Spring naar inhoud

Verzoening

De roep om vergelding is sterk in ons land. Zodra er wat dan ook aan kwaad is geschied, roepen velen dat de daders opgepakt en gestraft moeten worden. De toon is daarbij vaak genadeloos. Het liefst moet de vergelding zodanig zijn dat we er nooit meer last van zullen hebben. Natuurlijk moet het recht zijn loop hebben. Maar is het recht alleen bedoeld om met vergelding het kwaad te bestrijden of is er ook nog zoiets als verzoening? Moet aan daders niet ook weer een nieuwe kans geboden worden om hun leven een positieve draai te geven? Brengt een zware straf werkelijk troost en verlichting voor slachtoffers en nabestaanden? Ook zij moeten met hun leven verder en moeten leren leven met het leed dat hen is aangedaan. Zij zullen zich ermee moeten verzoenen.

Teveel aandacht voor vergelding staat de verzoening in de weg. Elders in de wereld zijn andere wegen bewandeld om met het kwaad in het reine te komen. Denk aan de Waarheids- en Verzoeningscommissie in Zuid-Afrika. Onder leiding van bisschop Desmund Tutu zijn de misstanden van de apartheidsstrijd aan het licht gebracht en hebben mensen zich met het verleden en met elkaar verzoend. Een ander voorbeeld is hoe Denemarken momenteel omgaat met terugkerende jihadisten. In plaats van te dreigen met de gevangenis, zoals in Nederland en België, ligt in Denemarken de nadruk op de opvang van deze jongeren. Door hen een opleiding en een baan te geven, krijgen ze een kans op terugkeer in de maatschappij. De critici noemen dit gevaarlijk en naïef, maar de eerste resultaten lijken positief. Het aantal mensen dat vanuit Denemarken naar Syrië vertrekt om daar te vechten, is gedaald.

Op 31 oktober nam Geert Corstens afscheid als president van de Hoge Raad, de hoogste rechtsprekende instantie in Nederland. Hij pleit voor de mogelijkheid van excuses door de dader zonder dat dit door de rechter als een bekentenis wordt gezien. Hiermee opent hij de weg naar meer aandacht voor verzoening. In De Volkskrant zegt hij: “Als twee buren elkaar de kop hebben ingeslagen, moeten ze morgen weer met elkaar verder. Dat gaat beter als je je met elkaar verzoent dan wanneer je vijandig tegenover elkaar staat.”

Jezus van Nazareth heeft voortdurend mensen hun zonden vergeven. Hij roept ook ons op vergeving te schenken en vergeving te vragen. Beide zijn niet gemakkelijk en vragen dat we boven onszelf uitstijgen. Beide zijn daden van liefde. Vergeving vragen is afzien van je trots en maakt je nederig. Vergeving schenken is afzien van je slachtofferschap en wraakgevoelens. Vergeving is de enige weg naar leven en naar toekomst. Verzoening voorkomt dat we in het verleden blijven hangen. Dat geldt zowel voor het slachtoffer als voor de dader.

Column in Telstar, 26 november 2014

Augustinus over diakens

Auteur: Bart Koet
Titel: Augustinus over diakens: Zijn visie op het diakonaat
Uitgever: Parthenon, 2014
Prijs: € 24,90
ISBN: 978 90 79578 702
Aantal pagina’s: 240

De titel en doel

De titel van deze studie van Bart Koet belooft meer dan het uiteindelijke resultaat. Koet zocht naar de visie van Augustinus op het diaconaat, maar heeft die helaas nauwelijks of niet kunnen vinden in de geschriften van Augustinus. Deze schreef over problemen in de Kerk, meningsverschillen en zaken die om opheldering vroegen. Blijkbaar waren er geen problemen met het diaconaat en was voor ieder duidelijk wat de rol en plaats van de diaken was en vond Augustinus het niet nodig hierover te schrijven. Dat neemt niet weg dat het boek een boeiend ver. slag van deze zoektocht is met veel informatie over het diaconaat in de vroege Kerk. Voor protestanten is er nog een extra teleurstelling. Zij verstaan onder diaconaat niet het ambt van de diaken maar het werk van de diaconie. Dit laatste wordt door katholieken caritas of diaconie genoemd.

Koet schrijft: “De doelstelling van dit boek is om gegevens aangaande diakens in de werken van Augustinus te onderzoeken. De ordening ervan kan er toe leiden dat we een profiel kunnen schetsen van zijn visie op het ambt diaken. Dat profiel is niet meer, maar ook niet minder dan een beperkt regionaal beeld van de manier waarop het diaconaat functioneerde in de toenmalige provincie Africa in de kerk van het einde van de vierde en aan het begin van de vijfde eeuw. Zo kan er enig inzicht ontstaan in het functioneren van het diaconaat in de oude kerk. Een proefboring naar zo’n detail kan ons bovendien iets leren van de oude kerk in het algemeen.

Begrip van het functioneren van het diaconaat als onderdeel van de andere ambten in het Hippo van de vierde eeuw kan de theologen van de eenentwintigste eeuw helpen met het doordenken van ambt in de verschillende kerken. Zelfs is het mogelijk dat creatieve geesten ideeën aangaande leiderschap en ambt ook breder vruchtbaar kunnen maken voor het hedendaagse denken over management en leiderschap.”

Leiderschap

Koet begint zijn boek met het woord leiderschap. Hoe geef je ook in onze tijd goed leiding? Zijn aandacht gaat hierbij uit naar mensen die leidinggevenden assisteren. “Zij moeten vaak bemiddelend leiding geven.” Het diaconaat in de oude Kerk is een dergelijke vorm van leidinggeven. Dit thema wordt niet verder uitgewerkt. Koet spreekt vervolgens slechts in algemene termen over managers en leidinggevenden en over “Servant Leadership”. Hij legt een relatie tussen dienen en verbinden en wijst op de mogelijkheid van verbindend leiderschap, maar werkt dit niet uit.

Zowel voor leidinggevenden als voor diakens vraagt dit thema om verdere uitwerking. In het Nederlands wordt het onderscheid waarop Koet duidt, het best weergegeven met de woorden bestuurder en manager. De bestuurder is degene die de organisatie als geheel bestuurt en die de eindverantwoordelijkheid draagt en de manager is iemand die ondergeschikt aan de bestuurder leiding geeft aan een deel van de activiteiten van de organisatie. De manager moet bemiddelend leidinggeven. Voor hem is dienend leiderschap niet zozeer een keuze als wel een noodzaak. Hij moet ervoor zorgen dat de medewerkers doen wat de bestuurder bepaalt. Dit is vergelijkbaar met de positie van de diaken in de oude Kerk maar ook in de huidige Kerk. Het tweede Vaticaans Concilie maakt in die zin in Lumen gentium ook onderscheid tussen het leidinggeven door bisschoppen en priesters enerzijds en diakens anderzijds. Bij de eersten worden de termen regere en gubernare gebruikt. Hierin herkennen we Nederlandse woorden regeren en gouvernement. Bij diakens is sprake van administrare. Deze term vinden we terug in het bestuur van de V.S. waar de ministers de administration uitvoeren. Binnen dit presidentiële systeem is de president de bestuurder. Een bestuurder kan ervoor kiezen een dienend leider te zijn. Zo noemt binnen de r.-k. Kerk de paus zich dienaar der dienaren. Voor legers is een strikt hiërarchisch leiderschap gebruikelijk waarbij de legeraanvoerder besluit wat er moet gebeuren en zijn officieren en vooral de sergeants dat samen met hun manschappen mogen realiseren.

