Het Evangelie van vandaag kun je zo in onze tijd plaatsen. Het past bij onze huidige cultuur. Laten we het ons eens voorstellen, maar pas op dat uw fantasie niet op hol slaat. Er belt iemand aan bij de deur van de pastorie. Er wordt opengedaan en op de stoep staat een keurig geklede man. Strak in het pak, niet opzichtig maar wel chique. Of als u dat liever heeft: een vrouw in een keurig mantelpakje, misschien is het woord deux-piece hier meer op zijn plaats. Op beleefde maar toch dringende toon wordt naar de pastoor gevraagd. We hebben hier duidelijk te maken met iemand die niet gewend is aan tegenspraak. Dit is iemand die succesvol is en carrière heeft gemaakt.
Hoewel de pastoor druk is met zijn preek voor de komende zondag, besluit hij de persoon te ontvangen. Deze neemt plaats aan de werktafel van de pastoor en steekt meteen van wal. Pastoor, het gaat goed met mijn bedrijf. We draaien een flinke omzet en weten een mooie winst te boeken. Mijn mensen hebben plezier in hun werk en verdienen een goed salaris. Zij beschouwen mij als een goede en prettige werkgever. Ik betaal keurig mijn belasting en wij zijn druk bezig ons bedrijf duurzaam te maken. Ook besteden we jaarlijks een flink bedrag aan goede doelen en ik en al onze medewerkers doen ieder jaar mee aan ‘Nederland doet’.
Weet u, meneer pastoor, ik ben katholiek opgevoed. Ik ben gedoopt en heb mijn eerste Communie en Vormsel gedaan, maar het is al weer jaren geleden dat ik een kerk bezocht. Nu dacht ik, ik moet toch eens wat voor de Kerk doen. Ik heb begrepen dat er groot onderhoud aan dit gebouw nodig is en dat het voor de parochie niet te doen is om de enorme kosten daarvan te dragen. Ik wou u dus een aanbod doen: Ik betaal de restauratie van de kerk en u bidt elke zondag voor mijn zielenheil, zodat ik weet dat ik later in de hemel kom. De pastoor had al het gevoel dat het deze kant op zou gaan en zit zich nu af te vragen wat hij hiermee aan moet. Het geld kan de parochie inderdaad heel goed gebruiken, maar hij zal toch moeten vertellen dat het zielenheil niet te koop is.
Iets dergelijks stel ik mij ook voor bij het Evangelie van vandaag. De rijke houdt zich keurig aan de Wet van Mozes, maar heeft toch het gevoel dat hij meer zou moeten doen. Hij zoekt Jezus op. Misschien heeft Jezus wel een idee voor een goed doel. Hij heeft geld genoeg en wil best een deel daarvan aan iets goeds besteden. De rijke man is gewend dat hij met geld kan kopen wat hij wil. Hij vertrouwt op zijn bezittingen. Zijn bezittingen stellen hem in staat een goed mens te zijn. Hij heeft het niet nodig de Wet van Mozes te overtreden.
En dan komt Jezus met dit antwoord: “Ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel, en kom dan terug om Mij te volgen.” Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Dit is te gortig. Deze prijs is te hoog. De rijke man is ontsteld en gaat ontdaan heen. Hij had het zo goed bedoeld en dan krijgt hij dit antwoord. Teleurgesteld vertrekt hij weer en we weten niet hoe het met hem afloopt. Wat we wel weten is dat Jezus hem liefdevol aankeek. Jezus ziet zijn goede bedoelingen, maar ook zijn onvermogen. De man vertrouwt op zijn geld en hij vindt het daarom erg moeilijk om zijn bezit los te laten en in plaats daarvan op God te vertrouwen.
Jezus waarschuwt voor de nadelen van rijkdom. Van bezit gaat een verslavende werking uit. Bezit geeft ons het idee van onafhankelijkheid. We kunnen alles kopen wat we nodig hebben. Het lijkt erop dat wij het geluk op eigen kracht kunnen realiseren. In ons land waar veel welvaart is, is dit een wijd verbreid idee. Succes is een keuze. Wij zijn vergeten dat alles wat we zijn en wat we hebben, een geschenk is. Voor de mens van tegenwoordig is alles maakbaar.
Het boek Wijsheid schetst een ander beeld. Er wordt gebeden om wijsheid, wijsheid wordt geschonken. Ook rijkdom is niet primair een eigen verdienste. Rijkdom is een geschenk. Rijkdom is op zichzelf ook niet slecht. Het gaat mis als we verslaafd raken aan ons bezit en daar al ons vertrouwen op stellen. Leerling zijn van Jezus is op Hem vertrouwen: werkelijk geloven dat Hij ervoor zorgt dat het goed met ons komt.
De man in het Evangelie leek op de goede weg. Hij probeerde te doen wat in zijn vermogen lag. Jezus zag zijn goed bedoelingen en ontving hem met liefde. Het zal ook voor Jezus pijnlijk geweest zijn dat het voor de man te moeilijk was om Hem te volgen. Misschien is het nog wel goed met hem afgelopen. Misschien werd hij met Pinksteren – toen duidelijk was geworden hoe ver de liefde van Jezus voor ons gaat – een van de eerste christenen. “Dit ligt niet in de macht der mensen maar wel in die van God: want voor God is alles mogelijk.” Laten wij ons vertrouwen op Hem stellen. Amen.
De ongelovigen zeggen: “Wij willen de vrome belagen; want hij is ons een ergernis, en is een aanklacht tegen onze lauwheid.” De tekst uit het boek Wijsheid die we vandaag gelezen hebben, is nog steeds actueel. Mensen wijzen niet alleen elkaars ideeën en meningen af. Zij wijzen ook elkaar af omdat men zich ergert aan het gedrag van de ander. Dat geldt niet alleen het onbeschofte gedrag van enkelen, maar ook het voorbeeldige gedrag van velen. De Duitsers hebben hier sinds een aantal jaren een woord voor. Daar heet iemand die zich goed gedraagt een ‘Gutmensch’. Dat klinkt als positief maar het is sarcastisch bedoeld. Een ‘Gutmensch’ denkt in de ogen van anderen te weinig aan zichzelf. Een ‘Gutmensch’ is voor hen een storend voorbeeld van goed gedrag.
