Skip to content

De rooms-katholieke Kerk in Bleiswijk ondergronds: Van het afscheid van Johannes de Doper tot de komst van Onze Lieve Vrouwe Visitatie

17 mei 2013

In 1577 startte ds. J. Janse als de eerste gereformeerde predikant van Bleiswijk. Hiermee kreeg de Reformatie hier definitief gestalte en begon voor de katholieken een nieuw tijdperk. In 1573 was de rooms-katholieke eredienst geschorst. In 1574 had pastoor Jacob Jansz. Borger de kerk, die gewijd was aan Johannes de Doper, aan de gereformeerden moeten afstaan. Na hem volgden nog de pastoors Johannes van Zuchtelen (1572-1573) en Johan van Eegten (1573-1574). Beiden woonden niet in de pastorie.

Een volgend kantelpunt in de geschiedenis van katholiek Bleiswijk is 1852. Nadat op 14 september 1851 de nieuw op te richten rooms-katholieke gemeente bij Koninklijk Besluit burgerlijke erkenning kreeg, werd begin 1852 pastoor G.W. Schuyt in de nieuwe statie benoemd. De nieuwe kerk krijgt de naam Onze Lieve Vrouwe Visitatie.

Gedurende de hier beschreven periode bezochten de Bleiswijkse katholieken eerst de schuilkerk in Berkel en later die in Bergschenhoek. Omdat uit deze periode weinig lokale geschiedenis bekend is, wordt hier de situatie van het katholicisme in algemenere termen beschreven.

Hervormingen van de 16e eeuw

Mede als reactie op de Reformatie werd het Concilie van Trente (1545-1563) bijeengeroepen. Het katholieke geloof werd opnieuw en zuiverder verwoord, de verschillen met de standpunten van de reformatoren werden duidelijk gemaakt en er werd tot verschillende hervormingen van de Kerk besloten. Het Concilie gaf hiermee gestalte aan de al enkele eeuwen nagestreefde hervormingen.

Voor Nederland kwam er een nieuwe indeling in bisdommen tot stand. Tot 1559 behoorde vrijwel geheel Noord-Nederland tot het bisdom Utrecht. Nu werden er mede op initiatief van koning Filips II een aantal nieuwe bisdommen opgericht. Bleiswijk bleef deel uitmaken van het bisdom Utrecht. Utrecht werd een aartsbisdom. Samen met de bisdommen Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer en Middelburg vormt het de Utrechtse kerkprovincie.

Na de dood van George van Egmont in 1559 werd Frederik Schenck van Toutenburg (1502-1580) door Filips II tot de eerste aartsbisschop van Utrecht benoemd. In 1561 werd deze benoeming door paus Pius IV bekrachtigd. Na 1580 werd er geen opvolger aangesteld. Hiervoor was de benoeming door de afgezworen Spaanse landsheer nodig. Filips II benoemde wel Herman van Rennenberg tot de tweede aartsbisschop van Utrecht, maar deze benoeming werd niet door Rome bekrachtigd. Als  noodoplossing benoemde Rome een tot bisschop gewijde apostolisch vicaris. Vanaf 1560 begon het verzet tegen de centralistische machtspolitiek van Filips II structurele vormen aan te nemen. In 1568 was het begin van de Tachtigjarige Oorlog.

In Noord-Nederland was men minder streng gelovig dan in de zuidelijke Nederlanden. De Reformatie had daardoor hier in eerste instantie slechts een beperkte invloed. Eind 16e eeuw wilde de grote meerderheid gewoon het parochiële leven van hun voorouders voortzetten en er was hoogstens onderscheid tussen ‘protestantiserende’ en ‘traditionele’ katholieken, waarbij de eersten open stonden voor hervormingen en de laatsten tevreden waren met de bestaande situatie.

