Skip to content

Pastoraat van gemeenschap

16 juni 2015

We leven in een sterk geïndividualiseerde samenleving. Het autonome, onafhankelijke individu is de standaard, het model waarop onze samenleving wordt ingericht. Aan het vormen van gemeenschap wordt in deze tijd weinig waarde gehecht. Ook de inrichting van het pastoraat binnen onze parochies wordt hierdoor gekenmerkt. Ook wij zijn kinderen van onze tijd. Als ik naar mijn eigen geschiedenis kijk, zie ik dat vrijheid, verantwoordelijkheid, autonomie en onafhankelijkheid een grote rol spelen in mijn denken. Ook mijn geloofsopvoeding – en dat heeft mij aan het denken gezet – was vooral in termen van het individu.

In de eerste vier paragrafen worden de begrippen gemeenschap en persoon theologisch verkend:

  1. Kerk als gemeenschap
  2. De gemeenschap van de heiligen
  3. Wat maakt de mens tot mens?
  4. Heil en verlossing

Na het opmaken van een tussenbalans wordt ingegaan op de wijze waarop het pastoraat de waarde van de gemeenschap beter kan articuleren. Zoals God de bron van liefde is, kan de goddelijke Drie-eenheid als bron en beeld van gemeenschap worden gezien. Tenslotte wordt verkend welke specifieke rol de diaken in het pastoraat van gemeenschap kan vervullen.

  1. Tussenbalans
  2. Pastoraat van gemeenschap
  3. De heilige Drie-eenheid als beeld van gemeenschap
  4. De diaken als bouwer aan gemeenschap

1. Kerk als gemeenschap

In de catechismus die in 1956 door de bisschop van Groningen werd uitgegeven[1], wordt voortdurend het woord wij gebruikt. De eerste persoon meervoud kan zowel betrekking hebben op een groep losstaande individuen als op een gemeenschap van op elkaar betrokken personen. In het eerste geval is er sprake van wij omdat de individuen bepaalde kenmerken delen. In het tweede geval is een gemeenschappelijk kenmerk niet zozeer de eigenschap van ieder individu als juist van de gemeenschap als geheel. Als voorbeeld de uitspraak: ‘Wij houden niet van spruitjes.’ Als iemand met een stel kennissen aan tafel zit en dit zegt, bedoelt hij dat ieder afzonderlijk lid van het gezelschap niet van spruitjes houdt. Als de uitspraak echter uit de mond van een echtpaar komt, dan is de lading veel meer: ‘Ik houd niet van spruitjes en mijn echtgenoot houdt zoveel van mij dat hij het goed vindt dat we nooit spruitjes eten.’

Terug naar de catechismus van 1956: hierin kan ik het woord wij niet anders lezen dan in de betekenis van een verzameling individuen. In ieder geval is dit de betekenis die ik mij destijds eigen gemaakt heb. Twee voorbeelden. Het antwoord op vraag 45 luidt: “Het voornaamste in de mens is de ziel, want de ziel is een onsterfelijke geest, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.”[2] De ziel is belangrijker dan het lichaam, terwijl wij juist met ons lichaam de verbondenheid met elkaar ervaren. De ziel is een tamelijk individualistisch iets, die je in termen van destijds vooral rein moest zien te houden. Een tweede voorbeeld is het antwoord op vraag 109: “Niet alle mensen zullen zalig worden, omdat zij niet allen met Gods genade meewerken.”[3] Hier is in het geheel geen sprake van verbondenheid, maar een soort ieder voor zich.

Het woord gemeenschap ben ik slechts twee keer tegen gekomen. In het antwoord op vraag 135: “De H. Kerk is de gemeenschap door Jezus gesticht om het Rijk Gods onder alle mensen te brengen en te voltooien.”[4] Hier laat het woord gemeenschap zich vooral lezen in de betekenis van instituut, passend bij het destijds heersende beeld van de Kerk als societas. De Kerk is hier een instrument, een organisatie om een doel – dit is het Rijk Gods – te bereiken. Kerk en Rijk Gods zijn twee totaal verschillende zaken. Vermeldenswaard is het antwoord op vraag 175: “Onder de gemeenschap van de heiligen verstaan wij de bovennatuurlijke eenheid, die er in Christus bestaat tussen de leden van de strijdende, de lijdende en de zegevierende Kerk.”[5] Hier is duidelijk sprake van verbondenheid van de leden van de gemeenschap met elkaar. Deze verbondenheid vraagt van de gelovigen dat zij elkaar helpen “door gebeden, goede werken en offers”.[6] Verder blijft het een vage abstractie die nergens concreet wordt gemaakt en die voor mij toen geen betekenis heeft gekregen.

Met het Tweede Vaticaans Concilie verandert het beeld van de Kerk. Dit veranderde beeld is vastgelegd in de dogmatische constitutie Lumen gentium. Kees van Vliet schrijft hierover: “Zij streeft naar een synthese tussen de Kerk als mysterium en als institutio.”[7] “De Kerk is bijvoorbeeld zowel een empirische werkelijkheid als een geloofsgegeven. (…) Het Tweede Vaticaans Concilie beklemtoont dat de Kerk vele dimensies kent die wel onderscheiden, maar niet gescheiden mogen worden. (…) Vanwege haar vele dimensies, vanwege haar innerlijke rijkdom zijn er vele beelden en begrippen nodig om het wezen van de Kerk adequaat uit te drukken. Een drietal bijbelse beelden – Kerk als volk van God, lichaam van Christus en tempel van de Heilige Geest – en een tweetal theologische begrippen – Kerk als communio en sacrament van heil – zijn daarbij in het bijzonder van grote waarde.”[8] Deze begrippen maken duidelijk dat de Kerk niet zo maar een instituut is, maar ook een mystiek karakter heeft en als een levend organisme te beschouwen is.

