Spring naar inhoud

Interreligieuze dialoog

In onze hedendaagse samenleving heeft iedereen concreet te maken met landgenoten die tot niet-christelijke religies behoren. In het jaar van het geloof is het goed stil te staan bij het belang dat de Kerk hecht aan de dialoog met andere godsdiensten.

Nostra aetate

Een van de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie is ‘Nostra aetate’, de verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten. Hierin wordt met respect gesproken over andere religies en wordt erop gewezen dat ook daar waarheid omtrent het goddelijk geheim wordt gezocht en gevonden. “De katholieke kerk verwerpt niets van datgene wat in deze godsdiensten waar en heilig is. Met oprechte eerbied beschouwt zij die gedrags- en levensregels, die – hoewel in veel opzichten verschillend van wat zij zelf houdt en leert – toch niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid welke alle mensen verlicht.”

Alle mensen vormen één gemeenschap. Allen zijn naar Gods beeld geschapen. De Kerk heeft als opdracht de eenheid en de liefde tussen de mensen te bevorderen. Daarom spoort de Kerk de gelovigen aan tot gesprekken en samenwerking met aanhangers van andere religies.

Dialoog

Om in onze multiculturele maatschappij in vrede met elkaar samen te leven is het nodig elkaar te begrijpen en te weten wat de ander beweegt, wat zijn waarden zijn, wat voor hem heilig is en hoe hij hieraan in zijn dagelijks leven gestalte geeft. In gesprek met elkaar ontdekken we sporen van waarheid in de overeenkomsten, maar ook in de verschillen. Door kennis te nemen van andere religies krijgen we ook een beter beeld van ons eigen geloof.

Dialoog gaat samen met getuigenis van het eigen geloof. Een gesprek waarin de verschillen verdoezeld worden, heeft geen diepgang en getuigt van weinig respect voor elkaar. Dit betekent wel dat de interreligieuze dialoog niet altijd even gemakkelijk is. In de interreligieuze dialoog zijn de deelnemende gesprekspartners gelijkwaardig, maar dat is niet hun mening over de verschillende godsdiensten. Over het algemeen stelt iedere religie dat zij de waarheid in pacht heeft en de andere dus hooguit gedeeltelijk. Iedere religie claimt de waarheid en het heil; zij zijn niet aanvullend aan elkaar.

Alle gelovigen

De interreligieuze dialoog maakt deel uit van de zending van de Kerk en is een opdracht aan alle gelovigen. De dialoog hoort bij het gelovige leven van iedere dag. Zij is een uitdrukking van Gods liefde voor allen. In de pastorale constitutie ‘Gaudium et spes’ leert het Concilie: “De eerbied en de liefde moeten zich eveneens uitstrekken tot hen, die op sociaal, politiek of ook op godsdienstig gebied een andere opvatting of een andere praktijk hebben dan wij. Want hoe dieper wij met menselijkheid en liefde doordringen in hun manier van denken, des te gemakkelijker zullen wij met hen tot een dialoog kunnen komen.”

Kennis van andere religies

Om deze dialoog aan te gaan is enige voorkennis zeker aan te bevelen. Afgelopen jaar bevatte ons catecheseprogramma een cursus over het jodendom. Voor volgend jaar staat er een serie over de islam gepland. Ik hoop u daar te mogen begroeten.

Vrij of slaaf; 1 K 19,16b.19-21; Gal 5,1.13-18; Lc 9,51-62

Christus heeft ons voor de vrijheid gemaakt. Wij zijn geroepen om vrije mensen te zijn en moeten ons niet opnieuw het slavenjuk op laten leggen. Over welke vrijheid heeft Paulus het hier? Wanneer zijn wij vrij zoals Paulus het bedoelt? Paulus waarschuwt voor zelfzucht en egoïsme. Zij strijden met de Geest en het verlangen van de Geest. Hij zegt ons dat wij ons juist door de Geest moeten laten leiden, dan staan wij niet onder de wet.

Paulus maakt ons duidelijk dat we vrijheid op twee manieren kunnen beleven. Ten eerste vrij zijn om te doen wat je wilt. Dit is de vrijheid die voorkomt uit zelfzucht en egoïsme. Dit is ook de vrijheid van onze huidige cultuur. Daar staat tegenover vrij zijn om het goede te doen, om een goed mens te zijn. Dit is de vrijheid die voorkomt uit de Geest, de vrijheid die gebaseerd is op de liefde. De vrijheid waarvoor Christus ons gemaakt heeft, is gebaseerd op de liefde, komt voort uit de Geest en is verbonden met het gebod van de liefde: ‘Bemin uw naaste als uzelf.’ Dit gebod van de liefde omvat de hele wet. Als wij het gebod van de liefde naleven, leven we geheel naar de wil van God. Als ons spreken en ons doen voorkomt uit liefde voor de ander, doen we in alle vrijheid het goede, dat wat goed is voor de ander en goed is voor onszelf. Zo zijn wij goede mensen en worden wij werkelijk gelukkig.

Paulus spreekt over het slavenjuk van de joodse wet. Niet dat de wet verkeerd is, maar hij kan verkeerd gebruikt worden. De joodse wet is een handreiking van God aan de mens om goed te leven, maar sommigen gebruikten de wet om anderen lastig te vallen en het leven zuur te maken. Hier verzet Paulus zich tegen en dit wil hij niet terug. Het is niet alleen de wet die ons tot een slavenjuk kan zijn. Ook onze zelfzucht en ons egoïsme kan ons een slavenjuk opleggen. Een te grote gerichtheid op aardse en materiële zaken doet hetzelfde. In de eerste lezing en in het evangelie vinden we hiervan voorbeelden.

Elisa wil eerst nog afscheid nemen van zijn vader en moeder. Elia zegt hem dat dit een te grote gehechtheid aan het aardse is, maar Elia laat hem vrij zelf de keuze te maken. Een goed leven leiden kan alleen op basis van volstrekte vrijwilligheid. Nooit kan iemand gedwongen een goed mens te zijn. Jezus laat de Samaritanen vrij om Hem niet te ontvangen, omdat Hij op weg naar Jeruzalem is. De Samaritanen aanbidden God niet in Jeruzalem maar op de berg Gerizim. Ook degenen die Hem willen volgen, laat Hij vrij. Hij wijst hen op de consequenties. Hij trekt als een dakloze door het land: “de Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten.” Om Hem te volgen moeten ze afstand willen doen van hun zekerheden. Ook moeten zij afstand kunnen doen van hun familiebanden. Onze aardse beslommeringen kunnen ons zo in beslag nemen dat ze ons tot een slavenjuk worden en ons onvrij maken. We kunnen zozeer slaaf worden van onze verplichtingen aan familie, aan ons werk en aan de gemeenschap dat de liefde buiten beeld raakt. Goed gedrag is prima, maar het moet niet dwangmatig worden.

Onze maatschappij kent vele verslavingen die onze vrijheid aan banden leggen. Een daarvan is vrijheid te beschouwen als kunnen doen wat je wilt. Iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil en dat noemen we dan vrijheid van meningsuiting. Maar moeten we ons niet afvragen wat ons spreken doet met de ander? Je kunt ook iemand kwetsen met woorden die niet verboden zijn. Je kunt verslaafd zijn aan je eigen waarheid en die zonder enig respect voor de medemens luid rond toeteren en daarmee de ander kwetsen. Hoe verslaafd zijn wij aan ons eigen comfort en aan onze overvloed? Moet je echt alles kopen wat je kunt betalen? Welke gevolgen heeft onze
consumptiedrift voor het milieu en voor arbeidsomstandigheden hier en elders ter wereld? Paus Franciscus uitte begin deze maand kritiek op onze manier van consumeren. Hij zei dat het weggooien van voedsel gelijk staat aan stelen van de armen. Hoe verslaafd zijn wij aan onze veiligheid? Elk risico moet ten koste van alles uitgesloten worden. Welke gevolgen heeft dat voor anderen? Is het normaal dat iedereen die er een beetje afwijkend uitziet, door de politie voortdurend als verdachte wordt behandeld? Is werkelijk ieder moslim een potentiële terrorist?

Kennen wij onze eigen verslavingen? Zijn wij ons ervan bewust hoezeer zij onze vrijheid beknotten? Jezus Christus is onze Verlosser: Hij maakt ons vrij. In volledige vrijheid mogen wij Hem navolgen. Wij zijn vrij het goede te doen en Gods liefde te delen met allen. Door de verlossing stelt Christus ons in staat goede mensen te zijn en los te komen van onze verslavingen en zondigheden. Hij maakt ons werkelijk vrij. In hoeverre beperken wij onze eigen vrijheid? In hoeverre zijn wij teveel op onszelf gericht. Van welke verslavingen moeten wij ons nog laten bevrijden? De vakantie staat voor de deur. Genoeg vrije tijd om eens over deze vragen na te denken. Amen.