J.C. van der Loos schreef in 1918: “De Hervorming bracht te Bleiswijk op het gebied van het kerkelijke leven eene schromelijke ontaarding. Zoo verscheen den 14en Maart 1582 op de synode te Haarlem J.J. van Bolsweert, predikant te Bleiswijk, bijgenaamd Joannes Caecus, »synde gedeporteert ende geëxcommuniceert«, verklarende met zijne zware zonden de christelijke gemeente zeer geërgerd te hebben. Den 24en Augustus 1587 was de predikant Hugo Dicxz. te Bleiswijk »om leere ende wandels wille« van zijn dienst ontslagen. En wat heeft Episcopius, de leerling van Arminius, gedurende de enkele jaren van zijn verblijf te Bleiswijk, door zijne van de gereformeerde leer afwijkende meeningen, een tweespalt in de kerkelijke gemeente te weeggebracht! Na hem stond te Bleiswijk als predikant Henricus Slatius, die »van der jeucht aen is geweest van een seer schandelick leven ende daerenboven, als blyckt uyt syne schriften ende propoosten, die hy gegeven heeft, het gevoelen van de Socinianen genoechsaem [was] toegedaen«.

De Gouden Eeuw: vrijheid van geweten

De Republiek was een uitzondering in Europa: de enige staat die pluriformiteit van godsdienst kende. De Republiek was naar buiten toe een protestantse mogendheid. De stedelijke en provinciale overheden wisten echter maar al te goed dat niet al hun inwoners gereformeerd waren. Ondanks de bevoorrechte positie van de gereformeerden was er hier geen sprake van eenheid van kerk en staat en was er vrijheid van geweten voor iedere individu. Er was een uitzonderlijke veelvormigheid op kerkelijk gebied. Dit ging samen met de gelaagde en gedifferentieerde vorm van bestuur in de Republiek met veel macht bij de afzonderlijke steden en gewesten. Zelfs per dorp waren er grote verschillen in de mate van verbondenheid tussen kerk en overheid.

Na de Reformatie duurde het lang voordat mensen een definitieve keuze maakten voor een specifieke geloofsrichting. Midden 17e was er sprake van een consolidatie op dit gebied. Dit betekende dat in de noordelijke gewesten Friesland, Groningen en Drenthe en ook in Zeeland rond 10% van de bewoners katholiek was; in Zuid-Holland was dit rond de 30% en in Overijssel, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland 45-55%. Binnen deze gebieden waren er grote lokale verschillen. Zo is nog altijd de bestandslijn van het Twaalfjarig Bestand zichtbaar. Een mooi voorbeeld is ook de situatie rond Leiden. De dorpen die tijdens het ontzet van Leiden 1574 een Spaanse vlag voerden zijn nu nog steeds de overwegend katholieke dorpen.

De Hollandse steden werden eerder protestants dan de dorpen. In de steden vestigden zich de immigranten uit de Zuidelijke Nederlanden. De Hollandse adel die meestal in de dorpen aan de macht waren, hielden niet van religiedwang en bleven vaak katholiek en zo ook de onderdanen van de ambachtsheer.

Hollandse Zending

Rond 1600 kende de Republiek niet alleen geen bisschoppen; ook nog maar 70 van de 1.300 parochies beschikte over een pastoor. De diverse plakkaten uit 1581, 1622, 1641 en 1649 verboden de viering van de heilige Mis, het samenkomen van katholieken en de bediening van de sacramenten. Begin 17e eeuw keerde een aantal gemotiveerde priesters terug naar hun land om daar de Kerk weer gestalte te geven. Vanuit Rome werd de Republiek tot zendingsgebied verklaard: Missio Hollandica of Hollandse Zending. Voor de actieve kloosterorden jezuïeten, dominicanen, franciscanen, augustijnen en karmelieten was het een braakliggend gebied.

