“Het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan.” We horen met Kerstmis op twee totaal verschillende manieren vertellen over de menswording van Jezus Christus. Johannes doet dat op een abstracte en filosofische manier en Lucas op een heel concrete wijze. Beide keren gaat het over de geboorte van Gods Zoon als mens in deze wereld. Het Licht, het Woord van God komt in de wereld. Jezus brengt ons de boodschap van Gods liefde voor ons. Hij brengt ons vrede en geluk. Hij is onze Redder.
De vraag is en wat doen wij? Johannes stelt direct al aan het begin van zijn Evangelie: “maar de duisternis nam het niet aan.” Bij Lucas komt deze boodschap iets later. Bij de opdracht van Jezus in de tempel horen we Simeon zeggen: “Zie dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt…” Wat doen wij? Nemen wij het Licht aan? Geloven wij in de Blijde Boodschap? Willen wij Christus navolgen? Of leggen we het naast ons neer, nemen we zijn boodschap niet aan en gaan we er zelfs tegenin?
Wij zijn vrije mensen. Zo heeft God het gewild. Zijn liefde voor ons is zo groot dat Hij onze keuzes respecteert. Hij heeft ons zelf verantwoordelijk gemaakt. In de brief aan de Hebreeën lezen we dat God zijn Zoon tot erfgenaam heeft gemaakt. Paulus schrijft in de brief aan de Romeinen dat alle kinderen van God samen met Christus zijn erfgenamen zijn. God heeft de wereld en ons mensen geschapen. Christus is mensgeworden. Hij is een van ons geworden. Samen zijn wij erfgenamen van God. Alles is aan ons gegeven. Dat maakt ons verantwoordelijk. Wij zijn verantwoordelijk voor voor heel het leven, voor alle leven. En dat geldt voor iedere mens.
Christus heeft zich verbonden met iedereen, niemand uitgezonderd. Zo zijn wij ook allemaal geroepen met Hem mee te werken aan het Rijk Gods. Hij is onze leidsman, Hij is onze Heer en Herder, maar Hij doet niets zonder ons: wij allen zijn medeverantwoordelijk. De menswording van Jezus Christus is niet alleen een beweging van boven naar beneden. Het is niet alleen Gods Zoon wordt mens. Het is ook een beweging van beneden naar boven. Door de menswording van Christus wordt ons menselijk bestaan opgetild. Wij worden dichter tot God gebracht. Wij zijn nu kinderen van God en zijn erfgenamen.
De laatste tijd wordt er veel gesproken over de elite. Er wordt gezegd dat de elite niet deugt. De elite zou alleen maar uit zijn op eigen belang en zich niets aantrekken van het belang van het volk. Het is de elite tegenover het populisme, de boze witte man tegenover de neoliberale globalist. Hoe zit het eigenlijk met de elite? Vroeger was dat misschien overzichtelijker. Een aantal mensen uit de gemeenschap hadden een vooraanstaande rol. Zij hadden meer geleerd of beter geboerd of hadden vanouds deze rol toebedeeld gekregen. Het belangrijkste was dat zij deel van de gemeenschap waren en over het algemeen het vertrouwen van de anderen genoten. Ik denk dat gemeenschap en vertrouwen hier de sleutelwoorden zijn. Bij een doorgeschoten individualisme telt alleen nog maar het eigenbelang. Dan is er geen sprake meer van gemeenschap en ook niet van het dienen van het algemeen belang. Mensen zetten zich wel in voor het algemeen belang, maar dat is omdat ze ervoor betaald worden. Het is hun baan.
Bij de menswording van Christus gaat het er niet om dat Hij een individueel mens is geworden. Het gaat erom dat Hij zich verbindt met geheel de mensheid, met de gemeenschap van alle mensen. Mens worden is juist je verbinden met andere mensen. Door in relatie te staan met anderen word je pas werkelijk mens. Dat geldt niet alleen voor Christus. Dat geldt voor ons allemaal. Wij zijn kinderen van God en zijn erfgenamen. Dat betekent niet ieder recht heeft op zijn deel. Dat betekent dat we in gezamenlijkheid de schepping in beheer hebben. Dat we daar als gemeenschap van mensen verantwoordelijk voor zijn en dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar.
Christus verkondigt ons niet de boodschap van het recht van de sterkste, Hij verkondigt ons de liefde en zorg voor de zwakken en de armen. Hij roept ons op om samen met Hem gemeenschap te vormen en verantwoordelijkheid te dragen voor elkaar. Wij worden allemaal geroepen. Wij zijn allemaal uitverkorenen. Iedere mens behoort tot de elite, want iedereen draagt verantwoordelijkheid voor het geheel. Alleen als wij gericht zijn op de ander en op het geheel in plaats van enkel op onszelf, alleen dan zijn wij betrouwbare mensen. Als wij onszelf zien als deel van een gemeenschap, nemen wij het licht van Christus aan. Dan verbinden wij ons in en met Hem met elkaar, dan schijnt door ons heen zijn licht in de duisternis.
Ik wens u allen een zalig Kerstmis. Amen.
“Waar zijt gij in de woestijn naar gaan zien? Naar een riethalm door de wind bewogen? (…) Naar iemand in verfijnde kleding?” Waar verlangden de mensen naar toen ze naar Johannes de Doper luisterden? Verlangden zij naar iemand die als een rietstengel met alle winden meewaait? In onze dagen kunnen we hierbij aan populisten denken die ons mooie beloften doen en precies zeggen wat we graag willen horen, maar niet de moed hebben om ons de waarheid voor te houden. Verlangden zij naar iemand die indruk maakt met rijkdom en mooie kleding? Verlangden zij naar iemand die erg tevreden is met zichzelf, naar iemand die zijn eigen succes etaleert en zegt dat kunnen jullie ook bereiken als je net zo doet als ik?
