Spring naar inhoud

Eenheid in verscheidenheid; Joh 17,20-26; Hnd 7,55-60

Een aantal jaren geleden was bisschop Desmond Tutu in Den Haag. Met veel enthousiasme sprak hij over de Schepping als een ‘orgie van creativiteit’ en een ‘vloed van verscheidenheid’. Een verscheidenheid die leidt tot een netwerk van onderlinge afhankelijkheid. Geen enkel deel van de Schepping heeft betekenis los van het geheel. Geen enkele mens kan zonder de andere mensen.

De mens is niet goddelijk en ook niet volmaakt. De mens is met zijn vrije wil in staat voor het goede te kiezen, maar hij kan zich ook van het goede afkeren. Dit is het geval als een mens denkt het wel alleen te kunnen, als hij denkt het zonder God en zonder medemensen te kunnen, als hij zichzelf beter acht dan andere mensen, als hij het evenwicht tussen individualiteit en gemeenschap verbreekt, als hij de verscheidenheid niet als een rijkdom ziet maar als een last. Om ons de ogen te openen en ons opnieuw een kans te geven, wordt Gods Zoon, Jezus Christus, mens zoals wij. Hij maakt zichzelf aan ons gelijk: Hij komt in de wereld. Door zelf schepsel te worden, beaamt Hij nog eens dat de Schepping goed is, want God verbindt zich niet met het kwaad. Tutu stelde dat God ons met de menswording van zijn Zoon vraagt zijn droom te realiseren: de droom van onderlinge afhankelijkheid van heel de Schepping, de droom van verbondenheid van alle mensen met elkaar. Vrede, eenheid: het is de realisatie van Gods droom: alle mensen levend in verbondenheid met elkaar, levend met respect voor de Schepping waarvan zij afhankelijk zijn en geen enkele mens die wanhoopt.

Jezus bidt zijn Vader om eenheid van allen die in Hem geloven. Deze eenheid van de christenen is een teken voor de wereld. Eenheid en vrede zijn niet alleen de realisatie van Gods droom, het is ook waar mensen van dromen. Onlangs werd prins Willem-Alexander als nieuwe koning ingehuldigd. In dit kader werd iedere Nederlander opgeroepen zijn droom voor ons land op de speciaal daarvoor ingerichte website te plaatsen. Ik ben eens wezen kijken wat dat zoal oplevert. De inzenders kiezen zelf een categorie waarin hun droom thuis hoort. De categorie die het meest populair is, is de categorie ‘samen’. Populair zijn de dromen met de thema’s verbondenheid, gemeenschap en samen. Eenheid, vrede en verbondenheid zijn de dromen, de diepste verlangens van mensen.

Desmund Tutu laat ons zien dat eenheid en verbondenheid niet vraagt dat wij allemaal aan elkaar gelijk worden. Het is juist de verscheidenheid die om eenheid en verbondenheid vraagt. We zien dat ook in de kleinste eenheid van onze samenleving: het huwelijk. Het wezen van het huwelijk is gebaseerd op het verschil tussen de partners. Man en vrouw zijn wezenlijk verschillend van elkaar en hebben juist daardoor elkaar nodig. Het zijn niet alleen de biologische verschillen. Ik moet er niet aan denken, dat mijn vrouw in alles hetzelfde zou denken als ik. Wat zouden we elkaar nog te vertellen hebben? Juist de verschillen maken het huwelijk tot iets moois. Juist de verschillen smeden de eenheid.

Maar waarom horen we in onze maatschappij dan voortdurend dat mensen zich moeten aanpassen, dat migranten net zo moeten worden als de Nederlanders die hier al generaties lang wonen? Waarom is verscheidenheid nu plotseling een probleem?

Laat ik eerlijk zijn. Het is niet eenvoudig: een multiculturele samenleving. Ik heb drieënhalf jaar in Den Haag mogen werken in een interculturele parochie, een parochie waar niet alleen Nederlands maar ook Spaans de voertaal is. Naast Nederlanders en Latijns-Amerikanen kwamen hier ook Afrikanen, Antillianen, Polen en Surinamers. Kortom een veelkleurige parochie. Samenleven met mensen met diverse culturen vraagt veel verbeeldingskracht: dat wat voor jou normaal is, hoeft het voor de ander in het geheel niet te zijn en omgekeerd. In die zin is het ook weer niet zoveel anders dan een huwelijk. Wat voor een vrouw normaal is, is voor een man soms erg raar en wat mannen normaal vinden, vinden vrouwen soms verwerpelijk. Het is goed dat man en vrouw daar rekening mee houden, maar het is niet goed als een van beiden zich geheel aanpast aan de ander. Dan gaat er een persoon verloren en is er geen eenheid en verbondenheid meer. Dan verandert de verhouding in een relatie van onderdanigheid. Wat voor het huwelijk geldt, geldt ook voor onze samenleving. We moeten niet aan elkaar gelijk worden maar rekening met elkaar houden. Dit is geen vorm van onverschilligheid, maar komt voort uit oprechte verbondenheid met elkaar. De verbondenheid maakt het mogelijk de verschillen te laten bestaan en ze vruchtbaar te maken. Door de verbondenheid groeit er eenheid in verscheidenheid.

De eerste lezing gaat over Stefanus, de eerste martelaar. Stefanus was een van de zeven mannen – de eerste diakens – die de apostelen aanstelden ter ondersteuning van de Griekstalige leerlingen. De eerste parochie van de Kerk is een multiculturele parochie. En dat leverde ook toen al problemen op. De oplossing die bedacht werd, was niet dat de Griekstaligenen zich moesten aanpassen. Nee, er werden voor hen diakens aangesteld die Grieks spraken. De eerste vorm van migrantenpastoraat was een feit.

Als Jezus bidt om eenheid, vraagt Hij zijn Vader niet de verscheidenheid van de Schepping teniet te doen. De verscheidenheid is een geschenk van God. Zij maakt deel uit van een Schepping, waarvan God zelf zegt, dat zij goed is. Als Jezus bidt om eenheid, vraagt Hij om oprechte verbondenheid met elkaar. De eenheid is het resultaat van de liefde voor elkaar. De vrucht van Gods liefde voor ons, is onze liefde voor elkaar. Jezus heeft ons de liefde voor God en voor de medemens voorgeleefd. De heilige Geest leert ons deze liefde in de praktijk te brengen: de liefde die vrede en eenheid brengt en de verscheidenheid niet teniet doet. Liefde en eenheid zijn tekens van Gods aanwezigheid in de wereld. Op weg naar Pinksteren bidden wij dat de heilige Geest ook onze Helper is, om in liefde en eenheid te leven. Amen.

Techniek

Zelf heb ik met veel plezier 25 jaar in de technische industrie gewerkt. Mijn ervaring is dat het tot stand brengen van concrete producten mensen voldoening geeft en dat het hen met trots vervuld. Later toen ik theologie studeerde heb ik dit werk leren zien als het zijn van een medewerker in Gods scheppende arbeid.

Caritas in veritate

In ‘Caritas in veritate’ schrijft paus Benedictus XVI onder de titel ‘De ontwikkeling van de volkeren en techniek’ een hoofdstuk over dit onderwerp. “De ontwikkeling van de mens komt niet tot groei als hij zich aanmatigt dat hij zijn eigen en enige schepper is. Op dezelfde wijze raakt de ontwikkeling van de volkeren uit de koers als de mensheid denkt zichzelf te kunnen herscheppen dankzij de ‘wonderen’ van de techniek. (…) Er dient onderstreept te worden dat de techniek een fenomeen is dat ten volle menselijk is en verbonden met de autonomie en de vrijheid van de mens. In de techniek komt de macht van de geest over de materie tot uitdrukking. (…) De techniek stelt ons in staat materie te beheersen, risico’s te verminderen, ons moeite te besparen, levensomstandigheden te verbeteren. De techniek is in overeenstemming met de wezenlijke roeping van de menselijke arbeid: in de techniek, als werk van zijn geest, herkent de mens zichzelf en verwezenlijkt hij zijn eigen mens-zijn. (…) De techniek heeft dus zijn plaats in de opdracht ‘de aarde te bewerken en te beheren’ (vgl. Gen, 2,15), die God de mens heeft toebedeeld. Zijn doel is de band tussen mens en milieu te versterken, die de spiegel van Gods scheppende liefde moet zijn.”

Gebruik van techniek

Paus Benedictus wijst erop dat bij het gebruik van techniek we ons niet mogen beperken tot de vraag naar het ‘hoe’, maar ook altijd de vraag naar het ‘waarom’ gesteld moet worden. De mens is geen slaaf van de techniek. “De techniek oefent een grote aantrekkingskracht uit op de mens, want ze bevrijdt hem van fysieke beperkingen en verbreedt zijn horizon. Maar de menselijke vrijheid is alleen zichzelf als ze op de betovering door de techniek reageert met beslissingen die het resultaat zijn van morele verantwoordelijkheid. Vandaar de dringende noodzaak om zich te vormen op het vlak van moreel verantwoord omgaan met techniek.”

