan de ritmes van de natuur, aan haar tijden van verval en herstel en de complexiteit van de ecosystemen die ernstig kunnen worden aangetast door menselijk ingrijpen.” (190) “Het gaat er eenvoudigweg om de vooruitgang opnieuw te definiëren. Een technologische en economische ontwikkeling die geen betere wereld en een integraal hogere kwaliteit van leven achterlaat, kan niet als vooruitgang worden beschouwd.” (194)
“Er is een economische ecologie nodig, die in staat is ons ertoe te brengen vanuit een breder perspectief naar de werkelijkheid te kijken. Immers, de bescherming van het milieu zal een noodzakelijk onderdeel moeten uitmaken van het ontwikkelingsproces en mag men niet geïsoleerd bekijken. (…) Vandaag is de analyse van de milieuproblemen niet te scheiden van de analyse van de context van mens, gezin, werk en stad en van de relatie van iedere persoon met zichzelf…” (141) “Een verandering in levensstijl zou een gezonde druk kunnen uitoefenen op degenen die de politieke, economische en maatschappelijke macht hebben. Dat gebeurt, wanneer consumentenorganisaties bereiken dat door een boycot van bepaalde producten ondernemingen worden aangezet hun gedrag te veranderen en hen dwingen de belasting van het milieu en hun productiemethoden te heroverwegen.” (206)
“De christelijke spiritualiteit stelt een andere wijze voor om de kwaliteit van leven te meten en nodigt uit tot een profetische en contemplatieve levensstijl die in staat is een diepe vreugde te kennen zonder door consumptie geobsedeerd te zijn. (…) Het betreft de overtuiging dat ‘minder meer is’.” (222)
Samenwerken en gerechtigheid
“Wij zouden vooral verontwaardigd moeten zijn over de geweldige ongelijkheid die er onder ons mensen bestaat, omdat wij het blijven tolereren dat sommigen zich waardiger dan de ander beschouwen. Wij merken niet meer dat sommigen zich voortslepen in een vernederende ellende, zonder mogelijkheden die te boven te komen, terwijl anderen zelfs niet weten wat ze moeten doen met hetgeen ze bezitten, ijdel te koop lopen met een vermeend superioriteitsgevoel en een dergelijk niveau van verspilling bereiken dat men onmogelijk zou kunnen veralgemenen zonder de planeet te verwoesten.” (90) “De postmoderne mens loopt voortdurend het gevaar individualistisch te worden en veel huidige maatschappelijke problemen moeten in verband worden gebracht met het egoïstisch zoeken naar onmiddellijke bevrediging…” (162)
“Ik nodig dringend uit tot een nieuwe dialoog over de wijze waarop wij de toekomst van de planeet gestalte geven.” (14) “De onderlinge afhankelijkheid verplicht ons aan één wereld te denken, aan een gemeenschappelijk project. Maar dezelfde rede die gebruikt wordt voor een enorme technische ontwikkeling, slaagt er niet in doeltreffende vormen van internationaal beheer te vinden om de ernstige moeilijkheden van milieu en maatschappij op te lossen. Om de fundamentele problemen aan te pakken, die niet door acties van landen afzonderlijk kunnen worden opgelost, wordt een mondiale consensus onontbeerlijk…” (164)
“Voor de arme landen moeten het uitroeien van de ellende en de sociale ontwikkeling van hun inwoners prioriteit zijn; tegelijkertijd moeten zij het schandalige niveau van consumptie in enkele bevoorrechte sectoren van hun bevolking onderzoeken en beter de corruptie te lijf gaan. Zeker, zij moeten ook minder vervuilende vormen van energieproductie ontwikkelen, maar hiervoor moeten zij kunnen rekenen op de hulp van de landen die zeer gegroeid zijn ten koste van de huidige vervuiling van de planeet.” (172) “Wij weten dat het gedrag van hen die steeds meer consumeren en verwoesten, onhoudbaar is, terwijl anderen er niet in slagen overeenkomstig de eigen menselijke waardigheid te leven. Daarom is het uur gekomen een zekere vermindering van groei in sommige delen van de wereld te accepteren en hulp te verschaffen, opdat men in andere delen op gezonde wijze kan groeien.” (193)