Het gaat er in feite niet om wat de mensen toen verlangden. Het gaat erom wat wij – zoals we hier vandaag bij elkaar zijn – verlangen. Jezus richt deze woorden niet alleen tot zijn gehoor toen. Jezus stelt deze vragen vandaag rechtstreeks aan ons. Waar verlangen wij naar?
Wij mensen zijn vaak zo tweeslachtig. Wij hebben grote idealen maar het mag niet ten koste gaan van ons huidige welbevinden, onze rust en ons comfort. We willen ons er best voor inspannen maar het moet niet te veel moeite kosten. We willen best even wachten maar niet te lang: we moeten het zelf nog wel meemaken en ervan kunnen genieten. Jakobus zegt ons dat we geduld moeten hebben en rustig moeten afwachten. Hij gebruikt ook het woord lijdzaamheid. We moeten aanvaarden dat het ideaal nog moet groeien en nog lang niet tot stand is gebracht. We moeten aanvaarden dat al onze inspanningen niet direct tot resultaat leiden. We moeten aanvaarden dat we niet in staat zijn zelf ons geluk te realiseren, maar dat het ons gegeven wordt. Jakobus heeft het niet alleen over geduld. Hij schrijft ook over moed. Ook Jesaja heeft het over kracht en moed. Het is dus niet een kwestie van passiviteit, van maar wachten tot er iets gebeurt. In de beeldspraak van Jakobus moet de boer wel eerst zaaien voordat hij geduldig gaat wachten. Bij Jesaja moeten slappe handen sterk worden en knikkende knieën krachtig. Het is duidelijk niet de weg van de minste weerstand.
Jezus heeft hier ook over. Hij noemt het even tussendoor. Eerst vertelt Hij over het herkennen van de Mesias: “blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd”. Daarna zegt Hij: “Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.” Waarom zouden we aanstoot nemen aan iemand die zoveel goeds doet? Waarom zouden we aanstoot nemen aan iemand die het Rijk Gods brengt? Blijkbaar is er toch meer aan de hand. Zoals we in verhalen over Jezus lezen, bracht Hij ook beroering. Er waren mensen die wel degelijk aanstoot aan Hem namen en die in Hem een gevaar zagen omdat Hij de bestaande orde aan de kaak stelde. Het Rijk Gods dat Hij komt brengen, werpt de bestaande orde omver. Zoals Maria in het Magnificat zingt: “Machtigen haalt Hij omlaag van hun troon, eenvoudigen brengt Hij tot aanzien. Behoeftigen schenkt Hij overvloed, maar rijken gaan heen met ledige handen.” Hoe groot de onvrede over het optreden van Jezus was, blijkt uit de wijze waarop Hij ter dood is gebracht. Hij moest sterven aan het schandhout van het kruis.
“Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.” Gelukkig zijn zij die de hele boodschap van Jezus aanvaarden. Gelukkig zijn zij die niet langer op twee gedachten hinken: de gedachte van het hoge ideaal en de gedachte van je moet het niet overdrijven, de gedachte van we moeten wel redelijk blijven en het moet wel uitvoerbaar zijn en niet te veel kosten.
Het is Advent: een tijd van bezinning. Wij mogen ons bezinnen op onze verlangens en op de gevolgen ervan. Kiezen we werkelijk voor het geluk van alle mensen of willen toch graag het grootste deel voor onszelf? Zijn we werkelijk op God en de medemens gericht of zijn we toch vooral op onszelf gericht? Hebben we het geduld en de moed om af te zien van het korte termijn gewin en willen we ons daadwerkelijk inzetten voor het Rijk Gods?
Jezus vraagt aan de mensen en aan ons: “Waartoe zijt gij dan uitgetrokken? Om een profeet te zien?” Ja uiteindelijk is dat onze diepste wens: een profeet die spreekt over liefde en waarheid, een profeet die ons de echte liefde en waarheid doet kennen. Jezus verkondigt ons die liefde en waarheid: liefde en waarheid die ook wel eens schuren en pijn doen, liefde en waarheid die soms aanstoot geven, liefde en waarheid die uiteindelijk leiden naar het Rijk Gods. Hem willen wij navolgen. “Dan gaan de ogen van de blinden weer open en zullen de oren van de doven geopend worden. De lamme zal springen als een hert en jubelen zal de tong van de stomme.” Dan zullen ook wij – zoals Jesaja profeteert – door de Heer verlost worden en zullen wij vreugde verkrijgen en blijdschap. Amen.
Auteurs: Juliëtte van Deursen, Leo Mock & Marcel Poorthuis
Titel: Abraham/Ibrahim: De spiritualiteit van gastvrijheid
Uitgever: Pardes, 2015
Prijs: € 15,00
ISBN: 978 94 92110 13 8
Aantal pagina’s: 90
Voor joden, christenen en moslims is Abraham de vader in het geloof. Zij zien Abraham als hun geestelijke vader die op zoek is naar de waarheid en hen is voorgegaan in het geloof in de ene God. Daarnaast is hij ook een voorbeeld van gastvrijheid. Hij staat open voor de vreemdeling en voor het vreemde. Abraham inspireert ook tot interreligieuze dialoog.
