“Nog veertig dagen en dan zal Ninive vergaan!” Die boodschap predikt Jona in Nineve. Dat was zijn roeping: Ninive waarschuwen. Ook in het Evangelie horen we een roepingsverhaal. Jezus ziet Simon en Andreas bezig met vissen. Hij roept ze: “Komt, volgt Mij; Ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt.” En iets verderop ziet Hij Jacobus en Johannes. En ook zij worden onmiddellijk geroepen.
Op het eerste gezicht heeft de tekst uit de brief van Paulus weinig overeenkomsten met deze roepingsverhalen. Deze tekst is een vermaning. Paulus roept met deze brief de christenen van Korinthe tot de orde. Er zijn allerlei misstanden in de gemeente van Korinthe en Paulus vindt het nodig orde op zaken te stellen. De woorden die Paulus kiest zijn volstrekt helder. Hij omschrijft heel duidelijk wat een christen wel en niet wordt geacht te doen. Toch is het geen belerende brief die alleen bestaat uit geboden en verboden. Paulus maakt in deze brief duidelijk waar het omgaat: wat staat er centraal in ons leven en waartoe worden wij in vrijheid geroepen. Vanuit liefde voor zijn medegelovigen spreekt Paulus hen en ook ons toe. Vol liefde roept Paulus zijn broeders en zusters in Christus op goed te leven. Als een vader maakt Paulus zich zorgen over de christenen van Korinthe. In de tekst die wij vandaag lezen gaat het over de omgang met aardse zaken. Welke plaats hebben huwelijk, verdriet, blijdschap en bezit in ons leven. De wijze waarop Paulus hierover spreekt, is niet een kwestie van geboden en verboden. Paulus probeert aan te geven wat is essentieel in ons leven en hij wil voorkomen dat we vervallen in extremen.
Wat we in ieder van de drie lezingen zien is de urgentie: er moet onmiddellijk iets gebeuren. Jona geeft Ninive nog veertig dagen. Paulus schrijft: “De tijd is kort geworden.” En Jezus zegt: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij.” In de eerste jaren na de dood en verrijzenis van Christus werd gedacht, dat Jezus hiermee bedoelde dat het einde van de wereld nabij was. Zijn leerlingen verwachten de wederkomst van Jezus nog tijdens hun leven. Deze brief van Paulus is zo’n twintig jaar na het leven van Christus geschreven. Het Evangelie volgens Marcus komt nog weer vijftien later tot stand. Als het einde van de wereld binnen enkele maanden of hooguit jaren plaatsvindt, komt alles in een ander licht te staan. Dan gaat het alleen nog om wat echt essentieel is. We zien dat ook vaak bij mensen die horen dat ze binnenkort gaan sterven: vanaf dat moment maken zij andere keuzes, dan wordt er alleen nog gekozen voor wat echt belangrijk is. Zo reageren ook de eerste leerlingen van Jezus: zij worden geroepen en onmiddellijk laten ze alles in de steek en volgen Hem.
Naast het nabije einde had Paulus nog met een andere situatie te maken. In Korinthe hadden de eerste christenen nogal uiteenlopende ideeën. Sommigen waren voor een strikt ascetisch leven: geen huwelijk, geen bezit, alleen op God gericht. Terwijl anderen tamelijk losbandige opvattingen hadden over seksualiteit. Zij waren door Christus vrijgemaakt. Nu mocht alles. Beide uitersten worden door Paulus afgewezen. Ondanks het nabije einde leert Paulus de christenen van Korinthe dat je natuurlijk op God gericht moet zijn, maar dat moet ook vorm krijgen in het normale leven. Het moet ook uitvoerbaar zijn voor normale mensen. Ook in ons dagelijkse leven moeten wij weten te onderscheiden wat essentieel is en wat werkelijk van waarde is.
Paulus schrijft: doe alsof je niet gehuwd bent, alsof je niet huilt, alsof je niet blij bent, alsof je geen bezit hebt. Hij zegt daarmee niet dat huwelijk, verdriet, blijdschap of bezit verkeerd zijn. Hij zegt daarmee: laat je niet helemaal door die zaken in beslag nemen. Deze boodschap is ook voor ons bestemd. Natuurlijk hebben wij onze aardse zorgen, onze vreugde en ons verdriet. Zij mogen ons echter niet geheel in beslag nemen. Ons leven draait niet om onszelf, maar om God en om de medemens.
Evenals wij in onze tijd hebben de christenen van Korinthe het moeilijk met hun vrijheid. Christus heeft hen en ons werkelijk vrij gemaakt. Maar hoe ga je met die vrijheid om? Elders in deze brief schrijft Paulus: “U zegt: ‘Alles is toegestaan.’ Zeker, maar niet alles is goed. ‘Alles is toegestaan’, maar niet alles is opbouwend. Wees niet op uzelf gericht, maar op de ander.” Daarin zit de kern van onze vrijheid: vrijheid is er niet voor onszelf, maar voor de ander. Vrijheid maakt verantwoordelijk en betekent dat we zelf moeten uitmaken hoe we goed zijn voor een ander. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de vrijheid van meningsuiting. Dat is een groot recht dat wij met zorg moeten gebruiken. Als wij het goede voor de onze medemens willen, zullen we onze vrijheid niet gebruiken om hem te kwetsen of te beledigen. Christus heeft ons vrij gemaakt om de ander lief te hebben, om de ander gelukkig te maken, om ons op een ander te richten. Door ons op de ander te richten, richten wij ons op God en dat zal ook onszelf gelukkig maken, hier en altijd. Daarin ligt onze roeping en onze bekering. Amen.
