Auteur: Antoine Bodar (red.)
Titel: Kerstverhalen
gekozen door Antoine Bodar
Uitgever: Meinema 2013; prijs: € 18,90
ISBN: 978 90 211 4353 8
Aantal pagina’s: 164
Antoine Bodar heeft zestien Kerstverhalen uit de Duitse, Russische en Nederlandstalige literatuur uitgekozen. Het betreft geen sentimentele romantiek, maar verhalen die schuren. De schrijvers behandelen verschillende thema’s variërend van het feest van de Menswording van Christus tot het menselijke getob en de eenzaamheid die zich vooral tijdens het Kerstfeest laat voelen. Ook bevat het boek de geboorteverhalen uit de Evangelies volgens Matteüs en Lucas en is er een inleiding van Bodar over de betekenis van Kerstmis in onze tijd.
De verhalen zijn van Bertus Aafjes, Anna Blaman, Heinrich Böll, Godfried Bomans, Ernest Claes, Maxim Gorki, Ed. Hoornik, Vonne van der Meer, Leo Tolstoj, Anton Tsjechov en Gerard Walschap. Zij bieden stof voor een moment van bezinning en van ontroering tijdens en rond de Kerstdagen. Het Kerstverhaal blijkt een zo goed als uitgestorven genre. Alleen het verhaal van Vonne van der Meer is van recente datum.
Het mooi uitgegeven boek is een toepasselijk geschenk in deze tijd van het jaar.
Na zijn eerste encycliek Lumen fidei, die nog grotendeels door Benedictus XVI is geschreven, nu een schrijven geheel van de hand van paus Franciscus: de apostolische exhortatie Evangelii gaudium. Een exhortatie is een leerstellig schrijven, een aansporing van de paus, zij het van minder gewicht dan een encycliek. Vaak bevat zij de resultaten van een bisschoppensynode. In dit geval is dat de synode over de nieuwe evangelisatie in oktober 2012.
Franciscus opent met: “De vreugde van het Evangelie vult de harten en levens van allen die Jezus ontmoeten.” Het woord vreugde keert steeds weer terug; het is een sleutelwoord in deze brief aan alle katholieken. “Niemand moet denken dat deze uitnodiging niet voor hem of haar bedoeld is, want niemand wordt uitgesloten van de vreugde die door de Heer wordt gebracht.” (3) Dat evangelisatie een vreugde is, geeft de paus aan met: “Een evangelist moet er nooit uitzien alsof hij net van een begrafenis is teruggekeerd!” (10) Zijn doel omschrijft hij met: “In deze exhortatie wil ik de christenen aanmoedigen deel te nemen aan een nieuw hoofdstuk van evangelisatie dat gekenmerkt wordt door deze vreugde, en ondertussen wil ik nieuwe wegen voor de gang van de Kerk gedurende de komende jaren aangeven.” (1) “De grootste bedreiging van de van consumentisme doordrongen wereld van vandaag is de troosteloosheid en gekweldheid voortkomend uit een zelfgenoegzaam en begerig hart, uit de ziekelijke zucht naar oppervlakkig vermaak en uit een afgestompt geweten. (…) Gods stem wordt niet meer gehoord, de kalme vreugde van de liefde wordt niet langer ervaren en de wens om goed te doen vervaagt.” (2)
De paus bouwt zijn betoog zorgvuldig op. Hij bouwt voort op de vruchten van het Tweede Vaticaans Concilie. Veelvuldig worden zijn voorgangers van de afgelopen halve eeuw geciteerd en ook maakt hij gebruik van de resultaten van verschillende bisschoppenconferenties. Op basis hiervan zet hij nu nieuwe stappen. Hij heeft concrete mensen voor ogen, geen structuren, organisaties en abstracties, maar mensen. Centraal staat zijn zorg voor de armen en de ontheemden, zij die niet gezien worden. Het gaat om de toekomst van alle mensen en heel de schepping. Hij relativeert zijn eigen positie door aan te geven dat men van het pauselijk leergezag geen “definitief of compleet antwoord op alle vragen” mag verwachten. “Het is niet raadzaam, dat de paus op de stoel van de plaatselijke bisschoppen gaat zitten door elke lokale kwestie te beoordelen. Zo ben ik mij bewust van de noodzaak om een heilzame ‘decentralisatie’ te bevorderen.” (16)
De paus onderscheidt drie gebieden van evangelisatie: het gebruikelijke pastorale werk, de randkerkelijken en hen die Jezus Christus niet kennen of Hem verwerpen. (14) Hij geeft een aantal richtlijnen om de hele Kerk aan te moedigen en te leiden in een nieuwe fase van evangelisatie. De volgende thema’s worden uitvoerig belicht: de hervorming van de Kerk in haar missionaire taak; de verleidingen van werkers in het pastoraat; de Kerk, gezien als het hele Volk van God dat evangeliseert; de preek en de voorbereiding ervan; de opname van de armen in de samenleving; vrede en sociale dialoog; de geestelijke motivatie voor missionering. (17)
De missionaire hervorming van de Kerk
“Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb.” (Mt 28,19-20) Deze woorden van Jezus vormen de missionaire opdracht van de Kerk. (19) Iedere christen heeft de opdracht op weg te gaan. (20) “Vertrouwend op het voorbeeld van de Meester is het van levensbelang voor de Kerk nu op weg te gaan en het Evangelie aan iedereen op alle plaatsen en bij alle gelegenheden zonder aarzeling, tegenzin of angst te verkondigen.” (23) Evangelisten trekken er op uit: “Zo nemen evangelisten ‘de geur van de schapen’ aan en de schapen luisteren naar hun stem. Een evangeliserende gemeenschap is ook ondersteunend. Zij begeleidt mensen bij iedere stap op hun weg, ongeacht hoe moeilijk en langdurig dit mag zijn.” (24) Overal ter wereld moeten we voortdurend missioneren. (25)
Zonder evangelische inspiratie en trouw aan haar eigen opdracht zal elke nieuwe structuur van de Kerk ineffectief zijn. (26) De parochie is niet achterhaald. Haar flexibiliteit stelt haar in staat tot vernieuwing. Zij is de aanwezigheid van de Kerk in een bepaald gebied en spoort haar leden aan tot evangelisatie. (28) De bisschop “gaat hierin zijn volk voor, wijst hen de weg en houdt hun hoop levend.” Op andere momenten steunt hij hen met zijn aanwezigheid, helpt hij de achterblijvers en vindt nieuwe wegen voor de kudde. Participatie wordt door hem aangemoedigd en hij ontwikkelt hiervoor mogelijkheden. (31) De paus ziet het als zijn opdracht het pausschap in de zelfde zin te hervormen. “Het pausdom en de centrale structuren van de universele Kerk moeten ook de roep om pastorale hervorming horen. (…) In plaats van ondersteunend te zijn bemoeilijkt de buitensporige centralisatie het leven van de Kerk en haar missionaire dynamiek.” (32) Pastoraat vanuit een missionaire houding vraagt dat de zelfgenoegzame houding van ‘We hebben het altijd zo gedaan’ wordt opgegeven.” (33)
Het gaat om het hart van het Evangelie: “Als we een pastoraal doel en een missionaire stijl aanvaarden die werkelijk iedereen zonder uitzondering of uitsluiting moet bereiken, moet de boodschap zich beperken tot het essentiële, tot het mooiste, het grootste, het meest aansprekende en tegelijk het meest noodzakelijke. De boodschap is eenvoudig zonder iets aan diepte en waarheid te verliezen, en wordt zo krachtiger en overtuigender.” (35)
De Kerk zelf moet groeien in haar interpretatie van de openbaring en het begrijpen van de waarheid. Theologen, exegeten en andere wetenschappers ondersteunen haar hierin. (41) Tegenwoordig is het nodig de onveranderlijke waarheden telkens weer opnieuw te verwoorden. “Laat ons nooit vergeten dat de verwoording van de waarheid vele vormen kan aannemen.” (41) Evangelisatie moet gestalte krijgen binnen de grenzen van taal en omstandigheden.
“Een Kerk die ‘op weg gaat’ is een Kerk met open deuren.” Dat zijn open deuren om naar buiten te gaan. (46) “Dit geldt speciaal voor het sacrament dat de ‘deur’ zelf is: het Doopsel. De Eucharistie, hoewel dit de volheid van het sacramentele leven vormt, is geen beloning voor de volmaakten maar een krachtig medicijn en voedsel voor de zwakken.” (47) Een missionaire Kerk heeft een voorkeur voor de armen. (48) “Ik geef de voorkeur aan een Kerk die door op straat te zijn gedeukt, gewond en vuil is, in plaats van een Kerk die ongezond is als gevolg van haar geslotenheid en haar hang naar eigen veiligheid.” (49)
Te midden van de crisis van de betrokkenheid van de gemeenschap
In onze huidige samenleving zijn er processen van ontmenselijking gaande die moeilijk te keren zijn. “Wij moeten duidelijk onderscheiden wat mogelijk een vrucht van het Koninkrijk is en wat tegen Gods plannen ingaat.” (51)
Nee tegen een economie van uitsluiting
“Hoe is het mogelijk dat het geen nieuws is als een oudere dakloze doodvriest, maar dat het wel nieuws is als de beurs twee punten daalt? Dit is een vorm van uitsluiting. Kunnen wij aan de kant blijven staan als voedsel wordt weggegooid terwijl er mensen verhongeren? Dat is een vorm van ongelijkheid. (…) Uitsluiting heeft uiteindelijk te maken met de betekenis van het lidmaatschap van de samenleving; zij die uitgesloten worden, zijn niet langer de onderkant of de rand van de samenleving, niet de machtelozen, nee zij zijn er zelfs geen deel meer van. De uitgeslotenen zijn niet de ‘verdrukten’ maar vuilnis, afval.” (53) Het idee dat economische groei door een vrije markt onvermijdelijk tot meer rechtvaardigheid en betrokkenheid in de wereld leidt, geeft uitdrukking aan een wreed en naïef vertrouwen in de goedheid van de economische machthebbers en in de verafgode werking van het heersende economische systeem. Er ontstaat een wereldwijde onverschilligheid en tenslotte zijn wij niet meer in staat tot medelijden met de armen en tot huilen om de pijn van anderen, en voelen we geen behoefte meer om hen te helpen. “De cultuur van bezit doodt ons.” (54)
Nee tegen de nieuwe afgoderij van het geld
“Een van de oorzaken van deze situatie wordt gevonden in onze relatie met geld, omdat we rustig de overheersing door het geld over onszelf en over onze samenleving accepteren.” (55) Het groeiende verschil in inkomen wordt verdedigd met de absolute autonomie van de markt en van de financiële speculatie. “De dorst naar macht en bezit kent geen grenzen.” (56)
Nee tegen een financieel systeem dat heerst in plaats van dient
“Achter deze mentaliteit schuilt een verwerping van moraal en een verwerping van God. Moraal wordt met een zekere spottende verachting beschouwd. Zij wordt als contraproductief en als te menselijk beschouwd, omdat zij geld en macht relativeert.” (57)
Nee tegen de ongelijkheid die geweld voortbrengt
Een samenleving die een deel van zichzelf aan de kant laat staan, brengt door dit onrecht geweld voort. Evenals het goede heeft ook het kwaad de neiging zich te verspreiden en ondermijnt daarmee het politieke en sociale systeem. (59) “De huidige economische mechanismen bevorderen buitensporige consumptie. Echter het is duidelijk dat ongebreideld consumentisme in combinatie met ongelijkheid het sociale bouwwerk dubbel beschadigt.” (60)
Vervolgens staat de paus stil bij een aantal uitdagingen die zowel de Kerk als de gehele samenleving aangaan. “In de heersende cultuur gaat de voorkeur uit naar het uiterlijke, het onmiddellijke, het zichtbare, het snelle, het oppervlakkige en het tijdelijke. (…) Globalisering betekent in vele landen het verlaten van de eigen culturele wortels en een invasie van andere manieren van denken en doen. (62) Nieuwe religieuze bewegingen dagen het katholieke geloof van vele volkeren uit. Sommige zijn fundamentalistisch, andere gaan richting een spiritualiteit zonder God. Ondertussen leidt de katholieke Kerk aan toenemende bureaucratie. (63) “Het seculariseringsproces neigt ernaar het geloof en de Kerk tot de private en persoonlijke sfeer te reduceren. Bovendien veroorzaakt het door de complete verwerping van het transcendente een groeiende morele verwording, een afkalving van het idee van persoonlijke en gemeenschappelijke zondigheid en een gestage groei van het relativisme. Dit heeft geleid tot een algemeen gevoel van disoriëntering.” (64) “Het gezin ondergaat evenals alle gemeenschappen en sociale verbanden een diepe culturele crisis.” (66) “Het individualisme van onze postmoderne tijd moedigt een levensstijl aan die de ontwikkeling en de stabiliteit van persoonlijke relaties verzwakt en de familiebanden verstoort.” (67)
Franciscus wijst op het belang van inculturalisatie van het geloof. De Westerse cultuur is doorspekt met het christendom en dat biedt vele aanknopingspunten voor evangelisatie. (68) Volksdevoties kunnen hierbij een ingang vormen. (69) Speciale aandacht vraagt hij voor de stadscultuur. “Wij moeten de stad op met een contemplatieve blik bekijken, met een gelovige blik waarmee we Gods aanwezigheid zien in de huizen, in de straten en de pleinen. Hij leeft onder de burgers en bewerkt de solidariteit, de broederschap en het verlangen naar goedheid, waarheid en gerechtigheid. (71) In de stad ontstaan voortdurend nieuwe culturen. Het zijn uitgelezen plaatsen voor nieuwe evangelisatie. (73) Steden zijn multicultureel. “Verscheidene culturen bestaan er naast elkaar en geven vaak aanleiding tot segregatie en geweld. De Kerk wordt geroepen tot de organisatie van de ingewikkelde dialoog.” (74) De stad kent vele mensonterende problemen. “Tegelijkertijd zijn wat belangrijke plaatsen van ontmoeting en solidariteit zouden kunnen zijn, vaak plaatsen van afsluiting en wederzijds wantrouwen. (…) De verkondiging van het Evangelie zal in deze situaties de basis zijn voor het herstel van de menselijke waardigheid.”
