Spring naar inhoud

Barmhartigheid betonen; Dt 30,10-14; Lc 10,25-37

De moslims vierden afgelopen week het einde van de Ramadan. Na een maand van vasten, bidden en het doen van goede daden vierden zij het Suikerfeest. Bij die gelegenheid stuurt kardinaal Tauran, de voorzitter van de Pauselijke Raad voor de Interreligieuze Dialoog, altijd een brief met gelukwensen aan alle moslims overal ter wereld. Dit jaar riep hij de moslims op om met christenen samen te werken om behoeftigen te helpen. Hij schrijft: “Zo geven we gehoor aan een belangrijke opdracht in onze beide godsdiensten: op deze manier laten we Gods barmhartigheid zien en kunnen we als individu en als gemeenschap geloofwaardiger getuigen van onze overtuigingen.” Kardinaal Tauran wijst erop dat christenen en moslims geloven in een barmhartige God. God heeft ons geschapen uit zijn grenzeloze liefde voor ons. Hij is barmhartig door voortdurend voor ieder van ons te zorgen. Maar Gods barmhartigheid is op een bijzondere manier zichtbaar, als Hij ons onze fouten vergeeft.

Jezus geeft ons vandaag een voorbeeld van barmhartigheid. Hij maakt ons duidelijk hoe wij zelf barmhartig kunnen zijn. Daarmee laat Hij ook zien hoe wij een naaste kunnen zijn. Om de naaste van iemand te zijn, moeten wij die ander liefhebben en hem barmhartigheid betonen.

Barmhartigheid heeft twee kanten. Wij mogen barmhartig zijn naar anderen zoals de barmhartige Samaritaan. De andere kant van de barmhartigheid is het ontvangen ervan. Barmhartig zijn en barmhartigheid ontvangen zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ze kunnen niet zonder elkaar. We kunnen niet barmhartig zijn zonder open te staan voor de barmhartigheid die ons geschonken wordt. En we kunnen geen barmhartigheid ontvangen zonder zelf ook barmhartig te zijn. Denk hierbij aan de woorden van het Onzevader: “vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”. Geven en ontvangen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Openstaan voor de barmhartigheid van God vraagt dat wij ons tot Hem keren, dat wij ons bekeren, dat wij zoeken naar de persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus. Dat betekent dat wij Christus zoeken in onze medemens in nood. Dit vinden we terug in de werken van barmhartigheid die Jezus elders noemt: de hongerigen te eten geven, de dorstigen laven, de naakten kleden, de zieken en gevangen bezoeken en de vreemdelingen gastvrijheid bieden. In deze mensen in nood komen we Jezus zelf tegen. Wat we voor hen doen, doen we voor Hem.

Willen wij werkelijk de barmhartigheid van God ervaren, moeten wij weten dat wij niet zonder zijn barmhartigheid kunnen, dat wij die barmhartigheid hard nodig hebben. Dat vraagt van ons een bescheiden houding van afhankelijkheid. Ook het geven van barmhartigheid vraagt bescheidenheid. Barmhartig zijn betekent dat wij ons in dienst stellen van de medemens. Niet mijn streven is belangrijk. Het gaat erom wat de ander nodig heeft. De ander is bepalend voor wat ik zeg en wat ik doe. Hij stelt mij in staat tot barmhartigheid.

Vanuit bescheidenheid kunnen wij barmhartig zijn. Bescheidenheid speelt ook nog op andere manier een rol. Namelijk ook bescheiden daden ten bate van de ander zijn daden van barmhartigheid. Ook dat vertelt Jezus ons met het verhaal van de barmhartige Samaritaan. De Samaritaan geeft liefdevolle aandacht aan de gewonde man. Hij verzorgt zijn wonden en brengt hem naar een herberg. Daar stoppen zijn inspanningen. Hij geeft de waard nog wat geld en stelt zichzelf garant. Daarna trekt hij weer verder. De Samaritaan doet wat er gedaan moet worden en laat de rest aan anderen over. Jezus vertelt nergens een verhaal over iemand die een organisatie opbouwt om voortaan alle slachtoffers te verplegen. Het gaat blijkbaar niet om de grootheid van de daden en zeker niet om de omvang en het aantal.

Dit is ook de manier waarop Jezus zelf rondtrekt. Hij geneest zieken, laat blinden weer zien en lammen weer lopen. Maar het zijn alleen de mensen die Hij toevallig tegenkomt of die naar Hem toekomen of bij Hem worden gebracht. Nergens lezen we dat Jezus spreekuur houdt of dat Hij een organisatie opzet om alle zieken, blinden en lammen te genezen. Blijkbaar gaat het er vooral om dat wij de nood die we tegenkomen, zien en dan optreden en groot zijn in liefde en barmhartigheid. Het gaat erom dat wij open staan voor wat er op onze weg komt.

Van ons worden geen bovenmenselijke prestaties gevraagd. Dit horen we ook van Mozes. De geboden die hij geeft zijn niet te zwaar: “Gij kunt het dus volbrengen.” maar wel dat we oog hebben voor het lijden en de nood om ons heen. Van ons wordt gevraagd dat we onze ogen niet sluiten, dat we ons niet opsluiten in onze comfortabele huizen, dat we niet met een boog om de ellende in de wereld heen lopen.

God is onze barmhartige Vader. Jezus is barmhartig als zijn Vader. Hij heeft het ons voorgedaan. Wij mogen Jezus navolgen en op onze beurt barmhartig zijn. Amen.

“Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk”

Bij het opruimen van mijn bureau kom ik een briefje tegen met de tekst Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk.” Deze meer dan 2500 jaar oude wijsheid is uit het boek Spreuken (29,18). De gang van zaken rond de Brexit laat zien dat we haar nog steeds serieus moeten nemen. Enige dagen later blader ik door ‘Until’, het alumnimagazine van de Universiteit van Tilburg. In een artikel over de kloof tussen de politiek en de burger staat als streamer een citaat van Gabriël van den Brink: “Burgers zijn niet tegen politici an sich en voelen zich zelfs betrokken bij wat er in de samenleving gebeurt. Hun probleem is dat ze een morele leegte ervaren bij politici.” Een paar bladzijden verderop staat een interview met staatssecretaris Klaas Dijkhoff. Hij zegt: “Een wereldverbeteraar? Zo wil ik mijzelf niet noemen. Daar krijg je alleen maar depressies van.”

Politici zijn er toch om de wereld te verbeteren? Zelfs de grootste egoïst vindt dat, maar zijn beeld van de betere wereld is helaas geheel op zijn eigen voordeel gericht. Natuurlijk zijn er ook wereldverbeteraars geweest die zozeer in de maakbaarheid van de wereld en in hun eigen ideeën geloofden, dat ze meer kapot hebben gemaakt dan opgebouwd. Maar desondanks zijn politici er om de wereld te verbeteren. Werken aan een betere wereld vraagt om een visioen, een idee waar we ons allen achter kunnen scharen. Zonder visioen verwilderen we en vervallen we tot ieder voor zich. Zonder visioen willen we vooral meer van hetzelfde: meer consumeren en meer genot.