Van de andere kant zijn er ook mensen die allen die ook maar beetje niet deugen veroordelen. Hier zien we de sinds kort opgekomen ‘cancelcultuur’. Iedereen die ook maar een beetje fout is of verkeerde dingen zegt, moet genegeerd, geboycot, in de ban gedaan worden. In dit verband moet ook het begrip ‘woke’ genoemd worden. Ook hier zien we een neiging tot overdreven correct gedrag en een voorstaan op morele zuiverheid.
Het thema van de Vredesweek is: ‘Wat doe jij in vredesnaam?’. Er kan pas sprake zijn van vrede als recht wordt gedaan aan iedereen. Vrede is rechtvaardig. Vrede is liefde. Vrede sluit niet uit: vrede is inclusief. Inclusief samenleven vraagt dat we niemand uitsluiten, niemand uitsluiten: niet met woorden en niet met gedrag.
In het boek Wijsheid zijn het de ongelovigen die de vromen willen buitensluiten. Het goede gedrag van de vromen irriteert ongelovigen, want het confronteert hen met het eigen tekortschieten. Dit komt niet alleen bij ongelovigen voor. Mogelijk herkent u dit ook bij uzelf. Ook wij kunnen ons ergeren aan ‘heilige boontjes’, aan mensen die meer werk maken van hun geloof dan wij zelf nodig vinden. Hun voorbeeldig gedrag confronteert ons met ons eigen tekortschieten.
De apostel Jakobus schrijft: “Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies vandaan? Toch alleen van uw eigen hartstochten die u niet met rust laten? Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen.” Jakobus maakt ons duidelijk dat het onze hartstochten zijn die de vrede telkens weer verstoren. Het is onze menselijke onvolmaaktheid, onze zondigheid die oorlog en geweld in de wereld brengen. Dat geldt zowel voor onze persoonlijke leefomgeving als voor de wereld als geheel. Jakobus heeft het over onze naijver en eerzucht en zelfs ons bidden is gericht op eigenbelang. Ons egoïstisch en egocentrisch denken en doen verstoren de vrede. Dit zien we ook in het Evangelie. De leerlingen van Jezus twisten over wie van hen de grootste is.
Jezus plaatst een kind in hun midden. Hij roept ons op vooral de kinderen niet de dupe te laten zijn van oorlog en geweld. “Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op; en wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft.” In het kind ontmoeten wij Christus zelf en in Christus ontmoeten we God.
Ook in de lezingen van vandaag gaat het over uitsluiten. Ergernis aan andermans voorbeeldige gedrag is een vorm van uitsluiten. Uitsluiten is ook aan de orde als wij ons beter achten dan de ander, zoals bij de leerlingen van Jezus het geval is. Ook het afwijzen van mensen die niet aan onze standaard voldoen, is een vorm van uitsluiten. Ook zondaars maken deel uit van onze samenleving. Het veroordelen van de zonde is goed, maar het buitensluiten van zondaars is verkeerd. Een mens is altijd meer dan wat hij doet en wat hij zegt. Dat geldt ook wanneer iemand verkeerde dingen doet of zegt.
Een inclusieve samenleving vraagt, dat wij onze eigen onvolmaaktheid onder ogen zien en accepteren. Dan zullen we ook mild oordelen over de fouten van anderen en zullen we vergevingsgezind zijn. Weten dat je zelf niet volmaakt bent, voorkomt dat je je beter voelt dan een ander, en het voorkomt ook dat je je ergert aan andermans voorbeeldig gedrag. Een inclusieve samenleving vraagt dat we elkaar respecteren, naar elkaar luisteren en met elkaar in gesprek gaan. Zij vraagt de moed om in dialoog met elkaar tot oplossingen te komen en de weg naar de toekomst te vinden.
Een vreedzame samenleving is een inclusieve samenleving: een samenleving waarin niemand wordt uitgesloten, een samenleving waarin mensen elkaar zien als broeders en zusters, een samenleving waarin we elkaar zien als kinderen van één Vader. Amen.
“Vat moed en vreest niet: Uw God komt om de wraak te voltrekken, God komt om te vergelden en om u te redden.” Wij geloven niet in een wrekende God, maar wel in een God die ons zal redden, een God die zich keert tegen onrecht en die ons vrede brengt en geluk. Op beeldende wijze schetst Jesaja wat wij hopen: een toekomst van voorspoed, vrede en geluk. De hoop op een betere toekomst vindt zijn basis in het geloof in God. Het geloof geeft ons het vertrouwen.
Vanuit het geloof is de hoop onze steun op momenten van duisternis en verlatenheid, op momenten waarop wij het niet meer zien zitten. De hoop doet ons bidden om Gods aanwezigheid als wij het moeilijk hebben. Zij houdt ons gaande en doet ons volharden op onze weg door het leven. Hoop is uitzien naar de toekomst die ons beloofd is. God zal onze hoop in vervulling doen gaan. Zo geeft de hoop ons de moed verder te gaan en niet bang te zijn voor de toekomst. Hierin verschilt de hoop ook van optimisme.
De optimist is niet moedig maar overmoedig. Hij ziet het gevaar niet. Het zal allemaal wel meevallen. Voor de optimist is toekomst alleen maar zonnig, dreigt er geen gevaar en zijn er geen tegenslagen. De hoop daarentegen doet ons niet weglopen van de problemen. De problemen worden niet ontkend maar onder ogen gezien. De hoop geeft ons de kracht gevaren te trotseren en tegenslagen te overwinnen.
God is het fundament van onze hoop. In Jezus Christus wordt God zichtbaar in onze wereld. Met zijn liefde tot het uiterste toe opent Jezus ons de ogen. Door zijn verrijzenis is het kruis een teken van hoop. Jezus laat ons zien dat de liefde leidt een betere wereld. Zijn Koninkrijk is niet van een andere wereld of van oneindig verre toekomst. Zijn Koninkrijk is daar waar mensen in navolging van Hem God en elkaar liefhebben.