Conclusie

Het uitgangspunt kan nooit zijn dat alles wat kan, ook moet. Het gebruik van techniek mag nooit in strijd zijn met de menselijke waardigheid. Het moet bijdragen aan de ontwikkeling van de mensheid: alle mensen en de gehele mens. Dat betekent dat het niet alleen gaat om materiële ontwikkeling, maar ook om geestelijke. Het gaat niet alleen om de individuele mens maar ook altijd om mensen in relatie met elkaar en in relatie met hun Schepper. De techniek is ons als een gave gegeven, voor het gebruik ervan dragen wij zelf de verantwoordelijkheid.

Paus Franciscus: een nieuwe manier van doen

Een paus die zijn eerste optreden begint met de mensen goedenavond te wensen: buonasera. Voordat hij de zegen geeft, vraagt hij eerst de zegen van de talloze mensen die naar het plein van de Sint Pieter zijn gekomen. Een paus die op Witte Donderdag naar de gevangenis gaat om daar de voeten te wassen van de gevangenen, onder wie vrouwen en moslims.

Op 13 maart 2013 wordt de Argentijn Jorge Mario Bergoglio verkozen tot bisschop van Rome. Ook weer zoiets: hij noemt zichzelf niet paus maar systematisch heeft hij het over de bisschop van Rome. Hij is de eerste niet-Europese paus sinds de Syrische paus Gregorius III (731-741) en de eerste van het zuidelijk halfrond. Ook is hij de eerste jezuïet die paus is geworden.

Bergoglio neemt de naam Franciscus aan. Hierin is hij de eerste. Het is een eerbetoon aan Franciscus van Assisi. Tijdens zijn verkiezing zit kardinaal Hummes naast hem. Bij het bereiken van de tweederde meerderheid feliciteert deze hem en zegt: “Vergeet de armen niet.” Op 16 maart vertelt de paus hoe dat woord recht bij hem naar binnen gaat: “De armen, de armen. Onmiddellijk bij de gedachte aan de armen dacht ik aan Franciscus van Assisi. Ik dacht aan de oorlogen – terwijl het tellen van de stemmen verder ging; tot het einde toe – en aan Franciscus, de man van vrede. Zo kwam die naam in mijn hart: Franciscus van Assisi. Voor mij de man van armoede, de man van vrede, de man die de schepping liefheeft en beschermt. – In deze tijd waarin de relatie met de schepping niet zo goed is, toch? – En de man die ons de geest van vrede geeft, de arme man. Zo wil ik houden van een Kerk die arm is en die er voor de armen is.”

Andere opmerkelijke zaken zijn dat deze paus geen gouden borstkruis draagt en niet in het pauselijk paleis woont. ’s Avonds na zijn verkiezing laat hij de voorgereden limousine voor gezien. Samen met de kardinalen stapt hij in de bus om met hen terug te keren naar het Domus Sanctae Marthae, het gastenverblijf van het Vaticaan. Hier woont hij nu en hier eet hij in de gemeenschappelijke eetzaal. Deze paus kiest consequent voor soberheid. Ook daarin volgt hij Franciscus van Assisi na.

Op 14 april wijst de paus ons erop dat onze woorden moeten overeenstemmen met onze daden: “Als priesters en gelovigen niet consistent zijn in wat ze zeggen en wat ze doen, tussen hun woorden en hun daden, dan ondermijnt dat de geloofwaardigheid van de Kerk. Men moet in onze acties zien wat men uit onze monden hoort.” Dat zal hij ook op zichzelf betrekken. Zijn opvallende gedrag is dus niet alleen uiterlijk vertoon, maar welgemeend voortkomend uit zijn hoofd en zijn hart.

Op 7 april, Beloken Pasen, moedigt paus Franciscus ons aan “niet bang zijn om christen te zijn en als christenen te leven” en om “moediger te getuigen van het geloof in de verrezen Christus.” Daarvoor heeft hij op 27 maart tijdens de Chrismamis de priesters opgeroepen erop uit te trekken “om onze zalving in de praktijk te brengen, haar macht en haar verlossende werkzaamheid: in de ‘randgebieden’, waar lijden heerst en bloedvergieten; blindheid, die verlangt naar het licht; we moeten daarheen gaan waar zovele slechte heersers mensen gevangen houden.”

Gaat deze paus de wereld op zijn kop zetten? Het zou kunnen… maar dan op een heel andere manier dan degenen die zijn voorganger Benedictus XVI bekritiseerden, graag wensen. Ook deze paus is rooms-katholiek. Hij staat in de traditie van het Evangelie en van de Kerk. Hij is een volgeling van Jezus Christus en zal op dezelfde wijze als Hij deed, een tegengeluid laten horen.

De Morgenster, mei 2013

Verbondenheid, gemeenschap, samen; Apk 21,1-5; Joh 13,31-35

Johannes droomt van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Hij ziet het heel concreet voor zich: “er zal geen dood meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn want al het oude is voorbij.” En Christus, die op de troon is gezeten, zegt: “Zie, ik maak alles nieuw.”

Johannes droomt over de toekomst. Jezus spreekt in het Evangelie ook over de toekomst, over een op dat moment zeer nabije toekomst. Deze tekst komt uit zijn afscheidsrede bij het laatste avondmaal. Jezus spreekt deze woorden uit na de voetwassing. Hij spreekt over het aanstaande lijden en over zijn dood en verrijzenis. Als Johannes in zijn Evangelie spreekt over verheerlijking, gaat het niet alleen over de verrijzenis maar ook over de dood aan het kruis: de verheerlijking op het kruis. Jezus vertelt zijn vrienden hoe zij daarna verder kunnen: “gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.” Jezus is hier niet aan het dagdromen. Hij geeft ons een heel concrete aanwijzing hoe wij goed kunnen leven: een leven niet als individu, maar als gemeenschap, een leven als mens in liefdevolle relatie met de medemens, een leven ook als een teken, als een licht voor de wereld.

Ook paus Franciscus spreekt over de toekomst. Afgelopen woensdag richtte hij zich speciaal tot de jongeren. Hij sprak: “Het leven is ons niet gegeven om het voor onszelf te bewaren maar opdat wij het zouden geven. Wees niet bang om van grote dingen te dromen.” “We moeten het licht van het geloof, van de hoop, van de liefde levendig houden en ons hart open houden voor het goede en het schone én voor de waarheid.” “Deze tijd is een tijd voor actie. Wij moeten de gaven van God werkelijkheid doen worden, niet voor onszelf, maar voor Hem, voor de Kerk en voor anderen.” “Wij moeten het goede in de wereld verspreiden, zeker nu wij een periode van crisis beleven.” Tot zover de paus.

Als wij als christenen dromen is dat altijd in dubbele zin: enerzijds is het van de genade van God en van zijn oneindige liefde en anderzijds is het van ons eigen handelen. Enerzijds is het Christus die zegt: “Zie, ik maak alles nieuw.” Anderzijds is er de opdracht aan ons: “Gij moet elkaar liefhebben.” Het is enerzijds God die altijd aan het begin staat en het anderzijds de mens die zelf zijn bijdrage heeft te leveren. Onze bijdrage is het antwoord op Gods liefde voor ons. Vanouds is dit samengevat in de katholieke gedachte, dat wij met de genade moeten meewerken.

Volgende week wordt prins Willem-Alexander als nieuwe koning ingehuldigd. En zelfs de meest uitgesproken republikein kan daar niet omheen. Heel Nederland is in beweging en maakt zich op voor de grote dag. Er wordt veel gedaan om er een mooi feest van te maken, een feest voor het hele land, voor allen die hier wonen. Er is natuurlijk een nationaal comité: de Stichting Nationaal Comité Inhuldiging. Wat hebben deze zaken met elkaar te maken: de blijde boodschap van Christus en een Oranjefeest in Nederland.

Op de radio hoorde ik een van de leden van het comité spreken over de actie ‘Deel jouw droom’. Iedere Nederlander wordt opgeroepen zijn droom voor ons land op de speciaal daarvoor ingerichte website te plaatsen. Ik ben eens wezen kijken wat dat zoal oplevert. De inzenders kiezen zelf een categorie waarin hun droom thuis hoort. De categorie die het meest populair is, is de categorie ‘samen’. Je kunt de dromen van anderen steunen en zo ontstaat er een overzicht van populaire dromen. Onder de meest populaire dromen kwam ik het volgende tegen. Een droom met de titel “samen zijn, samen zorgen, samen genieten”.

Uit een andere droom komt het volgende citaat:
“Toekomstdroom, verbintenis,
met elkaar, hand in hand.
Maak een vuist tegen geweld,
pas dan ben je een superheld.
Pas dan maken wij samen
een tolerant
Nederland.”

Uit weer een ander droom:
“mijn droom
onze droom
is een Nederland
waar liefde regeert
ons hart op de troon zit
en de waarheid het woord voert
een land
waar we vechten tegen armoede
onrecht en ziekte
samen één eenheid van leven
gedragen door ons land
waar respect hoogtij viert”.