“Het is dringend noodzakelijk internationale verdragen tot stand te brengen… De relaties tussen de staten moeten de soevereiniteit van ieder waarborgen, maar ook trajecten vaststellen die worden overeengekomen om lokale catastrofen te vermijden die uiteindelijk allen zouden schaden. Er zijn wereldwijde regulerende kaders nodig die verplichtingen opleggen en onacceptabele acties verhinderen…” (173) “Wij hebben behoefte aan een wereldwijde, meer verantwoorde reactie, die tegelijkertijd het terugdringen van de vervuiling en de ontwikkeling van de arme landen en regio’s inhoudt. (…) Om de wereldeconomie te sturen, de door de crisis getroffen economieën te saneren, een verergering van de crisis en daaruit voortvloeiende onevenwichtigheden te voorkomen, om een gepaste integrale ontwapening, veiligheid en vrede tot stand te brengen, om de bescherming van het milieu te waarborgen en om de migratiestromen te reglementeren, is een echt politiek wereldgezag noodzakelijk…” (175)
“Het bestaan van wetten en regels is op de lange termijn niet voldoende om slecht gedrag te beperken, ook wanneer er een deugdelijke controle bestaat. Willen gedragsregels belangrijke en duurzame effecten ressorteren, dan is het noodzakelijk dat het merendeel van de leden van de samenleving vanuit een juiste motivering tot persoonlijke gedragsverandering komt.” (211) “Wij zijn niet allen geroepen om direct in de politiek werkzaam te zijn, maar in de schoot van de maatschappij bloeit een talrijke verscheidenheid aan verenigingen die zich voor het algemeen welzijn inzetten door het natuurlijk en stedelijk milieu te verdedigen.” (232)
[1] Franciscus, Laudato si’, Utrecht: Secretariaat van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap, 2015.
[2] http://w2.vatican.va/content/francesco/en/speeches/2014/may/documents/papa-francesco_20140509_consiglio-nazioni-unite.html.
“Geef kracht, geef vuur, geef licht, geef kleur. Heilige Geest, geef ons leven.” Wij vragen de heilige Geest ons te helpen, want wij willen leven, wij willen liefhebben.
Jezus zegt tegen ons: “Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden…” De tekst die we vandaag gelezen hebben, is uit de lange afscheidsrede van Jezus op de avond voor zijn lijden en sterven. Iets verderop zegt Jezus wat zijn geboden zijn: “Dit is mijn gebod dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.” (Joh 15,12) Het draait bij Jezus voortdurend om dat ene gebod van de liefde. Jezus geeft ons geen uitgebreide uitleg over hoe we elkaar moeten liefhebben. Nee, Hij laat ons met zijn eigen leven zien hoe je dat kunt doen. Hij laat ons zien hoe Hij van zijn Vader houdt, hoe zijn Vader van Hem houdt. Hij laat ons zien hoe Hij die liefde deelt met alle mensen. Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (Joh 14,6) Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven en hoe je kunt liefhebben. Hij doet het ons voor en zegt tegen ons: doe zoals ik doe, dan word je gelukkig. En Hij belooft ons de heilige Geest, de Helper. De heilige Geest geeft kracht, geeft vuur, geeft licht, geeft kleur. De heilige Geest, geeft ons leven. De heilige Geest doet ons liefhebben.”
Vijftig jaar geleden was er het Tweede Vaticaanse Concilie: de grote vergadering van de Kerk waar alle bisschoppen van heel de wereld zich lieten leiden door de heilige Geest. Zij zochten opnieuw naar de betekenis van het gebod van Jezus, naar de betekenis van dat ene gebod van de liefde. Onder leiding van de heilige Geest kwamen de bisschoppen met twee zaken waarmee de liefde in de wereld werkelijkheid kan worden: dienstbaar zijn en gemeenschap vormen. De hele Kerk wil dienstbaar zijn aan alle mensen. Zij voelt zich ten diepste met iedereen verbonden, met de gehele mensheid.