Wie dorst er niet naar liefde en waarheid? Zoals de aarde dorst naar water, zo dorst onze ziel naar liefde en waarheid. Jezus zegt dat Hij levend water geeft: levend water in de betekenis van stromend water, water waarmee mensen hun lichamelijke dorst lessen. Maar het gaat ook over water dat zelf een bron wordt waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft. Water als een teken van hoop: de kleine hoop op het lessen van de lichamelijke dorst en van de geweldige, de het hele leven dragende hoop op God, het diep menselijke verlangen naar liefde en waarheid. Iedere mens hunkert naar liefde en is op zoek naar waarheid. Ieder op zijn eigen wijze en velen in relatie met elkaar. Net zo goed als we als eenling geen liefde vinden, zo komen we ook alleen in relatie met anderen tot waarheid. Mensen hebben elkaar nodig. Ze hebben juist elkaars verscheidenheid nodig om de weg naar God te vinden. Vanuit onze verscheidenheid hebben we elkaar iets waardevols te zeggen. Alleen als mensen van elkaar verschillen kunnen ze van elkaar houden en hebben ze elkaar iets te vertellen. Stel je voor dat je echtgenoot geheel gelijk zou zijn aan jezelf, dan was het toch snel afgelopen met je huwelijk. Willen dat de ander geheel aan jou gelijk wordt, is een vorm van egoïsme en van zelfgenoegzaamheid. Dan is er geen verlangen naar liefde en geen verlangen naar waarheid.
Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar. Het zoeken naar waarheid zonder liefde leidt gemakkelijk tot fundamentalisme. Wat een ander te zeggen heeft, is bij voorbaat betekenisloos. Een gesprek is volkomen overbodig. Omgekeerd leidt liefde zonder waarheid tot relativisme. Het is een vorm van elkaar aardig vinden zonder in elkaar geïnteresseerd te zijn. De waarheid wordt als subjectief beschouwd: ieder heeft zijn eigen waarheid. Ook nu is een gesprek volstrekt overbodig. Van de zelfde orde is de opmerking: “Eigenlijk geloven we hetzelfde.” Dat getuigt niet van veel respect, want feitelijk zeg je dan: “Eigenlijk geloof jij hetzelfde als ik.” Hierin ontbreekt respect voor het anders zijn van het geloof van de ander. Fundamentalisme en relativisme zijn elkaars tegenpolen. Beide maken het gesprek onmogelijk. Zij begrenzen de ruimte waarbinnen een vruchtbaar gesprek mogelijk is.
De combinatie van liefde en waarheid brengt ons tot een gesprek met elkaar. Zij zoekt de eenheid die voortkomt uit verscheidenheid en haar respecteert. In een gesprek gebaseerd op liefde en waarheid is er werkelijke interesse voor de ander, is er respect voor de waarheid waarin de ander gelooft, en wordt de eigen waarheid niet verloochend, maar juist toegelicht en verklaart. Zo’n gesprek leidt tot begrip en waardering voor elkaar en doet het inzicht in de waarheid van het eigen geloof groeien. Juist in het gesprek met de ander leer je jezelf kennen.
Vijftig jaar geleden was het Tweede Vaticaans Concilie. Juist op het gebied van de oecumene en de interreligieuze dialoog is dit Concilie een mijlpaal in de geschiedenis van de Kerk. Het idee dat de ander alleen maar fout is, is losgelaten. Niet alleen in andere christelijke geloofsgemeenschappen, maar ook in andere godsdiensten is waarheid aanwezig. De oecumenische beweging was in protestantse kringen begonnen. Nu sloot ook de katholieke Kerk zich hierbij aan. Daarvoor waren andere christenen slechts ketters en scheurmakers. Vanaf dat moment waren het medechristenen, mensen die allen deel uitmaken van de Kerk van Jezus Christus. Vanaf dat moment was het mogelijk met elkaar in gesprek te zijn zonder dat de ander ervan overtuigd moest worden dat bekering tot het ware geloof de enige weg tot enig heil zou zijn.
Nu 50 jaar later zijn wij in staat samen te bidden en te zingen en samen naar Gods Woord te luisteren. Wij zijn ook in staat tot maatschappelijke samenwerking en wij vinden elkaar in het lenigen van noden in onze directe omgeving. Ook het gesprek met andere godsdiensten is op gang gekomen. Afgelopen week was ik bij een bijeenkomst van joden, moslims en katholieken. We herdachten hoe 50 jaar geleden dit onderlinge gesprek mogelijk werd. We mochten constateren dat vriendelijke en respectvolle omgang met elkaar nu mogelijk is. Maar zoals ook voor de oecumene geldt, is er ook voor de interreligieuze dialoog nog een lange weg te gaan.
In zijn brief ‘De vreugde van het Evangelie’ stelt paus Franciscus dat de dialoog belangrijk is: de oecumenische dialoog met andere christenen, de interreligieuze dialoog met aanhangers van andere godsdiensten en de dialoog met de seculiere wereld. Wij hebben elkaar nodig om tot vrede en eenheid in de wereld te komen. Om in onze multiculturele maatschappij in vrede met elkaar samen te leven is het nodig elkaar te begrijpen en te weten wat de ander beweegt. Wat zijn zijn waarden, wat is voor hem heilig en hoe geeft hij hieraan in zijn dagelijks leven gestalte? In gesprek met elkaar ontdekken we sporen van waarheid in de overeenkomsten, maar ook in de verschillen.
Ooit komt er een tijd – zoals Jezus zegt – dat we de Vader aanbidden in geest en in waarheid. Allen zijn we daarnaar onderweg. Laten we onderweg proberen goede protestanten en goede katholieken te zijn. Ook mogen wij bidden dat anderen goede joden, goede moslims, goede hindoes en goede boeddhisten mogen zijn. Het onderlinge gesprek zal ons en hen daarbij helpen. Amen.