Juliëtte van Deursen schrijft over de Franse katholiek islamoloog Louis Massignon die pleitte voor een Abrahamitische oecumene van joden, christenen en moslims. Zijn contacten met bisschop Montini, de latere paus Paulus VI hebben veel invloed gehad op het katholieke denken over andere religies. De bijdrage van Leo Mock gaat over het joodse denken over gastvrijheid en hoe Abraham daarin model staat. Gastvrijheid kan als graadmeter van het morele peil van een samenleving worden gezien. Marcel Poorthuis presenteert een bloemlezing van islamitische teksten over gastvrijheid. Vervolgens vertelt hij het levensverhaal van Abraham aan de hand van een joodse vertelling die veel raakvlakken kent met de islamitische literatuur.
Gastvrijheid is een belangrijke waarde in de drie monotheïstische religies. Abraham speelt daarin een belangrijke rol. Hij is daarmee een boeiend onderwerp voor het interreligieuze gesprek. Dit boekje vormt daarvoor een mooie aanleiding.
In de eerste lezing tekent Jesaja ons zijn visioen van het Rijk Gods: een rijk van gerechtigheid en vrede, een rijk onder de banier van de Messias, de Zoon van David, een twijg aan de stronk van Isaï. Johannes de Doper roept ons op tot bekering. Zo maken wij de weg vrij voor Hem die ons zal dopen met de heilige Geest en met vuur.
Johannes predikt een doopsel van bekering. Hij doopt met water, water dat schoonwast en water dat leven geeft. Maar de komende Messias zal ons dopen met de heilige Geest en met vuur. Het is het vuur van de geestdrift en ook het vuur van de loutering. Met het vuur worden de verontreinigingen uit het goud verwijderd: het vuur als een beeld van loutering. De Messias zal ons ook dopen met de heilige Geest. Jesaja beschrijft wat betekent. Jesaja schrijft als volgt over Christus, over de Messias: “De geest van de Heer zal op Hem rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren.” Dit zijn wat wij de gaven van de heilige Geest noemen. Christus is hiermee begiftigd. Door ons te verbinden met Christus, door Hem ook in ons geboren te laten worden, ontvangen ook wij deze gaven van de heilige Geest. Hij doopt ons met zijn heilige Geest. Zo gaan wij lijken op Christus.
De gaven van de heilige Geest hebben wij ook nodig om ons te bekeren. Wijsheid en verstand, raad en heldenmoed, liefde, kennis en de vreze des Heren hebben we ook nodig om ons tot God te richten. Allereerst is er de liefde die ons op God richt. Zijn liefde voor ons doet ons Hem liefhebben. Wijsheid, verstand en raad vormen ons denken en ons geweten. Zij doen ons op het juiste moment besluiten nemen en helpen ons de juiste keuzes te maken.
Verder noemt Jesaja de heldenmoed. Er is moed voor nodig om trouw te blijven aan jezelf, trouw te blijven aan wat je ten diepste beweegt en trouw te blijven aan je roeping. Er is moed voor nodig de weg van de liefde en de waarheid te gaan en er niet voor weg te lopen. Er is moed voor nodig om de waarheid onder ogen te zien en haar op liefdevolle wijze vrijmoedig uit te spreken. Er is moed voor nodig om je niet door negatieve gevoelens mee te laten slepen, maar oog te blijven houden voor de menselijke waardigheid van de ander en van jezelf. Er is moed voor nodig je ogen niet te sluiten voor de ellende overal om ons heen, maar de waarheid tot je te nemen, er over na te denken en er vervolgens naar te handelen. Er is moed voor nodig om goed om te gaan met onze eigen zondigheid. Er is moed voor nodig om onze kwetsbaarheid onder ogen te zien en haar als deel van ons leven te aanvaarden. Zonder moed komen we niet tot bekering. Zonder moed komen we niet tot God.
Tenslotte noemt Jesaja de vreze des Heren. Het gaat er hier niet om dat wij bang moeten zijn voor God. Jezus wil ons juist bevrijden van de angst. Regelmatig zegt Hij: “Vreest niet.” Het gaat dus niet over angst. Het gaat hier over ontzag en eerbied in de omgang met God. God is ons zeer nabij. Hij woont in ons, maar Hij is daarmee geen deel van ons. Wij kunnen Hem niet bezitten en naar willekeur over Hem en zijn werkende kracht in ons beschikken. Gods inwoning in ons is een geschenk van zijn liefde voor ons. Dat maakt ons dankbaar en vervult ons met ontzag. Liefde en respect gaan hand in hand. Dat geldt niet alleen voor onze relatie met God. Dat geldt ook voor de relatie met onze medemens. Als je iemand niet respecteert, kun je niet van hem houden. Het gaat om het ontzag voor de menselijke waardigheid van de ander. Zonder respect wordt de geliefde gedegradeerd tot een gebruiksvoorwerp, een huisdier of een slaaf. Deze liefdevolle vorm van respect schept geen afstand, maar maakt juist nabijheid op een goede manier mogelijk. Ook onze geliefden zijn ons gegeven en worden door ons met dankbaarheid en ontzag ontvangen. Naarmate de geliefde ons meer nabij is, wordt het belang van het respect alleen maar groter. Juist in de nabijheid is het bewaken van de grenzen uiterst belangrijk. Wederzijds respect voor elkaar is vooral van groot belang binnen het gezin. Juist daar waar de liefde groot is, is ook het gevaar aanwezig dat we elkaar opeisen en dat we de ander als ons persoonlijk bezit gaan zien.
Ditzelfde gevaar dreigt in onze relatie met God: Hij, die in ons woont. Wij mensen zijn maar al te vaak geneigd om God naar onze eigen gedachten te modelleren. Wij hebben de neiging om precies te weten wat God wil en vooral wat God van anderen wil. Als wij zo denken ontbreekt ons de vreze des Heren, dan zijn ook wij adderengebroed, zoals Farizeeën en Sadduceeën die maar al te goed wisten hoe anderen zich moesten gedragen.
