Vrede verbindt! Vrede en verbondenheid zijn begrippen die bij elkaar horen. Vrede is meer dan het ontbreken van oorlog. Vrede staat voor liefdevolle verbondenheid van mensen met elkaar.
In de lezingen van vandaag horen we hoe snel wij geneigd zijn ons juist van elkaar af te keren. Mozes wordt gevraagd in te grijpen, omdat Eldad en Medad profeteren zonder dat zij daartoe aangesteld zijn. Zonder bevoegd te zijn verkondigen zij het Woord Gods. In het Evangelie een soortgelijk verhaal. Johannes wil iemand tegenhouden duivels uit te drijven in de naam van Jezus zonder dat hij een volgeling is. Deze man probeert het kwaad uit de wereld te verdrijven. De reacties van Mozes en van Jezus zijn anders dan de vragenstellers verwachten. Beiden reageren juist positief.
Mozes wil het liefste dat iedereen over God spreekt en zijn Woord verkondigt. En Jezus zegt: “Wie niet tegen ons is, is voor ons.” Hiermee schopt Jezus behoorlijk tegen de schenen van zijn leerlingen, want in hun menselijk denken past dit helemaal niet. Voor de meeste mensen is het omgekeerde waar: “Wie niet voor ons is, is tegen ons.” Wij mensen houden van duidelijkheid. Het is zwart of het is wit. Iemand is goed of hij is fout. Dat maakt de wereld lekker overzichtelijk. Wij hebben ook de neiging meer aandacht te hebben voor verschillen tussen mensen dan voor overeenkomsten. We horen dat ook in de discussie over de vluchtelingen. Zij worden afgewezen vanwege hun geloof en de jonge mannen worden afgeschilderd als monsters.
Jezus houdt ons voor dat het niet goed is zo te denken. Wij moeten loskomen van onze angsten en vooroordelen. Het is nodig dat we het gesprek met elkaar aangaan en zo bruggen bouwen. Paus Franciscus schrijft in Evangelii gaudium dat de dialoog tussen de verschillende volkeren, culturen en religies nodig is om tot vrede te komen. Hij schrijft: “Evangelisatie omvat de weg van de dialoog. (…) De Kerk verkondigt het ‘Evangelie van vrede’ (Ef 6,15) en wenst samen te werken met alle nationale en internationale autoriteiten om voor dit immense universele goed zorg te dragen. (…) De nieuwe evangelisatie vraagt van iedere gedoopte om een vredestichter te zijn.” (EV 238-239)
Ook afgelopen week riep de paus in Amerika op tot ontmoeting en dialoog. De bisschoppen van Amerika riep hij op tot authentieke dialoog. “Je zult niet ver komen met het bouwen van muren. Zo gaat het niet. Mensen moeten eerst naar elkaar kunnen luisteren. Je zult niets bereiken door iemand schaakmat te zetten.” Volgens de paus gaat het om ontmoeting en dialoog. Dat is onze methode. Het gaat niet om scherpzinnige strategie, maar om vertrouwen op God, die ons altijd zijn liefde aanbiedt. De paus zegt: “Wij zijn behartigers van de cultuur van ontmoeting. (…) Ik zal nooit moe worden jullie aan te moedigen tot dialoog zonder angst.”
Overal in ons leven is ontmoeting en dialoog noodzakelijk. Dat geldt binnen onze gezinnen en onze vriendenkringen. Dat geldt op ons werk en in onze buurt. Dat geldt ook in de politiek: lokaal en wereldwijd.
Jakobus wijst ons in zijn brief op onze hebzucht en onrechtvaardigheid. Gerechtigheid en vrede zijn nauw met elkaar verbonden. Om vrede te kunnen bereiken is gerechtigheid een voorwaarde. Onze zelfgerichtheid is een basis voor ongerechtigheid elders in de wereld. Onze zelfgerichtheid veroorzaakt elders oorlog en geweld.
Het vluchtelingenprobleem is niet een eenvoudig op te lossen probleem. Iedere mens heeft recht op een menswaardig bestaan. Iedere mens in nood vraagt om onze hulp. Daar staat tegenover dat ook de gemeenschappen die mensen overal ter wereld vormen van waarde zijn en niet grootscheeps verstoord mogen worden. Dit vraagt dat wij ons niet laten leiden door onze onderbuikgevoelens en door onze angst voor de vreemdeling en het vreemde. Hier wordt werkelijk liefde en wijsheid van ons gevraagd. Dit vraagt van ons dat we de weg gaan van ontmoeting en dialoog. Als wij in de vluchteling de medemens ontmoeten en als wij zo ervaren dat hij geen bedreiging voor is, zal zijn aanwezigheid ook onze gemeenschap niet verstoren.
In de encycliek over het milieu en over duurzaamheid Laudato si’ schrijft de paus dat alles met elkaar verbonden is. De zorg voor de schepping, de eerlijke verdeling van de rijkdom, het respect voor het leven van iedere mens en de wereldvrede, alles hangt met elkaar samen. Alleen langs de weg van ontmoeting en dialoog helpen wij de mensheid en onze wereld verder. Alleen met ontmoeting en dialoog dragen wij bij aan het Rijk Gods. Met ontmoeting en dialoog brengen wij vrede in de wereld en in onszelf. Amen.
De apostel Jakobus leert ons in zijn brief, dat de wijsheid van omhoog vredelievend is. De wijsheid van omhoog is het Woord van God dat mens geworden is. Het is Jezus Christus die ons de vrede brengt. Hij is de Vredesvorst. Jakobus maakt ons duidelijk dat het onze hartstochten zijn die de vrede telkens weer verstoren. Het is onze menselijke onvolmaaktheid, onze zondigheid die oorlog en geweld in de wereld brengen. Dat geldt zowel voor onze persoonlijke leefomgeving als voor de wereld als geheel.