Van Vliet onderscheidt vijf dimensies in het begrip Kerk als communio.[9]

  1. Kerk als gemeenschap van gelovigen, waarin de gelovigen door het gemeenschappelijk geloof met elkaar verbonden zijn en een gemeenschappelijke waardigheid hebben.
  2. Kerk als gemeenschap van Kerken, waarin de verschillende particuliere Kerken met elkaar de Kerk vormen.
  3. Kerk als gemeenschap met God, waarin de Kerk ten diepste een genadegemeenschap en wezenlijk een geestelijke realiteit is.
  4. Kerk als gestructureerde gemeenschap, waarin een zekere ordening bestaat.
  5. Kerk als een gemeenschap met mensen, die geroepen is tot dienstbaarheid, tot bevordering van verzoening in de samenleving en tot solidariteit met de wereld.

Van Vliet verbindt het communitaire en sacramentele denken over de Kerk met elkaar in het concept Kerk als communio sacramentalis, als gemeenschap met een sacramenteel karakter. “Naar binnen toe betekent dit dat de structuren van de Kerk een dienende en instrumentele functie hebben. Naar buiten toe betekent het dat de Kerk juist als waarachtige gemeenschap een heilzame uitstraling heeft in onze verdeelde en onverzoende wereld. Andersom – uitgaande van de Kerk als heilssacrament – kan men stellen dat het specifieke van de Kerk als sacramentalis salutis is, dat zij heil bewerkt juist door mensen in gemeenschap met God en met elkaar te brengen en op die manier vervreemding, isolement en liefdeloosheid radicaal te overwinnen.”[10] In dit verband is het ook goed te beseffen dat de zeven sacramenten niet los zijn te zien van de gemeenschap. Zij initiëren in de gemeenschap, zij bouwen haar op, ordenen en herstellen haar en zij brengen haar naar de zwakken.

2. De gemeenschap van de heiligen

In de catechismus van 1956 wordt in antwoord 175 de bovennatuurlijke eenheid in Christus tussen de leden van de strijdende, de lijdende en de zegevierende Kerk genoemd. De Catechismus van de Katholieke Kerk kent een paragraaf[11] over de gemeenschap van de heiligen met een zelfde driedeling, zij het met andere aanduidingen. Daarnaast wordt het begrip communio hier met een vijftal typeringen verder inhoud gegeven.

  1. De gemeenschap in het geloof met een verwijzing naar Hnd2,42
  2. De gemeenschap van de sacramenten
  3. De gemeenschap van de charismata
  4. “Zij bezaten alles gemeenschappelijk.” (Hnd4,32)
  5. De gemeenschap van de liefde (Rom14,7; 1 Kor 12,26-27.13,5)

De gemeenschap van de heiligen is een gemeenschap gebaseerd op liefde en geloof waarbinnen de leden een sterke verbondenheid met elkaar kennen, er voor elkaar zijn en niet zonder elkaar kunnen. Aan de gemeenschap als geheel zijn de sacramenten gegeven. Haar leden zijn met bijzondere genaden begiftigd. Charismata en sacramenten zijn beide gegeven om de gemeenschap op te bouwen en zijn geen individueel bezit. “De Kerk wordt dus werkelijkheid door het woord van het evangelie, door de sacramenten en door de gemeenschappelijke dienst van de liefde. Vooral de eucharistische gemeenschap verenigt de over de hele aarde verbreide Kerk tot één Kerk door de deelneming aan het ene lichaam van de Heer. Door het gemeenschappelijk delen in het heilige worden wij onderling samengevoegd tot de gemeenschap der heiligen.”[12]

3. Wat maakt de mens tot mens?

Paus Johannes XXIII introduceerde in Pacem in terris het begrip personalisme. “Ieder mens is een persoon. Dat wil zeggen, hij is een wezen begaafd met verstand en vrije wil. Hij heeft dus uiteraard rechten en plichten, die direct en gelijktijdig voortvloeien uit zijn eigen natuur. Ze zijn daarom algemeen, onschendbaar, absoluut en onvervreemdbaar.”[13] Centraal in het denken van de gelovige over zichzelf staat, dat hij naar Gods beeld geschapen is. De Catechismus van de Katholieke Kerk leert: “Omdat het menselijk individu is als het beeld van God, heeft het de waardigheid van een persoon: hij is niet alleen iets, maar ook iemand. Hij is in staat zichzelf te kennen, zichzelf te bezitten en zichzelf in vrijheid te geven en in contact te treden met andere personen, en hij is door genade geroepen tot een verbond met zijn Schepper, om aan Hem een antwoord van geloof en liefde te geven, dat niemand in zijn plaats kan geven.”[14] Het Compendium van de Sociale Leer van de Kerk formuleert het met aanhaling van Gaudium et spes als volgt: “De relatie tussen God en de mens wordt weerspiegeld in de relationele en sociale dimensie van de menselijke natuur. De mens is in feite geen solitair wezen, maar een ‘sociaal wezen, en zonder band met anderen kan hij niet leven en zijn talenten niet ontplooien’.”[15]

Centraal in het denken van de Kerk over de mens staat niet het woord individu, maar het woord persoon. Een mens wordt pas mens in relatie met anderen. Dan is hij in staat tot het ontvangen en geven van liefde. Hierin is hij ook beeld van de Drie-ene God, die liefde is en gemeenschap in zichzelf. Dit maakt dat de mens afhankelijk is van andere mensen en in die zin ook niet volledig autonoom kan zijn. Anton Houtepen schrijft over het wezen van de mens: “Het zelf is niet een soevereine instantie, die aan zichzelf genoeg heeft.”[16] “Niet als individu heeft God ons aan onszelf gegeven, maar als persoon naast de ander, als hulpe aan de ander gelijk, als hoeder van mijn broeder, als pleitbezorger, zelfs van hen die zich aan de ander, de vreemdeling, de gast vergrijpen voor eigen gerief.”[17]

Dat voor mensen het zijn van persoon belangrijker is dan het zijn van individu leert de ervaring van de Stichting Straatpastoraat in Den Haag. Hier is men van mening dat de bekende piramide van Maslov omgekeerd moet worden. Volgens hen zijn niet de puur individuele lichamelijke behoeften en de behoefte aan veiligheid en zekerheid de belangrijkste. Hier wordt ervaren dat voor de mensen die op straat leven juist de behoeften aan sociaal contact en aan waardering en erkenning en zelfontplooiing het belangrijkste zijn. Deze laatste zaken maken het individu tot persoon. Het is blijkbaar de welvarende mens, de bezitter, die de lichamelijke behoeften tot het hoogste goed verheft.