Door de gaven van de Geest, door de verbinding met Christus komen wij tot bekering, krijgen wij zicht op de werkelijkheid, wordt God van betekenis in ons leven. Zo krijgen wij weet van onze diepste verlangens en durven we die onder ogen te zien. Zo krijgt ons verlangen naar God, naar de komst van de Heer gestalte in ons leven. Amen.
Het is de eerste zondag van de Advent. We staan aan het begin van een nieuw kerkelijk jaar. En ook in de Kerk is het zoals op nieuwjaarsdag: we hebben het over een nieuw begin en we willen ons leven beteren. Een nieuw begin geeft nieuwe kansen. We blikken vooruit. We zien naar de toekomst. Waar willen we uiteindelijk naar toe? Wat willen we bereiken? Wat is ons doel? Daar gaan de lezingen van vandaag over: hoe ziet onze toekomst eruit en hoe leven we daar naar toe?
In de eerste lezing tekent Jesaja ons zijn visioen van het Rijk Gods: een rijk van voorspoed en vrede. Paulus zegt ons in de tweede lezing dat we wakker moeten worden. “Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht.” Jezus roept ons op tot waakzaamheid. Wij moeten ons niet beperken tot rustig ons leven leiden en de dingen doen die we altijd deden.
Jesaja en Paulus schetsen op heldere wijze de toekomst. Jesaja heeft het over voorspoed en vrede en Paulus vertelt ons hoe we onszelf daar op moeten voorbereiden. Dan is wat Jezus ons zegt veel weerbarstiger en lastiger te begrijpen. “Dan zullen er twee op de akker zijn: de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten; twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten.” Je krijgt bij deze woorden welhaast de indruk dat er een paar mensen zomaar lukraak uitgeplukt worden en dat die dan gered zijn. Maar het is toch geen loterij?
En hoe zit het met dat eten en drinken, en dat huwen en ten huwelijk geven? Daar is toch niets mis mee? Nee daar is niets mis mee: als we dat niet meer doen is het snel met ons mensen gedaan. Jezus keurt hier het menselijke leven ook niet af. Waar het omgaat is dat wij bewust leven en dat wij ons ervan bewust zijn wat onze toekomst is. Een mens is nooit alleen maar hier en nu. Wij mensen zijn altijd verleden, heden en toekomst. Dieren leven in het hier en nu. Mensen zijn meer dan dieren. Mensen zijn ook bezig met hun herinneringen en ze leven ergens naar toe.
Religieuze mensen zijn mensen van geloof, hoop en liefde. Natuurlijk, is het ook goed je bewust te zijn van het hier en nu, maar we moeten ons leven er niet toe beperken. Zo moeten we ook niet in het verleden leven of alleen maar bezig zijn met wat nog komen moet. Vanuit het verleden en in het hier en nu leven wij in geloof naar de toekomst toe. Gelovend in Gods liefde voor ons hopen wij op een goede toekomst.
Jesaja schrijft vanuit een situatie van vreemde overheersing en deportaties. Vanuit de ellende die zijn volk overkomt, ziet hij uit naar de toekomst: een toekomst waarin het Woord van God bepalend is, een toekomst van voorspoed en vrede. Die hoop houdt het volk van Israël op de been. Zo weten zij met vallen en opstaan trouw te blijven aan het Verbond met God. Paulus wijst ons erop dat we ons niet moeten verliezen in tijdelijk genot. Teveel luisteren naar ons gevoel doet ons het hoofd verliezen. Als we ons genot enkel zoeken in het heden, dan willen we alleen maar meer van hetzelfde, dan kunnen we niet meer dromen van een betere toekomst, dan kunnen we niet meer dromen van een nieuwe wereld, dan verliezen we de hoop van het geloof.
Jezus wil ons niet de stuipen op het lijf jagen, maar Hij wil ons wel bij de les houden. Juist in onze tijd van materiële welvaart ligt het gevaar van zelfgenoegzaamheid op de loer. Ook in onze tijd is het niet een kwestie van nog een paar problemen oplossen en dan is ons leven helemaal op orde. Wij mensen zullen nooit genoeg hebben aan het hier en nu. Wij zullen altijd verlangen naar het volmaakte geluk. Wij noemen dat: het ware leven, het eeuwig leven. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn.
Jezus belooft ons een nieuwe wereld: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Met de wederkomst van de Mensenzoon zal het Rijk Gods in zijn volle omvang doorbreken. De nieuwe wereld wordt dan werkelijkheid, onze dromen worden dan waar. In het hier en nu mogen wij daar soms even een glimp van opvangen. Soms raken we even aan het Rijk Gods dat ooit definitief gaat komen als wij ons daarvoor open stellen. Amen.
In het evangelie volgens Matteüs begint Jezus zijn prediking met de zaligsprekingen. Vandaag lezen we het verslag van de laatste prediking van Jezus. Hierna volgt het lijdensverhaal. Alleen bij Matteüs komen we het vandaag gelezen verhaal tegen. Matteüs heeft zijn evangelie zorgvuldig gecomponeerd. Als we dan twee verhalen vinden die het begin en het einde markeren, en die bovendien een gelijksoortige structuur hebben, dan hebben die twee verhalen met elkaar te maken.