Afgelopen week hoorden we in de Tweede Kamer bij de algemene beschouwingen hoe sommige politici onrust en verdeeldheid proberen te scheppen. Met de woorden van Jakobus: “Waar naijver en eerzucht heersen, daar treft men ook onrust aan en allerlei minderwaardige praktijken.” Vals inspelen op de angst en zorgen van mensen, vluchtelingen als monsters afschilderen en mensen afwijzen vanwege hun geloof zijn inderdaad minderwaardige praktijken. Ook elders in Europa wordt er tegen vluchtelingen opgetreden op een manier die christenen onwaardig is. Het is werkelijk mensonterend hoe er met mensen wordt omgegaan. Welk christendom wordt hier in Godsnaam verdedigd?
Het vluchtelingenprobleem is niet een eenvoudig op te lossen probleem. Iedere mens heeft recht op een menswaardig bestaan. Iedere mens in nood vraagt om onze hulp. Daar staat tegenover dat ook de gemeenschappen die mensen overal ter wereld vormen van waarde zijn en niet grootscheeps verstoord mogen worden. Dit vraagt dat wij ons niet laten leiden door onze onderbuikgevoelens en door onze angst voor de vreemdeling en het vreemde. Hier wordt werkelijk wijsheid van ons gevraagd. Dit vraagt van ons dat we vredelievend, vriendelijk, voor rede vatbaar, barmhartig, goed, onpartijdig en oprecht zijn. De ongelovigen zullen ons naïef noemen. Zij stellen onze wijsheid op de proef door ons bang te maken.
Het gaat niet alleen om vrede tussen mensen. Het gaat ook om innerlijke vrede. Ook onze innerlijke vrede wordt op de proef gesteld. Het gaat over onze gemoedsrust en gaat het over onze tevredenheid. Kunnen wij tevreden zijn met ons eigen leven? Kunnen wij tevreden zijn ook als ons leven door onverwachte zaken wordt verstoord? Of worden we gedreven door onze hartstochten en ontevredenheid? Jakobus schrijft: “Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies vandaan? Toch alleen van uw eigen hartstochten die u niet met rust laten? Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen.”
Jakobus heeft het over onze naijver en eerzucht en zelfs ons bidden is gericht op eigenbelang. Ons egoïstisch en egocentrisch denken en doen verstoren de vrede. Dit zien we ook in het Evangelie. De leerlingen van Jezus twisten over wie van hen de grootste is. Ze hebben nog geen idee waar het over gaat. Ze weten echt nog niet wat het Rijk Gods inhoudt, maar dat zij daarin een belangrijke positie willen hebben dat staat vast. Kan het menselijker? Jezus plaatst een kind in hun midden. Hij roept ons op vooral de kinderen niet de dupe te laten zijn van oorlog en geweld. In het kind en iedere vluchteling ontmoeten wij Christus zelf. Het is Jezus Christus zelf die op de vlucht is. Hij staat voor onze grenzen Hem mogen wij niet afwijzen en zeker niet in de zee laten verdrinken.
Het christendom laat zich niet verdedigen met angst en zelfgerichtheid, niet met geweld en met het zwaard. De verdediging van het christendom kan alleen met liefde en wijsheid en met de Bijbel in de hand. Jezus Christus is niet alleen vluchteling. Hij is ook de Vredesvorst. Hij brengt ons ook de vrede. Jakobus schrijft: “Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en slechts wie de vrede nastreven zullen haar oogsten.” Gerechtigheid en vrede zijn nauw met elkaar verbonden. Om vrede te kunnen bereiken is gerechtigheid een voorwaarde. Onze zelfgerichtheid is een basis voor ongerechtigheid elders in de wereld. Onze zelfgerichtheid veroorzaakt elders oorlog en geweld.
Wij noemen onszelf christenen, navolgers van Christus. Met Hem willen wij Gods liefde voor allen zichtbaar te maken. Met Hem willen wij dragers en brengers zijn van vrede en gerechtigheid. Amen.
Er komen volgens de media niet alleen vluchtelingen naar Nederland maar ook zogenaamde gelukszoekers. Volgens sommigen moeten vooral die laatsten onmiddellijk het land uitgezet worden. Maar zijn wij niet allen gelukszoekers?
Het antwoord op de eerste vraag van de catechismus die ik in mijn kindertijd uit het hoofd mocht leren, luidt: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn.” Op jonge leeftijd kreeg ik al het antwoord aangereikt op de vraag die alle mensen steeds weer bezighoudt: Hoe word ik gelukkig? De essentie van het antwoord is dat je niet zelf je geluk tot stand kunt brengen. Het geluk word je gegeven. Door God te dienen vinden wij het geluk. Religieuze mensen zijn gelukszoekers.
In onze tijd zijn er mensen die denken dat zij geheel zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen geluk. Zij hebben God niet nodig. Zij denken dat ze het persoonlijk geluk zelf tot stand kunnen brengen. Ook op dat gebied denken zij onafhankelijk en zelfredzaam te zijn. Alles wat zij van een ander nodig hebben, zien zij als handelswaar. Met geld kun je alles kopen. Andere mensen zijn partijen op de markt. De ander is een leverancier maar daarnaast is hij ook een concurrent die hetzelfde bezit nastreeft. Voor gelovige mensen is geluk echter geen schaars artikel maar een geschenk.
Na die eerste vraag uit de catechismus volgt de uitwerking. De rest van de catechismus gaat over hoe je God dient en hoe je hierbij door God zelf geholpen wordt. Die hulp van God noemen we genade. Deze genade geeft God ons overvloedig en ook steeds weer opnieuw. Na elke mislukking mogen we opnieuw beginnen. Dit betekent niet dat wij geheel passief kunnen afwachten tot God ons het geluk geeft. Gods genade en liefde voor ons vraagt van ons een in vrijheid gegeven antwoord. Destijds heette dat met de genade meewerken. Dat maakt ons tot actieve gelukszoekers.