Na het overlijden van de aartsbisschop van Utrecht was de deken van het Domkapittel zijn waarnemer. In 1583 droeg deze zijn bevoegdheden als vicaris-generaal over aan de Delftse priester Sasbout Vosmeer (1548-1614). Gaandeweg realiseerde Vosmeer zich dat een herovering door Spanje en daarmee het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie er niet in zat. Met lede ogen moest hij ook aanzien dat de in 1540 gestichte jezuïetenorde, die niet onder zijn gezag viel, sinds 1592 ook in Holland actief was en de plaatsen van de seculiere priesters innam. In 1602 werd hij titulair bisschop van Filippi, een niet meer functionerend bisdom in Turkije. Als apostolisch vicaris viel hij via de nuntius te Keulen rechtstreeks onder het gezag van Rome. In 1603 werd hij uit de Republiek verbannen en zette hij zijn werk voort vanuit Keulen. Vosmeer had het hoofd van Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem van Oranje, op sterk water in zijn bezit en veilig gesteld in Keulen. In een vergeefse poging Balthasar Gerards heilig te laten verklaren, is hij met het hoofd naar Rome gereisd.

Ondanks het politieke beleid was er geen sprake van dwangmatige protestantisering. De katholieke activiteiten werden oogluikend toegestaan. Toepassing van de tegen hen gerichte plakkaten gebeurde slechts incidenteel. De opvolger van Vosmeer, Phillip Roveen (1574-1651) verbleef weliswaar clandestien vanaf 1626 langdurig in Utrecht. Roveen verdeelde de Utrechtse kerkprovincie vijf aartspriesterschappen. Dit aantal liep op tot zeventien in 1701 en na 1727 liep het weer terug naar negen. Hun positie was echter zwak.

In Delft werd Johannes Stalpaert van der Wiele (1579-1630) aartspriester. Hij was afkomstig uit een oud patriciërsgeslacht. Hij was erudiet en kunstzinnig en schreef veel religieuze poëzie. Zijn opvolger Suitbertus Purmerent (1587-1650) benoemde kort na 1630 Willem Huygensz tot pastoor van Berkel. Hij was hiermee ook verantwoordelijk voor Bergschenhoek, Bleiswijk en Pijnacker. Pijnacker kreeg in 1653 een eigen pastoor. Eind 17e eeuw omvatte het aartspriesterschap Delfland drie parochies in Delft en vier in Den Haag en verder de parochies van Berkel, Brielle, Delfshaven, Eikenduinen, Kethel, Nootdorp, Pijnacker, Poeldijk, Rijswijk, Schipluiden, Vlaardingen en Wateringen. In die tijd kwam er ook in Bergschenhoek een eigen pastoor die ook de zorg voor Bleiswijk kreeg.[1]

In de loop van de 17e eeuw kwam het jansenisme tot ontwikkeling. Het jansenisme kende een ascetische wereldverwerping en een pessimistische ethiek. De onfeilbaarheid van de paus en de Onbevlekt Ontvangenis van Maria werden verworpen. In 1723 kwam het in de Republiek tot een kerkscheuring. Het kapittel van Utrecht koos zelf een opvolger voor de door Rome van jansenisme beschuldigde en in 1702 afgezette aartsbisschop Petrus Codde (1648-1710). Dit is het begin van de oudkatholieke kerk in Nederland.

Ook in onze streken was er strijd tussen orthodoxe en jansenistische priesters. De nietsontziende jansenistenjager Adriaan van Wijck (1641-1719), pastoor van Kethel wist in 1683 en 1684 met een polemiek een tweespalt binnen het aartspriesterschap te ontketenen. In 1702 werd hij door Theodorus de Cock (1650-1720), de voorlopige vervanger van Codde tot aartspriester van Delfland benoemd. Hij nam hiermee de plaats in van de van jansenisme verdachte Joan Christiaan Van Erckel. Zowel de benoeming van De Cock als die van Van Wijck hebben de zaak
op scherp gezet uitmondend in het schisma van 1723.