Jesaja roept op tot moed. Geloof en hoop geven ons moed. Van de andere kant vragen ze ook om moed. Er is moed voor nodig om trouw aan jezelf te zijn, om trouw te zijn aan datgene dat je ten diepste beweegt en liefhebt. Er is moed voor nodig de weg van de liefde en de waarheid te gaan en er niet voor weg te lopen.
De apostel Jacobus geeft ons een concreet voorbeeld. Jacobus schrijft over de liefde voor de medemens: Hij roept ons op ook de mensen zonder aanzien lief te hebben, onze gastvrijheid voor iedereen te laten gelden en ons niet schuldig te maken aan een kwaadaardige discriminatie. Dat vraagt moed. Dat vraagt dat we niet weglopen voor onze roeping.
Vandaag hebben extra aandacht voor de schepping. Op 1 september was het Wereldgebedsdag voor de schepping. Zorg voor de schepping vraagt ook om hoop en om moed. Zonder hoop worden we doemdenkers. Dan roepen we: “Wat kan ik er aan doen? Het is toch al te laat!” Zonder hoop en zonder het vertrouwen op God gaan we bij de pakken neerzitten.
Paus Franciscus schreef hierover in Laudato si’: “De hoop nodigt ons uit te erkennen dat er altijd een uitweg is, dat wij altijd van koers kunnen veranderen, dat wij altijd iets kunnen doen om de problemen op te lossen.” (LS 61) Zorg voor de schepping vraagt ook moed. Hierover schreef de paus: “Wat voor soort wereld willen wij doorgeven aan hen die na ons zullen komen, aan de kinderen die aan het opgroeien zijn? (…) Als deze vraag moedig wordt gesteld, dan brengt zij ons onherroepelijk tot andere zeer directe vragen. Met wat voor doel gaan wij door deze wereld? Waartoe zijn wij in dit leven gekomen?” (LS 160) Het vraagt moed de problemen onder ogen te zien. Het vraagt moed om onze manier van leven te veranderen. Het vraagt moed om te kiezen voor datgene dat echt belangrijk is.
In het Evangelie horen we hoe Jezus een doofstomme geneest. Hij opent hem de oren en maakt zijn tong los. Als brenger van het heil van God brengt Jezus genezing en brengt Hij mensen tot geloof. Jezus brengt ons het geloof dat vertrouwen, kracht en moed geeft. Kracht en moed hebben wij nodig om ook zelf onze bijdrage te leveren in de bestrijding van onrecht en in de zorg voor de schepping.
Onze doopvieringen kennen het Effeta-ritueel. Verwijzend naar de Evangelietekst van vandaag worden de mond en de oren van de dopeling aangeraakt. Daarbij wordt gebeden dat de dopeling Gods Woord mag kunnen verstaan en dat hij spoedig zijn geloof mag kunnen belijden. Het openen van oren is ook nodig om het huilen van mensen die lijden, het klagen van de armen en de verdrukten en het gekreun van de schepping te kunnen horen. Het losmaken van tongen is nodig om uiting te geven aan onze zorgen, om ruchtbaarheid te geven aan mogelijke veranderingen, om anderen te mobiliseren in beweging te komen, om onze liefde voor medemens en schepping te uiten, om woorden te geven aan onze hoop op een betere toekomst, om van ons vertrouwen en geloof in God te getuigen. Amen.
“Zo moet de vrouw háár man in alles onderdanig zijn.” Deze tekst van Paulus roept de nodige vragen op. Het is een uitspraak die je tegenwoordig niet vaak zult horen. Misschien nog wel eens aan de borreltafel waar een stelletje klagende mannen mijmert over vroeger over een tijd waarin volgens hen alles beter was dan nu. Laten we eens naar de tekst kijken: Wat staat er precies? Hoe past deze tekst in de tijd van Paulus? Wat is de boodschap die Paulus voor ons heeft?
We kijken eerst naar deze brief van Paulus als geheel. Zeven weken achterelkaar zijn er stukken uit deze brief gelezen. In het eerste gedeelte van de brief schrijft Paulus over het verlossende werk van Christus. In Christus komt alles, komt heel de schepping tot eenheid en voltooiing. Christus voert Gods plannen uit en het is de opdracht van Kerk, van de christelijke gemeenschap dit werk voort te zetten. Door Gods genade worden de mensen, joden én heidenen gered. Samen zijn zij huisgenoten van God.
In het tweede gedeelte van de brief geeft Paulus concrete richtlijnen. Het is hem duidelijk dat de praktijk niet overeenkomt met het ideaalbeeld. Ook in de christelijke gemeenschap van de Kerk is er sprake van wrok, gramschap, toorn, geschreeuw en gevloek. De Kerk moet een gemeenschap zijn die op de liefde is gebaseerd. Zij moeten de eenheid behouden, een eenheid in verscheidenheid. Mensen hebben verschillende talenten en hebben verschillende rollen. Samen moeten zij de nieuwe werkelijkheid in de wereld zichtbaar maken. Uit ontzag voor Christus moeten zij elkaar onderdanig zijn. Gods liefde moet niet alleen zichtbaar zijn in de Kerk. Zij moet het hele bestaan van christenen richting geven. Aan het einde van de brief geeft Paulus hiervan drie voorbeelden: het huwelijk, de opvoeding van kinderen en de omgang met slaven.
Paulus is geen politicus, geen maatschappijhervormer. Zijn missie overstijgt de praktische inrichting van de maatschappij. Hij moet Gods liefde voor alle mensen verkondigen. Met zijn praktische en morele richtlijnen gaat hij uit van de bestaande situatie. De bestaande situatie wordt door hem wel naar een hoger plan gebracht. De bestaande situatie in de tijd van Paulus was dat vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen, vrouwen, kinderen en slaven zijn het eigendom van de man en daarmee zijn zij afhankelijk van de willekeur van de man. Binnen deze situatie benadrukt Paulus het gebod van de liefde. Niet als een mantel van liefde om de zaak toe te dekken, maar de liefde als een principe om alles anders te doen. Als de liefde het leidend beginsel is, spelen de bestaande regels geen rol meer.