Tegenwoordig moeten gelukszoekers blijkbaar uit Nederland geweerd worden. Zij worden gezien als mensen die op onze kosten gelukkig willen worden en dus ten koste van ons eigen geluk. Zo zijn zij onze concurrenten op de geluksmarkt. Maar moeten we dan niet iedereen bij de grens tegenhouden en onmiddellijk terugsturen? De enige reden waarom mensen hier naar toe komen is omdat zij verwachten hier gelukkiger te zijn dan op de plek waar ze waren. Dat geldt niet alleen voor vluchtelingen; dat geldt voor alle migranten.
Het geluk zoeken is het recht van iedere mens. Als gelukszoekers zijn wij mensen sterk met elkaar verbonden. Wij zoeken allemaal hetzelfde en kunnen elkaar daarin behulpzaam zijn. Het geluk zal nooit opraken. Hoe meer mensen het vinden, hoe meer geluk er blijkt te zijn. Ik ben een gelukszoeker.
Column in Telstar, 16 september 2015
In de vieringen op 26 en 27 september besteden wij aandacht aan de vredesweek. Dit jaar is het thema ‘Vrede verbindt’. Daarmee roept de vredesbeweging PAX op tot ontmoeting en verbinding. Zowel in Nederland als in conflictgebieden zetten moedige bruggenbouwers zich in voor de vrede.
Wij hebben de neiging meer aandacht te hebben voor verschillen tussen mensen dan voor overeenkomsten. Dat uit zich bijvoorbeeld in een uitspraak als: “Wie niet voor ons is, is tegen ons.” Jezus draait deze uitspraak om. Hij zegt: “Wie niet tegen ons is, is voor ons.” (Mc 9,40) Wij moeten loskomen van onze angsten en vooroordelen. Daarvoor is het nodig dat we het gesprek met elkaar aangaan en zo bruggen bouwen. Paus Franciscus schrijft in Evangelii gaudium dat de dialoog tussen de verschillende volkeren, culturen en religies nodig is om tot vrede te komen. “Evangelisatie omvat de weg van de dialoog. (…) De Kerk verkondigt het ‘Evangelie van vrede’ (Ef 6,15) en wenst samen te werken met alle nationale en internationale autoriteiten om voor dit immense universele goed zorg te dragen. (…) De nieuwe evangelisatie vraagt van iedere gedoopte om een vredestichter te zijn.” (EV 238-239)
De wereld heeft moedige bruggenbouwers nodig: mensen die zich inzetten voor de vrede. Mensen hebben elkaar nodig om tot vrede te komen. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats in conflictgebieden. Het geldt ook binnen onze eigen samenleving. De ander maakt ons soms angstig omdat hij zo anders is. Hierdoor kunnen de spanningen flink oplopen. Ook wijzelf kunnen bruggenbouwers zijn, vrede stichten en mensen met elkaar verbinden.
PAX steunt vele vredesactivisten en partnerorganisaties in conflictgebieden die zich dagelijks met vrede bezig houden. Wij kunnen PAX hierin financieel ondersteunen via onze deelname aan de daarvoor bestemde collecte.
De Morgenster, september 2015
Auteur: Pim Valkenberg
Titel: Renewing Islam by Service: A Christian View of Fethullah Gülen and the Hizmet Movement
Uitgever: The Catholic University of America Press, 2015
Prijs: € 67,60
ISBN: 978 0 8132 2755 9
Aantal pagina’s: 288
Pim Valkenberg heeft als katholiek theoloog onderzoek gedaan naar de zogenaamde Gülenbeweging. Valkenberg gebruikt deze term liever niet en heeft het in navolging van de beweging zelf over de Hizmetbeweging. Het Turkse woord hizmet betekent dienst. De beweging wil dienstbaar zijn aan de mensheid. Met zijn theologische benadering is Valkenberg tamelijk uniek. Hiermee levert hij een belangrijke bijdrage aan de kennis over en het begrijpen van Fethullah Gülen en de Hizmetbeweging. Tot nu toe was het onderzoek op dit gebied overwegend sociologisch en historisch van aard.
In hoofdstuk 1 beschrijft Valkenberg zijn kennismaking en ervaringen met de Hizmetbeweging in Nederland. Al ruim 25 jaar houdt hij zich bezig met de dialoog tussen moslims en christenen. Zo kwam hij als medewerker van de Radboud Universiteit in Nijmegen in aanraking met de door Gülen geïnspireerde Stichting Islam & Dialoog. In 2012 is deze stichting samen met de Dialoog Academie verder gegaan als Platform INS (www.platformins.nl). Evenals elders wordt de Hizmetbeweging ook in Nederland met enig wantrouwen tegemoet getreden. In 2009 laat de overheid haar onderwijsactiviteiten onderzoeken. In 2010 concludeert de regering dat er geen reden tot interventie is, maar dat er wel sprake is van een gebrek aan transparantie. Sinds een aantal jaren levert ook de Turkse president Erdogan een flinke bijdrage aan het verdacht maken van de Hizmetbeweging.
Aan het einde van dit hoofdstuk gaat Valkenberg in op de waarde van de interreligieuze dialoog. Zij draagt bij tot een beter spreken over God. Hij acht het in principe mogelijk dat God de Koran gebruikt om het altijd mankerende beeld dat hij van Jezus Christus heeft, te corrigeren. Omdat Gülen op God gericht is, vraagt de bestudering van Gülen en de Hizmetbeweging volgens Valkenberg om een theologische benadering.
In hoofdstuk 2 is de recente geschiedenis van Turkije aan de orde. Tegen deze achtergrond wordt in hoofdstuk 3 het leven en werk van Gülen beschreven. Mohammed Fethullah Gülen wordt in 1941 in Korucuk, een klein dorp in het noordoosten van Turkije geboren. In 1959 begint hij met preken en onderwijzen. Gülen staat in de traditie van zijn landgenoten Rumi (1207-1273) en Nursi (1877-1960). Ook Gülen is nauw verwant met het soefisme zonder daar lid van te zijn. In 1965 komt hij als imam naar Izmir. Om nader onderzoek te doen heeft Valkenberg Izmir bezocht om mensen te interviewen die daar met Gülen hebben samengewerkt.
