Spring naar inhoud

Vertrouwen

Wie kun je tegenwoordig nog vertrouwen? Sporters gebruiken verboden middelen. Bestuurders van scholen en woningbouwcorporaties vullen hun eigen zakken. Bankiers verkopen ons onbegrijpelijke producten. Politici houden zich niet aan hun beloftes. Kerkleiders doen niet wat ze zelf verkondigen. Wie kun je nog vertrouwen?

Volgens recent onderzoek is het vertrouwen dat wij in onze leiders hebben de afgelopen jaren sterk gedaald. Wantrouwen bedreigt de maatschappij. Het is een sluipend gevaar dat het functioneren van de samenleving ondermijnt. Om dit gevaar te bestrijden worden er toezichthouders aangesteld, steeds meer. Alles moet door onafhankelijke instanties gecontroleerd worden, want de slager die zijn eigen vlees keurt, is volgens politici en journalisten ongeveer het ergste wat er bestaat.

Maar wat is daar zo verkeerd aan? Ik ben erg blij met mijn slager. Ik vertrouw erop dat hij echt zelf het vlees keurt dat hij verkoopt. Ik weet zeker dat hij mij geen rotzooi wil verkopen en dat ik zeker niet met bedorven vlees de slagerij ga verlaten. Juist daarom ben ik vaste klant; niet omdat de Keuringsdienst van Waren zo nu en dan komt inspecteren. Overigens heet dat tegenwoordig de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Dat klinkt natuurlijk een stuk beter.

Al die autoriteiten hebben er niet voor kunnen zorgen dat het vertrouwen toeneemt. Nee, het neemt juist af. Hoe meer toezicht, hoe meer wantrouwen, want het zal toch niet voor niets zijn. Die toezichthouders zijn natuurlijk echt nodig. Iedere keer als er iets mis gaat, roepen journalisten en politici om het hardst dat er nog meer toezicht moet komen. Is er hier echt sprake van het spreekwoord: “Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.”?

Waarom worden wie niet opgeroepen tot meer betrouwbaarheid? Hebben we dan helemaal geen vertrouwen in de mensheid? Is iedereen alleen maar tot het kwade geneigd en alleen gericht op het eigen gewin? Waarom niet een positiever mensbeeld? Wanneer je mensen vertrouwen geeft, word je over het algemeen beloond met een even positieve houding naar jou toe. Elkaar vertrouwen geven en elkaar daarin ook een beetje bij de les houden en steunen, dat bouwt op positieve wijze de samenleving op. Een samenleving zonder wantrouwen en achterdocht is veel prettiger om deel van uit te maken. Een samenleving gebouwd op vertrouwen is ook een stuk goedkoper. Weg met al die dure autoriteiten, inspecteurs en toezichthouders, gewoon betrouwbaar zijn en elkaar een beetje in de gaten houden.

Een ander gezegde wat ik veel hoor is: “dan ben je een dief van je eigen portemonnee”. Zo zou de bekende slager een dief van zijn eigen portemonnee als hij slechte kwaliteit vlees toch niet stiekem als eerste kwaliteit verkoopt. Ik geloof dat niet. Volgens mij is een maatschappij die gebouwd is op wantrouwen een dief van haar eigen portemonnee.

Column in Telstar, 6 februari 2013

Bijzondere kinderen; Lc 2,22-40

Bij de joden was het in die tijd gebruik om kinderen veertig dagen na de geboorte naar de tempel te brengen. Maria en het Kind worden gereinigd. Dit is geen reiniging van lichamelijke onreinheid, in tegendeel. De geboorte van nieuw leven is een wonder. Het nieuwe leven wordt door God gegeven, maar het is er niet zonder de medewerking van de mens. Met dit nieuwe leven neemt de mens deel aan de scheppingsmacht van God. De reiniging is een uitdrukking van de menselijke kleinheid ten opzichte van het wonder dat hen gebeurt.

Het kind komt van God en wordt aan God toegewijd, aan Hem opgedragen. De opdracht in de tempel is uit dankbaarheid voor het nieuwe leven. Wij allen komen van God. Wij allen zijn kinderen van God. En wij zijn op weg naar God. Steeds weer zoeken wij Hem. Daarom zijn wij God dankbaar. En we vragen Hem ons te leiden door ons leven. Dat Hij ons leven richting geeft. Dat wij goede mensen mogen zijn: mensen van geloof, hoop en liefde.

Simeon en Hanna spreken over het leven van Jezus. Welke opdracht Hij heeft. Hoe zijn leven vorm zal krijgen. Het is ook duidelijk dat zijn leven niet alleen leuk zal zijn. Er zal vreugde zijn, maar ook verdriet. En dat geldt ook voor zijn moeder, Maria. Ook de kinderen die hier vandaag naar de kerk gebracht zijn, brengen vreugde en verdriet. Ook hun leven zal niet alleen maar leuk zijn. Ook zij zelf zullen vreugde en verdriet kennen. Ook hun leven is niet zonder doel, niet zonder opdracht.

Deze kinderen zijn afgelopen jaar gedoopt en worden geroepen goede christenen te zijn. Zij worden geroepen daden van liefde te stellen. Zo zullen zij een licht voor een ander zijn: een bijzonder kind, een teken van Gods aanwezigheid onder de mensen. De eerste twintig jaar zullen het vooral de ouders zijn die hiervoor te zorgen hebben. Gaandeweg zal het kind leren zijn eigen verantwoordelijkheid te dragen en zelf keuzes te maken. Ouders leren kinderen te geloven, te hopen en lief te hebben. Ouders geven hun kinderen liefde en vertrouwen, zodat de kinderen op hun beurt leren te vertrouwen en lief te hebben.

Ook Jezus heeft de eerste jaren van leven doorgebracht met zijn ouders. Met Gods zegen groeide Hij op, werd Hij sterker en groeide Hij in wijsheid. Daarna was Hij in staat zijn opdracht op te pakken: een licht voor de wereld te zijn. Daarna heeft Jezus ons laten zien hoe wij goed kunnen leven. Jezus leert ons hoe wij kunnen geloven, hoe wij kunnen liefhebben. Jezus zegt: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Daarmee zegt Hij tegen ons: Ik doe het jullie voor. Kijk goed naar Mij, kijk hoe Ik op God vertrouw, kijk hoe Ik van God en van de mensen houd. Hoe Ik de liefde van mijn Vader deel met alle mensen. Dat kunnen jullie ook: houdt van God en houdt van elkaar. Stel je vertrouwen op God. Dan wordt echt gelukkig.

Je moet niet proberen jezelf gelukkig te maken door altijd aan jezelf te denken en alles voor jezelf te willen. Je moet juist anderen gelukkig maken. Dan pas word je zelf gelukkig. Dus ouders voedt je kinderen op tot bijzondere, maar vooral gelukkige mensen, tot mensen die anderen gelukkig maken. Dat zal ook jullie geluk brengen. En vertrouw daarbij op God, wees ontvankelijk voor zijn steun en wees Hem dankbaar. Hij zal jullie altijd tot kracht en steun zijn. Amen.

Het Lichaam van Christus; Neh 8,2-10; 1 Kor 12,12-30; Lc 1,1-4+4,14-21

Toen ik nog in het bedrijfsleven actief was, heb ik wel eens meegewerkt aan het formuleren van een mission statement. Het mission statement, of kortweg de missie is een beknopte omschrijving van de doelstelling van een organisatie. Het doel ervan is het bevorderen van de samenhang van de organisatie. Meestal gaat het mission statement vergezeld van een visie.

Je kunt zeggen dat Jezus hier aan het begin van zijn openbare leven zijn mission statement afgeeft. Jezus is hier dertig jaar en begint zijn optreden in het openbaar. In de Bijbel vindt Jezus een tekst waarvan Hij zegt: Deze tekst gaat over Mij. Wat hier staat, dat ga ik doen. Jezus vertelt ons waarvoor Hij is gekomen: om arme mensen blij en gelukkig te maken, om mensen die in de gevangenis zitten, te vertellen dat zij weer vrij komen, om blinden en andere zieken te vertellen dat ze weer beter worden, om er voor te zorgen dat iedereen blij en gelukkig wordt en dat iedereen vrij zal zijn. Dat is niet niks wat Jezus ook ons belooft: wij allemaal zullen blije, gelukkige en vrije mensen worden. Jezus zegt dat aan het begin van zijn openbare leven. Hij gaat nu door het land trekken en overal verhalen over God vertellen. En Hij gaat mensen die ziek zijn, weer beter maken, mensen die honger hebben, geeft Hij te eten. Zo laat Jezus met zijn manier van leven zien hoe je van een ander kunt houden en de ander blij en gelukkig kunt maken.

Dat is ook onze missie, onze roeping, dat is ook de taak waar wij voor staan: met onze manier van leven laten zien hoe je van een ander kunt houden en de ander blij en gelukkig kunt maken. Dat is als eerste de taak van de ouders bij het opvoeden van hun kinderen. Zij moeten als eerste het geloof voorleven, laten zien wat het betekent om een gelovig christen te zijn. Maar zij staan daar niet alleen voor, want zij maken deel uit van de Kerk. En dat is de boodschap van de tweede lezing uit de brief van Paulus. De apostel Paulus beschrijft de gemeenschap van christenen als een lichaam, een lichaam dat uit verschillende onderdelen bestaat. Die onderdelen kunnen niet los van elkaar bestaan, ze hebben elkaar nodig. Elk deel van je lichaam heb je nodig om helemaal mens te kunnen zijn. Paulus noemt de gemeenschap van christenen, de Kerk: het Lichaam van Christus. Jezus Christus is het Hoofd van de Kerk en wij mensen zijn de ledematen, de handen en de voeten, de oren en de ogen. Wij zijn niet alleen met elkaar verbonden, we zijn ook met Jezus verbonden. Hij heeft niet alleen in een ver verleden het goede voorbeeld gegeven. Hij blijft zich met ons verbinden. Hij blijft van ons houden. Hij wil altijd dicht bij ons zijn.