Pinksteren is een feest van gemeenschap. De grenzen van culturen en talen vallen weg. Vervult van de heilige Geest begrijpen mensen elkaar over grenzen heen. We hoorden dat in de eertse lezing uit de Handelingen van de Apostelen. Het is eenheid in verscheidenheid. De verschillen scheiden ons niet van elkaar. Juist door de verschillen betekenen we iets voor elkaar, zoeken wij elkaar en weten wij ons met elkaar verbonden. Samen zingen we ook God lof: “Laudate omnes gentes.”
Vandaag ben ik hier voor het eerst in uw midden. Als diaken mag ik deel uitmaken van uw lokale gemeenschap. De dienstbaarheid van de Kerk krijgt mede gestalte in het diaconaat, in het gewijde ambt van de diaken. Maar de diaken is niet de enige die de opdracht heeft vanuit en namens de Kerk dienstbaar te zijn. Het is de opdracht van de gehele Kerk om dienstbaar te zijn aan de mensheid en het is de roeping van iedere christen om dienstbaar te zijn aan de medemens. Het is de taak van de diaken de dienstbaarheid van Kerk te bevorderen. Hij doet dit door zelf dienstbaar te zijn en met woorden en daden ook anderen te motiveren tot dienstbaarheid. De dienst van de diaken kent drie aspecten: de dienst van de tafel, de dienst van het woord en de dienst van de liefdewerken. De dienst van de liefdewerken is de meest bekende.
Als we over diaconie of caritas spreken, hebben we het over deze dienst. Het gaat om het lenigen van concrete menselijke noden. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken en gevangen bezoeken en tenslotte doden begraven. De dienst van het woord wordt het meest concreet binnen de liturgie. Het is de taak van de diaken het Evangelie te lezen. En hij kan zoals vandaag de preek verzorgen. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer mogelijkheden om de Blijde Boodschap van Jezus Christus te verkondigen. De diaken treedt met woord en daad naar buiten. Hij gaat vanuit de Kerk de maatschappij in, legt daar contacten, ziet wat daar leeft en brengt dat terug de Kerk in. Hij brengt de noden van de samenleving ter sprake binnen de Kerk. Tenslotte de dienst van de tafel. Het is de taak van de diaken de priester tijdens de Eucharistieviering te assisteren. Dit is een liturgische functie. Het heeft een symboolwerking. De dienstbaarheid van de diaken in de liturgie staat symbool voor het handelen van de Kerk naar buiten.
Jezus heeft gezegd: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc 10,45). De diaken mag de dienstbaarheid van Jezus in de Kerk en in de wereld zichtbaar maken en aan de orde stellen. Hij mag Christus Dienaar binnen en buiten de Kerk present stellen. De diaken mag ook werken aan de gemeenschap, aan een gemeenschap van solidariteit en verbondenheid, aan het komen tot een eenheid in verscheidenheid. Hij probeert mensen over grenzen heen bij elkaar te brengen. Ik hoop van harte dat met uw medewerking hier te kunnen doen.
Vragen wij de heilige Geest ons allen daarbij te helpen. “Geef kracht, geef vuur, geef licht, geef kleur. Heilige Geest, geef ons leven.” Heilige Geest, geef ons liefde, geef ons dienstbaarheid en gemeenschap. Amen.
Sociale leer van de Kerk
Op 18 juni 2015 verscheen een brief van paus Franciscus gericht aan alle bewoners van ons gezamenlijk huis. De encycliek draagt de titel: ‘Laudato si’’ ofwel ‘Geprezen zijt Gij’. Deze woorden komen uit het Zonnelied, een loflied op God en zijn schepping: “Geprezen zijt Gij, mijn Heer, door onze zuster, moeder aarde, die ons voedt en leidt…” (1) Het Zonnelied is van Franciscus van Assisi. Hij “nodigt ons, trouw aan de Schrift, uit de natuur als een schitterend boek te zien waarin God tot ons spreekt en ons een glimp schenkt van zijn oneindige schoonheid en goedheid.” (12)
De encycliek gaat over duurzaamheid, over de schepping en haar voortbestaan en over de gevolgen van het onverantwoord omgaan met de schepping. De aarde “schreeuwt ons op dit moment toe vanwege de schade die wij haar hebben toegebracht door ons onverantwoordelijk gebruik en misbruik van al het goede dat God haar heeft geschonken.” (2) Met deze encycliek gaat paus Franciscus verder op de weg van zijn voorgangers.