 

Liefhebberij

Liefhebben is primair het domein van amateurs, van liefhebbers. Amateurs zijn mensen die iets doen uit liefde. Ze houden van het uitoefenen van een bezigheid en van het resultaat dat ze ermee bereiken. Amateurs vind je op vele gebieden: in de kunst, in de sport, in de kerk, in allerlei vormen van gemeenschapsleven. Tot in onze meest intieme relaties geven mensen de voorkeur aan amateurs boven professionals. Je moet er toch niet aan denken met een professionele liefhebber getrouwd te zijn.

Het beoefenen van de naastenliefde is ook een vorm van liefhebben die allereerst door amateurs wordt beoefend. Dit geldt vanzelfsprekend voor het verrichten van liefdewerken voor een nabije medemens, maar ook voor hulp aan mensen in nood ver weg ligt de basis in de liefhebberij. Mensen ver weg zijn overigens niet alleen mensen in een land ver weg, maar ook mensen die dichtbij wonen, maar die door omstandigheden of door hun manier van leven ver van ons verwijderd zijn: ernstig zieken, verslaafden, eenzamen, immigranten, armoedzaaiers.

Hier betreden we een lastig gebied. Naast liefde is enige kennis en deskundigheid vaak een belangrijke voorwaarde om werkelijk iemand van dienst te kunnen zijn. Problemen kunnen ook te ingewikkeld, te groot of te ver weg zijn om ze zelf daadwerkelijk op te lossen. In dat geval is een beroep op professionele hulpverleners noodzakelijk. Gelukkig zijn de meesten van hen niet alleen professional, maar ook nog steeds liefhebber: ze hebben als het ware van hun hobby hun beroep gemaakt. Dit spanningsveld tussen het liefdevolle en beroepsmatige ondersteunen van mensen kom ik tegen binnen de kerk bij bijvoorbeeld bij de Parochiële Caritasinstellingen (PCI). Wat kun je voor mensen doen? Voor wie moet je iets doen? Hoe effectief is de hulp? Help je iemand werkelijk door geld te geven?

Een ander gebied waar dit speelt is de internationale hulpverlening. Vorige week uitte Femke Halsema de nodige kritiek op het functioneren van hulporganisaties. Zij is ongetwijfeld te goeder trouw en zal haar kritiek baseren op ervaringen waarbij werkelijk kanttekeningen geplaatst mogen worden, maar de vraag is: streeft zij niet naar een teveel aan professionaliteit. Zelf constateert zij dat het streven naar effectiviteit en efficiëntie ervoor gezorgd hebben dat hulporganisaties er tegenwoordig alles aan doen om te verantwoorden dat ons geld inderdaad op de juiste wijze wordt besteed. Dat veroorzaakt veel bureaucratie, maar erger nog het weerhoudt de organisaties ervan risico’s te nemen en in moeilijk zichtbaar te maken resultaten te investeren. De bedachtzame professionaliteit wint het van het bevlogen amateurisme, de werkwijze van de liefhebber.

Als we bang zijn fouten te maken, als alles perfect moet zijn en verantwoord moet worden, is er geen ruimte meer voor de liefde en zal de naastenliefde uit onze wereld verdwijnen.

Column in Telstar, 26 juni 2013

Liefde en vergeving; 2 S 12,7-10.13; Gal 2,16.19-21; Lc 7,36-8,3

Vandaag gaan de lezingen over vergeving. Als voorwaarden voor vergeving worden genoemd: berouw, geloof en liefde. Van ons wordt gevraagd dat wij elkaar vergeven, maar ook dat wij zelf om vergeving vragen.

David heeft berouw over zijn zonde en direct schenkt God hem vergeving. Berouw tonen is verklaren: ik heb een fout gemaakt, ik ben een zondig mens. Paulus spreekt over rechtvaardiging. Ondanks onze fouten, ondanks de zonde worden wij gerechtvaardigd door God, door God als goede en rechtvaardige mensen gezien. Dit bereiken we niet door onze goede werken en ook niet door het onderhouden van de geboden. Dit bereiken we alleen maar door het geloof in Jezus Christus: Christus die gestorven is voor onze zonden. Jezus werpt weer een ander licht op de vergeving. In het verhaal van de zondares gaat het niet om het rechtvaardige oordeel. Hier staat de liefde centraal. Jezus verbindt liefde en vergeving met elkaar. Vergeving als daad van liefde.

Laatst bij de voorbereiding van een huwelijk ging het ook over vergeving. De niet-gedoopte bruidegom vertelde dat het hem opviel dat christenen in staat zijn een ander te vergeven. Voor hem was het duidelijk dat geloven en vergeven met elkaar verbonden zijn. Het geloof in een God die liefde is, in een God die vergeeft, stelt mensen in staat anderen te vergeven.

Vergeving is een daad van liefde. Maar in het Evangelie is meer aan de hand. De vrouw betoont eerst haar liefde en Jezus beantwoordt dat dan met vergeving. Hier is het vragen om vergeving een daad van liefde. Berouw tonen, tot inkeer komen, een ander laten weten, dat je hem tekort hebt gedaan, ook dat is een daad van liefde. Erkennen dat je zelf niet volmaakt bent, en dat je van de goedheid van iemand anders afhankelijk bent, dat vraagt om nederigheid. En nederigheid vraagt om liefde. Juist door de liefde onderscheid nederigheid zich van onderdanigheid. Door de liefde blijft de gelijkwaardigheid in stand. De liefde maakt het mogelijk nederig te zijn met een opgeheven hoofd: God en de medemens recht in de ogen te zien.

Liefde is relationeel: er is een relatie tussen de betrokken partijen. Liefde is ook wederkerig. De liefde kan niet blijvend van één kant komen. Dit geldt ook voor vergeving. Beide partijen moeten elkaar tegemoet komen. Beiden moeten in beweging komen. Degene die vergeving vraagt, toont zich afhankelijk van de ander. Degene die vergeving schenkt, moet afzien van zijn gevoelens van gekwetst zijn, van zijn slachtofferschap en hij moet afzien van zijn verongelijktheid en van zijn wraakgevoelens. Hij moet zich niet alleen boven de ander plaatsen door zijn afhankelijkheid te aanvaarden en hem met vergeving tegemoet komen. Veel meer nog moet hij boven zichzelf uitstijgen en afstand doen van zijn positie als underdog. Om de verhoudingen weer gelijkwaardig te maken, moet hij zichzelf verheffen.

Dat vergeving geen eenzijdig fenomeen is, blijkt ook uit de tekst van het Onze Vader. “Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.” Binnen het Onze Vader is dit de enige bede die wederkerig is. We bidden niet: “Geef ons heden ons dagelijks brood, zoals ook wij aan anderen brood geven.” En ook niet: “Leid ons niet in bekoring, zoals ook wij anderen niet in bekoring leiden.” Of: “Verlos ons van het kwade, zoals ook wij anderen van het kwade verlossen.”

Alleen bij het gebed om vergeving vermelden we dat wij ook anderen vergeven. Het is niet mogelijk vergeving te vragen als wij zelf niet vergevingsgezind zijn. Deze daad van liefde – vergeving vragen en vergeving schenken – vereist een relatie van liefde en wederkerigheid. Iemand brood geven of beschermen tegen bekoring of tegen het kwade kan een eenzijdige actie zijn. Bij vergeven is dat niet mogelijk.

Vergeving vragen en vergeving schenken zijn daden van liefde. Iemand die de liefde niet kent, is daar niet toe in staat. De apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief: “God is liefde.” “Iedereen die liefheeft is een kind van God, en kent God. (…) Als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien.”

Zo verbindt Johannes de liefde tussen mensen met de liefde voor God. Alleen als wij de liefde tussen mensen kennen, alleen als wij elkaar liefhebben, zijn wij in staat God lief te hebben en God te kennen. Nog sterker degene die denkt God niet te kennen maar wel zijn naaste liefheeft, is een kind van God en kent God, want God is liefde. Er is geen liefde zonder God en er is geen God zonder liefde.

God heeft ons als eerste liefgehad. Hij staat aan het begin. Van ons wordt gevraagd hierop te antwoorden door elkaar lief te hebben en door elkaar te vergeven. Als wij een leven van liefde en vergeving leiden, wordt ook ons vergeven en worden wij deel van de liefde die God is. Dit is wat Jezus ons vandaag leert. Dit is wat Hij ons leert met de tekst van het Onze Vader. Elkaar vergeven is de grootste en ook de moeilijkste daad van liefde. Telkens weer moeten er stappen worden gezet. Telkens weer moet iemand het initiatief nemen.

Vragen wij God dat Hij ons helpt elkaar te vergeven en dat wij op deze wijze Gods liefde voor allen gestalte geven en ons op deze wijze ware christenen tonen. Amen.