4. Heil en verlossing

Zoals uit het hierboven geciteerde antwoord op vraag 109 van de catechismus van 1956 al bleek, werd de verlossing destijds vooral op de individuele mens betrokken. Hij moest met zijn goede werken de hemel verdienen. Het antwoord op vraag 539 luidt: “Wij zijn verplicht goede werken te doen om God te eren en daardoor de hemel te verdienen.”[18] Houtepen schrijft over de klassieke verlossingsleer vanaf het Concilie van Trente: “Heil is vooral: eeuwig heil voor de enkeling. (…) Het christelijke heil voltrekt zich in de relatie tussen elk mens en God en correspondeert met ieders persoonlijke staat van genade…”[19] Over de veranderde inzichten van Vaticanum II schrijft hij: “God is een scheppende èn herscheppende, verlossende God van de beginne, in Israël en onder de volkeren en niet pas bij het Christus-gebeuren in Jezus van Nazareth. En het object van dit scheppen en herscheppen is niet slechts de mens, maar de hele schepping, natuur en geschiedenis.”[20] De apostel Paulus schreef al: “Ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankeljkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods.”[21] Heil en verlossing zijn volgens Houtepen “de bevestiging van het ware zelf van de mens”.[22] Dit is mijns inziens ook de essentie van de verrijzenis van het lichaam: in het eeuwig leven is de mens – op welke wijze dan ook – echt mens en dus een persoon met een vorm van lichamelijkheid om uitdrukking te geven aan liefde en gemeenschap. Het eeuwig leven is in termen van het Rijk Gods moeilijk voor te stellen als een soort bioscoop waarin ieder voor zich God aanschouwt, zoals dat in mijn jeugd wel mogelijk was.

Van paus Johannes XXIII is de uitspraak: “Ja, de hel bestaat. Maar hij is leeg.” Ongetwijfeld heeft de paus hierbij vooral de oneindige barmhartigheid van God in gedachte gehad, maar deze uitspraak heeft ook alles te maken met het denken in termen van gemeenschappelijk heil. Al zou er maar één mens niet gered worden, dan is de gemeenschap niet compleet, dan mist iemand zijn dierbare zoon of dochter en is als persoon niet compleet. In het individualistische heilsdenken is dit geen probleem. Daarin is mijn heil niet afhankelijk van dat van anderen. Naast barmhartigheid en gemeenschappelijk heil moeten we volgens paus Benedictus XVI niet de gerechtigheid uit het oog verliezen. “Beide, gerechtigheid en genade, moeten in de juiste innerlijke band met elkaar worden gezien. De genade sluit de gerechtigheid niet uit. De genade maakt onrecht niet tot recht. De genade is geen spons die alles uitvlakt, zodat tenslotte alles wat iemand op aarde gedaan heeft toch om het even is.”[23] De verleiding om alles in een waterdicht systeem onder te brengen is groot, maar dat gaat ons mensen niet lukken. God is groter dan wij. De apostel Jakobus heeft een directe en rechtlijnige manier van denken, maar hij weet op het juiste moment op de rem te trappen. Zo houdt hij het mysterie overeind en rationaliseert hij het niet kapot: “Want onbarmhartig zal het oordeel zijn voor hem die geen barmhartigheid heeft bewezen, maar de barmhartigheid triomfeert over het oordeel.” (Jak 2,13)

Nico Schreurs formuleert “een hedendaagse theologie van verzoening”. “In die soteriologie staat het zoenoffer van Jezus Christus centraal, die in zijn kruisdood de schuld van de zondige mensheid op zich heeft genomen en haar aldus met God heeft verzoend. (…) Wel zal sterker een metaforische betekenis centraal moeten komen staan, waarbij het offer van Christus niet de eigen verantwoordelijke vrijheid van mensen tenietdoet. Deze verworvenheid van de Verlichting moet en kan overeind blijven, wanneer de verlossing gearticuleerd wordt in termen van plaatsbekleding.”[24] Voor hem is het mogelijk om Jezus’ evangelie van het Rijk Gods en zijn kruis in één heilsverband samen te brengen.[25] Hij werkt de metafoor van plaatsbekleding van Jezus’ leven en sterven voor ons verder uit. “[D]at is wat plaatsbekleding uiteindelijk beoogt: een verband leggen of een verbond stichten tussen de één en de ander, tussen één en anderen. Het ideaal van een onderlinge verbondenheid waarbij de één in de plaats van de ander kan treden, is voor een religieuze gemeenschap een vereiste, wil de kerk van Jezus’ volgelingen méér zijn dan geïsoleerde zoekers naar de eigen persoonlijke zinsvervulling.”[26] Over de menselijke autonomie in het kader van plaatsbekleding schrijft hij: “De soteriologie wordt zo uit de sfeer van de concurrentie gehaald waarin God en de autonome mens tegenover elkaar staan. Het gaat wezenlijk om een vorm van participatie aan het goddelijk leven. Deze vorm van participatieve theonomie herinnert sterk aan (…) de orthodox-katholieke opvatting van plaatsbekleding, waarin de vorming van een omvattende gemeenschap (communio) de inzet is. Naar deze participatieve theonomie lijkt ook de encycliek Veritatis splendor te verwijzen…”[27] In dit katholieke denken is de menswording van Christus het fundament van de plaatsbekleding. Hiermee verenigt God zich met de mensheid en werkelijkheid die als samenhangend, organisch, levend en gemeenschappelijk wordt ervaren.[28] “Plaatsbekleding is een metafoor voor wat de ander kan bijdragen aan het herstel van rechte verhoudingen, de sjaloom tussen mensen en God. Elke mens heeft op zijn zoektocht naar de sjaloom en de zin in het leven een onverwisselbare plaats. Dat geldt voor degene wiens plaats op momenten van volstrekte uitzichtloosheid door anderen wordt ingenomen. Hij of zij wordt daardoor niet van zijn identiteit berooft; integendeel de aanvaarding van dit schijnbare zelfverlies is een mogelijkheid om zicht te krijgen op de eigen onverwisselbare plaats. (…) [D]e plaats van ieder is in principe bevrijd van de machten van lot, historische determinatie en uitzichtloosheid. Dat Jezus Christus onze plaats heeft ingenomen waar het om leven en sterven ging, geeft hoop op een toekomst ‘over de houten schutting heen in het veld met de rode papavers’.”[29]