In beide verhalen doet Jezus uitspraken over welke mensen gelukkig zijn. In de zaligsprekingen wordt aangegeven welke eigenschappen en karaktertrekken deze mensen hebben. U weet wel: “Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen. Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden.” Etcetera. Vandaag horen we tot welke daden van liefde deze deugden leiden. Beide verhalen kunnen we zien als een beschrijving van de toekomst: zo zal het zijn na onze dood. Maar we mogen ze ook op ons aardse leven betrekken. Dan zijn de zaligsprekingen niet slechts een belofte voor de toekomst, maar ook een belofte voor het huidige leven. Als wij de genoemde deugden nastreven zal ons dat ook hier en nu reeds gelukkig maken.
Als we op deze manier naar de lezing van vandaag kijken, zien we niet een oordelende rechter die na een afweging van goed en kwaad tot een beslissing komt. Nee, dan zien we de Koning die als een herder van zijn mensen houdt en die onderscheid maakt zoals tussen bokken en schapen. Dat is overigens ook wat er staat. De Koning ziet mensen voor zich die uit vrije wil wel of niet voor het geluk hebben gekozen. Zij die hun medemensen liefhebben, zijn daardoor gelukkig geworden. Van hen zegt de Koning: ook in de toekomst zullen jullie gelukkig zijn.
In de zaligsprekingen roept Jezus ons op tot eenvoud en bescheidenheid, tot gevoeligheid voor het leed en het kwaad in de wereld, tot zachtmoedigheid, gerechtigheid, barmhartigheid, wijsheid en eerlijkheid, tot vredelievendheid, standvastigheid en moed. Als wij ons oefenen in deze deugden en zo onze medemens tegemoet treden, komen we tot de daden die Jezus ons vandaag voorhoudt. Dan zien we een mens in nood en niet een probleemgeval. Het is een mens zoals ik, die honger en dorst heeft. Het is een mens zoals ik, die vreemdeling, naakt, ziek of in de gevangenis is. Het is geen probleem, maar een mens, die net als ik gelukkig wil zijn. Wij kunnen onszelf niet gelukkig maken, wij kunnen alleen een ander gelukkig maken. Alleen een ander gelukkig maken, maakt onszelf gelukkig. Daarin zit ook het oordeel. De Koning zegt niet: Ik heb het eens allemaal op een rijtje gezet en kom tot het oordeel ‘jij bent geslaagd’ en ‘jij bent mislukt’. Nee, Hij constateert: Jij hebt iemand gelukkig gemaakt, dus ben je en blijf je gelukkig.
Sint Martinus heeft dit als geloofsleerling aangevoeld. De jonge soldaat zag de nood om zich heen en gaf alles wat hij bezat weg. Toen hij niets meer had om weg te geven, heeft hij zijn mantel in tweeën gesneden om die met een kleumende en bijna naakte man te delen. In die daad van naastenliefde heeft hij Jezus als een levende werkelijkheid ontmoet. Met zijn daad van liefde raakte Martinus aan de kern van ons geloof. In zijn droom heeft Jezus hem dit bevestigd.
De heiligen worden ons voorgehouden als voorbeelden van liefde en geloof. Zij zijn ware navolgers van Jezus Christus. Ook wij worden daartoe opgeroepen. Vandaag is er een inzameling voor de voedselbank. Het zijn de huidige mensen in nood met wie wij onze welvaart mogen delen. Het is een concrete wijze van hongerigen te eten geven en dorstigen laven. Ook vandaag is Jezus in en onder hen aanwezig. Hij zal zich altijd om de mens in nood bekommeren en zich met hen vereenzelvigen. Als wij ons laten raken door de nood van onze medemens en daarnaar handelen, leven we niet alleen naar het voorbeeld van Jezus Christus maar we zullen Hem ook werkelijk ontmoeten en hier en hierna gelukkig zijn.
Tenslotte: wij hoeven het allemaal niet op eigen kracht te doen. Wij aan niet aan ons lot overgeleverd. Wij kunnen daadwerkelijk iets van ons leven maken, omdat we daarbij geholpen worden. Jezus is als de goede herder vol zorgzaamheid voor de mensen. God geeft ons voortdurend zijn liefde en genade. Hij schenkt ons telkens weer vergeving als het even niet lukt. Hij weet wie wij werkelijk zijn.
De heiligen zijn niet alleen ons voorbeeld. Ze zijn ook onze voorspraak. Zo mogen wij de hulp van Sint Martinus inroepen met de woorden die achter in de kerk op de balustrade geschreven staan: “Gij die uw mantel hebt gedeeld, bekleed ons met gerechtigheid.” Amen.
Vandaag gedenken wij onze dierbare overledenen. Over de dood heen weten wij ons met hen verbonden. De liefde die er tussen ons gegroeid is, is sterker dan de dood. De gemeenschap van de Kerk omvat niet alleen de mensen hier op aarde. Ook alle gestorvenen behoren bij onze gemeenschap.
Onze aardse leven is tijdelijk. We worden geboren, groeien op en komen tot bloei. Net als alle andere leven hier op aarde komt ook ons aardse leven tot een einde. Ook wij mensen maken deel uit van een keten van geboren worden en doodgaan. Terwijl de een sterft, wordt de ander geboren. Telkens wordt het leven doorgegeven. Jezus zegt dat de graankorrel moet sterven om vrucht voort te brengen. Zelf is Hij ons deze weg voorgegaan. Hij heeft ons laten zien dat de dood het einde niet is. Door de dood heen komen wij tot nieuw leven, tot eeuwig leven. Door de dood heen komen wij mensen tot het volle leven, een leven bij God.
Wij kunnen ons geen enkele voorstelling maken van het leven na de dood, van het eeuwig leven. En toch hopen en verlangen wij naar dat volmaakte geluk. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn.