Auteur: Walter Vogels
Titel: Abraham: Onze vader
Uitgever: Averbode, 2014
Prijs: € 22,50
ISBN: 978 90 317 3757 4
Aantal pagina’s: 220
Joden, christenen en moslims noemen Abraham hun vader. Het gaat hierbij niet alleen om het feit dat zij afstammelingen van Abraham zijn: de Israëlieten via Isaak en de Arabieren via Ismaël. Het belangrijkste is dat Abraham voor hen de spirituele vader is. Hij is hun vader in het geloof. De echte kinderen van Abraham zijn zij die zoals hij op God vertrouwen en Hem gehoorzamen.
Bijbelgeleerde Walter Vogels beschrijft de Bijbelverhalen over Abraham en hij gaat in op de visies die de drie verschillende religies op Abraham hebben. Daarna behandelt hij de rol van Abraham in de beeldende kunst en de geschiedkundige ideeën over hem. Tenslotte schrijft hij over de rol van Abraham in de interreligieuze dialoog. Abraham is voor ieder van de drie godsdiensten ‘de vriend van God’. Hij leert ons respect voor andere religies, open te staan voor de vreemde en het weigeren van geweld.
De studie over Abraham heeft een interessant boek opgeleverd voor hen die meer willen weten over Abraham en over wat hem bewoog. Dit boek geeft ook handvatten tot het voeren van de dialoog met de twee andere monotheïstische godsdiensten.
Jesaja zegt ons: “Laat het licht u beschijnen.” De glorie van de Heer zal over ons schijnen. Zijn glorie, zijn licht zal de duisternis verdrijven. “Sla uw ogen op en zie om u heen.” De wijzen uit het Oosten volgden een ster, een licht aan de hemel dat hen de weg wees. Zo vonden zij het goddelijk Kind. Het vervulde hen van overgrote vreugde.
Voortdurend zijn wij mensen op zoek naar het licht. Wij zoeken de liefde en wij zoeken de waarheid. Wij zoeken het werkelijke geluk in ons leven. In onze huidige tijd zijn velen ervan overtuigd dat je het geluk zelf kan en moet bewerkstelligen. Zij geloven in de maakbaarheid van alles. Zij geloven niet alleen in een maakbare samenleving, maar ook in de maakbaarheid van het geluk, van de liefde en van de waarheid. Een dergelijke houding legt een grote druk op je schouders. Want dit betekent dat het je eigen schuld is als het je tegen zit in het leven. Als je ongelukkig bent, heb je je blijkbaar niet voldoende ingespannen om het geluk over jezelf af te roepen. Dit gaat veel verder dan de kreet die wel in sport gebruikt wordt: Geluk dwing je af. Het is niet een kwestie van de juiste voorwaarden scheppen. Nee, men denkt het geluk werkelijk op eigen kracht tot stand te brengen. Zowel Jesaja als het Evangelie houden ons een andere weg voor. Wij moeten afgaan op het licht. Het geluk komt van buiten, niet uit onszelf. Het wordt ons ook niet zo maar toegeworpen. We worden opgeroepen het te gaan zoeken. Dat is wat anders dan het geluk zelf maken.
Waar vinden wij het geluk in onze tijd? De wijzen gingen op zoek en vonden het pasgeboren Kind. In het Kind werd hen Gods liefde geopenbaard. In het Kind is Gods Zoon mens geworden. Het Woord is vlees geworden. Jezus van Nazareth maakt zichtbaar wat Gods liefde voor ons betekent. Hij houdt ons niet een systeem van regels en geboden voor. Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven, hoe je kunt geloven, hoe je kunt liefhebben, hoe je de waarheid op het spoor kunt komen. Jezus zegt ons: Kijk naar Mij, hoe Ik op de Vader vertrouw. Kijk hoe de Vader van Mij houdt en Ik van Hem. Kijk hoe Ik die liefde deel met alle mensen. Doe net als Ik doe: leef met liefde en geloof. Dan zul je werkelijk gelukkig worden en ook anderen gelukkig maken.
In de liefde tussen mensen openbaart God zich. In de liefdevolle relatie tussen mensen is God zelf aanwezig. In de liefde tussen mensen wordt God telkens weer mens. In het scheppingsverhaal lezen we hoe God de mensen schept gelijkend op Hem. Hij schept de mens man en vrouw. Het is niet de enkele man of de enkele vrouw die op God gelijkt. Het zijn man en vrouw samen die in liefdevolle verbondenheid met elkaar, op God gelijken. In de liefdesrelatie tussen man en vrouw wordt Gods liefde zichtbaar. In die liefdesrelatie wordt Christus opnieuw geboren.
Niet alleen binnen het huwelijk wordt Gods liefde geopenbaard. Tegen het eind van zijn leven op aarde verteld Jezus over zijn wederkomst aan het einde der tijden. Daar zegt Hij: “Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen. Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht.” Enzovoort. Telkens als wij uit liefde voor de medemens handelen, ontmoeten wij Christus. In elke daad van liefde wordt Gods liefde voor de mensen geopenbaard.
Wij staan aan het begin van het nieuwe jaar. Ook staan we aan het begin van een nieuwe parochie. Gisteravond vierden we de start van de Christus Koning Parochie. Wij zijn christenen, dat wil zeggen gezalfden. Wij zijn gezalfd tot priesters, profeten en koningen. Jezus heeft ons laten zien wat dat inhoudt. Het koningschap waartoe wij met Christus gezalfd zijn, is er niet om te heersen. Het is er niet voor ons eigen genoegen. Ons koningschap is een nederig koningschap, zoals het koningschap van het Kind in de kribbe. Dit koningschap is om de ander liefdevol te dienen. Wij christenen zijn geroepen tot liefde voor iedere mens.
“Sla uw ogen op en zie om u heen”, zegt Jesaja ons. Als we om je heen zien, zien we onze medemens, dan zien we de mens die onze liefde nodig heeft. Wij zijn geroepen om anderen gelukkig te maken. Daarin zal God zich aan ons openbaren. Zo wordt zijn Zoon in ieder van ons opnieuw mens. Zo is Hij voor ons het Licht der wereld en volgen wij Hem na. Zo brengt Hij ons tot het geluk. Amen.
