Skip to content

De vreugde van het Evangelie

2 december 2013

Na zijn eerste encycliek Lumen fidei, die nog grotendeels door Benedictus XVI is geschreven, nu een schrijven geheel van de hand van paus Franciscus: de apostolische exhortatie Evangelii gaudium. Een exhortatie is een leerstellig schrijven, een aansporing van de paus, zij het van minder gewicht dan een encycliek. Vaak bevat zij de resultaten van een bisschoppensynode. In dit geval is dat de synode over de nieuwe evangelisatie in oktober 2012.

Franciscus opent met: “De vreugde van het Evangelie vult de harten en levens van allen die Jezus ontmoeten.” Het woord vreugde keert steeds weer terug; het is een sleutelwoord in deze brief aan alle katholieken. “Niemand moet denken dat deze uitnodiging niet voor hem of haar bedoeld is, want niemand wordt uitgesloten van de vreugde die door de Heer wordt gebracht.” (3) Dat evangelisatie een vreugde is, geeft de paus aan met: “Een evangelist moet er nooit uitzien alsof hij net van een begrafenis is teruggekeerd!” (10) Zijn doel omschrijft hij met: “In deze exhortatie wil ik de christenen aanmoedigen deel te nemen aan een nieuw hoofdstuk van evangelisatie dat gekenmerkt wordt door deze vreugde, en ondertussen wil ik nieuwe wegen voor de gang van de Kerk gedurende de komende jaren aangeven.” (1) “De grootste bedreiging van de van consumentisme doordrongen wereld van vandaag is de troosteloosheid en gekweldheid voortkomend uit een zelfgenoegzaam en begerig hart, uit de ziekelijke zucht naar oppervlakkig vermaak en uit een afgestompt geweten. (…) Gods stem wordt niet meer gehoord, de kalme vreugde van de liefde wordt niet langer ervaren en de wens om goed te doen vervaagt.” (2)

De paus bouwt zijn betoog zorgvuldig op. Hij bouwt voort op de vruchten van het Tweede Vaticaans Concilie. Veelvuldig worden zijn voorgangers van de afgelopen halve eeuw geciteerd en ook maakt hij gebruik van de resultaten van verschillende bisschoppenconferenties. Op basis hiervan zet hij nu nieuwe stappen. Hij heeft concrete mensen voor ogen, geen structuren, organisaties en abstracties, maar mensen. Centraal staat zijn zorg voor de armen en de ontheemden, zij die niet gezien worden. Het gaat om de toekomst van alle mensen en heel de schepping. Hij relativeert zijn eigen positie door aan te geven dat men van het pauselijk leergezag geen “definitief of compleet antwoord op alle vragen” mag verwachten. “Het is niet raadzaam, dat de paus op de stoel van de plaatselijke bisschoppen gaat zitten door elke lokale kwestie te beoordelen. Zo ben ik mij bewust van de noodzaak om een heilzame ‘decentralisatie’ te bevorderen.” (16)

De paus onderscheidt drie gebieden van evangelisatie: het gebruikelijke pastorale werk, de randkerkelijken en hen die Jezus Christus niet kennen of Hem verwerpen. (14) Hij geeft een aantal richtlijnen om de hele Kerk aan te moedigen en te leiden in een nieuwe fase van evangelisatie. De volgende thema’s worden uitvoerig belicht: de hervorming van de Kerk in haar missionaire taak; de verleidingen van werkers in het pastoraat; de Kerk, gezien als het hele Volk van God dat evangeliseert; de preek en de voorbereiding ervan; de opname van de armen in de samenleving; vrede en sociale dialoog; de geestelijke motivatie voor missionering. (17)

De missionaire hervorming van de Kerk

“Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb.” (Mt 28,19-20) Deze woorden van Jezus vormen de missionaire opdracht van de Kerk. (19) Iedere christen heeft de opdracht op weg te gaan. (20) “Vertrouwend op het voorbeeld van de Meester is het van levensbelang voor de Kerk nu op weg te gaan en het Evangelie aan iedereen op alle plaatsen en bij alle gelegenheden zonder aarzeling, tegenzin of angst te verkondigen.” (23) Evangelisten trekken er op uit: “Zo nemen evangelisten ‘de geur van de schapen’ aan en de schapen luisteren naar hun stem. Een evangeliserende gemeenschap is ook ondersteunend. Zij begeleidt mensen bij iedere stap op hun weg, ongeacht hoe moeilijk en langdurig dit mag zijn.” (24) Overal ter wereld moeten we voortdurend missioneren. (25)

Zonder evangelische inspiratie en trouw aan haar eigen opdracht zal elke nieuwe structuur van de Kerk ineffectief zijn. (26) De parochie is niet achterhaald. Haar flexibiliteit stelt haar in staat tot vernieuwing. Zij is de aanwezigheid van de Kerk in een bepaald gebied en spoort haar leden aan tot evangelisatie. (28) De bisschop “gaat hierin zijn volk voor, wijst hen de weg en houdt hun hoop levend.” Op andere momenten steunt hij hen met zijn aanwezigheid, helpt hij de achterblijvers en vindt nieuwe wegen voor de kudde. Participatie wordt door hem aangemoedigd en hij ontwikkelt hiervoor mogelijkheden. (31) De paus ziet het als zijn opdracht het pausschap in de zelfde zin te hervormen. “Het pausdom en de centrale structuren van de universele Kerk moeten ook de roep om pastorale hervorming horen. (…) In plaats van ondersteunend te zijn bemoeilijkt de buitensporige centralisatie het leven van de Kerk en haar missionaire dynamiek.” (32) Pastoraat vanuit een missionaire houding vraagt dat de zelfgenoegzame houding van ‘We hebben het altijd zo gedaan’ wordt opgegeven.” (33)