Na deze maatschappijkritiek gaat de paus in op beproevingen waarmee werkers in het pastoraat van doen hebben.
Ja tegen de uitdaging van een missionaire spiritualiteit
“Tegenwoordig zien we bij vele werkers in het pastoraat (…) een overdreven zorg voor hun persoonlijke vrijheid en ontspanning, wat ertoe leidt dat zij hun werk als slechts een aanhangsel van hun leven beschouwen, alsof het geen deel is van hun identiteit.” (78) Onze mediacultuur is sceptisch en cynisch richting de Kerk, waardoor vele werkers in het pastoraat een minderwaardigheidscomplex ontwikkelen. (79) “Werkers in het pastoraat kunnen dus vervallen tot een relativisme, dat (…) nog gevaarlijker is dan leerstellig relativisme. (…) Dit praktisch relativisme bestaat uit doen alsof God niet bestaat, besluiten nemen alsof de armen niet bestaan, doelen formuleren alsof de anderen niet bestaan, werken alsof mensen die het Evangelie niet hebben ontvangen, niet bestaan. Laten we onszelf niet toestaan van het missionaire enthousiasme beroofd te worden!” (80)
Nee tegen egoïsme en spirituele traagheid
“Op het moment waarop we vooral missionaire dynamiek nodig hebben die zout en licht in de wereld brengt, zijn vele leken bang dat ze gevraagd worden om enig apostolisch werk te verrichten en proberen zij elke verantwoordelijkheid die beslag legt op hun vrije tijd, te vermijden.” (81) “Het probleem is niet altijd een overvloed aan bezigheden, maar eerder de slecht geleefde bezigheden, zonder passende motivatie, zonder een spiritualiteit die ze doordrenkt en ze plezierig maakt.” (82) “En zo krijgt de grootste bedreiging gaandeweg vorm: het grijze pragmatisme van het dagelijks leven van de Kerk waar alles normaal lijkt te gaan terwijl in werkelijkheid het geloof slijt en degenereert tot benepenheid. (…) Laten we onszelf niet toestaan van de vreugde van evangelisatie beroofd te worden!” (83)
Nee tegen steriel pessimisme
“De vreugde van het Evangelie kan ons door niemand en niets worden afgenomen. (zie Joh 16,22) Het kwaad in de wereld – en in de Kerk – mag geen excuus zijn voor afname van ons inzet en onze ijver.” (84) Een ernstige bedreiging vormt het defaitisme dat ons tot klagende en gedesillusioneerde pessimisten maakt. “De christelijke overwinning is altijd een kruis, echter een kruis dat op het zelfde moment een overwinningsbanier is dat met strijdlustige tederheid tegen de aanvallen van het kwaad wordt gedragen. De kwade geest van defaitisme is de broer van de verleiding tot een te vroege scheiding van het onkruid van de tarwe; het is de resultaat van een ernstig en egocentrisch gebrek aan vertrouwen.” (85) “Laten we onszelf niet toestaan van de hoop beroofd te worden!” (86)
Ja tegen de nieuwe door Christus gevormde relaties
Meer communicatiemogelijkheden geven meer mogelijkheden tot ontmoeting en tot solidariteit. Er op uit gaan en je bij een ander aan sluiten doet je goed. Je egocentrisch in jezelf opsluiten doet de menselijkheid aan het kortste eind trekken. (87) “Het christelijk ideaal zal altijd eisen de verdachtmaking, het gebruikelijke wantrouwen, de angst voor verlies van privacy, het defensieve gedrag van de huidige wereld, te overwinnen. (…) Het Evangelie zegt ons voortdurend een ontmoeting van aangezicht tot aangezicht te riskeren.” (88) De ‘spiritualiteit van welbevinden’ los van de gemeenschap en de ‘theologie van bezit’ los van verantwoordelijkheid voor onze broeders en zusters zijn niets anders dan een vorm van egocentrisme. (90) Wij moeten leren Jezus te ontmoeten in het gelaat van de ander, in zijn stem, in zijn klacht. “En leren te lijden door de gekruisigde Jezus te omarmen als we ten onrechte worden aangevallen of met ondankbaarheid worden bejegend zonder ooit moe te worden van ons besluit in broederschap te leven.” (91) “Broederlijke liefde laat ons de heilige grootsheid van onze naaste zien, doet ons God in iedere medemens vinden. (…) Laten we onszelf niet toestaan van de gemeenschap beroofd te worden!” (92)
Nee tegen wereldse spiritualiteit
Wereldse spiritualiteit zoekt niet Gods glorie maar die van mensen en van persoonlijk welbevinden. “Een veronderstelde leerstellige of disciplinaire zekerheid die leidt tot narcistisch, autoritair en elitair denken, leidt in plaats van tot evangelisatie tot een analyse en kwalificatie van de ander, en in plaats van de deur naar genade te openen, verbruikt zij onze energie door inspectie en verificatie.” (94) De wereldse spiritualiteit heeft de pretentie de ruimte van de Kerk over te nemen. “Bij sommigen zien we een buitensporige gerichtheid op de liturgie, op de leer en op het aanzien van de Kerk, maar zonder enig idee dat het Evangelie werkelijk iets met Gods gelovige volk doet en van de concrete noden van onze tijd. (95) “God bespaar ons een wereldse Kerk met kunstmatige spirituele en pastorale opsmuk! De verstikkende wereldlijkheid kan alleen genezen worden door de pure lucht van de heilige Geest in te ademen. Hij bevrijdt ons van egocentrisme gehuld in een uiterlijke religiositeit zonder God. Laten we onszelf niet toestaan van het Evangelie beroofd te worden!” (97)
Nee tegen onderlinge oorlog
De paus waarschuwt tegen groepsvorming binnen de Kerk, tegen het afstand willen nemen van de rijke verscheidenheid van de Kerk. (98) We moeten ons verheugen in ieders gaven, die ons allen toebehoren. (99) “Laten we onszelf niet toestaan van het ideaal van de broederlijke liefde beroofd te worden!” (101)
Verder vraagt Franciscus aandacht voor een grotere betrokkenheid van leken binnen de Kerk. Vooral vraagt hij aandacht voor de positie van de vrouw, want vrouwelijk talent is overal in de samenleving nodig, overal waar belangrijke besluiten worden genomen zowel in de Kerk als in andere organisaties. (103) Het is een grote uitdaging voor pastores en theologen om de mogelijke rol van de vrouw in de besluitvorming binnen de Kerk na te gaan. (104) “Jongeren vinden binnen de huidige structuren vaak geen antwoord op hun zorgen, noden, problemen en pijnen.” (105) De gehele gemeenschap heeft de taak de jongeren te evangeliseren en te onderrichten. (106) “Jongeren roepen ons op tot hernieuwde en groeiende hoop, want zij vertegenwoordigen nieuwe richtingen voor menselijkheid en laten ons de toekomst zien, tenzij wij vasthouden aan nostalgische structuren en gewoonten die in de wereld van vandaag geen leven meer geven.” (108) “Uitdagingen zijn er om te overwinnen! Laat ons realistisch zijn, zonder onze vreugde, onze moed en onze hoopvolle betrokkenheid te verliezen. Laten we onszelf niet toestaan van missionaire kracht beroofd te worden!” (109)
De verkondiging van het Evangelie
“Evangelisatie is de taak van de Kerk. (…) Zij is allereerst een pelgrimerend volk onderweg op weg naar God.” (111) Het principe van het primaat van de genade moet altijd het baken zijn dat onze overwegingen over evangelisatie voortdurend verlicht. (112) Gods genade is er voor iedereen. “Hij heeft gekozen iedereen tezamen als een volk te roepen en niet als individuen. Niemand wordt door zichzelf persoonlijk of door eigen kracht gered.” (113) “Kerk zijn betekent Gods volk zijn. (…) De Kerk moet een plaats zijn waar barmhartigheid gratis is, waar iedereen verwelkomd, geliefd, vergeven en bemoedigd wordt om het goede leven van het Evangelie te leven.” (114)
“Het volk van God wordt concreet in de volkeren van de wereld, ieder met zijn eigen cultuur. Het begrip cultuur is een waardevol instrument om de verschillende uitdrukkingsvormen van christelijk leven binnen het volk Gods te verstaan.” (115) “Iedere cultuur biedt positieve waarden en vormen die de wijze waarop het Evangelie verkondigd, begrepen en geleefd wordt, kunnen verrijken.” (116) Wanneer zij goed wordt begrepen, is culturele verscheidenheid geen bedreiging voor de eenheid van de Kerk. (…) Evangelisatie erkent vreugdevol deze rijke verscheidenheid die de heilige Geest in de Kerk uitstort.” (117) “Het is een onbetwistbaar feit dat geen enkele cultuur op zich het mysterie van onze verlossing in Christus uitputtend kan verklaren.” (118)
“De aanwezigheid van de heilige Geest geeft christenen een zekere verwantschap met de goddelijke werkelijkheid en de wijsheid deze werkelijkheid intuïtief aan te voelen, zelfs als zij niet in staat zijn dit nauwkeurig onder woorden te brengen.” (119) “In de kracht van hun Doopsel zijn alle leden van Gods volk missionaire leerlingen geworden.” Evangelisatieplannen mogen zich niet beperken tot de inzet van professionals en mogen niet voorbij gaan aan de rol van ieder lid van de gemeenschap. (120) “Ieder van ons moet manieren vinden om over Jezus te spreken waar we ook zijn. (…) Missionering is een voortdurende aansporing niet aan onze middelmatigheid toe te geven maar te blijven groeien.” (121)
“Nadat het Evangelie in een volk is geïnculturaliseerd, wordt met het doorgeven van de cultuur ook op steeds nieuwe manieren het geloof doorgegeven; vandaar het belang van het zien van evangelisatie als inculturalisatie.” In deze zin moeten ook volksdevoties als een uitdrukking van spontane missionering worden gezien. (122) “Volksdevoties laten ons zien hoe het eens ontvangen geloof onderdeel wordt van een cultuur en voortdurend wordt doorgegeven.”(123) “Vormen van volksdevotie kunnen ons veel leren. Voor hen die staat zijn ze duiden, vormen ze een locus theologicus die onze aandacht vraagt, vooral met het oog op de nieuwe evangelisatie.” (126)