De preken en onderwijzingen van Gülen trekken veel bezoekers maar ook buiten de moskee is hij zeer actief. Hij zoekt de mensen op en spreekt ze aan in de koffiehuizen. Hun materiële en geestelijke noden leiden tot het ontstaan van de Hizmetbeweging. Naast armoedebestrijding en gemeenschapsvorming is er veel aandacht voor goed onderwijs. Dit leidt tot de oprichting van scholen en universiteiten in en buiten Turkije. In Izmir komt ook de sohbet tot ontwikkeling. De sohbet is het gesprek tussen vrienden over het geloof en het handelen vanuit het geloof. Veel van de preken van Gülen zijn op CD en DVD vastgelegd en nog steeds in ruime mate verkrijgbaar. Daarnaast zijn er vele boeken van en over hem verschenen. Gaandeweg groeit Gülen uit tot een zeer invloedrijke moslimgeleerde die velen inspireert hun geloof in de praktijk te brengen door anderen te dienen. De Hizmetbeweging groeit uit tot een wereldwijde beweging.
In hoofdstuk 4 wordt duidelijk hoe de Koran, Rumi en Nursi hun sporen in het denken en de spiritualiteit van Gülen hebben nagelaten. Valkenberg wijst erop dat er verschil is tussen de interne en externe communicatie van de Hizmetbeweging. Naar buiten communiceren zij meer op seculiere wijze terwijl hun interne communicatie veel sterker door de islam gekleurd wordt. Op deze wijze beogen zij een boodschap voor alle mensen te hebben. Dit gaat echter wel ten koste van de transparantie en bevordert de achterdocht betreffende de motivatie van de beweging. Valkenberg schrijft dat Gülen een islamitische agenda heeft maar geen islamistische. De islam is de bron voor de persoonlijke inzet, maar geen blauwdruk om de samenleving te herstructuren. De scheiding van ‘kerk’ en staat wordt door hen gerespecteerd. Er zijn geen Gülen moskeeën en er is ook geen Gülen politieke partij. Centraal in het denken van Gülen staat het behagen van God door de mensheid te dienen. Volgens Gülen gaat het in de Arabische islam om de vrees voor God, terwijl het in de Turkse islam om de liefde voor God gaat. De Turkse islam staat ook meer open voor de moderniteit, democratie, gelijkheid van man en vrouw en voor andere culturen en religies.
In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op het karakter van de Hizmetbeweging. Er is geen sprake van volgelingen en van een leider in de persoon van Gülen. Hij is niet de leider van een organisatie en hij geeft geen opdrachten aan zijn volgelingen. De beweging laat zich beter beschrijven als een netwerk van gelijkgestemde zelfstandige organisaties. De autoriteit van Gülen is van spirituele aard. De basis van de beweging is het geloof. Dat gaat verder dan door het geloof geïnspireerd zijn. Het doel is God te behagen en de sohbet, het geloofsgesprek maakt wezenlijk deel uit van het leven van volgelingen van Gülen. In hoofdstuk 6 worden drie terreinen van dienstbaarheid beschreven. Dit zijn onderwijs, dialoog en liefdadigheid. Uitstekend onderwijs is een dienst aan de jongere generatie en is nodig om tot een nieuwe ‘gouden’ generatie te komen. De dialoog tussen de verschillende culturen en religies draagt bij aan de eenheid van de mensheid. De liefdadigheid komt voort uit de door de Koran aanbevolen sadaqa, de vrijwillige gift. Deze staat los van de zakat, de verplichte giften. Het gaat om een werkelijke daad van liefde.
In het laatste hoofdstuk maakt Valkenberg een vergelijking tussen de Hizmetbeweging en vergelijkbare vormen van religieus leven binnen het christendom. Binnen het christendom is er het kloosterleven als vorm van georganiseerd religieus leven en sinds midden vorige eeuw zijn er ook de zogenaamde nieuwe bewegingen. Van deze laatste groep vertonen de Focolarebeweging en de Gemeenschap van Sant’Egidio sterke overeenkomsten met de Hizmetbeweging. Beide zijn evenals de Hizmetbeweging onder meer actief op het gebied van interreligieuze dialoog. Op het gebied van onderwijs dringt de vergelijking met de jezuïeten zich op. Evenals de Hizmetbeweging zetten zij zich met het geven van onderwijs van hoge kwaliteit in voor de vorming van de jonge generaties.
Verder herkent Valkenberg de christelijke begrippen compunctio cordis en lectio devina ook binnen de Hizmetbeweging en bij Gülen. De compunctio cordis, de doorboring van het hart is de droefheid over de eigen zondigheid in combinatie met de vreugde over de onmetelijke liefde en genade van God. Deze ervaring van christelijke mystici herkent Valkenberg bij Gülen die bekend staat als de ‘huilende prediker’. Bij lectio divina gaat het niet om begrijpend lezen van Bijbelteksten of andere religieuze teksten maar om spiritueel lezen. Dit biddend lezen is een vorm van mediteren. Bij de benedictijnen maakt dit deel uit van de invulling van hun motto ora et labora (bid en werk). Bij de jezuïeten is het onderdeel van de Geestelijke Oefeningen van Ignatius. Deze verbinding tussen meditatie en actie herkent Valkenberg onder meer in sohbet bij de Hizmetbeweging.
Pim Valkenberg, die tegenwoordig hoogleraar aan The Catholic University of America is, levert met deze uitgebreide studie een belangrijke bijdrage aan de dialoog tussen moslims en christenen en in het bijzonder tussen de Hizmetbeweging en r.-k. Kerk.
Pier Tolsma was vijfentwintig jaar werkzaam in de technische industrie. Hij vervulde diverse managementfuncties bij Fokker Aircraft, FAIR en Imtech. Op latere leeftijd heeft hij het roer omgegooid: hij volgde een opleiding tot diaken en een masteropleiding ‘christendom en islam’.