Johannes beschrijft in de Apokalyps zijn visioen: “Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.” (Apk 21,1) Hij zag een wereld waarin de mensen leven in gemeenschap met God. De menswording van Christus loopt uit in een totale herschepping: “Zie, Ik maak alles nieuw.” (Apk 21,5) De schepping is de mensen in handen geven om haar te beheren, te verzorgen en te ontwikkelen. Met Christus als onze leidsman mogen wij meewerken aan de herschepping. Paus Franciscus beschrijft in Laudato si’ hoe wij kunnen bijdragen aan de verwerkelijking van het visioen van een betere, schone en eerlijke wereld. De paus stelt dat de christelijke spiritualiteit een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven biedt: “minder is meer”. Soberheid maakt vrij.

Het is de taak van politici ons visioen handen en voeten te geven en richting te geven aan de gezamenlijke inspanning tot een schone en eerlijke wereld. Zo kan ook de Europese Unie weer inhoud krijgen en voor alle Europeanen van betekenis zijn.

Het hart van Taizé

Auteur: Frère Roger van Taizé
Titel: Het hart van Taizé
Uitgever: Kok, 2015
Prijs: € 15,00
ISBN: 978 90 435 2548 0
Aantal pagina’s: 124

Meer dan honderdduizend jongeren bezoeken jaarlijks Taizé om daar samen met de broeders te bidden. Frère Roger is de stichter van deze oecumenische gemeenschap. Tot zijn dood in 2005 was hij de leider en inspirator. “Ik voelde de drang om een gemeenschap uit te bouwen waarin de evangelische verzoening dag na dag concreet beleefd zou worden”. Naast verzoening gaat het Frère Roger om de eenheid: “Christus wordt gekwetst door de verdeeldheid onder de christenen.”

Frère Roger schreef over zijn eigen zoektocht: een geloofsgeschiedenis met momenten van grote twijfel. Hij schreef over het leven in de gemeenschap en de ontmoetingen met de jongeren. Vele onderwerpen komen aan de orde: eenvoud, barmhartigheid, vertrouwen, liefde, geloof, geluk, openstaan voor God en voor de ander, het kwaad, vergeving. Hoe vind je vrede in jezelf? Hoe vind je God? Hoe ontdek je Christus?

In dit boekje zijn de mooiste teksten van Frère Roger verzameld aangevuld met citaten uit zijn dagboeken en enkele van zijn gebeden. Rick Timmermans. een trouw bezoeker van Taizé schreef de inleiding.

De naam van God is genade

Auteur: Paus Franciscus
Titel: De naam van God is genade: De paus in gesprek met Andrea Tornielli
Uitgever: The House of Books, 2016
Prijs: € 15,00
ISBN: 978 90 443 5061 6
Aantal pagina’s: 144

Dit jaar is uitgeroepen tot het heilig jaar van barmhartigheid. De Italiaanse journalist Andrea Tornielli sprak met paus Franciscus over barmhartigheid. In dit boek dat in 82 landen is uitgebracht, richt de paus zich tot iedereen binnen en buiten de Kerk.

In een heilig jaar gaat het om het herstel van de relatie met God en om de kwijtschelding van zonden. De paus besteedt in het interview veel aandacht aan het Sacrament van Boete en Verzoening, de Biecht. Dit is het sacrament van Gods barmhartigheid. Over de noodzaak hiervan zegt de paus: “Omdat het een gewonde mensheid is, een mensheid die diepe kwetsuren draagt. Zij weet niet hoe ze die moet behandelen of denkt dat die gewoon onmogelijk te behandelen zijn. (…) Deze mensheid heeft behoefte aan barmhartigheid.”

Daarnaast wijst hij op de menselijke barmhartigheid: “Strikt genomen betekent barmhartigheid je hart openen voor mensen die het moeilijk hebben. En dan komen we meteen bij de Heer: barmhartigheid is de goddelijke wil om te omarmen…” De paus spreekt ook over de rol van de Kerk: “De Kerk is niet op de wereld om te veroordelen, maar om de ontmoeting mogelijk te maken met die intense liefde die Gods barmhartigheid is.”

Het is een mooi uitgegeven en makkelijk te lezen boekje. Het helpt ons te doen wat de paus ons voorhoudt: “Je openstellen voor Gods barmhartigheid, jezelf en je hart openen, Jezus toestaan om je tegemoet te komen, met vertrouwen het sacrament van boete en verzoening ervaren. En proberen barmhartig te zijn jegens anderen.”

Christelijke vrijheid; Gal 5,1.13-18; Lc 9,51-62

Waarschijnlijk denkt ook u na het horen van dit Evangelie: wat moeten we hier nu weer mee? Soms zegt Jezus iets dat ons tamelijk onbegrijpelijk in de oren klinkt of sterker nog iets dat ons behoorlijk tegen de haren instrijkt. Vandaag is beide het geval. Laten we de tekst uit de brief van Paulus aan de Galaten gebruiken als sleutel om het Evangelie van vandaag te verstaan. De twee teksten staan vandaag redelijk toevallig naast elkaar. Als u de lezingen van deze zondagen achter elkaar zet, ziet u dat de Evangelieteksten op elkaar volgend uit het evangelie volgens Lucas zijn en dat de tweede lezingen een aantal zondagen uit de brief aan de Galaten komen.

Paulus leert ons dat Christus ons voor de vrijheid heeft gemaakt. Wij zijn geroepen om vrije mensen te zijn en moeten ons niet opnieuw het slavenjuk op laten leggen. “Misbruikt echter de vrijheid niet als voorwendsel voor de zelfzucht.” Wij maken misbruik van onze vrijheid als wij haar enkel gebruiken voor ons eigen genot en onszelf in het centrum van de wereld plaatsen. Paulus maakt ons duidelijk dat we vrijheid op twee manieren kunnen beleven. Ten eerste vrij zijn om te doen wat je wilt. Dit is de vrijheid die voorkomt uit zelfzucht en egoïsme. Dit is ook de vrijheid van onze huidige cultuur. Alles moet kunnen. Ik hoef toch geen verantwoordelijkheid af te leggen? Andere mensen hoeven zich toch niets van mij aan te trekken? Waar bemoeien ze zich mee? Ik moet kunnen zeggen wat ik wil, ook als een ander zich daardoor gekwetst voelt. Dat is zijn probleem.

Daar staat tegenover vrij zijn om het goede te doen, om een goed mens te zijn. Dit is de vrijheid die voorkomt uit de Geest. Zij is gebaseerd op de liefde. Dit is de vrijheid waarvoor Christus ons gemaakt heeft. Als ons spreken en ons doen voorkomt uit liefde voor de ander, doen we in alle vrijheid het goede, dat wat goed is voor de ander en dat is ook goed voor onszelf. Zo zijn wij goede mensen en worden wij ook zelf werkelijk gelukkig.