“Nu de Kerk een diepgaande missionaire vernieuwing nastreeft, is er een vorm van verkondiging die voor ons allen een dagelijkse verantwoordelijkheid is. Het gaat erom het Evangelie naar de mensen te brengen of zij nu onze buren of totale vreemdelingen zijn. (…) Leerling zijn betekent voortdurend klaar staan de liefde van Jezus te brengen en dat kan onverwacht en overal gebeuren: op straat, op een plein, tijdens het werk, op reis.” (127) Zo’n ontmoeting kan wanneer de situatie het toelaat met een kort gebed worden afgesloten. Zo weet de ander dat zijn situatie aan God wordt voorgelegd en dat Gods woord zijn leven betreft. (128)
Verkondiging van het Evangelie aan verschillende culturen houdt ook verkondiging aan professionele, wetenschappelijke en academische kringen in. Dit betekent een ontmoeting tussen geloof, rede en wetenschap met als doel een nieuw gesprek over geloofwaardigheid te ontwikkelen, een nieuwe apologetiek die voor iedereen een grotere openheid voor het Evangelie bevordert.” (132) “Een theologie die in gesprek is met andere wetenschappen en menselijke ervaringen is uiterst belangrijk voor ons inzicht hoe het Evangelie op de beste wijze naar verschillende culturele situaties en groeperingen te brengen.” (133)
Uitgebreid staat de paus stil bij de vormgeving en voorbereiding van de preek. “De preek kan werkelijk een intense en vreugdevolle ervaring van de Geest zijn, een troostende ontmoeting met Gods woord, een voortdurende bron van vernieuwing en groei.” (135) God wil de ander bereiken door middel van de predikant. (136) Binnen de liturgie en met name binnen de Eucharistieviering is de preek niet zozeer een moment van meditatie of van catechese, maar meer een dialoog tussen God en zijn volk. (137) De preek is geen vorm van vermaak, zij geeft betekenis aan de viering. “Zij is deel van het offer aan de Vader en van de bemiddeling van de genade die de Zoon tijdens de viering uitstort.” (138) De Kerk is een moeder en zij preekt zoals een moeder met haar kind spreekt. Kinderen vertrouwen erop dat wat zij leert goed voor hen is, want zij weten dat zij hen liefheeft. (139) “Een puur moralistische of leerstellige preek of een die slechts een lezing over Bijbelexegese is, doet afbreuk aan de van hart tot hart communicatie die in de preek gestalte krijgt en een bijna sacramenteel karakter heeft.” (142) “De predikant heeft de wonderschone maar moeilijke taak elkaar liefhebbende harten samen te brengen: de harten van de Heer en zijn volk.” (143) “Spreken vanuit het hart betekent dat ons hart niet alleen in vuur moet staan, maar ook verlicht moet worden door de volheid van de openbaring en door de weg die Gods woord door de geschiedenis heen in het hart van de Kerk en van het gelovige volk heeft afgelegd.” (144)
“Preekvoorbereiding is een dermate belangrijke taak dat het nodig is een langere tijd voor studie, gebed, reflectie en pastorale creativiteit uit te trekken. (…) Vertrouwen in de heilige Geest, die tijdens de preek werkzaam is, is niet alleen passief, maar actief en creatief.” (145) “De predikant moet allereerst een grote persoonlijke vertrouwdheid met Gods woord ontwikkelen. Kennis van taalkundige en exegetische aspecten is zeker noodzakelijk, maar niet genoeg. Hij moet het woord met een lerend en biddend hart tegemoet treden zodat het diep in zijn denken en voelen doordringt en hem tot een nieuwe levensvisie brengt.” (149) De paus geeft tal van aanwijzingen voor een goede preekvoorbereiding. (150-153) Hierbij vraagt hij ook aandacht voor een luisterend oor richting het volk. De predikant moet weten wat hen bezighoudt en hun taal spreken. (154-155) Tenslotte staat hij stil bij de wijze waarop gepreekt wordt. Een goede preek heeft een idee, een gevoel en een beeld en een goede preek is positief. (156-159)
“Evangelisatie streeft naar een groeiproces dat iedere persoon en Gods plan met zijn leven serieus neemt. Ieder van ons moet groeien in Christus.” (160) Gods gave van genade gaat hieraan altijd vooraf. Door het Doopsel zijn wij zijn kinderen. (162) Opvoeding en catechese zijn ter ondersteuning van het groeiproces. (163) Fundamenteel is de rol van de eerste verkondiging, van het kerygma dat centraal moet staan in elke evangelisatie. “Het kerygma is trinitair. Het vuur van de Geest wordt gegeven in de vorm van vurige tongen en leidt ons tot het geloof in Jezus Christus, die door zijn dood en verrijzenis ons de oneindige barmhartigheid van de Vader openbaart en mededeelt. Uit de mond van de catechist klinkt steeds weer: ‘Jezus Christus houdt van je; Hij gaf zijn leven om jou te redden; en nu is Hij iedere dag levend aan jou zijde om je verlichten, te sterken en te bevrijden.” (164) Elke vorm van catechese vraagt ook aandacht voor schoonheid. “Wij moeten de moed hebben nieuwe tekens en symbolen te ontdekken, nieuw vlees om het woord uit te drukken en te communiceren, en verschillende vormen van schoonheid die in verschillende culturele situaties gewaardeerd worden, inclusief onconventionele manieren van schoonheid die weinig betekenis hebben voor evangelisten maar voor anderen bijzonder aantrekkelijk blijken te zijn.” (167) “We moeten naar voren treden als vreugdevolle boodschappers van uitdagende voorstellen en als hoeders van het goede en het schone, die een leven trouw aan het Evangelie uitstralen.” (168)
“De Kerk moet meer aandacht en sympathie hebben voor anderen, zo vaak als nodig. (…) De Kerk moet iedereen – priesters, religieuzen en leken – vertrouwd maken met deze ‘kunst van begeleiding’ die ons leert onze sandalen uit te trekken voordat we de heilige grond van de ander betreden.”(169) Hoewel het logisch klinkt, moet geestelijke begeleiding anderen altijd naar God leiden bij wie wij de ware vrijheid verkrijgen.” (170) “Ieder die een ander begeleidt, moet zich realiseren dat ieders persoonlijke situatie in relatie met God en ook zijn leven in genade een geheim is dat niemand van buitenaf geheel kan doorgronden.” (172)
“Niet alleen de preek moet door Gods woord worden gevoed. Elke vorm van evangelisatie is op dat woord gebaseerd waarna we luisteren, over mediteren en naar leven en dat we vieren en waarvan we getuigen. (…) Alleen als zij voortdurend zichzelf laat evangeliseren, kan de Kerk evangeliseren.” (174) “De studie van de heilige Schrift moet voor ieder gelovige een open deur zijn. Het is essentieel dat het geopenbaarde woord onze catechese en al onze inspanningen van geloofsoverdracht ingrijpend verrijkt.” (175)
De sociale dimensie van evangelisatie
“Het kerygma heeft een heldere sociale inhoud: in het hart van het Evangelie staat het leven in gemeenschap en betrokkenheid met anderen.” (177) “Onze verlossing heeft een sociale dimensie omdat God, in Christus, niet alleen het individu verlost maar ook alle sociale relaties die er tussen mensen bestaan. (…) Het accepteren van de eerste verkondiging, die ons uitnodigt Gods liefde te ontvangen en als antwoord Hem lief te hebben met de liefde die zijn gave is, veroorzaakt in ons leven en in ons doen een eerste en fundamentele reactie: het goede voor anderen te wensen, te zoeken en te beschermen.” (178) “Gods woord leert ons dat onze broeders en zusters voor ieder van ons de voortzetting van de menswording zijn: ‘Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan’. (Mt 25,40) (…) De dienst van de caritas is ook een constituerend element van de missie van de Kerk en een onvermijdelijke uitdrukking van haar bestaan.” (179)
“Het Evangelie gaat over het Rijk Gods (zie Lc 4,43). Het gaat over de liefhebbende God die de wereld regeert. In de mate waarin Hij kan heersen bij ons, wordt het gemeenschapsleven voor allen een omgeving van universele broederschap, gerechtigheid, vrede en waardigheid. Zo willen zowel christelijke leer als leven de maatschappij beïnvloeden.” (180) “De missie van de verkondiging van het goede nieuws van Jezus Christus heeft een universele bestemming. Zijn gebod van de liefde omvat alle dimensies van het bestaan, alle individuen, alle gebieden van gemeenschapsleven en alle volkeren. Niets menselijks kan het vreemd zijn.” (181)
“Het is niet langer mogelijk te beweren dat religie tot het privéleven beperkt moet worden en dat zij alleen bestaat om zielen op de hemel voor te bereiden. Christelijke bekering vraagt vooral een herziening van die gebieden en aspecten van het leven die te maken hebben met de sociale ordening en bijdraagt aan het algemeen welzijn.” (182) “Een authentiek geloof – wat nooit comfortabel en geheel persoonlijk is – heeft altijd de diepgaande wens in zich de wereld te veranderen en waarden te propageren om de wereld iets beter achter te laten dan we hem aantroffen. (…) De Kerk kan niet aan de zijlijn blijven staan bij het gevecht om gerechtigheid.” (183) De paus concentreert zich op twee onderwerpen: het opnemen van de armen in de samenleving en de vrede en de sociale dialoog. (185)
“Iedere individuele christen en iedere gemeenschap is geroepen om een instrument in Gods hand te zijn ter bevrijding en verheffing van de armen en om hen in staat te stellen volledig deel van de samenleving te zijn.” (187) “Het woord solidariteit is een beetje versleten en wordt bij tijd en wijle slecht begrepen, maar het verwijst naar iets dat meer is dan enkele daden van liefdadigheid. Het veronderstelt de creatie van een nieuwe mentaliteit die doet denken in termen van gemeenschap en van voorrang voor het leven van allen boven de toe-eigening van goederen door enkelen.” (188) “Solidariteit is de spontane reactie van hen die zich realiseren dat de sociale functie van bezit en de universele bestemming van goederen waarden zijn die het persoonlijke bezit te boven gaan. (…) Solidariteit moet geleefd worden als het besluit aan de armen terug te geven wat hen toebehoort.” (189) “We moeten naar een solidariteit groeien die alle volkeren toestaat scheppers van hun eigen bestemming te worden, want iedere mens is geroepen zichzelf te ontwikkelen.” (190)