Momenteel werkt hij als diaken in de r.-k. parochie Christus Koning, die een aantal gemeenten omvat onder de rook van Rotterdam. Op zijn blog diakenpiertolsma.com plaatst hij sinds 2012 boekrecensies, preken en artikelen over de sociale leer van de Kerk. De katholieke kerk heeft iets te zeggen over maatschappelijke vraagstukken en dat wil hij over het voetlicht brengen.
Tolsma vertelt dat Johannes Paulus II en Benedictus XVI de zorg voor het milieu al in het hart van de sociale leer hebben geplaatst. Paus Franciscus bouwt voort op het denken van zijn voorgangers. “Maar met Laudato Si’ zet hij het onderwerp wel krachtiger op de agenda dan tot nu toe is gebeurd”, aldus Tolsma.
Omslag
De belangrijkste vraag die hem bezig houdt na lezing van de encycliek, is hoe we kunnen werken aan een nieuwe mentaliteit in de hoofden en harten van mensen. Hij vertelt: “Het moet anders tussen onze oren gaan zitten. Ik merk hoe diep het vooruitgangsgeloof in mijzelf geworteld is. Toen de Club van Rome in 1972 het rapport ‘Grenzen aan de groei’ uitbracht, zette dat de milieucrisis in één klap op de kaart. Toch had ik toen niet zo sterk het besef dat we echt een ommekeer moesten maken in ons denken en handelen. Ik geloofde dat we de milieucrisis met betere technologische middelen wel zouden kunnen oplossen. Nu besef ik veel sterker dat een omslag in ons denken nodig is. Paus Franciscus geeft daartoe een aanzet.”
Terecht, zegt Tolsma, levert de paus kritiek op een te groot geloof in wetenschap en technologie en op het gebruik ervan zonder je iets van ethiek aan te trekken. “Het is niet zo dat alles wat kan, ook moet. Dan ben je fout bezig. De paus is echter geen cultuurpessimist. Hij gelooft in de mogelijkheden van wetenschap en techniek. Het zijn gaven van God die we moeten en mogen gebruiken door ze ten goede aan te wenden.”
Nieuwe beelden
Laudato Si’ daagt ons uit om nieuwe beelden te zoeken, die de band en balans tussen mens en schepping beter uitdrukken. Dat is volgens Tolsma dan ook onze belangrijkste taak. “We zijn allemaal beïnvloed door het beeld van ‘heersen en onderwerpen’ van de schepping zoals dat geschreven staat in het eerste hoofdstuk van Genesis. Maar de schepping is geen instrument dat je naar believen mag gebruiken. Ik denk dat we nieuwe beelden nodig hebben. Die vind je bijvoorbeeld in het verhaal uit Exodus over het manna uit de hemel. Het is een beeld van de overvloedige gave van God. Er is genoeg voor iedereen. Wanneer iemand echter teveel inzamelt, komt er rot in het voedsel. Ik lees daarin een opdracht tot zelfbeheersing. Dat soort beelden moeten we zoeken en opnieuw interpreteren.”
Interview door Gerard Moorman in de special ‘Laudato Si’’ van het tijdschrift ‘Missionaire Agenda’, september 2015.
Vandaag is het ziekenzondag. Ook hebben we afgelopen week de beelden gezien de vluchtelingen die Europa binnentrekken en van het driejarige dode jongetje Aylan op het strand van Turkije. Het zijn aangrijpende beelden. Wat staat ons te doen?
We zien grote aantallen vluchtelingen Europa intrekken. We zien een dood kind op het strand leggen. Net als Jesaja zouden we willen dat God concreet optreedt en een einde maakt aan oorlog en geweld. Wij geloven niet in een wrekende God, maar wel in een God die zich keert tegen onrecht en die ons vrede brengt en geluk.
In het Evangelie horen we hoe Jezus een doofstomme geneest. Hij opent hem de oren en maakt zijn tong los. Als brenger van het heil van God brengt Jezus genezing en brengt Hij mensen tot geloof: een geloof dat zich niets aantrekt van verboden, een geloof om van de daken te schreeuwen, een geloof dat niet te stoppen is, een geloof dat met woord en daad verkondigd moet worden. Jezus brengt ons het geloof dat vertrouwen geeft, dat kracht en moed geeft en ook troost in moeilijke situaties in ons leven. Kracht en moed hebben wij nodig om ook zelf onze bijdrage te leveren in de bestrijding van onrecht en het lenigen van de noden van de vluchtelingen.
Het is ook ziekenzondag en natuurlijk vragen wij om genezing. Maar we weten ook dat ons aardse leven eindig is en daarom vragen we ook om troost, kracht en moed om het lijden te aanvaarden en te dragen. Het geloof lost het lijden niet op, doet het lijden niet verdwijnen. Het geloof maakt het lijden wel draagbaar. We weten dat we niet alleen zijn in ons lijden. In Jezus Christus heeft God zelf het lijden van de mensen op zich genomen. In het lijden weten wij ons verenigd met Christus.
Jesaja roept ons op ons vertrouwen op God te stellen. Het is God die orde op zaken stelt en ons het geluk toezegt. Dat betekent niet dat wij maar rustig moeten afwachten. Ook van ons wordt gevraagd dat wij werken aan gerechtigheid in de wereld. In de tweede lezing schrijft Jakobus, dat God hen die in de wereld arm zijn, heeft uitverkoren om erfgenamen van zijn koninkrijk te zijn. Net als bij Jesaja is het God die uiteindelijk zorgt voor gerechtigheid. Maar Jakobus wijst er ook op dat ook wij daar naar moeten handelen. Wij mogen de arme niet achterstellen. Wij mogen ons niet schuldig maken aan discriminatie. Evenals in onze tijd was er in de tijd van Jakobus sprake van discriminatie. Hij wijst dit met zeer duidelijke woorden af.