Leven na de genadeklap

Auteur: Arie de Rover
Titel: Leven na de genadeklap
Uitgever: Buijten & Schipperheijn Motief, 2012; prijs: € 14,90
ISBN: 978 90 5881 699 3; aantal pagina’s: 176

Arie de Rover geeft met dit boek een persoonlijke getuigenis van zijn geloof. Hij vertelt hoe de ervaring van Gods genade zijn leven veranderd heeft. Het heeft hem de genadeklap gegeven. Het gaat nu niet langer om het doen. Het gaat nu om het zijn. Niet wat je presteert, is belangrijk en maakt wie je bent. Je bent er enkel en alleen dankzij de liefde van God. Je bent een geliefd kind van de Vader.

Dit boek is geschreven voor ieder die op zoek is naar de weg van zijn leven en voor hen die zich afvragen: Leef ik wel goed? Ben ik niet een slaaf van de wereld? Leef ik niet in gevangenschap? Hoe vrij ben ik? Het boek houdt de lezer een spiegel voor en zet de zaak op scherp. Iemand die tevreden is met het eigen zelfgenoegzame leventje, moet dit boek beslist niet lezen; dat geeft maar onrust.

De Rover schrijft in heldere taal en geeft eenvoudige en duidelijke voorbeelden. Misschien is er zo nu en dan sprake van enige protestantse stelligheid.

Maria: een voorbeeld van geloof; Lc 1,39-56

Onze parochie heet Onze Lieve Vrouwe Visitatie. Daarom vieren we vandaag dit feest. Maria heeft als onze patrones een belangrijke plaats in onze parochie. We zitten ook nog steeds in het Jaar van het Geloof. Het Jaar van het Geloof begon vorig jaar op 11 oktober onder paus Benedictus XVI. Het duurt nog tot 24 november dit jaar. Vandaar dat de banier ook nog steeds achter in de kerk hangt. Vijftig jaar na het Tweede Vaticaans Concilie wil het Jaar van het Geloof bijdragen aan een hernieuwde bekering en aan de herontdekking van het geloof. Zo versterkt het de getuigenis van christenen in de wereld.

Op deze feestdag, een Mariafeest en een parochiefeest is het goed stil te staan bij onze opdracht als gelovigen in de wereld. Paus Benedictus schrijft bij de aankondiging van het Jaar van het Geloof: “Het gebeurt intussen niet zelden dat christenen zich meer bekommeren om de maatschappelijke, culturele en politieke gevolgen van hun inzet en blijven denken dat het geloof een vanzelfsprekende zaak is van het gemeenschappelijk leven.” De paus neemt hier geen genoegen mee en stelt: “Wij kunnen niet accepteren dat het zout zijn kracht verliest en het licht verborgen wordt gehouden. (…) Wij moeten weer de smaak te pakken krijgen om ons te voeden met Gods Woord, dat trouw door de Kerk wordt doorgegeven, en het Brood van het leven.”

In de tijd van de katholieke emancipatie hier in Nederland zongen wij: “Roomschen dat zijn wij met ziel en harte, Roomschen dat zijn wij met woord en met daad.” en: “Roomschen in huis, Roomsch ook daarbuiten Schamen ons nimmer d’ eervolle keus.” Toen was er aan getuigenis geen gebrek. Onlangs op 16 mei hebben wij in het kader van 1000 kerk in Bleiswijk ook stilgestaan bij deze periode uit onze geschiedenis. De tijd waarin de katholieken gaandeweg weer hun plaats kregen binnen onze samenleving. De tijd ook waarin deze parochie gesticht werd en deze kerk gebouwd. Ook dat was een getuigenis van het geloof.

In oktober 2012 sprak een bisschoppensynode over het thema ‘De nieuwe evangelisatie voor het doorgeven van het christelijk geloof’. Bij evangeliseren denken wij al snel folders uitdelen op de markt of langs de deuren gaan om mensen te bekeren. Ik verwacht niet dat ik u daar enthousiast voor krijg. Velen krijgen misschien al pukkeltjes bij de gedachte alleen. Maar je mag je ook afvragen of we wel in staat zijn onze boodschap goed onder woorden te brengen. De bisschop van Groningen-Leeuwarden Mgr. De Korte heeft het over de sprakeloosheid van de Nederlandse katholieken: wij zijn niet of nauwelijks in staat ons eigen geloof te formuleren, het eigen geloof onder woorden te brengen, laat staan dat we er op uit trekken om het te verkondigen. Hier ligt een grote opdracht voor catechese binnen onze parochies. Niet alleen catechese voor de kinderen, maar ook volwassenencatechese of juist: vooral volwassenencatechese. Kinderen iets leren waarover zij niet met hun ouders en grootouders kunnen praten zal weinig effect hebben. In augustus wordt u weer het catecheseprogramma aangeboden. Maak daar gebruik van. Leer uw eigen geloof te verwoorden. De enige manier om het geloof door te geven is het voorleven ervan en er over kunnen spreken.

Paus Franciscus laat ons zien wat voorleven van het geloof betekent. In heel zijn doen en laten wordt zijn geloof in Christus zichtbaar. Voor heel de wereld werkt het aanstekelijk: zo volg je Christus na, zo leef je als christen. Zijn handelen spreekt voor zich en met eenvoudige woorden geeft hij desgewenst een toelichting. Een voorbeeld uit eigen ervaring om te laten zien hoe simpel het kan zijn. Als mijn vrouw en ik buiten de deur eten zijn we voor het eten altijd even stil en slaan we een kruis. Zo ook afgelopen vrijdag. Direct daarna horen we het stel naast ons – twee mensen, een generatie jonger dan wij – elkaar vragen: “wanneer gaan we weer eens naar de kerk?” Hoe simpel kan het zijn!

Zoals paus Franciscus ons het voorbeeld geeft, zo doet Maria dat ook. Maria wijst ons op haar eigen wijze de weg naar Christus, de weg naar God. Zij is een gelovige zoals wij. Zij weet wat overgave is en vindt daarbij ook de woorden: Zij zegt tegen de engel Gabriël: “Zie de dienstmaagd des Heren. Mij geschiede naar uw woord.” Er gebeurt iets aan Maria wat groter is dan haarzelf, iets dat haar te boven gaat en wat niet te begrijpen is. Maar door haar geloof durft ze te vertrouwen en zich over te geven: “Mij geschiede naar uw woord.”

Maria bezoekt haar nicht Elisabet want zij weet dat zij hulp nodig heeft. Twee zwangere vrouwen ontmoeten elkaar. Ze delen hun vreugde en hun zorgen met elkaar. En ze delen hun geloof met elkaar. In liefde en geloof delen ze hun leven met elkaar. Zij is bij de Bruiloft in Kana aan het begin van het openbare leven van Jezus. Zij zegt tegen de bedienden: “Doet maar wat Hij u zeggen zal.” Zij staat onder het kruis van haar zoon en ziet het lege graf. Zij is er bij als Christus aan de leerlingen verschijnt. Zij ontvangt op Pinksteren samen met de apostelen de H. Geest. Maria is de eerste mens die zich bewust is van haar verlossing door Christus. Maria weet welke genade zij ontvangt. We hebben dat zonet in het Evangelie gehoord: in woorden van de lofzang van Maria, het Magnificat. Maria laat ons zien wat het is te geloven: geloven is vertrouwen en overgave. We horen het in de woorden: “Mij geschiede naar uw woord.”

Maria is niet alleen de eerste gelovige. Ze is ook de grootste. En zo is zij een voorbeeld voor ons allen. Haar geloof inspireert ons. Maria is niet een vrouw van theologische verhandelingen. Er zijn ons slechts weinig woorden van haar overgeleverd. Maria leeft ons het geloof voor. Juist daarin is zij ons tot voorbeeld. Zoals Maria aan ons het geloof voorleeft en zoals Maria de woorden vindt als dat nodig is, zo wordt ook van ons gevraagd ons geloof handen en voeten te geven, het in ons dagelijks leven zichtbaar te maken en waar nodig er woorden aan te geven om ons handelen toe te lichten. Maria is hierin ons voorbeeld en onze steun. Wij mogen haar ook vragen om kracht, om wijsheid en om bijstand. Maria is niet alleen ons voorbeeld, zij is ook onze voorspraak. Als voorspraak vragen wij haar voor ons te bidden. Als voorspraak bidden wij tót Maria bijvoorbeeld met het Weesgegroet. Als voorbeeld bidden wij mét haar mee bijvoorbeeld met het Magnificat.

Vandaag viert onze parochie feest, een feest van ontmoeting. Ook wij ontmoeten elkaar hier in dit gebouw maar ook daarbuiten. We ontmoeten elkaar en delen ons leven met elkaar: ons geloof, onze hoop, onze vreugde, ons verdriet en onze zorgen. Zo vormen wij samen de geloofsgemeenschap die wij zijn. Maria is ook hierin onze voorspraak en ons voorbeeld. Dat vieren wij vandaag en daarvoor danken wij God. Amen.