Het waren vooral de priesters die zich hiermee bezighielden. De pastoor van Pijnacker en ook de Berkelse pastoor Van Dort sympathiseerden met de opstandige Van Erckel. De leken bleven vasthouden aan de band met Rome. Hiermee bleef de afscheiding getalsmatig beperkt. Op bestuurlijk niveau was er meer invloed. De Staten van Holland kozen partij tegen Rome. Dit bemoeilijkte het benoemen van een nieuwe apostolisch vicaris. Vanaf 1727 werd de Hollandse Zending door de Brusselse nuntius bestuurt. De aartspriesterschappen werden voortdurend groter tot er uiteindelijk één aartspriester was voor West-Friesland, Holland en Zeeland. Zijn gezag werd hierdoor steeds kleiner. De pastoors werden ‘bisschop’ in hun eigen parochie.

Hoe eigenmachtig pastoors gingen optreden blijkt uit de actie van Franciscus van de Woestijne, pastoor van Bergschenhoek. Hij liet in 1799 zijn opvolger Henricus Joannes Kosters een verklaring tekenen, dat deze hem voor de overname van het ambt gedurende acht jaar een toelage van ƒ150,- zou betalen.

Sociale positie van de katholieken

Rond 1600 waren de katholieken een sociaal achtergestelde groep zonder publiek herkenbare priesters. Voor de meer welvarende landgenoten was het katholicisme een belemmering van de carrièremogelijkheden. Vele ambten en hoge posities vereisten het lidmaatschap van de gereformeerde kerk.

In de 16e eeuw was de armenzorg gecentraliseerd onder de verantwoordelijkheid van de overheid. De particuliere en kerkelijke armenfondsen bleven echter bestaan en zorgden voor de uitvoering. De oorspronkelijk katholieke fondsen waren door de gereformeerden overgenomen. Daarmee was het voor de lagere klassen aantrekkelijk om tot de gereformeerde kerk te behoren. Overigens ontstond er in de 17e eeuw een officieuze erkenning van de katholieke armenzorg doordat zij met de ondersteuning van eigen noodlijdenden werd belast. De gereformeerde armenzorg was vrij van belasting op de eerste levensbehoeften. Voor katholieken werd dit pas in 1780 ingevoerd. In 1797 werd voor het eerst de katholieke gemeenschap in Bleiswijk weer erkend in een overeenkomst tussen de Schout en de armmeesters van Bleiswijk en Bergschenhoek. Hierin werd de verzorging van de katholieke armen geregeld.

De katholieken waren door deze ontwikkelingen vooral te vinden in een sociale middenlaag van kleine zelfstandigen, winkeliers, vrije beroepen en boeren. Vanaf begin 18e eeuw veroorzaakte een relatief hoog geboortecijfer een groei van het percentage katholieken in Holland en Utrecht.

Tot 1795 betaalden de katholieken meer belasting dan de gereformeerden. Naast het bovenstaande was er sprake van recognitiegelden waarmee bij de plaatselijke ambtenaren de benodigde tolerantie werd gekocht. Zo konden zij hun schuilkerken gebruiken en zich ervan verzekeren dat de tegen hen gerichte plakkaten niet werden uitgevoerd. Hoewel de “paapse stoutigheden” officieel waren verboden, werden ze tot groot verdriet van de gereformeerde kerk tegen betaling oogluikend toegelaten.

Zo werd er op de synode van Zuid-Holland van juli 1649 geklaagd over het feit dat: “dagelijks een groot getal van papen uit Braband en Vlaanderen herwaarts overkomt, latende van tevoren, om de luiden nieuwsgierig te maken, ’t gerucht van hun komst en grote geleerdheid uitstrooien, zo (…) onbeschaamdelijk zich indringende in de huizen van de ingezetenen dezer landen, dat ze ook zelfs zich verstouten te komen aan de ziekbedden van de gereformeerden, die buiten hun weten olieën, en tegen hun wil de bezworen [geconsacreerde] hostie in de mond te stoppen; tot onrust (…) en bijna desperatie van de patiënten.”

