Spring naar inhoud

Voedsel voor de gemeenschap; Ex 16,2-4.12-15; Ef 4,17.20-24; Joh 6,24-35

God laat zijn schepping nooit in de steek. Hij laat ons mensen niet aan ons lot over. Zo geeft Hij de Israëlieten te eten. Hij laat hen niet omkomen in de woestijn. Ze zijn op weg naar het beloofde land, het land van vrede en vrijheid. Dat is de weg die God voor hen heeft uitgestippeld. Hij zorgt ervoor dat zij deze weg ook daadwerkelijk kunnen gaan. Ook wij zijn mensen die op reis zijn, mensen die voedsel voor onderweg nodig hebben. Ook wij kunnen onze weg niet zonder hulp volbrengen. De hele mensheid, zelfs de hele schepping is onderweg naar het Rijk Gods. Wij gaan niet een eenzame reis; wij reizen gezamenlijk, als gemeenschap en in verbondenheid met elkaar. Het is juist de gemeenschap die gevoed moet worden.

Om als individu in leven te blijven volstaat het brood dat we bij de bakker halen. Om als gemeenschap in leven te blijven moeten we ons voeden met het Brood uit de hemel. Dit is het Brood dat door God zelf is getekend. Hij heeft er zijn stempel op gedrukt. Dit is het Brood van liefde en vrede, het Brood dat ons in Christus tot elkaar brengt tot één lichaam, tot een gemeenschap van mensen die gezamenlijk en in verbondenheid met elkaar op weg zijn. Mensen hebben elkaar nodig. Als individuen kunnen wij niet leven. Alleen in relatie met elkaar komen wij werkelijk tot leven en kunnen wij ons ontplooien tot de personen zoals wij bedoeld zijn. Alleen in verbondenheid met elkaar komen wij tot een leven in liefde en waarheid.

Paulus schrijft: “Bekleedt u met de nieuwe mens, die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.” Om te zijn zoals we bedoeld zijn, moeten wij onze oude mens afleggen door afstand te doen van onze zelfgerichtheid. Onze zelfliefde moeten wij omvormen tot liefde voor de ander. Dit vraagt om bekering en verlossing. Het is aan ons om ons hiervoor open te stellen en ontvankelijk te zijn. Het is God zelf die ons in en door Christus de verlossing schenkt. Hij geeft onze de genade die ons brengt tot geloof en tot bekering. Hij heeft ons zijn eigen Zoon gegeven tot voedsel voor onderweg. Door ons met het eten van het Brood met Christus te verenigen, komen wij tot de liefde en de waarheid die Hij ons geeft. Hij is onze weg ten leven.

Paulus leert ons: “leeft niet langer zoals de heidenen in hun waanwijsheid.” Ook wij leven vaak in de waanwijsheid, dat we prima in staat zijn ons zelf te redden. We zijn niet van anderen afhankelijk. We kunnen heel goed voor onszelf zorgen. Wij gaan ons eigen pad en hebben daarbij niemand nodig. Dit is de waanwijsheid van de heidenen waarvoor Paulus ons waarschuwt. Deze waanwijsheid doet ons enkel het eigen plezier zoeken. Het is de waanwijsheid van de zelfliefde die ten koste gaat van anderen. Door ons te verenigen met Christus, leren wij Hem kennen. Dan vinden wij de werkelijke vreugde van de liefde gericht op de ander. Dan komen wij tot gemeenschap met elkaar, tot vrede met elkaar en tot innerlijke vrede. Alleen God kan ons in Christus deze vreugde en vrede schenken. Hij geeft ons het Brood uit de hemel. En wij zullen nooit meer honger hebben en nooit meer dorst krijgen. Amen.

Pastoraat in Stelling

Auteur: Walther Burgering
Titel: Pastoraat in Stelling
Uitgever: FortMedia, 2014
Prijs: € 11,95
ISBN: 978 90 77219 69 0
Aantal pagina’s: 128

“Pastoraat is wezenskenmerk van geloofsgemeenschap-zijn en derhalve gekoppeld aan een pastorale beroepskracht, aan (actieve) kerkleden…” “Haar oogmerk is redding, bevrijding, heling en mensen op hun levensbestemming brengen vanuit een gelovig verstaan van de werkelijkheid, waar hoop en liefde het laatste woord hebben.” Dit is voor diaken Walther Burgering reden om aandacht aan de kwaliteit van het pastoraat te besteden. Hij baseert zijn boek op zijn ervaringen in het parochiepastoraat en die in het gevangenispastoraat.

De parochie ziet zichzelf als een gemeenschap, maar door het toegenomen individualisme wordt zij steeds meer als een service-instituut gezien. Pastorale beroepskrachten zien het individueel pastoraat over het algemeen als de kern van het pastoraat en constateren tevens dat ze hier te weinig aan toekomen. Ook hun aandacht voor de gemeenschap is beperkt.[*]

Burgering pleit op basis van zijn ervaringen in het instellingenpastoraat voor meer organisatie en een meer beleidsmatige aanpak in het pastoraat. Het is nodig dat er keuzes gemaakt worden. Samenwerking en werkverdeling binnen pastorale teams en met de vrijwilligersorganisatie zijn nodig om tot kwaliteitsverbetering te komen.

Dit boek is een aanrader voor allen die betrokken zijn bij het parochiepastoraat, voor allen wier hart bij de Kerk ligt.

[*] Zie ook mijn notitie ‘Pastoraat van gemeenschap’: https://diakenpiertolsma.com/2015/06/16/pastoraat-van-gemeenschap/.

Voedselverspilling; Joh 6,1-15

Met vijf broden en twee vissen geeft Jezus vijfduizend man te eten. Na afloop halen de leerlingen twaalf manden aan etensresten op. Het verhaal vertelt niet hoelang de leerlingen hier nog van hebben gegeten. Niet alleen is Gods genade overvloedig, ook met het schenken van materiële zaken is hij beslist niet karig. Zo is God. Hij is bepaald niet zuinig en zeker niet afgemeten. Dit is ook wat Jezus ons laat zien. God geeft ons in overvloed. Neem bijvoorbeeld Psalm 23: “De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken… Een tafel richt Gij mij aan in het aangezicht van mijn belagers en zalft met olie mijn hoofd. Mijn beker vloeit over.” (Psalm 23,1.5) Ondanks die overvloed van een overvloeiende beker en van genoeg eten voor vijfduizend man, zegt Jezus tegen zijn leerlingen: “Haalt nu de overgebleven brokken op om niets verloren te laten gaan.” Je zou toch denken: “In het veen ziet men niet op een turfje.” Of: “Aan een boom zo vol geladen, mist men één twee pruimpjes niet.” Wat zul je moeilijk doen over de restjes als er overvloed is?

Ik ben opgegroeid in de jaren vijftig. Aan tafel hoorde ik mijn ouders vaak zeggen: “In de oorlog vochten we erom.” Niet dat er op het platteland van Friesland honger was geleden, maar verspilling van eten was in mijn jeugd duidelijk een zonde. Dus je at je bordje leeg en creatieve restverwerking was een belangrijke vaardigheid van huisvrouwen. Krapte en gebrek zorgen ervoor dat je niets verspilt. Met de groeiende welvaart nam de waarde van het eten af. Waarom oud brood eten als er ook vers te koop is? Gaandeweg zijn wij eraan gewend dat eten in overvloed aanwezig is. Nu ligt het gevaar van verspilling op de loer. Overvloed stimuleert niet tot zuinigheid en dat geldt niet alleen voor voedsel. Verspilling doet zich voor op alle gebieden van ons leven.

Vaak zijn we ons niet bewust van beperkingen en van grenzen. Vaak lijken onze mogelijkheden onbegrensd. Velen van ons zijn opgegroeid met het idee dat alles steeds beter wordt. Velen van ons hebben een heilig geloof in de vooruitgang. Het is zelfs zo erg dat we stilstand achteruitgang noemen. Onlangs werd de TV-serie ‘De ijzeren eeuw’ uitgezonden. De negentiende eeuw stond geheel in het teken van het temmen en onderwerpen van de natuur. Toen begon het idee van de maakbare samenleving. Vijftig jaar geleden bracht het ons tot het idee dat de bomen tot hemel door zouden groeien.

Gods liefde voor ons is onbegrensd. Overvloedig schenkt Hij ons zijn liefde en barmhartigheid. Ook de mogelijkheden van de door Hem geschapen wereld lijken ons eindeloos. Als er overvloed is en de mogelijkheden grenzeloos zijn, kun toch niet van verspilling spreken, want dan is er hoe dan ook voor iedereen meer dan genoeg. Toch roept Jezus ons op “om niets verloren te laten gaan.” Naar aanleiding van het teken van de broodvermenigvuldiging volgen er de nodige gesprekken tussen Jezus en de mensen. Hierin zegt Jezus op een geven moment dat Hij van allen die Hem zijn toevertrouwd, niemand verloren zal laten gaan. (Joh 6,39) Hier zegt Hij dat zijn volgelingen niet zijn eigendom zijn, maar Hem door zijn Vader zijn toevertrouwd.

Iets wat ons gegeven wordt of toevertrouwd wordt, is niet iets waar wij vrijelijk over mogen beschikken. Een gave is ook altijd een opgave. Dat geldt voor de talenten die we hebben gekregen. Dat geldt voor de mensen die ons worden toevertrouwd. Dat geldt voor het voedsel dat door de aarde wordt voortgebracht. Dat geldt voor heel de schepping, voor alle aspecten van ons leven. Wij mogen niets van de overvloed verloren laten gaan en niets verspillen, want het is ons gegeven om goed te gebruiken, niet om te misbruiken. Alles heeft zijn waarde en doel en het is onze opdracht dat te respecteren en daarnaar te handelen. Dit is ook de boodschap van de groene encycliek Laudato si’ die paus Franciscus onlangs heeft geschreven.

Niet verspillen heeft niets met gierigheid of krenterigheid te maken of met zuinigheid voor eigen gewin. Nee, ook wij worden opgeroepen om overvloedig te zijn met onze geschenken aan anderen. Ook onze liefde en gastvrijheid richting anderen mogen – naar het voorbeeld dat God ons geeft – overvloedig zijn. Van alles dat ons gegeven wordt, mogen wij op onze beurt rijkelijk uitdelen. Als wij ons bedenken dat alles – heel ons leven en heel de schepping – ons geven is, zullen we niets verspillen. We zullen zorgvuldig en respectvol omgaan met al onze gaven en we zullen niet schromen onze rijkdom te delen met anderen. Amen.

Laudato si’ – Geprezen zijt Gij: Samenvatting

Op 18 juni verscheen een brief van paus Franciscus gericht aan alle mensen. De paus richt zich nadrukkelijk tot alle bewoners van ons gezamenlijk huis. Deze encycliek draagt de titel: ‘Laudato si’’ ofwel ‘Geprezen zijt Gij’. Deze woorden komen uit het Zonnelied, een loflied op God en zijn schepping: “Geprezen zijt Gij, mijn Heer, door onze zuster, moeder aarde, die ons voedt en leidt.” (1) Dit Zonnelied werd geschreven door Franciscus van Assisi. Deze “nodigt ons, trouw aan de Schrift, uit de natuur als een schitterend boek te zien waarin God tot ons spreekt en ons een glimp schenkt van zijn oneindige schoonheid en goedheid.” (12) De huidige paus heeft de naam van deze heilige aangenomen.