Het kerkelijk denken
In 1971 verwees Paulus VI naar de ecologische problematiek. Hij schreef over een crisis die een dramatisch gevolg is van onbezonnen exploitatie van de natuur.[1] Johannes Paulus II stelde dat er geen wereldvrede kan zijn als de wereld de milieuproblematiek niet serieus oppakt en niet haar collectieve verantwoordelijkheid neemt jegens de armen en de toekomstige generaties.[2] Van hem is het begrip ‘ecologische zonde’: wie schade toebrengt aan het milieu, begaat een zonde. Benedictus XVI stond bekend als de ‘groene’ paus. Hij vroeg voortdurend aandacht voor het milieu. Hij liet het niet alleen bij woorden, hij bracht het ook in de praktijk: in 2007 was het Vaticaan het eerste CO2-neutrale land ter wereld.
Met ‘Laudato si’’ roept paus Franciscus iedereen op: “Deze dringende oproep tot bescherming van ons gemeenschappelijke huis omvat de noodzaak de gehele menselijke familie bij elkaar te brengen om te zoeken naar een duurzame en integrale ontwikkeling, want wij weten dat zaken kunnen veranderen. (…) De mensheid heeft nog steeds de mogelijkheid samen te werken aan de opbouw van ons gemeenschappelijk huis.” (13) De encycliek maakt deel uit van de sociale leer van de Kerk.
In de vierde eeuw werd het christendom de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Vanaf die tijd ontstond er gaandeweg een vaste taakverdeling tussen Kerk en staat. Na de Franse Revolutie raakte de Kerk met haar denken over de inrichting van de maatschappij steeds meer in een isolement. Zij verzette zich tegen de producten van de Verlichting: liberalisme, socialisme, mensenrechten, vrijheid van meningsuiting en democratie. Pius IX bepleitte in 1864 dit antimodernisme.[3]
In 1891 werd een nieuwe weg ingeslagen.[4] Leo XIII had oog voor de snel veranderende samenleving en legde de basis voor een katholieke maatschappijvisie. Dit wordt gezien als het begin van de sociale leer van de Kerk. Deze derde weg naast het liberalisme en het socialisme werd in 1931 door Pius XI verder uitgewerkt.[5] Belangrijke begrippen in deze maatschappijvisie zijn: solidarisme en corporatisme. In Nederland leidde dit dankzij de KVP tot de SER (Sociaal-Economische Raad).
Johannes XXIII verliet in 1961 het idee van de derde weg.[6] Er is niet langer sprake van een eigen systeem. Iedere samenleving heeft het recht haar eigen keuzes te maken. Deze worden vanuit het gelovige sociale denken van de Kerk beoordeeld. Hierbij is de aandacht voor de menselijke waardigheid een belangrijk criterium. Deze nieuwe manier van denken wordt in 1965 verder uitgewerkt tijdens het Tweede Vaticaans Concilie. Het gaat voortaan om “de opdracht de tekenen des tijds te onderzoeken en in het licht van het Evangelie te interpreteren”.[7] Sleutelbegrippen van het nieuwe denken zijn: algemeen welzijn, personalisme, solidariteit en subsidiariteit.
Centraal in het denken van de Kerk over de mens staat niet het woord ‘individu’, maar het woord ‘persoon’. Een mens wordt pas mens in relatie met anderen. Dan is hij in staat tot het ontvangen en geven van liefde. Hierin is hij ook beeld van de Drie-ene God, die liefde is en gemeenschap in zichzelf. Dit maakt dat de mens afhankelijk is van andere mensen en in die zin ook niet volledig autonoom kan zijn. De mens is geen soevereine instantie, die aan zichzelf genoeg heeft. God heeft ons niet als individu aan onszelf gegeven, maar als persoon naast de ander, als hulp aan de ander gelijk (Gn 2,18) en als hoeder van mijn broeder (Gn 4,9).