Er zijn vele vormen van discriminatie. Telkens weer komt het neer op de vraag: Zien wij iedere mens als een volwaardig mens? Zien wij iedere mens als een mens zoals wij? Dat geldt voor de arme, voor de vluchteling en voor de zieke. Iedere mens in nood geeft ons de kans ons geloof waar te maken, ons geloof met onze daden zichtbaar te maken. Dat is de concrete boodschap van Jakobus. Hij is een man van ‘geen woorden maar daden’.
Alleen God kan ons het uiteindelijke heil geven en voor de uiteindelijke gerechtigheid zorgen. Maar dat betekent niet dat wij niets kunnen en hoeven te doen. Nee: van ons wordt gevraagd dat wij ons tot het uiterste inzetten voor een rechtvaardige en gelukkige samenleving voor alle mensen op deze aarde.
Het gaat niet primair om het eigenbelang maar om het algemeen belang. Het gaat om het belang van alle mensen waar ook ter wereld. Een goede samenleving houdt rekening met het belang van individuele mensen en van groepen mensen in de verdrukking. Het gaat om de waardigheid van mensen. Mensen zijn niet alleen arbeidskracht, niet alleen consument. Ze zijn geen gebruiksvoorwerp en geen kostenpost. Mensen zijn kinderen van God, naar zijn beeld geschapen. Mensen mogen niet uitgesloten worden. Ieder moet zich kunnen ontwikkelen tot een gelukkig en goed mens.
Wij leven in welvaart. Dat vraagt om solidariteit. Wij mogen niet in welvaart leven ten koste van anderen. Wij worden ook geroepen onze welvaart te delen met anderen. Het gaat niet alleen om materiële welvaart. Het gaat vooral om welzijn en om vrede en veiligheid overal ter wereld. Het voorbeeld van Jakobus is duidelijk. Het gaat niet om eigen gewin. Ieder die een beroep doet op ons, verdient onze aandacht. Vandaag denken wij daarbij vooral aan de zieken en de vluchtelingen. Amen.
Vijf zondagen achter elkaar lezen we uit het verhaal over de broodvermenigvuldiging. Johannes besteedt er veel aandacht aan. Hij vertelt uitvoerig over de reacties van de mensen en over de uitleg die Jezus geeft. Het verhaal begint met te vertellen hoe Jezus met vijf broden en twee vissen vijfduizend man te eten geeft. Een enthousiaste menigte gaat Jezus achterna. Waarop Jezus hen uitlegt dat het niet gaat om het normale brood, maar om het brood uit de hemel. Het brood uit de hemel geeft leven aan de wereld. Jezus is zelf dit brood des levens. Hij voedt ons als gemeenschap en Hij geeft leven aan heel de schepping.
De uitleg die Jezus geeft en de woorden die Hij gebruikt, vallen echter bij velen niet in goede aarde. Jezus is toch een mens zoals wij, de zoon van Jozef en Maria. De mensen accepteren niet dat Hij spreekt alsof Hij God zelf is. Zo ontstaat er verwijdering tussen Jezus en zijn toehoorders. Ze zijn niet bereid Hem in zijn uitleg te volgen. Zij zijn niet in staat Hem te geloven. Zij keren zich af van Jezus. Alleen de twaalf blijven over.
Het is niet eenvoudig je toe te vertrouwen aan een ander. Je erkent je afhankelijkheid. Je aanvaardt dat je het niet op eigen kracht kunt. Je erkent dat alles wat je bent, niet je eigen verdienste is, maar dat het je gegeven wordt, telkens weer. Het is nooit je bezit. Durven wij op God vertrouwen, ons leven te verbinden met het leven van Jezus, dat is de vraag die telkens weer aan de orde is. In de eerste lezing stelt Jozua de mensen voor de keuze: kiezen zij voor de God van Israël of voor andere goden. In het Evangelie Petrus spreekt zijn gelooft uit: alleen Jezus opent de weg naar het geluk, alleen Hij doet ons werkelijk leven. “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.”
Ook bij Paulus is de centrale boodschap dat wij ons met Christus moeten verbinden. Dat vraagt om onderdanigheid niet alleen aan God maar ook aan elkaar. Dan volgt de oproep van Paulus aan de gehuwde vrouwen: “Vrouwen, weest onderdanig aan uw man…” Deze opmerking roept veel vragen op. Wat is dit voor een ongeëmancipeerde opmerking? Pleit Paulus hier voor het paternalisme van zijn tijd, waarin de man de baas is over zijn vrouw? Of nog erger: Is hij een vrouwenhater?
Als we deze tekst van Paulus uit zijn verband halen, wordt het in onze tijd een tamelijk onbegrijpelijke opmerking. Laat ons dus kijken naar het verband waarin Paulus hem plaatst. Hij begint met te schrijven dat allen onderdanig aan elkaar moeten zijn: niet alleen de vrouwen, ook de mannen. Daarna gaat hij dit uitwerken en daarbij gebruikt hij de taal van zijn tijd. Hij schrijft aan mensen die leven in een paternalistische cultuur. Aan de vrouwen vraagt hij onderdanig te zijn aan hun man, maar dat is voor hen niets nieuws dat was toen de normaalste zaak. Dan wendt hij zich tot de mannen. Aan hen gaat hij echt eisen stellen.
De mannen moeten hun vrouw liefhebben. Dat mag in onze tijd als vrij normaal klinken, maar dat was het toen helemaal niet. De vrouw was het eigendom van de man. Van je bezit kun je wel houden, maar dat is dan zoals een man van zijn auto houdt. Trouwens ook vandaag zul je ze de kost moeten geven: mannen en vrouwen die van elkaar houden omdat het hun goed uitkomt. De ander is niet je bezit en is er niet ten dienste van jouw. De ander is er om werkelijk lief te hebben. Jij bent er voor hem of haar. Paulus schrijft dat de man zijn vrouw moet liefhebben, zoals Christus de kerk liefheeft, of zoals zij hun eigen lichaam liefhebben. Deze liefde is niet op jezelf gericht maar op de ander. Het is geen ontvangende liefde maar een schenkende liefde zoals Christus zichzelf schenkt om ons te redden.