Onze verbondenheid met Jezus beleven wij het meest in de Eucharistie. Overal in onze parochies wordt er momenteel gewerkt aan de voorbereiding van de kinderen op hun eerste heilige Communie. Net als Jezus aan het begin van zijn openbare leven, staan ook zij aan een begin, het begin van een nieuwe fase in de groei naar volwassen christenen. De kinderen leren samen met hun ouders hoe Jezus in ons leven aanwezig is. In de Eucharistie is Jezus aanwezig onder de gedaanten van brood en wijn. En met de Communie komt Jezus in ons. Op een heel bijzondere en intieme manier verbinden wij ons met Jezus. Vanuit deze liefdevolle verbinding steunt Jezus ons in onze taak om met liefde voor elkaar te leven en daarin het goede voorbeeld te geven. Hij helpt ons daarbij elkaar tot steun te zijn. Gaandeweg in hun leven zullen de kinderen leren als christen te leven. Hun ouders zijn hun eerste voorbeeld. Maar de ouders staan hierin niet alleen: de gemeenschap van Kerk, wij allemaal zijn er om hen hierbij te helpen. En bovenal is het Jezus Christus zelf die hen en ons allen tot steun is.

In de eerste lezing vertelt Nehemia hoe het volk van Israël kracht vindt in de woorden van de Wet van Mozes, de woorden van het Verbond dat God met het volk van Israël heeft gesloten. Hierin wordt aan hen de goedheid en liefde van God geopenbaard. Voor ons is het Jezus Christus waarin de goedheid en liefde van God geopenbaard wordt. Hem ontmoeten wij bij uitstek in de viering van de Eucharistie. De Eucharistie is het hart van ons geloof. Het tweede Vaticaans Concilie noemt in Lumen gentium de Eucharistie niet voor niets bron en hoogtepunt van het christelijk leven. De Eucharistie is de bron, omdat we erdoor geïnspireerd en gevoed worden om in het dagelijks leven ons christelijk geloof waar te maken. Het is hoogtepunt, omdat de Eucharistieviering voor alles een dankviering is: wij danken God voor al het goede dat Hij ons schenkt. De Eucharistie bouwt onze gemeenschap, het Lichaam van Christus op, én wij vieren dat we samen met Christus één Lichaam zijn.

In de komende tijd hopen wij onze kinderen hierin op te voeden, weest u allen de ouders en de vrijwilligers met raad en daad en vooral met gebed daarin tot steun. Amen.

Jezus van Nazareth, proloog

Auteur: Joseph Ratzinger Benedictus XVI
Titel: Jezus van Nazareth, proloog
Uitgever: Lannoo, 2012; prijs: € 19,99
ISBN: 978 94 014 0734 2; aantal pagina’s: 125

Paus Benedictus XVI heeft zijn boek over Jezus van Nazareth voltooid. Na eerder de delen I en II is nu de proloog verschenen. Hierin worden de verhalen van Matteüs en Lucas over de kinderjaren van Jezus besproken. Het is bedoeld als het ‘voorportaaltje’ op de twee eerder verschenen delen. Dit deel gaat over de aankondiging van Johannes de Doper en van Jezus, de geboorte van Jezus in Bethlehem, de wijzen uit het oosten en de vlucht naar Egypte. Het boek wordt geopend met de vraag naar de herkomst van Jezus en afgesloten met de twaalfjarige Jezus in de tempel.

Ook in dit deel neemt Benedictus ons als het ware bij de hand en voert ons langs de teksten van het Evangelie. Op gelovige wijze geeft hij uitleg van de heilige Schrift. Ook nu zoekt hij naar een juiste balans tussen gelovige en wetenschappelijke interpretatie van de teksten. Hij probeert antwoorden te vinden op de vraag: wat heeft de Bijbel mij hier en nu te zeggen.

Voor iedere christen is deze serie de moeite van het lezen waard. Benedictus toont zich een uitstekend leraar. Hij schrijft in een toegankelijke stijl en neemt de tijd om uit te leggen waar het hem om gaat.

Christendom en Islam in de Moderne Samenleving

Deze notitie gaat over de visie die christenen en moslims op elkaar hebben. Als inleiding daarop wordt ingegaan op een aantal factoren die hierop van invloed zijn. Voordat er een aantal conclusies wordt getrokken, wordt nog stilgestaan bij de houding van de katholieke Kerk ten opzichte van andere religies.

1. Factoren van invloed op de beeldvorming
Christendom en islam zijn beide missionaire religies en claimen de universele waarheid. Het gemeenschappelijke van het monotheïsme van Abraham leidt eerder tot onenigheid dan tot gelijkgezindheid. De ontstaansgeschiedenis van de beide religies speelt hierbij een rol. De islam ziet de Koran als de voltooiing en vervanging van eerdere openbaringen aan joden en christenen, terwijl het christendom Jezus Christus ziet als voltooiing van de openbaring. Voor christenen heeft Mohammed geen enkele status, terwijl moslims Jezus als profeet zien. Christenen en moslims zien elkanders religie vaak als verminkte versies van de eigen religie die daaraan niets toe te voegen hebben. Moslims zien de Bijbel als een openbaring waarmee geknoeid is en die verkeerd geïnterpreteerd is.

De begrippen occidentalisme en oriëntalisme staan tegenover elkaar als uitingen van diepgaand wantrouwen van het oosten en het westen ten opzichte van elkaar. Hierbij horen een islamitisch beeld van het westerse christendom als moreel bankroet, roofzuchtig en gewetenloos, en een westers beeld van de islam als fanatiek, intolerant en gewelddadig. Gesteld moet worden dat occidentalisme niet onlosmakelijk verbonden is met de islam, maar juist van Europese origine is. De op oriëntalisme gebaseerde beeldvorming over de islam en op occidentalisme gebaseerd beeldvorming over het westen hebben weliswaar zowel aan westerse als aan islamitische zijde een aantrekkelijke eenvoud, maar zullen de onderlinge spanning niet verminderen.

Sinds de vorige eeuw is er na de negatieve en vijandige christelijke houding ten aanzien van de islam sprake van een meer open benadering en zoekt men de interreligieuze dialoog. Vergelijking van religies met elkaar veronderstelt een te betwijfelen bestaan van een eenduidig gemeenschappelijk begrippenkader.

In de loop van de geschiedenis zijn christendom en islam verschillende keren met elkaar geconfronteerd. Tijdens de Arabische veroveringen identificeerde het Byzantijnse rijk zich als christelijk. Binnen het islamitische rijk waren christenen achtergesteld maar werden zelden vervolgd. Gaandeweg zijn vele christenen moslim geworden. De kruistochten en de herovering van Sicilië en het Iberisch schiereiland leidden tot verslechtering van de verhoudingen en met name aan de christelijke zijde tot blijvende negatieve beeldvorming. De islam werd door het christelijke Europa tot in de achttiende eeuw als een bedreiging ervaren niet alleen om militaire redenen maar in eerste instantie ook vanwege de culturele superioriteit van de islam. Vanaf de Renaissance ontstaat er meer waardering voor de culturele en wetenschappelijke ontwikkelingen binnen de islamitische cultuur. In de negentiende eeuw is enerzijds sprake van betere kennis van de islam waardoor sommige christenen afstand doen van de middeleeuwse vooroordelen, anderzijds leidt het superioriteitsgevoel van de Europeanen tot denigrerende visie op de moslims. Het westerse imperialisme, kolonialisme en christelijke missionering zijn voor de moslims bepalend voor hun kijk op het christendom.

De oecumene en de interreligieuze bewegingen hebben de christenen sterk beïnvloed. Verschillende vooronderstellingen en verwachtingen zijn echter aanleiding tot een moeizame communicatie tussen moslims en christenen. Moslims zijn over het algemeen wantrouwend ten aanzien van de dialoog met christenen en zien het als een vorm van da’wah (missie).

Er zijn drie verschillende methoden om een ander geloof vanuit het eigen geloof te zien: exclusivisme, inclusivisme en pluralisme. Traditioneel erkende het christendom geen heil buiten de kerk, de huidige visie is voornamelijk inclusivistisch – men beschouwt de andere godsdiensten als een opstap naar het Evangelie – een minderheid ziet alle godsdiensten als gelijkwaardig: pluralisme.

Hoe zien moslims en christenen elkaar? Aan beide kanten moet onderscheid gemaakt worden tussen het populaire beeld en het wetenschappelijke beeld.

2. De visie van moslims op christenen
De populaire visie van moslims op christenen houdt in dat zowel de tekst als interpretatie van de Bijbel verminkt zijn. Zij mist de zuiverheid van de Koran en is strijdig met de moderne wetenschappen. De bijbelse Jezus is niet de echte zoals in de Koran. Zijn verkondiging is gelijk aan de islam. Christendom, westerse beschaving en imperialisme zijn onlosmakelijk. Het christendom staat vijandig tegenover wetenschap. De islam daarentegen is rationalistisch. Het christelijke aanpassingsvermogen leidt tot een uitverkoop aan de moderniteit.

Vanaf de 9e eeuw is er een polemiek tussen moslims en christenen gaande. Momenteel is het aantal moslims met een specialistische kennis van het christendom gering en geen van hen beschikt over een grondige kennis van het Nieuwtestamentische Grieks of het Oudtestamentische Hebreeuws.

Omdat het christendom wordt gezien als de voorlaatste stap in de evolutie van religies, waarvan de islam de voltooiing vormt, bevat het enerzijds vele overeenkomsten met de islam en mist het anderzijds bepaalde aspecten van de islam. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de oorspronkelijke openbaring aan Jezus en het historisch gegroeide daarvan afwijkende christendom. Alleen de islam heeft haar authenticiteit behouden; het jodendom en christendom niet. Vanuit de islam is de oorspronkelijke missie van het christendom een correctie op het jodendom bestaande uit de universaliteit van de boodschap en de verinnerlijking van de ethiek. Alles wat in het christendom van waarde is, is door de islam overgenomen.

De islam combineert rationalisme en mystiek in zich. De Koran is de unieke synthese van het realisme van het Oude en het idealisme van het Nieuwe Testament. Het christendom is vooral gericht op het persoonlijke heil; de islam zorgt voor de heroriëntatie op de wereld. De Koran brengt helderheid over de beeld van God.