Vaak zijn wij somber over de cultuur van deze tijd: Zijn we niet veel te veel met onszelf bezig? Wie heeft er nog aandacht voor een ander? Uit de populariteit van de dromen met thema’s als verbondenheid, gemeenschap en samen mogen we afleiden dat alles wat Jezus Christus verkondigt nog steeds samenvalt met de dromen, de diepste verlangens van mensen en zeker met de dromen en verlangens van jonge mensen. Voor zover er foto’s bij stonden, zag ik geen grijze haren. De boodschap die Jezus ons verkondigt en die wij als christenen doorgeven, sluit aan bij de diepste verlangens die mensen koesteren. Mensen willen leven in relatie met andere mensen. Mensen willen elkaar liefhebben en ze hebben de liefde van de ander nodig. Mensen willen leven in harmonie en in eenheid.

Jezus wijst ons hierin de weg. Hij heeft ons laten zien hoe wij goed kunnen leven. Hoe wij elkaar kunnen liefhebben en hoe wij de waarheid op het spoor kunnen komen. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Liefde, waarheid en het volle leven: het wordt ons door Hem gegeven en wij vinden liefde, waarheid en leven door te leven zoals Hij ons voordeed. Van ons wordt gevraagd dat wij Gods liefde willen ontvangen, ons openstellen voor Hem en dat wij zijn liefde delen en doorgeven aan onze medemens.

Ik wens u allen een mooi feest komende week. Het huis van Oranje kan in ons land een symbool van eenheid en verbondenheid zijn, maar de werkelijke eenheid en verbondenheid brengen zij niet tot stand. Het is Christus die de liefde en eenheid is en brengt en zelfs Hij doet het niet zonder onze medewerking. Amen.

Rome door de ogen van Antoine Bodar

Auteur: Arnold Smeets (red.)
Titel: Rome door de ogen van Antoine Bodar: Een spirituele gids voor de Eeuwige Stad
Uitgever: Ten Have, 2012; prijs: € 19,95
ISBN: 978 90 259 0189 9;
aantal pagina’s: 176

Wie binnenkort naar Rome gaat om nader kennis te maken met de nieuwe paus, zal ongetwijfeld ook enige tijd willen besteden aan het beleven van deze bijzondere stad. Hierbij is een goede reisgids onmisbaar.

Voor het radioprogramma ‘Echo van Eeuwigheid’ wandelt Antoine Bodar samen met Arnold Smeets en Sylvester Beelaert door Rome. Deze wandelingen vormen de basis voor dit boek. Om Rome werkelijk ervaren, is lopen de aangewezen wijze van door de stad trekken. Vele bijzondere plaatsen in Rome worden beschreven. De religieuze en historische achtergronden worden verteld. De beschrijvingen worden aangevuld met gedichten en liederen en met verwijzingen naar religieuze muziek.

Arnold Smeets heeft het boek samengesteld. Het is fraai geïllustreerd met foto’s van Werry Crone. Het is een zeer waardevolle aanvulling op de normale reisgids waarvan dit niet een vervanging is. Ieder die een bezoek aan Rome als een spirituele gang beschouwt, is het een aanrader. Ook is het een boek om gewoon thuis Rome te ervaren.

Voetwassing en Brood en Wijn; Ex 12,1-8.11-14; 1Kor 11,23-26; Joh 13,1-15

Het volk Israël trok weg uit Egypte. Een heel volk sloeg een nieuwe weg in: de weg van een nieuw leven, de weg van de vrijheid. Voordat ze op pad gaan wordt er gegeten. Je moet goed eten voor je op reis gaat. Maar dit is niet zo maar een maaltijd. Het is ook een rituele maaltijd, een maaltijd die ieder jaar herhaald moet worden om stil te staan bij die gedenkwaardige dag, waarop ze uit Egypte wegtrokken. Daarmee gedenken zij niet alleen die ene dag, maar ook de lange weg van veertig jaar woestijn. Ze gedenken hoe God hen geleid heeft en met hen is meegegaan op weg. Ze gedenken hoe Hij hen uiteindelijk het Beloofde Land liet binnentrekken. Ze gedenken alle grote daden die God voor hen verrichtte.

Vandaag is het Witte Donderdag. Ook wij zijn bij elkaar voor een rituele maaltijd. Paulus vertelt ons hoe Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, brood nam en daarna de beker. Van dit brood en deze beker zegt Hij: “Dit mijn lichaam voor u. Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed.” En heeft ons een opdracht: “Doet dit tot mijn gedachtenis.” Ook wij staan stil bij een gebeurtenis in het verleden. Maar er is meer aan de orde: het is niet enkel verleden; het is ook heden. Ook vandaag worden brood en beker genomen. Ook vandaag eten en drinken wij zijn Lichaam en Bloed. Het voedsel dat Hij destijds gaf aan zijn leerlingen, geeft Hij vandaag aan ons. Brood en Wijn: het is voedsel voor onderweg. Voedsel voor onze weg ten leven. Elke keer als wij dit Brood eten en uit deze Beker drinken, worden wij uitgenodigd die nieuwe weg ten leven te gaan: de weg te gaan die tot het echte leven leidt en die ons werkelijk geluk brengt.

Jezus eet met zijn vrienden – niet gehaast zoals de Israëlieten hun Paasmaal eten – nee, Hij heeft hen nog veel te zeggen en Hij neemt er de tijd voor. Johannes besteedt er in zijn Evangelie vijf hoofdstukken aan. Het begint met de tekst die wij vanavond hebben gelezen. Anders dan Mattheüs, Marcus en Lucas schrijft Johannes niet over de maaltijd zelf: de instellingswoorden over Brood en Wijn, die wij van Paulus hoorden en die ook in de drie andere Evangeliën staan, vermeldt Johannes niet. Hij legt een geheel ander accent, een accent dat we alleen bij hem vinden. Johannes vertelt ons over de voetwassing en over het lange gesprek dat Jezus met zijn leerlingen voert. Bij Johannes is Jezus aan het woord over de weg die Hij moet gaan, en over de weg die zijn leerlingen zullen gaan: de weg waartoe ook wij uitgenodigd zijn om te gaan. Johannes maakt duidelijk dat het niet om die ene gebeurtenis gaat, maar om het hele leven. Het leven is geen gebeurtenis; het leven is een weg.

Hoe deze weg eruit ziet laat Jezus eerst zien door zijn vrienden de voeten te wassen. Hiermee stelt Hij een daad van liefde en verbondenheid. Daarna vertelt Hij over de weg die Hij zal gaan, de weg naar zijn Vader, de weg die door de dood heen tot leven leidt. Hij vertelt de leerlingen hoe ook zij die weg zullen gaan, deze weg van liefde, deze weg ten leven. Hij zal hen de Helper, de heilige Geest geven om hen bij te staan. Maar zijn voorbeeld Blijft de belangrijkste richtwijzer: Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.”

Zo worden ons vandaag twee tekens gegeven: De tekens van Brood en Wijn en het teken van de voetwassing. Twee tekens van liefde die onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Onder de gedaanten van Brood en Wijn is Christus werkelijk zichtbaar en tastbaar onder ons aanwezig. Hij voedt ons met zijn eigen Lichaam en Bloed. Zo kunnen wij ons op innige wijze met Hem verenigen en ons laven aan zijn gaven van liefde en genade. Het teken van de voetwassing maakt duidelijk hoe wij zelf deze weg ten leven kunnen gaan. “Als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.” Jezus maakt hier heel concreet wat Hij bedoelt met: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Dit is de weg van het verhaal van de Barmhartige Samaritaan. Dit is ook de weg die ons in Mattheus 25 wordt voorgehouden. Daar zegt Jezus: “Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht.”

Op deze wijze horen Eucharistie en diaconie bij elkaar. In ‘Deus caritas est’ schreef paus Benedictus XVI: “De Kerk kan de liefdadigheid evenmin verwaarlozen als de sacramenten en het Woord. Het wezen van de Kerk komt tot uitdrukking in een drievoudige opdracht: de verkondiging van Gods Woord, het vieren van de sacramenten, de dienst van de liefde. Deze opdrachten veronderstellen elkaar en zijn niet te scheiden. De dienst van de liefde is voor de Kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou kunnen overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van haar diepste wezen.”

De tekens van Brood en Wijn en het teken van de voetwassing, Eucharistie en diaconie zijn onlosmakelijk, niet los van elkaar verkrijgbaar. Petrus wordt dit duidelijk gemaakt als hij de voetwassing weigert. Hier maakt Jezus duidelijk dat het niet alleen gaat om het geven van liefde. Wij moeten ook liefde willen ontvangen. Als we geen liefde willen ontvangen, kunnen we ook geen liefde geven. Als wij ons niet openstellen voor de liefde van God en voor de liefde van de medemens zijn we dood. Liefde heeft ook geen eindbestemming. We kunnen de liefde niet oppotten, niet bewaren en niet voor onszelf houden. Liefde is er alleen in relatie. Liefde is er alleen in een eindeloze keten van ontvangen en geven. Deze keten van de liefde is voor ons de weg ten leven. Jezus heeft ons met de voetwassing het voorbeeld gegeven en Hij is ons werkelijk nabij in de Eucharistie als heilzaam voedsel op onze levensweg. Amen.

Een goed mens zijn

Hoe worden we een goed mens? Wat betekent Gods liefde voor ons? Hoe worden wij gelukkig?