Maar waarom stelt Paulus hogere eisen aan mannen dan aan vrouwen. Vindt hij vrouwen dan toch minderwaardig? Nee, Paulus kiest hier ook voor een pastorale insteek. De mannen zijn in die tijd het hoofd van het gezin. Zij zijn vrij. De vrouwen echter niet. Je kunt moeilijk iemand verplichten van een ander te houden als het geen vrije keuze betreft. In dat geval is onderdanigheid voldoende. In onze tijd waarin man en vrouw vrij voor een huwelijk met elkaar kiezen, wordt van hen beiden gevraagd dat ze elkaar liefhebben zoals Christus ons liefheeft. Ook bij de onderdanigheid moet nog een kanttekening gemaakt worden. Paulus begint te zeggen dat wij aan elkaar onderdanig moeten zijn. Dat verwijst niet naar een machtsverhouding. Dit is een in vrijheid gekozen onderdanigheid uit liefde en respect voor elkaar. Het gaat om elkaars gezag te aanvaarden en naar elkaar te luisteren. De ander heeft ons werkelijk iets te vertellen.
Door naar elkaar te luisteren, elkaar te respecteren en elkaar lief te hebben, verbinden wij ons met Christus en worden wij deel van zijn lichaam. Dat geldt in de eerste plaats binnen het huwelijk, maar ook daarbuiten. Door zijn Brood te eten ontvangen wij de kracht en de genade die dit in ons mogelijk maakt. Zo worden wij tot het ene lichaam dat wij eten. Amen.
Vandaag gaan de lezingen over eten en drinken, over brood en wijn. Het gaat over voedsel voor het lichaam en over voedsel voor de ziel, over voedsel voor de gemeenschap en over voedsel voor het leven van de wereld. Het gaat ook over verstandig en onverstandig eten en drinken. Met vijf broden en twee vissen gaf Jezus vijfduizend man te eten. Dit was voedsel voor het lichaam. Daarna is Hij met de mensen in gesprek gegaan en verlegd Hij de aandacht van het lichamelijke voedsel naar het geestelijke. “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.” Voor ons aardse, ons biologische leven volstaat het brood dat we bij de bakker halen. Dat is een eerste levensbehoefte. Jezus voorziet daarin met de broodvermenigvuldiging. Maar het is niet alleen een kwestie van voedselvoorziening. Johannes noemt het een teken. Het brood dat Jezus geeft, staat voor meer. Het heeft ook een symbolische betekenis. Hierover gaat het gesprek waarvan we vandaag een gedeelte horen.
Ook in de eerste lezing hebben brood en wijn een symbolische betekenis. In het boek Spreuken is God de bron van de wijsheid. Deze wijsheid geeft ons brood en wijn. Zij geeft ons voedsel om verstandig en wijs te kunnen leven. “Laat uw onnozelheid varen en u zult leven, bewandelen de weg der wijsheid.” Zonder wijsheid kunnen wij als gemeenschap niet leven. Wijsheid is er niet alleen voor het individu. De wijsheid hebben wij vooral nodig om als gemeenschap te leven, om goed met elkaar om te gaan en op elkaar betrokken te zijn.
Ook de woorden van Jezus moeten wij niet alleen op ons als individu betrekken. Hij zegt tegen ons: “Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.” Het gaat niet om het individuele heil en het eeuwig leven van de enkeling. Het gaat over het leven van de gehele wereld. Juist om als gemeenschap in leven te blijven moeten we ons voeden met het levende Brood uit de hemel. Dit is het Brood van liefde en vrede, het Brood dat ons in Christus tot elkaar brengt tot één lichaam, tot een gemeenschap van mensen die gezamenlijk en in verbondenheid met elkaar op weg zijn. Mensen hebben elkaar nodig. Als individuen kunnen wij niet leven. Alleen in relatie met elkaar komen wij werkelijk tot leven en kunnen wij ons ontplooien tot de personen zoals wij bedoeld zijn. In verbondenheid met elkaar komen wij tot een leven in liefde en waarheid.
De woorden van Jezus moeten we nog ruimer verstaan. Hij heeft het niet over het leven van alle mensen, van de hele mensheid, maar over het leven van de gehele wereld, over alle leven in de wereld. Dat zijn ook alle planten en dieren en misschien moeten wij zelfs het geheel van onze aarde en alles wat daar is, en ook het heelal als een levend organisme beschouwen. Alles is met elkaar verbonden en ook de dode materie maakt daar deel van uit. Dit is ook wat paus Franciscus benadrukt in zijn milieuencycliek Laudato si’. We mogen ons niet beperken tot enkele aspecten van ons bestaan. Alles hangt met elkaar samen: economie en ecologie, wereldvrede en de rechtvaardige verdeling van goederen. Daarom pleit de paus voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. Alleen door aandacht te hebben voor alle aspecten van het leven, voor alle mensen en alle leven op aarde kunnen wij gelukkig worden en in vrede leven.
Paulus waarschuwt ons voor onmatigheid. Wij moeten ons niet laten bedwelmen door wijn, maar ook niet in beslag laten nemen door de vele andere zaken, die ons van ons werkelijke leven afleiden. Willen wij werkelijk leven in verbondenheid met elkaar, mogen wij ons niet verliezen in allerlei kleine en grote verslavingen. Elke vorm van verslaving en zelfgericht consumentisme leidt tot egoïsme en doet ons de ander uit het oog verliezen. Paus Franciscus pleit voor soberheid. Hij schrijft “Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” Soberheid maakt vrij.
De eerste lezing kunnen wij ook op Jezus Christus betrekken. Hij is het Woord dat vlees geworden. Hij is de wijsheid van God. Hij geeft ons zijn vlees en bloed als voedsel ten leven. God heeft ons zijn eigen Zoon gegeven tot voedsel voor onderweg. Door ons met het eten van het Brood met Christus te verenigen, komen wij tot de liefde en de waarheid die Hij ons geeft. Hij is onze weg ten leven. Door ons te verenigen met Christus, leren wij Hem kennen. Dan vinden wij de werkelijke vreugde van de liefde gericht op de ander. Dan komen wij tot gemeenschap met elkaar, tot zorg voor de schepping, tot vrede met elkaar en tot innerlijke vrede. Alleen God kan ons in Christus deze vreugde en vrede schenken. Hij geeft ons het Brood uit de hemel. En wij zullen leven in eeuwigheid. Amen.