Positie van de diaken

Zo nu en dan wekt Koet de indruk dat de diaken van tegenwoordig er maar bekaaid van afkomt. Dat was in de oude Kerk toch beter. Mij lijkt een dergelijke vergelijking tussen de Kerk van nu met die van vroeger niet erg op zijn plaats. Destijds was de Kerk vooral een in de steden opkomende beweging. Een stad kende een gemeenschap van christenen met een eigen bisschop. Die beschikte over een aantal diakens om hem te ondersteunen. Als het aantal bisschoppen in hetzelfde tempo was gegroeid als het aantal gelovigen waren er nu in Nederland alleen al een honderdtal bisschoppen geweest. Dat zou de eenheid van de Kerk ongetwijfeld niet ten goede komen. Voorbeelden uit het verleden kunnen dienen als bron van inspiratie. We moeten ze niet zien als voor de huidige situatie mogelijke oplossingen.

Diakens moeten zich niet als Calimero gedragen. Koet klaagt er bijvoorbeeld over dat het diaconaat in wetenschappelijk onderzoek weinig aandacht krijgt. Diakens zijn niet klein en minderwaardig. Ze hebben het prachtige ambt van dienaar en kunnen daar trots op zijn.

Dienen

Koet maakt een duidelijk onderscheid tussen de begrippen dienaar en slaaf. Het Grieks kent de woorden δουλος (doulos) en διακονος (diakonos). De δουλος is een slaaf, iemand die niet vrij is. De διακονος is een vrije dienaar, bijvoorbeeld een ambtenaar van de koning. Van dit laatste woord is ons woord diaken afgeleid. Koet volgt hierin de studie van Collins waarin de rol als boodschapper en bemiddelaar benadrukt wordt.

In Mc 10,43-44 worden de woorden slaaf en dienaar – δουλος en διακονος – naast elkaar gebruikt: “Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen.” Er kan er natuurlijk maar één de eerste zijn en dat is Jezus zelf. Alleen Hij is in staat slaaf te zijn zonder zijn vrijheid te verliezen. Alleen Hij kan zijn leven geven als losprijs voor velen, ons bevrijden uit de slavernij en tot vrije mensen maken. Wij christenen mogen dienaar zijn.

Opzet van het boek

In hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op de oorsprong van het begrip diaken en in hoofdstuk 3 wordt het diaconaat in de oude Kerk beschreven. Na deze twee inleidende hoofdstukken volgt nog een inleidende hoofdstuk over de persoon van Augustinus. Daarna komt in de hoofdstukken 5 tot en met 7 het werk van Augustinus aan de orde. Koet onderscheidt in het spreken en schrijven van Augustinus over diakens drie velden:

  • de diaken als bode en gezant;
  • de diakens als evangelist en verkondiger;
  • de heilige diakens van de vroege Kerk.

Het boek wordt afgerond met conclusies en een epiloog.

Waar komt de term diaken vandaan?

In dit hoofdstuk volgt Koet het onderzoek en de conclusies van Collins. Hij schrijft over het gebruik van de woorden met de diakon-stam in het Bijbelboek Esther, bij de joodse geschiedschrijver Flavius Josefus, bij de Griekse filosoof Plato en in het verhaal over de bruiloft van Kana in het evangelie volgens Johannes.

Koet concludeert dat er nergens sprake is van een nederig dienaar of van nederig dienen. Hij noemt de betekenissen: boodschapper, gezant, verbinder en dienaar van een hogere bestuurder.

Diaconaat in de oude Kerk

In de vroege Kerk was er in eerste instantie het tweevoudige ambt van de bisschop en de diaken. Daarnaast ontwikkelde zich het drievoudige ambt van bisschop, priester en diaken. Gedurende langere tijd hebben beide vormen naast elkaar bestaan. De bisschop staat centraal en de diaken is zijn assistent. Koet schrijft op basis van de Didascalia: “Alhoewel de diaken alles aan de bisschop moet communiceren, moet hij wel zoveel mogelijk (niet nader genoemde) zaken zelf oplossen. Wel moet de diaken het gehoor van de bisschop, zijn mond, zijn hart en zijn ziel zijn.” De diaken heeft ook verschillende taken tijdens de viering van de Eucharistie. Het aantal diakens is afhankelijk van de hoeveelheid werk. De Didascalia kenmerkt de verhouding tussen bisschop en diaken met: “Voor ons, nu, is Aaron de diaken en Moses is de bisschop.” Naast sociale, liturgische en praktische taken hebben de diakens ook een taak op het gebied van catechese.

Begin tweede eeuw schrijft Ignatius van Antiochië een brief aan de Tralliërs. Hieruit haalt Koet een typologie van de drie ambten: “…dat allen gelijkelijk eerbied moeten hebben voor de diakens als voor Jezus Christus, zoals ook voor de bisschop, zijnde een afspiegeling van de Vader, en de priesters als raadsvergadering van God en als band van apostelen.” Ook in de Didascalia komt deze typologie voor aangevuld met: “De diacones is het type van de Heilige Geest.”

In de vierde eeuw krijgt het drievoudige ambt de overhand en vindt de cursus honorum ingang. Dit betekent dat er een carrièrepatroon ontstaat van diaken naar priester naar bisschop. Later begint dit met de vier kleine wijdingen gevolgd door het subdiaconaat. Terwijl de rol van de priesters belangrijker wordt, neemt die van de diakens geleidelijk af. Tot ver in de Middeleeuwen is het diaconaat een zelfstandige functie en zijn er voorbeelden van permanent diaconaat zoals Adelbert van Egmond, Alcuinus, waarschijnlijk Franciscus van Assisi en Geert Grote. Ruim honderd jaar geleden ging kardinaal Teodolfo Mertel tot zijn dood in 1899 naar de H. Mis bij zijn secretaris omdat hijzelf diaken was. De afgelopen eeuw, maar ook lang daarvoor, was het diaconaat in feite alleen maar een noodzakelijke opstap naar de priesterwijding, totdat het Tweede Vaticaans Concilie het diaconaat weer een zelfstandig karakter geeft.