Paulus spreekt over het slavenjuk van de joodse wet. Niet dat de wet verkeerd is, maar hij kan verkeerd gebruikt worden. De joodse wet is een handreiking van God om goed te leven, maar sommigen gebruikten de wet om anderen lastig te vallen en het leven zuur te maken. Hier verzet Paulus zich tegen en dit wil hij niet terug. Het is niet alleen de wet die ons tot een slavenjuk kan zijn. Ook onze zelfzucht, ons egoïsme en egocentrisme legt ons een slavenjuk op. Een te grote gerichtheid op aardse en materiële zaken doet hetzelfde. Laten we tegen deze achtergrond het Evangelie van vandaag lezen.

De lezing van vandaag vertelt over het begin van Jezus’ reis naar Jeruzalem. Hij gaat vastberaden zijn verheffing tegemoet. Zijn verheffing betekent hier zijn lijden en sterven en zijn verrijzenis. Jezus weet waaraan Hij begint en kiest in volle vrijheid deze weg te gaan. De leerlingen zien de vastberadenheid van Jezus en vinden dat niets Hem in de weg gelegd mag worden. Dus moet er maar vuur uit de hemel komen om de weg vrij te maken. Maar Jezus laat de Samaritanen vrij Hem niet te ontvangen. Ook degenen die Hem willen volgen, laat Hij vrij. Jezus laat aan ieder de keuze Hem te volgen of niet. Hij wijst zijn volgelingen wel op de consequenties. Hij trekt als een dakloze door het land: “de Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten.” Om Hem te volgen moeten ze afstand willen doen van hun zekerheden. Ook moeten zij afstand kunnen doen van hun familiebanden.

Onze aardse beslommeringen kunnen ons zo in beslag nemen dat ze ons tot een slavenjuk worden en ons onvrij maken. We kunnen zozeer slaaf worden van onze verplichtingen aan familie, aan ons werk en aan de gemeenschap dat de liefde buiten beeld raakt. Goed gedrag is prima, maar het moet niet dwangmatig worden. Onze maatschappij kent vele verslavingen die onze vrijheid aan banden leggen. Een daarvan is: vrijheid beschouwen als kunnen doen wat je wilt. Iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil en dat noemen we dan vrijheid van meningsuiting.

Vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Wij mogen onze mening uiten ook als die de regering niet bevalt. Dit recht is echter niet bedoelt als een recht om te beledigen. We moeten ons steeds afvragen wat ons spreken met de ander doet Je kunt ook iemand kwetsen met woorden die niet verboden zijn. Je kunt verslaafd zijn aan je eigen waarheid en die zonder enig respect voor de medemens rond toeteren en daarmee de ander kwetsen.

Hoe verslaafd zijn wij aan ons eigen comfort en aan onze overvloed? Moet je echt alles kopen wat je kunt betalen? Welke gevolgen heeft onze consumptiedrift voor het milieu en voor arbeidsomstandigheden hier en elders ter wereld? Paus Franciscus waarschuwt hier nadrukkelijk voor in zijn milieu-encycliek Laudato si’. Hoe verslaafd zijn wij aan onze veiligheid? Elk risico moet ten koste van alles uitgesloten worden. Welke gevolgen heeft dat voor anderen? Is het normaal dat iedereen die er een beetje afwijkend uitziet, door de politie voortdurend als verdachte wordt behandeld? Is ieder met een kleur en een grote auto een oplichter? Is werkelijk iedere moslim een potentiële terrorist?

Kennen wij onze eigen verslavingen? Zijn wij ons ervan bewust hoezeer zij onze vrijheid beknotten? Jezus Christus is onze Verlosser: Hij maakt ons vrij. In volledige vrijheid mogen wij Hem navolgen. Wij zijn vrij het goede te doen en Gods liefde te delen met allen. Door de verlossing stelt Christus ons in staat goede mensen te zijn en los te komen van onze verslavingen en zondigheden. Hij maakt ons werkelijk vrij. In hoeverre beperken wij onze eigen vrijheid? In hoeverre zijn wij teveel op onszelf gericht. Van welke verslavingen moeten wij ons nog laten bevrijden? De vakantie staat voor de deur. Genoeg vrije tijd om eens over deze vragen na te denken. Amen.

Hij gevoelde medelijden; 1 K 17,17-24; Lc 7,11-17

Het verhaal over Elia dat we vandaag gelezen hebben, staat aan het begin van zijn optreden. Dat optreden begint met de uitspraak van Elia dat het pas weer gaat regenen als hij – als profeet van de Heer – dat aankondigt. Daarna vertrekt Elia. Ondanks de droogte en hongersnood blijft Elia in leven. God laat hem door raven te eten geven. Vervolgens gaat hij naar de weduwe die met haar laatste meel en olie brood voor hem bakt, waarop God ervoor zorgt dat haar meelpot en oliekruik niet meer leeg raken. Dan volgt de dood van de zoon van de weduwe. Zij ziet het als een straf van God en heeft er spijt van dat ze Elia in huis heeft genomen. Zo’n man van God over de vloer maakt je natuurlijk extra kwetsbaar: God houdt je daardoor extra in de gaten. Zo denkt de weduwe.

Elia doet zijn beklag bij God. Waarom moet deze goede vrouw dit overkomen? Altijd is er weer de vraag: waarom worden goede mensen door het kwaad getroffen? Maar daarover een andere keer. God trekt zich het lot van de weduwe aan en geeft Elia de kracht de zoon weer tot leven te wekken. Nu is de weduwe er helemaal van overtuigd dat Elia een groot profeet is, dat hij gezonden is door de Heer van leven en dood, door God die zich het lot van zijn volk aantrekt en mensen bevrijdt.

In het Evangelie lezen we een soortgelijk verhaal. Ook Jezus brengt een zoon van een weduwe weer tot leven. In dit verhaal zien we twee mensenmenigtes die elkaar ontmoeten; Jezus met zijn volgelingen die geloven in zijn verhaal van leven en bevrijding en de begrafenisstoet die gekenmerkt wordt door lijden en dood. Twee kanten van ons menselijk bestaan ontmoeten elkaar.

Zowel bij Elia als in het Evangelieverhaal is sprake van een weduwe en van een overleden zoon. Beide keren staat niet de overleden zoon maar de moeder centraal. De weduwe die haar enige zoon verliest verbeeldt in beide gevallen de ellende die ons mensen kan overkomen. De verhalen spelen in een situatie zonder sociale voorzieningen en waarin vrouwen volkomen afhankelijk zijn van mannen. Zonder man zijn zij tot een leven in armoede gedoemd. Ze zijn onbeschermd en rechteloos. Het is niet voor niets dat we in de Bijbel vaak weduwen tegenkomen. Zij verbeelden de menselijke nood en ellende.

Elia ervaart de dood van de zoon als onrecht. God heeft de weduwe die hem gastvrijheid verleent, onheil gebracht. Bij Jezus gaat het hier niet om onrecht. Hij wordt getroffen door medelijden. Hij gevoelde medelijden, zo staat er geschreven. De Statenvertaling schrijft hier: “De Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen.” Jezus wordt werkelijk geraakt door het leed van de vrouw. Het is een misselijk makend leed dat de vrouw is overkomen. Werkelijk geraakt worden door het leed van een ander is de basis van barmhartigheid. Als wij ongevoelig zijn voor het leed van onze medemens zijn wij niet tot barmhartigheid is staat. Het is geen verstandelijke afweging, zoals bij onrecht en de strijd voor een rechtvaardige wereld. Het is – zoals het woord barmhartigheid zegt – een erbarmen dat van ons hart uitgaat. Bij de aankondiging van het heilig Jaar van Barmhartigheid schrijft de paus het volgende over barmhartigheid: “Het is waarlijk op zijn plaats te zeggen dat het een liefde is die het diepste innerlijk van de persoon betreft. Zij komt vanuit het binnenste als een diep, natuurlijk gevoel, zij bestaat uit tederheid en medelijden, toegevendheid en vergeving.”