“We geven gestalte aan de plicht de roep van de armen te horen als wij ten diepste geraakt worden door het lijden van anderen.” (193) “Jezus leerde ons met woord en daad op deze wijze te luisteren naar anderen.” (194) “Soms blijken we hard van hart en hoofd te zijn. We vergeten, worden afgeleid en laten ons verleiden door de onbegrensde mogelijkheden van consumptie en verstrooiing die de huidige maatschappij ons biedt. Dit leidt tot een soort vervreemding die ons allen treft, want een maatschappij raakt vervreemd als haar vormen van sociale organisatie, productie en consumptie het moeilijker maken jezelf te geven en solidariteit tussen mensen tot stand te brengen.” (196)
“In Gods hart is er een speciale plek voor de armen en wel zodanig dat Hij zelf arm werd. (…) De Verlosser werd geboren in een stal.” (197) “Voor de Kerk is de optie voor de armen meer dan van culturele, sociologische, politieke of filosofische aard primair van theologische aard. (…) Daarom wil ik een Kerk die arm is en er voor de armen is. Zij hebben ons veel te leren. (…) Wij zijn geroepen in hen Christus te vinden en hen voor hun zaak onze stem te geven, maar ook om hun vrienden te zijn, naar hen te luisteren, hen te begrijpen en de wonderlijke wijsheid te omarmen die God door hen met ons wil delen.” (198)
“De armen voelen zich in elke christelijke gemeenschap thuis. Zou dit niet de meest indrukwekkende en overtuigende presentatie van het goede nieuws van het koninkrijk zijn?” (199) “De ergste discriminatie die de armen ervaren, is het gebrek aan geestelijke zorg.” (200) “Niemand kan zeggen dat hij de armen niet nabij kan zijn, omdat zijn levensstijl meer aandacht voor andere gebieden vraagt. (…) Niemand van ons kan denken dat hij is uitgesloten van zorg voor de armen en voor de sociale gerechtigheid.” (201)
“Zolang de problemen van de armen niet fundamenteel zijn opgelost door verwerping van de absolute autonomie van de markten en de financiële speculatie en door de aanpak van de structurele oorzaken van ongelijkheid, zal er geen oplossing worden gevonden voor de wereldproblemen of voor welk probleem dan ook. Ongelijkheid is de wortel van sociale rampen.” (202) “De waardigheid van iedere mens en de bevordering van het algemeen welzijn zijn zorgen die elke economische politiek vorm moeten geven. Zaken doen is een edele roeping, ervan uitgaande dat zij die erbij betrokken zijn zichzelf zien uitgedaagd door een diepere zin van het leven. Dit zal hen werkelijk in staat stellen het algemeen welzijn te dienen door te streven naar een toename van de goederen van deze wereld en deze voor iedereen toegankelijker te maken.” (203) “We kunnen niet langer vertrouwen op blinde krachten en de onzichtbare hand van de markt. (…) Ik houd mij ver van onverantwoordelijke populistische voorstellen, maar de economie kan niet langer komen met oplossingen die in feite nieuw gif zijn, zoals proberen de winsten te verhogen door de arbeidskosten te verlagen en zo nieuwe uitgeslotenen te creëren.” (204) Alle burgers moeten toegang hebben tot waardevolle arbeid, scholing en gezondheidszorg. Waarom vragen politici en regeringsleiders niet aan God hen te inspireren? “Ik ben er van overtuigd dat een open houding voor het transcendente een nieuwe politieke en economische mentaliteit kan brengen die zal helpen de scheidingsmuur tussen de economie en het algemeen welzijn van de samenleving te slechten.” (205) “Wat in deze fase van de geschiedenis nodig is, is een efficiëntere wijze van interactie die met respect voor de soevereiniteit van iedere staat het economische welzijn van alle landen verzekert en niet van slechts enkele.” (206)
“Migranten vormen een bijzondere uitdaging voor mij. (…) Ik spoor alle landen aan tot genereuze openheid die in staat zal zijn tot nieuwe vormen van culturele synthese, in plaats van angstig te zijn voor het verlies van lokale identiteit.“ (210) “Ik word altijd getroffen door het aantal slachtoffers van verschillende vormen van mensenhandel. (…) Dit onderwerp gaat iedereen aan. Deze perverse misdadige netwerken hebben zich in onze steden gevestigd en vele mensen hebben bloed aan hun handen als gevolg van hun comfortabele en stille medeplichtigheid.” (211) “Dubbel arm zijn de vrouwen die lijden onder uitsluiting, mishandeling en geweld, want zij zijn vaak minder in staat hun rechten te verdedigen.” (212) “Onder de kwetsbaren die de Kerk met speciale liefde wenst te beschermen, zijn de ongeboren kinderen van allen het minst beschermd en het meest onschuldig.” (213) “Het is niet ‘progressief’ problemen op te lossen door menselijk leven te elimineren.” (214) Ook de schepping als geheel is slachtoffer van economische belangen en ongeremde exploitatie. (217)
Vrede is meer dan de afwezigheid van geweld. Zij bestaat ook niet als de armen stil en rustig worden gehouden. De verdeling van de welvaart in de wereld is nauw verbonden met de mogelijkheid van vrede. (218) “Uiteindelijk is vrede die niet het resultaat is van algehele ontwikkeling, tot mislukken gedoemd.” (219) Franciscus formuleert “vier specifieke principes die kunnen leiden tot de ontwikkeling tot gemeenschapsleven en tot het bouwen van een volk waar verschillen binnen een gemeenschappelijk plan worden geharmoniseerd.”(221)
Tijd is groter dan ruimte
“Er is een constante spanning tussen volledigheid en begrenzing. Volledigheid wekt het verlangen tot compleet bezit, terwijl begrenzing een voor ons opgerichte muur is.” Tijd heeft te maken met volledigheid als een uitdrukking van een horizon die zich steeds voor ons opent, terwijl ieder moment haar begrenzing heeft als uitdrukking van insluiting. (222) “Dit principe stelt ons in staat rustig maar zeker te werken zonder door onmiddellijke resultaten geobsedeerd te worden. (…) Prioriteit geven aan tijd betekent bezig te zijn met het initiëren van processen meer dan met het bezetten van ruimten.” (223) Voor evangelisatie betekent dit te denken op de lange termijn. (225)
Eenheid prevaleert boven conflict
“Een conflict kan niet ontkend of verborgen worden. Je moet ermee aan de slag. Maar als we erin blijven hangen, verliezen we ons perspectief.” (226) “De beste manier van conflicthantering is de bereidheid het conflict aan te pakken, het op te lossen en het te maken tot een schakel in de keten van een nieuw proces.” (227) “Zo wordt het mogelijk te midden van onenigheid een nieuwe gemeenschap op te bouwen.” (228) “Dit uit het Evangelie afkomstige principe herinnert ons aan Christus die alles een maakt in zichzelf: hemel en aarde, God en mens, tijd en eeuwigheid, vlees en geest, persoon en gemeenschap.” (229) “De boodschap van vrede gaat niet over een uitonderhandeld akkoord maar over de overtuiging dat de eenheid die de Geest brengt, elke verscheidenheid kan harmoniseren.” (230)
Werkelijkheden zijn belangrijker dan ideeën
“Er is ook een voortdurende spanning tussen ideeën en werkelijkheden. Werkelijkheden bestaan, terwijl ideeën uitgewerkt moeten worden.” Dit principe “vraagt de verwerping van diverse vormen van maskeren van de werkelijkheid: engelachtige vormen van puurheid, het dictaat van relativisme, lege retoriek, meer ideale dan reële doelstellingen, onhistorisch fundamentalisme, ethische systemen zonder vriendelijkheid, intellectuele discussie zonder wijsheid.” (231) “Dit principe heeft te maken met de incarnatie van het Woord en zijn vertaling naar de praktijk: ‘Hieraan onderkent gij de Geest van God: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk mens geworden is, is van God.’ (1 Joh 4,2) (…) Dit principe zet ons ertoe aan het woord in de praktijk te brengen, werken van gerechtigheid en liefde uit te voeren die het woord vruchtbaar maken.” (233)
Het geheel is groter dan het deel
“Ook tussen globalisering en lokalisering bestaat er een spanning.” (234) “Het geheel is groter dan het deel, maar ook groter dan de som van de delen. (…) We moeten steeds onze horizonten verleggen en het grotere goed zien dat voor allen van belang is. (…) We kunnen op een kleine schaal in onze eigen omgeving werken, maar met een breder perspectief.” (235) “Voor christenen openbaart dit principe ook de totaliteit of integriteit van het Evangelie dat de Kerk ons brengt en ons uitzendt om het te verkondigen. (…) Elk volk ontvangt op haar eigen wijze het gehele Evangelie en geeft het gestalte in vormen van gebed, broederlijkheid, gerechtigheid, strijd en feest.” (237)
“Evangelisatie omvat de weg van de dialoog.” De Kerk onderscheidt drie gebieden: dialoog met staten, dialoog met de maatschappij inclusief cultuur en wetenschap, en dialoog met niet-katholieke gelovigen. (238) “De Kerk verkondigt het ‘Evangelie van vrede’ (Ef 6,15) en wenst samen te werken met alle nationale en internationale autoriteiten om voor dit immense universele goed zorg te dragen. (…) De nieuwe evangelisatie vraagt van iedere gedoopte om een vredestichter te zijn.” (239) De paus gaat hier verder in op de dialoog met de rede en de wetenschap (242-243), de oecumenische dialoog (244-246), de relatie met het jodendom (247-249), de interreligieuze dialoog (250-254) en de sociale dialoog in de context van godsdienstvrijheid (255-258). De paus wenst de nadruk te leggen op datgene dat verbindt en niet op wat scheidt. Iedere vorm van dialoog staat in dienst van de vrede.