Het feest van de heilige Familie is niet erg oud. In de negentiende eeuw was er groeiende aandacht voor de heilige Familie. In 1920 voerde paus Benedictus XV het feest in voor de hele Kerk. Toen op de eerste zondag na Driekoningen. In 1969 werd het naar de zondag na Kerstmis verplaatst. Het is niet zo dat men er toen pas achter kwam dat er sprake is van een heilige Familie, van een heel bijzonder gezin: het gezin bestaande uit Jezus, Maria en Jozef. Door de eeuwen heen zijn er afbeeldingen gemaakt van dit bijzondere gezin. Door de eeuwen heen zijn mensen er door ontroerd en geraakt en door de eeuwen heen is het een bron van inspiratie geweest. Zo’n honderd jaar geleden vond de Kerk het nodig de plaats van het gezin extra aandacht te geven door het feest van heilige Familie een vaste plaats in het jaar te geven. Eeuwen lang zijn gezinnen en familiebanden het basismateriaal geweest waaruit de samenlevingen waren opgebouwd. In dorpen en op het platteland spelen ze nog steeds een belangrijke rol. Als in mijn geboortedorp in Friesland ben, stel ik nog vaak voor als de zoon van … of als de broer van …. In de huidige steeds meer verstedelijkte samenleving ligt de nadruk veel meer op het individu. Gezinnen en familiebanden zijn privéaangelegenheden geworden.
In deze veranderende samenleving wil de Kerk ons de heilige Familie als voorbeeld van liefde en harmonie voorhouden. De Kerk stelt het gezin centraal in het leven van mensen. Het idee dat het gezin de hoeksteen van de samenleving is, wordt tegenwoordig door velen als een verouderd idee gezien. Op internet vond ik een consultant die beweert, dat het bedrijf de nieuwe hoeksteen van de samenleving is. Bedrijven zijn dan de plaatsen waar mensen zich met elkaar verbinden en waar mensen zich ontwikkelen. Maar hoe moet het dan met kinderen en jongeren die nog niet werken? Hoe moet het ouderen en mensen die niet in staat zijn om te werken? Tellen zij niet meer mee? Juist de zwakkeren vallen buiten de boot als er geen gezinnen en geen families meer bestaan. Om je goed te kunnen ontwikkelen heb je vooral liefdevolle opvoeders nodig. Het belangrijkste wat wij mensen moeten leren is de liefde. De liefde is voor ons de weg naar God en het is de weg naar elkaar. Alleen een leven in liefde leidt naar het geluk. Alleen de liefde leidt naar het geluk waar iedere mens naar zoekt.
In onze steeds zakelijker wordende wereld neemt het belang van liefdevolle relaties alleen maar toe. Als de liefde uit onze samenleving verdwijnt, wordt zelfs het doen van zaken onmogelijk. Zonder liefde is er geen vertrouwen meer en wordt alles achterdocht. Uiteindelijk draait onze wereld niet om geld maar om liefde. Jezus van Nazareth houdt ons voortdurend zijn boodschap van liefde voor en Hij laat ons zien hoe wij een leven in liefde kunnen leiden. Het is aan ons om zijn boodschap van liefde gestalte te geven in onze tijd. Wij mogen hier en nu het evangelie van de liefde verkondigen. Dat begint in onze gezinnen bij de opvoeding van onze kinderen. Net als Jezus heeft gedaan, wordt ook van ons gevraagd dat wij vooral aandacht hebben voor het doen. Van ons wordt gevraagd dat we de liefde aan onze kinderen voorleven, dat we laten zien wat het betekent dat mensen van elkaar houden. Woorden moeten vooral woorden van liefde zijn. De uitleg van wat we doen is ter ondersteuning. Ook bij Abraham zien we het belang van familiebanden. Hij en Sara geven hun geloof door aan hun zoon Isaak. Zij staan niet alleen aan de basis van een groot volk. Zij zijn de spirituele ouders van alle gelovigen. Joden, christenen en moslims zien allen Abraham als hun vader in het geloof.
Met feest van de heilige Familie staat het gezin centraal. Het gezin stelt ons in staat de liefde en het geloof door te geven. Wij leven niet in een ideale wereld. Wij zijn allemaal tekortschietende mensen. Dat betekent ook het ons lang niet altijd lukt om het ideale gezin te vormen. Maar dat neemt niet weg dat we daar wel aan moeten blijven werken en dat we blijven streven naar het ideaal, hoe moeilijk dat vaak is. Daarbij kunnen we ook elkaar tot steun zijn en elkaar bemoedigen. Ook dat zijn daden van geloof, hoop en liefde. Volhouden en doorgaan vragen vertrouwen, vertrouwen dat we ook aan elkaar kunnen geven.
De heilige Familie wordt ons voorgehouden als een voorbeeld van liefde en harmonie. Maar ook daar zal dat niet altijd vanzelf zijn gegaan en zeker niet zonder pijn. We weten hoe onbegrijpelijk het allemaal voor Maria was. Simeon zegt dat haar ziel door het zwaard zal worden doorboord. Geloof, hoop en liefde hebben Maria is staat gesteld haar rol te vervullen. De heilige Familie is ons niet alleen tot voorbeeld. Zij is ook onze voorspraak. Wij mogen hen vragen voor ons te bidden en ons bij te staan in moeilijke tijden. Amen.
Hoe vinden we God? En waar vinden we God? Daarvoor zullen op zijn minst een idee moeten hebben van wie Hij is. Wie is God voor ons?