Plaatsbekleding is verbonden met het hebben van een rol en daarmee verbonden met gemeenschap. Een rol bestaat alleen binnen een groter geheel waarvan men deel uit maakt. Deze rol is meer het eigendom van het geheel dan van degene die de rol vervult. Een rol is niet hetzelfde als een baan, zoals onze huidige premier zijn premierschap ziet. Je rol of ambt binnen de gemeenschap is je unieke wijze van zelfverwerkelijking in verbondenheid met anderen. Hier zijn woorden als roeping, uitverkiezing en bestemming meer op hun plaats. Het ambt is niet van het individu maar van de gemeenschap. De gemeenschap kan slechts handelen in personen als ambtsdragers. In het premoderne gemeenschapsdenken valt de mens samen met zijn rol in de gemeenschap. Hierin ligt de onderlinge afhankelijkheid van individu en gemeenschap. Premier Rutte is een toonbeeld van het neoliberale marktdenken. Hij wordt betaald voor zijn werk. Het is zijn ontzettend leuke baan.

Het heil en de verlossing zijn niet alleen van individuele aard. Zo schrijft Joseph Ratzinger als perfect van de Congregatie voor de Geloofsleer: “Daarom heeft het Leergezag van de Kerk in de jongste tijd vast en helder de waarheid in herinnering geroepen dat er slechts één goddelijke heilsorde is.”[30] Hij citeert vervolgens paus Johannes Paulus II: “De tegenwoordigheid en de activiteit van de Geest raken niet alleen de individuen, maar ook de maatschappij en de geschiedenis, de volkeren, de culturen en de godsdiensten. (…) Door de invloed van de Geest werkt de verrezen Christus in de harten van de mensen. (…) Het is ook de Geest die de ‘zaden van het Woord’ uitzaait, welke aanwezig zijn in de riten en culturen, en ze voorbereidt op hun rijping in Christus.”[31] Over het Rijk Gods schrijft Ratzinger met citaten uit Lumen gentium: “De Kerk is gezonden ‘om het Rijk van Christus en van God aan te kondigen en in alle volken te vestigen. Zo vormt zij de kiem en het begin van dit Rijk op aarde.’ Aan de ene kant is de Kerk ‘sacrament, dat wil zeggen teken en werktuig voor de innigste vereniging met God alsook voor de eenheid van de hele mensheid’; ze is daarom teken en werktuig voor het Rijk, ze heeft de roeping het te verkondigen en te vestigen. Aan de andere kant is de Kerk ‘het door de eenheid van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest verenigde volk’; ze is dus ‘het in het mysterie reeds aanwezige Rijk van Christus’ en vormt daarom de kiem en aanvang ervan. Het Rijk Gods heeft een eschatologische dimensie: het is een in de tijd aanwezige werkelijkheid, maar zijn volledige verwerkelijking zal pas met het einde oftewel de vervulling van de geschiedenis komen.”[32]

Als paus Benedictus XVI schrijft Ratzinger: “Dit werkelijke leven, waar wij altijd op de een of andere manier weer naar reiken, is gebonden aan het samenzijn met een ‘volk’ en kan alleen in dit ‘wij’ voor ieder individu werkelijkheid worden. Het veronderstelt juist de exodus uit de gevangenis van het eigen ‘ik’, omdat alleen in de openheid van ieder subject de blik geopend wordt op de bron van de vreugde, op de liefde zelf – op God. Dit op gemeenschap georiënteerde uitzicht op het ‘zalig leven’ richt zich weliswaar over de huidige wereld heen, maar heeft juist ook met het opbouwen van deze wereld te maken – in zeer verschillende vormen, afhankelijk van de historische context en de mogelijkheden die daardoor geboden of juist uitgesloten werden.”[33] Hij vraagt zich af of wij in ons denken over het heil toch niet uitkomen “bij het heilsindividualisme? Bij de hoop voor mij alleen, die dan echter geen echte hoop is, omdat anderen worden vergeten en uitgesloten? Nee. De relatie tot God wordt aangegaan door gemeenschap met Jezus; alleen en uit onszelf kunnen wij dit niet bereiken. De relatie met Jezus is echter een relatie met Hem die zichzelf voor ons allen gegeven heeft (vgl. 1 Tim 2,6). Het met Jezus Christus zijn voert ons binnen in zijn ‘voor allen’, en wordt dan ook onze manier van leven. Dat verplicht ons er te zijn voor de anderen, maar alleen in gemeenschap met Hem is het mogelijk er werkelijk voor anderen, voor het geheel te zijn. (…) De liefde van God toont zich in de verantwoordelijkheid voor anderen. (…) Christus is voor allen gestorven. Voor Hem leven betekent zich laten betrekken in zijn ‘er zijn voor’.”[34] Zoals het gemeenschappelijk heil niet ondergeschikt is aan het persoonlijke, zo is het persoonlijke heil ook niet aan het gemeenschappelijke ondergeschikt. “[H]oezeer ook het ‘voor allen’ tot de hoop behoort, omdat ik niet tegen de anderen in en niet zonder hen gelukkig kan worden, zo is omgekeerd een hoop die mijzelf niet betreft evenmin werkelijke hoop.”[35]