Centraal in ons geloof staat de gedachte: God is liefde. Liefde laat zich niet ketenen door de dood. De liefde overwint de dood. Liefde gaat over de grenzen van de dood heen. Jezus Christus gaf zijn leven voor zijn vrienden. Hij gaf het voor ons. Met deze ultieme daad van liefde heeft Hij de dood definitief overwonnen. Jezus geeft ons hoop, hoop op een goede toekomst, hoop op leven. Ook als wij in de put zitten, moedeloos zijn en het niet meer weten. Het verdriet over een verlies kan ons helemaal in beslag nemen en ons alle hoop en vertrouwen doen verliezen. We zijn in verwarring. Hoe moet het verder? Wat mogen we nog verwachten? Zullen we ooit weer vreugde en blijdschap kennen? Maar tegelijkertijd weten wij ook dat liefde en vriendschap geen einde kennen, dat we niet hoeven te wanhopen, dat we juist mogen vertrouwen, want “de barmhartigheid van God is eeuwig en zijn goedheid onuitputtelijk”.
Jezus heeft dit vertrouwen, deze hoop geleefd. Hij heeft het ons voorgeleefd en wij mogen Hem navolgen. Wij mogen delen in zijn heerlijkheid. Hij heeft voor ons een plaats bereid. Het huis van zijn Vader, de gemeenschap van de heiligen is onbegrensd. De gemeenschap van alle gelovigen gaat over de grenzen van de dood heen. De banden van de liefde zijn sterker dan de dood. Zo zijn wij hier op aarde ook blijvend verbonden met onze overleden broeders en zusters. Zij die in de eeuwige zaligheid, voor het aangezicht van God leven, kunnen voor ons een voorspraak zijn. Hen kunnen wij aanroepen om voor ons tot God te bidden. Voor hen die nog onderweg zijn, bidden wij zelf. Ook met hen zijn wij verbonden en wij vragen aan God hen op te nemen in zijn rijk van vrede en geluk. Amen.
Het boek Wijsheid leert ons dat God van alles wat Hij geschapen heeft houdt. God houdt van al zijn schepselen. Alles en allen bestaan omdat Hij het wil. Alles en iedereen wordt door Hem gespaard. Dit geldt ook voor de mensen die zich tegen Hem keren. Allen blijft Hij met zijn liefde omringen; ook de mensen die van zijn weg zijn afgedwaald, ook zij die zijn wil niet doen. Niemand wordt afgeschreven, niemand wordt uitgesloten.
Jezus laat ons zien wat dat in de praktijk betekent. Hij weet dat Zacheüs als een zondaar bekend staat en dat hij daarom buiten de gemeenschap is geplaatst. Maar dat is voor Hem geen reden om Zacheüs niet te zien. Sterker: Jezus kiest juist Zacheüs uit om in zijn huis te gast te zijn. Hij neemt zijn intrek in het huis van Zacheüs.
Het boek Wijsheid leert ons dat God de zondaars met mate straft en hen waarschuwend herinnert aan hun zonden. Het is bij God niet: “We praten er niet meer over.” Hij is geen zachte heelmeester, die stinkende wonden maakt. Nee, het kwade moet ter sprake gebracht worden. Door erover te spreken leren we wat we hebben aangericht. Door onze fouten onder ogen te zien, kunnen we ervan leren. Zo kunnen we leren de juiste weg te kiezen, ons af te keren van het kwaad en ons op het goede, op God te richten.
Hoe anders is het handelen van ons mensen dan dat van God. Tegenwoordig hoor je voortdurend roepen om zwaardere straffen. De roep om vergelding voert de boventoon. Daarnaast is er een continue vraag om veiligheid. De maatschappij moet beveiligd worden tegen misdadigers. Elk risico moet worden vermeden. Wat is dan beter dan boosdoeners levenslang op te sluiten in de gevangenis. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft Nederland erop gewezen dat ons ‘levenslang is levenslang’ niet humaan is. Dit land dat zichzelf van hoog moreel niveau acht, handelt in strijd met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Dat schrijft voor dat er voor iedere gevangene uitzicht op vrijlating moet zijn.
Het boek Wijsheid kwam zo’n honderd jaar voor Christus tot stand. Meer dan tweeduizend jaar geleden wist men al dat ons huidige beleid met nadruk op vergelding en beveiliging niet werkt. Als mensen niet de kans hebben op een beter leven, zullen ze ook niet geneigd zijn zich daarvoor in te zetten. Vergelding is geen oplossing. Vergelding biedt ook geen oplossing voor het aangedane leed. Alleen verzoening maakt het voor beide partijen mogelijk om een nieuw leven op te bouwen. Ook slachtoffers en nabestaanden hebben het nodig het aangedane kwaad onder ogen te zien en erover te spreken. Alleen door het te aanvaarden wordt een nieuw leven mogelijk. Verzoening geldt niet alleen richting de dader. Je moet je ook verzoenen met het je aangedane kwaad.
Jezus neemt zijn intrek bij een zondaar. Hij zegt dat Hij bij hem te gast moet zijn. Dit ‘moeten’ slaat niet op Zacheüs, maar op Jezus zelf. Het is zijn heilige overtuiging dat Hij dit moet doen. Hiermee geeft Hij Zacheüs de hoop en de liefde die hij nodig heeft. Nu hoeft Zacheüs zich niet meer te verbergen. Nu durft hij de mensen onder de ogen te komen en laat hij zich kennen als een mens van goede wil. Zacheüs heeft zich bekeerd. Jezus heeft hem gered. Nu de omstanders nog: zij blijven morren en hem als zondaar zien.