De rooms-katholieke Kerk in Bleiswijk ondergronds: Van het afscheid van Johannes de Doper tot de komst van Onze Lieve Vrouwe Visitatie

In 1577 startte ds. J. Janse als de eerste gereformeerde predikant van Bleiswijk. Hiermee kreeg de Reformatie hier definitief gestalte en begon voor de katholieken een nieuw tijdperk. In 1573 was de rooms-katholieke eredienst geschorst. In 1574 had pastoor Jacob Jansz. Borger de kerk, die gewijd was aan Johannes de Doper, aan de gereformeerden moeten afstaan. Na hem volgden nog de pastoors Johannes van Zuchtelen (1572-1573) en Johan van Eegten (1573-1574). Beiden woonden niet in de pastorie.

Een volgend kantelpunt in de geschiedenis van katholiek Bleiswijk is 1852. Nadat op 14 september 1851 de nieuw op te richten rooms-katholieke gemeente bij Koninklijk Besluit burgerlijke erkenning kreeg, werd begin 1852 pastoor G.W. Schuyt in de nieuwe statie benoemd. De nieuwe kerk krijgt de naam Onze Lieve Vrouwe Visitatie.

Gedurende de hier beschreven periode bezochten de Bleiswijkse katholieken eerst de schuilkerk in Berkel en later die in Bergschenhoek. Omdat uit deze periode weinig lokale geschiedenis bekend is, wordt hier de situatie van het katholicisme in algemenere termen beschreven.

Hervormingen van de 16e eeuw

Mede als reactie op de Reformatie werd het Concilie van Trente (1545-1563) bijeengeroepen. Het katholieke geloof werd opnieuw en zuiverder verwoord, de verschillen met de standpunten van de reformatoren werden duidelijk gemaakt en er werd tot verschillende hervormingen van de Kerk besloten. Het Concilie gaf hiermee gestalte aan de al enkele eeuwen nagestreefde hervormingen.

Voor Nederland kwam er een nieuwe indeling in bisdommen tot stand. Tot 1559 behoorde vrijwel geheel Noord-Nederland tot het bisdom Utrecht. Nu werden er mede op initiatief van koning Filips II een aantal nieuwe bisdommen opgericht. Bleiswijk bleef deel uitmaken van het bisdom Utrecht. Utrecht werd een aartsbisdom. Samen met de bisdommen Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer en Middelburg vormt het de Utrechtse kerkprovincie.

Na de dood van George van Egmont in 1559 werd Frederik Schenck van Toutenburg (1502-1580) door Filips II tot de eerste aartsbisschop van Utrecht benoemd. In 1561 werd deze benoeming door paus Pius IV bekrachtigd. Na 1580 werd er geen opvolger aangesteld. Hiervoor was de benoeming door de afgezworen Spaanse landsheer nodig. Filips II benoemde wel Herman van Rennenberg tot de tweede aartsbisschop van Utrecht, maar deze benoeming werd niet door Rome bekrachtigd. Als  noodoplossing benoemde Rome een tot bisschop gewijde apostolisch vicaris. Vanaf 1560 begon het verzet tegen de centralistische machtspolitiek van Filips II structurele vormen aan te nemen. In 1568 was het begin van de Tachtigjarige Oorlog.

In Noord-Nederland was men minder streng gelovig dan in de zuidelijke Nederlanden. De Reformatie had daardoor hier in eerste instantie slechts een beperkte invloed. Eind 16e eeuw wilde de grote meerderheid gewoon het parochiële leven van hun voorouders voortzetten en er was hoogstens onderscheid tussen ‘protestantiserende’ en ‘traditionele’ katholieken, waarbij de eersten open stonden voor hervormingen en de laatsten tevreden waren met de bestaande situatie.

J.C. van der Loos schreef in 1918: “De Hervorming bracht te Bleiswijk op het gebied van het kerkelijke leven eene schromelijke ontaarding. Zoo verscheen den 14en Maart 1582 op de synode te Haarlem J.J. van Bolsweert, predikant te Bleiswijk, bijgenaamd Joannes Caecus, »synde gedeporteert ende geëxcommuniceert«, verklarende met zijne zware zonden de christelijke gemeente zeer geërgerd te hebben. Den 24en Augustus 1587 was de predikant Hugo Dicxz. te Bleiswijk »om leere ende wandels wille« van zijn dienst ontslagen. En wat heeft Episcopius, de leerling van Arminius, gedurende de enkele jaren van zijn verblijf te Bleiswijk, door zijne van de gereformeerde leer afwijkende meeningen, een tweespalt in de kerkelijke gemeente te weeggebracht! Na hem stond te Bleiswijk als predikant Henricus Slatius, die »van der jeucht aen is geweest van een seer schandelick leven ende daerenboven, als blyckt uyt syne schriften ende propoosten, die hy gegeven heeft, het gevoelen van de Socinianen genoechsaem [was] toegedaen«.

De Gouden Eeuw: vrijheid van geweten

De Republiek was een uitzondering in Europa: de enige staat die pluriformiteit van godsdienst kende. De Republiek was naar buiten toe een protestantse mogendheid. De stedelijke en provinciale overheden wisten echter maar al te goed dat niet al hun inwoners gereformeerd waren. Ondanks de bevoorrechte positie van de gereformeerden was er hier geen sprake van eenheid van kerk en staat en was er vrijheid van geweten voor iedere individu. Er was een uitzonderlijke veelvormigheid op kerkelijk gebied. Dit ging samen met de gelaagde en gedifferentieerde vorm van bestuur in de Republiek met veel macht bij de afzonderlijke steden en gewesten. Zelfs per dorp waren er grote verschillen in de mate van verbondenheid tussen kerk en overheid.

Na de Reformatie duurde het lang voordat mensen een definitieve keuze maakten voor een specifieke geloofsrichting. Midden 17e was er sprake van een consolidatie op dit gebied. Dit betekende dat in de noordelijke gewesten Friesland, Groningen en Drenthe en ook in Zeeland rond 10% van de bewoners katholiek was; in Zuid-Holland was dit rond de 30% en in Overijssel, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland 45-55%. Binnen deze gebieden waren er grote lokale verschillen. Zo is nog altijd de bestandslijn van het Twaalfjarig Bestand zichtbaar. Een mooi voorbeeld is ook de situatie rond Leiden. De dorpen die tijdens het ontzet van Leiden 1574 een Spaanse vlag voerden zijn nu nog steeds de overwegend katholieke dorpen.

De Hollandse steden werden eerder protestants dan de dorpen. In de steden vestigden zich de immigranten uit de Zuidelijke Nederlanden. De Hollandse adel die meestal in de dorpen aan de macht waren, hielden niet van religiedwang en bleven vaak katholiek en zo ook de onderdanen van de ambachtsheer.

Hollandse Zending

Rond 1600 kende de Republiek niet alleen geen bisschoppen; ook nog maar 70 van de 1.300 parochies beschikte over een pastoor. De diverse plakkaten uit 1581, 1622, 1641 en 1649 verboden de viering van de heilige Mis, het samenkomen van katholieken en de bediening van de sacramenten. Begin 17e eeuw keerde een aantal gemotiveerde priesters terug naar hun land om daar de Kerk weer gestalte te geven. Vanuit Rome werd de Republiek tot zendingsgebied verklaard: Missio Hollandica of Hollandse Zending. Voor de actieve kloosterorden jezuïeten, dominicanen, franciscanen, augustijnen en karmelieten was het een braakliggend gebied.

Na het overlijden van de aartsbisschop van Utrecht was de deken van het Domkapittel zijn waarnemer. In 1583 droeg deze zijn bevoegdheden als vicaris-generaal over aan de Delftse priester Sasbout Vosmeer (1548-1614). Gaandeweg realiseerde Vosmeer zich dat een herovering door Spanje en daarmee het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie er niet in zat. Met lede ogen moest hij ook aanzien dat de in 1540 gestichte jezuïetenorde, die niet onder zijn gezag viel, sinds 1592 ook in Holland actief was en de plaatsen van de seculiere priesters innam. In 1602 werd hij titulair bisschop van Filippi, een niet meer functionerend bisdom in Turkije. Als apostolisch vicaris viel hij via de nuntius te Keulen rechtstreeks onder het gezag van Rome. In 1603 werd hij uit de Republiek verbannen en zette hij zijn werk voort vanuit Keulen. Vosmeer had het hoofd van Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem van Oranje, op sterk water in zijn bezit en veilig gesteld in Keulen. In een vergeefse poging Balthasar Gerards heilig te laten verklaren, is hij met het hoofd naar Rome gereisd.