De encycliek gaat over duurzaamheid, over de schepping en haar voortbestaan en over de gevolgen van het onverantwoord omgaan met de schepping. Onze zuster, moeder aarde “schreeuwt ons op dit moment toe vanwege de schade die wij haar hebben toegebracht door ons onverantwoordelijk gebruik en misbruik van al het goede dat God haar heeft geschonken.” (2) Met deze encycliek treedt paus Franciscus in de voetsporen van zijn voorgangers die de laatste vijftig jaar de zorg voor de schepping geadresseerd hebben. De encycliek maakt onderdeel uit van de sociale leer van de Kerk. Zij gaat over hoop en over dialoog; de paus roept iedereen op. “Deze dringende oproep tot bescherming van ons gemeenschappelijke huis omvat de noodzaak de gehele menselijke familie bij elkaar te brengen om te zoeken naar een duurzame en integrale ontwikkeling, want wij weten dat zaken kunnen veranderen. (…) De mensheid heeft nog steeds de mogelijkheid samen te werken aan de opbouw van ons gemeenschappelijk huis.” (13) “Ik roep daarom nadrukkelijk op tot een nieuwe dialoog over de manier waarop we de toekomst van onze planeet vormgeven. We hebben een gesprek nodig waaraan iedereen deelneemt, want de milieu-uitdaging waarvoor we staan en haar menselijke oorzaken, betreffen ons allemaal en gaan ieder van ons aan.” (14)

Hoofdstuk 1: Wat gebeurt er met ons gemeenschappelijk huis

De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen – waaraan de mens medeschuldig is – treffen alle mensen maar vooral de armen. “De aarde, ons huis, begint steeds meer op een enorme vuilnisbelt te lijken.” (21) “Deze problemen zijn nauw verbonden met de wegwerpcultuur, die zowel de uitgesloten mensen betreft als ook voorwerpen snel reduceert tot afval.” (22) “Klimaatverandering is een mondiaal probleem met ernstige gevolgen: ecologisch, sociaal, economisch, politiek en voor de verdeling van goederen. (…) Vele armen wonen in gebieden die in het bijzonder geraakt worden door de gevolgen van de opwarming, en hun middelen van bestaan zijn grotendeels afhankelijk van natuurlijke reserves en natuurgebonden bedrijven zoals landbouw, visserij en bosbouw. (…) Tragisch is de toename van het aantal migranten die op de vlucht zijn voor de groeiende armoede als gevolg van de achteruitgang van het milieu.” (25) “Waterschaarste raakt vooral Afrika waar omvangrijke bevolkingsgroepen geen toegang hebben tot veilig drinkwater of te maken hebben met droogte die de landbouwproductie treft.” (28) “De vermindering van bossen en wildernis betekent ook de vermindering aan soorten die in de toekomst buitengewoon belangrijk kunnen zijn, niet alleen als voedsel maar ook voor de productie van medicijnen en ander gebruik.” (32) “Omdat alle schepselen met elkaar zijn verbonden, moeten alle met liefde en respect gekoesterd worden, want wij allen zijn als levende schepselen van elkaar afhankelijk.” (42)

“Tot de sociale aspecten van de mondiale veranderingen behoren ook de gevolgen van de technologische innovaties op het gebied van de arbeid, de sociale uitsluiting, de ongelijkheid in de verdeling en het gebruik van energie en andere diensten, de afbraak van de gemeenschap, de toename van geweld en de opkomst van nieuwe vormen van sociale agressie, drugshandel en toenemend drugsgebruik door jongeren, en het verlies aan identiteit.” (46) “Het menselijke milieu en het natuurlijke milieu verslechteren in samenhang met elkaar; wij kunnen de achteruitgang van het milieu niet adequaat bestrijden zonder ook aandacht te besteden aan de oorzaken die verband houden met de menselijke en sociale achteruitgang.” (48) “Door alles te wijten aan de bevolkingsgroei in plaats van aan een extreem en selectief consumentisme door enkelen, weigert men de problemen onder ogen te zien. Het is een poging om het huidige verdelingsmodel te legitimeren, waarbij een minderheid het recht meent te hebben om te consumeren op een wijze die niet te veralgemeniseren is, omdat de planeet niet in staat is om het afval van een dergelijke consumptie op te slaan.” (50) De paus concludeert: “Nooit hebben wij ons gemeenschappelijk huis zo mishandeld en beschadigd als in de laatste twee eeuwen.” (53) “Het is opmerkelijk hoe zwak de reacties van de internationale politiek zijn geweest.” (54)

Hoofdstuk 2: Het evangelie van de schepping

Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. “Als wij werkelijk een ecologie willen ontwikkelen die ons in staat stelt de schade die we hebben veroorzaakt, te herstellen dan mag geen enkele wetenschap en geen enkele vorm van wijsheid uitgesloten worden, ook de religies niet met haar eigen taal.” (63) Paus Franciscus schrijft: “dat het menselijk leven op drie fundamentele en nauw met elkaar verbonden relaties is gebaseerd: met God, met de naaste en met de aarde zelf. (…) De harmonie tussen de Schepper, de mensheid en de schepping als geheel werd verstoord doordat wij ons aanmatigden de plaats van God in te nemen en weigerden onze beperkingen als schepselen te erkennen. Dat zorgde weer voor de vervalsing van de opdracht om te ‘heersen’ (Gen. 1,28) over de aarde en ‘haar te bewerken en te beheren’ (Gen. 2,15). Zo veranderde de oorspronkelijke harmonieuze relatie tussen de mensen en de natuur in een conflict.” (66) “Wij zijn niet God. De aarde was er al voordat wij er waren en zij werd aan ons gegeven.” (67)

De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. De schepping is ons niet gegeven om haar te beheersen en haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken; niet om te verbruiken. Zij is ons gegeven om haar door te geven aan de volgende generaties. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.

“De verantwoordelijkheid voor Gods aarde betekent dat de mensen, begiftigd met verstand, de wetten van de natuur en het delicate evenwicht dat er tussen de schepselen van deze wereld bestaat, moeten respecteren…” (68) “Samen met onze plicht de aardse goederen op verantwoorde wijze te gebruiken, worden we ook opgeroepen te onderkennen dat de andere levende wezens in de ogen van God hun eigen waarde hebben en Hem alleen al met hun bestaan loven en verheerlijken…” (69) “Wij hebben de vrije keuze met onze intelligentie aan een positieve ontwikkeling bij te dragen of nieuwe rampen te veroorzaken, nieuwe oorzaken van lijden en van daadwerkelijke terugval. Dit veroorzaakt de spannende en dramatische menselijke geschiedenis waarbinnen vrijheid, groei, redding en liefde kunnen bloeien maar die ook tot verval en wederzijdse vernietiging kan leiden.” (79)

“Onze bewering dat iedere mens een afbeelding van God is, mag er niet de oorzaak van zijn dat we over het hoofd zien dat ieder schepsel zijn eigen doel heeft. Niets is overbodig.” (84) “God wil de onderlinge afhankelijkheid van de schepselen.” (86) “Een gevoel van innige verbondenheid met de rest van de natuur kan niet werkelijk bestaan als het onze harten ontbreekt aan tederheid, compassie en zorg voor onze medemensen.” (91) De paus pleit voor een holistische en allesomvattende visie. “Vrede, gerechtigheid en behoud van de schepping zijn drie absoluut met elkaar verbonden thema’s, die niet van elkaar gescheiden en los van elkaar behandeld kunnen worden zonder opnieuw te vervallen in reductionisme.” (92) “Of we geloven of niet, we zijn het er tegenwoordig over eens dat de aarde wezenlijk een gezamenlijk erfgoed is waarvan de vruchten iedereen ten goede komen. (…) Het principe van de ondergeschiktheid van privébezit aan de universele bestemming van goederen, en dus het recht van iedereen op haar gebruik, is een gouden regel van sociaal gedrag en het belangrijkste principe van de gehele ethische en sociale ordening.” (93) “De rijken en de armen hebben gelijke waardigheid, want God is de Schepper van allen.” (94)

Hoofdstuk 3: De menselijke oorzaken van de ecologische crisis

Dit vraagt een andere manier van denken, een culturele revolutie. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. “We moeten onderkennen dat kernenergie, biotechnologie, informatietechnologie, kennis van ons DNA en vele andere vaardigheden die wij ons eigen hebben gemaakt, ons een enorme macht hebben gegeven.” (104) “De neiging bestaat te geloven dat iedere toename van macht een groei in vooruitgang betekent, meer veiligheid, voordelen, welvaart en vitaliteit (…), alsof de werkelijkheid, het goede en de waarheid automatisch uit de technologische en economische kracht zelf voortvloeien. (…) Onze enorme technologische ontwikkeling is niet vergezeld gegaan van een menselijke ontwikkeling in verantwoordelijkheid, waarden en geweten.” (105) De mensheid gebruikt “de technologie en haar ontwikkeling overeenkomstig een ongedifferentieerd en eendimensionaal paradigma. Dit paradigma staat voor de opvatting dat iemand die logische en rationele procedures hanteert, het buiten hem liggende object langzamerhand onder controle krijgt en het zo bezit. (…) Mensen en materiële zaken reiken elkaar niet meer vriendelijk de hand; de relatie is confronterend geworden. Dit heeft het gemakkelijk gemaakt het idee van een oneindige en onbegrensde groei te accepteren…” (106) “Het technocratische paradigma neigt de economie en de politiek te domineren.” (109) Verondersteld wordt dat winstmaximalisatie voldoende is om tot een betere wereld te komen.

Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang. Zonder te vervallen tot cultuurpessimisme geeft de paus kritiek op de huidige cultuur waarin technologie, economie en vooruitgang centraal staan. “Als we er niet in slagen de waardigheid van de arme, van het ongeboren kind en van de gehandicapte – om maar een paar voorbeelden te noemen –  te erkennen als deel van de werkelijkheid, wordt het moeilijk het hulpgeroep van de natuur zelf te horen; alles is met elkaar verbonden.” (117) “Er is geen nieuwe relatie met de natuur mogelijk zonder een nieuwe mens.” (118) De ecologische crisis komt voort uit een ethische, culturele en spirituele crisis. Door onszelf centraal te stellen en absoluut voorrang te geven aan ons eigen gemak en plezier, wordt al het andere betrekkelijk. Alles wat niet dienstbaar is aan ons directe eigenbelang wordt relatief en onbelangrijk. “De cultuur van het relativisme is de zelfde verwarring die de ene mens ertoe brengt voordeel te behalen op een ander, anderen louter als objecten te beschouwen, hen dwangarbeid op te leggen of tot slaaf te maken om hen hun schulden te laten betalen. (…) Het is ook de denkwijze van degenen die beweren: Laat de onzichtbare hand van de markt de economie reguleren en beschouw de impact op de samenleving en op de natuur als bijkomstige schade.” (123)

“Het verstandig ontwikkelen van de schepping is de beste manier om voor haar te zorgen. Dit betekent dat wijzelf het gereedschap van God worden om de mogelijkheden die Hij zelf in alles heeft gelegd tot ontplooiing te brengen.” (124) “Als we nadenken over een juiste relatie tussen mensen en de wereld om ons heen, dan wordt de noodzaak van een goed begrip van arbeid duidelijk… Aan de basis van iedere vorm van arbeid ligt de relatie die wij kunnen en moeten hebben met hetgeen dat buiten onszelf ligt.” (125) “We moeten bedenken dat mannen en vrouwen de mogelijkheid hebben tot verbetering van hun materiële situatie, tot morele vooruitgang en tot spirituele ontplooiing.” (127) “Het hogere doel moet altijd zijn dat mensen door arbeid een waardig leven verkrijgen. Stoppen met investeren in mensen om zo op korte termijn hogere winst te behalen, is een slechte zaak voor de maatschappij.” (128) “Ondernemen is een eervol beroep dat erop is gericht welvaart te produceren en onze wereld te verbeteren. Het kan een vruchtbare bron van voorspoed zijn voor de gebieden waar het opereert, vooral als het scheppen van banen als een wezenlijk onderdeel van haar dienst aan het algemeen welzijn wordt gezien.” (129)