Is God de almachtige Allerhoogste die alles kan? Is Hij de alleskunner die voor elk probleem een oplossing heeft? We kunnen God zien als degene die voortdurend onze problemen oplost, die ons telkens weer geeft wat we Hem vragen. We denken dan: Als wij maar braaf zijn en goed bidden, dan geeft God ons wel een mooi diploma en een goede baan. Dan geeft Hij ons een lieve levenspartner en fijne kinderen. Dan geeft Hij ons gezondheid en een lang en gelukkig leven. Wij weten dat God geen Sinterklaas is. Maar het kost ons vaak veel moeite om het leven met al zijn wisselvalligheden te aanvaarden. Groot is dan onze behoefte ergens met onze zorgen terecht te kunnen, terecht te kunnen bij iemand die op ons past en die ons beschermt.
Vaak hebben we onze eigen ideeën over God. Maar al te vaak weten wij precies wat God zou moeten doen. Ook in ons denken en in ons spreken over God gaan we vaak verder dan goed is. Als wij precies weten hoe het mysterie van God in elkaar steekt, dan weten we ook precies wat ons te doen staat, dan is alles helder en duidelijk en komen we niet voor verrassingen te staan. Precies weten wie God is en wat Hij wil, maakt ons leven lekker overzichtelijk.
Jezus van Nazareth leert ons dat God liefde is. God houdt van ons en wij mogen van Hem houden. Jezus leert ons dat onze relatie met God een liefdesrelatie is. Van elkaar houden betekent dat je elkaar vertrouwt en dat je jezelf aan de ander durft toe te vertrouwen. Niet dat dat altijd even makkelijk is, maar dat is wel de essentie van liefde. In een liefdesrelatie is er geen plaats voor egoïsme en zelfgerichtheid. Daar is ook geen plaats voor zelfgenoegzaamheid. Als wij geweldig tevreden met ons zelf zijn, is er geen ruimte meer voor de ander en is het met de liefde gedaan. Zelfgenoegzaamheid bedreigt de relatie van mensen met elkaar en ook onze relatie met God.
Afgelopen maandag sprak paus Franciscus de curie toe. De curie is – zeg maar – het ambtenarenapparaat van de Kerk. Hij waarschuwde hen voor allerlei bekoringen die op de loer liggen. Franciscus had het over vijftien ziektes die het kerkbestuur in Rome bedreigen. Hij noemde onder andere ‘zichzelf onsterfelijk en onmisbaar voelen’, ‘mentale verstarring’, ‘spirituele Alzheimer’ en ‘terrorisme van de roddel’. Het zijn allemaal uitingen van zelfgenoegzaamheid. Volgens de media is de heren flink de les gelezen. Velen zullen dat met genoegen gehoord of gelezen hebben. Maar hoe zit het met onszelf? Ligt ook bij ons de zelfgenoegzaamheid niet voortdurend op de loer? Wij hebben het goed voor elkaar hier in Nederland. Wij hebben het goed voor elkaar in ons dorp, in onze parochie en in ons gezin. We vieren op een mooie manier samen Kerstmis. Het is een en al vrede, liefde en geluk. Is dat wel zo? Of is dit denken een uiting van zelfgenoegzaamheid?
Het is goed om hier en thuis samen onze verbondenheid met elkaar te vieren. Wij mogen daar echt van genieten zonder ons schuldig te voelen. Maar het mag niet leiden tot zelfgenoegzaamheid, tot een zelfvoldaan achterover leunen, de ogen te sluiten en te stoppen met luisteren naar anderen en daarover na te denken.
Jezus had het waarschijnlijk ook goed voor elkaar daar in Nazareth. Hij werkte in de zaak van zijn vader Jozef en had een liefdevolle moeder die goed voor Hem zorgde. Toch heeft Jezus die situatie verlaten en trok Hij de wereld in. Hij wist dat Hij de boodschap van liefde, de liefde van zijn Vader moest verkondigen. De liefde die Hij ook thuis ervoer, was er niet om voor zichzelf te houden. Hij moest die liefde delen met alle mensen. Hij koos niet voor de gemakkelijke weg, maar voor een weg die op weerstand stuitte. Het spreken over de liefde van God bracht Hem de dood aan het kruis. Hij kon niet anders. Dit was de weg van leven en liefde die Hij moest gaan. Wij mogen zijn navolgers zijn en het vuur van zijn liefde in ons dragen. Als wij leven vanuit liefde zoeken wij niet naar een almachtige God die alles voor ons regelt, of naar een God die wij helemaal begrijpen. Als wij weten dat God liefde is, is dat voor ons genoeg. Als wij leven vanuit Gods liefde voor ons, vinden wij God in de liefde en zijn wij zelf de vonken in de nacht, de vonken van liefde waaraan anderen zich kunnen warmen.
Onze onderlinge liefde en verbondenheid is niet het eindpunt. Vanuit onze gemeenschap en vanuit ons gezin trekken wij de wereld in om Gods liefde zichtbaar te maken voor de mensen die wij ontmoeten. De liefde voor God en de medemens houdt ons af van zelfgenoegzaamheid. De liefde opent juist onze ogen voor de ander en doet ons luisteren naar zijn wensen en zijn ideeën. Ons eigen geluk is de basis voor het geluk van anderen. Het Kind in de kribbe vraagt ons onze liefde en ons geluk te delen. Hij vraagt ons om vonken in de nacht te zijn, vonken van liefde. Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.
Wij zijn op weg naar Kerstmis. De vierde en laatste kaars op de adventskrans is aangestoken. De Advent is een tijd van hopen en verlangen, een tijd van verlangend uitkijken naar de komst van het Kind. De komst van een kind vraagt dat we ruimte maken, dat we ruimte scheppen in ons huis, maar vooral dat we ons mentaal instellen op de aanwezigheid van nieuw leven. Ook de aanwezigheid van God in ons leven vraagt dat wij ruimte scheppen.