Barmhartigheid heeft twee kanten: barmhartigheid ontvangen en barmhartigheid schenken. Op de eerste plaats is er de barmhartigheid van God. Hij is onze barmhartige Vader. Hij staat ons bij in onze nood. Hij bevrijdt ons van het kwaad en Hij schenkt ons altijd weer vergeving. Daarnaast worden ook wij opgeroepen barmhartig te zijn naar onze naaste. Ook wij mogen mensen bijstaan in hun nood. Wij mogen bevrijdende woorden spreken en wij mogen elkaar vergeven. Barmhartigheid is niet iets vroeger. Het is van alle tijden, ook van onze tijd. Altijd zijn er mensen die onze barmhartigheid nodig hebben. Jezus is ons hierin voorgegaan. Hij heeft het ons voorgeleefd. Hij heeft ons laten zien wat barmhartigheid in de praktijk betekent. Wij mogen – als ware christenen – Hem navolgen.

Ook voor ons geldt dat het begint met medelijden. Als wij ons opstellen voor de wereld om ons heen, worden wij geraakt en bewogen door het leed dat mensen overkomt. het gaat er niet om dat wij leed van de hele wereld op onze schouders nemen, waar wel dat we zien wat er in de wereld om ons heen gebeurd en doen wat in ons vermogen ligt. Het gaat erom dat wij onze ogen niet sluiten voor wat er op onze weg komt en handelen daar waar er een beroep op ons gedaan wordt. Dat is ook het voorbeeld dat Jezus ons geeft. Afgelopen vrijdag was het hoogfeest van heilig Hart van Jezus. Hij opent zijn hart voor ons. Hij toont zijn barmhartigheid, lenigt de nood, brengt bevrijding van het kwaad en vergeeft zonden. Wij mogen Hem navolgen en ons hart openen voor onze naaste.

Elia en Jezus worden door hun daden herkend als grote profeten. Laat ons herkenbaar zijn als christenen door onze daden van barmhartigheid. Amen.

“Geeft gij hun maar te eten.” 1 Kor 11,23-26; Lc 9,11-17

“Geeft gij hun maar te eten.” We vieren Sacramentsdag. We vieren de instelling van de Eucharistie. We gaan terug naar Witte Donderdag, naar het laatste avondmaal op de avond voor het lijden en sterven van Jezus. Jezus Christus gaf zijn leven voor ons. Hij ging in zijn liefde voor ons mensen tot het uiterste toe. Hij gaf zijn leven om ons leven te geven. Hij maakte ons vrij om in liefde met en voor elkaar te leven. Liefde kent geen grenzen. Liefde kent ook niet de grens van de dood. Dit geldt ook voor de liefde van Christus voor ons. Zijn liefde, Gods liefde is onbegrensd. Als teken van zijn blijvende liefde voor ons gaf Jezus ons het teken van Brood en Wijn. Hij deelt zijn Lichaam en Bloed met ons. Hij geeft ons Brood ten leven.

Paulus schrijft: “Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt verkondigt gij de dood des Heren totdat Hij wederkomt.” In de Eucharistie vieren wij telkens weer het mysterie van Pasen: het mysterie van ons geloof in de verrezen Christus. Hij die voor ons zijn leven gaf, is door God tot leven gewekt. En Hij zal terugkeren aan het einde der tijden. Jezus Christus: Hij is ten hemel opgestegen, maar Hij blijft ons nabij. Hij heeft ons zijn Geest, de heilige Geest gegeven. En Hij geeft ons het teken van Brood en Wijn. Wij mogen ons daarmee met Hem verenigen. Hij is de Levende en Hij is het die leven geeft. Met Hem en door Hem komen wij tot nieuw leven: een leven met God.

We hebben ook het verhaal van de broodvermenigvuldiging gelezen. Jezus zegt ons “Geeft gij hun maar te eten.” Jezus roept ons op het Brood dat Hij geeft door te geven. Hij roept ons op zijn liefde te delen met onze medemens. Eten is meer dan voedsel innemen. Samen eten is gemeenschap opbouwen en gemeenschap vieren. Door samen te eten bouwen we aan onze relatie met de ander. In onze Westerse cultuur vergeten we dat wel eens. We denken vooral in termen van individuele nuttigheid. Eten wordt dan een noodzaak om in leven te blijven. Het idee van de gemeenschap is dan verdwenen.

Onze bisschop noemt de Kerk een netwerk van liefde. Wij mogen deel uitmaken van dat netwerk van liefde. Iedere mens mag daarin een knooppunt zijn. Iedere mens staat in liefdevolle relatie met andere mensen. Juist die relatie met anderen maakt ons tot mens. Zonder andere mensen om ons heen leven we niet, dan zijn wij niet echt mens, dan is er slechts sprake van vegeteren.

In ons dagelijkse taalgebruik hebben we het ook over netwerken. We hebben een netwerk, een verzameling goede relaties die ons behulpzaam zijn bij onze loopbaan, of bij het uitvoeren van onze ideeën. Niet alleen voor je loopbaan en voor doen van het zaken is een netwerk nodig. Ook bij het doen van vrijwilligerswerk en als we ons inzetten voor anderen is hebben van goede relaties met andere mensen en andere instanties handig. We hebben een netwerk en we werken aan ons netwerk. Netwerken is ook een werkwoord. Het is ook een activiteit. Op die manier verbeteren we onze positie op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt. Bij deze manier van denken en spreken zijn wij zelf het middelpunt. Wij hèbben relaties en als individu zijn we zelf het centrum van ons netwerk.

Als we spreken over de Kerk als netwerk van liefde, is de situatie anders. Nu hebben we niet een netwerk, maar zijn we deel van een netwerk. Het gaat niet om ons als individu, maar om de gemeenschap. De gemeenschap vormt het netwerk en wij zijn daarin niet het middelpunt, maar een van de vele knooppunten. Niemand is alleen, samen vormen we het netwerk en de gemeenschap. Samen eten is gemeenschap vormen. Zo knopen we een netwerk van liefde. Jezus vraagt ons: “Geeft gij hun maar te eten.” Hiermee vraagt Hij ons relaties met andere mensen aan te gaan. Hij vraagt ons om gemeenschap te vormen met de anderen. Hij vraagt ons het netwerk van liefde verder uit te breiden.