Geestdriftige evangelisten
“Geestdriftige evangelisten zijn evangelisten die zonder angst openstaan voor de werking van de heilige Geest. (…) Jezus wil evangelisten die het goede nieuws niet alleen met woorden verkondigen maar bovenal met een leven dat gevormd is door de aanwezigheid van God.” (259) “Geestdriftige evangelisatie wordt geleid door de heilige Geest, want het is het hart van de Kerk het Evangelie te verkondigen.” (261)
“Geestdriftige evangelisten bidden en werken. Mystieke begrippen zonder een stevige sociale en missionaire betrokkenheid helpen de evangelisatie niet evenals sociaal en pastoraal spreken en handelen zonder spiritualiteit die het hart kan veranderen. Zonder langdurige aanbidding, gebed met betrokkenheid op de wereld en oprecht gesprek met de Heer wordt ons werk eenvoudig betekenisloos.” (262) “Wij moeten goed de eerste christenen voor ogen houden en onze vele broeders en zusters die door de geschiedenis heen vervuld waren van vreugde, vol van moed en ijver in het verkondigen van het Evangelie. (…) Laat ons niet zeggen, dat het nu moeilijker is; de situatie is eenvoudigweg anders.” (263)
“De belangrijkste reden tot evangelisatie is de liefde van Jezus die wij hebben ontvangen, de ervaring van de redding die ons aanzet tot een steeds grotere liefde voor Hem. Welke liefde voelt niet de behoefte te spreken over de geliefde, hiervan te getuigen en het bekend te maken?” (264) “Soms verliezen wij ons enthousiasme voor missionering omdat we vergeten dat het Evangelie antwoord geeft op onze diepste behoeften. Wij zijn namelijk geschapen om te ontvangen wat God ons geeft: vriendschap met Jezus en liefde voor onze broeders en zusters. (…) De missionaris is er door de werking van de heilige Geest van overtuigd, dat er in individuen en volkeren reeds – zelfs al is dat onbewust – een verwachting leeft omtrent het kennen van de waarheid over God, over de mensheid en over hoe wij bevrijd kunnen worden van zonde en dood. Het missionaire enthousiasme van de verkondiging van Christus is gebaseerd op de overtuiging dat het een antwoord geeft op deze verwachting.” (265) “Maar deze overtuiging moet gevoed worden door onze voortdurend hernieuwde ervaring van de reddende vriendschap van Christus en van zijn boodschap. (…) Het is niet hetzelfde: proberen de wereld op te bouwen met zijn Evangelie als proberen het te doen met onze eigen inzichten.” (266) “In gemeenschap met Jezus zoeken wij wat Hij zoekt, en hebben wij lief wat Hij liefheeft. (…) Onze uiteindelijke en diepste motivatie, de finale reden en betekenis achter ons werk is de glorie van de Vader die Jezus elk moment van zijn leven heeft gezocht.” (267)
“Gods woord nodigt ons ook uit te erkennen dat wij een volk zijn: ‘Gij, vroeger geen volk, nu Gods volk.’ (1 Pe 2,10)” (268) “Jezus zelf is het model voor onze methode van evangelisatie die ons werkelijk tot het hart van zijn volk voert. (…) Als hij tot iemand spreekt, kijkt hij hem met grote liefde en betrokkenheid aan: ‘Toen keek Jezus hem liefdevol aan.’ (Mc 10,21)” (269) “Jezus wil dat wij de menselijke ellende aanraken, het lijdende lichaam van de ander aanraken.” (270) “Jezus wil niet dat wij grootse mensen zijn die neerkijken op anderen, maar dat we mannen en vrouwen van het volk zijn. (…) Zo zullen we de missionaire vreugde leren ons leven te delen met Gods gelovige volk als we streven een vuur in het hart van de wereld te ontsteken.” (271) “Als we leven vanuit een spiritualiteit van anderen nabij zijn en hun welzijn zoeken, zullen onze harten wijd geopend worden voor de grootste en mooiste geschenken van God. Alleen degene die gelukkig wordt van het goede voor anderen te zoeken en hun geluk te willen, kunnen missionair zijn.” (272) Het is niet iets tijdelijks of iets erbij. Nee: “Ik ben een missie hier op aarde; dat is de reden van mijn bestaan.” (273) “Als ik slechts één mens help tot een beter leven, dat rechtvaardigt reeds de inzet van mijn leven.” (274)
“De verrijzenis en verheerlijking van Christus is de bron van onze hoop en Hij zal ons niet de hulp onthouden om onze missie uit te voeren die Hij ons heeft toevertrouwd.”(275) “Vaak lijkt het alsof God niet bestaat: overal om ons heen zien we hardnekkig onrecht, kwaad, onverschilligheid en geweld. Maar het is ook waar dat in het diepst van de duisternis altijd iets nieuws tot leven komt en vroeg of laat vruchten draagt. (…) Dat is de kracht van de verrijzenis en alle evangelisten zijn instrumenten van deze kracht.” (276) Er zijn altijd weer nieuwe problemen en we voelen de pijn van ons eigen falen en onze menselijke zwakte. “Het Evangelie, de mooiste boodschap die de wereld te bieden heeft, wordt begraven onder een stapel excuses.” (277) De verrijzenis van Christus roept overal om zaad voor het Rijk Gods. “Zelfs als het afgesneden wordt, komt het weer op. (…) Laat ons nooit aan de zijlijn staan van deze mars van levende hoop!” (278) “Soms lijkt ons werk vruchteloos, maar missionering is niet zoals een zakelijke transactie of investering. (…) Het is geen show waarbij we tellen hoeveel mensen er komen door onze publiciteit. Het gaat veel dieper en ontspringt aan elke vorm van meten. (…) De heilige Geest werkt zoals Hij wil, wanneer Hij wil en waar Hij wil.” (279) “Er is geen grotere vrijheid dan jezelf toestaan dat je geleid wordt door de heilige Geest en af te zien van de neiging alles tot in het laatste detail te plannen en te beheersen.” (280)
“Wij worden vooral tot evangelisatie en tot nastreven van het goede voor anderen gebracht door een bepaalde vorm van gebed en dat is de voorbede.” (281)
“Evenals de heilige Geest is Maria altijd te midden van het volk aanwezig.” (284) “De nauwe relatie tussen Maria, de Kerk en iedere gelovige is gebaseerd op het feit dat ieder op zijn of haar eigen wijze Christus voortbrengt.” (285) Zoals bij Juan Diego (Gaudalupe) geeft Maria ons haar moederlijke zorg en liefde en fluistert in ons oor: “Laat je hart niet ontrust zijn… Ben ik niet hier, die je Moeder is?” (286)
De volledige tekst is in diverse talen beschikbaar op www.vatican.va. De volledige Nederlandse vertaling is te vinden op www.rkdocumenten.nl.
Op het feest van Christus Koning staan wij stil bij het dubbelgebod van de liefde. Jezus leerde ons als het voornaamste gebod: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste beminnen gelijk uzelf.” (Lc 10,27)
Jezus zelf geeft ons het voorbeeld. Met zijn leven leert Hij ons hoe wij kunnen liefhebben, hoe wij God en de naaste beminnen. Hij is onze koning: niet een koning van macht en pracht maar een koning die dienstbaar is. Zijn koningschap is niet van deze wereld. Hij is koning van het rijk van liefde en geluk. Bij het laatste Avondmaal wast hij zijn leerlingen de voeten en zegt ons hetzelfde te doen. We vieren het feest van Christus Koning als de afsluiting van het kerkelijke jaar, als het alles samenvattende Christusfeest. De apostel Johannes vat de boodschap van Christus samen met de woorden: “God is liefde.” (1 Joh 4,8)
Profeet, priester en koning
Met het Doopsel zijn wij gezalfd tot profeet, priester en koning. Evenals Christus (Gezalfde) zijn ook wij gezalfden. Als christenen willen wij Jezus navolgen, leven zoals Hij heeft gedaan. Johannes schrijft: “Vrienden laten wij elkander liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft, is een kind van God, en kent God.” (1 Joh 4,7) Door elkaar lief te hebben, leren wij God kennen en Hem liefhebben. Liefhebben is vooral een kwestie van oefenen. In de liefde is geen dwang. Je kunt niet uit plicht iemand liefhebben. Geloof, hoop en liefde zijn deugden. Hiervan is volgens de apostel Paulus de liefde de grootste (1 Kor 13,13). Een deugd is een eigenschap die je bij jezelf tot ontwikkeling kunt brengen door te oefenen.
Zorg, solidariteit en verzet
Onze dienende taak is drieledig: zorg, solidariteit en verzet ten behoeve van mensen in nood. Zorg is de acute en blijvende hulp. Solidariteit staat voor het kiezen van hun kant en met hun meeleven. Verzet betekent weerstand bieden tegen elke vorm van onrecht en zich inzetten voor structurele verbetering van de situatie. Deze diaconale opdracht is een taak van iedere christen afzonderlijk en een taak van de Kerk als parochie, als bisdom en als wereldkerk. Veel situaties vragen dat wij ons tot een groter verband organiseren, omdat we anders machteloos zijn.
Aan de basis staat altijd de individuele christen met zijn liefde voor de naaste. In zijn eigen omgeving doet hij wat hem te doen staat: omzien naar de mensen in zijn directe omgeving, met hen begaan zijn en hen van dienst zijn waar dat nodig is. Situaties die om meer vragen dan een eenling aankan, vragen om een georganiseerd verband. Dit kan de parochie zijn met haar PCI (Parochiële Caritasinstelling) en haar diaconale werkgroepen. Elders in dit blad wordt daar een overzicht van gegeven. Er zijn ook andere instellingen van caritatieve aard waaraan wij onze bijdrage kunnen leveren. Dienstbaarheid en naastenliefde beperken zich niet tot de Kerk; ook daarbuiten zijn zij te vinden. Zaken die het lokale overstijgen vragen een nationale of internationale aanpak. Dit is vooral het werkgebied van de MOV-groepen (Missie, Vrede en Ontwikkeling).
Naast zorg en solidariteit is er het verzet. Individueel en in kerkelijk verband kunnen wij onze stem laten horen. We kunnen duidelijk maken dat er onrecht in de wereld bestaat en dat we dat niet accepteren en eraan willen bijdragen tot verbetering te komen. Het meest krachtige instrument dat we hier als individu bezitten, is ons democratische stemrecht.
Kracht van het gebed
De apostel Jacobus leert ons: “Het vurig gebed van de rechtvaardige vermag veel.” (Jac 5,16) Bidden is een uiting van liefde en verbondenheid. In het gebed beleven wij onze relatie met God. Met het gebed kunnen wij ook onze verbondenheid met de andere mensen tot uitdrukking brengen. Naast het directe handelen en het geven van financiële steun aan instellingen die werken aan de noden in de wereld, is ook het gebed een vorm van naastenliefde. Juist daar waar wij ons totaal machteloos voelen, biedt het gebed ons de mogelijkheid ons daadwerkelijk met mensen in nood te verbinden en iets voor hen te doen.
Daden van liefde
Op het feest van Christus Koning wordt het jaar van het geloof afgesloten. Centraal stond de herontdekking van het geloof, met het oog op het getuigenis van christenen in de wereld. In een cultuur van ‘geen woorden, maar daden’ is direct de vraag aan de orde: hoe doen we dat concreet. De bisschop van Rotterdam heeft het komende jaar uitgeroepen tot het Laurentiusjaar met als motto ‘Daden van liefde’. Vooral met onze daden getuigen wij van ons geloof.