David wil een huis bouwen voor de Heer. Dat lijkt een goed idee. David woont zelf een in paleis en de ark van God staat in een tent. De profeet Natan denkt ook dat het een goed idee is. En dan krijgt Natan een visioen en hoort van God, dat het helemaal geen goed idee is. God wil juist het omgekeerde: niet David bouwt een huis voor God, nee, God bouwt een huis voor David. Waarom wil God niet dat David een huis voor Hem bouwt? In het hier weggelaten vers 7 laat God weten, dat Hij nooit om een huis van cederhout gevraagd heeft. Maar waarom mag Davids zoon Salomo dan wel de tempel bouwen? Later zal David tegen Salomo zeggen, dat hij geen tempel mocht bouwen omdat hij teveel bloed had vergoten, daarom vraagt hij zijn zoon Salomo de tempel te bouwen. (1 Kr 22,6-8)
Het wordt er allemaal niet duidelijker op. Misschien moeten we het als volgt zien. David wil zijn eigen ideeën volgen. Hij vraagt zich niet af wat God wil. David woont in een mooi paleis en denkt dat wil God natuurlijk ook. Of misschien voelt hij zich er schuldig over dat hij meer aandacht heeft gehad voor zijn eigen woning dan die van God. Het lijkt erop dat David denkt: ik ga het even regelen en bouw een tempel. Dat deden de heidense koningen in die tijd ook. Dan zegt God: ho ho David, het initiatief ligt niet bij jou maar bij mij, ik ga een huis voor jou bouwen en jouw zoon mag je vragen een tempel voor Mij te bouwen.
In het Evangelie horen we hoe God een tempel bouwt. Hij kiest Maria om uit om zwanger te worden van een zoon. Deze zoon is zowel Zoon van de Allerhoogste, Zoon van God, als Zoon van David: Hem wordt de troon van zijn vader David geschonken. Maria begrijpt er niets van. Hoe moet dit alles gebeuren? De uitleg die de engel Gabriël geeft, is zo wonderlijk dat Maria daar ook niet veel wijzer van wordt. Maar Maria gelooft in God en vertrouwt op Hem. Zij durft zich aan Hem toe te vertrouwen: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.”
Vandaag staan deze twee verhalen tegenover elkaar. Eerst zien we David die een tempel wil bouwen en daar van af wordt gehouden, en daartegenover zien we God die een tempel voor zijn Zoon bouwt. God bouwt zijn eigen tempel. Hij wil op zijn geheel eigen wijze onder ons aanwezig zijn.
Meestal zijn wij mensen zoals David. We zitten vol goede ideeën en willen daarmee de wereld naar onze hand zetten. En dat is helemaal niet verkeerd. Van ons wordt verwacht dat we ons actief inzetten voor het geluk van anderen, dat we alles doen wat in ons vermogen ligt om anderen gelukkig te maken. Wat we daarbij nogal eens vergeten, is werkelijk te luisteren naar de ander. Wij hebben de neiging zelf te bepalen wat goed is voor de ander. We denken vanuit onze eigen situatie. We weten wat goed is voor onszelf. We weten waar we zelf behoefte aan hebben. We plakken onze eigen ideeën op de ander en handelen daarnaar. Meestal gaat dat wel goed, maar het kan ook echt fout uitpakken. In dat geval schaden wij de ander en ook onszelf.
Het is niet alleen in de omgang met andere mensen dat we hiervoor moeten oppassen. Ook over God hebben we vaak onze eigen ideeën. Maar al te vaak weten wij precies wat God zou moeten doen. Ook in ons denken en in ons spreken over God gaan we vaak verder dan goed is. Als wij precies weten hoe het mysterie van God in elkaar steekt, dan weten we ook precies wat ons te doen staat, dan is alles helder en duidelijk en komen we niet voor verrassingen te staan. Kennis over iemand anders geeft ons macht over de ander. Als je weet hoe de ander reageert, weet je zo de handelen dat de ander doet wat jij graag wilt. De ander wordt tot een instrument in jouw handen: als ik op deze knop druk gebeurt wat ik wil. Op de zelfde wijze willen wij ook wel macht over God hebben. Dat is mogelijk ook de fout die David maakte. In zijn tijd was het normaal zo te denken. Het idee was: ‘voor wat, hoort wat’. Je offert een geitenbokje en de goden zorgen voor een goede oogst. Het is een tamelijk zakelijke manier van denken over God.
Jezus van Nazareth leert ons dat God liefde is. Dat is Evangelie van Jezus Christus zoals ook Paulus ons verkondigt. God houdt van ons en wij houden van Hem. Onze relatie met God is geen zakelijke relatie, maar een liefdesrelatie. Daarin is geen ruimte voor ‘voor wat, hoort wat’. Mensen die van elkaar houden, doen iets uit liefde voor elkaar, niet uit berekening. Van elkaar houden betekent dat je elkaar vertrouwt en dat je jezelf aan de ander durft toe te vertrouwen. Niet dat dat altijd even makkelijk is, maar dat is wel de essentie van liefde. Dit is ook de houding die Maria heeft. Zij durft zich aan God toe te vertrouwen.
Ruimte maken voor Gods aanwezigheid onder ons betekent, dat wij ons openstellen voor wat Hij ons te zeggen heeft. Niet God moet naar ons luisteren maar wij naar Hem. Zo zullen wij zijn liefde voor ons ervaren. Zo komen wij tot vertrouwen en geloof en durven we ons net als Maria aan Hem toe te vertrouwen. Amen.
Vijfentwintig jaar na de val van de Berlijnse muur bezocht Menno Bentveld een aantal muren die her en der in de wereld zijn opgetrokken. Dat leverde een serie fascinerende TV-uizendingen op. Wat brengt mensen ertoe muren op te trekken en zo het contact met andere mensen onmogelijk te maken? Bentveld heeft zich erover verbaasd. Soms kon hij enig begrip voor de murenbouwers opbrengen, maar het beeld dat blijft hangen, is dat van verbijstering.