Elders in deze brief schrijft Paulus dat wij allen één lichaam vormen doordat we allen deel hebben aan het ene brood. (1 Kr 10,17) Samen Eucharistie vieren is vieren dat we een gemeenschap vormen. Een Communieviering, zoals vandaag, is hiervan een afgeleide. We delen vandaag het Brood van de Eucharistie en ervaren zo de verbondenheid met de Eucharistie en met de gemeenschap die wij samen als Kerk, als netwerk van liefde vormen. Onze vieringen beperken zich niet alleen tot de aanwezigen. Wij vieren in verbondenheid en in gemeenschap met de hele Kerk. Niet voor niets worden in het Eucharistisch gebed onze bisschop en de paus als belichaming van de wereldkerk genoemd. Met het noemen van hun namen wordt uitdrukking gegeven aan onze verbondenheid met de lokale Kerk van Rotterdam en met de allesomvattende Kerk van de hele wereld.

“Geeft gij hun maar te eten.” Wij worden uitgenodigd ons te verbinden met de anderen. We worden uitgenodigd tot een netwerk van liefde. Een netwerk van solidariteit en barmhartigheid. Door elkaar brood te geven, geven we elkaar liefde en leven. We geven door wat we zelf ontvangen. We zijn een knooppunt in het netwerk, waarvan Jezus Christus zelf de dragende kracht is. Hij is het middelpunt. Wij verbinden ons met Hem. Van Hem gaat de liefde uit die wij met anderen delen. Hij is het Brood dat ons leven geeft, leven in overvloed. Na de maaltijd blijven er nog twaalf korven met brokken over. Amen.

Liefde en gemeenschap; Joh 16,12-15

Vandaag vieren we het feest van de heilige Drieëenheid: één God in drie personen: Vader, Zoon en heilige Geest. Het is waarschijnlijk het moeilijkst te doorgronden mysterie van ons geloof. Drie personen en toch één God. En bovendien is een van die drie personen ook nog eens mens geworden. Begrijpt u het? Ik niet, maar het gaat ook niet over begrijpen.

Er is maar één mens die ons kan met zekerheid zeggen wie God is, die weet hoe Hij eruit ziet, wat Hij wel en niet is. Alleen Jezus Christus kan dat. Hij kent God. Hij is God. In Hem is God mens geworden om zich aan ons te openbaren. We horen Jezus inderdaad vaak en uitvoerig over God spreken. Maar Hij doet dat niet in de vorm van theologische betogen. Hij spreekt in beelden over God. Hij vertelt ons parabels en gelijkenissen. Hij verwoordt hoe wij God in ons eigen leven kunnen ervaren.

De kern van de boodschap die Jezus ons brengt is dat God liefde is. God is liefde: dat is de centrale boodschap van zijn evangelie. Liefde kun je niet in je eentje zijn. Ik kan niet zeggen: ik ben liefde. Wel kan ik zeggen: ik houd van mijn vrouw. Liefde bestaat alleen wanneer er een relatie is. Als we dus zeggen: God is liefde, zeggen we ook God is relatie in zichzelf. God is liefde en gemeenschap in zichzelf. De Vader, de Zoon en de heilige Geest houden van elkaar en zij zijn innig met elkaar verbonden. Jezus vertelt ons voortdurend over de liefde tussen Hem en de Vader. Hij vertelt ons over de intense verbondenheid die er in God is.

Vandaag horen we Jezus zeggen: “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen.” Het is teveel en te lastig voor ons om het mysterie werkelijk te doorgronden. We hoeven het ook niet te begrijpen. We zullen het in ons leven moeten ervaren. Daarom stuurt Jezus ons de heilige Geest, de Helper. De Geest van waarheid zal ons de waarheid laten ervaren. We kennen allemaal dat soort momenten van openbaring. Het zijn de momenten waarop alles op zijn plaats valt, momenten waarop we echt gelukkig zijn. Het zijn de momenten waarop we even helemaal met onszelf samenvallen en ons innig verbonden weten met de mensen om ons heen.

Vijftig jaar geleden was er het Tweede Vaticaanse Concilie: de grote vergadering van de Kerk waar alle bisschoppen van heel de wereld. Zij zochten opnieuw naar de betekenis van de boodschap van Jezus, naar de betekenis van de woorden: God is liefde. De bisschoppen kwamen met twee zaken waarmee de liefde in de wereld werkelijkheid kan worden: dienstbaar zijn en gemeenschap vormen. De hele Kerk wil dienstbaar zijn aan alle mensen. Zij voelt zich ten diepste met iedereen verbonden, met de gehele mensheid.

Vandaag ben ik hier voor het eerst in uw midden. Als diaken mag ik deel uitmaken van uw lokale gemeenschap. De dienstbaarheid van de Kerk krijgt mede gestalte in het diaconaat, in het gewijde ambt van de diaken. Maar de diaken is niet de enige die de opdracht heeft vanuit en namens de Kerk dienstbaar te zijn. Het is de opdracht van de gehele Kerk om dienstbaar te zijn aan de mensheid en het is de roeping van iedere christen om dienstbaar te zijn aan de medemens. Het is de taak van de diaken de dienstbaarheid van Kerk te bevorderen. Hij doet dit door zelf dienstbaar te zijn en met woorden en daden ook anderen te motiveren tot dienstbaarheid. De dienst van de diaken kent drie aspecten: de dienst van de tafel, de dienst van het woord en de dienst van de liefdewerken. De dienst van de liefdewerken is de meest bekende.

Als we over diaconie of caritas spreken, hebben we het over deze dienst. Het gaat om het lenigen van concrete menselijke noden. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken en gevangen bezoeken en tenslotte doden begraven. De dienst van het woord wordt het meest concreet binnen de liturgie. Het is de taak van de diaken het Evangelie te lezen. En hij kan zoals vandaag de preek verzorgen. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer mogelijkheden om de Blijde Boodschap van Jezus Christus te verkondigen. De diaken treedt met woord en daad naar buiten. Hij gaat vanuit de Kerk de maatschappij in, legt daar contacten, ziet wat daar leeft en brengt dat terug de Kerk in. Hij brengt de noden van de samenleving ter sprake binnen de Kerk. Tenslotte de dienst van de tafel. Het is de taak van de diaken de priester tijdens de Eucharistieviering te assisteren. Dit is een liturgische functie. Het heeft een symboolwerking. De dienstbaarheid van de diaken in de liturgie staat symbool voor het handelen van de Kerk naar buiten.

Jezus heeft gezegd: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc 10,45). De diaken mag de dienstbaarheid van Jezus in de Kerk en in de wereld zichtbaar maken en aan de orde stellen. Hij mag Christus Dienaar binnen en buiten de Kerk present stellen. De diaken mag ook werken aan de gemeenschap, aan een gemeenschap van solidariteit en verbondenheid, aan het komen tot een eenheid in verscheidenheid. Hij probeert mensen over grenzen heen bij elkaar te brengen. Ik hoop van harte dat met uw medewerking hier te kunnen doen. Vragen wij de heilige Geest ons allen daarbij te helpen. Heilige Geest, die ons liefde, dienstbaarheid en gemeenschap geeft. Amen.