God nodigt de mensen uit elkaar lief te hebben. Samen vormen wij één grote mensenfamilie, allemaal zijn wij kinderen van God. In Jezus Christus zijn wij elkaars broers en zussen. Hoe maken wij dit concreet in ons eigen leven? Aan de hand van drie Bijbelteksten wordt op deze vraag ingegaan.

1. God is liefde

Hoe ontvankelijk zijn wij voor Gods liefde? Hoe is Gods liefde voor ons de basis van onze omgang met anderen?

1 Johannes 4,7-16

7. Vrienden, laten wij elkander liefhebben want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is een kind van God, en kent God. 8. De mens zonder liefde kent God niet want God is liefde. 9. En de liefde die God is heeft zich onder ons geopenbaard doordat Hij zijn enige Zoon in de wereld gezonden heeft om ons het leven te brengen. 10. Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen.

11. Vrienden, als God ons zozeer heeft liefgehad moeten ook wij elkander liefhebben. 12. Nooit heeft iemand God gezien, maar als wij elkaar liefhebben woont God in ons en is zijn liefde in ons volmaakt geworden. 13. Dit is het bewijs dat wij in Hem verblijven zoals Hij verblijft in ons, dat Hij ons deel heeft gegeven aan zijn Geest.

14. En wij, wij hebben gezien en wij getuigen dat de Vader zijn Zoon heeft gezonden om de heiland van de wereld te zijn. 15. Als iemand erkent dat Jezus de Zoon van God is woont God in hem en woont hij in God. 16. Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft en wij geloven in haar. God is liefde: wie in de liefde woont woont in God en God is met hem.

Deus caritas est

Begin 2006 verscheen de eerste encycliek paus Benedictus XVI: ‘Deus caritas est’ (God is liefde). In deze brief aan alle christenen gaat de paus terug naar de basis van het christendom: de liefde. In het eerste deel gaat de paus in op het wezen van de liefde. In het tweede deel van de encycliek gaat Benedictus in op de liefde die de kerk in de maatschappij betracht – de werken van barmhartigheid.

De paus valt direct met de deur in huis: “Wij geloven in de Liefde. Zo kan de christen de fundamentele beslissing van zijn leven tot uitdrukking brengen. Christen zijn wordt niet in eerste instantie bepaald door een ethische beslissing of hoogstaand idee, doch door een ontmoeting met een gebeurtenis, met een Persoon, die ons leven een nieuwe horizon en daarmee de beslissende richting geeft. (…) Daar God ons het eerst heeft liefgehad (vgl. 1Joh 4,10) is de liefde niet langer slechts een ‘gebod’, maar antwoord op de gave van de liefde waarmee God ons tegemoet treedt.” (1)

Het archetype van de liefde is de liefde die man en vrouw voor elkaar over hebben. Die passionele liefde noemden de Grieken ‘eros’. Benedictus herinnert eraan dat eros zijn plaats moet krijgen in het leven. Maar om werkelijk gelukkig te worden, mag de mens zich met eros niet tevreden stellen met het zoeken naar een kortstondig plezier. Duidelijk wordt “dat eros beheerst en gezuiverd zal moeten worden om de mens niet alleen vluchtig genot te schenken, maar een zekere voorproef van het hoogtepunt van ons bestaan, van die zaligheid waarop heel ons wezen wacht.” (4) Om daarin te slagen wordt eros geroepen naar een spirituele eenheid. Zo ontmoet hij een ander aspect van de liefde: de ‘agape’. Dat begrip drukt de ervaring van liefde uit, “de werkelijke ontdekking van de ander en daarmee het overwinnen van de zelfzucht (…). Liefde wordt nu zorg om en voor de ander. Ze zoekt zichzelf niet meer – het verzinken in de bedwelming van het geluk – ze wil het goede voor de geliefde, ze wordt onthouding, ze wordt offerbereid, ja ze wil zelfs offers brengen. (…) Ja, liefde is ‘extase’, maar geen extase in de zin van het bedwelmende ogenblik, maar extase als een voortdurende weg uit het in zichzelf opgesloten ‘ik’ naar het loslaten van het ‘ik’, naar overgave en juist zo naar het vinden van zichzelf, ja, naar het vinden van God: ‘Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen en wie het verliest, zal het behouden’ (Lc 17,33) zegt Jezus.” (6)

Als wij deze laatste uitspraak van Jezus op ons eigen leven betrekken, denken niet meteen aan het opofferen van ons leven. We kunnen echter ook delen van onszelf wegschenken: onze aandacht, onze tijd, ons bezit. Al is het maar een glimlach. Door op deze wijze liefde te geven, komen wij werkelijk tot leven. Als wij daarentegen alles voor onszelf opeisen en zo zelfbehoud nastreven, is ons bestaan dor en droog. Door de liefde buiten te sluiten verliest de mens het leven. De kracht van de werking van de liefde in ons brengt Johannes onder woorden in 1Joh 4,12-13. Hij omschrijft haar als God die in ons woont en wij die in God woont: een zeer innige relatie tussen God en mens. Ook hier dringt zich de vergelijking met de innige verbondenheid tussen man en vrouw in het huwelijk zich op.

Eros en agape – begerende en schenkende liefde – zijn de twee facetten van de liefde en kunnen niet van elkaar gescheiden worden. “In werkelijkheid laten eros en agape – opstijgende en neerdalende liefde – zich nooit helemaal van elkaar scheiden. Hoe meer die twee, in verschillende dimensies, in de juiste eenheid met elkaar geraken in de ene werkelijkheid van de liefde, des te meer verwerkelijkt zich het ware wezen van de liefde. Ook al is eros op de eerste plaats verlangend, opstijgend – gefascineerd door de grote belofte van het geluk – toch zal hij, als hij de ander nader komt, steeds minder met zichzelf bezig zijn, steeds meer het geluk van de ander willen, steeds meer zorg voor de ander hebben, zichzelf schenken, er voor de ander willen zijn. Het element van agape doet zijn intrede, anders raakt eros in verval en verliest ook zijn eigen wezen. Van de andere kant is het ook onmogelijk voor de mens om alleen van de schenkende, neerdalende liefde te leven. Hij kan niet alleen maar geven, hij moet ook ontvangen. Wie liefde wil schenken, moet haar zelf ook krijgen.” (7)

In Jezus Christus krijgt de liefde een gezicht. “Als Jezus in zijn gelijkenissen spreekt over de herder die achter het verloren schaap aan gaat, over de vrouw die de drachme zoekt, over de vader die de verloren zoon tegemoet gaat en hem omhelst, dan zijn dat niet alleen maar woorden, maar beelden van zijn eigen zijn en doen. Zijn dood op het Kruis is het hoogtepunt van de manier waarop God zich tegen zichzelf keert, waarbij Hij zichzelf wegschenkt om de mens weer op te richten en hem te redden – liefde in de meest radicale vorm.” (12) De liefde voor God en de liefde voor de mens zijn één, niet van elkaar te scheiden. “Eucharistie die zich niet vertaalt in concrete beoefening van de liefde is ten diepste onvolledig.” (14) “Liefde tot God en tot de naaste versmelten; in de geringste ontmoeten wij Jezus zelf en in Jezus ontmoeten wij God.” (15)

Wanneer wij dit op onszelf betrekken doen zich twee vragen voor. “Ten eerste, kunnen wij God wel liefhebben terwijl we Hem niet zien? En ten tweede, kan liefde geboden worden? (…) Niemand heeft ooit God gezien – hoe kunnen wij Hem dan liefhebben? En daarnaast: liefhebben kan men niet op bevel, want liefde is een gevoel, dat er is of niet, maar dat niet door de wil teweeg gebracht kan worden.” (16) Johannes onderstreept de onlosmakelijke band tussen liefde tot God en naastenliefde: de naastenliefde is een manier om ook God te ontmoeten. “God heeft zich zichtbaar gemaakt; in Jezus kunnen wij de Vader zien (vgl. Joh 14,9). God is inderdaad op heel veel manieren zichtbaar. (…) God schrijft ons geen gevoel voor dat we niet kunnen oproepen. Hij heeft ons lief, laat ons zijn liefde zien en gewaar worden, en uit dit ‘het eerst’ van God kan als antwoord ook in ons de liefde ontkiemen. (…) De ontmoeting met de zichtbare manifestaties van Gods liefde kan in ons het gevoel van vreugde opwekken dat voortkomt uit de ervaring van het geliefd zijn. Maar deze ontmoeting doet ook een beroep op onze wil en ons verstand. De erkenning van de levende God is de weg naar de liefde en het ‘ja’ van onze wil gesproken tegen zijn wil verenigt verstand, wil en gevoel in de alomvattende daad van liefde. Dit is natuurlijk een proces, dat steeds blijft voortduren; liefde is nooit ‘klaar’ en voltooid; ze verandert in de loop van het leven, rijpt en blijft daardoor juist trouw aan zichzelf.” (17)

“[De naastenliefde] bestaat erin dat ik ook de medemens die ik vooralsnog helemaal niet mag of zelfs niet ken, vanuit God liefheb. Dat is alleen maar mogelijk vanuit de innerlijke ontmoeting met God, die tot een gemeenschappelijk willen is geworden en zelfs reikt tot in het gevoel. Dan leer ik die ander niet meer alleen met mijn ogen en gevoelens te bekijken, maar vanuit het perspectief van Jezus Christus. Zijn vriend is mijn vriend. (…) Als ik echter de aandacht voor de ander helemaal uit mijn leven weglaat en alleen maar ‘vroom’ wil zijn, alleen mijn ‘godsdienstige plichten’ vervullen, verdort ook mijn relatie met God. Dan is die alleen nog maar ‘correct’, doch zonder liefde. (…) Liefde groeit door liefde. Ze is ‘goddelijk’ omdat ze van God komt en ons met God verenigt, en in dit proces van eenwording maakt ze ons tot een ‘wij’, dat al onze verdeeldheid overwint en ons één laat worden, zodat uiteindelijk ‘God alles in allen’ is (vgl. 1Kor 15,28).” (18)

2. De barmhartige Samaritaan

Wie is mijn naaste? Zijn er grenzen aan naastenliefde?