De leer van de incarnatie, de Drie-eenheid, de erfzonde en de verlossing zijn voor moslims de meest problematische onderdelen van het christendom. De geschiedenis van schepping, zondeval, kruisiging en verrijzenis is een incoherent en God onwaardig verzinsel en leidend tot passiviteit een bedreiging voor de moraal. Het christendom doet afbreuk aan Gods transcendentie: God is niet de bondgenoot van de mens, Hij is zijn Schepper. De islam kan het christendom helpen bij het herontdekken en reconstrueren van het christelijke geloof.

Het christendom is gericht op individuele verlossing en passief ten opzichte van maatschappelijk onrecht. De ethiek van de politiek moet gebaseerd zijn op de religie. Het christendom kent geen regelgeving op het gebied van oorlog. De islam is tolerant, het christendom niet. De islam is gericht op de samenleving, het christendom op het individu. Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Christendom en islam hebben elkaar nodig in de strijd tegen de secularisatie.

Het meest vredelievend zijn de moslims die deelnemen aan de interreligieuze dialoog. Het zijn moslims uit de modernistische en vrijzinnige hoek, vaak voorstanders van religieus pluralisme en van scheiding tussen kerk en staat: geloof gaat boven religie. Alle religies staan in relatie met de Absolute Waarheid. Religieuze diversiteit biedt de mogelijkheid van een creatief conflict. De verschillende religies hebben elkaar nodig om te leren; zij zullen naar elkaar toe convergeren.

3. De visie van christenen op moslims
In de populaire visie van christenen op moslims wordt ervan uitgegaan dat moslims een andere God aanbidden en dat Mohammed gedurende zijn verblijf in Medina onoprecht en opportunistisch is. Op basis van een negatief beeld van de islam voortkomend uit de Middeleeuwen, is er nog steeds een neiging christendom en islam als rivaliserende beschavingen te zien. De neergang van de islam biedt de kans voor de verbreiding van het Evangelie. Tegenwoordig is men terughoudender in de benadering van de moslims en in de verwachting betreffende hun bekering tot het christendom: een confronterende benadering is improductief.

Vaak wordt de islam gezien als missionaire uitdaging, als voortdurende aanklacht tegen het falen van het christendom. Sommigen zien de Koran als een brug naar het christendom, de islam als een mogelijke voorbereiding op de bekering tot het christendom, anderen juist als een barrière of als antichristelijk. De waardering voor bepaalde aspecten van de islam gaat vaak samen met kritiek op de westerse cultuur. De status van de Koran binnen de islam als origineel goddelijk authentiek wordt als een obstakel voor elke vorm van dialoog gezien.

De positie van Mohammed in de islam is voor de christenen niet te combineren met die van Christus in het christendom. Voor velen betekent dit niet dat Mohammed zonder betekenis en onoprecht is; men ziet hem niet als de antichristelijk. Sommigen bewonderen hem vanwege zijn bijdrage aan de menselijkheid. Met Jezus als referentie wordt Mohammed bekritiseerd betreffende zijn militaire activiteiten, geweldpleging en omgang met vrouwen. Hij wordt door hen niet gezien als een volmaakt moreel voorbeeld voor de mensheid.

Over het algemeen wordt de God van de islam en het christendom tegenwoordig als dezelfde te zien; de moslims hebben echter geen volledig correct en compleet beeld van God. De christenen benadrukken Gods onconditionele liefde terwijl de moslims zijn soevereiniteit voorop stellen. Moslims zien God als de radicaal andere, terwijl christenen stellen dat mensen een gelijkenis met God vertonen. Voor moslims is God apathisch, voor christenen is Hij een bewogen God. Voor christenen is er sprake van een zelfopenbaring van God; voor moslims alleen van de openbaring van Zijn geboden. Het islamitische monotheïsme wordt als rigide en inflexibel betiteld, waarbinnen geen ruimte is voor het mysterie van de Drie-eenheid. De islam wordt gezien als ondermijnend voor de vrije wil, omdat deze een bedreiging vormt voor Gods soevereiniteit. Moslims hebben problemen de goddelijke transcendentie en immanentie met elkaar te verenigen.

In de christelijke optiek is de zonde onderdeel van de condition humain, zij treft zowel God als de mens en vraagt om verlossing. Voor moslims is zonde een wetsovertreding, zij treft alleen de mens en zijn uiteindelijke bestemming en vraagt om oordeel. Op ethisch gebied zijn moslims in de ogen van de christenen meer betrokken op uiterlijke handelingen dan op de innerlijke intenties: men ziet de moslims als wettisch.

Er wordt door veel christelijke wetenschappers geschreven over de islam, zowel godsdienstwetenschappelijk als theologisch. Het merendeel heeft een christelijke theologiestudie gedaan. Sinds Vaticanum II hebben katholieken meer aandacht voor de overeenkomsten met de islam.

In het verleden zijn er sterk uiteenlopende visies van christenen op de islam geweest. De oudst bekende schrijver op dit gebied is de H. Johannes van Damascus (650-749), die in zijn “Bron van Kennis” ook over de islam schrijft. Door zijn werk aan het hof van de kalief beschikte hij over een goede kennis van de islam. Hij beschouwde de islam als een van de vele ketterijen van die tijd. Latere schrijvers zien de islam als een vorm van afgoderij.

De sterk negatieve beelden worden bij de hedendaagse geleerden niet aangetroffen; men ziet veel goeds in de islam. Over het algemeen wordt aangenomen dat christenen en moslims dezelfde God aanbidden en dat er ook in de islam sprake is van goddelijke openbaring. De islam wordt door velen als een verwante godsdienst gezien. Joden, moslims en christenen zijn allen kinderen van Abraham. Niemand sluit de moslims uit van het heil. Sommigen hebben een pluralistische benadering, anderen een inclusivistische.

Voor christenen blijft de combinatie van de mens en profeet Mohammed problematisch, profeet en ook diplomaat, militair en politicus. Er is een groot verschil tussen Jezus en Mohammed. Velen gebruiken liever niet de titel profeet voor Mohammed; hij wordt gezien als een religieus en politiek genie met een speciale relatie met God.

De Koran wordt primair gezien als een resultaat van een menselijke activiteit. Openbaring is niet mogelijk zonder menselijke bemiddeling in een historische context. De Koran bevat op zich geen elementen die niet ook in de Bijbel aanwezig zijn. Dit neemt niet weg dat het ook voor christenen betekenis kan hebben.

Complete objectiviteit ten opzichte van een andere religie is onmogelijk. De Koran op christelijke wijze interpreteren past in de visie de islam te zien als voorbereiding op het Evangelie. Hiertegenover staat de visie dat primair uitgegaan moet worden van de eigen interpretatie door de moslims. Deze visie wordt echter gezien als obstakel in een interreligieuze dialoog; gepleit wordt voor een christelijk lezen in plaats van een christelijk interpreteren.

Speciale aandacht is er voor de beschrijving van Jezus en de houding ten aanzien van christenen. Over het algemeen wordt gekozen voor een christendomvriendelijke interpretatie. Een flexibelere relativerende benadering van de Koran door moslims wordt als wenselijk gezien.

4. R.-K. Kerk: Nostra aetate
Vaticanum II kwam met een nieuwe visie op andere religies. Deze is vastgelegd in de verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten ‘Nostra aetate’. “De katholieke Kerk verwerpt niets van datgene wat in deze godsdiensten waar en heilig is. Met oprechte eerbied beschouwt zij die gedrags- en leefregels, die voorschriften en leerstellingen die, hoewel in veel opzichten verschillend van hetgeen zijzelf houdt en leert, toch niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid welke alle mensen verlicht.” (NA 2)

“De Kerk ziet ook met waardering naar de moslims, die de ene God aanbidden, de levende en uit zichzelf bestaande, de barmhartige en almachtige, de Schepper van hemel en aarde, die gesproken heeft tot de mensen. Zij leggen zich erop toe zich met heel hun hart ook aan zijn verborgen raadsbesluiten te onderwerpen zoals Abraham, naar wie het islamitisch geloof graag terug grijpt, zich aan God heeft onderworpen. Hoewel zij Jezus niet als God erkennen, vereren zij Hem toch als profeet en zij eren zijn maagdelijke moeder Maria, die zij somtijds zelfs eerbiedig aanroepen. Bovendien verwachten zij de dag van het oordeel, wanneer God alle mensen doet verrijzen en zal vergelden. Daarom houden zij het zedelijk leven hoog en eren God vooral door gebed, aalmoezen en vasten.” (NA 3)

Er wordt hier geen aandacht geschonken aan de vele overeenkomsten tussen Bijbel en Koran. Vele elementen van de Koran zijn terug te vinden in de Bijbel. Het probleem is echter dat het ontkennen van de Drie-eenheid en de verlossing door Christus deze teksten in de Koran een andere betekenis geeft.

5. Conclusies
Beelden van islam en christendom vormen over en weer elkanders omgekeerde spiegelbeelden. Elke beschuldiging kent een tegenbeschuldiging. Men beoordeelt elkaar vanuit de eigen criteria betreffende religie, leer, geschiedenis et cetera. De reciprociteit ontbreekt in de visie op de openbaring en op elkanders geschriften, Bijbel en Koran. Zowel bij moslims als bij christenen zijn er die in de eigen religie een basis vinden voor een pluralistische benadering. Vrijwel niemand wil de verschillen te verbloemen. Deze hebben te maken met essentiële elementen van de beide religies. Meningsverschillen hoeven echter niet te leiden tot wederzijdse verkettering.

De theologische benadering van christelijke zijde houdt in dat het christelijke interpretatieschema op de islam wordt toegepast. Religieuze begrippen worden op christelijke wijze geduid. Het vasthouden aan de eigen geloofswaarden betekent ook een inclusivistische visie: de islam maakt deel uit van de joods-christelijke heilsgeschiedenis. Stellen dat alle heil van Christus komt, kan door niet-christenen als spiritueel imperialisme ervaren worden.