Onderdanig zijn aan elkaar is de opdracht voor iedere christen. Onderdanig zijn is hier een vorm van liefdevolle dienstbaarheid naar elkaar. Dat geldt ook voor vrouwen voor hun éigen man. In onze vertaling is het woord ‘eigen’ weggelaten. Hierdoor komt de nadruk te liggen op de onderdanigheid, terwijl de boodschap is dat zij zich moet richten op haar éigen man. Kortom de boodschap is dat vrouwen niet vreemd mogen gaan.
De boodschap die Paulus voor mannen heeft, is veel indringender. Zij moeten hun vrouw liefhebben. De vrouw is dus geen speeltje of sloofje. Zij is er niet louter voor het genot en het gemak van de man. Liefde kan er alleen bestaan tussen mensen die elkaar als gelijkwaardig beschouwen. Dit zien we terug als Paulus elders schrijft dat er geen sprake is van Joden en Grieken en van mannen en vrouwen. Allen zijn aan elkaar gelijkwaardig.
In onze tijd waarin mannen en vrouwen voor de wet gelijkwaardig zijn, moeten we deze tekst van Paulus anders lezen. De tekst over vrouwen geldt nu ook voor mannen en de tekst over mannen geldt nu ook voor vrouwen. Binnen het huwelijk zijn mannen en vrouwen onderdanig aan elkaar. Voor beiden geldt dat de liefde voor elkaar het alles bepalende beginsel is. Zij zijn er om elkaar gelukkig te maken. En ze zijn er om samen hun kinderen goed en liefdevol op te voeden. We hoeven Paulus dus niet te cancelen. We hoeven hem niet uit de Bijbel en uit de liturgie weg te poetsen. Paulus behoort niet tot de enge witte mannen die wel even zullen vertellen hoe vrouwen moeten leven.
Een soortgelijk iets zien we bij de tekst over de slavernij, die volgt op de tekst die we vandaag gelezen hebben. Paulus bepleit niet de afschaffing van de slavernij. Ook de slavernij is voor hem een gegeven. Paulus leert wel hoe de relatie tussen de slaaf en zijn meester moet zijn. Zij moeten respectvol met elkaar omgaan. Voor God zijn zij gelijkwaardig. Zo zijn zij elkaars broeders.
De voorbeelden die Paulus geeft in zijn tijd laten ons zien hoe ook wij in onze tijd moeten omgaan met de regels en gewoonten die er tegenwoordig zijn. Onze maatschappij verandert van een christelijke in een seculiere samenleving. Christelijke waarden vervagen daardoor of verdwijnen soms geheel uit onze cultuur. Dat vraagt ons niet dat we uit de maatschappij stappen en ons er afzijdig van gaan houden. Het vraagt wel dat we met de liefde als leidend principe invulling geven aan de huidige regels en gewoonten. Om een voorbeeld te noemen. Daar waar solidariteit met de medemens in onze wetgeving verschraalt, kunnen wij door eigen initiatief dit gemis compenseren. Wij kunnen onze medemensen aandacht geven en steun verlenen. Waar de wetgever onbarmhartig is, moeten wij barmhartig zijn. Amen.
Jezus zegt ons: “Ik ben het brood des levens. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid.” Wij mensen moeten eten en drinken om te leven. Zonder eten en drinken verliezen wij het leven.
Dat weet Elia ook, maar hij ziet het niet meer zitten. Het verzet waar Elia mee te maken heeft, wordt hem teveel. Men is van plan hem te doden. Elia trekt zich terug in de woestijn om daar te sterven, om daar van de honger en de dorst om te komen. Dan komt er een engel met een koek en een kruik water. De engel spoort hem aan te eten en op reis te gaan. Zo krijgt Elia zijn krachten terug, krijgt hij weer moed en komt hij tot leven.
Jezus maakt onderscheid tussen het voedsel dat wij nodig hebben voor onze aardse leven en voedsel voor het eeuwig leven. Hij maakt onderscheid tussen het manna en het levende brood uit de hemel. Dit levende brood is Jezus zelf. Hij is het brood des levens. Dit levende brood voedt ons tot eeuwig leven.
Paulus schrijft dat wij gewaarmerkt zijn met het zegel van Gods heilige Geest. Alle mensen zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Iedere mens draagt een afdruk van God in zich. Iedere mens is geschapen om een tempel van de heilige Geest te zijn.
Met het Doopsel en het Vormsel wordt dit bekrachtigd. Wij ontvangen Gods Geest en wij worden getekend door zijn zegel. God noemt ons zijn geliefde kinderen, zoals Hij Jezus bij de Doop in de Jordaan zijn welbeminde Zoon noemde.
Ondanks alle genadegaven blijven christenen ook mensen met tekortkomingen. Paulus weet dat en ziet dat om zich heen, en dus schrijft hij: “Wrok, gramschap, toorn, geschreeuw en gevloek, kortom alle boosaardigheid moet bij u verdwijnen.” Paulus roept de eerste christenen op om te leven zoals dat de geliefde kinderen van God past. Hij roept ons op om goed en hartelijk voor elkaar te zijn en elkaar te vergeven. Jezus Christus is ons een voorbeeld op deze weg van de liefde. Ons wordt gevraagd Hem na te volgen. Maar zo eenvoudig is dat ook weer niet. Wij zijn tekortschietende mensen. Wij hebben verlangens die ons afbrengen van de weg van de liefde. Vaak zijn wij op onszelf gericht in plaats van gericht op de ander.
Het kost ons moeite en inspanning om de weg van Jezus te gaan. Het kost ons energie om zijn leerlingen te zijn. Energie verkrijgen we door te eten en te drinken. Dat geldt voor de energie nodig voor lichamelijke inspanningen. Dat geldt ook voor de energie nodig voor mentale inspanningen. Dat zien we ook bij Elia. Hij had energie nodig om veertig dagen en nachten te kunnen lopen, maar hij had vooral ook mentale energie nodig om het leven weer aan te kunnen.