Ondanks het politieke beleid was er geen sprake van dwangmatige protestantisering. De katholieke activiteiten werden oogluikend toegestaan. Toepassing van de tegen hen gerichte plakkaten gebeurde slechts incidenteel. De opvolger van Vosmeer, Phillip Roveen (1574-1651) verbleef weliswaar clandestien vanaf 1626 langdurig in Utrecht. Roveen verdeelde de Utrechtse kerkprovincie vijf aartspriesterschappen. Dit aantal liep op tot zeventien in 1701 en na 1727 liep het weer terug naar negen. Hun positie was echter zwak.

In Delft werd Johannes Stalpaert van der Wiele (1579-1630) aartspriester. Hij was afkomstig uit een oud patriciërsgeslacht. Hij was erudiet en kunstzinnig en schreef veel religieuze poëzie. Zijn opvolger Suitbertus Purmerent (1587-1650) benoemde kort na 1630 Willem Huygensz tot pastoor van Berkel. Hij was hiermee ook verantwoordelijk voor Bergschenhoek, Bleiswijk en Pijnacker. Pijnacker kreeg in 1653 een eigen pastoor. Eind 17e eeuw omvatte het aartspriesterschap Delfland drie parochies in Delft en vier in Den Haag en verder de parochies van Berkel, Brielle, Delfshaven, Eikenduinen, Kethel, Nootdorp, Pijnacker, Poeldijk, Rijswijk, Schipluiden, Vlaardingen en Wateringen. In die tijd kwam er ook in Bergschenhoek een eigen pastoor die ook de zorg voor Bleiswijk kreeg.[1]

In de loop van de 17e eeuw kwam het jansenisme tot ontwikkeling. Het jansenisme kende een ascetische wereldverwerping en een pessimistische ethiek. De onfeilbaarheid van de paus en de Onbevlekt Ontvangenis van Maria werden verworpen. In 1723 kwam het in de Republiek tot een kerkscheuring. Het kapittel van Utrecht koos zelf een opvolger voor de door Rome van jansenisme beschuldigde en in 1702 afgezette aartsbisschop Petrus Codde (1648-1710). Dit is het begin van de oudkatholieke kerk in Nederland.

Ook in onze streken was er strijd tussen orthodoxe en jansenistische priesters. De nietsontziende jansenistenjager Adriaan van Wijck (1641-1719), pastoor van Kethel wist in 1683 en 1684 met een polemiek een tweespalt binnen het aartspriesterschap te ontketenen. In 1702 werd hij door Theodorus de Cock (1650-1720), de voorlopige vervanger van Codde tot aartspriester van Delfland benoemd. Hij nam hiermee de plaats in van de van jansenisme verdachte Joan Christiaan Van Erckel. Zowel de benoeming van De Cock als die van Van Wijck hebben de zaak
op scherp gezet uitmondend in het schisma van 1723.

Het waren vooral de priesters die zich hiermee bezighielden. De pastoor van Pijnacker en ook de Berkelse pastoor Van Dort sympathiseerden met de opstandige Van Erckel. De leken bleven vasthouden aan de band met Rome. Hiermee bleef de afscheiding getalsmatig beperkt. Op bestuurlijk niveau was er meer invloed. De Staten van Holland kozen partij tegen Rome. Dit bemoeilijkte het benoemen van een nieuwe apostolisch vicaris. Vanaf 1727 werd de Hollandse Zending door de Brusselse nuntius bestuurt. De aartspriesterschappen werden voortdurend groter tot er uiteindelijk één aartspriester was voor West-Friesland, Holland en Zeeland. Zijn gezag werd hierdoor steeds kleiner. De pastoors werden ‘bisschop’ in hun eigen parochie.

Hoe eigenmachtig pastoors gingen optreden blijkt uit de actie van Franciscus van de Woestijne, pastoor van Bergschenhoek. Hij liet in 1799 zijn opvolger Henricus Joannes Kosters een verklaring tekenen, dat deze hem voor de overname van het ambt gedurende acht jaar een toelage van ƒ150,- zou betalen.

Sociale positie van de katholieken

Rond 1600 waren de katholieken een sociaal achtergestelde groep zonder publiek herkenbare priesters. Voor de meer welvarende landgenoten was het katholicisme een belemmering van de carrièremogelijkheden. Vele ambten en hoge posities vereisten het lidmaatschap van de gereformeerde kerk.

In de 16e eeuw was de armenzorg gecentraliseerd onder de verantwoordelijkheid van de overheid. De particuliere en kerkelijke armenfondsen bleven echter bestaan en zorgden voor de uitvoering. De oorspronkelijk katholieke fondsen waren door de gereformeerden overgenomen. Daarmee was het voor de lagere klassen aantrekkelijk om tot de gereformeerde kerk te behoren. Overigens ontstond er in de 17e eeuw een officieuze erkenning van de katholieke armenzorg doordat zij met de ondersteuning van eigen noodlijdenden werd belast. De gereformeerde armenzorg was vrij van belasting op de eerste levensbehoeften. Voor katholieken werd dit pas in 1780 ingevoerd. In 1797 werd voor het eerst de katholieke gemeenschap in Bleiswijk weer erkend in een overeenkomst tussen de Schout en de armmeesters van Bleiswijk en Bergschenhoek. Hierin werd de verzorging van de katholieke armen geregeld.

De katholieken waren door deze ontwikkelingen vooral te vinden in een sociale middenlaag van kleine zelfstandigen, winkeliers, vrije beroepen en boeren. Vanaf begin 18e eeuw veroorzaakte een relatief hoog geboortecijfer een groei van het percentage katholieken in Holland en Utrecht.

Tot 1795 betaalden de katholieken meer belasting dan de gereformeerden. Naast het bovenstaande was er sprake van recognitiegelden waarmee bij de plaatselijke ambtenaren de benodigde tolerantie werd gekocht. Zo konden zij hun schuilkerken gebruiken en zich ervan verzekeren dat de tegen hen gerichte plakkaten niet werden uitgevoerd. Hoewel de “paapse stoutigheden” officieel waren verboden, werden ze tot groot verdriet van de gereformeerde kerk tegen betaling oogluikend toegelaten.

Zo werd er op de synode van Zuid-Holland van juli 1649 geklaagd over het feit dat: “dagelijks een groot getal van papen uit Braband en Vlaanderen herwaarts overkomt, latende van tevoren, om de luiden nieuwsgierig te maken, ’t gerucht van hun komst en grote geleerdheid uitstrooien, zo (…) onbeschaamdelijk zich indringende in de huizen van de ingezetenen dezer landen, dat ze ook zelfs zich verstouten te komen aan de ziekbedden van de gereformeerden, die buiten hun weten olieën, en tegen hun wil de bezworen [geconsacreerde] hostie in de mond te stoppen; tot onrust (…) en bijna desperatie van de patiënten.”

De veelgeprezen tolerantie van de Republiek was vooral praktisch van aard en had weinig met principes van doen. Pas tijdens de Bataafse Revolutie (1794-1799) werd vrijheid van godsdienstuitoefening een recht.

Rogier schrijft het volgende over de katholieken: “Het eeuwenlang samenwerken en -wonen met calvinisten, het gedwongen rekening houden met de bevelen, de wensen, de grollen, de kritiek van protestantse overheden, ambtgenoten en buren, had de Nederlandse katholieken reeds in de 17e eeuw het dempen van de stem en het zoeken van de beschermende schaduwen tot een tweede natuur gemaakt” en zo zou men ook “later met de kerkboeken diep in de zakken verborgen, de hoofdstraten vermijdend, naar de schuilkerkjes in de achterbuurten blijven sluipen. (…) Aldus werden de katholieken in Holland en Friesland typische binnenvetters in den gelove. Hun vroomheid was van buiten af nauwelijks zichtbaar, maar brandde, naar binnen gekeerd, in stilte als de Godslamp bij het tabernakel.”

Het katholieke leven

In eerste instantie waren de kleine katholieke schuilkerken echt geheim, maar halverwege de 17e eeuw waren de locaties bij de overheid bekend. Wel bleven ze achter gewone gevels van woon- en pakhuizen verborgen. De interieurs werden zeker in de Hollandse en Utrechtse steden gaandeweg rijker uitgevoerd. Een bekend voorbeeld is ‘Ons’ Lieve Heer op Solder’ in Amsterdam.

Het sluiten van huwelijken was in de Middeleeuwen enkel een kerkelijke aangelegenheid. Na de Reformatie was het alleen mogelijk voor de gereformeerde kerk te trouwen. Na verloop van tijd werd het in verscheidene gewesten mogelijk een ‘burgerlijk’ huwelijk te sluiten, een voor Europa unieke situatie. Eind 16e eeuw was er in Holland al de keuze tussen een huwelijk in de kerk of in het stadhuis. In 1730 verklaarden de Staten-Generaal de katholieke huwelijkssluiting nog bij plakkaat voor onwettig. Ook voor het dopen van hun kinderen moesten de katholieken in eerste instantie naar de gereformeerde dominee. Over en weer was er sprake van dooperkenning. Vanaf 1650 werden de meeste kinderen in eigen kring gedoopt.