Een schone en eerlijke wereld

Eind 2015 eindigden de millenniumdoelen. Veel is er bereikt, maar niet alles. Ondertussen is de ongelijkheid in de wereld toegenomen en vraagt het milieu nog meer onze nadrukkelijke aandacht. Op 25 september 2015 hebben 193 landen de nieuwe werelddoelen tijdens de vergadering van de Verenigde Naties ondertekend. Er worden zes kernwaarden onderscheiden: mensen, waardigheid, planeet, welvaart, samenwerken en gerechtigheid. In dit artikel worden deze kernwaarden bekeken aan de hand van de encycliek Laudato si’ van paus Franciscus.[1]

De millenniumdoelen

In 2000 ondertekenden de regeringsleiders van 189 landen de United Nations Millennium Declaration. Zij verbonden zich aan de volgende acht millenniumdoelen die in 2015 moesten worden behaald.

  1. De armoede halveren en minder mensen honger
  2. Alle kinderen naar school
  3. Mannen en vrouwen gelijkwaardig
  4. Minder kindersterfte
  5. Verbetering van de gezondheid van moeders
  6. Bestrijding van aids, malaria en andere dodelijke ziektes
  7. Meer mensen in een duurzaam leefmilieu
  8. Mondiaal samenwerkingsverband voor ontwikkeling

De doelen zijn concreet gemaakt door aan te geven wat de omvang van de verbetering moet zijn ten opzichte van de situatie in 1990. De concrete doelen zijn in de meeste gevallen niet gehaald. Er zijn aanzienlijke resultaten bereikt, maar is er nog veel te doen. Er is een wereldwijde samenwerking tot stand gekomen en veel mensen zijn zich bewust geworden van de problematiek. Het is duidelijk dat met een gezamenlijke aanpak nodig is en daadwerkelijk verbetering oplevert.

De nieuwe werelddoelen

De nieuwe werelddoelen van de Verenigde Naties blijven inzetten op het beëindigen van de armoede, maar hebben daarnaast meer aandacht voor duurzaamheid, vrede en veiligheid. Deze Sustainable Development Goals (duurzame ontwikkelingsdoelen, DOD) moeten in 2030 gerealiseerd zijn. Ban Ki-moon, de secretaris generaal van de Verenigde Naties, onderscheidt binnen de zeventien werelddoelen zes essentiële kernwaarden: mensen, waardigheid, planeet, welvaart, samenwerken en gerechtigheid.

Samenhang werelddoelen en kernwaarden

De zeventien werelddoelen zijn als volgt met de zes kernwaarden verbonden.

  1. Mensen en waardigheid
    1. Geen armoede
    2. Geen honger en duurzame landbouw
    3. Schoon water en sanitair voor iedereen
    4. Gezondheidszorg voor iedereen
    5. Onderwijs voor iedereen
    6. Gelijke rechten voor meisjes en vrouwen
  2. Planeet en welvaart
    1. Klimaatverandering tegengaan
    2. Duurzaam gebruik van zeeën
    3. Bescherming van ecosystemen, bossen en biodiversiteit
    4. Economische groei, werkgelegenheid
    5. Infrastructuur voor duurzame industrialisatie
    6. Duurzame consumptie en productie
  3. Samenwerken en gerechtigheid
    1. Versterking mondiaal partnerschap om doelen te bereiken
    2. Toegang tot betaalbare en duurzame energie
    3. Verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen
    4. Steden veilig, weerbaar en duurzaam
    5. Promotie veiligheid, publieke diensten en recht voor iedereen

Paus Franciscus

Op 9 mei 2014 schreef paus Franciscus aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties: “Het is nodig duurzame ontwikkelingsdoelen te formuleren en die genereus en moedig tot uitvoering te brengen, opdat zij een wezenlijke invloed op de structurele oorzaken van armoede en honger en substantiëlere resultaten bij het beschermen van het milieu zullen hebben, fatsoenlijk werk voor iedereen garanderen en de juiste bescherming van het gezin opleveren. Dit laatste is een essentieel onderdeel van een duurzame menselijke en maatschappelijke ontwikkeling.”[2] In de encycliek Laudato si’ geeft de paus aan dat alles met elkaar samenhangt. “Wij zullen niet op een adequate wijze het hoofd kunnen bieden aan de vernietiging van het milieu, als wij geen aandacht besteden aan de oorzaken die verband houden met het menselijk en maatschappelijk verval.” (48) Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst.

Laudato si’ over de zes kernwaarden

Door een aantal teksten van paus Franciscus uit Laudato si’ aan elkaar te rijgen, verkrijgen we een beeld van zijn visie die richting geeft aan ons denken over de zes kernwaarden van de nieuwe werelddoelen. Gelijk aan bovenstaand schema komen de zes kernwaarden paarsgewijs aan de orde.

Mensen en waardigheid

“De verwoesting van het menselijk milieu is iets zeer ernstigs, niet alleen omdat God de wereld aan de mens heeft toevertrouwd, maar omdat het menselijk leven zelf een gave is die tegen de verschillende vormen van verval moet worden beschermd. (…) Een authentieke menselijke ontwikkeling heeft een moreel karakter en veronderstelt een volledig respect voor de menselijke persoon, maar moet ook aandacht besteden aan de wereld van de natuur en rekening houden met de natuur van ieder wezen en met het onderlinge verband in een geordend systeem.” (5) “Niet alleen de aarde is aan de mens gegeven, die haar gebruiken moet met eerbiediging van de oorspronkelijke bedoeling, volgens welke ze hem geschonken is als een goed, maar ook is de mens aan zichzelf gegeven door God en hij moet daarom de natuurlijke en zedelijke structuur respecteren waarmee hij begiftigd is.” (115)

“De Bijbel leert dat iedere mens uit liefde geschapen wordt, geschapen naar het beeld van en de gelijkenis met God (vgl. Gn 1,26). Deze woorden laten ons de immense waardigheid van iedere mens zien, die niet iets is, maar iemand. (…) Zij die zich inzetten voor de verdediging van de menselijke waardigheid, kunnen in het christelijk geloof de diepste redenen vinden voor die inzet. Wat voor een wonderbaarlijke zekerheid is het te weten dat het leven van iedere persoon niet verloren gaat in een hopeloze chaos, in een wereld die door puur toeval wordt geregeerd of door cycli die zich zinloos herhalen!” (65)De rijke en de arme hebben een gelijke waardigheid, omdat ‘de Heer hen allen heeft gemaakt’ (Spr 22,2), ‘Hij zelf klein en groot heeft gemaakt’ (W 6,7) en ‘de zon laat opgaan over slechten en goeden’ (Mt 5,45).” (94)

“Waartoe zijn wij in dit leven geroepen? Met wat voor doel werken en strijden wij? Waarom heeft deze aarde ons nodig? Daarom is het niet alleen voldoende dat wij ons zorgen maken om de toekomstige generaties. Wij moeten ons realiseren dat ook onze eigen waardigheid op het spel staat.” (160) De paus roept op tot een ecologische bekering: Deze bekering impliceert verschillende, met elkaar verbonden, grondhoudingen die een edelmoedige en liefderijke inzet voor het milieu op gang brengen. Op de eerste plaats houdt zij dankbaarheid en belangeloosheid in, dat wil zeggen de erkenning van de wereld als een, vanuit de liefde van de Vader, ontvangen geschenk. (…) Zij houdt ook het liefdevolle besef in dat men niet gescheiden is van de andere schepselen, maar met de andere wezens van het heelal een schitterende universele gemeenschap vormt.” (220)