Jezus geeft een grote menigte te eten. Zij hebben voedsel nodig om bij Hem te kunnen zijn. Hij laat brood en vis uitdelen. Maar Jezus gaat nog een stap verder. Jezus beloofd de mensen ook zichzelf te geven als voedsel. “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.” Jezus loopt hier vooruit op de dingen die nog zullen gebeuren. Hij loopt vooruit op zijn lijden en sterven. Hij loopt vooruit op zijn grote daad van liefde. Jezus geeft zijn leven voor de redding en de verlossing van allen. Hij heeft zich voor ons overgeleverd als offergave en slachtoffer.
Dit offer van Jezus is van de ene kant een eenmalige historische gebeurtenis. Van de andere kant is het ook een altijddurend en een zich steeds herhalend offer. Elke keer als wij de Eucharistie vieren beleven we dit offer opnieuw. Door deel te nemen aan de Eucharistie ervaren wij dat Jezus zich aan ons geeft als levend brood. Door te luisteren naar de Bijbellezingen horen we God tot ons spreken. Zo worden we gevoed door zijn Woord. Zo zijn wij met Hem in gesprek. Door het nuttigen van het heilig Brood komt Jezus heel concreet tot ons. Hij verbindt zich met ons en wij verbinden ons met Hem en met elkaar. Dit geeft ons de energie die wij nodig hebben om te leven zoals dat de geliefde kinderen van God past.
Het levende brood dat Jezus ons geeft, geeft ons niet alleen eeuwig leven. Dit levende brood geeft ook de energie nodig voor de mentale inspanningen die passen bij onze christelijke wijze van leven. Het levende brood maakt ons tot nieuwe mensen. Wij bieden ook onszelf als offergave aan. Doordat het levende brood ons deel doet zijn van Jezus Christus ondergaan ook wij een verandering. Zo worden wij, wat wij eten.
Dit zijn de genadegaven die Jezus ons geeft. Door ons hiervoor open te stellen, door onze ontvankelijkheid tonen wij ons leerlingen van Jezus. Zo tonen wij onze afhankelijkheid van zijn verlossende en bevrijdende offergave voor heel de mensheid. Dit maakt de Eucharistie tot bron en hoogtepunt van ons leven. Zo worden wij gevoed om Jezus met onze woorden en onze daden zichtbaar te maken in de wereld. Amen.
“Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is?” Met deze woorden wordt er over Jezus gesproken door zijn stadsgenoten. Ook ons kan dat overkomen als we spreken over ons geloof. Wie ben jij dat je mij zult vertellen wat ik zou moeten geloven? Dat is jouw waarheid. Ik heb mijn eigen waarheid. Op het eerste gezicht is de situatie van tegenwoordig te vergelijken met die van tweeduizend jaar geleden. Er is echter een belangrijk verschil. Bij Jezus werd er vooral getwijfeld aan de boodschapper. Wie meent Hij wel dat Hij is? In onze tijd staat de boodschap zelf ter discussie.
In de tijd van Jezus was iedereen ervan overtuigd dat er één waarheid is. Die waarheid moet gezocht worden. Die waarheid bestaat buiten onszelf. Alleen God kent de volle waarheid. Mensen kunnen de waarheid alleen kennen doordat zij aan hen geopenbaard wordt. In onze tijd hebben velen de neiging geheel van zichzelf uit te gaan. Daarmee is de waarheid subjectief geworden, afhankelijk van wat ik ervan vind. Onwrikbare en door ieder gedeelde waarheden bestaan dan niet meer. Dit geldt zowel voor geloofswaarheden als voor wetenschappelijke waarheden. Niet alleen het geloof is in de ogen van velen slechts een mening. Voor velen is dat ook met de wetenschap het geval. Voor zowel geloof als voor wetenschap is het essentieel dat de waarheid iets objectiefs is en niet afhankelijk van de mening van mensen. Mensen kunnen verschillende ideeën over de waarheid hebben. Maar dat neemt niet weg dat er slechts één waarheid bestaat, een waarheid die we op het spoor kunnen komen. Waarheid wordt niet bedacht maar gevonden. Dit geldt zowel voor het geloof als voor de wetenschap.
Zo zijn er meer zaken die wij niet zelf kunnen veroorzaken, niet zelf kunnen maken. Alleen door ervoor open te staan, kunnen we ze ontvangen. Zo wordt het leven ons gegeven. Niemand veroorzaakt zijn eigen leven. Ook liefde is niet iets wat we zelf kunnen maken. Je kunt aardig en vriendelijk doen, maar liefdevol zijn is een gave. Echt grote liefde overkomt je. De liefde voor je partner, de liefde voor je ouders en je kinderen en ook de liefde voor God en voor de medemens: het zijn geschenken. Ook gelukkig zijn is een gave. Geluk is niet maakbaar. Wat we wel kunnen, is dit soort belangrijke zaken kapot maken. Wij kunnen de waarheid ontkennen en leugens verspreiden. We kunnen de liefde kapot maken. We kunnen ons in het ongeluk storten. We kunnen ons zelfs van ons eigen leven beroven. Dit zijn uitersten. Er zijn mildere vormen van tegenwerking. Denk aan onverschilligheid. Denk aan geslotenheid. Denk aan overmoed het allemaal zelf in de hand te hebben.
Op de lagere school leerde ik dat wij met genade moeten meewerken. Dit is nog steeds een belangrijke levensles. Met de genade meewerken betekent, dat we niet passief kunnen afwachten. We moeten op zoek gaan en ons openstellen voor het goede dat het leven ons biedt, voor de waarheid, voor de liefde en voor het geluk. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”. (Joh 14,6) Jezus is de bron van alles wat ertoe doet in ons leven. Leerling van Jezus zijn betekent Hem beschouwen als de basis van ons bestaan.