Augustinus

In hoofdstuk 4 beschrijft Koet het leven van Augustinus en zijn betekenis voor het christendom. Hierbij gaat hij uitgebreider in op de opvattingen van Augustinus over het ambt. Deze blijken vooral het bisschopsambt te betreffen. Het diaconaat krijgt weinig aandacht. Als bisschop noemt Augustinus een andere bisschop coepicopus, een priester conpresbyter en een diaken condiaconus. Als bisschop is hij ook priester en diaken. Als bisschop wenst hij ook niet anders gekleed te gaan dan als een van zijn nederigste diakens. Augustinus heeft geen expliciete en uitgewerkte visie op het ambt nagelaten. Zijn opvattingen over het diaconaat moet als terloopse informatie uit zijn werken opgediept worden. Naast het woord diaconus gebruikt Augustinus soms ook de woorden minister en levita om het diakenambt aan te duiden. De laatste term verwijst naar de levieten uit het jodendom. Ook de subdiaken wordt door hem genoemd. Diaconessen komen we anders dan in Constantinopel bij Johannes Chrysostomos bij Augustinus niet tegen.

De diaken als bode en gezant

Vlak na zijn priesterwijding schrijft Augustinus: “dat er in dit leven en vooral in onze tijd niets bestaat dat gemakkelijker, aangenamer en in de ogen van de mensen meer begerenswaard is dan het ambt van bisschop, priester of diaken, indien men het gemakzuchtig en op een kruiperige manier uitoefent. Maar dan is er ook niets dat bij God ellendiger, treuriger en veroordelenswaardiger is. Van de andere kant kan men zeggen, dat er in dit leven en vooral in onze tijd niets is dat moeilijker en gevaarlijker is en meer inspanning vraagt dan het ambt van bisschop, priester of diaken. Maar wanneer men deze dienst uitvoert zoals onze Gebieder beveelt, is er ook niets dat bij God gelukkiger maakt.” Hij ziet hier bisschoppen, priesters en diakens als één groep met een ambivalent ambt.

Bij Augustinus staat de bisschop centraal. De bisschop heeft priesters en diakens om hem heen: zijn priesters en zijn diakens. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe Augustinus de diaken als bode en gezant ziet. Koet beschrijft hoe de communicatie destijds vaak over grote afstanden per brief plaatsvond en wat hierin het grote belang van de betrouwbare bode was. De band tussen de bisschop en diaken maakt de diaken tot een uitermate geschikte bode. In zijn brieven vermeldt Augustinus met aanbeveling vaak de diaken die de brief zal bezorgen. De diaken wordt ook in penibele kwesties geacht bode te zijn, zoals in de strijd tussen Augustinus en Pelagius. Hij is als de rechterhand van de bisschop zijn vertrouweling, gezant en afgevaardigde en kan ook namens de bisschop optreden. Diakens hebben ook financiële verantwoordelijkheden en moeten soms delicate, pastorale taken uitvoeren. Zo zijn zij bij het bestuur van het bisschopsstadje Hippo betrokken.

De diaken als evangelist en verkondiger

In de katholieke Kerk krijgt de diaken bij zijn wijding een evangelieboek overhandigd. De verkondiging van het geloof en het geven van catechese is in de ogen van Augustinus een van de taken van de diaken. Hij verwijst maar zelden expliciet naar diakens die voor de armen en de zieken zorgen. Het is voor hem ook geen expliciete taak van de diaken. Zonder dat Augustinus hiervan een uitgebreide beschrijving geeft, is het duidelijk dat de diaken in de liturgie functioneert. Het is de diaken die als een go-between het volk oproept om samen te bidden. Ook wordt het lezen van het evangelie en van officiële stukken genoemd.

Uitgebreid schrijft Koet over het geloofsonderricht aan doopleerlingen. Hierin spelen volgens Augustinus ook diakens een rol als leraar. Zij moeten het grote verhaal vertellen – van de schepping tot de huidige dag – en daarbij de krenten uit de pap halen die wervend en aantrekkelijk zijn om te horen en goed te onthouden. Dat vraagt pedagogische kwaliteiten. De diaken is de go-between tussen Schrift en traditie en zijn leerlingen.

De heilige diakens van de vroege Kerk

Er is een flink aantal preken van Augustinus bewaard gebleven die aan drie heilige diakens gewijd zijn. Het zijn Stefanus van Jeruzalem, Laurentius van Rome en Vincentius van Spanje. Drie martelaren met namen die verwijzen naar de overwinning, die zij met hun dood hebben behaald. Augustinus besteedt vooral aandacht aan hun martelaarschap. Het martelaarschap verbindt hij met de bediening van de kelk tijdens de Eucharistieviering door de diaken. Bij Stefanus, de eerste diaken, wijst Augustinus op zijn bijzondere preekcompetenties en op de relatie van Stefanus met Christus. Hierbij citeert hij Joh 12,26: “Waar Ik ben, daar is ook mijn dienaar (diakonos).” Bij Laurentius, de grote diaken van het Westen, wordt de zorg voor de armen genoemd en zijn sterke relatie met de bisschop: “Waar gaat gij, vader, zonder uw zoon; waarheen haast gij, heilige bisschop, u zonder diaken.” Wat ons over Vincentius, de Spaanse diaken, is overgeleverd, vertoont een grote gelijkenis met de verhalen over Laurentius.

Naast deze drie grote diakens preekt Augustinus ook over minder bekende diakens. Ook hier is aandacht voor de bijzondere band tussen de bisschop en zijn diakens. Tenslotte komt ook Filippus regelmatig in het werk van Augustinus voor. Met Stefanus behoort hij tot de zeven mannen uit Hnd 6 die volgens Augustinus door de handoplegging tot diaken zijn gewijd. Hij noemt Filippus een evangelist; hij verkondigt en hij doopt.

Conclusies

Koet schrijft: “In de tijd van Augustinus ontbreekt voor een groot gedeelte systematische reflectie op het ambt, wellicht omdat de taken van de verschillende ambten bekend verondersteld werden.” Uit het werk van Augustinus trekt Koet drie conclusies: “Allereerst komt naar voren dat hij diakens zag als medeclerici en daarnaar verwijst hij geregeld in zijn werk. Ze behoren vanzelfsprekend bij de structuur van de kerk, maar juist die vanzelfsprekendheid leidt er toe dat het eigenlijke functioneren van diakens alleen maar in het ‘voorbijgaan’ besproken worden. Toch kunnen we op grond van die verwijzingen een globaal profiel schetsen van de taken van diakens. Tenslotte blijkt dat er in de tijd van Augustinus er verschillen bestaan tussen de verschillende kerken, ook wat betreft de clerici.”