Muren zijn cynische bouwwerken. Zij zijn bedoeld om anderen buiten te sluiten. Mensen die niet tot de eigen groep behoren, mogen het bestaan niet verstoren. Zij hebben niets positiefs te brengen en zorgen alleen maar voor problemen. Als de muur eenmaal is opgetrokken, wordt het nog erger. De ander wordt niet meer gezien. Zijn menselijkheid en zijn hoop en verlangen zijn niet meer zichtbaar. Zo verwordt de mens achter de muur tot een karikatuur. Gaandeweg raken de murenbouwers gevangen in hun eigen vooroordelen en hebben ze met de muur hun eigen gevangenis van cynisme gebouwd.
We zijn op weg naar Kerstmis. We vieren de komst van het Licht in de wereld, de geboorte van de Vredesvorst. Jezus Christus is gekomen om muren af te breken. Hij leert ons over onze vooroordelen heen te stappen en de waardigheid en eigenheid van iedere mens te zien. Mensen hebben elkaar nodig. Gelukkig worden we alleen in relatie met anderen en elke slechte relatie knaagt aan ons geluk. Met het wegstoppen van de ander door het optrekken van muren, verstoppen we ook dat knagende gevoel, maar daarmee is het niet verdwenen.
De muren van onze tijd zijn niet alleen fysieke bouwwerken. Ook met wetten en regels worden er onder meer door Nederland muren gebouwd en worden er mensen buitengesloten. Ook in onze persoonlijke situatie bouwen we op allerlei manieren muren om anderen buiten te sluiten. Geen enkel mens of land kan het leed van heel de wereld op zijn schouders nemen, maar dat wil niet zeggen dat we onze ogen er maar voor moeten sluiten door een muur om ons heen te bouwen.
In contact staan met mensen die anders zijn dan wij, levert een wezenlijke bijdrage aan ons eigen geluk. Het opent onze blik en bevrijdt ons van onze vooroordelen. Wij worden wijzer en rijker door met respect kennis te nemen van de ander en met hem een relatie op te bouwen. Door elkaar te leren kennen en te respecteren leveren we een wezenlijke bijdrage aan de vrede in de eigen leefomgeving en uiteindelijk aan de wereldvrede. Zo kan Kerstmis een feest van vrede op aarde worden.
Column in Telstar, 17 december 2014
Verlangen en hopen, geloven en vertrouwen: een mens kan niet zonder. Zonder verlangen en hopen, geloven en vertrouwen kunnen wij niet leven. Dan is ons leven uitzichtloos. De Advent is bij uitstek de tijd van uitzien naar, uitzien naar een nieuw begin, naar nieuwe inspiratie, naar een nieuwe impuls. Door de Advent kunnen we weer verder.
Op het dieptepunt van de Babylonische ballingschap laat Jesaja weten: “Troost, troost toch mijn stad – zegt uw God – spreek Jeruzalem moed in, roep haar toe dat haar straftijd voorbij is, dat haar ongerechtigheid vergeven is.” Petrus laat ons in zijn brief weten dat ons nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zijn beloofd, waar gerechtigheid zal wonen. En Marcus begint zijn Evangelie met de woorden: “Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God.” Hier begint niet alleen een nieuw verhaal, hier begint een nieuwe tijd: de tijd van God met de mensen.
Verlangen en hopen zonder geloven en vertrouwen is uitzichtloos; dat houd je niet vol. Verlangen en hopen met geloven en vertrouwen geeft troost en uitzicht. Dan kun je weer verder. Ons leven is vol verlangen. In de tijd van Sinterklaas zien de kinderen vol verwachting uit naar de dag dat ze hun nieuwe speelgoed zullen krijgen. Kinderen zijn onstuimig en grenzeloos in hun verlangens: het is een en al levenslust en een toekomst vol mogelijkheden. We kennen het verlangen van jonge mensen naar een geliefde, een levenspartner die hen gelukkig zal maken. Het verlangen van jonge paren naar nieuw leven, naar kinderen die hun leven nog meer betekenis zullen geven. We kennen ook het verlangen van ouderen naar vrede en naar rust: een verlangen naar het einde, een verlangen naar God.
De tijd waarin ik een jongere was – 40, 50 jaar geleden – was echt een tijd van hoop en verlangen. Het was een tijd van alles wordt beter, een tijd van vernieuwing. We lieten al het oude achter ons en we gingen het nu echt goed doen. Het was een tijd van nooit meer oorlog, van love en peace: van liefde en vrede. Veel van dat idealisme is verdwenen en wordt nu gezien als een naïef dromen. Misschien werd Jesaja in zijn tijd ook wel als een naïeveling gezien. Veel mensen van onze tijd zien Jezus van Nazareth ook als een dromer. Maar als wij niet meer kunnen dromen, niet meer hopen en verlangen dan zal er zeker nooit een betere toekomst komen. Dan zien we ook niet de droom, de hoop en het verlangen van anderen. Zonder dromen worden we cynische mensen. Als wij niet kunnen dromen sturen we in ons cynisme vluchtelingen terug naar hun land van herkomst. Dan sturen we schepen de Middellandse Zee op niet om mensen te redden, maar om ze tegen te houden. En dan halen we onze schouders op als de kusten bedekt zijn met dode mensen. Hoe kunnen ze zo stom zijn in zo’n wankel bootje te stappen. Cynici zien geen droom, hoop en verlangen op de gezichten van anderen. Wat er mis is gegaan met de dromen van weleer, is niet de naïviteit. Wat er mis is gegaan, is de hoogmoed, het idee dat we in staat waren die betere wereld zelf geheel op eigen kracht te realiseren. Al ons vertrouwen was gevestigd op techniek en wetenschap. Het was alleen maar een kwestie van goede plannen maken en die goed uitvoeren.