Naast de theologische verschillen speelt ook de beeldvorming een rol. Het is voor een christen moeilijk het handelen van Mohammed als mens, militair en staatsman te combineren met zijn rol als profeet. De neiging hem te beoordelen naar huidige maatstaven is groot, echter er wordt ook op gewezen dat zijn tijdgenoten geen aanstoot namen aan zijn gedrag. De Koran zien op de wijze zoals moslims dat doen, is voor een christen lastig. Hij komt moeilijk los van het christelijke beeld van heilige boeken. Voor hem kent een heilig boek ook menselijke aspecten en is het niet los te zien van de context waarbinnen het ontstaan is. Velen bepleiten een kritische houding van moslims betreffende de Koran; hiertegenover wordt gesteld dat Korankritiek voor moslims hetzelfde is als psychoanalyse van Jezus voor christenen. Wat de beeldvorming betreft is er niet zo zeer sprake van vooronderstellingen betreffende de islam die belemmerend werken als wel van vooronderstellingen verbonden met het christendom die hiervoor zorgen.

Het hanteren van de christelijke theologie bij het bestuderen van de islam kan gezien worden als positieve vertekening van het beeld van de eigen groep als het onvoldoende onderkennen van het anders-zijn van de moslims. Ook de met het christendom verbonden vooronderstellingen en de gedachte dat moslims eenzelfde ontwikkeling zullen doormaken als christenen de afgelopen eeuwen hebben gedaan, kunnen als zo’n positieve vertekening worden gezien.

Als christenen de Koran gebruiken voor eigen spiritualiteit en voor reflectie op de eigen godsdienst is sprake van interreligieuze communicatie. Een discutabele stap verder is het christelijk interpreteren van de Koran. Dit leidt al snel naar de visie dat christenen beter weten wat de bedoeling van de Koran is dan moslims. Daarentegen stellen anderen dat de eigen interpretatie van de moslims voorrang heeft. Gezien het belang van interactie tussen religies kan niet ontkomen worden aan het lezen van elkanders geschriften met een vooronderstelling gebaseerd op de eigen religie, een vooronderstelling hoeft echter geen vooroordeel te betekenen hoe moeilijk dit ook met een eigen religieuze overtuiging te combineren is.

De positieve benadering van de islam vanuit het christendom wordt door vele moslims gezien als gewijzigde strategie: ondermijning in plaats van bekering.

6. Bibliografie
BECK, HERMAN, Islam in hoofdlijnen, Zoetermeer: Meinema, 2002.
BURUMA, IAN & MARGALIT, AVISHAI, Occidentalism: The West in de Eyes of Its Enemies, New York: The Penguin Press, 2004.
LEEMHUIS, FRED, De Koran: Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands, Houten: Fibula, 2002 (11e druk).
PETERS, FRANK E., Islam en de joods-christelijke traditie: Een verkenning, Amsterdam: Boom, 2005.
STRAELEN SVD, H.J.J.M. VAN, The church and the non-Christian religions at the treshold of the 21st century, London: Avon Books, 1998.
TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Verklaring Nostra aetate over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten, 1965.
WAARDENBERG, JACQUES (RED.), Islam: Norm, ideaal en werkelijkheid, Oxford: University Press, 1984/2000 (5e druk).
ZEBIRI, KATE, Muslims and Christians Face tot Face, Oxford: Oneworld Publications, 2003.

maart 2006

Geloof, liefde en gemeenschap; Js 60,1-6, Ef 3,2-3a.5-6 en Mt 2,1-12

“Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde.” Matteüs vertelt het verhaal van de wijzen uit het oosten tamelijk zakelijk. Hij geeft een feitelijk verslag zonder veel uitleg. Blijkbaar vindt hij het niet nodig zijn lezers uit te leggen, waarom hij dit verhaal vertelt en waarom dit zo’n bijzondere gebeurtenis is.

Om dit te begrijpen moeten we het Oude Testament lezen. Matteüs verwijst uitdrukkelijk naar de profeet Micha: “En gij Betlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman te voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël.” Daarnaast vinden we ook elders in het Oude Testament teksten met duidelijke overeenkomsten met dit Evangelieverhaal. Zie bijvoorbeeld het slot van de eerste lezing, waar Jesaja het over wierook en goud heeft. In Psalm 72 lezen we: “Hem huldigen alle vorsten der aarde en alle volkeren dienen hem.” Als we deze teksten op dit Evangelieverhaal betrekken, wordt ons duidelijk dat het hier om een bijzondere gebeurtenis gaat. Matteüs kende deze verhalen en ook zijn eerste lezers kenden deze verhalen. Matteüs kon volstaan met de feiten te vermelden. Daarmee was de boodschap voor iedereen duidelijk.

Paulus schrijft voor een geheel ander publiek. De christenen van Efeze hebben verschillende achtergronden. Er zijn er die uit het jodendom voortkomen en ook die eerder heiden waren. Deze laatste groep kende het Oude Testament niet. Dit in tegenstelling met de christenen uit het jodendom. Voor Paulus is het belangrijk de mensen te laten weten dat Christus ook voor de heidenen is gekomen: “dat de heidenen in Christus Jezus mede-erfgenamen zijn, medeleden en mededeelgenoten van de belofte door middel van het Evangelie.”

De profeet Jesaja wist al dat God er niet alleen was voor het volk van Israël. Zij zijn Gods uitverkoren volk, maar uiteindelijk is Hij er voor alle mensen. “Volkeren komen af op uw licht, koningen op de luister van uw dageraad.” Paulus maakt ons duidelijk dat deze laatste groep geen tweederangsburgers zijn. Zij horen er helemaal bij: zij zijn mede-erfgenamen, medeleden en mededeelgenoten van de belofte. Dat is wat wij vandaag vieren: Christus is gekomen voor alle mensen. Hij is gekomen om iedereen te verlossen, iedereen gelukkig te maken en iedereen vreugde te brengen.

Dit jaar is uitgeroepen tot het jaar van het geloof. Wij hebben achterin de kerk de banier hangen om daar telkens weer aan te denken. Vandaag is er alle reden voor om hierbij stil te staan. Het feest van de Openbaring des Heren is een feest van het geloof.

In Jezus Christus heeft God zich aan ons geopenbaard. Hij was al te kennen in zijn Schepping, het werk van zijn handen en Hij had gesproken door de profeten, maar in Jezus Christus is het Woord vlees geworden. Gods Zoon is mens geworden en heeft onder ons gewoond. In Jezus Christus leren wij God werkelijk kennen. De wijzen zien dit: zij vallen op hun knieën neer en betuigen Hem hun hulde. De wijzen geloven. Zij ervaren de openbaring. Tegenover hen staat Herodus: hij ziet het niet, hij kan en wil het niet geloven. Herodus is teveel met zichzelf bezig.

Dat is mogelijk ook het probleem van onze tijd: teveel met jezelf bezig zijn. Teveel met jezelf bezig zijn, betekent te weinig aandacht voor een ander en te weinig aandacht voor God. Een uiting hiervan hoorde ik op Nieuwjaarsdag op de radio. Op het einde van de dag in het programma ‘Met het oog op morgen’ werd stilgestaan bij het trieste ongeluk in Raard, waar een automobilist per ongeluk inreed op een aantal mensen die naar het oudejaarsvuur stonden te kijken. Raard is een klein dorp. In zo’n kleine gemeenschap leeft iedereen mee. Men kent elkaar en is betrokken op elkaars lief en leed. Juist in tijden van verdriet en tegenslag heb je daar veel steun aan. U weet het allen: ‘gedeelde vreugde is dubbele vreugde’ maar ‘gedeelde smart is halve smart’. Dus je verdriet kunnen delen verlicht de last die op je drukt.

Wat hoor ik echter op de radio. Ik heb het nog eens teruggeluisterd op uitzending gemist, want ik was bang dat ik het niet goed verstaan had. De verslaggever zegt, dat de verbondenheid in Raard voor het meeste leed zorgt. Ja u hoort het goed: er is meer leed in Raard omdat de mensen met elkaar verbonden zijn. Doordat de mensen hun verdriet delen met anderen, hebben meer mensen verdriet.

Hoe erg kan de mens met zichzelf bezig zijn? Het is dus erg vervelend als je verbonden bent met de mensen van het dorp, de buurt of de straat waar je woont, want als hen iets overkomt, deel jij mee in hun leed. Als superindividualist kun je dus beter met zo weinig mogelijk mensen contact hebben, je met zo weinig mogelijk mensen verbonden voelen. Want als hun iets overkomt, gaan ze hun leed met jou delen, moet je delen in hun verdriet. De superindividualist, de narcist houdt alleen van zichzelf. Hij wil niet lastig gevallen worden met het leed van de ander. Hij sluit zich af voor de ander en ook voor de liefde van de ander. Dat levert hem alleen maar ellende op.

Hoe anders is de boodschap van liefde die ons vandaag geopenbaard wordt. God houdt van de mensen en stuurt zijn eigen Zoon om dat te laten zien. Jezus Christus is mens geworden om het leven met ons te delen: onze vreugde en ons verdriet, ons lief en leed deelt Hij met ons. De wijzen uit het oosten zien het en zij geloven. Jesaja weet dat dit gaat gebeuren. Hij weet dat de glorie van Heer over ons zal gaan schijnen. En Paulus benadrukt dat Christus er voor alle mensen is, dat wij dus geen onderscheid mogen maken.

Paulus weet dat mensen voortdurend muren rond zichzelf optrekken. Hij wijst erop dat Christus gekomen is om ons daarvan te bevrijden. Zijn boodschap van liefde breekt onze muren van individualisme af. Christus schept gemeenschap en onderlinge liefde tussen mensen. Christus leeft ons deze boodschap van liefde voor. Hij openbaart ons de liefde van God voor de mensen.
Als wij ons openstellen voor deze openbaring, als wij ons niet opsluiten in onze eigenliefde, dan delen ook wij in de liefde van God en knielen ook wij in geloof neer. Als mede-erfgenamen, als medeleden en mededeelgenoten van de belofte geldt voor ons: ‘gedeelde vreugde is dubbele vreugde’ en ‘gedeelde smart is halve smart’. In wens u allen een zalig Nieuwjaar, een jaar van geloof, liefde en gemeenschap. Amen.