In 1967 verbreedt Paulus VI het blikveld van de Kerk tot de hele wereld.[8] Daarvoor was het denken vooral op Europa gericht. Hij pleit voor de ontwikkeling van de gehele mens en van alle mensen. Alle volken hebben recht op ontwikkeling. Na eerder Paulus VI zet Johannes Paulus II in 1987 het milieuvraagstuk uitgebreid op de kerkelijke agenda.[9] Wij kunnen niet ongestraft gebruik maken van alles wat levend of levenloos deel uit maakt van deze wereld. Onze natuurlijke hulpbronnen zijn niet onuitputtelijk en milieuvervuiling heeft ernstige gevolgen voor de wereldbevolking.
Johannes Paulus II heeft de sociale leer en de moraaltheologie met elkaar verbonden.[10] De menselijke waardigheid is hierin een verbindend element. Het gaat niet alleen om de waardigheid van iedere mens. Het gaat ook om de waardigheid van heel de mens, om ziel én lichaam, om alle denken en doen en vanaf het eerste begin tot het laatste moment van het leven. Benedictus XVI brengt in 2009 de vraagstukken van de globalisering, de migratie en de toenemende speculatie onder de aandacht.[11] De sociale leer van de Kerk is steeds in ontwikkeling en zal dit blijven om steeds weer te kunnen reageren op de voortdurend veranderende situatie in de wereld.
Groen zijn
Volgens Benedictus XVI is ‘groen zijn’ een morele en religieuze noodzaak: “Goede en effectieve maatregelen tegen de verspilling en vernietiging van de schepping kunnen alleen ontwikkeld en gerealiseerd worden, begrepen en nageleefd worden, als de schepping vanuit Gods standpunt wordt gezien.”[12] Duurzaamheid staat ook niet los van gerechtigheid. Onverantwoorde levenskeuzes en leefstijlen bedreigen niet alleen de aarde, zij maken ook het leven van de armen nog moeilijker.
De teksten van Benedictus XVI over het milieu zijn samengebracht in ‘Tien geboden voor het milieu’.[13] Het zijn tien hoofdthema’s van het denken van de Kerk over het milieu. De mensheid moet een verantwoordelijke beheerder van de schepping zijn. Wij zijn geroepen om door onze levensstijl te getuigen dat alles en iedereen is geschapen om God eer te bewijzen. Dat onderscheidt ons van de seculiere milieubeweging. Het is God die centraal staat, niet de mens. Gods liefde geeft ons de moed en de hoop het milieuprobleem aan te pakken. Samen met God werkt de mens als medeschepper aan een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
1e gebod: Gebruiken, niet misbruiken
De mens staat aan het hoofd van de schepping en moet haar overeenkomstig Gods plan op verantwoordelijke wijze beheren en gebruiken. Het scheppingsverhaal leert ons dat de mens door God is belast met het beheer van de schepping: “God sprak: ‘Nu gaan wij de mens maken, als beeld van ons, op ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’” (Gen 1,26) Wij hebben de opdracht de schepping te gebruiken en verder te ontwikkelen. We zijn echter ook in staat haar te misbruiken en te vernietigen.
2e gebod: Weinig minder dan een God
De natuur is geen gebruiksobject dat kan worden gemanipuleerd en geëxploiteerd, en ook geen absolute waarde die boven de menselijke waardigheid staat. Sinds Darwin de evolutieleer ontdekte, is voor velen ook het mensbeeld veranderd. Psalm 8 zegt ons: “Wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt, de zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat? Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt en hem met glorie en luister gekroond.” Ook al is de mens de beheerder van de schepping, hij maakt er ook deel van uit. De waarde van de mens gaat de schepping te boven, maar het menselijk bestaan is ook afhankelijk van de schepping. De mens mag de schepping niet willekeurig manipuleren, maar hij moet zich ook niet passief onderwerpen aan de grillen van de natuur.
3e gebod: Eén voor allen, allen voor één
Het is een gezamenlijke plicht het milieu te respecteren als een collectief bezit, bestemd voor de huidige en de toekomstige generaties. Algemeen welzijn, solidariteit, vrede en gerechtigheid staan in directe relatie met duurzaamheid. De mensheid van heel de wereld en van alle tijden vormt één grote familie. Het bereiken van positieve resultaten vraagt ieders inspanning en de samenwerking van velen, waaronder politici, wetenschappers en economen.