De heilige Johannes Paulus II “maakte duidelijk dat de Kerk de voordelen waardeert die het resultaat zijn van studie en toepassing van de moleculaire biologie aangevuld door andere disciplines zoals de genetica en de technische toepassing in landbouw en industrie. Maar hij wees er ook op dat dit niet mag leiden tot geen onderscheid makende genetische manipulatie, die de negatieve effecten van dergelijke ingrepen ontkent.” (131) “Het respect dat het geloof voor het verstand heeft, vraagt om scherpe aandacht voor wat de biologische wetenschappen ons onafhankelijk van economische belangen door onderzoek kunnen leren over biologische structuren, hun mogelijkheden en hun mutaties.” (132) “De betrokken risico’s zijn niet altijd aan de gebruikte technieken te wijten, maar eerder aan oneigenlijk of buitensporig gebruik ervan.” (133)

Hoofdstuk 4: Integrale ecologie

Omdat alles nauw met elkaar verbonden is, pleit paus Franciscus voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Ook vragen de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Het zelfgerichte consumentisme gaat ten koste van anderen, ten koste van de cultuur van volkeren en ten koste van de schepping. “Een consumentistische visie, versterkt door de mechanismen van de hedendaagse geglobaliseerde economie, heeft een vervlakkend effect op culturen en vermindert de enorme verscheidenheid die het erfgoed van de mensheid is.” (144) “Vele vormen van intensieve uitbuiting en beschadiging van het milieu putten niet alleen de bronnen van bestaan van locale gemeenschappen uit, maar vernietigen ook de sociale structuren die gedurende lange tijd vorm hebben gegeven aan de culturele identiteit en aan de zin van het leven en van de gemeenschap.” (145)

Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst. “Een werkelijke ontwikkeling omvat inspanningen te komen tot een integrale verbetering van de kwaliteit van het menselijk bestaan en dit vraagt aandacht voor de situatie waarbinnen het menselijk leven zich afspeelt.” (147) “Het is nodig de openbare ruimte, vergezichten en stadsparken te beschermen want zij versterken ons gevoel van verbondenheid, van geworteld zijn en van thuis voelen in de stad die ons omsluit en samenbrengt.” (151) “De kwaliteit van het stadsleven wordt sterk beïnvloed door de transportsystemen, die vaak een bron van veel ellende vormen voor de gebruikers.” (153) “Respect voor de menselijke waardigheid botst vaak met de chaotische werkelijkheid waarmee stadsmensen te maken hebben.” (154)

“Menselijke ecologie omvat ook een diepgaand aspect: de relatie tussen het menselijk leven en de morele wet, die in onze eigen natuur is vastgelegd. (…) Paus Benedictus XVI sprak van een ‘ecologie van de mens’, gebaseerd op het feit dat de mens een natuur heeft die hij moet respecteren en niet naar eigen believen kan manipuleren. (…) Het aanvaarden van onze lichamen als een geschenk van God is wezenlijk om de gehele wereld tegemoet te treden en te aanvaarden als een geschenk van de Vader en als ons gezamenlijk huis.” (155) “Menselijke ecologie is niet te scheiden van het idee van het algemeen welzijn…” (156) “Het algemeen welzijn vraagt om vrede, sociale stabiliteit en de veiligheid van een zekere ordening die niet bereikt kunnen worden zonder bijzondere aandacht voor de verdelende rechtvaardigheid want de gerechtigheid verkrachten brengt altijd geweld voort. De maatschappij als geheel en de overheid in het bijzonder zijn verplicht het algemeen welzijn te verdedigen en te bevorderen.” (157)

“We kunnen niet spreken over een duurzame ontwikkeling los van solidariteit tussen de generaties. Als we eenmaal beginnen te denken over welke wereld wij aan de toekomstige generaties willen nalaten, bekijken we alles anders. We realiseren ons dat de wereld een geschenk is dat wij zomaar hebben gekregen en dat we moeten delen met anderen. Als de wereld ons gegeven is, kunnen we de werkelijkheid niet langer met een puur utilitaristische blik waarin efficiëntie en productiviteit geheel op ons individuele profijt zijn gericht, bekijken.” (159) “De voorspellingen over de ondergang van de wereld kunnen niet langer met geringschatting en ironie beschouwd worden. Het zou wel eens enkel puin, verwoesting en afval kunnen zijn wat wij aan de volgende generaties nalaten. Het tempo van consumptie, vervuiling en veranderingen in het milieu heeft de mogelijkheden van de planeet zover overschreden, dat de huidige niet-duurzame wijze van leven alleen maar in catastrofes kan eindigen, zoals nu al zo nu en dan in verschillende gebieden het geval is.” (161)

Hoofdstuk 5: Wegen naar aanpak en actie

In dit hoofdstuk beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. “Een wereld van onderlinge afhankelijkheid maakt ons niet alleen meer bewust van de negatieve effecten van bepaalde levenswijzen, productiemethoden en consumptie die ons allemaal treffen. Nog belangrijker is dat zij ons motiveert tot oplossingen die uitgaan van een mondiaal perspectief en niet alleen de belangen van enkele landen verdedigen. Onderlinge afhankelijkheid verplicht ons te denken in termen van één wereld met een gezamenlijk plan.” (164) De paus stelt de volgende onderwerpen aan de orde: vervuilende fossiel brandstoffen, biodiversiteit, klimaatverandering en broeikasgassen.

“Voor arme landen moet de prioriteit liggen bij de uitroeiing van extreme armoede en de bevordering van de sociale ontwikkeling van de bevolking. Tegelijkertijd moeten zij het schandalige niveau van consumptie door sommige bevoorrechte delen van hun bevolking onderkennen en de corruptie effectiever bestrijden. Evengoed moeten ook zij minder verontreinigende vormen van energieproductie ontwikkelen, maar daarbij hebben zij de hulp nodig van landen die ten koste van de voortdurende vervuiling van de planeet grote groei hebben doorgemaakt.” (172) “Gegeven de situatie is het wezenlijk tot sterkere en efficiënter georganiseerde internationale instellingen te komen met functionarissen die bevoegd zijn tot het uitdelen van sancties en die aangesteld worden bij overeenkomst tussen de nationale regeringen. (…) De diplomatie krijgt zo een nieuw belang met het ontwikkelen van internationale strategieën ter voorkoming van serieuze problemen die ons allen treffen.” (175)

Hoofdstuk 6: Ecologische opvoeding en spiritualiteit

Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hierover gaat het laatste hoofdstuk. Zo heeft de paus het over een ecologische bekering. Dit vraagt een ecologische spiritualiteit. “Vele zaken moeten veranderen, maar bovenal moeten wij mensen veranderen.” (202) “Sinds de markt, om haar producten te verkopen, er toe neigt buitensporige consumptie te promoten, kunnen mensen gemakkelijk gevangen worden in een spiraal van onnodige aankopen en uitgaven. (…) Mensen geloven dat ze vrij zijn zolang ze de vermeende vrijheid tot consumeren hebben.” (203) “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren. Het wordt bijna onmogelijk om de grenzen te accepteren die de realiteit oplegt. Tegen deze horizon verdwijnt een authentiek gevoel voor het algemeen welzijn. (…) Een door consumptie geobsedeerde levensstijl kan alleen tot geweld en tot wederzijdse vernietiging leiden, zeker wanneer dit slechts voor een beperkt aantal mensen is weggelegd.” (204)

Wij mensen moeten veranderen en een nieuwe levensstijl aannemen, loskomen van het consumentisme. Mensen zijn “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” (205) De paus bepleit een ecologische bewustwording. “Het bewustzijn van de ernst van de huidige culturele en ecologische risico’s moet naar nieuwe gewoonten vertaald worden.” (209) “Ecologische bewustwording moet het mogelijk maken de sprong naar het transcendente te maken dat een ecologische moraal haar diepste betekenis geeft.” (210) “Het is nodig dat politieke organisaties en vele andere sociale groeperingen werk maken van het verhogen van het bewustzijn bij de mensen. Dat geldt ook voor de Kerk.” (214)

“Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” (222) Soberheid maakt vrij. Hiervan vinden we talloze voorbeelden in de Bijbel en in de geschiedenis van de Kerk. “Echter niemand is in staat tot een leven van soberheid en tevredenheid, als hij of zij niet in vrede met zichzelf leeft. (…) Innerlijke vrede is nauw verbonden met de zorg voor de ecologie en het algemeen welzijn…” (225)

“De sacramenten vormen een bevoorrechte wijze waarop God de natuur verheft tot een middel om aan het bovennatuurlijke leven deel te nemen. In onze liturgie worden we uitgenodigd de wereld op een ander niveau te omhelzen. Water, olie, vuur en kleuren krijgen hun volle symbolische kracht en worden onderdeel van onze lofprijzing.” (235) De paus legt de relatie naar de heilige Drie-eenheid die gemeenschap in zichzelf is en als eenheid de wereld heeft geschapen. “Alles is met elkaar verbonden en dat nodigt ons uit een spiritualiteit van mondiale solidariteit te ontwikkelen die voortvloeit uit het mysterie van de heilige Drie-eenheid.”

Mens en natuur

Onlangs verscheen een brief van paus Franciscus gericht aan alle mensen. Deze encycliek draagt de titel ‘Geprezen zijt Gij’. Deze woorden komen uit het Zonnelied, een loflied op God en zijn schepping, geschreven door Franciscus van Assisi. De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen, waaraan de mens medeschuldig is, treffen alle mensen maar vooral de armen. “Nooit hebben wij ons gemeenschappelijk huis zo mishandeld en beschadigd als in de laatste twee eeuwen.”

Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. Paus Franciscus schrijft: “dat het menselijk leven op drie fundamentele en nauw met elkaar verbonden relaties gebaseerd is: met God, met de naaste en met de aarde zelf.” De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is aan de mens gegeven om haar te ontwikkelen en met respect te beheren. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. Dit vraagt een andere manier van denken, een culturele revolutie. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang.

Omdat alles nauw met elkaar verbonden is, pleit de paus voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Daarnaast vragen ook de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst.

Vervolgens beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hierover gaat het laatste hoofdstuk. Wij mensen moeten veranderen en een nieuwe levensstijl aannemen, loskomen van het consumentisme. Mensen zijn “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” Zo heeft de paus het over een ecologische bekering. Dit vraagt een ecologische spiritualiteit. “Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” Soberheid maakt vrij. Werkelijk geluk wordt gevonden in liefde, vrede en vertrouwen.

Column in De Heraut, 1 juli 2016

Laudato si’ – Geprezen zijt Gij

Onlangs verscheen een brief van paus Franciscus gericht aan alle mensen. De paus richt zich nadrukkelijk tot alle bewoners van ons gezamenlijk huis. Deze encycliek draagt de titel: ‘Laudato si’’ ofwel ‘Geprezen zijt Gij’. Deze woorden komen uit het Zonnelied, een loflied op God en zijn schepping. Dit Zonnelied werd geschreven door Franciscus van Assisi. Franciscus van Assisi ziet de hand van God in alles wat geschapen is. De huidige paus heeft de naam van deze heilige aangenomen.

De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen – waaraan de mens medeschuldig is – treffen alle mensen maar vooral de armen. De paus schrijft: “Nooit hebben wij ons gemeenschappelijk huis zo mishandeld en beschadigd als in de laatste twee eeuwen.”

Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. Paus Franciscus schrijft: “dat het menselijk leven op drie fundamentele en nauw met elkaar verbonden relaties gebaseerd is: met God, met de naaste en met de aarde zelf.” De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. De schepping is ons niet gegeven om haar te beheersen en haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken; niet om te verbruiken. Zij is ons gegeven om haar door te geven aan de volgende generaties. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.

Dit vraagt een andere manier van denken, een culturele revolutie. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang. Zonder te vervallen tot cultuurpessimisme geeft de paus kritiek op de huidige cultuur waarin technologie, economie en vooruitgang centraal staan. De ecologische crisis komt voort uit een ethische, culturele en spirituele crisis. Door onszelf centraal te stellen en absoluut voorrang te geven aan ons eigen gemak en plezier, wordt al het andere betrekkelijk. Alles wat niet dienstbaar is aan ons directe eigenbelang wordt onbelangrijk.

Omdat alles nauw met elkaar verbonden is, pleit de paus voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Ook vragen de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst. Het zelfgerichte consumentisme gaat ten koste van anderen, ten koste van de cultuur van volkeren en ten koste van de schepping. Tenslotte leidt het consumentisme tot geweld en tot wederzijdse vernietiging.

Vervolgens beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hierover gaat het laatste hoofdstuk. Paus Franciscus schrijft: “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren. Het wordt bijna onmogelijk om de grenzen te accepteren die de realiteit oplegt. Tegen deze horizon verdwijnt een authentiek gevoel voor het algemeen welzijn.”

Wij mensen moeten veranderen en een nieuwe levensstijl aannemen, loskomen van het consumentisme. Mensen zijn – schrijft de paus – “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” Zo heeft de paus het over een ecologische bekering. Dit vraagt een ecologische spiritualiteit. “Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” Soberheid maakt vrij. Hiervan vinden we talloze voorbeelden in de Bijbel en in de geschiedenis van de Kerk. Werkelijk geluk wordt gevonden in liefde, vrede en vertrouwen. Amen.

Een bovenaardse vrouw

Auteur: Charles Caspers
Titel: Een bovenaardse vrouw: Zes eeuwen verering van Liduina van Schiedam
Auteur: Thomas van Kempen
Titel: Het leven van de Heilige Maagd Liduina
Uitgever: Verloren, 2014
Prijs: € 18,=
ISBN: 978 90 8704 487 9
Aantal pagina’s: 168

Liduina leefde van 1380 tot 1433. Tijdens haar leven had zij al een grote bekendheid. Door een val op het ijs brak zij als vijftienjarige een rib. Dit was het begin van een levenslange lijdensweg. Zij offerde haar lijden op ter bevrijding van de zielen uit het vagevuur. Met haar eigen lijden verminderde zij het lijden van anderen.

Charles Caspers schrijft over de geschiedenis van de verering van Liduina. Al in 1434 werd er een kapel boven haar graf gebouwd en even later verscheen het eerste boek over haar leven. Door de eeuwen heen is de devotie voor Liduina blijven bestaan. Ook in onze tijd kunnen wij van haar leren hoe wij kunnen leven met het lijden dat ons overkomt.

In 1455 voltooide Thomas van Kempen Het leven van de Heilige Maagd Liduina. Dit boek geeft ons een beeld van die tijd. We worden meegevoerd in de wondere wereld van de late Middeleeuwen. Voor de hedendaagse rationeel denkende mens kost het moeite om hierin mee te gaan. Voor Thomas is het leven van Liduina één grote lofprijzing op God. Rijcklof Hofman zorgde voor een gemakkelijk te lezen vertaling in hedendaags Nederlands.

In Schiedam is 2015 uitgeroepen tot Liduinajaar. Een goede gelegenheid om met dit fraai uitgegeven boek kennis te maken met deze bijzondere heilige van Nederlandse bodem.

Pastoraat van gemeenschap

We leven in een sterk geïndividualiseerde samenleving. Het autonome, onafhankelijke individu is de standaard, het model waarop onze samenleving wordt ingericht. Aan het vormen van gemeenschap wordt in deze tijd weinig waarde gehecht. Ook de inrichting van het pastoraat binnen onze parochies wordt hierdoor gekenmerkt. Ook wij zijn kinderen van onze tijd. Als ik naar mijn eigen geschiedenis kijk, zie ik dat vrijheid, verantwoordelijkheid, autonomie en onafhankelijkheid een grote rol spelen in mijn denken. Ook mijn geloofsopvoeding – en dat heeft mij aan het denken gezet – was vooral in termen van het individu.

In de eerste vier paragrafen worden de begrippen gemeenschap en persoon theologisch verkend:

  1. Kerk als gemeenschap
  2. De gemeenschap van de heiligen
  3. Wat maakt de mens tot mens?
  4. Heil en verlossing

Na het opmaken van een tussenbalans wordt ingegaan op de wijze waarop het pastoraat de waarde van de gemeenschap beter kan articuleren. Zoals God de bron van liefde is, kan de goddelijke Drie-eenheid als bron en beeld van gemeenschap worden gezien. Tenslotte wordt verkend welke specifieke rol de diaken in het pastoraat van gemeenschap kan vervullen.

  1. Tussenbalans
  2. Pastoraat van gemeenschap
  3. De heilige Drie-eenheid als beeld van gemeenschap
  4. De diaken als bouwer aan gemeenschap

1. Kerk als gemeenschap

In de catechismus die in 1956 door de bisschop van Groningen werd uitgegeven[1], wordt voortdurend het woord wij gebruikt. De eerste persoon meervoud kan zowel betrekking hebben op een groep losstaande individuen als op een gemeenschap van op elkaar betrokken personen. In het eerste geval is er sprake van wij omdat de individuen bepaalde kenmerken delen. In het tweede geval is een gemeenschappelijk kenmerk niet zozeer de eigenschap van ieder individu als juist van de gemeenschap als geheel. Als voorbeeld de uitspraak: ‘Wij houden niet van spruitjes.’ Als iemand met een stel kennissen aan tafel zit en dit zegt, bedoelt hij dat ieder afzonderlijk lid van het gezelschap niet van spruitjes houdt. Als de uitspraak echter uit de mond van een echtpaar komt, dan is de lading veel meer: ‘Ik houd niet van spruitjes en mijn echtgenoot houdt zoveel van mij dat hij het goed vindt dat we nooit spruitjes eten.’

Terug naar de catechismus van 1956: hierin kan ik het woord wij niet anders lezen dan in de betekenis van een verzameling individuen. In ieder geval is dit de betekenis die ik mij destijds eigen gemaakt heb. Twee voorbeelden. Het antwoord op vraag 45 luidt: “Het voornaamste in de mens is de ziel, want de ziel is een onsterfelijke geest, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.”[2] De ziel is belangrijker dan het lichaam, terwijl wij juist met ons lichaam de verbondenheid met elkaar ervaren. De ziel is een tamelijk individualistisch iets, die je in termen van destijds vooral rein moest zien te houden. Een tweede voorbeeld is het antwoord op vraag 109: “Niet alle mensen zullen zalig worden, omdat zij niet allen met Gods genade meewerken.”[3] Hier is in het geheel geen sprake van verbondenheid, maar een soort ieder voor zich.

Het woord gemeenschap ben ik slechts twee keer tegen gekomen. In het antwoord op vraag 135: “De H. Kerk is de gemeenschap door Jezus gesticht om het Rijk Gods onder alle mensen te brengen en te voltooien.”[4] Hier laat het woord gemeenschap zich vooral lezen in de betekenis van instituut, passend bij het destijds heersende beeld van de Kerk als societas. De Kerk is hier een instrument, een organisatie om een doel – dit is het Rijk Gods – te bereiken. Kerk en Rijk Gods zijn twee totaal verschillende zaken. Vermeldenswaard is het antwoord op vraag 175: “Onder de gemeenschap van de heiligen verstaan wij de bovennatuurlijke eenheid, die er in Christus bestaat tussen de leden van de strijdende, de lijdende en de zegevierende Kerk.”[5] Hier is duidelijk sprake van verbondenheid van de leden van de gemeenschap met elkaar. Deze verbondenheid vraagt van de gelovigen dat zij elkaar helpen “door gebeden, goede werken en offers”.[6] Verder blijft het een vage abstractie die nergens concreet wordt gemaakt en die voor mij toen geen betekenis heeft gekregen.

Met het Tweede Vaticaans Concilie verandert het beeld van de Kerk. Dit veranderde beeld is vastgelegd in de dogmatische constitutie Lumen gentium. Kees van Vliet schrijft hierover: “Zij streeft naar een synthese tussen de Kerk als mysterium en als institutio.”[7] “De Kerk is bijvoorbeeld zowel een empirische werkelijkheid als een geloofsgegeven. (…) Het Tweede Vaticaans Concilie beklemtoont dat de Kerk vele dimensies kent die wel onderscheiden, maar niet gescheiden mogen worden. (…) Vanwege haar vele dimensies, vanwege haar innerlijke rijkdom zijn er vele beelden en begrippen nodig om het wezen van de Kerk adequaat uit te drukken. Een drietal bijbelse beelden – Kerk als volk van God, lichaam van Christus en tempel van de Heilige Geest – en een tweetal theologische begrippen – Kerk als communio en sacrament van heil – zijn daarbij in het bijzonder van grote waarde.”[8] Deze begrippen maken duidelijk dat de Kerk niet zo maar een instituut is, maar ook een mystiek karakter heeft en als een levend organisme te beschouwen is.

Van Vliet onderscheidt vijf dimensies in het begrip Kerk als communio.[9]

  1. Kerk als gemeenschap van gelovigen, waarin de gelovigen door het gemeenschappelijk geloof met elkaar verbonden zijn en een gemeenschappelijke waardigheid hebben.
  2. Kerk als gemeenschap van Kerken, waarin de verschillende particuliere Kerken met elkaar de Kerk vormen.
  3. Kerk als gemeenschap met God, waarin de Kerk ten diepste een genadegemeenschap en wezenlijk een geestelijke realiteit is.
  4. Kerk als gestructureerde gemeenschap, waarin een zekere ordening bestaat.
  5. Kerk als een gemeenschap met mensen, die geroepen is tot dienstbaarheid, tot bevordering van verzoening in de samenleving en tot solidariteit met de wereld.

Van Vliet verbindt het communitaire en sacramentele denken over de Kerk met elkaar in het concept Kerk als communio sacramentalis, als gemeenschap met een sacramenteel karakter. “Naar binnen toe betekent dit dat de structuren van de Kerk een dienende en instrumentele functie hebben. Naar buiten toe betekent het dat de Kerk juist als waarachtige gemeenschap een heilzame uitstraling heeft in onze verdeelde en onverzoende wereld. Andersom – uitgaande van de Kerk als heilssacrament – kan men stellen dat het specifieke van de Kerk als sacramentalis salutis is, dat zij heil bewerkt juist door mensen in gemeenschap met God en met elkaar te brengen en op die manier vervreemding, isolement en liefdeloosheid radicaal te overwinnen.”[10] In dit verband is het ook goed te beseffen dat de zeven sacramenten niet los zijn te zien van de gemeenschap. Zij initiëren in de gemeenschap, zij bouwen haar op, ordenen en herstellen haar en zij brengen haar naar de zwakken.

2. De gemeenschap van de heiligen

In de catechismus van 1956 wordt in antwoord 175 de bovennatuurlijke eenheid in Christus tussen de leden van de strijdende, de lijdende en de zegevierende Kerk genoemd. De Catechismus van de Katholieke Kerk kent een paragraaf[11] over de gemeenschap van de heiligen met een zelfde driedeling, zij het met andere aanduidingen. Daarnaast wordt het begrip communio hier met een vijftal typeringen verder inhoud gegeven.