Wordt als het Kind! Lc 2,1-14

“Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.” Vrede op aarde, dat is wat wij wensen, dat alle mensen met elkaar in vrede leven. De engelen, de hemelse heerschare verheerlijken met deze woorden God. De engelen hebben het echter niet over alle mensen. Zij hebben het over de mensen in wie God welbehagen heeft. Wat betekent dit? Wil God niet de vrede voor alle mensen? Als je deze woorden in Google invoert, kom je terecht in een boeiende theologische discussie. In wie heeft God een welbehagen? Maar dit is niet het moment voor theologische haarkloverij. Ik zal proberen u de katholieke visie voor te houden.

In een paar grote stappen door de heilsgeschiedenis. God schept de wereld met alles erop en eraan. In de Bijbel staat dat dit zes dagen duurde en God op de zevende rustte. Uit de wetenschap weten we tegenwoordig dat het miljarden jaren duurde vanaf het eerste begin tot het ontstaan van de eerste mens. De Bijbel is echter geen wetenschappelijk boek. Het gaat erom dat God als Schepper aan het begin van alles staat en dat God de schepping, de hele wereld uit liefde heeft gewild. De Bijbel zegt hierover: God zag dat het goed was. God houdt van zijn schepping en van al zijn schepselen. Uit liefde voor de mens heeft God ons mensen een vrije wil gegeven. Hiermee zijn wij in staat de liefde van God als vrije mens te beantwoorden. Wij zijn geen slaven en ook geen dieren. Als wij werkelijk van iemand houden is dat onze eigen keuze. Zo wil God ook dat wij van Hem houden.

Wij mensen zitten vaak gevangen in onze liefde voor onszelf. Ons egoïsme, ons eigenbelang, onze gerichtheid op onszelf belet ons werkelijk en onbaatzuchtig van een ander te houden. Zo hebben wij er ook moeite mee om van God te houden. Om ons uit ons egocentrisme, onze Ichbezogenheit – zoals de Duitsers dat zo mooi noemen – te verlossen, heeft God ons zijn Zoon gezonden. Jezus Christus, de Zoon van God is mens geworden zoals wij. Hij heeft ons lijden en sterven gedeeld als een daad van liefde tot het einde toe. Jezus is de openbaring van Gods liefde voor ons. Jezus heeft ons met zijn leven laten zien hoe je als mens goed kunt leven.

De schepping van de wereld en de verlossing door Jezus Christus, zijn geschenken uit liefde van God aan ons mensen. Deze liefde wordt je zomaar in de schoot geworpen, je krijgt haar geheel belangeloos, om niet, maar je moet haar wel willen aanvaarden. Het vraagt dat je je ervoor openstelt, dat je ontvankelijk bent. Het vraagt dat je in God durft te geloven en op Hem durft te vertrouwen. Het vraagt dat je de liefde van God voor jou beantwoordt. Zij die antwoord geven, in hen heeft God welbehagen. Ieder die zich ervoor openstelt, ontvangt Gods liefde en genade. God heeft ons niet alleen geschapen. Hij heeft ons ook verlost. Door aan ons gelijk te worden, maakt Hij ons aan Hem gelijk. Hij heeft ons gemaakt tot zijn erfgenamen. Wij zijn kinderen van God. Door Jezus Christus laat God ons delen in zijn oneindige liefde en heeft Hij ons in zijn liefde opgenomen. Wat doet dit alles met ons? Wat betekent het: kind van God te zijn? Wat betekent het: zijn liefde en nabijheid zo concreet te ervaren? Kunnen wij dat wel?

Met Kerstmis gaat het over het Kind van Betlehem, het Kind in de kribbe, maar later als Hij volwassen is, stelt Jezus ons de kinderen tot voorbeeld. Tegen het idee van zijn leerlingen in zegt Hij: “Laat de kinderen tot Mij komen.” Hij legt hen de handen op en zij worden door Hem gezegend. Maar er gebeurt nog veel meer. Hij zegt ook: “Voorwaar, Ik zeg u: wie het koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan.” Jezus stelt ons nadrukkelijk de kinderen tot voorbeeld.

Waarin zijn kinderen zoveel beter dan wij volwassenen zijn? Kinderen zijn naïef en ontvankelijk. Juist door hun naïviteit zijn zij ontvankelijk. Kinderen hebben niet de neiging alles weg te redeneren en ze zijn ook niet achterdochtig. Volwassenen hebben met hun rationaliteit vaak moeite om het mysterie te accepteren. Als je volwassenen spreekt over het wonder van de liefde, het wonder van het leven, het wonder van God, zeggen ze: “ja, maar”. Ja, dat is een mooi verhaal, maar het klopt niet, of ja, maar je kunt het niet wetenschappelijk verklaren, dus is het niet waar. Een kind zegt dat niet. Een kind reageert heel anders. Een kind gaat met het verhaal aan de slag, misschien er zelfs mee op de loop. Het vertaalt het verhaal naar zijn eigen wereld en bedenkt er nog een aantal mooie voorbeelden bij. Voor een kind is alles mogelijk. Een kind verbaast zich niet over God, soms wel over de voorstelling die volwassenen van God hebben.

Wij mensen nemen onszelf vaak als de maat der dingen. Iets wat wij niet kunnen denken, iets wat wij ons niet kunnen voorstellen, kan niet bestaan. Dat maakt dat wij moeite hebben met God, want God is groter dan ons denken.

Wat wij ons ook niet kunnen voorstellen, is dat iemand ons geheel belangeloos iets geeft. Mensen zijn achterdochtig. U weet wel: “Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.” Hoe vaak hoor je niet iemand roepen bij het krijgen van een geschenk: “dat had je niet moeten doen”. Ik geloof onmiddellijk in de oprechte uitdrukking van verbazing en verrassing. Maar ondertussen wordt er wel gezegd: “dat had je niet moeten doen, want dit schept verplichtingen die ik niet kan of niet wil nakomen”. Dat doen kinderen niet, kinderen roepen niet: “dat had je niet moeten doen”. Kinderen zijn meestal gewoon blij met wat ze krijgen. Ze zouden ook blij zijn als het cadeau twee keer groter zou zijn. Ze nemen een geschenk aan en zijn dankbaar. Ze vragen zich niet af wat ze terug moeten doen of wat er achter zit.

Wij christenen zijn navolgers van Christus: we willen zijn zoals Hij is. Met Kerstmis worden wij opgeroepen te zijn als het Kind, te zijn als het Kind van Betlehem, het Kind in de kribbe. Met de naïviteit en ontvankelijkheid van het Kind kunnen wij het geschenk van Gods liefde aanvaarden en zijn wij in staat in Hem te geloven en op Hem te vertrouwen.

Voor Kerstmis wens ik u toe: wordt als het Kind! Amen.

Weest onbezorgd; Fil 4,4-7 en Lc 3,10-18

Zevenentwintig doden bij een schietpartij op een basisschool in de Verenigde Staten. Burgeroorlog in Syrië. Vóórtdurende economische crisis. Verwoesting van het milieu. Zomaar wat krantenkoppen van de afgelopen dagen. En dan zegt Paulus tegen ons: “Weest onbezorgd.” Maar we maken ons juist wel zorgen. Is er nog een toekomst voor onze kinderen? Zullen ze een goede boterham kunnen verdienen? Is er nog schone lucht en schoon water en zijn er voldoende grondstoffen? Zijn er kansen voor mensen in de arme landen? Zal er ooit vrede zijn?

“Broeders en zusters, verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u! Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij. Weest onbezorgd.” De Heer is nabij, maar ondertussen gaan er mensen dood door oorlog en geweld, door milieuverontreiniging, door honger en door armoede. Hoe kunnen wij onbezorgd zijn?

In dit jaar van het geloof worden wij opgeroepen de teksten van het Concilie van vijftig jaar geleden opnieuw te lezen. De pastorale constitutie Gaudium et spes gaat over de Kerk in de wereld van deze tijd. Zij begint met de volgende woorden: “De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens, vooral van de armen en van alle lijdenden, zijn ook de vreugde en de hoop, het leed en de angst van Christus’ leerlingen; en er is niets echt menselijks, of het vindt weerklank in hun hart.”

Het Concilie wijst ons erop dat de Kerk niet los staat van de wereld. Zij maakt er deel van uit. Christenen zijn mensen zoals alle anderen. De Kerk deelt de vreugde en de hoop, het leed en de angst van alle mensen. “Verheugt u! Weest onbezorgd.” Dat betekent dus niet: sluit je ogen voor de ellende en doe alsof het niet bestaat.

Johannes de Doper geeft ons wijze raad. De mensen vragen hem: “Meester, wat moeten wij doen?” De antwoorden die hij hen geeft, zijn van een alledaagse gewoonheid. Je moet gewoon je werk doen en doe het goed. Doe je werk met liefde voor de medemens. Er wordt niets buitensporigs van je verwacht. Johannes zegt dit tegen tollenaars en soldaten, mensen waarop de anderen neerkijken. Tegen hen zegt hij niet: zoek ander werk. Hij zegt niet ga je leven drastisch veranderen. Hij zegt: doe dat wat je moet doen, doe dat goed: wees een goede tollenaar, wees een goede soldaat.

Doe wat je moet doen, doe dat goed. Dat is de boodschap die Johannes vandaag ook voor ons heeft. Johannes zegt tegen ons: wees tevreden met je eigen leven. Tevreden zijn en onbezorgd zijn liggen in elkaars verlengde. Zo zijn wij in staat het overtollige te delen met degenen die het minder goed hebben. Paulus zegt: “Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn.” Johannes roept ons op onze overvloed met anderen te delen. Dat betekent dat wij mogen leven met vertrouwen in de toekomst. Vertrouwen in de toekomst maakt ons tevreden en onbezorgd. En juist daardoor zijn wij in staat anderen een helpende hand toe te steken. Als wij tevreden en onbezorgd zijn, kunnen we onze overvloed delen, hoeven we niet meer alles voor onszelf op te eisen. “De Heer is nabij.” God is met ons. Hij deelt ons leven, onze vreugde en hoop, leed en angst. Het geloof in God geeft ons het vertrouwen in de toekomst.