Voor de meeste katholieken was de jaarlijks verplichte Paascommunie voorafgegaan door de Biecht de enige Communie per jaar. Meer dan vier jaarlijkse Communies was alleen voor de vromen. Door de afwezigheid van bisschoppen moesten katholieken de grens over, zoals bijvoorbeeld naar Kleef om het sacrament van het Vormsel te ontvangen. Voor de meeste Hollandse katholieken betekende dit dat ze niet gevormd werden. Ook voor priesterwijdingen moest men naar het buitenland. Hun opleiding vond plaats in Keulen en later vooral in Leuven.

Tot circa 1750 waren de kerken ook begraafplaatsen. De kerken van de gereformeerden waren publiek gebouwen met ook een sociale functie. Hier werden mensen van allerlei confessie begraven, mits in staat waren ervoor te betalen. Na verloop van tijd was het mogelijk het sterven van een katholiek te begeleiden door een priester die het heilig Oliesel toediende en de gebeden voor de stervenden bad.

In 1828 kwam er in Bleiswijk een einde aan het begraven in de Dorpskerk. De gemeente sloot een overeenkomst met de kerkmeesters waardoor het kerkhof van de Dorpskerk een algemene begraafplaats werd, dus ook voor de katholieken. Zij begroeven hun doden in Berkel en in Zoetermeer en vanaf 1830 in Bergschenhoek. Om de algemene begraafplaats te onderhouden voerde de gemeente een heffing op begrafenisrechten in. Dit betekende dat ook de katholieken deze moesten betalen. Dit was zeer tegen hun zin want het geld ging naar de protestantse gemeente, terwijl zij hun doden elders begroeven. De pastoor van Bergschenhoek ging in beroep bij de mimister van Binnenlandse Zaken en werd in 1837 in het gelijk gesteld. De gemeente wist terugbetaling met bureaucratische maatregelen zodanig te traineren dat de pastoor de zaak maar liet zitten. Zijn opvolger deed in 1840 een nieuwe poging, maar ook hij liep vast in de gemeentelijke bureaucratie. In 1866 kregen de katholieken een eigen begraafplaats bij hun nieuwgebouwde kerk.

Als onderdrukte kerk was er grote behoefte aan de inzet van leken. Dat gebeurde in de vorm van broederschappen en de inzet van ‘kloppen’ of ‘klopjes’: vrouwen die de gelofte tot maagdelijkheid hadden afgelegd en actief waren als kosters en in de pastorale zorg, de zieken- en armenzorg en het godsdienstonderwijs. Op de publieke scholen leerden ook de katholieke kinderen de Heidelbergse Catechismus. Dit vereiste extra bijscholing in eigen kring. Broederschappen bevorderden een specifieke devotie, versterkten de geloofsfactor in het dagelijks leven en droegen bij aan de opbouw van de kerk en het vergroten van de onderlinge solidariteit.

Voor de geloofsbeleving van de katholieken was het bijwonen van de Eucharistie belangrijker dan het lezen van de Bijbel. De Kerk vroeg nadrukkelijk aandacht voor de verering van het H. Hart van Jezus. In de 19e eeuw bereikte deze devotie zijn hoogtepunt. De kloosterlingen propageerden de heiligenverering. Daarnaast hadden de dominicanen veel aandacht voor het rozenkransgebed en de jezuïeten voor het veertigurengebed. De kapucijnen introduceerden het onder de kleding gedragen scapulier met afbeeldingen van Maria en Jezus. De franciscanen legden zich toe op het verkrijgen van aflaten: pesjonkelen (verbastering van het verkrijgen van de Portiunculla-aflaat). Vanuit Antwerpen werden ter ondersteuning van het mediterend bidden grote hoeveelheden bidprentjes binnengesmokkeld.

Katholieke bedevaartsplaatsen zoals Heiloo bleven in trek. Ook in de directe omgeving waren er een aantal Mariabedevaartsplaatsen: Maria van Eikenduinen in Den Haag, Maria van Jesse in Delft, Onze Lieve Vrouw van ‘s Gravenzande en Onze Lieve Vrouw van Wilsveen. Begin 16e eeuw werd er in een veenplas bij Wilsveen een Mariabeeldje gevonden. De kapel die ter verering van het beeldje werd gebouwd, werd in 1581 afgebroken. Momenteel is er op de plaats van de kapel een begraafplaats. Het beeld werd van 1645 tot 1708 beheerd door de jezuïeten in Delft. Daarna was het zoek totdat in 1965 bleek dat het sindsdien in het bezit van de Delftse familie Van Berckel was geweest. Het beeld bevindt zich nu in het Catharijneconvent in Utrecht. In 1971 werd in Nootdorp in de Batholomeuskerk de devotie nieuw leven ingeblazen. Hier bevindt zich nu een replica van het originele beeld. Door de vele belemmeringen door de overheid was het noodzakelijk naar het buitenland uit te wijken. Zo werd in 1637 werd de kapel van Heiloo afgebroken. Dit veroorzaakte een grote populariteit van Scherpenheuvel en later Kevelaer. Het ‘Mirakel van Amsterdam’, dat in 1345 had plaatsgevonden, kende in de 17e eeuw een groeiende belangstelling en is tegenwoordig vooral bekend onder de naam ‘Stille Omgang’.

Het afschaffen van de viering van de feestdagen van heiligen heeft de gereformeerden veel inspanning gekost. Nog steeds worden in Nederland de feesten van de H. Martinus en van de H. Nicolaas uitgebreid gevierd. De katholieken hadden daarnaast ook aandacht voor nieuwe heiligen zoals de Martelaren van Gorcum, die in 1572 om het leven kwamen.

De Bataafs-Franse tijd (1795-1813)

Onder invloed van de Verlichting was er een nieuwe wijze van denken ontstaan, waarin gelijkheid van alle burgers en vrijheid van godsdienst principiële aangelegenheden waren. Godsdienst werd vanaf die tijd steeds meer een privéaangelegenheid. Aan protestantse zijde groeide de verwachting dat het katholicisme zijn langste tijd had gehad. Het meer rationalistische protestantisme sloot veel beter aan bij de moderne tijd. Mogelijk konden de katholieken op termijn een plaats vinden binnen de gereformeerde kerk.

Zoals eerder vermeld is de komst van de Fransen aanleiding tot drastische veranderingen. In 1798 kreeg de Bataafse Republiek een grondwet: de Staatsregeling. Hierin werd bepaald dat geen enkele religie meer een strobreed in de weg mocht worden gelegd. Dit was het begin van de onderhandelingen over de teruggave van de grote kerken in de Generaliteitslanden aan de katholieken. In 1807 werd in Leiden na de kruitramp de als saaihal gebruikte Jacobuskapel door koning Lodewijk Napoleon aan de katholieken gegeven. Zij kozen de heilige koning Lodewijk als patroon voor hun kerk. In 1810 schonk keizer Napoleon Bonaparte tijdens een bezoek aan Den Bosch daar de Sint Jan terug aan de katholieken.

De Fransen maakten een einde aan de bevoorrechte positie van de gereformeerde kerk, maar hun staatsdirigisme leidde ook tot de sluiting van de universiteit van Leuven en daarmee zat de Republiek zonder priesteropleiding. In 1799 werd een eigen seminarie in Warmond gestart.

Het Koninkrijk der Nederlanden

Het Franse staatsdirigisme op godsdienstig terrein werd door de Oranjekoningen voortgezet. Willem I zag zichzelf als de voornaamste gezagsdrager in de kerk. Zijn ideaal was één kerk voor alle christenen onder zijn leiding. Mede hierdoor hebben de Zuidelijke Nederlanden zich in 1830 afgescheiden. Met het in 1827 gesloten concordaat met Rome was een einde aan de Hollandse Zending gekomen, maar het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie liet op zich wachten. In 1832 werd Cornelis Lodewijk baron van Wijckerslooth (1786-1851) tot bisschop van Curium (Cyprus) gewijd. Hij kreeg geen bestuurlijke rol en functioneerde slechts als rondtrekkend wijbisschop.

Voor de protestanten was de afscheiding van België ook een opluchting. De katholieken waren niet langer in de meerderheid en er ontstond een venijnig antipapisme. Als romanisten of ultramontanen waren zij niet te vertrouwen en niet loyaal aan het Koninkrijk der Nederlanden. Omgekeerd richtten de katholieken inderdaad hun hoop op de internationale kerk en ontleenden daaraan hun identiteit.