Het kerkelijk jaar loopt ten einde. Volgende week vieren we Christus Koning, de laatste zondag van het jaar. In deze tijd staan wij stil bij de eindigheid van het aardse bestaan: de eindigheid van de wereld en eindigheid van ons eigen leven. De vraag is: wat geeft ons dan, maar ook nu houvast?
Het Evangelie van vandaag is een nogal weerbarstige tekst. Het is een dreigende tekst vol verwoesting, oorlog, strijd, dood en verderf. Het kwaad wordt in zijn volle omvang geschetst: Het kwaad is een realiteit die werkelijk deel uit maakt van ons bestaan. Niemand van ons hoopt ooit het kwaad in deze heftigheid te ervaren en wij wensen dit ook aan niemand toe. Maar toch: het kwaad bestaat werkelijk. Denk maar aan de beelden die nu uit de Filippijnen komen. En ook dichter bij huis, ook in ons eigen leven kan het flink stormen. Wat geeft ons dan houvast?
Jezus begint vandaag met het afbreken van houvast. In zijn tijd vormde de tempel van Jeruzalem een houvast: een groot en machtig gebouw, een teken van Gods aanwezigheid. Jaarlijks trokken de joden vanuit het hele land er naar toe om daar hun offers te brengen om daar God te loven en te prijzen. Dat houvast – zo zegt Jezus – zal worden verwoest, geen steen zal op de andere gelaten worden. Hoeveel houvast hebben wij op deze wijze voor onszelf opgebouwd. Ons goed verwarmde huis, ons pensioen, onze spaarcenten, onze robuuste auto, onze dagelijkse gewoonten, onze diploma’s, de Cito-toets van onze kinderen, de voorraad in de vriezer, ga zo maar door. Het zijn allemaal vormen van houvast die we niet graag kwijtraken. Inderdaad: koester ze en doe ze niet weg want ze zijn u tot steun. Maar wat zijn ze waard als het er echt op aan komt, geven ze ons dan nog steeds houvast?
Vervolgens waarschuwt Jezus ons: “Weest op uw hoede dat gij niet in dwaling gebracht wordt.” In tijden van onzekerheid, als wij ons normale houvast verliezen, is de dreiging van valse zekerheden groot. Dan is er het gevaar dat we in schijnzekerheden vluchten. Populistische politici maken daar graag gebruik van. Was Nederland maar van vreemde smetten vrij. Waren we maar met ons soort mensen onder elkaar. Alle vreemdelingen, moslims en niet-blanken het land uit: brengt dat werkelijk het aards paradijs? Geven deze politici het houvast dat wij zoeken? Een nog ergere vorm van houvast geeft het fundamentalisme. Fundamentalisme is niet iets dat alleen in de islam voorkomt. Alle godsdiensten – ook het christendom – kennen vormen van fundamentalisme. In ons eigen land is er het atheïstische verlichtingsfundamentalisme dat elke openbare uiting van godsdienst probeert uit te roeien. Deze Evangelietekst is koren op de molen van de fundamentalist. Zij lezen dat er verschrikkelijke dingen moeten gebeuren; daarna zal de redding volgen. Zij draaien de zaak om en volgen de tactiek van de verschroeide aarde. Laten we de geschiedenis een handje helpen door de verschrikkingen zelf te veroorzaken. Het einde der tijden en de redding van de uitverkorenen is dan nabij. Ook fundamentalisme is een vorm van schijnzekerheid en van vals houvast.
Is er nog hoop? Wat is waarheid? Wat geeft ons wel houvast? Jezus wijst ons de weg van het vertrouwen en van de liefde. Het heeft geen zin allerlei voorzorgsmaatregelen te nemen en onze verdediging voor te bereiden. “Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven, die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.” Hij heeft ons zijn Geest gegeven: de heilige Geest die in ons woont. Het is de Geest van liefde die ons vertrouwen en houvast geeft. De liefde kan ons niet worden afgenomen, zij blijft. De apostel Paulus schrijft in zijn lofzang op de liefde dat zij nooit vergaat. De liefde blijft eeuwig, want zo schrijft de apostel Johannes: God is liefde.
Het is de liefde die wij moeten koesteren: de liefde voor God en de liefde voor elkaar. In de liefde moeten wij standvastig zijn. De liefde geeft ons houvast: houvast aan elkaar, houvast aan God. Als wij ons werkelijk in liefde met God en medemens verbonden weten, kan niets ons deren. Er is geen kwaad sterker dan de liefde: de liefde overwint alles. De liefde doet ons ook de waarheid kennen. Wij zeggen: liefde maakt blind. Maar dat gaat over verliefdheid niet over liefde. De liefde zet ons op het spoor van de waarheid. De liefde laat ons het goede zien. De liefde laat ons zien met ons hart. De waarheid van deze wereld kan niet zonder liefde. Liefde en wijsheid, hart en verstand gaan hand in hand. De liefde laat ons zien dat de populistische politicus alleen eigenliefde en egoïsme predikt. De liefde ontmaskert ook de fundamentalist, omdat in zijn waarheid de liefde volstrekt afwezig is.
De liefde is een geschenk van God aan ons. Jezus Christus heeft ons deze liefde geopenbaard. Hij heeft ons laten zien hoe wij een leven in liefde kunnen leiden. Het is aan ons om Hem daarin na te volgen en ons te oefenen in de liefde. Zo zullen wij groeien in liefde voor God en in liefde voor elkaar. Zo groeien wij in verbondenheid met Jezus Christus. Zo krijgen wij met Hem een relatie die ons vertrouwen geeft. Zo wordt zijn liefde voor ons een stevig en onverwoestbaar houvast. Amen.
Een goede informatievoorziening is een wezenlijk onderdeel van de democratie. Om te kunnen deelnemen aan de samenleving is de beschikking over juiste informatie noodzakelijk. Dit stelt eisen aan het brengen van informatie via kranten, radio, televisie en de nieuwe media.
Doel van de media
De communicatiemedia moeten de menselijke samenleving opbouwen en ondersteunen. Zij moeten bijdragen aan het verbeteren van de menselijke persoon en aan het algemeen welzijn. Hierbij moeten zij oog hebben voor onrecht en voor de zwakkeren in de samenleving en de menselijke solidariteit bevorderen.
Eisen aan de media
Om aan haar doel te kunnen beantwoorden, is het nodig dat de media waarheidsgetrouw zijn en dat er een vrij verkeer van ideeën is. Informatieverstrekkers moeten zich bewust zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zij moeten op een verantwoorde wijze onderscheiden en selecteren en waar nodig feiten op zinvolle wijze toelichten en duiden. Alleen maar een stortvloed van informatie aanbieden werkt niet. Het brengen van informatie mag groeperingen of individuen niet onnodig schaden.
Randvoorwaarden
Informatievoorziening is nooit strikt neutraal. Er moet sprake zijn van verscheidenheid van meningen en ideeën en ruimte zijn voor culturele verschillen. De media mogen niet beheerst worden door een enkele politieke stroming. Zij moeten onafhankelijk zijn en niet overheerst worden door commerciële belangen. Concentratie van macht over vele media bij enkele instituten of individuen schaadt de democratie en de samenleving. Informatievoorziening mag ook niet onderschikt zijn aan amusement. Informatie moet voor iedereen toegankelijk zijn. De communicatietechnologie mag geen kloof veroorzaken tussen informatierijken en informatiearmen.
Participatie
Iedere mens heeft de opdracht individueel of in verbondenheid met anderen deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Kennisnemen van wat er in de wereld gebeurt, is hiervan een onderdeel. Niemand mag zich van de wereld om zich heen afsluiten. De communicatiemedia zijn ook een middel om bij te dragen aan de verbetering van de maatschappij en het opbouwen van de wereldwijde verbondenheid van de mensheid.
De herfst is aangebroken, de natuur sterft af. De dagen worden steeds korter. Het landschap wordt donker, stil en leeg. Het kerkelijk jaar is de laatste maand ingegaan. We vieren Allerheiligen en Allerzielen. Het is een tijd van bezinning op ons leven. Vandaag komen verschillende zaken bij elkaar. We staan stil bij onze eigen sterfelijkheid. We gedenken onze dierbare overledenen. We geloven en bidden dat God hen opneemt in zijn rijk van liefde. We beseffen ook dat we tekortschietende mensen zijn.
De apostel Johannes ziet in een visioen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Hij hoort hoe God zijn woning kiest onder de mensen: “Hij zal bij hen wonen, zij zullen zijn volk zijn.” “Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal zijn want al het oude is voorbij.” Zo schetst Johannes voor ons mensen een leven van geluk. Wij kunnen ons geen enkele voorstelling maken van het leven na de dood, van het eeuwig leven. En toch hopen en verlangen wij naar dat volmaakte geluk. Wij noemen dat: het ware leven, het eeuwig leven. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn.
Hoe ziet het eeuwig leven eruit? De lezingen van vandaag helpen ons daarbij niet echt verder. Wel lezen we hierin, dat het in het eeuwig leven nog steeds om mensen gaat. Wij gaan niet op in iets algemeens, iets abstracts zoals licht of energie. Wij keren niet terug als iemand anders. Wij geloven niet in reïncarnatie. Wij worden ook geen sterretje aan het firmament. Op een of andere wijze blijven we mensen, individuele mensen levend in gemeenschap. Dat is ook wezenlijk aan het geloof in de verrijzenis. Jezus is net als wij mens geworden. Hij heeft geleden en is gestorven. Hij deelt ten volle met ons het menselijk bestaan. Zijn vrienden hebben Hem in een graf gelegd. Op de derde dag is Hij verrezen uit de doden. En dit is wat ook wij zullen doen. Jezus is ons voorgegaan, wij zullen Hem hierin volgen. Ook wij zullen op de laatste dag verrijzen uit de doden.
Allerheiligen en Allerzielen horen bij elkaar. Gisteren vierden we het heil, de verlossing en de verheerlijking die de heiligen in de hemel ontvangen hebben. Vandaag bidden wij voor de overledenen die nog onderweg zijn naar dat heil. En ook wijzelf zijn geroepen ons leven te heiligen. Allen zijn door God geschapen om heiligen te zijn en uiteindelijk te leven in zijn rijk van vrede en geluk. Sinds het vroegste begin van het christendom weten mensen zich verbonden met de overleden gelovigen, wordt er voor hen gebeden én wordt er om hun voorspraak gevraagd. Wij allen weten ons verbonden met de dierbaren die van ons zijn heengegaan.
De betekenis van Allerzielen gaat verder dan alleen het gedenken van de dierbare overledenen. We beseffen ook dat wij mensen telkens weer tekort schieten. We beseffen dat we voortdurend afhankelijk zijn van Gods genade. In zijn eindeloze liefde zal Hij ons telkens weer onze zonden vergeven. Na onze dood ontmoeten wij onze Heer en in zijn aangezicht overzien wij ons leven. Het is zoals met de apostel Petrus. Na zijn verraad van Jezus, kijkt de Heer hem aan en Petrus weent bitter. Dat is de loutering die Petrus ondergaat in het aangezicht van Christus.