  1. De gemeenschap in het geloof met een verwijzing naar Hnd2,42
  2. De gemeenschap van de sacramenten
  3. De gemeenschap van de charismata
  4. “Zij bezaten alles gemeenschappelijk.” (Hnd4,32)
  5. De gemeenschap van de liefde (Rom14,7; 1 Kor 12,26-27.13,5)

De gemeenschap van de heiligen is een gemeenschap gebaseerd op liefde en geloof waarbinnen de leden een sterke verbondenheid met elkaar kennen, er voor elkaar zijn en niet zonder elkaar kunnen. Aan de gemeenschap als geheel zijn de sacramenten gegeven. Haar leden zijn met bijzondere genaden begiftigd. Charismata en sacramenten zijn beide gegeven om de gemeenschap op te bouwen en zijn geen individueel bezit. “De Kerk wordt dus werkelijkheid door het woord van het evangelie, door de sacramenten en door de gemeenschappelijke dienst van de liefde. Vooral de eucharistische gemeenschap verenigt de over de hele aarde verbreide Kerk tot één Kerk door de deelneming aan het ene lichaam van de Heer. Door het gemeenschappelijk delen in het heilige worden wij onderling samengevoegd tot de gemeenschap der heiligen.”[12]

3. Wat maakt de mens tot mens?

Paus Johannes XXIII introduceerde in Pacem in terris het begrip personalisme. “Ieder mens is een persoon. Dat wil zeggen, hij is een wezen begaafd met verstand en vrije wil. Hij heeft dus uiteraard rechten en plichten, die direct en gelijktijdig voortvloeien uit zijn eigen natuur. Ze zijn daarom algemeen, onschendbaar, absoluut en onvervreemdbaar.”[13] Centraal in het denken van de gelovige over zichzelf staat, dat hij naar Gods beeld geschapen is. De Catechismus van de Katholieke Kerk leert: “Omdat het menselijk individu is als het beeld van God, heeft het de waardigheid van een persoon: hij is niet alleen iets, maar ook iemand. Hij is in staat zichzelf te kennen, zichzelf te bezitten en zichzelf in vrijheid te geven en in contact te treden met andere personen, en hij is door genade geroepen tot een verbond met zijn Schepper, om aan Hem een antwoord van geloof en liefde te geven, dat niemand in zijn plaats kan geven.”[14] Het Compendium van de Sociale Leer van de Kerk formuleert het met aanhaling van Gaudium et spes als volgt: “De relatie tussen God en de mens wordt weerspiegeld in de relationele en sociale dimensie van de menselijke natuur. De mens is in feite geen solitair wezen, maar een ‘sociaal wezen, en zonder band met anderen kan hij niet leven en zijn talenten niet ontplooien’.”[15]

Centraal in het denken van de Kerk over de mens staat niet het woord individu, maar het woord persoon. Een mens wordt pas mens in relatie met anderen. Dan is hij in staat tot het ontvangen en geven van liefde. Hierin is hij ook beeld van de Drie-ene God, die liefde is en gemeenschap in zichzelf. Dit maakt dat de mens afhankelijk is van andere mensen en in die zin ook niet volledig autonoom kan zijn. Anton Houtepen schrijft over het wezen van de mens: “Het zelf is niet een soevereine instantie, die aan zichzelf genoeg heeft.”[16] “Niet als individu heeft God ons aan onszelf gegeven, maar als persoon naast de ander, als hulpe aan de ander gelijk, als hoeder van mijn broeder, als pleitbezorger, zelfs van hen die zich aan de ander, de vreemdeling, de gast vergrijpen voor eigen gerief.”[17]

Dat voor mensen het zijn van persoon belangrijker is dan het zijn van individu leert de ervaring van de Stichting Straatpastoraat in Den Haag. Hier is men van mening dat de bekende piramide van Maslov omgekeerd moet worden. Volgens hen zijn niet de puur individuele lichamelijke behoeften en de behoefte aan veiligheid en zekerheid de belangrijkste. Hier wordt ervaren dat voor de mensen die op straat leven juist de behoeften aan sociaal contact en aan waardering en erkenning en zelfontplooiing het belangrijkste zijn. Deze laatste zaken maken het individu tot persoon. Het is blijkbaar de welvarende mens, de bezitter, die de lichamelijke behoeften tot het hoogste goed verheft.

4. Heil en verlossing

Zoals uit het hierboven geciteerde antwoord op vraag 109 van de catechismus van 1956 al bleek, werd de verlossing destijds vooral op de individuele mens betrokken. Hij moest met zijn goede werken de hemel verdienen. Het antwoord op vraag 539 luidt: “Wij zijn verplicht goede werken te doen om God te eren en daardoor de hemel te verdienen.”[18] Houtepen schrijft over de klassieke verlossingsleer vanaf het Concilie van Trente: “Heil is vooral: eeuwig heil voor de enkeling. (…) Het christelijke heil voltrekt zich in de relatie tussen elk mens en God en correspondeert met ieders persoonlijke staat van genade…”[19] Over de veranderde inzichten van Vaticanum II schrijft hij: “God is een scheppende èn herscheppende, verlossende God van de beginne, in Israël en onder de volkeren en niet pas bij het Christus-gebeuren in Jezus van Nazareth. En het object van dit scheppen en herscheppen is niet slechts de mens, maar de hele schepping, natuur en geschiedenis.”[20] De apostel Paulus schreef al: “Ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankeljkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods.”[21] Heil en verlossing zijn volgens Houtepen “de bevestiging van het ware zelf van de mens”.[22] Dit is mijns inziens ook de essentie van de verrijzenis van het lichaam: in het eeuwig leven is de mens – op welke wijze dan ook – echt mens en dus een persoon met een vorm van lichamelijkheid om uitdrukking te geven aan liefde en gemeenschap. Het eeuwig leven is in termen van het Rijk Gods moeilijk voor te stellen als een soort bioscoop waarin ieder voor zich God aanschouwt, zoals dat in mijn jeugd wel mogelijk was.

Van paus Johannes XXIII is de uitspraak: “Ja, de hel bestaat. Maar hij is leeg.” Ongetwijfeld heeft de paus hierbij vooral de oneindige barmhartigheid van God in gedachte gehad, maar deze uitspraak heeft ook alles te maken met het denken in termen van gemeenschappelijk heil. Al zou er maar één mens niet gered worden, dan is de gemeenschap niet compleet, dan mist iemand zijn dierbare zoon of dochter en is als persoon niet compleet. In het individualistische heilsdenken is dit geen probleem. Daarin is mijn heil niet afhankelijk van dat van anderen. Naast barmhartigheid en gemeenschappelijk heil moeten we volgens paus Benedictus XVI niet de gerechtigheid uit het oog verliezen. “Beide, gerechtigheid en genade, moeten in de juiste innerlijke band met elkaar worden gezien. De genade sluit de gerechtigheid niet uit. De genade maakt onrecht niet tot recht. De genade is geen spons die alles uitvlakt, zodat tenslotte alles wat iemand op aarde gedaan heeft toch om het even is.”[23] De verleiding om alles in een waterdicht systeem onder te brengen is groot, maar dat gaat ons mensen niet lukken. God is groter dan wij. De apostel Jakobus heeft een directe en rechtlijnige manier van denken, maar hij weet op het juiste moment op de rem te trappen. Zo houdt hij het mysterie overeind en rationaliseert hij het niet kapot: “Want onbarmhartig zal het oordeel zijn voor hem die geen barmhartigheid heeft bewezen, maar de barmhartigheid triomfeert over het oordeel.” (Jak 2,13)

Nico Schreurs formuleert “een hedendaagse theologie van verzoening”. “In die soteriologie staat het zoenoffer van Jezus Christus centraal, die in zijn kruisdood de schuld van de zondige mensheid op zich heeft genomen en haar aldus met God heeft verzoend. (…) Wel zal sterker een metaforische betekenis centraal moeten komen staan, waarbij het offer van Christus niet de eigen verantwoordelijke vrijheid van mensen tenietdoet. Deze verworvenheid van de Verlichting moet en kan overeind blijven, wanneer de verlossing gearticuleerd wordt in termen van plaatsbekleding.”[24] Voor hem is het mogelijk om Jezus’ evangelie van het Rijk Gods en zijn kruis in één heilsverband samen te brengen.[25] Hij werkt de metafoor van plaatsbekleding van Jezus’ leven en sterven voor ons verder uit. “[D]at is wat plaatsbekleding uiteindelijk beoogt: een verband leggen of een verbond stichten tussen de één en de ander, tussen één en anderen. Het ideaal van een onderlinge verbondenheid waarbij de één in de plaats van de ander kan treden, is voor een religieuze gemeenschap een vereiste, wil de kerk van Jezus’ volgelingen méér zijn dan geïsoleerde zoekers naar de eigen persoonlijke zinsvervulling.”[26] Over de menselijke autonomie in het kader van plaatsbekleding schrijft hij: “De soteriologie wordt zo uit de sfeer van de concurrentie gehaald waarin God en de autonome mens tegenover elkaar staan. Het gaat wezenlijk om een vorm van participatie aan het goddelijk leven. Deze vorm van participatieve theonomie herinnert sterk aan (…) de orthodox-katholieke opvatting van plaatsbekleding, waarin de vorming van een omvattende gemeenschap (communio) de inzet is. Naar deze participatieve theonomie lijkt ook de encycliek Veritatis splendor te verwijzen…”[27] In dit katholieke denken is de menswording van Christus het fundament van de plaatsbekleding. Hiermee verenigt God zich met de mensheid en werkelijkheid die als samenhangend, organisch, levend en gemeenschappelijk wordt ervaren.[28] “Plaatsbekleding is een metafoor voor wat de ander kan bijdragen aan het herstel van rechte verhoudingen, de sjaloom tussen mensen en God. Elke mens heeft op zijn zoektocht naar de sjaloom en de zin in het leven een onverwisselbare plaats. Dat geldt voor degene wiens plaats op momenten van volstrekte uitzichtloosheid door anderen wordt ingenomen. Hij of zij wordt daardoor niet van zijn identiteit berooft; integendeel de aanvaarding van dit schijnbare zelfverlies is een mogelijkheid om zicht te krijgen op de eigen onverwisselbare plaats. (…) [D]e plaats van ieder is in principe bevrijd van de machten van lot, historische determinatie en uitzichtloosheid. Dat Jezus Christus onze plaats heeft ingenomen waar het om leven en sterven ging, geeft hoop op een toekomst ‘over de houten schutting heen in het veld met de rode papavers’.”[29]

Plaatsbekleding is verbonden met het hebben van een rol en daarmee verbonden met gemeenschap. Een rol bestaat alleen binnen een groter geheel waarvan men deel uit maakt. Deze rol is meer het eigendom van het geheel dan van degene die de rol vervult. Een rol is niet hetzelfde als een baan, zoals onze huidige premier zijn premierschap ziet. Je rol of ambt binnen de gemeenschap is je unieke wijze van zelfverwerkelijking in verbondenheid met anderen. Hier zijn woorden als roeping, uitverkiezing en bestemming meer op hun plaats. Het ambt is niet van het individu maar van de gemeenschap. De gemeenschap kan slechts handelen in personen als ambtsdragers. In het premoderne gemeenschapsdenken valt de mens samen met zijn rol in de gemeenschap. Hierin ligt de onderlinge afhankelijkheid van individu en gemeenschap. Premier Rutte is een toonbeeld van het neoliberale marktdenken. Hij wordt betaald voor zijn werk. Het is zijn ontzettend leuke baan.