De nieuwe grondwet van 1848 bracht een striktere scheiding van kerk en staat. De katholieken kregen eindelijk het recht hun kerk zelfstandig te organiseren. Op 4 maart 1853 richtte paus Pius IX de nieuwe Nederlandse kerkprovincie op. Naast het aartsbisdom Utrecht bestond dit uit de bisdommen Haarlem, Breda, Den Bosch en Roermond. Het bisdom Haarlem omvatte het gebied van het voormalige aartspriesterschap van Holland en Zeeland. De eerste bisschop van Haarlem was Franciscus Jacobus van Vree (1807-1861). Hij werd op 15 mei 1853 gewijd.

Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie was het begin van de katholiek emancipatiebeweging. Overal verschenen katholiek kerken. De neogotiek vierde hoogtij. De katholieke pers, politiek en onderwijs werd vormgegeven en overal verenigde men zich in katholiek verband van katholieke voetbalclub tot katholieke geitenfokvereniging. Zo werd de katholiek zuil opgebouwd. Na een eeuw was dit emancipatieproces voltooiden en was de katholiek zuilvorming overbodig geworden.

Van der Loos schreef over Bleiswijk: “Op het einde der 17e eeuw en bij aanvang der 18e eeuw werden de aan veen en turf rijke landerijen in waterplassen herschapen, welke op het laatst der 18e eeuw door bedijking werden ingepolderd en drooggelegd. (…) Vruchtbare akkers deden de bewoners onder Bleiswijk in getalsterkte toenemen, waaronder niet weinigen katholiek waren. Ter voldoening hunner kerkelijke plichten moest een verre afstand, langs drassige, schier onbegaanbare wegen, vooral in het najaar, bij regen en ontij, worden afgelegd. Van een bloeiend kerkelijk leven kon in die dagen onder de katholieken geen sprake zijn. En aan afscheiding van Bergschenhoek, hoe noodig ook uit geestelijk oogpunt, viel niet te denken.”

In 1852 werd pastoor G.W. Schuyt in de nieuw opgerichte statie van Bleiswijk benoemd. De turfschuur van G. van der Goes werd als kerk ingericht. De bouw van een nieuwe kerk startte en op 31 maart 1855 werd deze gewijd door de deken van Delft, J.Th. van Brussel. Zij kreeg de naam Onze Lieve Vrouwe Visitatie. In die tijd was ongeveer een kwart van de Bleiswijkse bevolking katholiek.

Bronnen

Akker, Nico van den & Nissen, Peter, Wegen en dwarswegen: Tweeduizend jaar christendom in hoofdlijnen, Amsterdam: Boom, 1999

Eijnatten, Joris van & Lieburg, Fred van, Nederlandse Religiegeschiedenis, Hilversum: Verloren, 2005

Frijhoff, Willem & Spies, Marijke, 1650: Bevochten eenheid, Den Haag: Sdu, 1999

Huizer, M., De Dorpskerk in Bleiswijk: De geschiedenis van een monument, Bleiswijk: Historiegroep Nederlands Hervormde Kerk Bleiswijk

Knippenberg, Hans, De Religieuze Kaart van Nederland: Omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de Reformatie tot heden, Assen/Maastricht: Van Gorcum, 1992

Landheer, Hugo, Kerkbouw op krediet: De financiering van de kerkbouw in het aartspriesterschap Holland en Zeeland en de bisdommen Haarlem en Rotterdam gedurende de periode 1795-1965, Amsterdam: Aksant, 2004

Loos, J.C. van der, Bijdragen tot de geschiedenis van het bisdom Haarlem. Deel XXXIX, 1918

Oliehoek, Arie, Tussen bisschop en pastoor: 600 jaar dekenaat in Delfland, Delft: Dekenaat Delflanden, 1999

Perquin, W.J., De parochie van Bleiswijk, Bleiswijk, 1977

Rogier, L.J., Katholieke herleving: Geschiedenis van Katholiek Nederland sinds 1853, ‘s Gravenhage: Pax, 1956

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hoofdpagina

http://www.meertens.knaw.nl/bedevaart


[1] In de hier overgenomen opsomming van staties vermeldt Oliehoek Bergschenhoek niet. Perquin geeft aan dat de Bleiswijkse katholieken vanaf circa 1638 in Bergschenhoek naar de kerk gingen. Volgens Landheer werd hier in 1652 een schuilkerk ingericht.

Eenheid in verscheidenheid; Joh 17,20-26; Hnd 7,55-60

Een aantal jaren geleden was bisschop Desmond Tutu in Den Haag. Met veel enthousiasme sprak hij over de Schepping als een ‘orgie van creativiteit’ en een ‘vloed van verscheidenheid’. Een verscheidenheid die leidt tot een netwerk van onderlinge afhankelijkheid. Geen enkel deel van de Schepping heeft betekenis los van het geheel. Geen enkele mens kan zonder de andere mensen.

De mens is niet goddelijk en ook niet volmaakt. De mens is met zijn vrije wil in staat voor het goede te kiezen, maar hij kan zich ook van het goede afkeren. Dit is het geval als een mens denkt het wel alleen te kunnen, als hij denkt het zonder God en zonder medemensen te kunnen, als hij zichzelf beter acht dan andere mensen, als hij het evenwicht tussen individualiteit en gemeenschap verbreekt, als hij de verscheidenheid niet als een rijkdom ziet maar als een last. Om ons de ogen te openen en ons opnieuw een kans te geven, wordt Gods Zoon, Jezus Christus, mens zoals wij. Hij maakt zichzelf aan ons gelijk: Hij komt in de wereld. Door zelf schepsel te worden, beaamt Hij nog eens dat de Schepping goed is, want God verbindt zich niet met het kwaad. Tutu stelde dat God ons met de menswording van zijn Zoon vraagt zijn droom te realiseren: de droom van onderlinge afhankelijkheid van heel de Schepping, de droom van verbondenheid van alle mensen met elkaar. Vrede, eenheid: het is de realisatie van Gods droom: alle mensen levend in verbondenheid met elkaar, levend met respect voor de Schepping waarvan zij afhankelijk zijn en geen enkele mens die wanhoopt.

Jezus bidt zijn Vader om eenheid van allen die in Hem geloven. Deze eenheid van de christenen is een teken voor de wereld. Eenheid en vrede zijn niet alleen de realisatie van Gods droom, het is ook waar mensen van dromen. Onlangs werd prins Willem-Alexander als nieuwe koning ingehuldigd. In dit kader werd iedere Nederlander opgeroepen zijn droom voor ons land op de speciaal daarvoor ingerichte website te plaatsen. Ik ben eens wezen kijken wat dat zoal oplevert. De inzenders kiezen zelf een categorie waarin hun droom thuis hoort. De categorie die het meest populair is, is de categorie ‘samen’. Populair zijn de dromen met de thema’s verbondenheid, gemeenschap en samen. Eenheid, vrede en verbondenheid zijn de dromen, de diepste verlangens van mensen.

Desmund Tutu laat ons zien dat eenheid en verbondenheid niet vraagt dat wij allemaal aan elkaar gelijk worden. Het is juist de verscheidenheid die om eenheid en verbondenheid vraagt. We zien dat ook in de kleinste eenheid van onze samenleving: het huwelijk. Het wezen van het huwelijk is gebaseerd op het verschil tussen de partners. Man en vrouw zijn wezenlijk verschillend van elkaar en hebben juist daardoor elkaar nodig. Het zijn niet alleen de biologische verschillen. Ik moet er niet aan denken, dat mijn vrouw in alles hetzelfde zou denken als ik. Wat zouden we elkaar nog te vertellen hebben? Juist de verschillen maken het huwelijk tot iets moois. Juist de verschillen smeden de eenheid.

Maar waarom horen we in onze maatschappij dan voortdurend dat mensen zich moeten aanpassen, dat migranten net zo moeten worden als de Nederlanders die hier al generaties lang wonen? Waarom is verscheidenheid nu plotseling een probleem?

Laat ik eerlijk zijn. Het is niet eenvoudig: een multiculturele samenleving. Ik heb drieënhalf jaar in Den Haag mogen werken in een interculturele parochie, een parochie waar niet alleen Nederlands maar ook Spaans de voertaal is. Naast Nederlanders en Latijns-Amerikanen kwamen hier ook Afrikanen, Antillianen, Polen en Surinamers. Kortom een veelkleurige parochie. Samenleven met mensen met diverse culturen vraagt veel verbeeldingskracht: dat wat voor jou normaal is, hoeft het voor de ander in het geheel niet te zijn en omgekeerd. In die zin is het ook weer niet zoveel anders dan een huwelijk. Wat voor een vrouw normaal is, is voor een man soms erg raar en wat mannen normaal vinden, vinden vrouwen soms verwerpelijk. Het is goed dat man en vrouw daar rekening mee houden, maar het is niet goed als een van beiden zich geheel aanpast aan de ander. Dan gaat er een persoon verloren en is er geen eenheid en verbondenheid meer. Dan verandert de verhouding in een relatie van onderdanigheid. Wat voor het huwelijk geldt, geldt ook voor onze samenleving. We moeten niet aan elkaar gelijk worden maar rekening met elkaar houden. Dit is geen vorm van onverschilligheid, maar komt voort uit oprechte verbondenheid met elkaar. De verbondenheid maakt het mogelijk de verschillen te laten bestaan en ze vruchtbaar te maken. Door de verbondenheid groeit er eenheid in verscheidenheid.