In 2005 zegt paus Benedictus in een van zijn toespraken: “De aarde kan werkelijk voldoende voortbrengen om al haar bewoners te voeden, op voorwaarde dat de rijke landen niet dat wat aan iedereen toebehoort, voor zichzelf houden.” En in 2007 zegt hij in Loreto tegen de jongeren: “De schoonheid van alle schepselen is een van de wegen waarlangs wij Gods schoonheid werkelijk ervaren; hierdoor zien wij dat de Schepper bestaat en goed is. Het is waar zoals de heilige Schrift ons met het scheppingsverhaal leert, dat God de wereld voorzag en maakte met zijn hart, zijn wil en zijn wijsheid, en dat Hij het goed vond.”

Een goede omgang met de schepping, duurzaamheid en zorg voor het milieu vragen dat wij de schepping zien als een geschenk van God. Met dit geschenk openbaart God zijn liefde en goedheid aan ons. De dankbaarheid voor het geschenk brengt ons in beweging om ervan te getuigen, het goed en respectvol te gebruiken en het verder uit te bouwen tot een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De paus spreekt bij herhaling zijn zorgen uit over de wereld waarin wij leven: over het milieu, de armoede, over oorlog en geweld. Het geloof in God betekent: Hem zien als de Schepper en de schenker van het leven. Dat geeft ons vertrouwen, maar maakt ons ook verantwoordelijk.

“Weest onbezorgd.” Vol vertrouwen op God mogen wij met Hem meewerken aan een betere wereld. Door niet alles voor onszelf op te eisen, maken wij ruimte voor de ander. Door onze zorgen niet op onszelf te richten, maar op de ander. Juist hierin ervaren wij dat de Heer nabij is en dat is wat ons werkelijk verheugt. Amen.

De kunst van het liefhebben

Auteur: Chiara Lubich
Titel: De kunst van het liefhebben: Een evangelische kracht
Uitgever: Adveniat, 2012; prijs: € 14,50
ISBN: 978 94 9104 253 9; aantal pagina’s: 135

Liefde en eenheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Christus navolgen is de radicale keuze maken te willen liefhebben zoals Christus en dat vraagt eenheid. In 84 korte teksten beschrijft Chiara Lubich de kunst van dit liefhebben. “Ze vereist dat we onszelf ‘één maken’ met de anderen, dat we onszelf ‘inleven’ in de ander met zijn pijnen, zijn vreugden, zijn behoeften, om hem te kunnen begrijpen en hem daadwerkelijk te helpen. Deze kunst wil dat we Jezus liefhebben in de persoon die we voor ons hebben.”

Eenheid is ook het resultaat van liefde: “Wanneer de wederzijdse liefde radicaal wordt beleefd, heeft ze als effect dat er eenheid van denken ontstaat. De wederzijdse liefde maakt niet alleen dat mensen één worden van hart, maar ook één van geest.”

Chiara Lubich (1920-2008) stichtte de wereldwijde Focolarebeweging. Door te leven met het Evangelie ontwikkelde zij haar eigen kunst van het liefhebben. Dit boek bevat een verzameling van haar inspirerende gedachten, brieffragmenten en uitspraken. Mooie teksten om bijvoorbeeld de dag mee te beginnen of te overwegen als inspiratie voor een komende week.

Tien geboden voor het milieu

Met enige regelmaat wordt de aandacht gevraagd voor een duurzaam leefmilieu. Hoe denkt de Kerk over duurzaamheid en ecologie?

Groene paus

Paus Benedictus XVI – de ‘groene’ paus – vraagt voortdurend aandacht voor het milieu. Hij gaat hiermee verder op de eerder ingeslagen weg. In 1971 deed paus Paulus VI de volgende uitspraak over de mens: “Door een onbezonnen uitbuiting van de natuur dreigt hij haar te verwoesten en zelf slachtoffer van deze verwoesting te worden.” Een jaar later verscheen het rapport ‘Grenzen aan de groei’ van de Club van Rome. In 1990 riep paus Johannes Paulus II op tot ‘ecologische bekering’. Volgens deze paus kan de wereldvrede niet gegarandeerd worden als de wereld de milieuproblematiek niet serieus oppakt en haar collectieve verantwoordelijkheid neemt jegens de armen en de toekomstige generaties. Van hem is ook het begrip ‘ecologische zonde’: wie schade toebrengt aan het milieu, begaat een zonde. Duurzaamheid en de zorg voor het milieu maken sindsdien deel uit van de sociale leer van de Kerk. Paus Benedictus XVI laat het niet alleen bij woorden, hij brengt het ook in de praktijk: in 2007 was het Vaticaan het eerste CO2-neutrale land ter wereld.

Groen zijn

‘Groen zijn’ is niet alleen zorg voor het milieu, leert paus Benedictus XVI ons. Het is ook een morele en religieuze noodzaak: “Goede en effectieve maatregelen tegen de verspilling en vernietiging van de schepping kunnen alleen ontwikkeld en gerealiseerd worden, begrepen en nageleefd worden, als de schepping vanuit Gods standpunt wordt gezien.”[i] Duurzaamheid staat ook niet los van gerechtigheid. Onverantwoorde levenskeuzes en leefstijlen kunnen niet alleen de aarde vernietigen, zij maken ook het leven van de armen nog moeilijker.

De teksten van de paus over het milieu zijn samengebracht in ‘Tien geboden voor het milieu’.[ii] Op basis van de teksten van de paus heeft Woodeene Koenig-Bricker de indeling in tien geboden gemaakt. Het zijn tien hoofdthema’s van het denken van de Kerk over het milieu. De boodschap is dat de mensheid een verantwoordelijke beheerder moet zijn van de schepping. Mensen mogen de aarde gebruiken, niet misbruiken. Op die manier wordt de mens medeschepper met God in het proces van het maken van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

De tien geboden

1.      Gebruiken, niet misbruiken. De mens staat aan het hoofd van de schepping en moet haar overeenkomstig Gods plan op verantwoordelijke wijze beheren en gebruiken.

2.      Weinig minder dan een God. De natuur is geen gebruiksobject dat kan worden gemanipuleerd en geëxploiteerd, en ook geen absolute waarde die boven de menselijke waardigheid staat.

3.      Eén voor allen, allen voor één. Het is een gezamenlijke plicht het milieu te respecteren als een collectief bezit, bestemd voor de huidige en de toekomstige generaties.

4.      Het is geen ‘brave new world’. Bij milieuproblemen gaan ethiek en menselijke waardigheid boven techniek.

5.      Gaia is geen god. De natuur is niet goddelijk en zo lang de schepping en de natuurlijke orde worden gerespecteerd, is menselijk ingrijpen goed.

6.      Vooruitgang tot welke prijs? Economisch en ecologisch beleid moeten op elkaar afgestemd worden. Naast de economische zijn ook de ecologische kosten van belang.

7.      Stromen als een rivier. Het stoppen van de wereldwijde armoede vraagt eerlijke verdeling van alle grondstoffen.

8.      We zitten in hetzelfde schuitje. Het recht op een veilige en schone leefomgeving moet door wereldwijde samenwerking en internationale akkoorden beschermd worden.

9.      Discipline is niet een vies woord. Milieubescherming vereist een andere levensstijl. We moeten ons afkeren van consumentisme en productiemethoden nastreven die de natuurlijke orde respecteren en waarmee we kunnen voorzien in de basisbehoeften van alle levende wezens.

10.   Alles is gegeven. Milieuvraagstukken vragen om een spiritueel antwoord, geïnspireerd door het geloof dat de schepping een geschenk van God is. De mens is God dankbaar voor de schepping.

De paus roept ons op door onze levensstijl te getuigen dat alles en iedereen is geschapen om God eer te bewijzen. Dat onderscheidt ons van de seculiere milieubeweging. Het is God die centraal staat, niet de mens. En het is Gods liefde die ons de moed en de hoop geeft dit probleem aan te pakken. In het vervolg van dit artikel worden de tien geboden stuk voor stuk nader belicht en toegelicht met teksten van de paus zelf.[iii] Dit artikel is gebaseerd op het hierboven genoemde boek van Woodeene Koenig-Bricker.

1e gebod: Gebruiken, niet misbruiken

De mens staat aan het hoofd van de schepping en moet haar overeenkomstig Gods plan op verantwoordelijke wijze beheren en gebruiken.

Het scheppingsverhaal leert ons dat de mens door God is belast met de niet eenvoudige opgave van het beheer van de schepping: “God sprak: ‘Nu gaan wij de mens maken, als beeld van ons, op ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’” (Gen 1,26) Wij hebben de opdracht de schepping te gebruiken en verder te ontwikkelen. Daarmee worden we naast God medescheppers in het tot stand brengen van een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. We hebben echter niet alleen de mogelijkheid de schepping te gebruiken en verder uit te bouwen; we zijn ook in staat haar te misbruiken en zelfs te vernietigen.

In gesprek met de clerus van het bisdommen Belluno-Feltre en Treviso zegt de paus op 24 juli 2007: “We zien tegenwoordig dat de mens de basis van zijn bestaan, zijn aarde kan vernietigen en dat we daarom met deze aarde, met de ons toevertrouwde werkelijkheid niet meer kunnen doen wat we willen en wat ons op het moment nuttig en veelbelovend lijkt. Als wij willen overleven, moeten wij de eigen wetten van de schepping, van deze aarde respecteren en deze wetten leren kennen en ook gehoorzamen. Deze gehoorzaamheid aan de stem van de aarde, de stem van het zijn is voor ons toekomstig geluk belangrijker dan de stem van het moment, de wensen van het moment. Dit is het eerste te leren criterium: het zijn zelf, onze aarde spreekt tot ons en wij moeten luisteren als wij willen overleven en de boodschap van de aarde willen ontcijferen.”[iv]

2e gebod: Weinig minder dan een God

De natuur is geen gebruiksobject dat kan worden gemanipuleerd en geëxploiteerd, en ook geen absolute waarde die boven de menselijke waardigheid staat.