Augustinus heeft een collegiale opvatting over het ambt. Voor hem zijn ook diakens collega’s en samenwerkers. Diakens maken deel uit van het drievoudige ambt. ”De bisschop is het hart, diakens en priesters zijn daarvan afhankelijk. (…) Een bisschop verhoudt zich tot zijn diakens als een vader tot zijn zoons.“

Over de verbindende rol van de diaken concludeert Koet: “Er zijn twee dingen die bij Augustinus naar voren komen als taken van de diaken en die taken zijn alle twee op een bepaalde manier verbindend.” Het is de rol van de diaken als hulp bij de geloofsinitiatie en zijn rol als bode en gezant. Daarnaast is er de verantwoordelijkheid voor het beheer van het bezit van de Kerk en de assistentie tijdens de liturgie. “Zo legt hij de verbinding tussen de bisschop en het volk.”

De tijd van Augustinus is voor de Kerk een overgangstijd. De bisschop wordt “een publiek figuur (…) die in het seculiere leven een steeds belangrijkere rol gaat spelen. We zien ook bij Augustinus de eerste tekenen dat de priester bepaalde functies van de bisschop gaat overnemen. (…) De diaken, die de bisschop liturgisch bijstond met de kelk en in het bestuur van het bisdom met de functie van gezant, gaat aan invloed inboeten…”

Koet schrijft dat Augustinus “weet dat een bisschop en een diaken in die oude tijden van de kerk een bijzondere band hadden. Het is een band die teruggaat op de oudste ambtsstructuren van de kerk. Toch zal die band na Augustinus steeds meer verzwakken. Maar de band wordt niet uitgewist, zoals blijkt uit het feit dat ook vandaag de dag een dienst van bisschop en diaken voor een gedeelte een duet tussen deze ambten blijft.” Koet vermoedt dat er destijds binnen de Kerk grote verschillen waren wat de taken van de diakens betreft.

Epiloog

Tot slot schrijft Koet: “De opvatting die het diakenambt vooral en bijna uitsluitend beschouwt als liefdedienst aan de armen en zwakken is niet terug te vinden in de oude kerk, ook niet bij Augustinus. Hoe nobel zo’n dienst ook is, vanuit het begin van de vroege kerk zijn er twee kanttekeningen bij te maken. Allereerst was de dienst aan de armen in het begin van de kerk de verantwoordelijkheid van de bisschop en daarmee misschien wel van de hele kerkgemeenschap. Ook tegenwoordig zou zo’n dienst vooral bij de bisschop als voorzitter van de plaatselijke kerk mogen blijven. (…) Het Vaticaans Concilie zag voor de diaken drie taakvelden: een heiligingstaak (de diakonia van de liturgie), een verkondigingstaak (de diakonia van het woord) en een herderlijke taak (de diakonia van de liefdewerken). Alhoewel in de uitwerking van de theologie van het diaconaat soms zwaar het accent op het laatste element is komen te liggen, blijkt uit het feit dat het Concilie de diaken ook zag als verkondiger van het Woord dat dat niet zo bedoeld is. (…) We zien die drie munera op een of andere manier terug bij Augustinus. Maar er komt iets bij. Ook hij laat zien dat het diakenambt in de oude kerk erg verbonden was met verbindingen leggen, tussen Schrift en het kerkvolk, tussen het altaar en de mensen in de kerk, tussen bisschop en de mensen uit de ecclesia, maar zeker ook met het optreden als bode tussen verschillende mensen, steden en kerken. Een van de meest kenmerkende eigenschappen van de diakens is dat zij op een of andere manier een go-between zijn. (…) Eén van de belangrijkste nieuwe ontwikkelingen van de eenentwintigste eeuw is de snelle ontwikkeling van de communicatiemiddelen. (…) Juist in een wereld waar communicatie steeds veelzijdiger wordt en verbinding leggen belangrijker, is het nodig dat mensen leiding geven ook verbindingen leggen inhoudt. (…) De diaken als verbindingsofficier kan de wereld in de kerk brengen en de kerk in de wereld.”

Allerheiligen; Apk 7,2-4.9-14; 1 Joh 3,1-3; Mt 5,1-12

Op dit feest van Allerheiligen hebben we de neiging om de Bijbelteksten vooral te betrekken op hen die opgenomen zijn in Gods heerlijkheid, op de heiligen in de hemel. Ook als wij in de geloofsbelijdenis ‘de gemeenschap van de heiligen’ noemen, denken we vooral aan de heiligen in de hemel. Als de apostel Paulus het in zijn brieven over heiligen heeft, bedoelt hij echter de christenen hier op aarde. Heiligen zijn dus niet alleen degenen die heilig zijn verklaard. Alle christenen op aarde en in de hemel vormen één gemeenschap van heiligen. Vanouds onderscheiden we drie verschillende groepen heiligen: de strijdende Kerk op aarde, de lijdende Kerk in het vagevuur en de triomferende Kerk in de hemel. Deze drie groepen vormen samen de gemeenschap van de Kerk: de gemeenschap van de heiligen. Zo horen niet alleen Allerheiligen en Allerzielen bij elkaar, maar zijn ook wij hier op aarde wezenlijk verbonden met onze broeders en zusters in het vagevuur en in de hemel.

Vandaag vieren we het heil, de verlossing en verheerlijking die de heiligen in de hemel ontvangen hebben. Morgen bidden wij voor de overledenen die nog onderweg zijn naar het heil. En wij zelf worden iedere dag geroepen ons leven te heiligen. Wij allen zijn door God geschapen om heiligen te zijn. Dit is de boodschap van de eerste twee lezingen. Niet alleen de kinderen van Israël, de kinderen van het uitverkoren volk, nee, alle mensen, alle kinderen van God roept Hij tot het heil. Alle mensen worden verlost door Christus, allen dragen de witte gewaden gewassen door het bloed van het Lam. Nu reeds zijn wij kinderen van God. Wat ons nog te wachten staat, weten we niet, maar wel weten we dat we zullen delen in de heerlijkheid van Gods Zoon. Hij die aan ons gelijk is geworden, maakt ons aan Hem gelijk. Als wij in God geloven, van Hem het heil verwachten worden wij gelijk aan Christus. Zo beantwoorden wij zijn menswording, zijn vereniging met ons. Zo verenigen wij ons met Christus.

Wij zijn niet in staat op eigen kracht het heil te realiseren. Wij zijn voor ons heil geheel en al afhankelijk van God. Hij is onze Schepper en onze liefhebbende Vader. Hij wil het heil voor al zijn kinderen. In en door Christus is ons dit geopenbaard. Hij is de enige en universele middelaar van het heil. Hij is onze verlosser en redder. In en door Hem komt de schepping tot haar voltooiing. Wij zijn niet in staat op eigen kracht de hemel te verdienen, maar wij zijn ook geen willoze wezens. God heeft ons geschapen met een vrije wil. Deze vrije wil maakt ons medeverantwoordelijk. Wij kunnen ervoor kiezen ons vertrouwen op God te stellen, maar wij kunnen ons ook van Hem afkeren. Wij kunnen ook denken dat we onszelf gelukkig zullen maken, dat we het geluk zullen vinden in alleen aardse zaken.