Jezus roept ook ons op om liefde en hoop te brengen en te verkondigen. Als zijn navolgers mogen ook wij gedreven worden door een heilig moeten. Dat geldt ook richting de mensen in de gevangenis. Amen.
Op het eerste gezicht worden we vandaag geconfronteerd met tegenstrijdige boodschappen. Enerzijds roept Jezus ons op tot nederigheid en bescheidenheid en daarnaast horen we Paulus terugkijkt op zijn leven en concludeert dat hij zo slecht niet gedaan heeft. Bij verdere studie van deze teksten komen er nog meer vragen naar boven. De boodschap van Jezus is bij eerste lezing wel duidelijk, maar als we het verhaal verplaatsen naar vandaag, naar onze eigen cultuur komen we tot vragen.
Over de Farizeeër zegt Jezus dat hij met opgeheven hoofd bidt. Maar wat is daar verkeerd aan? Wij leren onze kinderen tegenwoordig dat ze hun ouders en ook hun onderwijzers moeten aankijken, als ze met hen in gesprek zijn. En dat geldt met name voor situaties waarin zij liever hun ogen uit schaamte afwenden. Als God van ons houdt, als wij onszelf kinderen van God mogen noemen, moeten wij God dan niet in de ogen durven kijken? En geldt dat niet juist op momenten waarop we met Hem in gesprek zijn, als wij tot Hem bidden en ons hart bij Hem luchten? Als ik een kind van God ben, moet ik daar dan niet geweldig trots op zijn?
De Farizeeër dankt God voor het feit dat hij een goed mens is. Maar wat is daar verkeerd aan? En Paulus dan? Wordt hij door deze woorden Jezus veroordeeld? Hij schrijft dat hij de goede strijd heeft gestreden. Nu verdient hij de krans der gerechtigheid. Hij zegt van zichzelf dat hij zijn loon heeft verdiend. Waarin verschilt Paulus van de Farizeeër? De tollenaar blijft op afstand. Is hij bang voor God? Hij durft zijn ogen niet op te heffen naar de hemel. Is dat zijn schaamte? Hij weet dat hij niet volmaakt is, dat hij gezondigd heeft. Hij vraagt God terecht om genade, maar waarom die afstand?
Wij zijn deze viering begonnen met de schuldbelijdenis. We hebben gebeden: “door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld”. Dat zijn grote woorden, die niet erg passen in onze huidige cultuur. Voor velen van ons is het een bekende tekst en zit er ongetwijfeld ook routine in als deze bidden. Maar hoe zondig voelen wij ons eigenlijk? In het denken van onze tijd is er veel aandacht voor het bepaald zijn van alles. Men denkt dat alles wat er gebeurt, een oorzaak heeft die buiten onszelf of in het verleden ligt. Alles zou worden bepaald door de evolutie. Alles wat ik doe, zou worden bepaald door mijn hersenen. Daarmee ontkent men dat wij mensen vrij zijn. En als je niet vrij bent, kun je ook geen zonde doen. Zo simpel is dat. Mijn fouten worden dan bepaald door mijn genen. Kan ik er wat aan doen? Zo ben ik nu eenmaal!
We zullen hier geen filosofisch betoog gaan opzetten, maar dit is wel de plaats om er vanuit ons geloof over na te denken. Als wij geloven dat God liefde is en Hij van ons vraagt dat wij Hem en elkaar liefhebben, dan geloven wij in vrijheid, dan geloven wij dat we vrije mensen zijn. Zonder vrijheid is er geen liefde. Liefde is meer dan een biologische aangelegenheid. Als wij geloven dat Jezus Christus gekomen is om ons te verlossen, dan geloven we dat wij verloste en vrije mensen zijn. Als wij niet vrij zijn, is zijn leven, zijn lijden en sterven voor niets geweest. Als wij niet vrij zijn, heeft de verlossing totaal geen betekenis. Maar als wij vrij zijn, dan zijn wij niet alleen in staat tot het maken van fouten, maar dan zijn we ook in staat tot bewuste nalatigheid en zijn we ook in staat anderen bewust schade toe te brengen en pijn te doen.
Jezus heeft ons bevrijdt. Wij mogen trots zijn op onze vrijheid. Maar deze vrijheid hebben we niet zelf tot stand gebracht. Zij is ons gegeven en dat maakt ons ook bescheiden. Bovendien zijn we in staat onze vrijheid bewust of onbewust te misbruiken en dat maakt ons zeker bescheiden. Wij zijn ook vrij om zelf onze houding tot God te bepalen en onze eigen weg daarin te vinden. Wij mogen trotse en dankbare kinderen van God zijn. Jezus leert ons echter ook om bescheiden te zijn.
Dan nog even terug naar Paulus en de Farizeeër. De Farizeeër is God dankbaar dat hij geen slecht mens is en daar is natuurlijk niets op tegen, maar hij acht zichzelf ook een beter mens dan anderen. Dat maakt hem blind voor zijn eigen falen en tekortschieten. Paulus ziet zijn einde naderen. Hij schrijft vanuit Rome. Daar zal hij ter dood veroordeeld worden. Maar desondanks weet hij, dat hij een vrij mens. Hij durft God onder ogen te komen en is vol vertrouwen in de redding die hem geschonken is.
Het is vandaag Wereldmissiedag. Paulus is niet bang zijn geloof te verkondigen. Hij is een vrij mens en weet dat God van hem houdt. Ook wij zijn geroepen tot liefde en tot vrijheid en ook wij zijn geroepen dat te delen met anderen. Ook wij zijn geroepen ons geloof met trots te verkondigen en uit te dragen. Amen.