Sinds Darwin de evolutieleer ontdekte, is het denken over het ontstaan van de mens veranderd en daarmee voor velen ook het mensbeeld. Psalm 8 zegt ons: “Wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt, de zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat? Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt en hem met glorie en luister gekroond.” Ook al is de mens de beheerder van de schepping, hij maakt er ook deel van uit. De waarde van de mens gaat de schepping te boven, maar het menselijk bestaan is ook afhankelijk van de schepping. De mens kan niet willekeurig de schepping manipuleren, maar hij moet zich ook niet passief onderwerpen aan de grillen van de natuur.

In de toespraak van de paus tot de Pauselijk Academie van Wetenschappen op 31 oktober 2008 lezen we: “Vanzelfsprekend dienen zich vragen aan over de relatie tussen de wetenschappelijke lezing van de wereld en de interpretatie die de christelijke openbaring geeft. Mijn voorgangers paus Pius XII en paus Johannes Paulus II bevestigden dat er geen tegenspraak is tussen het door het geloof bepaalde begrip van de schepping en de verklaring die empirische wetenschappen geven. (…) Om zich te kunnen ontwikkelen en te kunnen ontvouwen moet de wereld er eerst zijn en dus vanuit het niets in het zijn gekomen zijn. Met andere woorden: zij moet geschapen zijn door het eerste Wezen, Hij die er per definitie is.”[v]

Geloof en wetenschap strijden niet met elkaar. Zij geven antwoord op van elkaar verschillende vragen. De wetenschap verklaard hoe de wereld is ontstaan. Het geloof zegt ons waarom de wereld er is en ook welke plaats de mens in deze wereld heeft.

Tijdens zijn preek tijdens Eucharistieviering bij de inauguratie tot paus op 25 april 2005 leert de paus ons: “Wij zijn niet het toevallige en zinloze product van de evolutie. Ieder van ons is het resultaat van een gedachte van God. Ieder van ons is gewenst, ieder van ons is geliefd, ieder van ons is nodig.”[vi]

3e gebod: Eén voor allen, allen voor één

Het is een gezamenlijke plicht het milieu te respecteren als een collectief bezit, bestemd voor de huidige en de toekomstige generaties.

Duurzaamheid en zorg voor het milieu zijn een onlosmakelijk onderdeel van de sociale leer van de Kerk. Algemeen welzijn, solidariteit, vrede en gerechtigheid staan in directe relatie met duurzaamheid. De mensheid van heel de wereld en van alle tijden vormt één grote familie. Het bereiken van positieve resultaten vraagt ieders inspanning en de samenwerking van velen, waaronder politici, wetenschappers en economen.

De paus doet vooral ook een beroep op de jongeren. In zijn preek op 2 september 2007 in Loreto zegt hij tegen de Italiaanse jongeren: “Ik weet dat velen van jullie je binnen de verschillende sociale omgevingen genereus wijden aan de getuigenis van het eigen geloof, door te werken als vrijwilliger, door je in te zetten voor de bevordering van het algemeen welzijn, van de vrede en gerechtigheid in iedere gemeenschap. Een van de terreinen waarop het urgent lijkt je in te zetten, is ongetwijfeld dat van het behoud van de schepping. Aan de nieuwe generaties is de toekomst van de planeet toevertrouwd, terwijl hier duidelijk de tekenen aanwezig zijn van een ontwikkeling die niet altijd het delicate evenwicht in de natuur heeft weten te beschermen. Voordat het te laat is, is het nodig om moedige keuzes te maken die opnieuw een hecht verbond tussen de mens en de aarde scheppen. Hier is een vastbesloten ‘ja’ tot bescherming van de schepping nodig en een krachtige inzet om die tendensen om te buigen die dreigen te leiden tot situaties van onomkeerbare neergang.”[vii]

Wij mogen erop vertrouwen dat de schepping in staat is voor iedere mens een goed leven mogelijk te maken, want Gods schepping is goed. Op 17 juli 2008 tijdens het welkomsfeest van de Wereldjongerendagen in Sydney leert de paus de jongeren: “Mijn lieve vrienden, Gods schepping is uniek en goed. De inspanningen voor geweldloosheid, duurzame ontwikkeling, gerechtigheid en vrede, evenals de zorg voor het milieu zijn van vitaal belang voor de mensheid.”[viii]

4e gebod: Het is geen ‘brave new world’

Bij milieuproblemen gaan ethiek en menselijke waardigheid boven techniek.

Aldous Huxley beschrijft in zijn roman ‘Brave New World’ een toekomstige wereld die totaal door technologie en rationaliteit wordt beheerst. Rationaliteit, wetenschap en techniek zijn ons door God als een geschenk in handen gegeven. Op zichzelf zijn het neutrale instrumenten die zowel voor goede als voor kwade doelen kunnen worden gebruikt. Een goed gebruik van wetenschap en techniek vraagt een ethische afweging, een toetsing aan de waarden die het geloof ons leert. Dit geldt niet alleen voor het doel maar ook voor de mogelijke bijeffecten en voor de bijkomende onzekerheden.

In zijn toespraak tot de christelijke associaties van Italiaanse arbeiders stelt de paus op 27 januari 2007: “Wij leven in een tijd waarin wetenschap en techniek buitengewone mogelijkheden bieden tot verbetering van de kwaliteit van het leven van alle mensen. Misbruik van deze macht kan echter een ernstige en onomkeerbare bedreiging van het leven zelf worden.”[ix]

In een gezamenlijke verklaring van de paus met Bartholomew I, patriarch van Constantinopel, op 30 november 2006 in Istanbul vinden we: “Met het oog op de grote bedreiging van het natuurlijke milieu willen we uiting geven aan onze bezorgdheid over de negatieve gevolgen voor de mensheid en voor het geheel van de schepping die het resultaat zijn van de economische en technologische vooruitgang, die haar grenzen niet kent. Als religieuze leiders beschouwen we het als een van onze plichten om de inspanningen die ondernomen worden om Gods schepping te beschermen en de komende generaties een wereld na te laten waarin zij kunnen leven, aan te moedigen en te ondersteunen.”[x]

5e gebod: Gaia is geen god

De natuur is niet goddelijk en zo lang de schepping en de natuurlijke orde worden gerespecteerd, is menselijk ingrijpen goed.

In de Griekse mythologie is Gaia de oermoeder, Moeder Aarde. In onze tijd is het beeld van een goddelijke aarde nieuw leven ingeblazen. Hiermee krijgt de mens een ondergeschikte positie ten opzichte van de aarde. De Bijbel leert ons met het scheppingsverhaal echter dat de aarde door God is geschapen en dat zij aan de mens is toevertrouwd: de aarde is een geschenk van God aan de mens. Het gebruik van geschenken vraagt dat wij respect hebben voor de bedoelingen van de schenker.

In zijn boodschap op 1 januari 2008, de Internationale Dag van de Vrede, bespreekt de paus dit onderwerp: “De familie heeft een thuis nodig, een haar passende omgeving waar zij haar onderlinge relaties kan realiseren. Voor de mensheid is dit thuis de aarde, de wereld die God, de Schepper ons heeft gegeven om haar met creativiteit en verantwoordelijkheid te bewonen. We moeten zorg dragen voor de wereld: zij is de mensen toevertrouwd om haar in verantwoordelijke vrijheid te beschermen en te cultiveren waarbij het algemeen welzijn voortdurend het leidend criterium moet zijn. Natuurlijk zijn mensen in vergelijking met de gehele schepping van grotere waarde. Het milieu respecteren betekent niet de natuur of de dierenwereld belangrijker achten dan de mensen. Het betekent eerder de natuur niet op egoïstische wijze zien als compleet beschikbaar voor onze eigen belangen, want ook de komende generaties hebben het recht van de schepping te profiteren en daarbij aan dezelfde verantwoordelijke vrijheid uiting te geven als wij voor onszelf opeisen. Zo mogen ook de armen niet vergeten worden: zij die vaak uitgesloten zijn van de vruchten van de schepping die voor iedereen zijn bedoeld. Tegenwoordig maakt de mensheid zich terecht zorgen over het toekomstige ecologische evenwicht. Het is goed bedachtzaam tot voorspellingen op dit gebied te komen in dialoog tussen deskundigen en geleerden, zonder ideologische druk tot overhaaste conclusies en vooral met het doel overeenstemming te bereiken over een model van duurzame ontwikkeling dat met respect voor het ecologisch evenwicht het algemeen welzijn van iedereen garandeert.”[xi]

6e gebod: Vooruitgang tot welke prijs?

Economisch en ecologisch beleid moeten op elkaar afgestemd worden. Naast de economische zijn ook de ecologische kosten van belang.

Ons economisch handelen wordt over het algemeen vooral door de direct zichtbare kosten bepaald. Eventuele negatieve effecten voor het milieu blijven daarmee meestal buiten beschouwing. Economische en ecologische ontwikkelingen mogen niet los van elkaar worden gezien. In zijn brief van 1 september 2007 aan Bartholomaios I, patriarch van Constantinopel, ter gelegenheid van het zevende symposium over godsdienst, wetenschap en de milieubeweging schrijft de paus: “Behoud van het milieu, bevordering van duurzame ontwikkeling en vooral aandacht voor klimaatveranderingen zijn voor de gehele menselijke familie zaken van groot belang. Geen land of bedrijfstak kan de ethische aspecten die zich in elke economische en sociale ontwikkeling voordoen, negeren. Wetenschappelijk onderzoek levert steeds overtuigender het bewijs dat de invloed van menselijk handelen waar dan ook op aarde wereldwijde gevolgen kan hebben. De gevolgen van veronachtzaming van het milieu kunnen niet tot de directe omgeving of de eigen bevolking beperkt worden, omdat zij altijd de menselijke samenleving kwetsen en dus de menselijke waardigheid verraden en de rechten van de burgers die in een veilige omgeving willen leven, geweld aandoen.”[xii]

De aarde en de natuur zijn niet onuitputtelijk: er zijn grenzen. Binnen de mogelijkheden van de schepping moet de mens streven naar het algemeen welzijn van iedereen. In de pauselijke boodschap aan de directeur-generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties op Wereldvoedseldag, 16 oktober 2006 lezen we: “De scheppingsorde vraagt dat er prioriteit wordt gegeven aan menselijke activiteiten die geen onomkeerbare schade aan de natuur toebrengen, maar die integendeel in het sociale, culturele en religieuze weefsel van de verschillende gemeenschappen zijn verankerd. Op deze wijze wordt een gezond evenwicht tussen het gebruik en de duurzaamheid van de natuurlijke bronnen bereikt.”[xiii]

7e gebod: Stromen als een rivier

Het stoppen van de wereldwijde armoede vraagt eerlijke verdeling van alle grondstoffen.