Wij moeten “beseffen dat geen mens een eiland is. Onze levens zijn sterk op elkaar betrokken, zijn door ontelbare interacties met elkaar verbonden. Niemand leeft alleen. Niemand zondigt alleen. Niemand wordt alleen gered. In mijn leven komt steeds het leven van anderen binnen: in wat ik denk, zeg, doe en bereik. En omgekeerd komt mijn leven binnen in dat van anderen: ten kwade en ten goede. (…) Het is nooit te laat en nooit vergeefs het hart van de ander beroeren. Zo wordt een belangrijk element van het christelijke begrip ‘hoop’ nogmaals duidelijk. Onze hoop is altijd ten diepste ook hoop voor de anderen; alleen zo is ze werkelijk ook hoop voor mijzelf. Als christenen moeten wij ons nooit alleen maar afvragen: hoe kan ik mezelf redden? We moeten ons ook afvragen: hoe kan ik anderen helpen, opdat anderen gered worden en voor anderen de ster van de hoop opgaat? Dan heb ik ook het meeste gedaan voor mijn eigen redding.”[36]

5. Tussenbalans

Vijftig jaar geleden is er mede door het Tweede Vaticaans Concilie een nieuwe wijze van denken over de mens en zijn relatie met zijn medemensen tot ontwikkeling gekomen. Centraal hierin staan de begrippen communio en persoon. Dit nieuwe denken betreft niet alleen ons leven hier op aarde maar ook het eeuwig leven. Heil en verlossing hebben betrekking op heel ons menselijk bestaan en op de gehele schepping. Heil en verlossing zijn dus geen puur individualistische aangelegenheid; zij betreffen de gehele persoon inclusief zijn relaties en zij betreffen ook de gemeenschap. Zoals een mens altijd moet worden gezien als een doel en nooit enkel als een middel beschouwd mag worden, geldt dat ook voor gemeenschap: ook de gemeenschap is een doel en niet louter een middel. Wij mensen worden geroepen tot gemeenschap.

In hoeverre hebben wij ons hier in Nederland het begrip communio eigen gemaakt? Er is duidelijk sprake van een grote betrokkenheid met het geheel van de mensheid. In die zin is de hierboven door Van Vliet genoemde vijfde dimensie – Kerk als een gemeenschap met mensen, die geroepen is tot dienstbaarheid – zeker doorgedrongen. Ook het begrip Kerk als volk van God is met veel waardering ontvangen, maar is naar mijn mening eerder juridisch dan heilshistorisch geïnterpreteerd. Er wordt hierbij eerder gedacht in termen van een vereniging dan van een gemeenschap gedacht. Er wordt eerder gedacht aan ledenvergaderingen en medezeggenschap dan aan de eenheid van de mensheid en haar gemeenschappelijke redding en verlossing. In dit denken is de gemeenschap eerder een middel dan een doel.

In ons normale spraakgebruik zijn de begrippen persoon en individu uitwisselbaar. Het gaat om één enkele mens. Binnen het individualistische denken kunnen individuen samen een gemeenschap of groep vormen, maar de rechten van het individu gaan altijd boven die van de groep. Het individu bepaalt zelf hoe hij zijn leven inricht. Daar dient de gemeenschap zich niet mee te bemoeien. Het recht op zelfbeschikking en autonomie staan in onze cultuur hoog aangeschreven. Het individu streeft naar een zo groot mogelijke onafhankelijkheid. Hij is geheel zelf verantwoordelijk voor zijn eigen heil en geluk. Autonomie en onafhankelijkheid maken hem vrij. Een vrijheid die zo min mogelijk ingeperkt mag worden. Alleen de inbreuk op de vrijheid van de ander beperkt in het neoliberale denken de vrijheid van het individu.

Het autonome individu heeft geen verlossing nodig. Hij doet ook geen zonde. Hij zal zich hooguit wel eens vergissen. Bovendien zou een verlosser hem afhankelijk maken. Gezien het geringe zondebesef en de geringe belangstelling voor het sacrament van Boete en Verzoening moet geconstateerd worden dat dit denken ook het denken van de Nederlandse katholieken sterk beïnvloed heeft. Het idee dat verlossing en vergeving van zonden vrijheid geven is ons vreemd geworden. Vrijheid is verworden tot kunnen doen waar je zin in hebt in plaats van de vrijheid hebben het goede te doen. Deze laatste vrijheid is de vrijheid die Christus ons schenkt: de vrijheid een goed mens te zijn. Deze vrijheid kent geen beperkingen; zij is onbegrensd. Verbondenheid met anderen en regels en afspraken zoals die eigen zijn aan een gemeenschap bevorderen en faciliteren deze vrijheid. Het is de vrijheid om te doen waar je zin in hebt die erdoor ingeperkt wordt, waar dat is ook niet de vrijheid die de mens werkelijk gelukkig maakt.

6. Pastoraat van gemeenschap

Er is nog veel werk te verrichten om het gedachtegoed van Vaticanum II gestand te doen. Het is nodig te komen tot een nieuw verstaan en tot verdieping van het begrippen gemeenschap en persoon. We moeten ons bezinnen op het beeld dat wij als gelovige mensen van ons zelf hebben. Om de waarde van de gemeenschap tot haar recht te laten komen en de gemeenschap als een doel te beschouwen is niet alleen een verandering van ons denken nodig; het vraagt ook een verandering van onze wijze van leven, van de wijze waarop wij mensen met elkaar omgaan.

In onze huidige tijd staat het individu centraal en wordt godsdienst als een privéaangelegenheid beschouwd. Dat geldt ook voor het pastoraat. Walther Burgering constateert: “Opvallend in de gesprekken met collega-pastores (…) is dat zij pastoraat vooral kwalificeren als individueel pastoraat: met mensen afspreken, bij mensen op bezoek gaan en gericht gesprekken voeren. (…) Individueel pastoraat wordt als kern van parochiepastoraat neergezet…”[37] Vaak wordt hierbij de term pastoraat van nabijheid gehanteerd. Het is echter niet nodig om nabijheid enkel in termen van individuele nabijheid te verstaan. Regelmatig hoor je mensen zeggen: ‘We zien de pastoor nooit.’ Waarschijnlijk moet deze opmerking vooral letterlijk worden begrepen. Het is niet nodig dat iedereen persoonlijk wordt bezocht; de zichtbaarheid binnen de gemeenschap is minstens zo belangrijk. Om tot een pastoraat van gemeenschap te komen, zullen als eerste degenen die verantwoordelijkheid dragen voor het pastoraat, moeten veranderen. Burgering constateert “dat de meeste pastores eenlingen zijn.”[38] Hoe moeten deze mensen de waarde van de gemeenschap verkondigen en sterker nog hoe moeten zij deze waarde voorleven?