Planeet en welvaart

“Wij vergeten dat wij zelf uit aarde zijn (vgl. Gn 2,7). Ons lichaam zelf wordt gevormd door de elementen van de planeet; haar lucht geeft ons adem en haar water schenkt ons leven en verkwikt ons.” (2) Wij zijn (…) geroepen instrumenten van God de Vader te worden, opdat onze planeet de planeet is waarvan Hij gedroomd heeft, toen Hij haar schiep, en beantwoordt aan zijn plan van vrede, schoonheid en volheid.” (53) Het milieu is een collectief goed, een erfenis van heel de mensheid en een verantwoordelijkheid van allen. Als iemand er een deel van bezit, dan is dat alleen maar om het te beheren ten nutte van allen.” (95) “Als de aarde ons wordt geschonken, kunnen wij niet alleen meer denken vanuit een utilitaristisch criterium van efficiëntie en productiviteit voor individueel profijt.” (159)

“De klimaatveranderingen zijn een wereldwijd probleem met ernstige implicaties voor het milieu, de maatschappij, de economie, de distributie en de politiek, en vormen een van de belangrijkste actuele uitdagingen voor de mensheid.” (25) “De hulpbronnen van de aarde worden geplunderd ten gevolge van opvattingen over economie en commerciële activiteiten die te zeer verband houden met het korte termijn resultaat.” (32) “Het is echter niet genoeg hierbij alleen maar te denken aan de verschillende soorten als eventuele te exploiteren ‘hulpbronnen’ en daarbij te vergeten dat zij een waarde op zich hebben.” (33) “Daar alle schepselen onderling met elkaar zijn verbonden, moet van ieder ervan de waarde met liefde en verwondering worden erkend en hebben wij allen als geschapen wezens elkaar nodig.” (42)

“De mensheid wordt opgeroepen om zich de noodzaak bewust te worden van een verandering van levensstijl, van productie en consumptie om de opwarming van de aarde te bestrijden of minstens de menselijke oorzaken die deze voortbrengen of verergeren.” (23) “Een wereld van onderlinge afhankelijkheid betekent niet alleen maar begrijpen dat de schadelijke gevolgen van levensstijlen, productie en consumptie allen treffen, maar vooral ervoor zorgen dat de oplossingen worden voorgesteld vanuit een wereldomvattend perspectief en niet alleen maar ter verdediging van de belangen van enkele landen.” (164) “Men moet een magisch idee van de markt vermijden dat ertoe neigt te denken dat de problemen alleen maar worden opgelost met de groei van de winsten van ondernemingen of van individuen. (…) Binnen het schema van het rendement is er geen plaats om te denken aan de ritmes van de natuur, aan haar tijden van verval en herstel en de complexiteit van de ecosystemen die ernstig kunnen worden aangetast door menselijk ingrijpen.” (190) “Het gaat er eenvoudigweg om de vooruitgang opnieuw te definiëren. Een technologische en economische ontwikkeling die geen betere wereld en een integraal hogere kwaliteit van leven achterlaat, kan niet als vooruitgang worden beschouwd.” (194)

“Er is een economische ecologie nodig, die in staat is ons ertoe te brengen vanuit een breder perspectief naar de werkelijkheid te kijken. Immers, de bescherming van het milieu zal een noodzakelijk onderdeel moeten uitmaken van het ontwikkelingsproces en mag men niet geïsoleerd bekijken. (…) Vandaag is de analyse van de milieuproblemen niet te scheiden van de analyse van de context van mens, gezin, werk en stad en van de relatie van iedere persoon met zichzelf…” (141) “Een verandering in levensstijl zou een gezonde druk kunnen uitoefenen op degenen die de politieke, economische en maatschappelijke macht hebben. Dat gebeurt, wanneer consumentenorganisaties bereiken dat door een boycot van bepaalde producten ondernemingen worden aangezet hun gedrag te veranderen en hen dwingen de belasting van het milieu en hun productiemethoden te heroverwegen.” (206)

“De christelijke spiritualiteit stelt een andere wijze voor om de kwaliteit van leven te meten en nodigt uit tot een profetische en contemplatieve levensstijl die in staat is een diepe vreugde te kennen zonder door consumptie geobsedeerd te zijn. (…) Het betreft de overtuiging dat ‘minder meer is’.” (222)

Samenwerken en gerechtigheid

“Wij zouden vooral verontwaardigd moeten zijn over de geweldige ongelijkheid die er onder ons mensen bestaat, omdat wij het blijven tolereren dat sommigen zich waardiger dan de ander beschouwen. Wij merken niet meer dat sommigen zich voortslepen in een vernederende ellende, zonder mogelijkheden die te boven te komen, terwijl anderen zelfs niet weten wat ze moeten doen met hetgeen ze bezitten, ijdel te koop lopen met een vermeend superioriteitsgevoel en een dergelijk niveau van verspilling bereiken dat men onmogelijk zou kunnen veralgemenen zonder de planeet te verwoesten.” (90) “De postmoderne mens loopt voortdurend het gevaar individualistisch te worden en veel huidige maatschappelijke problemen moeten in verband worden gebracht met het egoïstisch zoeken naar onmiddellijke bevrediging…” (162)

“Ik nodig dringend uit tot een nieuwe dialoog over de wijze waarop wij de toekomst van de planeet gestalte geven.” (14) “De onderlinge afhankelijkheid verplicht ons aan één wereld te denken, aan een gemeenschappelijk project. Maar dezelfde rede die gebruikt wordt voor een enorme technische ontwikkeling, slaagt er niet in doeltreffende vormen van internationaal beheer te vinden om de ernstige moeilijkheden van milieu en maatschappij op te lossen. Om de fundamentele problemen aan te pakken, die niet door acties van landen afzonderlijk kunnen worden opgelost, wordt een mondiale consensus onontbeerlijk…” (164)

“Voor de arme landen moeten het uitroeien van de ellende en de sociale ontwikkeling van hun inwoners prioriteit zijn; tegelijkertijd moeten zij het schandalige niveau van consumptie in enkele bevoorrechte sectoren van hun bevolking onderzoeken en beter de corruptie te lijf gaan. Zeker, zij moeten ook minder vervuilende vormen van energieproductie ontwikkelen, maar hiervoor moeten zij kunnen rekenen op de hulp van de landen die zeer gegroeid zijn ten koste van de huidige vervuiling van de planeet.” (172) “Wij weten dat het gedrag van hen die steeds meer consumeren en verwoesten, onhoudbaar is, terwijl anderen er niet in slagen overeenkomstig de eigen menselijke waardigheid te leven. Daarom is het uur gekomen een zekere vermindering van groei in sommige delen van de wereld te accepteren en hulp te verschaffen, opdat men in andere delen op gezonde wijze kan groeien.” (193)