Lucas 10,25-37

25. In die tijd trad een wetgeleerde naar voren om Jezus op de proef te stellen. Hij zeide: “Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” 26. Jezus sprak tot hem: “Wat staat er geschreven in de wet? Wat leest ge daar?” 27. Hij gaf ten antwoord: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel; met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf.” 28. Jezus zei: “Uw antwoord is juist, doe dat en ge zult leven.” 29. Maar omdat hij zijn vraag wilde verantwoorden, sprak de wetgeleerde tot Jezus: “En wie is dan mijn naaste?” 30. Nu nam Jezus weer het woord en zei: “Eens viel iemand, die op weg was van Jeruzalem naar Jericho, in handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem en toen ze aftrokken lieten ze hem half dood liggen. 31. Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag hem wel maar liep in een boog om hem heen. 32. Zo deed ook een leviet: hij kwam daar langs, zag hem, maar liep in een boog om hem heen. 33. Toen kwam een Samaritaan die op reis was bij hem, hij zag hem en kreeg medelijden; 34. hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. 35. De volgende morgen haalde hij twee denariën te voorschijn, gaf ze aan de waard en zei: “zorg voor hem, en wat ge meer mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden.” 36. Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers gevallen is?” 37. Hij antwoordde: “Die hem barmhartigheid betoond heeft.” En Jezus sprak: “Ga dan en doet gij evenzo.”

Wie is mijn naaste?

Jezus van Nazareth onderricht de naastenliefde: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf.” Deze citaten uit het Oude Testament worden door Jezus in Mt 5,43-48; 19,16-21 en 25,34-46 in een nieuw perspectief geplaatst. Het begrip naaste betreft niet langer alleen de leden van de eigen gemeenschap, maar ook de leden van andere gemeenschappen inclusief de vijanden. De nadruk wordt gelegd op de individuele deugd van de naastenliefde in de vorm van barmhartigheid en de naastenliefde wordt direct gekoppeld aan de dienst aan God.

In Lc 10,25-37 gaat Jezus met de parabel van de barmhartige Samaritaan nog een stap verder: niet de ander is mijn naaste, maar ik ben de naaste van de ander. Hiermee wordt het begrip naaste een universeel begrip: het betreft niet enkel leden van de eigen gemeenschap en degenen die daartoe gerekend worden; nu ben ik de naaste voor iedere mens die een beroep op mij doet.

Paulus maakt in Rom 12,13 onderscheid tussen solidariteit en gastvrijheid als hij schrijft: “Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij.” De broederlijke solidariteit betreft hier de eigen gemeenschap van medechristenen; voor anderen geldt de gastvrijheid.

Thomas van Aquino (1225-1274) stelt zich de vraag of wij iedereen even veel moeten liefhebben: de vraag naar de rangorde van de liefde. Een vraag die nog altijd opportuun is en tot de nodige discussie kan leiden, waarbij ook gedacht kan worden aan een kreet als ‘eigen volk eerst’. Eerder heeft Augustinus van Hippo (354-430) vastgesteld dat wij God bovenal moeten beminnen, dan onszelf als ziel met een goddelijke bestemming, dan onze naaste als onszelf en tenslotte ons eigen lichaam. Het beminnen van onszelf als ziel en als lichaam spreekt voor zich en voor de andere twee niveaus is er het dubbelgebod van de liefde (Mt 22,37-39). Ten aanzien van de naastenliefde sluit Augustinus elke voorkeur uit. Als mensen desondanks toch onderscheid maken door de een wel te helpen en de ander niet, is dat volgens Augustinus een gevolg van praktische redenen: geen mens is in staat iedereen te helpen. Wij moeten bij voorkeur diegenen helpen die ons qua plaats en tijd het meest nabij zijn.

Voor Thomas is dit niet bevredigend; volgens hem is er ook binnen dit gebied sprake van een rangorde. Hij maakt onderscheid tussen de orde van de natuurlijke liefde (amor) en de bovennatuurlijke (caritas), waarbij de caritas de amor vervolmaakt. Ook de amor is als natuurlijke in de schepping gelegde neiging van God gegeven en dus goed. Om tot een rangorde te kunnen komen is het nodig vast te stellen wat in het domein van de liefde de ‘beginselen’ zijn. Dit is enerzijds God die bovenal bemind moet worden en omwille van wie al het andere bemind moet worden; anderzijds is de mens zelf als subject van de liefdesact een beginsel. Vanuit het eerste beginsel zullen we de mensen meer beminnen naarmate zij dichter bij God staan en vanuit het tweede hen die meer met ons zelf verbonden zijn door verwantschap, taal, werk et cetera. Deze twee beginselen kunnen elkaar versterken, maar ook haaks op elkaar staan. Het onderscheid dat Thomas maakt tussen amor en caritas vinden we terug bij paus Benedictus XVI in het onderscheid tussen eros en agape.

Deus caritas est

Paus Benedictus XVI schrijft in ‘Deus caritas est’: “De Kerk is de familie van God in de wereld. In deze familie mogen er geen noodlijdenden zijn. Tegelijkertijd overschrijdt caritas-agape echter de grenzen van de Kerk. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan blijft maatstaf en gebiedt de universele liefde, die zich wendt naar de behoeftige die men ‘toevallig’ ontmoet (vgl. Lc 10,31), wie hij ook is. Zonder ook maar iets af te doen aan de universaliteit van het gebod tot liefde, heeft de Kerk toch ook een speciale opdracht – dat in de Kerk zelf, als één familie, geen van de kinderen gebrek mag lijden. Hier geldt het woord uit de Brief aan de Galaten: “Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze geloofsgenoten” (6,10).” (25)

“Om nu de verhouding tussen de noodzakelijke strijd voor gerechtigheid en het dienstwerk van de liefde nader te verduidelijken, moeten twee fundamentele feiten in beschouwing genomen worden: a. De rechtvaardige ordening van de maatschappij en de staat is de centrale opdracht van de politiek. Een staat die niet door gerechtigheid gedefinieerd wordt zou alleen maar een grote roversbende zijn, zoals Augustinus ooit zei. (…) b. Liefde – caritas – zal altijd nodig zijn, ook in de meest rechtvaardige samenleving. Er is geen rechtvaardige staatsvorm die de dienst van de liefde overbodig zou kunnen maken. Wie de liefde wil afschaffen staat op het punt de mens als mens af te schaffen. Er zal altijd leed zijn dat om troost en hulp vraagt. Er zal altijd eenzaamheid zijn. Er zullen ook altijd situaties van materiële nood zijn, waarbij hulp in de zin van concrete naastenliefde nodig is.”(28)

“Naar het voorbeeld dat de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan ons voor ogen houdt is christelijke liefdadigheid allereerst eenvoudigweg het antwoord op datgene wat in een concrete situatie onmiddellijk nodig is: de hongerigen moeten te eten krijgen, de naakten moeten gekleed worden, de zieken medisch behandeld, de gevangenen bezocht, enzovoort. (…) Het gaat immers om mensen en mensen hebben meer nodig dan alleen een technisch juiste behandeling. Ze hebben behoefte aan menselijkheid. Ze hebben behoefte aan liefdevolle toewijding. (…) Het programma van de christen – het programma van de barmhartige Samaritaan, het programma van Jezus – is ‘het hart dat ziet’. Dit hart ziet waar liefde nodig is en handelt ernaar. (…) Wie in de naam van de Kerk liefdadigheid beoefent, zal nooit proberen de ander het geloof van de Kerk op te dringen. Hij weet dat de liefde in haar zuiverheid en onbaatzuchtigheid het beste getuigenis is voor de God waarin wij geloven en die ons tot liefde brengt. De christen weet wanneer het tijd is om over God te spreken en wanneer het beter is over Hem te zwijgen en eenvoudigweg de liefde te laten spreken.”(31)

Rechtvaardigheid

De rechtvaardigheid van de staat is anders dan de rechtvaardigheid van de individuele burger. Het individu is rechtvaardig als hij recht doet aan de ander in diens specifieke situatie. Vergelijk het met ouders die hun kinderen opvoeden: de een wordt verder geholpen met een complimentje en de ander heeft juist een kritische houding nodig. Ouders maken bewust onderscheid tussen hun kinderen om zo ieder tot zijn recht te laten komen. Deze vorm van rechtvaardigheid geldt ook voor de Kerk en voor caritatieve instellingen. Ook zij maken bewust onderscheid tussen mensen.