Leerling zijn van Jezus betekent ook dat we deze schat niet alleen koesteren maar ook gaan delen met anderen. Hij zegt tegen ons: “Maakt alle volkeren tot mijn leerlingen”. (Mt 28,19) Wij worden opgeroepen daadwerkelijk ons geloof te verkondigen. Wij worden opgeroepen in gesprek te gaan met de mensen om ons heen. Het gesprek aangaan met de mensen om ons heen is geen eenvoudige opdracht. Paus Franciscus schrijft regelmatig over het voeren van de dialoog. Hij schrijft: “Ware wijsheid is de vrucht van reflectie, van dialoog en van de edelmoedige ontmoeting tussen mensen.”[i] En: “Samen kunnen we de waarheid zoeken in dialoog, in een ontspannen gesprek of in een heftig debat. Daarvoor is enig doorzettingsvermogen nodig; het brengt zwijgen en lijden met zich mee. Met het nodige geduld kan het de lange ervaring van mensen bijeenbrengen.”[ii] Deze manier van met elkaar in gesprek gaan, vraagt de erkenning dat geen enkele mens de gehele waarheid in pacht heeft. Het vraagt ook de bereidheid open te staan voor hoe de ander de waarheid ziet. Het vraagt een open uitwisseling van ervaringen en ideeën.
Paulus schrijft in zijn brief over de kracht van de zwakte: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.” Het gaat er niet om de ander met kracht van argumenten te overtuigen. Ons eigen zoeken, twijfelen en gelovig stamelen zullen onze gesprekpartner eerder tot nadenken brengen dan stevige leerstellige argumenten en inzichten. Ook Jezus ging er in Nazareth niet met volle kracht tegenaan. Hij genas een klein aantal zieken die Hij de handen oplegde. En Hij ging rond door de dorpen in de omtrek.
Als wij vanuit onze eigen zwakheid naar buiten treden zijn we in staat op uitnodigende en gastvrije wijze onze medemensen tegemoet te treden. Dan zullen zij ervaren en weten – evenals bij Ezechiël – dat wij onze waarheid, onze liefde en ons geluk als een geschenk ervaren en daarin graag anderen laten delen. Amen.
[i] Franciscus, Laudato si’, 47.
[ii] Franciscus, Fratelli tutti, 50.
God heeft alles geschapen om te leven. De tekst van de eerste lezing komt uit het boek Wijsheid. Dit boek is geschreven in de eerste eeuw voor Christus. De schrijver leefde in de stad Alexandrië in Egypte. Dat was toen een belangrijk centrum van de Griekse cultuur. De auteur richt zich op de Griekssprekende joden. Zij leven in de diaspora te midden van de heidenen. Hoe moeten zij zich verhouden ten aanzien van de wereld om hen heen. De schrijver zet zich niet alleen af tegen de Griekse cultuur. Hij neemt er ook zaken uit over en plaatst deze in het geloof van het jodendom.
De tekst die wij vandaag hebben gelezen bestaat uit vier zinnen. De eerste twee vormen de afsluiting van het eerste tekstgedeelte van het boek Wijsheid. De tweede twee zinnen vormen de afsluiting van het tweede tekstgedeelte. In het eerste tekstgedeelte gaat het over de gerechtigheid. Gods Geest van wijsheid vervult heel de schepping. Hij heeft de mensen lief. De heilige Geest onderwijst ons en houdt ons af van het kwaad.
De heilige Geest houdt ons op het pad van de gerechtigheid. Dit is de weg van de waarheid, van de liefde en van het leven. Dit is de weg die God voor de mensen heeft gewild. Dit is de weg die leidt tot het volle leven, tot het eeuwig leven. Daartegenover staat de weg die de goddelozen gaan. Hierover schrijft de auteur in het tweede tekstgedeelte. Deze tekst mag dan ruim tweeduizend jaar oud zijn, zij is ook heel herkenbaar voor onze tijd.
In het boek Wijsheid zijn de heidenen de goddelozen, maar ook de joden die teveel de ideeën van de Griekse cultuur volgen. Ook de goddelozen hebben het over gerechtigheid, maar deze verschilt sterk van de gerechtigheid van de Geest van wijsheid. De gerechtigheid van de Geest van wijsheid is gericht op het leven, op de liefde en op de waarheid. Het is een gerechtigheid die gericht is op het recht van de ander.
De gerechtigheid van de goddeloze is gericht op zichzelf. Hier heb ik recht op. Je hoort het ook tegenwoordig met grote regelmaat. Omdat het leven kort is en eindig moet je nu zoveel mogelijk genieten. Je moet feestvieren en voortdurend vrolijk zijn. Je moet ook sterk zijn want zwakheid leidt tot niets. Deze gerechtigheid gaat ten koste van de ander. De zelfgerichtheid leidt tot ledigheid en verslaving. Zij is niet het pad van het leven, maar van de dood en van het kwaad. De zelfgerichtheid gaat niet alleen ten koste van andere mensen. Zij gaat ten koste van heel de scheppin. Zij gaat ten koste van alle leven.
Ook Paulus waarschuwt ons voor zelfgerichtheid. Hij vraagt de christenen van Korinthe om solidair te zijn met de christenen in Jeruzalem. Zij verkeren in slechtere omstandigheden dan de gemeenschap in Korinthe. Gerechtigheid en solidariteit vragen niet dat je alles weggeeft wat je bezit. Het gaat om het delen van jouw overvloed. Paulus schrijft: “Er moet een zeker evenwicht tot stand komen.” Hierna citeert Paulus woorden uit het boek Exodus: “Hij die veel had verzameld, had niet te veel, en hij die weinig had verzameld kwam toch niet te kort.”
Deze tekst komt uit het verhaal over het manna in de woestijn. Er is genoeg manna voor iedereen. Een grote hoeveelheid was niet teveel en een kleine hoeveelheid niet te weinig. Iedereen verzamelde precies wat hij nodig had. Het gaat echter mis als iemand iets wil bewaren, dus zich meer heeft toegeëigend dan nodig is. Dan gaat de overvloed rotten en stinken. God geeft in overvloed, maar wij zijn zelf verantwoordelijk daar op de juiste wijze mee om te gaan.