Om te beginnen is het nodig dat de inzichten van het Tweede Vaticaans Concilie en het denken dat sindsdien op gang is gekomen, worden verkondigd. De breuk met het verleden moet duidelijk gemaakt worden voor zowel gelovigen als voor de samenleving als geheel. De waarde van de gemeenschap geldt de gehele samenleving. Dat begint met de verkondigers hierin gedegen op te leiden. Natuurlijk is het niet uit te sluiten dat ik voortdurend heb zitten slapen of met mijn gedachten elders vertoefde, maar ik kan me niet herinneren dat ik als kerkganger, maar ook niet als diakenstudent werkelijk geconfronteerd ben met het feit dat ik anders moest gaan denken dan mij in de jaren ’50 is bijgebracht. Ik herinner me slechts één keer dat iemand mij er tijdens een bijeenkomst op wees dat heil en verlossing niet puur individuele aangelegenheden zijn en dat het christendom geen individualistische religie is. Dat was het begin, maar pas tijdens het verrichten van deze studie viel het kwartje echt en werden mij de consequenties van de begrippen persoon en gemeenschap in volle omvang duidelijk. Niet dat de gemeenschap voor mij betekenisloos was. Op het Friese platteland van ruim vijftig jaar geleden ben ik nog opgevoed met een soort premodern idee van gemeenschap, maar theologisch had ik er geen woorden voor.

Het voorleven van gemeenschap komt tot uiting in de wijze waarop inhoud gegeven wordt aan pastoraal leiderschap. Het gaat om leiderschap in verbondenheid. De ambtsdrager functioneert niet als een eenling maar in verbondenheid met de gemeenschap. Hij is zich ervan bewust dat hij de belichaming van de gemeenschap is. Hij vertegenwoordigt de gemeenschap zowel binnen als buiten de gemeenschap. Zijn individu is hieraan ondergeschikt. Ook hier geldt dat verkondigers van het evangelie “de geur van de schapen” moeten aannemen.[39] Dit vraagt van de verkondigers dat zij deel uit maken van de gemeenschap en dit laten zien door aanwezig te zijn als de gemeenschap op welke wijze dan ook bijeenkomt. Natuurlijk is dit op de eerste plaats in de liturgie, maar ook daarbuiten zijn er tal van bijeenkomsten van de gemeenschap of van delen daarvan. Aanwezigheid maakt benaderbaarheid en toegankelijkheid zichtbaar zonder dat daar ook onmiddellijk gebruik van gemaakt moet worden. Mogelijk is een bezoek aan een plaatselijke voetbalwedstrijd wel van grotere pastorale betekenis dan de een of twee huisbezoeken die in die tijd kunnen worden afgelegd.

Het ambt is van en voor de gemeenschap. Pastoraat van gemeenschap vraagt om dienend leiderschap. Het vraagt om collegialiteit en om samenwerking. Gemeenschap ontstaat niet door erover te praten maar door samen iets te doen. Door samen te werken, leren mensen elkaar kennen en waarderen. Ze ontdekken de grenzen van hun eigen gelijk en van hun eigen kunnen. Collegialiteit is niet alleen een lokale aangelegenheid. Collegialiteit betreft op de eerste plaats de verhoudingen binnen een pastoraal team, maar strekt zich ook uit naar de relaties daarbuiten. Dat zijn enerzijds de anderen die vrijwillig of beroepsmatig binnen de geloofsgemeenschap hun werk doen en anderzijds de bisschop met zijn staf en ook de wereldkerk.

Paus Benedictus XVI heeft in Caritas in veritate de begrippen waarheid en liefde wederzijds met elkaar verbonden. “De waarheid moet worden gezocht, gevonden en uitgedrukt in de economie van de liefde, maar de liefde moet tevens in het licht van de waarheid worden verstaan, bevestigd en in praktijk gebracht.”[40] Liefde in waarheid vraagt dat de waarheid liefdevol verkondigd wordt. Dat vraagt niet alleen liefde voor de waarheid maar ook liefde voor degenen aan wie de waarheid verkondigd moet worden. De ontvanger moet in verbondenheid met de verkondiger meegenomen worden op de weg van de waarheid, zoals Jezus met zijn leerlingen onderweg was naar Emmaüs. (Lc 24,13‐35) Het is liefdeloos de waarheid omwille van de lieve vrede te verdoezelen, maar het is ook liefdeloos de waarheid als een monoliet te droppen zonder oog voor de gegeven situatie te hebben.

De liefde is de basis van de gemeenschap. Zij laat ons gezamenlijk zoeken naar de waarheid. Zij maakt ons tot gelijkwaardige broeders en zusters. Door de liefde is collegialiteit mogelijk en zijn wij niet elkanders concurrenten ook al verschillen we van inzicht. Door de liefde kunnen we ondanks verschillen met elkaar samenwerken en kunnen we de verscheidenheid juist vruchtbaar maken. De liefde brengt ons tot dienstbaarheid aan elkaar en aan de gemeenschap.

De heilige Drie-eenheid als bron en beeld van gemeenschap

In de catechismus van 1956 is bij de gemeenschap van de heiligen sprake van een “bovennatuurlijke eenheid”. Deze aanduiding van eenheid en van gemeenschap brengt het begrip gemeenschap niet direct dichterbij. Mensen hebben behoefte aan concrete en invoelbare beelden. Een dergelijk vruchtbaar beeld van gemeenschap is te vinden in de heilige Drie-eenheid.