De rechtvaardigheid van de overheid betekent juist dat de overheid voor alle burgers gelijk is. Ieder wordt op de zelfde wijze behandeld: geen voorkeur en geen achterstelling. De overheid mag geen onderscheid maken tussen individuen. Wel kan de overheid onderscheid maken tussen groepen burgers. Zij kan onderscheid maken tussen ouderen en jongeren. De ouderen krijgen AOW en de jongeren moeten naar school. Zo kan ze ook onderscheid maken tussen zieken en gezonden en tussen mensen uit verschillende inkomenscategorieën.

3. De werken van barmhartigheid

Waarop worden wij geoordeeld? Wat houdt het oordeel in?

Matteüs 25,31-46

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker.

Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: ‘Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht’.

Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: ‘Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken?’ De Koning zal hun ten antwoord geven: ‘Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan’.

En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: ‘Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet opgenomen, naakt en hebt Mij niet gekleed. Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken’.

Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: ‘Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor U gezorgd?’ Daarop zal Hij hun antwoorden: ‘Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan’. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.”

Zeven werken van barmhartigheid

Het woord barmhartigheid geeft aan dat wij niet uit plichtsbesef of eigenbelang aan naastenliefde doen maar omdat wij geraakt zijn door de nood en het lijden van onze medemens. Het Hebreeuwse woord voor barmhartigheid ‘rachamiem’ komt van dezelfde stam als het woord voor baarmoeder: ‘rechem’. Wij leven met onze lijdende medemens mee en willen zijn nood lenigen en zijn lijden verzachten. In het Evangelie volgens Mattheüs noemt Jezus zes werken van barmhartigheid. Dit zijn: de hongerigen spijzen, de dorstigen laven, de naakten kleden, de vreemdelingen herbergen, de zieken verzorgen en de gevangenen bezoeken. Later, in de Middeleeuwen, is als zevende toegevoegd: de doden begraven. Nog steeds geven de zeven werken van barmhartigheid ons een goed beeld hoe wij onze naaste lief kunnen hebben en hoe wij daarmee een goed mens kunnen zijn.

Plicht en deugd

De profeten uit het Oude Testament, zoals bijvoorbeeld Amos en Micha, leggen sterk de nadruk op de collectieve plicht tot het doen van gerechtigheid: zij klagen de sociale onrechtvaardigheid aan en roepen op tot gerechtigheid. Sterker dan het christendom is het jodendom verbonden met moraliteit. Binnen het christendom neemt de navolging van Christus een belangrijke plaats in en ligt de nadruk op de deugd die individueler van aard is. Maarten Luther (1483-1546) klaagt dit aan als werkgerechtigheid: het idee van het heil verdienen door het doen van goede werken. Binnen de Reformatie verschuift hierdoor het accent van de deugd van barmhartigheid naar de plicht van gerechtigheid. Tegenover het meer teleologische (doelgerichte) karakter van de katholieke deugdenethiek, waarbij het uiteindelijke doel het dienen van God is en daarmee het eeuwige heil te verkrijgen, is de protestantse plichtenethiek met het centraal stellen van het gebod van de liefde meer deontologisch (plichtmatig) van aard. Dit neemt niet weg dat ook de katholieke ethiek plichten kent. Het is ook niet zo dat het doel de middelen heiligt.

Thomas van Aquino (1225-1274) combineerde de Griekse filosofie van Aristoteles (384-322 v. Chr.) met het christendom. Hij ontwikkelt een politieke filosofie die morele waarde toekent aan het staatsburgerschap. Een christen draagt ook politieke verantwoordelijkheid. Vanuit de natuurwet volgt de noodzaak van maatschappelijke ordening. Thomas legt nadruk op het gemeenschappelijk goede (bonum commune). Zo ontstaat er een verschil tussen de verantwoordelijkheid en de rechtvaardigheid van de politiek en die van de individuele persoon. Thomas onderkent de unieke plaats van het individu, maar hij hecht ook veel belang aan de gemeenschap. Naast een verschuiving van een deugdenethiek naar een plichtenethiek wordt binnen de Reformatie ook de nadruk gelegd op het individuele heil waardoor het belang van de gemeenschap verder onder druk komt te staan.

Deus caritas est

Paus Benedictus XVI schrijft in ‘Deus caritas est’: “De naastenliefde, verankerd in de liefde tot God, is op de eerste plaats een opdracht aan iedere individuele gelovige, maar ook aan de gezamenlijke kerkelijke gemeenschap, en wel op alle niveaus, van de lokale gemeenschap en de particuliere Kerk tot aan de universele Kerk toe. Ook de Kerk als gemeenschap moet de liefde in praktijk brengen. Daarom heeft de liefde ook behoefte aan organisatie als voorwaarde voor geordend, gemeenschappelijk dienen.” (20) “De Kerk kan de liefdadigheid evenmin verwaarlozen als de sacramenten en het Woord.” (22) “Het wezen van de Kerk komt tot uitdrukking in een drievoudige opdracht: de verkondiging van Gods Woord (kerygma-martyria), het vieren van de sacramenten (leiturgia), de dienst van de liefde (diakonia). Deze opdrachten veronderstellen elkaar en zijn niet te scheiden. De dienst van de liefde is voor de Kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou kunnen overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van haar diepste wezen.” (25)

Wat is diaconie of caritas

In de nota ‘Wanneer hebben wij u gezien’ van het bisdom Rotterdam uit 2000 wordt onder diaconie verstaan: “de christelijke dienst van zorg, solidariteit en verzet ten behoeve van mensen in nood. Deze dienst heeft maar één doel: dat noodlijdenden daadwerkelijk hulp in hun nood ervaren. Zorg, solidariteit en verzet zijn er de drie wezenlijke aspecten van. Met ‘zorg’ wordt bedoeld: de acute en blijvende hulpverlening aan mensen in nood. ‘Solidariteit’ houdt in: hun kant kiezen en naast hen blijven staan. ‘Verzet’ staat voor: weerstand bieden tegen elke vorm van onrecht en zich inzetten voor zodanige verandering van situaties en structuren dat mensen tot hun recht kunnen komen.”

Het oordeel

In veel Bijbelvertalingen worden er titels boven tekstfragmenten geplaatst. Dat is handig want zo vind je makkelijk een tekst over een bepaald onderwerp. Zo’n titel is echter een keuze van de vertaler en maakt geen deel uit van de Bijbel. Boven deze tekst vinden we titels als: ‘Het oordeel van de Zoon des mensen’ in de protestantse NBG-vertaling uit 1951 en ‘Het laatste oordeel’ in de katholieke Willibrordvertaling van 1977. In toelichtingen op deze tekst wordt vaak het woord ‘rechter’ gebruikt: de mensen staan bij het laatste oordeel voor hun rechter.

Het is echter de vraag of er hier sprake is van een oordeel en een veroordeling zoals een rechter tijdens een rechtszitting uitspreekt. Het woord rechter komt in deze tekst niet voor. De Mensenzoon is hier de Koning (βασιλενς). Wel is het zo dat het de koning is die in die tijd rechtspreekt en dus ook rechter is. De Koning scheidt de mensen echter niet als een rechter in veroordeelden en vrijgesprokenen, maar als een herder (ποιμην) in bokken en schapen. Tijdens een rechtszitting verandert de verdachte in een veroordeelde of in een vrijgesprokene. De herder constateert alleen maar iets wat er als is: het zijn al bokken en schapen.

Jezus zegt ons hier: er zijn mensen die vanuit de liefde leven en mensen die dat niet doen. Zij die vanuit de liefde leven, ontvangen liefde en geven liefde. Zij die niet vanuit de liefde leven weigeren de liefde te ontvangen en geven ook geen liefde. Deze situatie zal aan het einde der tijden onveranderd blijven. Je zonden kunnen je worden vergeven, maar de keuze voor of tegen de liefde is aan iedere persoon zelf. Hij wordt je gegeven maar niet opgedrongen. Wie kiest voor de liefde zal dat in zijn eigen leven al ervaren door de liefde die hij ontvangt, en dat blijft zo, ook in het eeuwig leven.

Dagboek van een zoekend christen

Auteur: Monique Samuel
Titel: Dagboek van een zoekend christen
Uitgever: Ark Media, 2012; prijs: € 12,50
ISBN: 978 90 33800 05 4; aantal pagina’s: 135

Monique Samuel getuigt van haar blijmoedige, opgewekte en dankbare geloof. Ze vertelt over haar zoektocht naar het ware christen-zijn en over een oprecht verlangen naar liefde en bevrijding. Hoe kun je als jonge vrouw in deze tijd Christus werkelijk navolgen. Hoe vind je God en hoe vind je als mens je bestemming.

Aan de hand van de tien geboden zoekt zij naar de werkelijke waarden van het menselijk bestaan. Zij geeft scherpe kritiek op onze hedendaagse cultuur en ook de christenen en de christelijke kerken ontkomen niet aan haar commentaar. Openhartig schrijft zij over haar vreugdes en over haar pijnen. Pijnlijke en moeilijke onderwerpen gaat zij niet uit de weg.