God vraagt van ons dat wij in Hem geloven, ons vertrouwen op Hem stellen en het heil van Hem verwachten. Dat is ons antwoord op het heil dat God ons geeft. Wij beantwoorden zijn genade met geloof. Zo ontstaat de samenwerking tussen Gods genade en onze vrije wil. Op deze manier werken wij mee met de genade. Het eerste antwoord van de mens op de genade is het aanvaarden van de genade van het geloof. Vaak horen we Jezus zeggen: ‘Uw geloof heeft u gered.’ Maar het antwoord gaat verder dan het geloof alleen. Jezus zegt in de Bergrede ook: ‘Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.’ Door de genade komen wij tot geloof en vervolgens tot de goede werken. Op deze wijze is er sprake van ‘meewerken met de genade’. Zo komt het heil tot stand door de samenwerking tussen goddelijke genade en menselijke vrije wil.

De zaligsprekingen vormen het begin van de Bergrede. Jezus begint de verkondiging van het Rijk der hemelen met de zaligsprekingen. Het zijn een soort felicitaties. Hij wenst mensen geluk, zegt dat ze gezegend zijn. Deze mensen ontvangen het heil. Wie zijn het die het heil ontvangen? Het zijn de mensen die erkennen dat ze met lege handen staan. Dat zijn de armen van geest: mensen die weten dat ze niet op eigen kracht het heil kunnen realiseren, mensen die weten dat alles genade is, mensen die dankbaar zijn voor de genade die ze mogen ontvangen. Amen.

Oogstdankdag; Js 25,6-10; Fil 4,12-14.19-20; Mt 22,1-14

Ter voorbereiding op deze viering zocht ik op internet naar berichten over de tuinbouw. Naast allerlei vaktechnische berichten kwam ik natuurlijk berichten tegen over de boycot van onze tuinbouwproducten door Rusland. De Europese Unie en onze regering zijn bezig met steunmaatregelen. Ik las ook dat sommige bedrijven werktijdverkorting ingevoerd hebben. Het is duidelijk het telen van groente staat niet los van oorlog en vrede. In onze huidige wereld hangt alles met elkaar samen. De productie van ons eten mag niet een speelbal zijn van de vrije markt. Voedsel moet betaalbaar zijn voor iedereen en de producenten moeten er een behoorlijke prijs voor ontvangen. Dat geldt niet alleen voor onze eigen tuinders, maar voor allen die – waar ter wereld ook – voor de productie van voedsel zorgen.

Ik kwam nog meer berichten tegen. Sommige verrasten mij, zoals een bericht over het tekort aan huisvesting voor arbeidsmigranten. Er zou in Nederland een tekort zijn van 350.000 flexibele woonplekken voor mensen die hier een bepaalde tijd komen werken. Dat is natuurlijk niet alleen in de tuinbouw, maar ook in andere sectoren. Als ik een tomaat eet, denk ik nooit aan dergelijke zaken. Onlangs kwam de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) met een rapport over voedselbeleid. Het gaat om een voedselbeleid in plaats van een landbouwbeleid. Ook LTO Nederland pleit voor meer aandacht voor de volksgezondheid, het milieu en voor duurzaamheid, en ook voor aandacht voor dierenwelzijn en landschapsbeheer. In een ander bericht werd aandacht gevraagd voor de biodiversiteit, het voortbestaan van allerlei soorten planten en dieren. Ook dat heeft te maken met duurzaamheid. Ook consumenten hebben aandacht voor deze zaken. Zo las ik dat de export van biologische producten vorig jaar met 9% is gegroeid. We leven inderdaad in een ingewikkelde wereld. Je zoekt informatie over voedselproductie en binnen de kortste keren liggen alle wereldproblemen op je bord.

De lezingen van vandaag gaan ook over eten. In de tijd van Jesaja, van Jezus en van Paulus was de situatie onmiskenbaar overzichtelijker, maar daarmee niet eenvoudiger. Bij een goede oogst was er overvloed, maar als het tegen viel was er hongersnood. Veel meer dan wij was men afhankelijk van de wisselingen in de natuur. Paulus schrijft dat hij met overvloed en gebrek bekend is. Hij dankt de mensen die hem geholpen hebben in tijden van nood. Jesaja gebruikt het beeld van een overvloedige maaltijd voor de belofte die God ons doet. Tegenwoordig zullen velen niet direct blij worden van vette, mergrijke spijzen. Dat is in onze tijd al gauw teveel van het goede. Maar in een situatie van armoede en gebrek ligt dat anders. Jesaja schrijft voor mensen die lijden onder oorlog en geweld en te maken hebben met dood en verderf. Voor hen schetst hij een betere toekomst. Jesaja heeft het niet alleen over het einde van een slechte tijd. Hij heeft het ook over de dag van de Heer. Jezus spreekt over het Rijk der Hemelen. Dat zijn vergelijkbare begrippen. Wij noemen dat meestal het Rijk Gods. Het Rijk Gods is de situatie waarin niemand tekort komt en niemand lijdt. De dood is voor eeuwig vernietigd en alle tranen zijn voorbij. Het Rijk Gods is de wereld zoals God die wil voor ons.

Jezus vergelijkt het Rijk Gods – het Rijk der Hemelen – met een bruiloftsmaal waarvoor vele gasten zijn uitgenodigd. Jezus maakt ons duidelijk dat het Rijk Gods ons niet overkomt. God duwt het ons niet door de strot. Nee, we moeten er zelf voor kiezen. We worden uitgenodigd. We moeten dit geschenk van God wel willen aanvaarden door op zijn uitnodiging in te gaan en door ons feestelijk te kleden. Het Rijk Gods ligt in de toekomst en toch is het ook nabij. Ook in ons leven van dag tot dag ervaren wij de liefde van God. Hij omringt ons met zijn liefde en geeft ons hoop. Het zijn geloof, hoop en liefde die ons doen leven. Door op God te vertrouwen en in Hem te geloven kunnen wij de moeilijkheden en tegenslagen overwinnen. Zo kunnen wij ook genieten van het goede van het leven en het goede ervaren als een voorproef van het Rijk Gods en van het uiteindelijk geluk.