4e gebod: Het is geen ‘brave new world’
Bij milieuproblemen gaan ethiek en menselijke waardigheid boven techniek. Aldous Huxley beschrijft in zijn roman ‘Brave New World’ een toekomstige wereld die totaal door technologie en rationaliteit wordt beheerst. Rationaliteit, wetenschap en techniek zijn ons door God als een geschenk in handen gegeven. Een goed gebruik van deze op zichzelf neutrale instrumenten vraagt een ethische afweging, een toetsing aan de waarden die het geloof ons leert.
5e gebod: Gaia is geen god
De natuur is niet goddelijk en zo lang de schepping en de natuurlijke orde worden gerespecteerd, is menselijk ingrijpen goed. In de Griekse mythologie is Gaia de oermoeder, Moeder Aarde. In onze tijd is dit beeld van een goddelijke aarde nieuw leven ingeblazen. Hiermee krijgt de mens een ondergeschikte positie ten opzichte van de aarde. De Bijbel leert ons echter dat de aarde door God is geschapen en dat zij aan de mens is toevertrouwd: de aarde is een geschenk van God aan de mens. Het gebruik van geschenken vraagt dat wij respect hebben voor de bedoelingen van de schenker.
6e gebod: Vooruitgang tot welke prijs?
Economisch en ecologisch beleid moeten op elkaar afgestemd worden. Naast de economische zijn ook de ecologische kosten van belang. Ons economisch handelen wordt over het algemeen vooral door de direct zichtbare kosten bepaald. Eventuele negatieve effecten voor het milieu blijven daarmee meestal buiten beschouwing. Economische en ecologische ontwikkelingen mogen niet los van elkaar worden gezien. De aarde en de natuur zijn niet onuitputtelijk: er zijn grenzen. Binnen de mogelijkheden van de schepping moet de mens streven naar het algemeen welzijn van iedereen.
7e gebod: Stromen als een rivier
Het stoppen van de wereldwijde armoede vraagt eerlijke verdeling van alle grondstoffen. In 2005 stelt Benedictus XVI: “De aarde kan werkelijk voldoende voortbrengen om al haar bewoners te voeden, op voorwaarde dat de rijke landen niet dat wat aan iedereen toebehoort, voor zichzelf houden.”[14] Solidariteit en gerechtigheid zijn pijlers van de sociale leer van de Kerk. Zij richten bij de verdeling van schaarste onze aandacht op de positie van de armen. Het zijn de armen die het eerst en het meest onder de gevolgen van milieurampen te lijden hebben.
8e gebod: We zitten in hetzelfde schuitje
Het recht op een veilige en schone leefomgeving moet door wereldwijde samenwerking en internationale akkoorden beschermd worden. Zonder internationale samenwerking en mondiale structuren komen we niet tot een duurzame samenleving. Naast vrijwillige samenwerking is er ook internationale regelgeving noodzakelijk. Iedere mens heeft recht op een schoon milieu.
9e gebod: Discipline is niet een vies woord
Milieubescherming vereist een andere levensstijl. We moeten ons afkeren van consumentisme en productiemethoden nastreven die de natuurlijke orde respecteren en waarmee we kunnen voorzien in de basisbehoeften van alle levende wezens. Het zal iedereen volstrekt duidelijk zijn, dat we niet door kunnen gaan met onze Westerse manier van leven en overconsumptie. Dat vraagt discipline en een andere mentaliteit. We moeten van een mentaliteit van ‘hebben’ naar een mentaliteit van ‘zijn’ met nadruk op waarden als waarheid, schoonheid, deugdzaamheid en gemeenschap.