Publicist en schrijver Monique Samuel (1989) kreeg in 2011 als politicoloog landelijke bekendheid met haar commentaren op de opstand in Egypte. Zij heeft een vlotte pen en weet je op boeiende wijze mee te nemen op haar zoektocht langs vele vormen van christendom. Het boek geeft een mooi inzicht in het geloof van deze jonge vrouw.

De verloren zonen; Lc 15,1-3.11-32

In deze tijd wordt ons voorgehouden dat wij zoveel mogelijk moeten genieten. Vooral als je met pensioen bent, mag er geen dag voorbij gaan zonder te genieten. Alles moet leuk zijn! Je moet zoveel mogelijk leuke dingen doen.

Dat moet die jongste zoon ook hebben gedacht. Dat kost natuurlijk een paar centen, maar die heeft pa wel. Dus vraagt hij om zijn erfdeel en trekt de wereld in: van nu af wordt het elke dag genieten! Hij “vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.” Meer vertelt het verhaal niet. We komen niet te weten of de jongste zoon ook echt genoten heeft. We weten niet of het hem gelukkig heeft gemaakt. Het woord ‘verkwisten’ kan verwijzen naar een zekere dwangmatigheid: meer genieten en nog meer genieten, sensaties en nog grotere sensaties. Toen alles op was en hij gebrek leed, zat hij in ieder geval niet na te genieten van zijn wilde leven. Het gaf hem geen napret en geen aangename herinneringen. Nee, hij dacht terug aan zijn vroegere leven: het leven bij zijn vader thuis. Dat was blijkbaar het goede leven, daar was hij gelukkig geweest.

Daar tegenover staat de oudste zoon. Deze doet braaf zijn plicht. Nooit springt hij uit de band. Nog geen bokje wordt er geslacht om met zijn vrienden feest te vieren. Terwijl ook hij zijn erfdeel heeft gekregen en dus geld genoeg heeft. Zijn vader zegt tegen hem: “alles wat van mij is, is ook van jou.” Ook deze zoon is niet gelukkig.

De jongste zoon denkt zijn geluk te vinden in een leven vol passie, sensaties en genietingen. De oudste denkt dat braafheid tot het uiteindelijke geluk zal leiden. Beiden worden teleurgesteld in hun verwachtingen. Beide wegen leiden niet tot het geluk. De enige die gelukkig is in dit verhaal, is de vader. Hij houdt van zijn twee zonen. Ze brengen hem verdriet, maar ook vreugde, werkelijk geluk. De vader ontloopt het leven niet. Hij vlucht niet in de roes van het genieten en de sensatie. Hij keert zich ook niet van het leven af door alleen maar braaf zijn plicht te doen. De twee zonen leven niet; ze zijn dood. Zij zijn bang voor het ware leven en zijn gevlucht, de een in de roes, de ander in de braafheid.

Afgelopen donderdag spraken we hier in de pastorie over hoe je een goed mens kunt zijn. Deze eerste avond van een serie van drie ging over ‘God is liefde’. Onder die titel heeft paus Benedictus zeven jaar geleden zijn eerste encycliek ‘Deus caritas est’ geschreven. De paus onderscheidt in de liefde twee facetten die wezenlijk met elkaar verbonden zijn. Ten eerste de begerende, de opstijgende liefde die uit de menselijke natuur voortkomt: de eros. En ten tweede de schenkende, de neerdalende liefde die van God komt: de agape. De eros is de liefde van de verliefdheid en van de erotiek. De eros is primair op de persoon zelf gericht, het is vooral eigenliefde. De agape is op de ander gericht, zij is belangeloos. De agape is de naastenliefde. De eros geeft een roes van korte duur. De agape geeft blijvend geluk. De agape leidt tot een blijvende relatie en verbondenheid met de naaste en met God.

Terug naar het Evangelie. Het moge ondertussen duidelijk zijn dat er niet sprake is van één verloren zoon. Dit verhaal gaat over twee verloren zonen. De jongste heeft zijn leven verloren in de korte termijn sensatie. De oudste verliest het leven door vermijding. Hij ontloopt het leven. Doordat hij zichzelf niet wil liefhebben, kan hij ook zijn naaste niet liefhebben: zonder eros geen agape. De jongste komt tot inkeer. Hij erkent dat hij een verkeerde weg gekozen heeft en keert terug naar zijn vader om hem vergeving te vragen. Hij doet een beroep op de liefde van zijn vader. Hiermee stelt hij zich open voor de schenkende liefde. Door deze liefde te ontvangen zal hij daarna in staat zijn zelf ook liefde te geven. Alleen door liefde te ontvangen zijn wij in staat liefde te geven. De oudste zoon heeft nog een weg te gaan. Hij is niet in staat de liefde van zijn vader te ontvangen. Hij kan daardoor ook zijn broer niet liefhebben en noemt hem “die zoon van u”. Zijn vader geeft echter de moed niet op en heeft het over “die broer van je” die dood was en weer levend is geworden, verloren was en is teruggevonden. De vader hoopt ook zijn oudste zoon tot leven te brengen.

Ons menselijk leven is lang niet altijd eenvoudig. Voortdurend is er de verleiding van het kortdurende genot. De twee zoons maken twee geheel verschillende keuzes. De jongste kiest de weg van het najagen van het kortdurende genot en de oudste kiest voor het tegenovergestelde. Hij is bang voor de verleiding, bang voor het genot en probeert het tot het uiterste te vermijden en te ontlopen. Beiden zitten op een doodlopende weg. Zoals vaak ligt de waarheid in het midden. Wij zijn mensen en moeten leven als mensen. Maar wij lijken ook op God, zijn naar zijn beeld geschapen en ook in onze levenswijze moeten wij op God lijken.

De paus schreef in zijn encycliek dat eros en agape, menselijke en goddelijke liefde innig met elkaar verbonden zijn. Zij kunnen niet zonder elkaar. Wij moeten de eros niet uit ons leven wegbannen, maar haar in toom houden. Wij moeten ons niet verliezen in de eros. Vanuit de eros komen wij tot de agape, vanuit de menselijke tot de goddelijke liefde. Dit is een proces dat een leven lang duurt. Dit is ook de weg die gehuwden met elkaar gaan. Vanuit de eerste verliefdheid groeien zij tot een wezenlijke verbondenheid met elkaar, van eigenliefde groeien zij naar de schenkende liefde voor elkaar.

Zoals elk proces is ook deze weg een ontdekkingstocht. In Jezus Christus hebben wij een voorbeeld. Hij heeft ons voorgeleefd hoe wij een leven van liefde kunnen leiden. Maar nog steeds moeten wij zelf dat voorbeeld naar onze eigen situatie vertalen en dat betekent dat wij zelf keuzes moeten maken en dat wij daarbij fouten maken net als de twee verloren zonen. Maar altijd is er de liefde van God, de schenkende liefde, de neerdalende liefde die altijd weer vergeving schenkt en ons een nieuwe start gunt. Amen.

Bidden in de Islam

Vanuit een christelijke achtergrond wordt een overzicht van het bidden in de islam gegeven.

De vijf zuilen van de islam

De eerste zuil van de islam betreft de geloofsinhoud de andere vier de rituele plichten (ibadaat). God heeft geopenbaard hoe de mens Hem moet benaderen en met Hem moet omgaan en hoe hij hem moet vereren. Daarnaast regelen deze plichten de geloofsgemeenschap en de onderlinge solidariteit.

  1. Geloofsbelijdenis (sjahada)
    a. De een- en enigheid van God
    b. Engelen
    c. Gezanten en profeten
    d. Geopenbaarde geschriften
    e. Laatste dag
    f. Raadsbesluit van God (‘predestinatie’)
  2. Rituele gebed (salaat)
  3. Religieuze belasting (zakaat)
  4. Vasten tijdens de ramadan (saum)
  5. Bedevaart naar Mekka (hadj)

 

Bidden in christendom en islam

Volgens de Christelijke Encyclopedie[i] is bidden het uitdrukken van de gerichtheid op God. Dit kan een individuele activiteit zijn, maar ook een met anderen gedeelde. Deze definitie kun je ook gebruiken voor het bidden in de islam. Er zijn uiterlijk naast verschillen veel overeenkomsten tussen het bidden van christenen en het bidden van moslims. Kijkend naar de inhoud van het gebed en vooral naar de mentale houding van de bidder zijn de verschillen groter. Dit hangt direct samen met het verschil in Godsbeeld. Tot een liefhebbende en nabije Vader bidt je anders dan tot een hoogverheven en soevereine Rechter. Dit godsbeeld is ook de reden van de strenge reglementering van het verplichte gebed in de islam.

Het verplichte gebed (salaat)

In de Koran is de salaat de meest genoemde religieuze plicht. De salaat vormt de kern van de islamitische liturgie en is de belangrijkste vorm van godsdienstige verering van de islam. Dagelijks wordt er vijf keer gebeden. De vaste momenten zijn: voor zonsopgang, halverwege de middag, voor zonsondergang, na zonsondergang en ’s nachts voor het slapen. De gebedstijden worden met de gebedsoproep (adzaan) door de gebedsoproeper (moe’addzin) aangekondigd.