Dit lezen we ook in de laatste twee zinnen van de lezing uit het boek Wijsheid. God heeft ons naar zijn evenbeeld geschapen en daarmee tot onsterfelijkheid bestemd. Maar door de afgunst, door de zelfgerichtheid keren wij ons af van God. Zo komt het kwaad en de dood in de wereld. Het overvloedig toe-eigenen van het manna leidt tot rotting en tot stank. De zelfgerichtheid is een kwaad dat ten koste gaat van het leven, het leven van onze medemensen en het leven van heel de schepping.
Solidariteit en gerechtigheid leiden ons op de weg van het leven. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Hoezeer Jezus zelf het leven is, zien wij vandaag in het Evangelie. Hij geneest zieken en laat doden weer leven. Als leerlingen van Jezus mogen wij in zijn voetsporen treden. Wij doen dit door naar vermogen bij te dragen aan het leven en het geluk van onze medemensen. Door onze gerichtheid op de ander brengen wij de ander tot leven. Zo gaan wij de weg van de gerechtigheid, de weg van de waarheid en van de liefde. Zo brengen wij de wijsheid die ons geschonken wordt, in de praktijk. Dit brengt ook ons een leven van geluk, een leven in liefde en waarheid, een leven in en met God. Amen.
Paulus schrijft over de rol van de heilige Geest. De heilige Geest laat ons leven naar Gods wil en Gods geboden onderhouden. Door de heilige Geest weten wij dat we kinderen van God zijn. Doordat we kinderen van God zijn, zijn we samen met Jezus Christus ook erfgenamen van God. Met Jezus delen wij de lasten van het menselijke bestaan, het lijden en sterven. Met Hem delen wij ook in de liefde van God voor zijn Zoon. Zoals de Vader zijn eniggeboren Zoon liefheeft, zo heeft God ook ons lief. Wij delen met Jezus het aardse geluk. Met Hem delen wij ook in de verheerlijking en het geluk van het eeuwig leven. Uit de gelijkenis van de verloren zoon weten we wat het betekent om erfgenaam te zijn. Hier zegt de vader tegen de oudste zoon: “Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou.” (Lc 15,31)
In dit licht mogen wij ook de woorden Jezus tot zijn leerlingen zien. “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen.” Alle mensen moeten weten dat zij kinderen van God mogen zijn. Leerling zijn van Jezus is delen in zijn leven, is mede-erfgenaam zijn. Mede-erfgenaam zijn is samen met Jezus leven vanuit de liefde van God. Dat doet ons delen in zijn lijden en in zijn verheerlijking. Dat maakt ons ook deelgenoot in zijn zending. Jezus is alle macht in de hemel en op aarde gegeven. Met die macht stelt Hij ook ons in staat het werk te doen waartoe Hij gezonden is.
Het maakt niet uit of wij ons twijfelend of uit volle overtuiging in aanbidding neerwerpen: alle leerlingen van Jezus delen in zijn zending, zijn missie. Wij zijn mede-erfgenaam. Wij zijn daarmee ook medeverantwoordelijk. Het maakt ook niet uit dat we niet meer of nog niet compleet zijn. Van de twaalf leerlingen gaan er elf naar Galilea. Judas heeft hen verlaten. Het getal twaalf staat in de Bijbel maar ook daarbuiten voor compleetheid. Denk aan de twaalf maanden in een jaar. Denk aan de klok.
Ook al heeft Jezus als Zoon van God alle macht, toch doet Hij een beroep op ons. Hij geeft ons geen opdracht vanuit een machtspositie. Het is zoals Paulus schrijft: “De Geest die gij ontvangen hebt is er niet een van slaafsheid die u opnieuw vrees zou aanjagen.” Jezus geeft ons geen bevel. Hij vraagt ons om onze medewerking. Jezus vraagt ons samen met Hem en in gemeenschap met elkaar deze taak op ons te nemen. “Ziet, Ik ben met u, alle dagen, tot aan de voleinding der wereld.”
God heeft hemel en aarde geschapen. In en door Jezus Christus is alles herschapen en verlost van het kwaad. Het brengen van de schepping naar de voltooiing is een gezamenlijk project van God en de mensen. Het herscheppen is een voortgaand proces. Hiertoe heeft Jezus ons zijn Geest geschonken. Hij geeft ons het inzicht en de wijsheid, de kracht en liefde die nodig is om dit gezamenlijke project tot een goed einde te brengen. De uitvoering van dit gezamenlijke project is geen kwestie van macht of van dwang. Dit kan alleen op basis van vrijwilligheid en van persoonlijke overtuiging. Wij mensen hebben een vrije wil. Wij zijn geroepen zelf de keuze te maken.
De heilige Geest maakt ons vrij. Hij zorgt ervoor dat wij niet vervallen in zonde en verslaving. Hij behoedt ons voor onze zwakte, onze begeerten en onze zelfgerichtheid. Hij zorgt ervoor dat wij in vrijheid God kunnen aanroepen als onze Vader. God aanroepen als onze Vader zegt veel over de relatie tussen God en ons. Het is een relatie van liefde. Hem Vader noemen wijst op respect en ontzag, maar tegelijkertijd ook op vrijmoedigheid en vertrouwdheid. God onze Vader noemen betekent ook dat wij elkaar als broeders en zusters zien. De heilige Geest maakt ons tot een gemeenschap: een gemeenschap van mensen en een gemeenschap in en met God.
De drie-ene God heeft alles geschapen. Vanaf het eerste begin heeft God zich met zijn schepping verbonden. Gaandeweg heeft Hij zich aan ons mensen geopenbaard. In Jezus Christus werd deze openbaring compleet. De heilige Geest wordt ons gegeven om God steeds beter te leren kennen. Hij helpt ons de oproep van Jezus aan ons uit te voeren en zo in een gezamenlijk project van God en mensen de schepping tot zijn voltooiing te brengen.