Geloof, hoop en liefde stemmen ons tot dankbaarheid voor al het goede dat ons overkomt. Geloof, hoop en liefde doen ons zaaien, oogsten en delen. Wij spannen ons in om te kunnen oogsten. Zo spannen wij ons ook in door te werken aan het Rijk Gods. Zoals we hopen op een goede oogst, hopen wij ook eens deel te mogen hebben aan het Rijk der Hemelen en aan te zitten aan het feestmaal dat God ons bereid. De vreugde en liefde die God ons geeft, willen wij delen met alle mensen. Amen.

Bijbel in Gewone Taal

Titel: Bijbel in Gewone Taal
Uitgever: Nederlands Bijbelgenootschap, 2014
Prijs: € 28,50 of € 39,50
ISBN: 978 90 8912 041 0 of 978 90 8912 040 3
Aantal pagina’s: 1.900 of 2.000

De Bijbel in Gewone Taal is een aanwinst voor het Nederlandse taalgebied. Het is een complete Bijbel in eenvoudige taal. Niet-alledaagse woorden worden niet gebruikt en moeilijke beeldspraak is vermeden. Dat maakt de teksten aanzienlijk makkelijker te begrijpen.

De vertalers richten zich op de velen die niet vertrouwd zijn met het Bijbelse en kerkelijke woordgebruik. Hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de verspreiding van de Blijde Boodschap. Deze vertaling is er niet alleen voor mensen buiten de Kerk. Ook bij de christelijke opvoeding van kinderen is zij zeker een aanwinst. Zij opent de weg om later een minder eenvoudige en meer genuanceerde vertaling te lezen.

De boodschap van de Bijbel is niet altijd een eenvoudige boodschap. Beeldspraak en minder gangbare woorden helpen ons juist te ervaren dat het goddelijke het menselijke te boven gaat. De woorden barmhartigheid, bekering, genade, gerechtigheid, heil, naaste en Rijk Gods komen in deze vertaling niet voor. Dat is jammer. Het zijn juist deze woorden die in het dagelijks spraakgebruik nauwelijks voorkomen, die ons duidelijk maken dat God anders is dan wij mensen.

Solidariteit

Zonder liefde is het niet mogelijk tot werkelijke gerechtigheid in de wereld te komen. Wij streven naar die gerechtigheid door voortdurende verbetering van wetgeving en van de sociale en economische structuren binnen de lokale en mondiale samenleving maar weten ook dat we dit nooit zullen bereiken en dat er dus ook altijd solidariteit nodig is. Ook in de ideale verzorgingsstaat is het particulier initiatief tot solidariteit en barmhartigheid noodzakelijk.

Paus Benedictus XVI

Paus Benedictus XVI schrijft in ‘Caritas in veritate’: “Solidariteit is eerst en vooral een gevoel van verantwoordelijkheid van iedereen ten aanzien van allen en kan daarom niet alleen aan de staat gedelegeerd worden. Terwijl men vroeger van mening kon zijn dat men eerst voor gerechtigheid zou moeten zorgen en dat de onbaatzuchtigheid daarna als toevoegsel erbij zou komen, moet men vandaag de dag vaststellen, dat zonder onbaatzuchtigheid ook de gerechtigheid niet bereikt kan worden.”

Naastenliefde

Het verzachten van het kwaad en het lenigen van nood is een daad van naastenliefde, van solidariteit en barmhartigheid. De liefde voor de naaste brengt ons ertoe dat wij zijn lijden delen. Vanuit dit mededogen komen we tot solidariteit en geven we iets van onszelf aan de ander. Dat kan zijn in de vorm van troost en van aandacht. Wij kunnen ook een deel van onze tijd of welvaart schenken. Solidariteit heeft te maken met de menselijke waardigheid van iedere mens. Allen hebben gelijke rechten ten aanzien van de schepping en haar vruchten.

Paus Franciscus

In ‘Evangelii gaudium’ schrijft paus Franciscus: “Solidariteit is een spontane reactie van hen die zich realiseren dat de sociale functie van eigendom en de universele bestemming van de goederen waarden zijn die het privébezit te boven gaan. Privébezit van goederen wordt gerechtvaardigd om ze te beschermen en te doen groeien, zodat zij het gemeenschappelijk welzijn beter dienen, en daarom moet solidariteit worden beleefd als een beslissing de arme terug te geven wat hem toekomt.”

Bisschop Van Luyn

Door solidariteit te verbinden met spiritualiteit en soberheid maakt bisschop Van Luyn ons duidelijk hoe wij de solidariteit in ons eigen leven gestalte kunnen geven. Wij hebben de spiritualiteit, de gerichtheid op God nodig om in zijn liefde voor ons de bron en de inspiratie te vinden voor onze liefde voor de medemens. De soberheid zorgt ervoor dat wij niet alles voor onszelf willen. Zij houdt ons af van onze zelfgerichtheid en laat ons zo tot spiritualiteit en solidariteit komen. Door niet alles voor ons zelf op te eisen en af te zien van het overbodige, maken wij onszelf vrij voor de verbondenheid met God en met de naaste.

Schitterende bijbelverhalen om voor te lezen

Auteur: Marie-Hélène Delval (tekst) & Ulises Wensell (illustraties)
Titel: Schitterende bijbelverhalen om voor te lezen
Uitgever: Adveniat, 2014
Prijs: € 22,50
ISBN: 978 94 9104 230 0
Aantal pagina’s: 164

Het is een kinderbijbel maar dan zo mooi uitgegeven dat ook volwassenen er van zullen genieten. Een heel mooi voorleesboek met veel grote illustraties. Bij het voorlezen bieden deze een aanknooppunt om nog meer te vertellen dan de meestal korte verhaaltjes doen. Kinderen zullen zelf ook eindeloos naar de platen kunnen kijken en er van alles in ontdekken. Achterin wordt beschreven hoe het boek gebruikt kan worden.

Deze kinderbijbel is niet alleen voor de kleinen. Ook voor de kinderen die zelf kunnen lezen is het een prachtig boek en dus een mooi cadeau voor bijvoorbeeld de eerste heilige Communie. Het bevat de belangrijkste Bijbelverhalen, eenvoudig maar waarheidsgetrouw verteld.

De kinderen maken kennis met de belangrijkste figuren uit het Oude Testament: Adam en Eva, Noach, Abraham, Sara en Isaak, Jacob en Esau, Mozes, David en Goliat, Salomo, Jona, Daniël en Jesaja. De Evangelieverhalen leren hen het verhaal van Jezus. Met een uitgebreid aantal episodes uit zijn leven wordt de boodschap van liefde verteld die Hij ons heeft gebracht.

Elkaar verstaan; Fil 2,1-5; Mt 21,28-32

Vandaag en de komende zondagen horen we Jezus in gesprek met de hogepriesters en de oudsten van het volk. Het gesprek verloopt niet echt in een prettige sfeer. Met gelijkenissen probeert Jezus hen uit te leggen dat het erom gaat de boodschap van God te kennen en daarnaar te leven. De hogepriesters en oudsten hebben – ongetwijfeld met goede bedoelingen – hun eigen interpretatie van Gods geboden gemaakt en leggen die in de vorm van allerlei regels en voorschriften aan het volk op.