De eerste lezing gaat over Stefanus, de eerste martelaar. Stefanus was een van de zeven mannen – de eerste diakens – die de apostelen aanstelden ter ondersteuning van de Griekstalige leerlingen. De eerste parochie van de Kerk is een multiculturele parochie. En dat leverde ook toen al problemen op. De oplossing die bedacht werd, was niet dat de Griekstaligenen zich moesten aanpassen. Nee, er werden voor hen diakens aangesteld die Grieks spraken. De eerste vorm van migrantenpastoraat was een feit.

Als Jezus bidt om eenheid, vraagt Hij zijn Vader niet de verscheidenheid van de Schepping teniet te doen. De verscheidenheid is een geschenk van God. Zij maakt deel uit van een Schepping, waarvan God zelf zegt, dat zij goed is. Als Jezus bidt om eenheid, vraagt Hij om oprechte verbondenheid met elkaar. De eenheid is het resultaat van de liefde voor elkaar. De vrucht van Gods liefde voor ons, is onze liefde voor elkaar. Jezus heeft ons de liefde voor God en voor de medemens voorgeleefd. De heilige Geest leert ons deze liefde in de praktijk te brengen: de liefde die vrede en eenheid brengt en de verscheidenheid niet teniet doet. Liefde en eenheid zijn tekens van Gods aanwezigheid in de wereld. Op weg naar Pinksteren bidden wij dat de heilige Geest ook onze Helper is, om in liefde en eenheid te leven. Amen.

Techniek

Zelf heb ik met veel plezier 25 jaar in de technische industrie gewerkt. Mijn ervaring is dat het tot stand brengen van concrete producten mensen voldoening geeft en dat het hen met trots vervuld. Later toen ik theologie studeerde heb ik dit werk leren zien als het zijn van een medewerker in Gods scheppende arbeid.

Caritas in veritate

In ‘Caritas in veritate’ schrijft paus Benedictus XVI onder de titel ‘De ontwikkeling van de volkeren en techniek’ een hoofdstuk over dit onderwerp. “De ontwikkeling van de mens komt niet tot groei als hij zich aanmatigt dat hij zijn eigen en enige schepper is. Op dezelfde wijze raakt de ontwikkeling van de volkeren uit de koers als de mensheid denkt zichzelf te kunnen herscheppen dankzij de ‘wonderen’ van de techniek. (…) Er dient onderstreept te worden dat de techniek een fenomeen is dat ten volle menselijk is en verbonden met de autonomie en de vrijheid van de mens. In de techniek komt de macht van de geest over de materie tot uitdrukking. (…) De techniek stelt ons in staat materie te beheersen, risico’s te verminderen, ons moeite te besparen, levensomstandigheden te verbeteren. De techniek is in overeenstemming met de wezenlijke roeping van de menselijke arbeid: in de techniek, als werk van zijn geest, herkent de mens zichzelf en verwezenlijkt hij zijn eigen mens-zijn. (…) De techniek heeft dus zijn plaats in de opdracht ‘de aarde te bewerken en te beheren’ (vgl. Gen, 2,15), die God de mens heeft toebedeeld. Zijn doel is de band tussen mens en milieu te versterken, die de spiegel van Gods scheppende liefde moet zijn.”

Gebruik van techniek

Paus Benedictus wijst erop dat bij het gebruik van techniek we ons niet mogen beperken tot de vraag naar het ‘hoe’, maar ook altijd de vraag naar het ‘waarom’ gesteld moet worden. De mens is geen slaaf van de techniek. “De techniek oefent een grote aantrekkingskracht uit op de mens, want ze bevrijdt hem van fysieke beperkingen en verbreedt zijn horizon. Maar de menselijke vrijheid is alleen zichzelf als ze op de betovering door de techniek reageert met beslissingen die het resultaat zijn van morele verantwoordelijkheid. Vandaar de dringende noodzaak om zich te vormen op het vlak van moreel verantwoord omgaan met techniek.”

Conclusie

Het uitgangspunt kan nooit zijn dat alles wat kan, ook moet. Het gebruik van techniek mag nooit in strijd zijn met de menselijke waardigheid. Het moet bijdragen aan de ontwikkeling van de mensheid: alle mensen en de gehele mens. Dat betekent dat het niet alleen gaat om materiële ontwikkeling, maar ook om geestelijke. Het gaat niet alleen om de individuele mens maar ook altijd om mensen in relatie met elkaar en in relatie met hun Schepper. De techniek is ons als een gave gegeven, voor het gebruik ervan dragen wij zelf de verantwoordelijkheid.

Paus Franciscus: een nieuwe manier van doen

Een paus die zijn eerste optreden begint met de mensen goedenavond te wensen: buonasera. Voordat hij de zegen geeft, vraagt hij eerst de zegen van de talloze mensen die naar het plein van de Sint Pieter zijn gekomen. Een paus die op Witte Donderdag naar de gevangenis gaat om daar de voeten te wassen van de gevangenen, onder wie vrouwen en moslims.

Op 13 maart 2013 wordt de Argentijn Jorge Mario Bergoglio verkozen tot bisschop van Rome. Ook weer zoiets: hij noemt zichzelf niet paus maar systematisch heeft hij het over de bisschop van Rome. Hij is de eerste niet-Europese paus sinds de Syrische paus Gregorius III (731-741) en de eerste van het zuidelijk halfrond. Ook is hij de eerste jezuïet die paus is geworden.

Bergoglio neemt de naam Franciscus aan. Hierin is hij de eerste. Het is een eerbetoon aan Franciscus van Assisi. Tijdens zijn verkiezing zit kardinaal Hummes naast hem. Bij het bereiken van de tweederde meerderheid feliciteert deze hem en zegt: “Vergeet de armen niet.” Op 16 maart vertelt de paus hoe dat woord recht bij hem naar binnen gaat: “De armen, de armen. Onmiddellijk bij de gedachte aan de armen dacht ik aan Franciscus van Assisi. Ik dacht aan de oorlogen – terwijl het tellen van de stemmen verder ging; tot het einde toe – en aan Franciscus, de man van vrede. Zo kwam die naam in mijn hart: Franciscus van Assisi. Voor mij de man van armoede, de man van vrede, de man die de schepping liefheeft en beschermt. – In deze tijd waarin de relatie met de schepping niet zo goed is, toch? – En de man die ons de geest van vrede geeft, de arme man. Zo wil ik houden van een Kerk die arm is en die er voor de armen is.

Andere opmerkelijke zaken zijn dat deze paus geen gouden borstkruis draagt en niet in het pauselijk paleis woont. ’s Avonds na zijn verkiezing laat hij de voorgereden limousine voor gezien. Samen met de kardinalen stapt hij in de bus om met hen terug te keren naar het Domus Sanctae Marthae, het gastenverblijf van het Vaticaan. Hier woont hij nu en hier eet hij in de gemeenschappelijke eetzaal. Deze paus kiest consequent voor soberheid. Ook daarin volgt hij Franciscus van Assisi na.

Op 14 april wijst de paus ons erop dat onze woorden moeten overeenstemmen met onze daden: “Als priesters en gelovigen niet consistent zijn in wat ze zeggen en wat ze doen, tussen hun woorden en hun daden, dan ondermijnt dat de geloofwaardigheid van de Kerk. Men moet in onze acties zien wat men uit onze monden hoort.” Dat zal hij ook op zichzelf betrekken. Zijn opvallende gedrag is dus niet alleen uiterlijk vertoon, maar welgemeend voortkomend uit zijn hoofd en zijn hart.

Op 7 april, Beloken Pasen, moedigt paus Franciscus ons aan “niet bang zijn om christen te zijn en als christenen te leven” en om “moediger te getuigen van het geloof in de verrezen Christus.” Daarvoor heeft hij op 27 maart tijdens de Chrismamis de priesters opgeroepen erop uit te trekken om onze zalving in de praktijk te brengen, haar macht en haar verlossende werkzaamheid: in de ‘randgebieden’, waar lijden heerst en bloedvergieten; blindheid, die verlangt naar het licht; we moeten daarheen gaan waar zovele slechte heersers mensen gevangen houden.”

Gaat deze paus de wereld op zijn kop zetten? Het zou kunnen… maar dan op een heel andere manier dan degenen die zijn voorganger Benedictus XVI bekritiseerden, graag wensen. Ook deze paus is rooms-katholiek. Hij staat in de traditie van het Evangelie en van de Kerk. Hij is een volgeling van Jezus Christus en zal op dezelfde wijze als Hij deed, een tegengeluid laten horen.

De Morgenster, mei 2013