Zo worden wij opgenomen in de heilige Drie-eenheid: één God in drie personen. De heilige Drie-eenheid die een volmaakte liefdesgemeenschap is. De voltooiing van de schepping, de komst van het Rijk Gods betekent dat heel de schepping wordt opgenomen in deze liefdesgemeenschap van Vader, Zoon en heilige Geest. Amen.
“Zij zijn niet van de wereld zoals Ik niet van de wereld ben.” In het Evangelie van vandaag horen we dit Jezus twee keer zeggen; “Zij zijn niet van de wereld zoals Ik niet van de wereld ben.” Wat moeten wij met deze uitspraak van Jezus? Wat betekent het voor ons? Net als ik heeft ook u daar ongetwijfeld een eerste gevoel bij. En het is zeker niet slecht om zo’n intuïtie te volgen. Wij zijn leerlingen van Jezus en hebben enig idee van zijn manier van spreken. Dat geeft een gezonde basis aan ons aanvoelen. Vandaag wil ik echter een stap verder gaan en er wat dieper induiken.
Allereerst is daar het woord ‘wereld’. Het woord ‘wereld’ komt in de Bijbel minder vaak voor dan je je zou kunnen verwachten. Het woord ‘wereld’ wordt vooral door de apostel Johannes gebruikt. Hij doet dat in het Evangelie dat door hem is geschreven en in zijn eerste brief waaruit we vandaag ook hebben gelezen. Wat opvalt is dat het woord ‘wereld’ meestal een negatieve bijklank heeft. Dit is ook vandaag het geval: de wereld heeft de leerlingen gehaat. En Jezus bidt dat ze bewaart worden voor het kwaad. Dat kwaad hangt blijkbaar samen met de wereld.
Wij gebruiken het woord wereld in verschillende betekenissen. Van Dale geeft er twintig. Ik zal ze niet allemaal noemen. Een van die twintig betekenissen is: het aardse bestaan, het leven hier en nu. Hierbij wordt ook verwezen naar teksten van Johannes. Het gaat dan om het aardse bestaan tegenover het hemelrijk, de mensenwereld tegenover de wereld van God, de gebrokenheid en zondigheid tegenover de volmaaktheid. Johannes schrijft dat Jezus in de wereld is gekomen en dat Hij de wereld weer zal verlaten. Ook daaruit blijkt een duidelijk onderscheid tussen de wereld van God en ons aardse bestaan: de wereld van de mensen.
Toen Johannes deze teksten schreef, was dit onderscheid er ook fysiek. Het wereldbeeld was toen: wij mensen leven hier op aarde, een aarde die plat is en over die platte aarde staat een grote koepel en boven die koepel is de hemel en daar woont God. Jezus was uit die hemel gekomen en daar ging Hij ook weer naar terug. In onze tijd kennen wij dit fysieke onderscheid niet. We hebben een op de wetenschap gebaseerd beeld van de wereld. Wij moeten het daarom doen met een abstracte interpretatie van dit onderscheid: de gebrokenheid van het menselijk bestaan aan de ene kant en de volmaaktheid van God aan de andere kant.
Jezus spreekt op een negatieve manier over het menselijk bestaan. Dit menselijk bestaan wordt getekend door het kwaad en de zondigheid. Ook als we vandaag om ons heen kijken, komen we tot die conclusie. Het is niet alleen liefde en vrede in onze wereld; er zijn ook vele misstanden waarachter echt kwaad schuil gaat.
Wij mensen – en dat geldt ook voor ons als leerlingen van Jezus – zijn innig met deze wereld verbonden. Wij maken hoe dan ook deel uit van deze wereld. Wij zijn er in geboren. Deze wereld bestaat mede uit ons. En dat geldt ook voor de mensgeworden Zoon van God. Toch zegt Jezus dat én Hijzelf én wij – als zijn leerlingen – niet van deze wereld zijn. Wij zijn wel in de wereld maar niet van de wereld. Ook al zijn wij innig met de wereld verbonden, we hoeven ons niet te laten tekenen door het kwaad. Dat heeft Jezus ook niet gedaan. Hij was geheel aan de mensen gelijk, maar niet in de zonde.
God is de Schepper van alles. Hij heeft heel deze wereld geschapen. De wereld is van oorsprong goed. Toch is het kwaad de wereld binnengedrongen en kreeg haar in haar macht. Door het bevrijdende werk van Jezus is de wereld herschapen. De macht van het kwaad is gebroken. Het kwaad bestaat zeker nog, maar wij hoeven er niet aan toe te geven.
Aan het begin van zijn openbare leven zegt Jezus tegen Nikodemus: “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.” Jezus kwam in de wereld niet om haar te oordelen, maar haar te redden. Met zijn leven, zijn lijden en sterven heeft Hij het kwaad overwonnen. Wij zijn niet langer geknecht door het kwaad.
Op deze wijze zijn wij in de wereld maar niet van de wereld. Ons leven is gericht op God, is gericht op een betere wereld. Dit betekent niet dat wij de wereld moeten verachten of moeten proberen zo snel mogelijk haar te verlaten om in de hemel te komen. Sterker nog Jezus stuurt ons juist de wereld in om te getuigen van de waarheid. Uit liefde voor de wereld kwam Hij in de wereld en stuurt Hij ons de wereld in. Ook daarin mogen wij Jezus navolgen. Hij kwam in de wereld als het ware Licht, het Licht dat iedere mens verlicht. Meer dan eens schrijft Johannes dat Jezus het Licht der wereld is.
Vorige week hoorden we Jezus zeggen: “Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt.” Door elkaar lief te hebben zijn ook wij een licht in de wereld. Door elkaar lief te hebben, getuigen ook wij van de waarheid. Door elkaar lief te hebben weerstaan wij het kwaad. In zijn eerst brief schrijft Johannes: “als wij elkaar liefhebben woont God in ons en is zijn liefde in ons volmaakt geworden.” “God is liefde.” Als wij elkaar liefhebben leven wij in de wereld van God. Als wij elkaar liefhebben verandert onze wereld in de wereld van God. Met de liefde brengt God ons een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Door de Geest van liefde zal alles worden herschapen. Amen.