Op 16 juni 2005 wijst de paus de nieuwe ambassadeurs bij de Heilige Stoel op het volgende: “De aarde kan werkelijk voldoende voortbrengen om al haar bewoners te voeden, op voorwaarde dat de rijke landen niet dat wat aan iedereen toebehoort, voor zichzelf houden.”[xiv] Solidariteit en gerechtigheid zijn pijlers van de sociale leer van de Kerk. Zij richten onze aandacht op de positie van de armen. Aandacht voor de armen is vooral ook van belang bij de verdeling van schaarste. Het zijn ook de armen die het eerst en het meest onder de gevolgen van milieurampen te lijden hebben. In zijn preek tijdens de Eucharistieviering op 1 december 2006 in Istanbul zegt de paus: “In een wereld waarin mensen zoveel moeite hebben de vruchten van de aarde met elkaar te delen en waarin men zich terecht zorgen begint te maken over de schaarste aan water dat zo kostbaar is voor het leven van het lichaam…”[xv]

In zijn boodschap op 1 januari 2009, de Internationale Dag van de Vrede stelt de paus: “In de encycliek Centesimus annus wees Johannes Paulus II op de noodzaak ‘de mentaliteit op te geven die de armen – individuen en volkeren – als een last en als ongelegen verstoorders beschouwt die willen verbruiken wat andere hebben geproduceerd’. ‘De armen’, schrijft hij, ‘vragen het recht om te delen in het genot van de stoffelijke zaken en om hun werkkracht vruchtbaar te maken en zo een wereld te scheppen die rechtvaardiger en voor allen welvarender is’. In de huidige geglobaliseerde wereld wordt het steeds duidelijker dat vrede alleen tot stand kan worden gebracht wanneer iedereen van de mogelijkheid van een redelijke groei is verzekerd: vroeg of laat moet door iedereen de rekening betaald worden van de verstoringen die het gevolg zijn van onrechtvaardige systemen. Het is complete waanzin een luxueus huis te midden van verval en woestenij te bouwen. Globalisering op zich is niet in staat vrede tot stand te brengen en in vele gevallen veroorzaakt het zelfs verdeeldheid en conflicten. Veel eerder maakt het de noodzaak duidelijk tot oriëntatie op een doel van volledige solidariteit gericht op het welzijn van allen. In deze zin moet de globalisering gezien worden als een uitgesproken kans iets substantieels tot stand te brengen in de strijd tegen de armoede, en tot op heden ondenkbare wegen te gaan leidend naar vrede en gerechtigheid.”[xvi]

8e gebod: We zitten in hetzelfde schuitje

Het recht op een veilige en schone leefomgeving moet door wereldwijde samenwerking en internationale akkoorden beschermd worden.

Zonder internationale samenwerking komen we niet tot een duurzame samenleving. In de pauselijke boodschap op 1 januari 2008, de Internationale Dag van de Vrede vinden we: “Ik nodig iedere man en vrouw uit om zich nog meer bewust te worden van het diepe gevoel dat we tot één gezamenlijke mensenfamilie behoren, en ernaar te streven dat de menselijke samenleving deze overtuiging steeds meer weerspiegelt. Dit is essentieel om tot werkelijke en duurzame vrede te komen.”[xvii] Naast vrijwillige samenwerking is er ook internationale regelgeving noodzakelijk. Iedere mens heeft recht op een schoon milieu.

In zijn boodschap aan de directeur-generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties op Wereldvoedseldag, 16 oktober 2006 schrijft de paus: “Meer dan ooit is het tegenwoordig, met het oog op de terugkerende crises en het najagen van enkel persoonlijk belang, nodig dat er tussen de landen samenwerking en solidariteit is. Ieder land moet aandacht hebben voor de noden van de zwaksten onder zijn burgers, want zij zijn de eersten die lijden onder armoede. Zonder deze solidariteit bestaat het gevaar dat het werk van de internationale organisaties die zich inzetten voor de strijd tegen honger en ondervoeding, beperkt of zelfs verhinderd wordt. Op deze wijze bouwen de landen werkelijk de geest van gerechtigheid, eensgezindheid en vrede tussen de volkeren op: ‘opus iustitiae pax’ (zie Jes 32,17).”[xviii]

9e gebod: Discipline is niet een vies woord

Milieubescherming vereist een andere levensstijl. We moeten ons afkeren van consumentisme en productiemethoden nastreven die de natuurlijke orde respecteren en waarmee we kunnen voorzien in de basisbehoeften van alle levende wezens.

Het zal iedereen volstrekt duidelijk zijn, dat we niet door kunnen gaan met onze Westerse manier van leven en overconsumptie. Dat vraagt discipline en een andere mentaliteit. We moeten van een mentaliteit van ‘hebben’ naar een mentaliteit van ‘zijn’ met nadruk op waarden als waarheid, schoonheid, deugdzaamheid en gemeenschap.

In gesprek met de clerus van het bisdom Belluno-Feltre zegt de paus op 6 augustus 2008: “Het gaat er niet alleen om dat wij technologieën ontdekken om de schade te voorkomen; nog belangrijker is het dat we alternatieve bronnen van energie en nog veel meer vinden. Maar niets van dit alles is voldoende als wij niet zelf een nieuwe levensstijl vinden, een discipline van afzien, een discipline van erkennen van anderen aan wie de schepping net zo goed toebehoort als aan ons terwijl wij er gemakkelijker over beschikken, een discipline van verantwoordelijkheid voor de toekomst voor anderen en voor onszelf, want dat is de verantwoordelijkheid die ons door Hem is gegeven die onze Rechter is en als Rechter ook onze Verlosser, maar zeker ook onze Rechter. In het verlengde hiervan ben ik er van overtuigd dat we de beide dimensies – schepping en verlossing, aards leven en eeuwig leven, verantwoordelijkheid voor de schepping en verantwoordelijkheid voor anderen en voor de toekomst – bij elkaar moeten brengen. Ook denk ik, dat het onze opgave is nadrukkelijk en duidelijk aan het openbare debat deel te nemen. Om te kunnen overtuigen moeten wij tegelijkertijd door ons eigen voorbeeld, door onze eigen levensstijl laten zien dat het een boodschap is waarin wij zelf geloven en die kan worden nageleefd. En laten wij de Heer bidden ons allen te helpen, dat wij zelf zo vanuit het geloof en vanuit de verantwoordelijkheid van het geloof leven, dat onze levensstijl een getuigenis is, en ook zo te spreken dat ons woord geloofwaardig laat zien dat het geloof een wegwijzer in onze tijd is.”[xix]

10e gebod: Alles is gegeven

Milieuvraagstukken vragen om een spiritueel antwoord, geïnspireerd door het geloof dat de schepping een geschenk van God is. De mens is God dankbaar voor de schepping.

In gesprek met de Italiaanse jongeren leert de paus hen op 1 september 2007 in Loreto: “De schoonheid van alle schepselen is een van de wegen waarlangs wij Gods schoonheid werkelijk ervaren; hierdoor zien wij dat de Schepper bestaat en goed is. Het is waar zoals de heilige Schrift ons met het scheppingsverhaal leert, dat God de wereld voorzag en maakte met zijn hart, zijn wil en zijn wijsheid, en dat Hij het goed vond.”[xx]

Een goede omgang met de schepping, duurzaamheid en zorg voor het milieu vragen dat wij de schepping zien als een geschenk van God. Met dit geschenk openbaart God zijn liefde en goedheid aan ons. Schepping en verlossing zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De dankbaarheid voor het geschenk brengt ons in beweging om ervan te getuigen, het goed en respectvol te gebruiken en het verder uit te bouwen tot een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Op 17 juli 2008 tijdens welkomsfeest van de Wereldjongerendagen in Sydney zegt de paus tegen de jongeren: “De opdracht om te getuigen is geen gemakkelijke. Velen beweren tegenwoordig dat God buiten beschouwing moet worden gelaten, en dat religie en geloof wel mooi zijn voor individuen, maar geheel uit het openbare leven moeten worden geweerd of slechts moeten worden ingezet om beperkte pragmatische doelen te bereiken. Deze geseculariseerde opvatting tracht met nauwelijks of geen beroep op de Schepper het menselijk leven te verklaren en de maatschappij vorm te geven. Zij presenteert zichzelf als neutraal, onpartijdig en daarmee voor iedereen geldend. Maar in werkelijkheid, zoals iedere ideologie, dringt de secularisatie een bepaald wereldbeeld op. Wanneer God in het openbare leven betekenisloos is, wordt de maatschappij op basis van een goddeloos denkbeeld vorm gegeven. Wanneer God buiten beschouwing wordt gelaten, wordt ons langzamerhand de mogelijkheid ontnomen de natuurlijk orde, haar doel en het goede te herkennen. Wat opschepperig als menselijke genialiteit wordt aangemoedigd, manifesteert zichzelf al snel als dwaasheid, gierigheid en egoïstische uitbuiting. En zo zijn wij ons meer en meer bewust geworden van de noodzaak bescheiden te zijn in het aangezicht van de broze complexiteit van Gods wereld.”[xxi]


[ii]     Woodeene Koenig-Bricker, Ten Commandments for the Environment: Pope Benedict XVI Speaks Out for Creation and Justice, Notre Dame: Ave Maria Press, 2009.

[iii]    De auteur is verantwoordelijk voor de Nederlandse vertalingen.