10e gebod: Alles is gegeven
Milieuvraagstukken vragen om een spiritueel antwoord, geïnspireerd door het geloof dat de schepping een geschenk van God is. De mens is God dankbaar voor de schepping. Een goede omgang met de schepping, duurzaamheid en zorg voor het milieu vragen dat wij de schepping zien als een geschenk van God. Met dit geschenk openbaart God zijn liefde en goedheid aan ons. De dankbaarheid voor het geschenk brengt ons in beweging om ervan te getuigen, het goed en respectvol te gebruiken en het verder uit te bouwen tot een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Laudato si’
Benedictus XVI stelde de duurzaamheid aan de orde in preken, toespraken en boodschappen. Franciscus gaat een stap verder door het kerkelijk denken over duurzaamheid vast te leggen in een encycliek. Een encycliek is een leerstellig document. De inhoud is niet dogmatisch, maar maakt wel deel uit van de katholieke leer in bredere zin. De sociale leer van de Kerk is vastgelegd in een serie encyclieken te beginnen in 1891 met Rerum novarum van Leo XIII.
Hoofdstuk 1: Wat gebeurt er met ons gemeenschappelijk huis
De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen – waaraan de mens medeschuldig is – treffen alle mensen maar vooral de armen. “De aarde, ons huis, begint steeds meer op een enorme vuilnisbelt te lijken.” (21) “Deze problemen zijn nauw verbonden met de wegwerpcultuur, die zowel de uitgesloten mensen betreft als ook voorwerpen snel reduceert tot afval.” (22) “Klimaatverandering is een mondiaal probleem met ernstige gevolgen…” (25) “Omdat alle schepselen met elkaar zijn verbonden, moeten alle met liefde en respect gekoesterd worden, want wij allen zijn als levende schepselen van elkaar afhankelijk.” (42)
“Tot de sociale aspecten van de mondiale veranderingen behoren ook de gevolgen van de technologische innovaties op het gebied van de arbeid, de sociale uitsluiting, de ongelijkheid in de verdeling en het gebruik van energie en andere diensten, de afbraak van de gemeenschap, de toename van geweld en de opkomst van nieuwe vormen van sociale agressie, drugshandel en toenemend drugsgebruik door jongeren, en het verlies aan identiteit.” (46) “Het menselijke milieu en het natuurlijke milieu verslechteren in samenhang met elkaar; wij kunnen de achteruitgang van het milieu niet adequaat bestrijden zonder ook aandacht te besteden aan de oorzaken die verband houden met de menselijke en sociale achteruitgang.” (48)
Hoofdstuk 2: Het evangelie van de schepping
Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. “Als wij werkelijk een ecologie willen ontwikkelen die ons in staat stelt de schade die we hebben veroorzaakt, te herstellen dan mag geen enkele wetenschap en geen enkele vorm van wijsheid uitgesloten worden, ook de religies niet met haar eigen taal.” (63) De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren, niet om haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken, niet om te verbruiken. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.
“De verantwoordelijkheid voor Gods aarde betekent dat de mensen (…) de wetten van de natuur en het delicate evenwicht dat er tussen de schepselen van deze wereld bestaat, moeten respecteren…” (68) “We worden ook opgeroepen te onderkennen dat de andere levende wezens in de ogen van God hun eigen waarde hebben en Hem alleen al met hun bestaan loven en verheerlijken…” (69) “Wij hebben de vrije keuze met onze intelligentie aan een positieve ontwikkeling bij te dragen of nieuwe rampen te veroorzaken…” (79) “God wil de onderlinge afhankelijkheid van de schepselen.” (86) De paus pleit voor een holistische en allesomvattende visie. “Vrede, gerechtigheid en behoud van de schepping zijn drie absoluut met elkaar verbonden thema’s…” (92)
Hoofdstuk 3: De menselijke oorzaken van de ecologische crisis
Er is een culturele revolutie nodig. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. “We moeten onderkennen dat kernenergie, biotechnologie, informatietechnologie, kennis van ons DNA en vele andere vaardigheden die wij ons eigen hebben gemaakt, ons een enorme macht hebben gegeven.” (104) “De neiging bestaat te geloven dat iedere toename van macht een groei in vooruitgang betekent (…), alsof de werkelijkheid, het goede en de waarheid automatisch uit de technologische en economische kracht zelf voortvloeien.” (105) “Het technocratische paradigma neigt de economie en de politiek te domineren.” (109) Winstmaximalisatie zou voldoende zijn om tot een betere wereld te komen. Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang.