Vandaag zeventig jaar geleden kwam er uiteindelijk een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Terwijl Nederland al in mei bevrijd was, bleef voor de vele Nederlanders in Nederlands Indië de oorlog nog voortduren. Mijn tante Sietske was als missiezuster naar Indië gegaan. Samen met vele andere zusters zat zij van 1942 tot 1945 in een vrouwenkamp. De zusters stuurden hiervan na de oorlog een verslag[1] naar Nederland. Ik lees u daaruit een paar stukjes voor.
“Die dagen deden veel geruchten de ronde dat het bijna vrede was. (…) 20 Juni. Er waren speciale berichten, maar niemand mocht weten dat wij op de hoogte waren. Daarom allemaal even naar de slaapkamer en daar werd fluisterend verteld dat er wapenstilstand was gesloten. (…) Toch voelden wij dat er iets gaande was. Er moesten grote vlaggen gemaakt worden, waaronder twee witte. We baden. En een naaiwerk, dat ze ons gaven! Je moest het wel doen; met zekere tegenzin hebben we gewerkt aan patroontasjes. Ondertussen baden we, dat alle kogels zouden missen. (…) 16 Juli. Ineens kwam er vlees: tongen en heel veel babat.[2] De volgende dag ook. Waarom?? Niemand wist het; men giste maar weer. (…)
8 Augustus. (…) Men beweerde, dat het 15 Augustus vrede zou zijn. Moeder Gerardine hield ’t vol. Wij vertrouwen wel op de hulp van de H. Maagd, maar binden O.L. Heer niet aan tijd. 13 Augustus werd het loon voor naaisters en knipsters eindelijk geregeld. Ze waren royaal en betaalden de vrije middagen ook uit. (…) Waarde Moeder bestelde maar katjang idjoe (dat zijn kleine groene erwten), daar zit wat in en wat uitjes. Maar dat was alles zo verschrikkelijk duur,dat je nog niet veel had, maar enfin, alle beetjes hielpen. 15 Augustus. “HET FEEST”. Het enige, wat wij vernamen was een harde knal in de verte en … gewapende Nipponners op de groenteauto. 16 Augustus. De knipperij werd stop gezet. De commandant zei: “Ik kan geen garen meer krijgen.” Vreemd. Ook geen brood, want de machine in de bakkerij was stuk. Dan voor vanavond maar rijst koken voor de mensen. Toch kwam er later nog brood en we mochten de rijst even goed hebben. (…) Die dag hadden we nu eens allemaal genoeg. We hielden nog steeds af en toe onze ‘nachtelijke aanbidding’ in het maanlicht, zwijgzaam wandelend door de wijk. Veel intenties. ’t Was dan zo vredig stil buiten.
18 Augustus. Opschudding in de wijk al voor ’t ontbijt. Blanda-Indo’s[3] mogen de wijk uit, sommigen komen afscheid nemen. Waarom? Zou het vrede zijn zonder dat we het weten? Waarde Moeder dacht het ook. Maar houden ze ’t misschien stil voor de Indonesiërs? 19 Augustus. Men had één van die Blanda-Indo dames langs het gedèk[4] horen gaan, terwijl ze het afgesproken liedje zong. (…) 20 Augustus. Verjaardag van Waarde Moeder. Telkens hoorde men iets wat op vrede wees en ’s avonds kwamen er zeven manden bevroren vlees. 21 Augustus. Was dit een gerucht of was het geen gerucht? Men zei, dat het heus vrede was, maar nog niet officieel bekend gemaakt. (…) 22 Augustus. Verschillende meningen. Om 11 uur kwam Mère Leonie, die nog eens het nieuws kwam vertellen. “Het is heus vrede hoor.” (…) 24 Augustus. (…) ’s Avonds bij tienen – we waren ons al aan ’t uitkleden – daar hoorden we in de verte het Wilhelmus zingen! Wij er uit. Met Moeder Provinciaal naar ’t Landhuis. Daar druk gezang, een oranje lampion en bijna alle zusters. (…) We zongen samen Laudate Domine en gingen weer rustig naar huis. De mensen vonden het jammer. Ze juichten nog wat na. Maar om half 11 was het toch rustig. 25 Augustus. Samen hebben we voor het ontbijt op de slaapkamer het Te Deum en Magnificat gezongen. We droegen allen oranje. De schuilkelders werden dichtgegooid door jongens en meisjes. ’s Avonds allen tezamen een dankstond.”
Het was bijzonder dit verslag te lezen. Blijmoedig en met veel vertrouwen op God ondergaan de zusters de vele ontberingen. Ondanks alles blijven zij zich inzetten voor anderen. Het helpt de zusters dat zij een hechte gemeenschap vormen. Voortdurend zijn er ook feesten: kerkelijke feesten, verjaardagen, naamdagen, professiejubilea, noem maar op. Telkens weer wordt er met beperkte middelen een feest gecreëerd. De zusters geven ons een voorbeeld van leven in liefde en geloof. Amen.
(Preek op het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming 2015)
[1] Onlangs is dit verslag als boek uitgegeven: Zr. Getruud Padberg (red.), Missiezusters achter het gedèk – Herinneringen van de zusters van “De Voorzienigheid” uit Bangka, Nederlands-Indië 1942-1945, Haarlem: Spaar en Hout, 2014.
[2] Babat is slachtafval: de ingewanden van koeien.
[3] Blanda-Indo’s zijn Nederlandse staatsburgers die in Indonesië zijn geboren of gedeeltelijk van Indische afkomst zijn.
[4] Het gedèk is de afrastering rond het kamp gemaakt van bamboe.