Het heil en de verlossing zijn niet alleen van individuele aard. Zo schrijft Joseph Ratzinger als perfect van de Congregatie voor de Geloofsleer: “Daarom heeft het Leergezag van de Kerk in de jongste tijd vast en helder de waarheid in herinnering geroepen dat er slechts één goddelijke heilsorde is.”[30] Hij citeert vervolgens paus Johannes Paulus II: “De tegenwoordigheid en de activiteit van de Geest raken niet alleen de individuen, maar ook de maatschappij en de geschiedenis, de volkeren, de culturen en de godsdiensten. (…) Door de invloed van de Geest werkt de verrezen Christus in de harten van de mensen. (…) Het is ook de Geest die de ‘zaden van het Woord’ uitzaait, welke aanwezig zijn in de riten en culturen, en ze voorbereidt op hun rijping in Christus.”[31] Over het Rijk Gods schrijft Ratzinger met citaten uit Lumen gentium: “De Kerk is gezonden ‘om het Rijk van Christus en van God aan te kondigen en in alle volken te vestigen. Zo vormt zij de kiem en het begin van dit Rijk op aarde.’ Aan de ene kant is de Kerk ‘sacrament, dat wil zeggen teken en werktuig voor de innigste vereniging met God alsook voor de eenheid van de hele mensheid’; ze is daarom teken en werktuig voor het Rijk, ze heeft de roeping het te verkondigen en te vestigen. Aan de andere kant is de Kerk ‘het door de eenheid van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest verenigde volk’; ze is dus ‘het in het mysterie reeds aanwezige Rijk van Christus’ en vormt daarom de kiem en aanvang ervan. Het Rijk Gods heeft een eschatologische dimensie: het is een in de tijd aanwezige werkelijkheid, maar zijn volledige verwerkelijking zal pas met het einde oftewel de vervulling van de geschiedenis komen.”[32]

Als paus Benedictus XVI schrijft Ratzinger: “Dit werkelijke leven, waar wij altijd op de een of andere manier weer naar reiken, is gebonden aan het samenzijn met een ‘volk’ en kan alleen in dit ‘wij’ voor ieder individu werkelijkheid worden. Het veronderstelt juist de exodus uit de gevangenis van het eigen ‘ik’, omdat alleen in de openheid van ieder subject de blik geopend wordt op de bron van de vreugde, op de liefde zelf – op God. Dit op gemeenschap georiënteerde uitzicht op het ‘zalig leven’ richt zich weliswaar over de huidige wereld heen, maar heeft juist ook met het opbouwen van deze wereld te maken – in zeer verschillende vormen, afhankelijk van de historische context en de mogelijkheden die daardoor geboden of juist uitgesloten werden.”[33] Hij vraagt zich af of wij in ons denken over het heil toch niet uitkomen “bij het heilsindividualisme? Bij de hoop voor mij alleen, die dan echter geen echte hoop is, omdat anderen worden vergeten en uitgesloten? Nee. De relatie tot God wordt aangegaan door gemeenschap met Jezus; alleen en uit onszelf kunnen wij dit niet bereiken. De relatie met Jezus is echter een relatie met Hem die zichzelf voor ons allen gegeven heeft (vgl. 1 Tim 2,6). Het met Jezus Christus zijn voert ons binnen in zijn ‘voor allen’, en wordt dan ook onze manier van leven. Dat verplicht ons er te zijn voor de anderen, maar alleen in gemeenschap met Hem is het mogelijk er werkelijk voor anderen, voor het geheel te zijn. (…) De liefde van God toont zich in de verantwoordelijkheid voor anderen. (…) Christus is voor allen gestorven. Voor Hem leven betekent zich laten betrekken in zijn ‘er zijn voor’.”[34] Zoals het gemeenschappelijk heil niet ondergeschikt is aan het persoonlijke, zo is het persoonlijke heil ook niet aan het gemeenschappelijke ondergeschikt. “[H]oezeer ook het ‘voor allen’ tot de hoop behoort, omdat ik niet tegen de anderen in en niet zonder hen gelukkig kan worden, zo is omgekeerd een hoop die mijzelf niet betreft evenmin werkelijke hoop.”[35]

Wij moeten “beseffen dat geen mens een eiland is. Onze levens zijn sterk op elkaar betrokken, zijn door ontelbare interacties met elkaar verbonden. Niemand leeft alleen. Niemand zondigt alleen. Niemand wordt alleen gered. In mijn leven komt steeds het leven van anderen binnen: in wat ik denk, zeg, doe en bereik. En omgekeerd komt mijn leven binnen in dat van anderen: ten kwade en ten goede. (…) Het is nooit te laat en nooit vergeefs het hart van de ander beroeren. Zo wordt een belangrijk element van het christelijke begrip ‘hoop’ nogmaals duidelijk. Onze hoop is altijd ten diepste ook hoop voor de anderen; alleen zo is ze werkelijk ook hoop voor mijzelf. Als christenen moeten wij ons nooit alleen maar afvragen: hoe kan ik mezelf redden? We moeten ons ook afvragen: hoe kan ik anderen helpen, opdat anderen gered worden en voor anderen de ster van de hoop opgaat? Dan heb ik ook het meeste gedaan voor mijn eigen redding.”[36]

5. Tussenbalans

Vijftig jaar geleden is er mede door het Tweede Vaticaans Concilie een nieuwe wijze van denken over de mens en zijn relatie met zijn medemensen tot ontwikkeling gekomen. Centraal hierin staan de begrippen communio en persoon. Dit nieuwe denken betreft niet alleen ons leven hier op aarde maar ook het eeuwig leven. Heil en verlossing hebben betrekking op heel ons menselijk bestaan en op de gehele schepping. Heil en verlossing zijn dus geen puur individualistische aangelegenheid; zij betreffen de gehele persoon inclusief zijn relaties en zij betreffen ook de gemeenschap. Zoals een mens altijd moet worden gezien als een doel en nooit enkel als een middel beschouwd mag worden, geldt dat ook voor gemeenschap: ook de gemeenschap is een doel en niet louter een middel. Wij mensen worden geroepen tot gemeenschap.

In hoeverre hebben wij ons hier in Nederland het begrip communio eigen gemaakt? Er is duidelijk sprake van een grote betrokkenheid met het geheel van de mensheid. In die zin is de hierboven door Van Vliet genoemde vijfde dimensie – Kerk als een gemeenschap met mensen, die geroepen is tot dienstbaarheid – zeker doorgedrongen. Ook het begrip Kerk als volk van God is met veel waardering ontvangen, maar is naar mijn mening eerder juridisch dan heilshistorisch geïnterpreteerd. Er wordt hierbij eerder gedacht in termen van een vereniging dan van een gemeenschap gedacht. Er wordt eerder gedacht aan ledenvergaderingen en medezeggenschap dan aan de eenheid van de mensheid en haar gemeenschappelijke redding en verlossing. In dit denken is de gemeenschap eerder een middel dan een doel.

In ons normale spraakgebruik zijn de begrippen persoon en individu uitwisselbaar. Het gaat om één enkele mens. Binnen het individualistische denken kunnen individuen samen een gemeenschap of groep vormen, maar de rechten van het individu gaan altijd boven die van de groep. Het individu bepaalt zelf hoe hij zijn leven inricht. Daar dient de gemeenschap zich niet mee te bemoeien. Het recht op zelfbeschikking en autonomie staan in onze cultuur hoog aangeschreven. Het individu streeft naar een zo groot mogelijke onafhankelijkheid. Hij is geheel zelf verantwoordelijk voor zijn eigen heil en geluk. Autonomie en onafhankelijkheid maken hem vrij. Een vrijheid die zo min mogelijk ingeperkt mag worden. Alleen de inbreuk op de vrijheid van de ander beperkt in het neoliberale denken de vrijheid van het individu.

Het autonome individu heeft geen verlossing nodig. Hij doet ook geen zonde. Hij zal zich hooguit wel eens vergissen. Bovendien zou een verlosser hem afhankelijk maken. Gezien het geringe zondebesef en de geringe belangstelling voor het sacrament van Boete en Verzoening moet geconstateerd worden dat dit denken ook het denken van de Nederlandse katholieken sterk beïnvloed heeft. Het idee dat verlossing en vergeving van zonden vrijheid geven is ons vreemd geworden. Vrijheid is verworden tot kunnen doen waar je zin in hebt in plaats van de vrijheid hebben het goede te doen. Deze laatste vrijheid is de vrijheid die Christus ons schenkt: de vrijheid een goed mens te zijn. Deze vrijheid kent geen beperkingen; zij is onbegrensd. Verbondenheid met anderen en regels en afspraken zoals die eigen zijn aan een gemeenschap bevorderen en faciliteren deze vrijheid. Het is de vrijheid om te doen waar je zin in hebt die erdoor ingeperkt wordt, waar dat is ook niet de vrijheid die de mens werkelijk gelukkig maakt.

6. Pastoraat van gemeenschap

Er is nog veel werk te verrichten om het gedachtegoed van Vaticanum II gestand te doen. Het is nodig te komen tot een nieuw verstaan en tot verdieping van het begrippen gemeenschap en persoon. We moeten ons bezinnen op het beeld dat wij als gelovige mensen van ons zelf hebben. Om de waarde van de gemeenschap tot haar recht te laten komen en de gemeenschap als een doel te beschouwen is niet alleen een verandering van ons denken nodig; het vraagt ook een verandering van onze wijze van leven, van de wijze waarop wij mensen met elkaar omgaan.

In onze huidige tijd staat het individu centraal en wordt godsdienst als een privéaangelegenheid beschouwd. Dat geldt ook voor het pastoraat. Walther Burgering constateert: “Opvallend in de gesprekken met collega-pastores (…) is dat zij pastoraat vooral kwalificeren als individueel pastoraat: met mensen afspreken, bij mensen op bezoek gaan en gericht gesprekken voeren. (…) Individueel pastoraat wordt als kern van parochiepastoraat neergezet…”[37] Vaak wordt hierbij de term pastoraat van nabijheid gehanteerd. Het is echter niet nodig om nabijheid enkel in termen van individuele nabijheid te verstaan. Regelmatig hoor je mensen zeggen: ‘We zien de pastoor nooit.’ Waarschijnlijk moet deze opmerking vooral letterlijk worden begrepen. Het is niet nodig dat iedereen persoonlijk wordt bezocht; de zichtbaarheid binnen de gemeenschap is minstens zo belangrijk. Om tot een pastoraat van gemeenschap te komen, zullen als eerste degenen die verantwoordelijkheid dragen voor het pastoraat, moeten veranderen. Burgering constateert “dat de meeste pastores eenlingen zijn.”[38] Hoe moeten deze mensen de waarde van de gemeenschap verkondigen en sterker nog hoe moeten zij deze waarde voorleven?

Om te beginnen is het nodig dat de inzichten van het Tweede Vaticaans Concilie en het denken dat sindsdien op gang is gekomen, worden verkondigd. De breuk met het verleden moet duidelijk gemaakt worden voor zowel gelovigen als voor de samenleving als geheel. De waarde van de gemeenschap geldt de gehele samenleving. Dat begint met de verkondigers hierin gedegen op te leiden. Natuurlijk is het niet uit te sluiten dat ik voortdurend heb zitten slapen of met mijn gedachten elders vertoefde, maar ik kan me niet herinneren dat ik als kerkganger, maar ook niet als diakenstudent werkelijk geconfronteerd ben met het feit dat ik anders moest gaan denken dan mij in de jaren ’50 is bijgebracht. Ik herinner me slechts één keer dat iemand mij er tijdens een bijeenkomst op wees dat heil en verlossing niet puur individuele aangelegenheden zijn en dat het christendom geen individualistische religie is. Dat was het begin, maar pas tijdens het verrichten van deze studie viel het kwartje echt en werden mij de consequenties van de begrippen persoon en gemeenschap in volle omvang duidelijk. Niet dat de gemeenschap voor mij betekenisloos was. Op het Friese platteland van ruim vijftig jaar geleden ben ik nog opgevoed met een soort premodern idee van gemeenschap, maar theologisch had ik er geen woorden voor.