De ecologische crisis komt voort uit een ethische, culturele en spirituele crisis. “Als we er niet in slagen de waardigheid van de arme, van het ongeboren kind en van de gehandicapte (…) te erkennen als deel van de werkelijkheid, wordt het moeilijk het hulpgeroep van de natuur zelf te horen; alles is met elkaar verbonden.” (117) Door onszelf centraal te stellen en absoluut voorrang te geven aan ons eigen gemak en plezier, wordt al het andere betrekkelijk en onbelangrijk. “Het verstandig ontwikkelen van de schepping is de beste manier om voor haar te zorgen. Dit betekent dat wijzelf het gereedschap van God worden om de mogelijkheden die Hij zelf in alles heeft gelegd tot ontplooiing te brengen.” (124)
Hoofdstuk 4: Integrale ecologie
Franciscus pleit voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Ook vragen de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst.
Hoofdstuk 5: Wegen naar aanpak en actie
In dit hoofdstuk beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. “Onderlinge afhankelijkheid verplicht ons te denken in termen van één wereld met een gezamenlijk plan.” (164)
“Voor arme landen moet de prioriteit liggen bij de uitroeiing van extreme armoede en de bevordering van de sociale ontwikkeling van de bevolking. (…) Evengoed moeten ook zij minder verontreinigende vormen van energieproductie ontwikkelen, maar daarbij hebben zij de hulp nodig van landen die ten koste van de voortdurende vervuiling van de planeet grote groei hebben doorgemaakt.” (172) “Gegeven de situatie is het wezenlijk tot sterkere en efficiënter georganiseerde internationale instellingen te komen met functionarissen die bevoegd zijn tot het uitdelen van sancties en die aangesteld worden bij overeenkomst tussen de nationale regeringen.” (175)
Hoofdstuk 6: Ecologische opvoeding en spiritualiteit
Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hij heeft het over een ecologische bekering en een ecologische spiritualiteit. “Vele zaken moeten veranderen, maar bovenal moeten wij mensen veranderen.” (202) “Mensen geloven dat ze vrij zijn zolang ze de vermeende vrijheid tot consumeren hebben.” (203) “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren. Het wordt bijna onmogelijk om de grenzen te accepteren die de realiteit oplegt.” (204)
Wij mensen moeten een nieuwe levensstijl aannemen. Mensen zijn “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” (205) “Het is nodig dat politieke organisaties en vele andere sociale groeperingen werk maken van het verhogen van het bewustzijn bij de mensen. Dat geldt ook voor de Kerk.” (214)
“Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” (222) Soberheid maakt vrij. “Echter niemand is in staat tot een leven van soberheid en tevredenheid, als hij of zij niet in vrede met zichzelf leeft. (…) Innerlijke vrede is nauw verbonden met de zorg voor de ecologie en het algemeen welzijn…” (225)
[1] Paulus VI, Octogesima adveniens, 1971.
[2] http://w2.vatican.va/content/john-paul-ii/en/messages/peace/documents/hf_jp-ii_mes_19891208_xxiii-world-day-for-peace.html.
[3] Pius IX, Quanta cura, 1864.
[4] Leo XIII, Rerum novarum, 1891.
[5] Pius XI, Quadragesimo anno, 1931.
[6] Johannes XXIII, Mater et Magistra, 1961.
[7] Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale constitutie Gaudium et spes, 1965, 4.
[8] Paulus VI, Populorum progressio, 1967.
[9] Johannes Paulus II, Sollicitudo rei socialis, 1987.
[10] Johannes Paulus II, Redemptor hominis, 1979.
[11] Benedictus XVI, Caritas in veritate, 2009.
[12] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2008/august/documents/hf_ben-xvi_spe_20080806_clero-bressanone_en.html.
[13] Woodeene Koenig-Bricker, Ten Commandments for the Environment: Pope Benedict XVI Speaks Out for Creation and Justice, Notre Dame: Ave Maria Press, 2009.
[14] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2005/june/documents/hf_ben-xvi_spe_20050616_ambassadors_en.html.