Het wezen van God zit niet in regels en voorschriften. het wezen van God is dat Hij liefde is en barmhartigheid. Gods gerechtigheid en rechtvaardigheid maken deel uit van zijn barmhartigheid. Als God aan Mozes uitlegt wie Hij is, zegt Hij dat zijn Naam is: “Ik ben die is”. Dit moeten we niet verstaan als: “Ik besta”, niet zoals veel mensen tegenwoordig zeggen: “Er moet wel iets zijn”. Nee, God zegt hier: Ik ben er voor jullie. God is niet statisch en afstandelijk. Nee, God is dynamisch en betrokken. God is vol liefde en barmhartigheid voor ons mensen.

De gelijkenis die Jezus vertelt over de twee zonen, is voor ons direct duidelijk. In onze cultuur hechten wij meer belang aan het doen dan aan het zeggen: geen woorden maar daden. Toen ik destijds bij Fokker werkte, kwam het regelmatig voor dat de mensen massaal protesteerden tegen een te scherpe planning. Zoveel werk in zo’n korte tijd dat kon onmogelijk. Maar ondertussen ging iedereen wel aan de slag en deed alle het mogelijke om de planning te halen. En achteraf waren we geweldig trots dat het toch gelukt was. Het past wel in onze cultuur: nee zeggen en ja doen.

In vele andere culturen ligt dat heel anders. Daar is nee zeggen iets wat je niet doet. Nee zeggen is een ernstige belediging. Nee zeggen tegen je vader is helemaal uit den boze. Het is een daad die ingaat tegen het respect en de liefde voor je vader. Dit is waarschijnlijk ook zo in de cultuur waarbinnen Jezus dit verhaal vertelt. Dat maakt de tegenstelling aanzienlijk scherper dan de manier waarop wij het vanuit onze cultuur verstaan. Zo worden we met deze gelijkenis er indirect op gewezen dat we oog moeten hebben voor cultuurverschillen. We moeten er rekening mee houden dat niet iedereen op dezelfde wijze denkt als wijzelf doen. Mannen denken anders dan vrouwen, jongeren anders dan ouderen, stadsmensen anders dan mensen van het platteland, migranten anders dan mensen die hier al generaties lang wonen, protestanten anders dan katholieken, joden, moslims en hindoes anders dan christenen, ongelovigen anders dan gelovigen.

Meer en meer hebben wij te maken met dergelijke verschillen. Soms is dat dicht bij huis. Zo is er ongetwijfeld verschil tussen de hen die hier al generaties lang wonen en de nieuwkomers van allerlei aard. Toch is het onze opdracht om één gemeenschap te vormen: de gemeenschap van Jezus Christus. De Kerk benadrukt telkens weer de waarde van de gemeenschap. Zelf is zij de gemeenschap in en rond Christus. Geloven en liefhebben doe je niet alleen, daarvoor heb je elkaar nodig. Dat geldt ook voor ons als parochiegemeenschap. Wij hebben elkaar nodig om ons geloof met elkaar te delen en het zo te laten groeien, en het vrucht te laten dragen door alle mensen lief te hebben. We zijn binnen een gemeenschap allemaal verschillend en juist dat maakt ons tot een gemeenschap. Door de verschillen versterken we elkaar, vullen we elkaar aan en vormen we een geheel dat groter is dan de som van de delen.

Paulus wijst met zijn brief aan de Filippenzen op het belang van de gemeenschap. Hij pleit voor eenheid, voor saamhorigheid en voor eensgezindheid. Dat vraagt dat we ons eigenbelang ondergeschikt maken aan de ander, dat we niet ijdel zijn maar ootmoedig. Het is een vorm van ijdelheid onze eigen cultuur beter te achten dan andere. Culturen verschillen van elkaar, maar dat maakt de ene cultuur niet beter dan de andere. Nederlanders zijn geen betere mensen dan andere volken. Natuurlijk voelen wij ons in onze eigen cultuur ons het meest op ons gemak. We weten wat we aan elkaar hebben. Dat is bij mensen uit andere culturen moeilijker, maar dat geldt omgekeerd precies zo. Wat voor ons normaal is, hoeft dat voor een ander helemaal niet te zijn. We verschillen van elkaar zonder dat de een beter is dan de ander. Met die verschillen hebben we elkaar wat te bieden. We vullen elkaar aan. De verscheidenheid is een rijkdom. Het gaat er niet om dat we allemaal gelijk aan elkaar worden, maar dat we een eenheid in verscheidenheid vormen.

Dat is de eenheid en de gemeenschap van Jezus Christus. In zijn Kerk is er ruimte voor iedereen. Allen zijn we kinderen van God en in Christus zijn wij elkaars broers en zusters. Dat maakt ons tot een gemeenschap van liefde en van vreugde. Dat stelt ons in staat elkaar lief te hebben en er voor elkaar te zijn. Amen.

Onbegrijpelijk! Mt 20,1-16a

Onbegrijpelijk! Als je denkt zo je bedrijf te kunnen runnen, ben je snel failliet. De arbeidskosten lopen gierend uit de hand. En bovendien raakt het personeel ook nog gedemotiveerd en gaan ze er de kantjes vanaf lopen. Jezus kan het mooi vertellen, maar van bedrijfseconomie heeft Hij toch niet zo veel begrepen.

Wat heeft Jezus ons met dit onbegrijpelijke verhaal te zeggen? Er zijn verschillende verklaringen voor te vinden, maar laten we binnen het sociaaleconomische gebied blijven. Eén denarie was in die tijd een fatsoenlijk dagloon: een gezin kon daar een dag van leven. Door iedereen die ene denarie te betalen hoeft er niemand honger te lijden. De Kerk heeft de boodschap hiervan vertaalt in haar sociale leer. De Kerk leert dat iedereen met het loon voor zijn arbeid in staat moet zijn om een gezin te onderhouden. De prijs die voor arbeid betaald wordt, is niet alleen een economisch gegeven, niet alleen afhankelijk van de marktwerking. De arbeidskosten kennen ook een ethische kant. In ons land vinden we dat terug in het minimumloon. Uitbuiting van mensen wordt hier door Jezus afgewezen. En dat geldt ook voor de verhouding tussen verschillende landen. Ook voor de producten die we invoeren uit andere landen, moet een fatsoenlijke prijs betaald worden. Met alleen een vrije markt komen we er niet. Er zijn altijd aanvullende maatregelen nodig. Dat zien we ook in onze eigen directe omgeving zoals in de tuinbouw als de markt plotseling verandert.