De wapenspreuk van paus Franciscus luidt: ‘Miserando atque eligendo’. Vrij vertaald kun je zeggen: ‘uit barmhartigheid gekozen’. De tekst is ontleend aan de roeping van Matteüs door Jezus. Hij zag hem met mededogen aan en koos hem. Wij hopen ooit die blik van barmhartigheid van Jezus te zien. Wij hopen dat Hij ieder van ons met barmhartigheid aanschouwt en ons ondanks al onze tekortkomingen zal opnemen in zijn heerlijkheid. Een blik van barmhartigheid kan ons doen blozen, kan ons doen beseffen dat wij tekort schieten en fouten maken. Op dat moment ondergaan wij een loutering, waar we beter uit te voorschijn komen. Zo zullen wij ook na onze dood een loutering ondergaan.
Jezus heeft ons het leven voorgeleefd. Hij heeft ons laten zien hoe wij van God en van de mensen kunnen houden. Hij heeft ons laten zien hoe wij kunnen leven met geloof, hoop en liefde. Als wij net als Hij leven met geloof, hoop en liefde zullen wij eens net als Hij uit de doden opstaan. Wij zullen net als Hij mogen leven in Gods heerlijkheid.
De gemeenschap van alle gelovigen gaat over de grenzen van de dood heen. De banden van de liefde zijn sterker dan de dood. Zo zijn wij hier op aarde ook blijvend verbonden met onze overleden broeders en zusters. Zij die in de eeuwige zaligheid, voor het aangezicht van God leven, kunnen voor ons een voorspraak zijn. Hen kunnen wij aanroepen om voor ons tot God te bidden. Van oudsher vieren wij de Eucharistie op de graven van de martelaren. Hier doen we dat boven een relikwie van de H. Bartholomeus. Voor hen die nog onderweg zijn, bidden wij zelf. Ook met hen zijn wij verbonden en wij vragen aan God hen op te nemen in zijn rijk van vrede en geluk. Zo blijven wij innig verbonden met onze dierbare overledenen. Zo overwinnen geloof, hoop en liefde de dood. Zo is het leven zelf sterker dan de dood. Amen.
Auteur: Jan De Volder
Titel: Trialoog: Gesprekken tussen rabbijn Aharon Malinsky, priester Hendrik Hoet en imam Jamal Maftouhi
Uitgever: Lannoo 2013; prijs: € 17,99
ISBN: 978 94 014 0972 8;
aantal pagina’s: 174
Al tien jaar zijn zij met elkaar in gesprek in Antwerpen: een trialoog van een imam, een priester en een rabbijn. Jan De Volder sprak met hen over hun geloof. Wat zijn de verschillen en de overeenkomsten tussen christendom, islam en jodendom? Wat waarderen ze in elkanders religie en wat keuren ze af? Wat betekent het vanuit drie verschillende geloofstradities elkaar te spreken? Wat is de plaats van de religies in onze huidige samenleving en welke bijdrage leveren zij daaraan?
De basis voor deze gesprekken is de vriendschap tussen de drie mannen. Allen hebben ze een sterke identiteit vanuit hun eigen geloof. De vriendschap stelt hen in staat elkaar te aanvaarden. Door de vriendschap is de ander niet meer verdacht.
Na een eerdere uitgave in 2005 zijn de mannen voor deze nieuwe uitgave opnieuw met elkaar in gesprek met aandacht voor de ontwikkelingen van de laatste jaren. Op heldere wijze worden de standpunten geformuleerd. Het boek is een aanrader voor allen die een weg zoeken in onze multireligieuze samenleving.
In onze tijd zien we twee ontwikkelingen die op het eerste gezicht strijdig met elkaar zijn. Enerzijds is er sprake van globalisering. De wereld kent steeds meer samenhang en integratie. Ontwikkelingen zijn niet langer lokaal maar mondiaal. Om maar een voorbeeld te noemen overal ter wereld zie je mensen tegenwoordig dezelfde brillen dragen. Wezenlijke onderwerpen als vrede en veiligheid, economie en ecologie vragen om een wereldwijde aanpak: alles hangt met elkaar samen, niemand kan meer zonder de anderen. Anderzijds is er de ontwikkeling van lokalisering of regionalisering. Hierbij ligt de nadruk op de lokale aanpak en op het eigene van de lokale situatie.
Marketingmensen uit het bedrijfsleven hebben beide ontwikkelingen de afgelopen decennia samengebracht onder de term glocalisering. Er worden wereldwijde concepten ontwikkeld die overal ter wereld een lokale invulling en uitvoering krijgen. Een voorbeeld is McDonalds. Overal ter wereld zie je restaurants van McDonalds, maar de menukaart is afhankelijk van de lokale smaak en van de lokale eetgewoonten. Zo komt men tegemoet aan het idee van wereldwijde verbondenheid, aan de wens erbij te willen horen. En anderzijds wordt het lokale eigene gerespecteerd en gehonoreerd.
De term glocalisering is ongeveer vijfentwintig jaar oud. Maar feitelijk bestaat het idee al tweeduizend jaar. Het christendom heeft vanaf het begin geweten dat zij een boodschap heeft voor alle mensen, voor heel de wereld. En vanaf het begin is er bij de verkondiging van de Blijde Boodschap aansluiting gezocht bij de lokale situaties. Dit kenmerkt het christendom van de eerste eeuwen en dit kenmerkt ook het christendom van alle eeuwen daarna tot op de dag van vandaag.
Zoals uit het voorbeeld van McDonalds al blijkt, is er bij glocalisering ook sprake van een spanningsveld: de tegenstelling tussen wereldwijde eenheid en lokale verscheidenheid. Zo is het gebruik van satésaus typisch Nederlands, dus verwacht niet dat je bij een McDonalds in Duitsland een ‘chicken-saté’ kunt kopen. Het christendom heeft de eeuwen door met deze spanning tussen eenheid en verscheidenheid geworsteld, en zal dat voorlopig ook wel blijven doen. Wat zijn de grenzen van de verscheidenheid? Hoe sterk mag je van elkaar verschillen zonder de eenheid te verliezen? Wat zijn de grenzen van de eenheid? Moeten allen gelijk zijn? Kun je een idee of een gebaar wereldwijd voorschrijven als het in verschillende culturen tegengestelde betekenissen heeft? In het verleden heeft deze spanning geleid tot ernstige verdeeldheid: niet alleen wereldwijd, maar ook lokaal. Dat laatste ervaren wij concreet hier ter plekke in Bleiswijk.
Wat vraagt de toekomst van ons? Laat ik eerst enkele recente ontwikkelingen in de katholieke kerk noemen. Als eerste wil ik stilstaan bij de ‘small Christian communities’: kleine groepen gelovigen die regelmatig bij elkaar komen om samen te bidden en om samen hun geloof te verdiepen. Hier vinden we mensen die hun geloof met elkaar delen, die zich verbonden voelen met elkaar en die zich bij elkaar geborgen weten. Een tweede ontwikkeling zijn de Wereldjongerendagen: jongeren uit de hele wereld komen op uitnodiging van de paus naar een plaats om daar samen in de verbondenheid met elkaar hun geloof te beleven, te verdiepen en te vieren.
De kleine geloofsgroepen zijn typisch een lokale manifestatie van de kerk. Er is volop ruimte voor de lokale eigenheid en de lokale cultuur. Maar deze groepen zijn er niet alleen voor zichzelf. Zij weten dat zij deel uit maken van het grotere geheel van de parochie en van het grotere geheel van de wereldkerk. Vaak wordt vanuit dergelijke groepen vrijwilligerswerk in de parochie gedaan en streven deze groepen ernaar in eenheid met de wereldkerk te leven door de leer en het gezag van de kerk te volgen.
De Wereldjongerendagen zijn een wereldwijde manifestatie van de kerk. Hier staat de eenheid en de wereldwijde verbondenheid met elkaar voorop. Maar juist hier worden jongeren geconfronteerd met de enorme verscheidenheid die de kerk kent: een verscheidenheid van talen, culturen en volkeren. Het is de eenheid in verscheidenheid die hier het meest tot de verbeelding spreekt. Dit kun je overigens ook ervaren als je samen met duizenden anderen – ieder in de eigen taal – het Onze Vader bidt op het Sint Pietersplein in Rome.
Een derde fenomeen zijn de nieuwe bewegingen. Zij zijn in de tweede helft van de vorige eeuw ontstaan en tot bloei gekomen. Het zijn vaak lekenbewegingen rond een specifieke spiritualiteit. Dit laatste maakt ook dat zij zeer divers van karakter zijn. De nieuwe bewegingen combineren het globale en lokale. Lokaal zijn het vaak kleine groepen gelovigen, vergelijkbaar met de eerder genoemde small Christian communities. Daarnaast zijn het ook wereldwijde organisaties. Al deze kleine gemeenschappen onderhouden nationaal en internationaal nauw contact met elkaar. Zowel deze bewegingen als de kerkelijke autoriteiten streven er over het algemeen naar dat de bewegingen door de kerk worden erkend.
Zeggen deze drie ontwikkelingen ons iets over de toekomst van de kerk? Het lijkt mij wel. Wat hier opvalt, is dat er geen sprake is van een richtingenstrijd. Over het algemeen respecteren en waarderen de verschillende groepen en bewegingen elkaar. De postmoderne mens is het pure rationalisme voorbij. Hij weet dat kennen en weten niet alleen een kwestie van het verstand is: voor het kennen en weten van de waarheid heb je ook je hart te nodig. Geloven doe je met hart en hoofd. Dat maakt ook dat je elkaar nodig hebt. In verbondenheid met anderen leer je met je hart te zien en met je hart te spreken. Het individualisme is geen weg naar geluk, geen weg naar liefde. Liefde en geluk vinden we in de gemeenschap, in de verbondenheid met elkaar. Leven in gemeenschap vraagt tegelijkertijd te durven denken in termen van eenheid en in termen van verscheidenheid. De meesten van ons weten dit uit ervaring. Iedereen die getrouwd is, weet dat de eenheid van man en vrouw slechts kan bestaan omdat beide partners wezenlijk van elkaar verschillen.
We weten dat God een is, een en ongedeeld. Zo is ook de waarheid waarin wij christenen geloven een en ongedeeld. Maar niemand is als individu in staat die volle waarheid te kennen. Het is zoals de apostel Paulus schrijft: “Nu kijken we nog in een wazige spiegel…” (1 Kor 13,12). Levend vanuit de liefde en in verbondenheid met elkaar, levend in gemeenschap krijgen we een beter zicht op de waarheid. Eenheid, gemeenschap en verbondenheid betreffen niet alleen het lokale en nabije. De begrippen betreffen ook de gehele mensheid, alle kinderen van God. Wat wij lokaal kunnen ervaren aan eenheid en verbondenheid staat in directe relatie met de wereldwijde eenheid en verbondenheid. De weg naar de waarheid gaat niet alleen langs onze cultuur, zij ligt in handen van alle volkeren en alle culturen samen. Alleen in concrete verbondenheid met elkaar is er een weg naar het heil.
Uitgesproken op 22 okotober in de Dorpskerk te Bleiswijk tijdens de afsluitende bijeenkomst in het kader van ‘1000 jaar kerk in Bleiswijk’. De voorgangers van de vier deelnemende kerken spraken onder leiding van burgemeester Van Vliet over de toekomst van het christendom.