In het Evangelie horen we, dat de Samaritaan zich vol dankbaarheid voor Jezus’ voeten neerwerpt. Hij erkent dat de genezing een geschenk van God is. En dan zegt Jezus aan het einde tot hem: “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.” Het geloof van deze man heeft zich geuit in zijn dankbaarheid. Dankbaarheid en geloof zijn nauw met elkaar verbonden. Dankbaarheid is een vorm van geloof.
Dankbaar ben je als je je er van bewust bent dat je iets krijgt zonder dat je daar recht op hebt. Je krijgt iets om niet, helemaal gratis. Je hoeft er niets voor terug te doen. Je hebt het ook nergens aan verdiend. Dat is de wijze waarop God ons zijn gaven schenkt. De allereerste gave is het leven zelf. Wij mensen zijn niet in staat onszelf het leven te geven. We krijgen dat zomaar, zelfs zonder dat we erom gevraagd hebben. Ik weet dat er mensen zijn die het leven moeilijk vinden en het leven als een last ervaren. Toch is het leven bedoeld als een geschenk, als een liefdevolle gave. Daarom noemen wij God onze Schepper. Hij staat aan het begin van ons leven. Zonder Hem waren wij er niet geweest en waren we niet de persoon die we zijn. God staat niet alleen aan het begin; Hij blijft ons ook met zijn liefdevolle zorg nabij. En Hij heeft Jezus, zijn Zoon gezonden om ons te bevrijden van het kwaad.
Dankbaar zijn betekent erkennen dat je iets krijgt. Het betekent dat je erkent dat je van de ander afhankelijk bent en dat je ook bereid bent afhankelijk te zijn en dat je je aan de ander durft toe te vertrouwen. Wij mensen zijn tot veel in staat, maar er is ook heel veel wat we niet kunnen. We zijn afhankelijk van elkaar en van God. Ook al willen we graag zelfredzaam en onafhankelijk zijn, we zullen het nooit zijn. En gelukkig maar. We worden pas ten volle mens door in relatie met elkaar te leven. Wij worden mens door van elkaar te houden. Het is het grote geschenk van de liefde dat ons leven zo mooi maakt. En ook hierin staat God aan het begin. Hij is niet alleen de bron van het leven, Hij is ook de bron van de liefde. Hij geeft ons zijn liefde en wij mogen die aan elkaar doorgeven.
Iemand iets geven is een daad van liefde. Maar iets van iemand ontvangen en daar werkelijk dankbaar voor zijn, is misschien nog wel een veel grotere daad van liefde. Daarmee toon je je afhankelijkheid en verbondenheid naar elkaar. Dankbaarheid bevrijdt ons van het idee van ‘voor wat hoort wat’. Zij bevrijdt ons van de wederkerigheid. Wij hebben er moeite mee, als dat iemand ons iets geheel belangeloos geeft. Hoe vaak hoor je niet iemand roepen bij het krijgen van een geschenk: “dat had je niet moeten doen”. Ik geloof onmiddellijk in de oprechte uitdrukking van verbazing en verrassing. Maar ondertussen wordt er wel gezegd: “dat had je niet moeten doen, want dit schept verplichtingen die ik niet kan of niet wil nakomen”. Kinderen doen dat niet, kinderen roepen niet: “dat had je niet moeten doen”. Kinderen zijn meestal gewoon blij met wat ze krijgen. Ze zouden ook blij zijn als het cadeau twee keer groter zou zijn. Ze nemen een geschenk aan en zijn dankbaar. Ze vragen zich niet af wat ze terug moeten doen of wat er achter zit.
Geloof heeft te maken met die vorm van dankbaarheid. Geloof vraagt een kinderlijke naïviteit van openheid naar het mysterie, van loskomen van onze menselijke rationaliteit, en van loskomen van onze menselijke wederkerigheid. Geloven is niet gemakkelijk, zeker niet in onze tijd. Juist nu staan rationaliteit, wederkerigheid, zelfredzaamheid en onafhankelijkheid bij vele mensen hoog in het vaandel. Onze hele cultuur is ervan doordesemd. De verkiezingen zijn weer in aantocht. De komende maanden zullen deze begrippen de basis vormen van vele betogen en dat geldt voor alle partijen.
Geloven is loskomen van deze menselijke begrippen en ze overstijgen. Je wordt niet minder, maar juist meer door afhankelijk te zijn. Je wordt een wijzer mens door voorbij de rationaliteit te denken. Je wordt een mooier mens door te kiezen voor belangeloosheid in plaats van alleen in termen van wederkerigheid te denken. Als we kunnen ontvangen, zijn we ook in staat om te geven. Als we dankbaar kunnen zijn, zijn we in staat tot echte liefde. Als we werkelijk liefhebben, komen we tot God, want God is liefde.
Het leven is veel minder vanzelfsprekend dan wij vaak denken. We vinden het vaak zo gewoon dat we leven en liefde ontvangen. Vandaag zijn het de Samaritaan in het evangelie en in de eerste lezing de Syriër Naäman die ons tot voorbeeld worden gesteld. Voor deze vreemdelingen is het geschenk van de genezing een totaal onverwacht iets. Als buitenstaanders zijn ze werkelijk verrast. Door buiten hun eigen cultuur te treden zijn ze ontvankelijk geworden. Ze durven het avontuur van het geloof aan.
Mogelijk moeten ook wij onszelf losweken van onze vaste ideeën en gewoonten. We moeten het aandurven de gebaande paden te verlaten. We moeten het aandurven tegen de stroom in te gaan. Op die manier openen we onszelf tot een leven in liefde en geloof. Amen.