“Het is dringend noodzakelijk internationale verdragen tot stand te brengen… De relaties tussen de staten moeten de soevereiniteit van ieder waarborgen, maar ook trajecten vaststellen die worden overeengekomen om lokale catastrofen te vermijden die uiteindelijk allen zouden schaden. Er zijn wereldwijde regulerende kaders nodig die verplichtingen opleggen en onacceptabele acties verhinderen…” (173) “Wij hebben behoefte aan een wereldwijde, meer verantwoorde reactie, die tegelijkertijd het terugdringen van de vervuiling en de ontwikkeling van de arme landen en regio’s inhoudt. (…) Om de wereldeconomie te sturen, de door de crisis getroffen economieën te saneren, een verergering van de crisis en daaruit voortvloeiende onevenwichtigheden te voorkomen, om een gepaste integrale ontwapening, veiligheid en vrede tot stand te brengen, om de bescherming van het milieu te waarborgen en om de migratiestromen te reglementeren, is een echt politiek wereldgezag noodzakelijk…” (175)

“Het bestaan van wetten en regels is op de lange termijn niet voldoende om slecht gedrag te beperken, ook wanneer er een deugdelijke controle bestaat. Willen gedragsregels belangrijke en duurzame effecten ressorteren, dan is het noodzakelijk dat het merendeel van de leden van de samenleving vanuit een juiste motivering tot persoonlijke gedragsverandering komt.” (211) “Wij zijn niet allen geroepen om direct in de politiek werkzaam te zijn, maar in de schoot van de maatschappij bloeit een talrijke verscheidenheid aan verenigingen die zich voor het algemeen welzijn inzetten door het natuurlijk en stedelijk milieu te verdedigen.” (232)

[1]     Franciscus, Laudato si’, Utrecht: Secretariaat van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap, 2015.

[2]     http://w2.vatican.va/content/francesco/en/speeches/2014/may/documents/papa-francesco_20140509_consiglio-nazioni-unite.html.

De heilige Geest geeft leven en liefde; Hnd 2,1-11; Joh 14,15-16.23-26

“Geef kracht, geef vuur, geef licht, geef kleur. Heilige Geest, geef ons leven.” Wij vragen de heilige Geest ons te helpen, want wij willen leven, wij willen liefhebben.

Jezus zegt tegen ons: “Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden…” De tekst die we vandaag gelezen hebben, is uit de lange afscheidsrede van Jezus op de avond voor zijn lijden en sterven. Iets verderop zegt Jezus wat zijn geboden zijn: “Dit is mijn gebod dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.” (Joh 15,12) Het draait bij Jezus voortdurend om dat ene gebod van de liefde. Jezus geeft ons geen uitgebreide uitleg over hoe we elkaar moeten liefhebben. Nee, Hij laat ons met zijn eigen leven zien hoe je dat kunt doen. Hij laat ons zien hoe Hij van zijn Vader houdt, hoe zijn Vader van Hem houdt. Hij laat ons zien hoe Hij die liefde deelt met alle mensen. Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (Joh 14,6) Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven en hoe je kunt liefhebben. Hij doet het ons voor en zegt tegen ons: doe zoals ik doe, dan word je gelukkig. En Hij belooft ons de heilige Geest, de Helper. De heilige Geest geeft kracht, geeft vuur, geeft licht, geeft kleur. De heilige Geest, geeft ons leven. De heilige Geest doet ons liefhebben.”

Vijftig jaar geleden was er het Tweede Vaticaanse Concilie: de grote vergadering van de Kerk waar alle bisschoppen van heel de wereld zich lieten leiden door de heilige Geest. Zij zochten opnieuw naar de betekenis van het gebod van Jezus, naar de betekenis van dat ene gebod van de liefde. Onder leiding van de heilige Geest kwamen de bisschoppen met twee zaken waarmee de liefde in de wereld werkelijkheid kan worden: dienstbaar zijn en gemeenschap vormen. De hele Kerk wil dienstbaar zijn aan alle mensen. Zij voelt zich ten diepste met iedereen verbonden, met de gehele mensheid.

Pinksteren is een feest van gemeenschap. De grenzen van culturen en talen vallen weg. Vervult van de heilige Geest begrijpen mensen elkaar over grenzen heen. We hoorden dat in de eertse lezing uit de Handelingen van de Apostelen. Het is eenheid in verscheidenheid. De verschillen scheiden ons niet van elkaar. Juist door de verschillen betekenen we iets voor elkaar, zoeken wij elkaar en weten wij ons met elkaar verbonden. Samen zingen we ook God lof: “Laudate omnes gentes.”

Vandaag ben ik hier voor het eerst in uw midden. Als diaken mag ik deel uitmaken van uw lokale gemeenschap. De dienstbaarheid van de Kerk krijgt mede gestalte in het diaconaat, in het gewijde ambt van de diaken. Maar de diaken is niet de enige die de opdracht heeft vanuit en namens de Kerk dienstbaar te zijn. Het is de opdracht van de gehele Kerk om dienstbaar te zijn aan de mensheid en het is de roeping van iedere christen om dienstbaar te zijn aan de medemens. Het is de taak van de diaken de dienstbaarheid van Kerk te bevorderen. Hij doet dit door zelf dienstbaar te zijn en met woorden en daden ook anderen te motiveren tot dienstbaarheid. De dienst van de diaken kent drie aspecten: de dienst van de tafel, de dienst van het woord en de dienst van de liefdewerken. De dienst van de liefdewerken is de meest bekende.

Als we over diaconie of caritas spreken, hebben we het over deze dienst. Het gaat om het lenigen van concrete menselijke noden. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken en gevangen bezoeken en tenslotte doden begraven. De dienst van het woord wordt het meest concreet binnen de liturgie. Het is de taak van de diaken het Evangelie te lezen. En hij kan zoals vandaag de preek verzorgen. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer mogelijkheden om de Blijde Boodschap van Jezus Christus te verkondigen. De diaken treedt met woord en daad naar buiten. Hij gaat vanuit de Kerk de maatschappij in, legt daar contacten, ziet wat daar leeft en brengt dat terug de Kerk in. Hij brengt de noden van de samenleving ter sprake binnen de Kerk. Tenslotte de dienst van de tafel. Het is de taak van de diaken de priester tijdens de Eucharistieviering te assisteren. Dit is een liturgische functie. Het heeft een symboolwerking. De dienstbaarheid van de diaken in de liturgie staat symbool voor het handelen van de Kerk naar buiten.

Jezus heeft gezegd: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc 10,45). De diaken mag de dienstbaarheid van Jezus in de Kerk en in de wereld zichtbaar maken en aan de orde stellen. Hij mag Christus Dienaar binnen en buiten de Kerk present stellen. De diaken mag ook werken aan de gemeenschap, aan een gemeenschap van solidariteit en verbondenheid, aan het komen tot een eenheid in verscheidenheid. Hij probeert mensen over grenzen heen bij elkaar te brengen. Ik hoop van harte dat met uw medewerking hier te kunnen doen.

Vragen wij de heilige Geest ons allen daarbij te helpen. “Geef kracht, geef vuur, geef licht, geef kleur. Heilige Geest, geef ons leven.” Heilige Geest, geef ons liefde, geef ons dienstbaarheid en gemeenschap. Amen.