Wat is bidden? Een veel gegeven antwoord is: “Praten met God”. Een breder antwoord is: “Zijn voor Gods aangezicht”. God is er altijd, Hij is altijd bij mij. Ben ik ook bij Hem? Ben ik mij bewust van zijn aanwezigheid? Bidden is je bewust zijn van Gods aanwezigheid.
Wat doe je in aanwezigheid van iemand van wie je houdt, in aanwezigheid van je geliefde, je ouders, je kinderen, je vrienden? Je praat met elkaar, je doet dingen samen, je bent zwijgend bij elkaar. Ieder geeft op zijn eigen manier inhoud aan de verbondenheid met elkaar. Wezenlijk is dat je jezelf bloot geeft, aan de ander durft te laten zien wie echt bent en wat je bezig houdt. Dat geldt ook voor bidden. God wil een relatie met ons. Hij zoekt ons. Hij houdt van ons. Wij willen zijn liefde beantwoorden. Daarom bidden wij.
Het gebed kan heel verschillende inhouden hebben. Het is afhankelijk van jouw situatie: vragen, klagen, bedanken, God prijzen, schuld belijden, geloof belijden. Het volk van Israël moppert in de woestijn en God geeft hun te eten. Vorige keer ging het over de Bijbel. Daarin spreekt God tot ons. In het gebed antwoorden wij God. Bidden kan op vele verschillende manieren: met of zonder woorden, eigen woorden of een bestaand gebed, in stilte of hardop, sprekend of zingend, samen of alleen, binnen of buiten, tijdens andere bezigheden, lopend, dansend. In de stilte van ons hart spreekt God tot ons. Attributen zoals een kruisbeeld of een afbeelding kunnen ons bij het gebed helpen ons te concentreren. Ook de omgeving of muziek kan bijdragen aan het gebed. Houding, gebaren en rituelen kunnen vorm geven aan het gebed. Denk aan het Kruisteken. Sint Augustinus zegt: “Zingen is dubbel bidden.” Mijn moeder zei altijd: “Werken is ook bidden.” Ook met onze daden geven wij een antwoord op Gods liefde voor ons.
Tot wie bidden wij? Wij bidden tot God, tot Hem alleen. Als eerste bidden wij tot God de Vader, we kunnen ook bidden tot Jezus, Gods Zoon en tot de heilige Geest. Jezus is mens geworden zoals wij. Hij kent ons door en door. Vaak bidden wij op zijn voorspraak. Hij is onze middelaar bij God. Wij bidden door Christus, onze Heer. Het initiatief ligt altijd bij God. Wij bidden niet uit onszelf. Het is God die ons laat bidden. Het gebed is de werking van de heilige Geest in ons. Het is de heilige Geest die in ons bidt, Hij laat ons bidden. Het getijdengebed begint ’s ochtends met: “Heer open mijn lippen.” Wij aanbidden alleen God. Katholieken bidden ook het Wees gegroet. Wij kunnen Maria en de heiligen vragen voor ons en met ons te bidden.
Mag je alles aan God vragen? Ja, je mag alles vragen. God zal je geven wat goed voor je is. “Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan.” (Mt 7,7) “Of is er wel iemand onder u, die zijn zoon een steen zal geven als hij om brood vraagt? Of een slang wanneer hij vraagt om een vis?” (Mt 7,9-10) Jezus noemt God zijn vader. Hij zegt ons dat wij dat ook mogen doen. Zie het citaat hierboven en zie het Onze Vader. De basis voor het gebed is de liefde: de liefde van God voor ons en onze liefde voor Hem. Dit verwoorden wij door God Vader te noemen.
Zoals in elke relatie is het nodig dat we met elkaar in het reine zijn. Wanneer wij elkaar tekort doen, als wij elkaar iets verwijten, is er spanning in onze relatie en is er geen ruimte voor de liefde. Dit geldt ook voor onze relatie met God. Hoe weten wij dat wij God liefhebben? “Vrienden laten wij elkander liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is een kind van God, en kent God.” (1 Joh 4,7) Als wij elkaar liefhebben, hebben wij God lief. Dan zijn wij in staat te bidden, dan durven wij God onder ogen te komen.
We vinden dit ook terug in het Onze Vader. “En vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.” Elkaar vergeven is het meest liefdevolle wat je kunt doen. Je kunt iemand alleen maar vergeven als een daad van liefde. Je kunt niet iemand vergeven omdat het moet, omdat het verplicht is of omdat het je goed uitkomt: dat lukt absoluut niet. Elkaar vergeven betekent elkaar liefhebben en dus God liefhebben. Alleen in die situatie zijn wij in staat te bidden en zal God ons vergeven. Heel veel wordt ons gegeven alleen uit liefde van God voor ons. Bij de vraag om het dagelijks brood staat niet: “zoals ook wij aan anderen hun brood geven.” Deze wederkerigheid wordt alleen bij de vergeving genoemd. Vergeving kan niet zonder wederzijdse liefde. Dat geldt voor vergeving schenken, maar voor vergeving vragen. Je kunt geen vergeving vragen zonder liefde voor de ander. Ook vergeving vragen is een daad van liefde. Alles wat de wederzijdse liefde in de weg staat, de wederzijdse liefde verhindert, maakt het gebed onmogelijk. Op dat moment willen wij helemaal niet voor Gods aangezicht verschijnen. Op dat moment kunnen we hooguit doen alsof, alleen maar toneel spelen.
In de eerste lezing en in het Evangelie gaat het over genezing maar meer nog over de reactie van hen die genezen zijn: hun dankbaarheid. De Syriër Naäman bekeert zich tot de God van Israël. Voor hem zijn goden verbonden met het land waar zij vereerd worden. Daarom wil hij een vracht aarde mee naar huis. Op deze aarde kan hij de God van Israël aanbidden.
In het Evangelie is het slechts één van de tien genezen melaatsen die terugkeert om Jezus te danken voor zijn genezing. Deze ene is een Samaritaan, de andere negen zijn waarschijnlijk joden. Zij vervullen eerst de wet van Mozes en gaan naar priesters om van hen de verklaring te ontvangen dat zij werkelijk genezen zijn. Er blijft veel onduidelijk in dit verhaal. De tien mannen zijn blijkbaar samen op weg gegaan naar Jeruzalem om zich aan de priesters te laten zien. Onderweg zijn zij genezen van hun melaatsheid. Wanneer is de Samaritaan teruggekeerd naar Jezus? Was voor hem de genezing belangrijker dan de verklaring van de priesters? Of heeft ook hij eerst de priesters bezocht? En de anderen? Zijn die gewoon overgegaan tot de orde van de dag? Wat het verhaal wel vertelt, is dat de Samaritaan God verheerlijkt vanwege zijn genezing. Hij erkent dat de genezing een geschenk van God is. Deze dankbaarheid is voor Jezus het bewijs van zijn geloof: “Uw geloof heeft u gered.” Het geloof leidt niet alleen tot genezing, het brengt ook redding.
Alleen als je gelooft, kun je het leven zien als een gave, als genade. Alle liefde en geluk en ook alle materiële welvaart aanvaard je als een geschenk. Daarom vieren wij oogstdankdag: wij ervaren de vruchten van de aarde en de vruchten van onze arbeid als een geschenk van God. Ongetwijfeld heeft het ons zelf ook inspanning gekost, maar zonder zijn instemming komt het niet tot stand. In Psalm 127 wordt dat als volgt verwoord: “Als de Heer het huis niet bouwt, werken de bouwers vergeefs. Als de Heer de stad niet beschermt, waakt de wachter vergeefs.”
Hoe anders is dat voor de ongelovige. Hij moet alles op eigen kracht doen. Volgens hem wordt ons niets gegeven. Als het tegen zit of als hij ongelukkig is, kan hij alleen zichzelf daarvan de schuld geven. Degene die gelukkig en succesvol is, heeft dat geheel aan zichzelf te danken. Hij zal zichzelf op de borst slaan omdat hij zo geweldig is. Hij zal pronken met zijn succes: heel de wereld mag weten hoe goed hij is. Dat is het beeld van onze seculiere samenleving, van de cultuur van vandaag. Je ziet het overal om je heen: de mensen met succes worden bejubeld en de mensen zonder succes worden – onder het motto ‘eigen schuld, dikke bult’ – aan de kant gezet. Onafhankelijkheid en zelfredzaamheid zijn de sleutelwoorden in het hedendaagse denken. Het leven en het geluk zijn maakbaar door onszelf.
Alleen de gelovige kan omgaan met de onbeheersbaarheid en kwetsbaarheid van het leven. Ons leven is niet alleen afhankelijk van onze eigen inspanningen. Natuurlijk moeten wij onze bijdrage leveren, maar op de eerste plaats leven we uit de genade. Op de eerste plaats is alles een geschenk. Om dat te kunnen zien, moet je er open voor staan, moet je geloven. Dan ben je ook in staat met de genade mee te werken. Geloven betekent niet dat je vervalt in fatalisme, dat je achterover leunt, omdat je er niets aan kunt doen. Geloven betekent niet, dat je denkt: laat maar waaien. Het geloof maakt je ook verantwoordelijk: niet als eindverantwoordelijke, maar als medewerker.
Het thema van deze oogstdankdag is: “Wat houdt ons gaande, wat houdt ons staande.” Op dit moment denkt u mogelijk dat is mijn geloof in God, morgen zoekt u het mogelijk weer meer in aardse zekerheden. Het moge duidelijk zijn: het gaat om de combinatie van beide. Gods genade vormt de basis. Met onze eigen inspanningen zijn wij zijn medewerkers.
Als wij in dit jaar van het geloof bidden om meer geloof, moeten wij vooral vragen dat ons geloof een grotere plaats in ons leven mag krijgen, dat wij veel meer en met grotere intensiteit leven vanuit ons geloof, dat wij ons geloof de centrale plaats in ons leven geven.
Als gelovige mensen kunnen wij oprecht dankbaar zijn voor alles wat wij ontvangen: voor het geluk dat ons ten deel valt, voor gezondheid en voorspoed en voor de resultaten die wij boeken. Deze dankbaarheid maakt ook dat wij werkelijk van ons leven genieten.
Maar ook bij tegenslag en in tijden dat het minder goed met ons gaat, hoeven wij niet bij de pakken neer te zitten en verlamd te raken. Ons geloof geeft ons ook hoop, hoop op betere tijden. In het lijden en de tegenslag mogen wij ons verbonden weten met Christus: Hij die ons menselijk bestaan heeft aangenomen en voor ons geleden heeft. Paulus ervaart het in zijn gevangenschap in Rome. Vanuit die situatie schrijft hij zijn brief aan Timoteüs. Zoals Paulus zich innig verbonden voelt met Christus, zo mogen wij dat ook doen: “Als wij met Hem gestorven zijn zullen wij met Hem leven. Als wij volharden, zullen wij met Hem heersen.” Zelfs als wij – zwakke mensen – het niet altijd kunnen opbrengen Hem trouw te blijven, zelfs dan blijft Hij ons trouw: “Zichzelf verloochenen kan Hij niet.” Amen.