De veelgeprezen tolerantie van de Republiek was vooral praktisch van aard en had weinig met principes van doen. Pas tijdens de Bataafse Revolutie (1794-1799) werd vrijheid van godsdienstuitoefening een recht.

Rogier schrijft het volgende over de katholieken: “Het eeuwenlang samenwerken en -wonen met calvinisten, het gedwongen rekening houden met de bevelen, de wensen, de grollen, de kritiek van protestantse overheden, ambtgenoten en buren, had de Nederlandse katholieken reeds in de 17e eeuw het dempen van de stem en het zoeken van de beschermende schaduwen tot een tweede natuur gemaakt” en zo zou men ook “later met de kerkboeken diep in de zakken verborgen, de hoofdstraten vermijdend, naar de schuilkerkjes in de achterbuurten blijven sluipen. (…) Aldus werden de katholieken in Holland en Friesland typische binnenvetters in den gelove. Hun vroomheid was van buiten af nauwelijks zichtbaar, maar brandde, naar binnen gekeerd, in stilte als de Godslamp bij het tabernakel.”

Het katholieke leven

In eerste instantie waren de kleine katholieke schuilkerken echt geheim, maar halverwege de 17e eeuw waren de locaties bij de overheid bekend. Wel bleven ze achter gewone gevels van woon- en pakhuizen verborgen. De interieurs werden zeker in de Hollandse en Utrechtse steden gaandeweg rijker uitgevoerd. Een bekend voorbeeld is ‘Ons’ Lieve Heer op Solder’ in Amsterdam.

Het sluiten van huwelijken was in de Middeleeuwen enkel een kerkelijke aangelegenheid. Na de Reformatie was het alleen mogelijk voor de gereformeerde kerk te trouwen. Na verloop van tijd werd het in verscheidene gewesten mogelijk een ‘burgerlijk’ huwelijk te sluiten, een voor Europa unieke situatie. Eind 16e eeuw was er in Holland al de keuze tussen een huwelijk in de kerk of in het stadhuis. In 1730 verklaarden de Staten-Generaal de katholieke huwelijkssluiting nog bij plakkaat voor onwettig. Ook voor het dopen van hun kinderen moesten de katholieken in eerste instantie naar de gereformeerde dominee. Over en weer was er sprake van dooperkenning. Vanaf 1650 werden de meeste kinderen in eigen kring gedoopt.

Voor de meeste katholieken was de jaarlijks verplichte Paascommunie voorafgegaan door de Biecht de enige Communie per jaar. Meer dan vier jaarlijkse Communies was alleen voor de vromen. Door de afwezigheid van bisschoppen moesten katholieken de grens over, zoals bijvoorbeeld naar Kleef om het sacrament van het Vormsel te ontvangen. Voor de meeste Hollandse katholieken betekende dit dat ze niet gevormd werden. Ook voor priesterwijdingen moest men naar het buitenland. Hun opleiding vond plaats in Keulen en later vooral in Leuven.

Tot circa 1750 waren de kerken ook begraafplaatsen. De kerken van de gereformeerden waren publiek gebouwen met ook een sociale functie. Hier werden mensen van allerlei confessie begraven, mits in staat waren ervoor te betalen. Na verloop van tijd was het mogelijk het sterven van een katholiek te begeleiden door een priester die het heilig Oliesel toediende en de gebeden voor de stervenden bad.