Petrus heeft het over de komst van de dag des Heren. Jesaja heeft het over de komst van God: “Uw God is op komst! Zie, God de Heer komt met kracht… Als een herder zal Hij zijn schapen weiden…” Verlangen en hopen, geloven en vertrouwen: het is geen zaak van dat regelen we even, maar het is ook geen passieve bezigheid, geen kwestie van maar afwachten. Het een activiteit, wij bereiden ons voor en banen een weg. Een weg banen; het nieuwe leven, de nieuwe toekomst mogelijk maken. De lezingen van vandaag leggen daar de nadruk op. Bij Jesaja is het: “Baan de Heer een weg in de steppe, effen voor onze God een heerbaan in de woestijn…” Petrus spreekt over de noodzaak tot inkeer te komen om niet verloren te gaan. En Marcus verwijst naar Jesaja: “Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht.”
Het nieuwe leven, de nieuwe toekomst ze komen niet als wij er niet ontvankelijk voor zijn. Ontvankelijk zijn is een houding van open staan, van naar buiten gericht zijn. Als wij teveel op onszelf gericht zijn, op ons eigen ik, dan zijn we gesloten en is er geen ruimte voor het heil dat van buiten komt. Als wij denken onze toekomst zelf te kunnen realiseren, als wij niemand nodig hebben, zijn wij niet ontvankelijk, staan we niet open voor het heil, staan we niet open voor God. Dan zullen we niet verder komen dan materiële rijkdom en aards genieten. Voor het volmaakte geluk en het ware leven is er dan geen ruimte. Ontvankelijk zijn betekent ook tot inkeer komen, beseffen dat we tekort schieten en God nodig hebben. Hij zal ons vergeven en ons een nieuwe kans geven. Een weg banen naar het nieuwe leven, de nieuwe toekomst vraagt naast verlangen en hopen, geloven en vertrouwen om ontvankelijkheid en inkeer, om open staan voor God. Amen.
Jezus roept ons op tot waakzaamheid, want wij weten niet wanneer het moment daar is. Jezus spreekt hier over het einde der tijden en de komst van de Mensenzoon. Voor het zo ver is, moeten wij op onze hoede zijn. Wat betekent dat voor ons dagelijks leven? Moeten wij voortdurend angstig om ons heen kijken of we misschien de eerste tekenen van het naderend einde zien? Moeten we steeds gestresst zijn over onze onwetendheid, want wij kennen dag, noch uur? Paulus leert ons dat we vol verwachting mogen uitkijken naar de openbaring van onze Heer Jezus Christus. Op Hem mogen wij ons vertrouwen stellen, want Hij zal ons doen standhouden tot het einde, zodat ons geen blaam treft op de dag van onze Heer Jezus. Niets aan de hand dus. Het komt allemaal wel goed. We gaan weer over tot de orde van de dag.
Wat heeft Jesaja ons op dit gebied te zeggen? Jesaja bidt om de komst van God. Alleen Hij kan ons redden en verlossen. Deze tekst kunnen we lezen als een gebed om de komst van de Messias, om de menswording van Gods Zoon. Jesaja begint met de vraag hoe het allemaal zo ver kon komen. Hoe is het mogelijk dat wij mensen ons zo van God kunnen afkeren? Hoe kan het dat God dat toelaat, dat Hij het kwaad niet vernietigd? Het is een telkens terugkerende vraag: hoe kan de almachtige God al deze ellende toelaten, waarom grijpt Hij niet in? Het is een van de mysteries waarmee wij moeten leren leven. Blijkbaar is God tot iets in staat waarmee wij grote moeite hebben. Als het in ons menselijk vermogen lag, zouden we onmiddellijk ingrijpen. Zo niet God. Hij wacht af wat wij doen. Hij geeft ons de ruimte.
Jesaja leert ons dat God ieder bijstaat die op Hem durft te hopen, allen die met vreugde gerechtigheid beoefenen, allen die bij al wat ze doen aan Hem denken. Is dit ook niet wat Jezus van ons vraagt? De waakzaamheid waartoe Jezus ons oproept, wordt hier prachtig omschreven door Jesaja: wij moeten leven met God in onze gedachten. Dan stellen wij onze hoop en ons vertrouwen op Hem. Dan doen wij met vreugde en plezier goed voor onze medemensen. Waakzaam zijn en goed doen zijn geen zware verplichtingen. Het zijn wegen naar een goed en gelukkig leven. Het is niet het vluchtige vermaak dat ons gelukkig maakt, maar het zijn de bestendige liefdevolle relaties met anderen. Wij moeten ervoor op de hoede zijn dat wij ons niet verliezen in kortstondig plezier, in materiële zorgen, in nuttigheid en efficiëntie. Wij moeten ervoor waken dat we niet alles willen regelen en alles naar onze hand willen zetten. Een liefdevolle relatie met anderen schept juist ruimte en vrijheid. Zo zijn wij vrij om met vreugde het goede te doen. Als wij zo waakzaam zijn en leven met God in onze gedachten, als we bij alles wat we zeggen en doen aan God denken, zijn wij gelukkige mensen en maken wij ook anderen gelukkig. Dan kijken we met vreugde en met vertrouwen uit naar de komst van Jezus Christus, de Mensenzoon.
Jesaja weet ons net als Paulus vertrouwen te geven. Hij zegt ons dat God onze Vader is. Als een vader zal Hij voor ons zorgen en ons nooit uit het oog verliezen. Hij zal het er niet op aan laten komen. God is onze Schepper. Wij zijn het werk van zijn handen. Gods liefde voor ons is grenzeloos. Hij zal niet eindeloos vertoornd en boos blijven vanwege onze fouten. Telkens weer kunnen wij tot inkeer komen en afstand nemen van het kwaad. Telkens weer kunnen wij naar God terugkeren en zal Hij ons met open armen ontvangen. Telkens weer krijgen wij een nieuwe kans. Wij zijn Gods volk. Hij ziet op ons neer en naar ons om. Daarop mogen wij vertrouwen. Wij kunnen op God vertrouwen als wij in staat zijn ons leven in zijn handen te leggen. Amen.