Een reeds lang bestaand beeld van de heilige Drie-eenheid is het idee van de perichoresis: de wederzijdse doordringing of het wederzijds-in-elkaar-zijn van de drie goddelijke personen. Deze term is afkomstig uit de wereld van de dans. Het is een model waarbij eenheid en veelheid elkaar niet uitsluiten, maar juist bevorderen. De verschillende personen zijn slechts zichzelf bij gratie van de gemeenschap en er is slechts gemeenschap bij gratie van de personen die zichzelf zijn. God wordt zo gezien als een communio van personen en relaties.[41]

“Zo wil ‘perichorese’ aanduiden dat Vader, Zoon en Geest elkaar geheel doordringen en zo alles aan elkaar schenken en alles van elkaar ontvangen – en daardoor ten volle zichzelf beleven en samen een eenheid vormen. Het beeld van de dans (…) is hier verduidelijkend: bij bepaalde dansen zullen de dansers zo bewegen dat zij in en rond elkaar verstrengelen, elkaar als het ware geheel wederzijds doordringen. De dansers vormen een eenheid waarbij het aparte profiel van de vele dansers nog moeilijk kan onderscheiden worden. Toch weet men heel goed, dat de dansers onderscheiden personen zijn en blijven. Bovendien is het zo dat die eenheid maar bestaat bij gratie van de veelheid van differente dansers. (…) De specifieke eenheid bestaat door de onderscheiden veelheid. De onderscheiden veelheid bestaat in de specifieke eenheid.”[42]

Op de zelfde wijze “is er een voortdurende dynamiek van in-elkaar-zijn en uit-elkaar-zijn van Vader, Zoon en Geest. (…) De eenheid van de drie goddelijke personen is zoals gezegd een wezenlijke eenheid. Hier komt trouwens het verschil met de menselijke dans even aan het licht… Bij mensen gaat het om een relationele eenheid, niet om een wezenlijke eenheid zoals bij God.”[43]

Deze open relationele triniteitsleer kunnen we zien als het oerbeeld voor de menselijke communio in de kerk en in de samenleving. “De perichoretische Triniteit getuigt van een typisch christelijke mystiek: een mystiek van ontmoeting, vriendschap en gemeenschap.” Kardinaal Kasper citerend kan gesteld worden “dat het trinitaire mysterie de diepste grond en de laatste zin van het mysterie van de menselijke persoon is, wiens voltooiing gelegen is in de liefde.”[44]Niet ondanks, maar dankzij de eenheid is er de sociale ruimte om voluit zichzelf te zijn. (…) Veelheid en andersheid dankzij de eenheid. Eenheid dankzij veelheid en andersheid. ‘Personaliteit’ (veelheid, differentie) en ‘socialiteit’ (eenheid, communio) gaan hand in hand: zij staan in een proportionele verhouding. Hoe meer de persoon zichzelf kan zijn (personaliteit), hoe groter de socialiteit en omgekeerd. Zij doordringen elkaar wederzijds.”[45]

V. Neckebrouck citerend concludeert Struys: “Door zijn trinitaire karakter verschilt het (christelijk monotheïsme) grondig van alle andere vormen van monotheïsme. (…) In de hele triniteitsleer dient de eenheid van Gods wezen als eenheid-in-verscheidenheid beschreven te worden. Dit wil zeggen: de christelijke God is één, maar niet enkelvoudig. Het christelijk monotheïsme schuwt veelvuldigheid niet. Integendeel, het fundeert en constitueert die juist. Johannes definieert Gods wezen als liefde. (…) Liefde veronderstelt wezenlijk wederkerigheid en derhalve een pluraliteit van personen. (…) Liefde is relatie en zij sticht alteriteit; in haar roepen eenheid en verschil elkaar dialectisch op. Het wezen van de christelijke God is derhalve bij uitstek geschikt om te functioneren als model voor een Kerk, een maatschappij en een mensheid waarin eenheid en diversiteit, communicatie en vrijheid samengaan.”[46]

De goddelijke Drie-eenheid als bron van gemeenschap maakt het voor ons mogelijk zelf ook gemeenschap met elkaar te vormen. “God is liefde”, schrijft de apostel Johannes (1 Joh 4,8). Paus Benedictus XVI verbindt in Deus caritas est de goddelijke met de menselijke liefde. Agape en eros, caritas en amor zijn rechtstreeks met elkaar verbonden. Ze zijn van de zelfde goddelijke oorsprong. Ze zijn niet van elkaar te scheiden. “[U]iteindelijk is ‘liefde’ één enkele werkelijkheid, maar zij heeft verschillende dimensies…”[47] Je zou kunnen zeggen: beide vormen van liefde zijn uit het zelfde hout gesneden. Wij mensen mogen groeien in liefde van de menselijke begerende liefde naar de goddelijke schenkende liefde. Op dezelfde wijze kunnen we omgaan met het begrip gemeenschap. Wij mogen groeien van de sociologische menselijke vormen van gemeenschap naar de goddelijke bovennatuurlijke gemeenschap zoals die binnen de heilige Drie-eenheid bestaat. Zoals wij ooit worden opgenomen in Gods liefde; zo zullen wij ook deel gaan hebben aan zijn goddelijke gemeenschap.

Onze menselijke gebrokenheid brengt ons er toe het begrip gemeenschap te laten samenvallen met gelijkvormigheid. Terug naar de uitspraak: ‘Wij houden niet van spruitjes.’ Deze kan uit de mond van een echtpaar ook betekenen: ‘Ik houd niet van spruitjes en mijn echtgenoot is aan mij gelijk geworden.’ Het beeld van de heilige Drie-eenheid zet ons op het spoor van eenheid in verscheidenheid en gelijkwaardigheid. We mogen juist van elkaar verschillen zonder daarmee ongelijkwaardig te zijn. Juist door van elkaar te verschillen zijn we waardevol voor elkaar. Gemeenschap schept daarmee iets nieuws. Eenheid in gelijkheid is slechts meer van hetzelfde. Het ideaal is niet een gemeenschap van gelijkgezinden. Dat leidt tot stilstand. Het beeld van de heilige Drie-eenheid is juist een dynamische gemeenschap waarbinnen zaken en meningen voortdurend in beweging en met elkaar in discussie zijn. Liefde en vriendschap maken het mogelijk deze dynamiek vruchtbaar te laten zijn.