In 1828 kwam er in Bleiswijk een einde aan het begraven in de Dorpskerk. De gemeente sloot een overeenkomst met de kerkmeesters waardoor het kerkhof van de Dorpskerk een algemene begraafplaats werd, dus ook voor de katholieken. Zij begroeven hun doden in Berkel en in Zoetermeer en vanaf 1830 in Bergschenhoek. Om de algemene begraafplaats te onderhouden voerde de gemeente een heffing op begrafenisrechten in. Dit betekende dat ook de katholieken deze moesten betalen. Dit was zeer tegen hun zin want het geld ging naar de protestantse gemeente, terwijl zij hun doden elders begroeven. De pastoor van Bergschenhoek ging in beroep bij de mimister van Binnenlandse Zaken en werd in 1837 in het gelijk gesteld. De gemeente wist terugbetaling met bureaucratische maatregelen zodanig te traineren dat de pastoor de zaak maar liet zitten. Zijn opvolger deed in 1840 een nieuwe poging, maar ook hij liep vast in de gemeentelijke bureaucratie. In 1866 kregen de katholieken een eigen begraafplaats bij hun nieuwgebouwde kerk.

Als onderdrukte kerk was er grote behoefte aan de inzet van leken. Dat gebeurde in de vorm van broederschappen en de inzet van ‘kloppen’ of ‘klopjes’: vrouwen die de gelofte tot maagdelijkheid hadden afgelegd en actief waren als kosters en in de pastorale zorg, de zieken- en armenzorg en het godsdienstonderwijs. Op de publieke scholen leerden ook de katholieke kinderen de Heidelbergse Catechismus. Dit vereiste extra bijscholing in eigen kring. Broederschappen bevorderden een specifieke devotie, versterkten de geloofsfactor in het dagelijks leven en droegen bij aan de opbouw van de kerk en het vergroten van de onderlinge solidariteit.

Voor de geloofsbeleving van de katholieken was het bijwonen van de Eucharistie belangrijker dan het lezen van de Bijbel. De Kerk vroeg nadrukkelijk aandacht voor de verering van het H. Hart van Jezus. In de 19e eeuw bereikte deze devotie zijn hoogtepunt. De kloosterlingen propageerden de heiligenverering. Daarnaast hadden de dominicanen veel aandacht voor het rozenkransgebed en de jezuïeten voor het veertigurengebed. De kapucijnen introduceerden het onder de kleding gedragen scapulier met afbeeldingen van Maria en Jezus. De franciscanen legden zich toe op het verkrijgen van aflaten: pesjonkelen (verbastering van het verkrijgen van de Portiunculla-aflaat). Vanuit Antwerpen werden ter ondersteuning van het mediterend bidden grote hoeveelheden bidprentjes binnengesmokkeld.

Katholieke bedevaartsplaatsen zoals Heiloo bleven in trek. Ook in de directe omgeving waren er een aantal Mariabedevaartsplaatsen: Maria van Eikenduinen in Den Haag, Maria van Jesse in Delft, Onze Lieve Vrouw van ‘s Gravenzande en Onze Lieve Vrouw van Wilsveen. Begin 16e eeuw werd er in een veenplas bij Wilsveen een Mariabeeldje gevonden. De kapel die ter verering van het beeldje werd gebouwd, werd in 1581 afgebroken. Momenteel is er op de plaats van de kapel een begraafplaats. Het beeld werd van 1645 tot 1708 beheerd door de jezuïeten in Delft. Daarna was het zoek totdat in 1965 bleek dat het sindsdien in het bezit van de Delftse familie Van Berckel was geweest. Het beeld bevindt zich nu in het Catharijneconvent in Utrecht. In 1971 werd in Nootdorp in de Batholomeuskerk de devotie nieuw leven ingeblazen. Hier bevindt zich nu een replica van het originele beeld. Door de vele belemmeringen door de overheid was het noodzakelijk naar het buitenland uit te wijken. Zo werd in 1637 werd de kapel van Heiloo afgebroken. Dit veroorzaakte een grote populariteit van Scherpenheuvel en later Kevelaer. Het ‘Mirakel van Amsterdam’, dat in 1345 had plaatsgevonden, kende in de 17e eeuw een groeiende belangstelling en is tegenwoordig vooral bekend onder de naam ‘Stille Omgang’.