Het voorleven van gemeenschap komt tot uiting in de wijze waarop inhoud gegeven wordt aan pastoraal leiderschap. Het gaat om leiderschap in verbondenheid. De ambtsdrager functioneert niet als een eenling maar in verbondenheid met de gemeenschap. Hij is zich ervan bewust dat hij de belichaming van de gemeenschap is. Hij vertegenwoordigt de gemeenschap zowel binnen als buiten de gemeenschap. Zijn individu is hieraan ondergeschikt. Ook hier geldt dat verkondigers van het evangelie “de geur van de schapen” moeten aannemen.[39] Dit vraagt van de verkondigers dat zij deel uit maken van de gemeenschap en dit laten zien door aanwezig te zijn als de gemeenschap op welke wijze dan ook bijeenkomt. Natuurlijk is dit op de eerste plaats in de liturgie, maar ook daarbuiten zijn er tal van bijeenkomsten van de gemeenschap of van delen daarvan. Aanwezigheid maakt benaderbaarheid en toegankelijkheid zichtbaar zonder dat daar ook onmiddellijk gebruik van gemaakt moet worden. Mogelijk is een bezoek aan een plaatselijke voetbalwedstrijd wel van grotere pastorale betekenis dan de een of twee huisbezoeken die in die tijd kunnen worden afgelegd.

Het ambt is van en voor de gemeenschap. Pastoraat van gemeenschap vraagt om dienend leiderschap. Het vraagt om collegialiteit en om samenwerking. Gemeenschap ontstaat niet door erover te praten maar door samen iets te doen. Door samen te werken, leren mensen elkaar kennen en waarderen. Ze ontdekken de grenzen van hun eigen gelijk en van hun eigen kunnen. Collegialiteit is niet alleen een lokale aangelegenheid. Collegialiteit betreft op de eerste plaats de verhoudingen binnen een pastoraal team, maar strekt zich ook uit naar de relaties daarbuiten. Dat zijn enerzijds de anderen die vrijwillig of beroepsmatig binnen de geloofsgemeenschap hun werk doen en anderzijds de bisschop met zijn staf en ook de wereldkerk.

Paus Benedictus XVI heeft in Caritas in veritate de begrippen waarheid en liefde wederzijds met elkaar verbonden. “De waarheid moet worden gezocht, gevonden en uitgedrukt in de economie van de liefde, maar de liefde moet tevens in het licht van de waarheid worden verstaan, bevestigd en in praktijk gebracht.”[40] Liefde in waarheid vraagt dat de waarheid liefdevol verkondigd wordt. Dat vraagt niet alleen liefde voor de waarheid maar ook liefde voor degenen aan wie de waarheid verkondigd moet worden. De ontvanger moet in verbondenheid met de verkondiger meegenomen worden op de weg van de waarheid, zoals Jezus met zijn leerlingen onderweg was naar Emmaüs. (Lc 24,13‐35) Het is liefdeloos de waarheid omwille van de lieve vrede te verdoezelen, maar het is ook liefdeloos de waarheid als een monoliet te droppen zonder oog voor de gegeven situatie te hebben.

De liefde is de basis van de gemeenschap. Zij laat ons gezamenlijk zoeken naar de waarheid. Zij maakt ons tot gelijkwaardige broeders en zusters. Door de liefde is collegialiteit mogelijk en zijn wij niet elkanders concurrenten ook al verschillen we van inzicht. Door de liefde kunnen we ondanks verschillen met elkaar samenwerken en kunnen we de verscheidenheid juist vruchtbaar maken. De liefde brengt ons tot dienstbaarheid aan elkaar en aan de gemeenschap.

De heilige Drie-eenheid als bron en beeld van gemeenschap

In de catechismus van 1956 is bij de gemeenschap van de heiligen sprake van een “bovennatuurlijke eenheid”. Deze aanduiding van eenheid en van gemeenschap brengt het begrip gemeenschap niet direct dichterbij. Mensen hebben behoefte aan concrete en invoelbare beelden. Een dergelijk vruchtbaar beeld van gemeenschap is te vinden in de heilige Drie-eenheid.

Een reeds lang bestaand beeld van de heilige Drie-eenheid is het idee van de perichoresis: de wederzijdse doordringing of het wederzijds-in-elkaar-zijn van de drie goddelijke personen. Deze term is afkomstig uit de wereld van de dans. Het is een model waarbij eenheid en veelheid elkaar niet uitsluiten, maar juist bevorderen. De verschillende personen zijn slechts zichzelf bij gratie van de gemeenschap en er is slechts gemeenschap bij gratie van de personen die zichzelf zijn. God wordt zo gezien als een communio van personen en relaties.[41]

“Zo wil ‘perichorese’ aanduiden dat Vader, Zoon en Geest elkaar geheel doordringen en zo alles aan elkaar schenken en alles van elkaar ontvangen – en daardoor ten volle zichzelf beleven en samen een eenheid vormen. Het beeld van de dans (…) is hier verduidelijkend: bij bepaalde dansen zullen de dansers zo bewegen dat zij in en rond elkaar verstrengelen, elkaar als het ware geheel wederzijds doordringen. De dansers vormen een eenheid waarbij het aparte profiel van de vele dansers nog moeilijk kan onderscheiden worden. Toch weet men heel goed, dat de dansers onderscheiden personen zijn en blijven. Bovendien is het zo dat die eenheid maar bestaat bij gratie van de veelheid van differente dansers. (…) De specifieke eenheid bestaat door de onderscheiden veelheid. De onderscheiden veelheid bestaat in de specifieke eenheid.”[42]

Op de zelfde wijze “is er een voortdurende dynamiek van in-elkaar-zijn en uit-elkaar-zijn van Vader, Zoon en Geest. (…) De eenheid van de drie goddelijke personen is zoals gezegd een wezenlijke eenheid. Hier komt trouwens het verschil met de menselijke dans even aan het licht… Bij mensen gaat het om een relationele eenheid, niet om een wezenlijke eenheid zoals bij God.”[43]

Deze open relationele triniteitsleer kunnen we zien als het oerbeeld voor de menselijke communio in de kerk en in de samenleving. “De perichoretische Triniteit getuigt van een typisch christelijke mystiek: een mystiek van ontmoeting, vriendschap en gemeenschap.” Kardinaal Kasper citerend kan gesteld worden “dat het trinitaire mysterie de diepste grond en de laatste zin van het mysterie van de menselijke persoon is, wiens voltooiing gelegen is in de liefde.”[44]Niet ondanks, maar dankzij de eenheid is er de sociale ruimte om voluit zichzelf te zijn. (…) Veelheid en andersheid dankzij de eenheid. Eenheid dankzij veelheid en andersheid. ‘Personaliteit’ (veelheid, differentie) en ‘socialiteit’ (eenheid, communio) gaan hand in hand: zij staan in een proportionele verhouding. Hoe meer de persoon zichzelf kan zijn (personaliteit), hoe groter de socialiteit en omgekeerd. Zij doordringen elkaar wederzijds.”[45]

V. Neckebrouck citerend concludeert Struys: “Door zijn trinitaire karakter verschilt het (christelijk monotheïsme) grondig van alle andere vormen van monotheïsme. (…) In de hele triniteitsleer dient de eenheid van Gods wezen als eenheid-in-verscheidenheid beschreven te worden. Dit wil zeggen: de christelijke God is één, maar niet enkelvoudig. Het christelijk monotheïsme schuwt veelvuldigheid niet. Integendeel, het fundeert en constitueert die juist. Johannes definieert Gods wezen als liefde. (…) Liefde veronderstelt wezenlijk wederkerigheid en derhalve een pluraliteit van personen. (…) Liefde is relatie en zij sticht alteriteit; in haar roepen eenheid en verschil elkaar dialectisch op. Het wezen van de christelijke God is derhalve bij uitstek geschikt om te functioneren als model voor een Kerk, een maatschappij en een mensheid waarin eenheid en diversiteit, communicatie en vrijheid samengaan.”[46]

De goddelijke Drie-eenheid als bron van gemeenschap maakt het voor ons mogelijk zelf ook gemeenschap met elkaar te vormen. “God is liefde”, schrijft de apostel Johannes (1 Joh 4,8). Paus Benedictus XVI verbindt in Deus caritas est de goddelijke met de menselijke liefde. Agape en eros, caritas en amor zijn rechtstreeks met elkaar verbonden. Ze zijn van de zelfde goddelijke oorsprong. Ze zijn niet van elkaar te scheiden. “[U]iteindelijk is ‘liefde’ één enkele werkelijkheid, maar zij heeft verschillende dimensies…”[47] Je zou kunnen zeggen: beide vormen van liefde zijn uit het zelfde hout gesneden. Wij mensen mogen groeien in liefde van de menselijke begerende liefde naar de goddelijke schenkende liefde. Op dezelfde wijze kunnen we omgaan met het begrip gemeenschap. Wij mogen groeien van de sociologische menselijke vormen van gemeenschap naar de goddelijke bovennatuurlijke gemeenschap zoals die binnen de heilige Drie-eenheid bestaat. Zoals wij ooit worden opgenomen in Gods liefde; zo zullen wij ook deel gaan hebben aan zijn goddelijke gemeenschap.

Onze menselijke gebrokenheid brengt ons er toe het begrip gemeenschap te laten samenvallen met gelijkvormigheid. Terug naar de uitspraak: ‘Wij houden niet van spruitjes.’ Deze kan uit de mond van een echtpaar ook betekenen: ‘Ik houd niet van spruitjes en mijn echtgenoot is aan mij gelijk geworden.’ Het beeld van de heilige Drie-eenheid zet ons op het spoor van eenheid in verscheidenheid en gelijkwaardigheid. We mogen juist van elkaar verschillen zonder daarmee ongelijkwaardig te zijn. Juist door van elkaar te verschillen zijn we waardevol voor elkaar. Gemeenschap schept daarmee iets nieuws. Eenheid in gelijkheid is slechts meer van hetzelfde. Het ideaal is niet een gemeenschap van gelijkgezinden. Dat leidt tot stilstand. Het beeld van de heilige Drie-eenheid is juist een dynamische gemeenschap waarbinnen zaken en meningen voortdurend in beweging en met elkaar in discussie zijn. Liefde en vriendschap maken het mogelijk deze dynamiek vruchtbaar te laten zijn.

Jezus van Nazareth heeft ons de liefde van God geopenbaard en Hij heeft haar ons voorgeleefd. Hij ziet ons als een gemeenschap van vrienden. “Ik noem u geen dienaars meer want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb ik vrienden genoemd want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord.” (Joh 15,15) De liefde stelt Hem en ook ons in staat tot dienst aan de gemeenschap. Jezus gaat daarin tot het uiterste: “Geen groter liefde kan iemand voor zijn vrienden hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.” (Joh 15,13) Hierboven hebben we aan de hand van Nico Schreurs gezien dat deze uitspraak van Jezus alleen in termen van gemeenschappelijk heil is te verstaan. Heel concreet zien we dit bij de uitzending van militairen voor vredesmissies. Door het ontbreken van gemeenschap is het sneuvelen van militairen onacceptabel. Het kan toch niet dat een regering besluit dat het leven van het ene individu mag worden opgeofferd voor dat van andere individuen. Sterven voor de gemeenschap – meestal aangeduid als volk en vaderland – of voor een het individu overschrijdend ideaal zoals vrijheid past niet in onze huidige individualistische cultuur.