De tekst van de Adzaan is als volgt: viermaal ‘God is groot’; tweemaal ‘Ik getuig dat er geen godheid is dan God’; tweemaal ‘Ik getuig dat Mohammed de gezant van God is’; tweemaal ‘Haast U naar het gebed’; tweemaal ‘Haast U naar het heil’; tweemaal ‘God is groot’ en tenslotte ‘Er is geen godheid dan God’. Aan de oproep voor het eerste gebed ’s morgens wordt nadat men tweemaal ‘Haast U naar het heil’ heeft geroepen tweemaal ‘Het gebed is beter dan de slaap’ toegevoegd.

Het gezamenlijk verrichten van de salaat versterkt de gemeenschapszin, de oemma. De salaat kent ook een mystieke dimensie. Mohammed kreeg de opdracht tot de vijf dagelijkse salaats tijdens het nachtelijk visioen waarin hij de zeven hemelen betrad. Elke salaat is eigenlijk zo’n mystieke hemelreis. De soefi’s gebruiken de salaat als uitgangspunt voor hun dzikr-rituelen: oefeningen in de mystiek of vroomheid.

Het gebed is alleen geldig als het op de voorgeschreven wijze wordt uitgevoerd. Dit betekent:

  1. Vaste tekst en rituele reinheid door middel van een kleine wassing (woedoe) in de moskee en een grote wassing (ghoesl) thuis.
  2. Ritueel reine ruimte: buiten de moskee is dit te bereiken door het uitrollen van het gebedskleed. Het gebed wordt bij voorkeur in de moskee verricht, maar kan ook elders. Voor mannen is het vrijdagmiddaggebed verplicht in de moskee. In de moskee zitten de vrouwen apart.
  3. Opstelling in de juiste richting (kibla). Dit is in de richting van de ka’ba in Mekka en wordt in de moskee aangegeven door de mihraab, een nis in de moskee.
  4. Uitspreken van de intentie (nijja): ‘Tot meerdere eer en glorie van God’.
  5. Juiste houding.

Naast deze verplichte vormgeving is ook het hebben van de juiste intentie belangrijk. Dit is voor een niet-moslim niet mogelijk.

De salaat bestaat uit de volgende onderdelen. De getallen verwijzen naar de figuur.[ii]

  1. Uitspreken intentie (nijja): “Ter meerdere eer en glorie van God.”
  2. Uitspreken takbir: “God is groot.” (Allahoe akbar)
  3. Opening van het gebed
    a. Lofprijzing (as-Sana): “Heilig bent U, o God, en lof zij U, en gezegend is Uw naam en hoog is Uw roem, er is geen god behalve U. Ik zoek mijn toevlucht bij God tegen de vervloekte Satan.”
    b. Openingssoera Koran: “In naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige. Lof zij God, de Heer van de wereldbewoners, de Erbarmer, de Barmhartige, de Heerser op de oordeelsdag. U dienen wij en U vragen wij om hulp. Leid ons op de juiste weg, de weg van hen aan wie u genade geschonken hebt, op wie geen toorn rust en die niet dwalen.”
    c. Recitatie van een andere soera.
  4. Buiging (roekoe)
    a. “God is groot.”
    b. “Geprezen zij mijn Heer, de Almachtige.” (driemaal)
  5. Staand: “Moge God luisteren naar hem die Hem geprezen heeft. Onze Heer, U zij alle lof.” en “God is groot.”
  6. Prosternatie (soedjoed): “Geprezen zij mijn Heer, de Almachtige.” (driemaal) en “God is groot.”
  7. Zittend: “O God, vergeef mij en heb genade.” en “God is groot.”
  8. Prosternatie (soedjoed): “Geprezen zij mijn Heer, de Almachtige.” (driemaal) en “God is groot.”
  9. De onderdelen 3) tot en met 8) vormen samen een rak’a. Afhankelijk van de gebedstijd bestaat de salaat uit een aantal rak’a’s. Tussen twee rak’a’s volgt staand: “God is groot.”

De volgende rak’a wordt in de figuur met de getallen 10) tot en met 14) aangegeven. Na iedere twee rak’a’s en na de laatste rak’a wordt zittend de tasjahhoed uitgesproken (15) : “Alle aanbidding in woord, daad en bezit komt aan God toe. Vrede, zij met U, o Profeet en de genade van God en Zijn zegeningen. Vrede zij met ons en met de ware dienaren van God.” Deze wordt afgesloten met de sjahada: “Ik getuig dat er geen godheid is dan God en dat Mohammed zijn afgezand is.”Zittend wordt de tasjahhoed uitgesproken. Iedere mens wordt begeleid door twee engelen die alle daden van de mens tot in detail opschrijven in zijn levensboek dat op de dag des oordeels dient als getuige. Eerst wordt ter afsluiting van de salaat de engel te rechterzijde begroet (16) met de woorden: “Vrede zij met U en de genade van God.” Tenslotte wordt op de zelfde wijze de engel ter linkerzijde begroet (17).

Andere vormen van bidden in de islam

Naast het verplichte gebed kent de islam vele andere vormen van bidden. Zo is er de persoonlijke smeekbede (dua). Soera 2,186: “Wanneer Mijn dienaren jou naar Mij vragen: Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van iemand die bidt, wanneer hij Mij aanroept. Zij moeten Mij dus gehoor geven en in mij geloven. Misschien zullen zij de goede weg opslaan.”

De islam kent verschillende vormen van bedevaart. Als eerste is er de hadj, de officiële bedevaart naar Mekka, die iedere moslim eens in zijn leven geacht wordt te gaan. Daarnaast zijn er het informele bezoek (ziyara) aan Jeruzalem of het graf van Mohammed in Medina. Mekka, Medina en Jeruzalem zijn de drie heilige plaatsen van de islam. De hadj bestaat uit zeven onderdelen uit te voeren op drie dagen. De zevenvoudige rondgang rond de ka’ba is hiervan het meest bekend. De hadj wordt afgesloten met offerfeest (ied al-adha) dat wereldwijd gevierd wordt. Tijdens het offerfeest wordt het dier binnen de familie gegeten en een deel aan de armen gegeven. De andere grote feestdag is na afloop van de ramadan: de ied al-fitr, het feest van het verbreken van het vasten.

Deze feestdagen en andere belangrijke momenten in het leven zoals geboorte, huwelijk en dood kennen hun eigen vormen van salaat.

Mystiek

Van Mohammed wordt verteld dat hij mystieke ervaringen had. In zijn slaap is hij weggevoerd, eerst naar Jeruzalem en daarna vanaf de tempel naar de hemel. Dit staat bekend als de hemelvaart van Mohammed. De mystieke ervaringen van Mohammed vormen de basis voor het soefisme, een mystieke beweging binnen de islam die verwant is aan het oosterse christelijke kloosterleven. Ook in de Koran vindt de mystiek haar wortels: “God is het licht van de hemelen en de aarde. Zijn licht lijkt bijvoorbeeld op een nis met een lamp erin. De lamp staat in een glas. Het glas is zo schitterend als een stralende ster. Zij brandt [op olie] van een gezegende boom, een olijfboom – geen oostelijke en geen westelijke – waarvan de olie bijna [uit zichzelf] licht geeft, ook al heeft geen vuur haar aangeraakt; licht boven licht. God leidt tot Zijn licht wie Hij wil.” (Soera 24,35) De weg van soefi’s leidt naast versterving tot kennis van het bovennatuurlijke.

Voor de gewone moslims kregen de soefi’s de status van heiligheid. Zij werden vrienden van God (wali) genoemd. In rangorde komen de wali direct na de profeten. Zij zijn in staat tot wonderen en hebben een zegenrijke invloed (baraka). Deze baraka is ook verbonden met overleden wali en leidt tot een cultus rond hun graftombes, bestaande uit bedevaarten, retraites en het brengen van votiefgeschenken. Ook aan de afstammelingen van Mohammed wordt baraka toegeschreven.

Een andere vorm van volksvroomheid is het gebedssnoer (tasbih). De tasbih is een hulpmiddel bij het denken aan God (dzikr) door het noemen van de 99 schone namen van God en het prijzen van God door 33 maal Soebhan Allah (verheven is God), 33 maal Al-hamdoelillah (alle lof zij God) en 33 maal Allahoe akbar (God is groot) te zeggen. Dit gebedssnoer vindt zijn oorsprong in India en is via de islam tot het christendom gekomen in de vorm van de Rozenkrans.

Literatuur

Herman Beck, Islam in hoofdlijnen, Zoetermeer: Meinema, 2002.

Fred Leemhuis, De Koran: Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands, Houten: Fibula, 2002, 11e druk.

Frank E. Peters, Islam en de joods-christelijke traditie: Een verkenning, Amsterdam: Boom, 2005.

Jacques Waardenburg (red.), Islam: Norm, ideaal en werkelijkheid, Houten: Fibula, 2000, 5e druk.


[i] George Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 192-193.

[ii] Dr. Th.W. Juynboll, Handleiding tot de kennis van de Mohammedaansche Wet volgens de leer der Sjâfi’itische school, Leiden: Brill, 1903, 68.