Het afschaffen van de viering van de feestdagen van heiligen heeft de gereformeerden veel inspanning gekost. Nog steeds worden in Nederland de feesten van de H. Martinus en van de H. Nicolaas uitgebreid gevierd. De katholieken hadden daarnaast ook aandacht voor nieuwe heiligen zoals de Martelaren van Gorcum, die in 1572 om het leven kwamen.

De Bataafs-Franse tijd (1795-1813)

Onder invloed van de Verlichting was er een nieuwe wijze van denken ontstaan, waarin gelijkheid van alle burgers en vrijheid van godsdienst principiële aangelegenheden waren. Godsdienst werd vanaf die tijd steeds meer een privéaangelegenheid. Aan protestantse zijde groeide de verwachting dat het katholicisme zijn langste tijd had gehad. Het meer rationalistische protestantisme sloot veel beter aan bij de moderne tijd. Mogelijk konden de katholieken op termijn een plaats vinden binnen de gereformeerde kerk.

Zoals eerder vermeld is de komst van de Fransen aanleiding tot drastische veranderingen. In 1798 kreeg de Bataafse Republiek een grondwet: de Staatsregeling. Hierin werd bepaald dat geen enkele religie meer een strobreed in de weg mocht worden gelegd. Dit was het begin van de onderhandelingen over de teruggave van de grote kerken in de Generaliteitslanden aan de katholieken. In 1807 werd in Leiden na de kruitramp de als saaihal gebruikte Jacobuskapel door koning Lodewijk Napoleon aan de katholieken gegeven. Zij kozen de heilige koning Lodewijk als patroon voor hun kerk. In 1810 schonk keizer Napoleon Bonaparte tijdens een bezoek aan Den Bosch daar de Sint Jan terug aan de katholieken.

De Fransen maakten een einde aan de bevoorrechte positie van de gereformeerde kerk, maar hun staatsdirigisme leidde ook tot de sluiting van de universiteit van Leuven en daarmee zat de Republiek zonder priesteropleiding. In 1799 werd een eigen seminarie in Warmond gestart.

Het Koninkrijk der Nederlanden

Het Franse staatsdirigisme op godsdienstig terrein werd door de Oranjekoningen voortgezet. Willem I zag zichzelf als de voornaamste gezagsdrager in de kerk. Zijn ideaal was één kerk voor alle christenen onder zijn leiding. Mede hierdoor hebben de Zuidelijke Nederlanden zich in 1830 afgescheiden. Met het in 1827 gesloten concordaat met Rome was een einde aan de Hollandse Zending gekomen, maar het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie liet op zich wachten. In 1832 werd Cornelis Lodewijk baron van Wijckerslooth (1786-1851) tot bisschop van Curium (Cyprus) gewijd. Hij kreeg geen bestuurlijke rol en functioneerde slechts als rondtrekkend wijbisschop.

Voor de protestanten was de afscheiding van België ook een opluchting. De katholieken waren niet langer in de meerderheid en er ontstond een venijnig antipapisme. Als romanisten of ultramontanen waren zij niet te vertrouwen en niet loyaal aan het Koninkrijk der Nederlanden. Omgekeerd richtten de katholieken inderdaad hun hoop op de internationale kerk en ontleenden daaraan hun identiteit.

De nieuwe grondwet van 1848 bracht een striktere scheiding van kerk en staat. De katholieken kregen eindelijk het recht hun kerk zelfstandig te organiseren. Op 4 maart 1853 richtte paus Pius IX de nieuwe Nederlandse kerkprovincie op. Naast het aartsbisdom Utrecht bestond dit uit de bisdommen Haarlem, Breda, Den Bosch en Roermond. Het bisdom Haarlem omvatte het gebied van het voormalige aartspriesterschap van Holland en Zeeland. De eerste bisschop van Haarlem was Franciscus Jacobus van Vree (1807-1861). Hij werd op 15 mei 1853 gewijd.

Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie was het begin van de katholiek emancipatiebeweging. Overal verschenen katholiek kerken. De neogotiek vierde hoogtij. De katholieke pers, politiek en onderwijs werd vormgegeven en overal verenigde men zich in katholiek verband van katholieke voetbalclub tot katholieke geitenfokvereniging. Zo werd de katholiek zuil opgebouwd. Na een eeuw was dit emancipatieproces voltooiden en was de katholiek zuilvorming overbodig geworden.

Van der Loos schreef over Bleiswijk: “Op het einde der 17e eeuw en bij aanvang der 18e eeuw werden de aan veen en turf rijke landerijen in waterplassen herschapen, welke op het laatst der 18e eeuw door bedijking werden ingepolderd en drooggelegd. (…) Vruchtbare akkers deden de bewoners onder Bleiswijk in getalsterkte toenemen, waaronder niet weinigen katholiek waren. Ter voldoening hunner kerkelijke plichten moest een verre afstand, langs drassige, schier onbegaanbare wegen, vooral in het najaar, bij regen en ontij, worden afgelegd. Van een bloeiend kerkelijk leven kon in die dagen onder de katholieken geen sprake zijn. En aan afscheiding van Bergschenhoek, hoe noodig ook uit geestelijk oogpunt, viel niet te denken.”

In 1852 werd pastoor G.W. Schuyt in de nieuw opgerichte statie van Bleiswijk benoemd. De turfschuur van G. van der Goes werd als kerk ingericht. De bouw van een nieuwe kerk startte en op 31 maart 1855 werd deze gewijd door de deken van Delft, J.Th. van Brussel. Zij kreeg de naam Onze Lieve Vrouwe Visitatie. In die tijd was ongeveer een kwart van de Bleiswijkse bevolking katholiek.

Bronnen

Akker, Nico van den & Nissen, Peter, Wegen en dwarswegen: Tweeduizend jaar christendom in hoofdlijnen, Amsterdam: Boom, 1999

Eijnatten, Joris van & Lieburg, Fred van, Nederlandse Religiegeschiedenis, Hilversum: Verloren, 2005

Frijhoff, Willem & Spies, Marijke, 1650: Bevochten eenheid, Den Haag: Sdu, 1999

Huizer, M., De Dorpskerk in Bleiswijk: De geschiedenis van een monument, Bleiswijk: Historiegroep Nederlands Hervormde Kerk Bleiswijk

Knippenberg, Hans, De Religieuze Kaart van Nederland: Omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de Reformatie tot heden, Assen/Maastricht: Van Gorcum, 1992

Landheer, Hugo, Kerkbouw op krediet: De financiering van de kerkbouw in het aartspriesterschap Holland en Zeeland en de bisdommen Haarlem en Rotterdam gedurende de periode 1795-1965, Amsterdam: Aksant, 2004

Loos, J.C. van der, Bijdragen tot de geschiedenis van het bisdom Haarlem. Deel XXXIX, 1918

Oliehoek, Arie, Tussen bisschop en pastoor: 600 jaar dekenaat in Delfland, Delft: Dekenaat Delflanden, 1999

Perquin, W.J., De parochie van Bleiswijk, Bleiswijk, 1977

Rogier, L.J., Katholieke herleving: Geschiedenis van Katholiek Nederland sinds 1853, ‘s Gravenhage: Pax, 1956

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hoofdpagina

http://www.meertens.knaw.nl/bedevaart


[1] In de hier overgenomen opsomming van staties vermeldt Oliehoek Bergschenhoek niet. Perquin geeft aan dat de Bleiswijkse katholieken vanaf circa 1638 in Bergschenhoek naar de kerk gingen. Volgens Landheer werd hier in 1652 een schuilkerk ingericht.

Advertenties

From → Algemeen

One Comment
  1. Gert Hijkoop permalink

    Boeiend.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s