Jezus van Nazareth heeft ons de liefde van God geopenbaard en Hij heeft haar ons voorgeleefd. Hij ziet ons als een gemeenschap van vrienden. “Ik noem u geen dienaars meer want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb ik vrienden genoemd want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord.” (Joh 15,15) De liefde stelt Hem en ook ons in staat tot dienst aan de gemeenschap. Jezus gaat daarin tot het uiterste: “Geen groter liefde kan iemand voor zijn vrienden hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.” (Joh 15,13) Hierboven hebben we aan de hand van Nico Schreurs gezien dat deze uitspraak van Jezus alleen in termen van gemeenschappelijk heil is te verstaan. Heel concreet zien we dit bij de uitzending van militairen voor vredesmissies. Door het ontbreken van gemeenschap is het sneuvelen van militairen onacceptabel. Het kan toch niet dat een regering besluit dat het leven van het ene individu mag worden opgeofferd voor dat van andere individuen. Sterven voor de gemeenschap – meestal aangeduid als volk en vaderland – of voor een het individu overschrijdend ideaal zoals vrijheid past niet in onze huidige individualistische cultuur.

De diaken als bouwer aan gemeenschap

De roeping tot dienstbaarheid en tot go-between maakt dat de diaken geroepen is tot het bij elkaar brengen van mensen en zo te bouwen aan gemeenschap. Daarnaast is de diaken vanwege zijn persoonlijke omstandigheden uitermate geschikt om binnen de Kerk te bouwen aan de gemeenschap. Hij kent vele vormen van gemeenschap uit eigen persoonlijke ervaring. De meeste diakens zijn gehuwd en hebben gezinnen. Velen van hen hebben buiten de Kerk gewerkt of doen dat nog steeds en hebben daarmee concreet ervaring met samenwerking en collegialiteit. Zij maken met hun gezinnen deel uit van de burgerlijke samenleving: wonen te midden van andere burgers, sluiten vriendschappen en zijn lid van verenigingen. Binnen de Kerk zijn zij verbonden met elkaar, met de bisschop en met de priesters en parochianen waarmee zij samenwerken.

Huwelijk en gezin zijn plaatsen bij uitstek waar mensen kunnen groeien in liefde: groeien van eros naar agape, van begerende naar schenkende liefde. Deze ervaring van vallen en opstaan stelt de diaken in staat ook te werken aan de groei van de gemeenschap: van de sociologische menselijke vormen van gemeenschap naar de goddelijke bovennatuurlijke gemeenschap zoals die binnen de heilige Drie-eenheid bestaat. Groei in liefde en gemeenschap wordt niet met behulp van machtsmiddelen bereikt. Het is geen afdwingbaar proces. De diaken beschikt niet over machtsmiddelen. Hij kan alleen iets bereiken met de overtuigingskracht van zijn woorden en van zijn daden.

[1]     Bisschop van Groningen, Katechismus of christelijke leer, Utrecht: Wed. J.R. van Rossum, 1956.

[2]     Ibidem, 10.

[3]     Ibidem, 19.

[4]     Ibidem, 23.

[5]     Ibidem, 29.

[6]     Ibidem, 29.

[7]     C.T.M. van Vliet, Kerk met twee ogen: Een katholieke ecclesiologie, Kampen: Kok, 2001, 86.

[8]     Ibidem, 88-89.

[9]     Ibidem, 96-99.

[10]    Ibidem, 106-107.

[11]    Catechismus van de Katholieke Kerk, 946-962.

[12]    Nederlandse Bisschoppenconferentie, De Geloofsbelijdenis van de Kerk: Katholieke katechismus voor volwassenen, Utrecht: Het Spectrum, 1986, 304.

[13]    Johannes XXIII, Pacem in terris, 9.

[14]    Catechismus van de Katholieke Kerk, 357.

[15]    Pauselijke Raad Justitia et Pax, Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, 110.

[16]    Anton Houtepen, Uit aarde, naar Gods beeld: Theologische antropologie, Zoetermeer: Meinema, 2006, 58.

[17]    Ibidem, 63-64.

[18]    Bisschop van Groningen, Katechismus of christelijke leer, 84.

[19]    Houtepen, Uit aarde, naar Gods beeld, 170.

[20]    Ibidem, 172.

[21]    Romeinen 8,22.

[22]    Ibidem, 45.

[23]    Benedictus XVI, Spe salvi, 44.

[24]    Nico Schreurs, Werk maken van verzoening, Budel: Damon, 2004, 128.

[25]    Ibidem, 134.

[26]    Ibidem, 154.

[27]    Ibidem, 175-176.

[28]    Ibidem, 169.

[29]    Ibidem, 189-190.

[30]    Joseph Ratzinger, Dominus Iesus, 12.

[31]    Johannes Paulus II, Redemptoris missio, 28.

[32]    Ratzinger, Dominus Iesus, 18.

[33]    Benedictus XVI, Spe salvi, 14-15.

[34]    Ibidem, 28.

[35]    Ibidem, 30.

[36]    Ibidem, 48.

[37]    Walther Burgering, Pastoraat in Stelling, Rotterdam: FortMedia, 2015, 73.

[38]    Ibidem, 108.

[39]    Zie: Franciscus, Evangelii gaudium, 24.

[40]    Benedictus XVI, Caritas in veritate, 2.

[41]    Kristof Struys, ‘Triniteit als model voor samenleven en samenleren’, in: Terence Merrigan, Christoph Moonen & Kristof Struys (red.), Triniteit – een kruis erover? Nieuwe perspectieven op een oeroude christelijke doctrine, Antwerpen: Halewijn, 2006, 112.

[42]    Ibidem, 112-113.

[43]    Ibidem, 113-114.

[44]    Ibidem, 114-115.

[45]    Ibidem, 115.

[46]    Ibidem, 117.

[47]    Benedictus XVI, Deus caritas est, 3-8

Advertenties
Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s