De diaken als bouwer aan gemeenschap

De roeping tot dienstbaarheid en tot go-between maakt dat de diaken geroepen is tot het bij elkaar brengen van mensen en zo te bouwen aan gemeenschap. Daarnaast is de diaken vanwege zijn persoonlijke omstandigheden uitermate geschikt om binnen de Kerk te bouwen aan de gemeenschap. Hij kent vele vormen van gemeenschap uit eigen persoonlijke ervaring. De meeste diakens zijn gehuwd en hebben gezinnen. Velen van hen hebben buiten de Kerk gewerkt of doen dat nog steeds en hebben daarmee concreet ervaring met samenwerking en collegialiteit. Zij maken met hun gezinnen deel uit van de burgerlijke samenleving: wonen te midden van andere burgers, sluiten vriendschappen en zijn lid van verenigingen. Binnen de Kerk zijn zij verbonden met elkaar, met de bisschop en met de priesters en parochianen waarmee zij samenwerken.

Huwelijk en gezin zijn plaatsen bij uitstek waar mensen kunnen groeien in liefde: groeien van eros naar agape, van begerende naar schenkende liefde. Deze ervaring van vallen en opstaan stelt de diaken in staat ook te werken aan de groei van de gemeenschap: van de sociologische menselijke vormen van gemeenschap naar de goddelijke bovennatuurlijke gemeenschap zoals die binnen de heilige Drie-eenheid bestaat. Groei in liefde en gemeenschap wordt niet met behulp van machtsmiddelen bereikt. Het is geen afdwingbaar proces. De diaken beschikt niet over machtsmiddelen. Hij kan alleen iets bereiken met de overtuigingskracht van zijn woorden en van zijn daden.

[1]     Bisschop van Groningen, Katechismus of christelijke leer, Utrecht: Wed. J.R. van Rossum, 1956.

[2]     Ibidem, 10.

[3]     Ibidem, 19.

[4]     Ibidem, 23.

[5]     Ibidem, 29.

[6]     Ibidem, 29.

[7]     C.T.M. van Vliet, Kerk met twee ogen: Een katholieke ecclesiologie, Kampen: Kok, 2001, 86.

[8]     Ibidem, 88-89.

[9]     Ibidem, 96-99.

[10]    Ibidem, 106-107.

[11]    Catechismus van de Katholieke Kerk, 946-962.

[12]    Nederlandse Bisschoppenconferentie, De Geloofsbelijdenis van de Kerk: Katholieke katechismus voor volwassenen, Utrecht: Het Spectrum, 1986, 304.

[13]    Johannes XXIII, Pacem in terris, 9.

[14]    Catechismus van de Katholieke Kerk, 357.

[15]    Pauselijke Raad Justitia et Pax, Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, 110.

[16]    Anton Houtepen, Uit aarde, naar Gods beeld: Theologische antropologie, Zoetermeer: Meinema, 2006, 58.

[17]    Ibidem, 63-64.

[18]    Bisschop van Groningen, Katechismus of christelijke leer, 84.

[19]    Houtepen, Uit aarde, naar Gods beeld, 170.

[20]    Ibidem, 172.

[21]    Romeinen 8,22.

[22]    Ibidem, 45.

[23]    Benedictus XVI, Spe salvi, 44.

[24]    Nico Schreurs, Werk maken van verzoening, Budel: Damon, 2004, 128.

[25]    Ibidem, 134.

[26]    Ibidem, 154.

[27]    Ibidem, 175-176.

[28]    Ibidem, 169.

[29]    Ibidem, 189-190.

[30]    Joseph Ratzinger, Dominus Iesus, 12.

[31]    Johannes Paulus II, Redemptoris missio, 28.

[32]    Ratzinger, Dominus Iesus, 18.

[33]    Benedictus XVI, Spe salvi, 14-15.

[34]    Ibidem, 28.

[35]    Ibidem, 30.

[36]    Ibidem, 48.

[37]    Walther Burgering, Pastoraat in Stelling, Rotterdam: FortMedia, 2015, 73.

[38]    Ibidem, 108.

[39]    Zie: Franciscus, Evangelii gaudium, 24.

[40]    Benedictus XVI, Caritas in veritate, 2.

[41]    Kristof Struys, ‘Triniteit als model voor samenleven en samenleren’, in: Terence Merrigan, Christoph Moonen & Kristof Struys (red.), Triniteit – een kruis erover? Nieuwe perspectieven op een oeroude christelijke doctrine, Antwerpen: Halewijn, 2006, 112.

[42]    Ibidem, 112-113.

[43]    Ibidem, 113-114.

[44]    Ibidem, 114-115.

[45]    Ibidem, 115.

[46]    Ibidem, 117.

[47]    Benedictus XVI, Deus caritas est, 3-8

Rijk Gods; 2 Kor 5,6-10; Mc 4,26-34

Jezus vertelt ons dat het Rijk Gods is als een zaaier. Hij gaat het land op om te zaaien en daarna moet hij afwachten. De vruchtbare aarde doet haar werk en brengt vruchten voort. Het Rijk Gods is ook als een mosterdzaadje. Het begint heel klein en groeit uit tot een flinke boom. Het Rijk Gods is een geleidelijk iets. Het moet groeien. Het Rijk Gods is niet iets dat er plotseling – pats boem – is. Het is niet zo dat wij bij ons overlijden plotseling in een totaal andere wereld terecht komen, in een wereld die in niets lijkt op onze tijdelijke bestaan hier op aarde.

Het eeuwig leven maakt deel uit van het Rijk Gods, maar het Rijk Gods omvat meer. Het is iets dat al in ons aardse bestaan aan het groeien is en soms zichtbaar wordt – soms heel even – op die momenten van intens geluk. Het Rijk Gods maakt deel uit van de reële werkelijkheid van ons aardse bestaan. Zo kunnen wij ook onze eigen bijdrage leveren aan het Rijk Gods. Het Rijk Gods is niet alleen een gave, niet alleen een geschenk van Gods liefde voor ons. Het Rijk Gods is ook een opgave. Van ons wordt gevraagd dat wij daadwerkelijk bijdragen aan de komst van het Rijk Gods.

Het Rijk Gods heeft te maken met hoe wij ons als mens ontwikkelen. Wij willen allemaal goed en gelukkige mensen worden. Zo komen wij tot onze bestemming. Wij zijn geschapen voor het geluk. Deze volmaaktheid zullen we pas bereiken in God, in het eeuwig leven. In ons opgaan in God, in zijn volmaakte liefde en geluk ligt onze bestemming. In onze aardse leven groeien we daar naar toe. Nu al mogen wij ons in Jezus Christus verenigen met God. We doen dat niet als individuele mensen, maar als mensen die deel uit maken van de gemeenschap, in verbondenheid met elkaar. In relatie met onze medemens komen wij tot onze volle ontplooiing. Alleen in relatie met anderen worden wij volledig mens. Als wij ons niet met onze medemens willen verbinden en niet solidair zijn met elkaar, gaan wij ook geen relatie met Christus aan en verenigen wij ons niet met God. Sterker nog dan nemen wij juist afstand van God en van zijn liefde voor ons.

Paulus schrijft dat wij niet in ons lichaam moeten blijven. Als wij in ons lichaam blijven, zijn we alleen gericht op onze individuele lichamelijke genoegens. Een dergelijke zelfgerichtheid sluit de medemens buiten of maakt hem tot een object om ons eigen genoegen te realiseren. Als wij verhuizen naar buiten ons lichaam, richten wij ons op het geluk van de ander. Op die wijze gaan mensen relaties met elkaar aan, zijn zij solidair met elkaar en houden zij van elkaar. In die relaties tussen mensen, in die solidariteit en liefde is Jezus aanwezig. Dat zijn de momenten waarop wij daadwerkelijk bouwen aan het Rijk Gods. Hier vinden wij ook die momenten van intens geluk, waarin wij raken aan het Rijk Gods en er even van kunnen proeven.

Als wij dan ooit voor Christus’ rechterstoel verschijnen, zal Hij tot ons zeggen wat wij in Matteüs 25 kunnen lezen: “Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven…” Amen.

Rechtvaardig loon

Hoe hoog mogen salarissen zijn? Zijn er in het denken van de Kerk grenzen aan de hoogte van het inkomen? Paus Leo XIII schreef in 1891 in de encycliek Rerum novarum over rechtvaardige loonsbepaling. Mensen moeten met het loon uit hun arbeid in staat zijn “om op eerzame wijze in het levensonderhoud te voorzien”. De aandacht van de Kerk is sinds die tijd vooral gericht geweest op de laagste inkomens. In algemene termen wordt er gepleit voor een eerlijke inkomensverdeling waarin ook criteria van sociale rechtvaardigheid worden nagestreefd. Een mens is niet alleen een productiefactor. Een mens is ook niet alleen een salaris. Het gaat altijd om de gehele mens en zijn menselijke waardigheid.

Rijkdom

Rijkdom en veel geld verdienen wordt door de Kerk niet afgewezen. Uit de Bijbel kennen we verschillende mensen die met grote rijkdom gezegend worden, zoals bijvoorbeeld aartsvader Abraham en koning Salomo. Wel wordt er bijvoorbeeld door de profeet Amos en de apostel Jacobus krachtig stelling genomen tegen uitbuiting van mensen. “Hoort, het loon dat gij hebt onthouden aan de arbeiders (…) roept luid, en de kreten van uw oogsters zijn doorgedrongen tot de oren van de Heer der heerscharen.” (Jak 5,4) Rijkdom mag, maar je moet het wel op een eerlijke manier verwerven. Dat betekent dat het niet ten koste van anderen mag gaan en ook niet ten koste van de schepping.

Verslaving

Jezus raadt de rijke jongeling aan al zijn bezit weg te geven en Hem te volgen. (Mc 10,17-22) Dat gaat de goed levende jongeman te ver. Hij is gehecht aan zijn bezit. Jezus wijst de rijkdom niet af, maar waarschuwt hier wel voor verslaving aan bezit. Een hoog inkomen geeft ons een comfortabel leven. Rijkdom biedt ons zekerheid en macht, maar bovenal geven een hoog inkomen en rijkdom ons status. Ik kan me goed herinneren hoe ik in het begin mijn salaris vergeleek met dat van vrienden. Wie meer verdient, heeft het idee een beter mens te zijn. Dit kan ontaarden in hoogst merkwaardige competities tussen de ontvangers van topinkomens.

Rechtvaardigheid

Soms vinden mensen iets onrechtvaardig omdat zij zichzelf benadeeld voelen, maar misschien is dit eerder een vorm van jaloezie. Ook wettelijke bepalingen en economische mechanismen bepalen niet werkelijk wat rechtvaardig is. Niet alles wat mag, is goed. Op de arbeidsmarkt is schaarste van grotere invloed op de hoogte van salarissen dan de werkelijk toegevoegde waarde die iemand levert. Een rechtvaardige inkomensverdeling is geen eenvoudig doel. Wat een voldoende inkomen is om fatsoenlijk van te kunnen leven, is nog wel te bepalen, maar wanneer verdient iemand te veel? Hoe dan ook niet elke inkomensverdeling is rechtvaardig. In Nederland kennen we de Balkenendenorm. Deze geldt voor de publieke sector. Andere sectoren zoals het bedrijfsleven kennen zo’n norm niet. Geld groeit niet aan een boom. Wat de ene mens aan inkomen verdient, is niet voor een ander beschikbaar. Geld is het middel om schaarse zaken onder de mensen te verdelen. De rijke draagt een grote verantwoordelijkheid. Zijn geld is uiteindelijk ook van de arme. Een hoog inkomen geeft niet alleen de grote verantwoordelijkheid zoals in de functieomschrijving staat, maar ook een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid buiten de functiebeschrijving om.