We staan aan het begin van de vredesweek: een week waarin we extra stilstaan bij oorlog en vrede in de wereld. De afgelopen maanden zijn we vaak geconfronteerd met oorlog en geweld. Soms waren dat onbegrijpelijke en onvoorstelbare vormen van geweld. Wat drijft mensen toch? Waarom zijn zij zo gewelddadig? Iedereen wil toch graag in vrede leven. Het is onbegrijpelijk wat mensen elkaar kunnen aandoen. Dat geldt niet alleen voor oorlogssituaties maar ook in het gewone dagelijkse leven. Zelfs binnen gezinnen vinden we onbegrijpelijke vormen van geweld. Hoe komt toch al dat kwaad in de wereld en waarom laat God dat allemaal gebeuren?

God is groot en goed. God is liefde en Hij is almachtig. God heeft de wereld als goed geschapen en toch is er het kwaad. De oorzaak van het kwaad is en blijft voor ons mensen een mysterie. We kunnen er over nadenken, maar we komen er nooit echt uit. Wat ons houvast geeft en waardoor we blijven hopen is de barmhartigheid van God. God heeft ons als vrije mensen geschapen. Zo zijn wij in staat om voor het goede en voor de liefde te kiezen. Liefde zonder er in vrijheid voor te kiezen is geen liefde. God wil dat wij Hem en dat wij elkaar in vrijheid liefhebben. En dat wij uit liefde voor elkaar het goede doen. En dat wij zo goede en gelukkige mensen zijn. God heeft ons niet gewild als programmeerbare robots. Nee, Hij wil dat wij in vrijheid voor het goede en voor de liefde kiezen.

God heeft ons zelf de verantwoordelijkheid gegeven te kiezen tussen goed en kwaad. En dat is iets waar we dagelijks mee te maken hebben. Wij zijn in staat de ander lief te hebben en we hebben dat nodig om ook zelf gelukkig te worden. Maar onze blik wordt telkens weer verduisterd door onze zelfgerichtheid. Zelfgerichtheid is op zich niet verkeerd. Zij is zelfs nodig om te kunnen leven. Als wij geen aandacht aan ons zelf besteden, als wij onszelf verwaarlozen, loopt het niet goed met ons af. Maar we kunnen teveel aandacht voor onszelf hebben en dan ligt het kwaad op de loer. Het kwaad doet zich bijvoorbeeld voor als jaloezie, als egoïsme of als zelfgenoegzaamheid.

Op een of andere manier moeten omgaan met het kwaad: het kwaad in onszelf en kwaad dat van buiten op ons afkomt. Dat vraagt dat we erin blijven geloven dat het anders kan, dat we het aan durven te vertrouwen op het goede, dat we durven te dromen en te werken aan onze idealen. Zodra we cynisch worden is de strijd verloren. Dan aanvaarden we het kwaad, keren ons af van de wereld en kiezen alleen nog maar voor datgene dat onszelf kortstondig plezier brengt. Alleen door te geloven in een betere wereld en te vertrouwen op God zijn we in staat om te gaan met het kwaad en het te bestrijden. We kunnen het kwaad niet uit de wereld verwijderen, maar wel kunnen we de gevolgen ervan minimaliseren en verlichten. Zo kunnen we werken aan gerechtigheid en vrede in de wereld. Uit het Evangelie leren we dat gerechtigheid verder gaat dan wat de vrije markt oplevert. Gerechtigheid voorkomt misstanden die een bron van oorlog kunnen zijn.

Door te dromen van het goede en er ook concreet aan te werken, beschermen we ons ook tegen het kwaad in onszelf. Als we het goede doen en leven vanuit de liefde, is er geen plaats voor het kwaad. Het is niet nodig alles te begrijpen om toch goed en gelukkig te zijn en te werken aan een wereld van vrede en gerechtigheid. Amen.

Consumptie

Veel aandacht wordt er besteed aan de gevolgen van consumptie voor de consument. Voeden wij ons wel op een gezonde wijze: worden we niet te dik, worden we er op den duur niet ziek van? De bescherming van de consument krijgt terecht veel aandacht. Wordt hij goed voorgelicht over wat hij koopt en betaalt hij niet teveel? De sociale leer van de Kerk heeft meer aandacht voor de gevolgen van consumptie voor anderen dan de consument. Iets kopen is niet alleen een economische, maar ook altijd een morele handeling. Consumenten hebben ook een sociale verantwoordelijkheid.

Producent

Betalen we een eerlijke prijs? Inderdaad teveel betalen is niet prettig, maar ontvangt de producent een eerlijke prijs voor zijn inspanning? Verdient hij voldoende om van te leven en zijn gezin te onderhouden? Ook dat zijn overwegingen die aan de orde zijn als we spreken over een eerlijke prijs. Als consument sta je aan het einde van een productieketen. Hoe ziet die keten eruit? Gebeuren daarin zaken die verwerpelijk zijn of worden er verwerpelijke structuren door in stand gehouden, zoals kinderarbeid of dictatuur?

Milieu

Een andere zorg is het milieu. Gebruiken of verbruiken wij met onze consumptie de Schepping? De aarde is in staat om iedereen te voeden, maar delfstoffen zijn slechts in beperkte mate aanwezig. Als er geen recycling plaatsvindt, is er sprake van verbruik. Vele afvalstoffen vervuilen het milieu en veroorzaken ongewenste klimaatveranderingen. Lang niet alle consequenties zijn aan de consument bekend en vele zaken zijn tamelijk ingewikkeld, maar gelukkig zijn er allerlei keurmerken ontwikkeld. Als consument kunnen we meer doen dan we vaak denken. Dat geldt zowel het milieu als de productieketen. Voor producenten biedt het principe van ‘cradle to cradle’ (wieg tot wieg) mogelijkheden om hun verantwoordelijkheid te nemen voor de gehele levensduur van een product: van productie tot en met recycling.

Economie van delen

Een recente ontwikkeling is de ‘economie van delen’: je hoeft niet perse dingen in je bezit te hebben om ze te kunnen gebruiken. Hoeveel apparaten hebben we niet in huis die we maar zo nu en dan gebruiken? De opkomst van internet biedt hier geheel nieuwe mogelijkheden. Het stelt mensen in staat producten onderling te delen, te ruilen of te huren zonder alles zelf in bezit te moeten hebben. In de lease-economie least de consument het product van de producent. Doordat de producent eigenaar blijft, zal hij het artikel zo ontwerpen dat het ook recyclebaar is. Ons geluk moeten we niet zoeken in het bezitten van aardse goederen, ons geluk ligt naast in het immateriële ook in het genieten van de Schepping, van haar vruchten en van alle het goede dat door mensenhanden wordt voortgebracht. Voor economen ligt er de uitdaging een economie te ontwerpen waarin groei niet noodzakelijk is.