Het gaat om het hart van het Evangelie: “Als we een pastoraal doel en een missionaire stijl aanvaarden die werkelijk iedereen zonder uitzondering of uitsluiting moet bereiken, moet de boodschap zich beperken tot het essentiële, tot het mooiste, het grootste, het meest aansprekende en tegelijk het meest noodzakelijke. De boodschap is eenvoudig zonder iets aan diepte en waarheid te verliezen, en wordt zo krachtiger en overtuigender.” (35)

De Kerk zelf moet groeien in haar interpretatie van de openbaring en het begrijpen van de waarheid. Theologen, exegeten en andere wetenschappers ondersteunen haar hierin. (41) Tegenwoordig is het nodig de onveranderlijke waarheden telkens weer opnieuw te verwoorden. “Laat ons nooit vergeten dat de verwoording van de waarheid vele vormen kan aannemen.” (41) Evangelisatie moet gestalte krijgen binnen de grenzen van taal en omstandigheden.

“Een Kerk die ‘op weg gaat’ is een Kerk met open deuren.” Dat zijn open deuren om naar buiten te gaan. (46) “Dit geldt speciaal voor het sacrament dat de ‘deur’ zelf is: het Doopsel. De Eucharistie, hoewel dit de volheid van het sacramentele leven vormt, is geen beloning voor de volmaakten maar een krachtig medicijn en voedsel voor de zwakken.” (47) Een missionaire Kerk heeft een voorkeur voor de armen. (48) “Ik geef de voorkeur aan een Kerk die door op straat te zijn gedeukt, gewond en vuil is, in plaats van een Kerk die ongezond is als gevolg van haar geslotenheid en haar hang naar eigen veiligheid.” (49)

Te midden van de crisis van de betrokkenheid van de gemeenschap

In onze huidige samenleving zijn er processen van ontmenselijking gaande die moeilijk te keren zijn. “Wij moeten duidelijk onderscheiden wat mogelijk een vrucht van het Koninkrijk is en wat tegen Gods plannen ingaat.” (51)

Nee tegen een economie van uitsluiting
“Hoe is het mogelijk dat het geen nieuws is als een oudere dakloze doodvriest, maar dat het wel nieuws is als de beurs twee punten daalt? Dit is een vorm van uitsluiting. Kunnen wij aan de kant blijven staan als voedsel wordt weggegooid terwijl er mensen verhongeren? Dat is een vorm van ongelijkheid. (…) Uitsluiting heeft uiteindelijk te maken met de betekenis van het lidmaatschap van de samenleving; zij die uitgesloten worden, zijn niet langer de onderkant of de rand van de samenleving, niet de machtelozen, nee zij zijn er zelfs geen deel meer van. De uitgeslotenen zijn niet de ‘verdrukten’ maar vuilnis, afval.” (53) Het idee dat economische groei door een vrije markt onvermijdelijk tot meer rechtvaardigheid en betrokkenheid in de wereld leidt, geeft uitdrukking aan een wreed en naïef vertrouwen in de goedheid van de economische machthebbers en in de verafgode werking van het heersende economische systeem. Er ontstaat een wereldwijde onverschilligheid en tenslotte zijn wij niet meer in staat tot medelijden met de armen en tot huilen om de pijn van anderen, en voelen we geen behoefte meer om hen te helpen. “De cultuur van bezit doodt ons.” (54)

Nee tegen de nieuwe afgoderij van het geld
“Een van de oorzaken van deze situatie wordt gevonden in onze relatie met geld, omdat we rustig de overheersing door het geld over onszelf en over onze samenleving accepteren.” (55) Het groeiende verschil in inkomen wordt verdedigd met de absolute autonomie van de markt en van de financiële speculatie. “De dorst naar macht en bezit kent geen grenzen.” (56)

Nee tegen een financieel systeem dat heerst in plaats van dient
“Achter deze mentaliteit schuilt een verwerping van moraal en een verwerping van God. Moraal wordt met een zekere spottende verachting beschouwd. Zij wordt als contraproductief en als te menselijk beschouwd, omdat zij geld en macht relativeert.” (57)

Nee tegen de ongelijkheid die geweld voortbrengt
Een samenleving die een deel van zichzelf aan de kant laat staan, brengt door dit onrecht geweld voort. Evenals het goede heeft ook het kwaad de neiging zich te verspreiden en ondermijnt daarmee het politieke en sociale systeem. (59) “De huidige economische mechanismen bevorderen buitensporige consumptie. Echter het is duidelijk dat ongebreideld consumentisme in combinatie met ongelijkheid het sociale bouwwerk dubbel beschadigt.” (60)

Vervolgens staat de paus stil bij een aantal uitdagingen die zowel de Kerk als de gehele samenleving aangaan. “In de heersende cultuur gaat de voorkeur uit naar het uiterlijke, het onmiddellijke, het zichtbare, het snelle, het oppervlakkige en het tijdelijke. (…) Globalisering betekent in vele landen het verlaten van de eigen culturele wortels en een invasie van andere manieren van denken en doen. (62) Nieuwe religieuze bewegingen dagen het katholieke geloof van vele volkeren uit. Sommige zijn fundamentalistisch, andere gaan richting een spiritualiteit zonder God. Ondertussen leidt de katholieke Kerk aan toenemende bureaucratie. (63) “Het seculariseringsproces neigt ernaar het geloof en de Kerk tot de private en persoonlijke sfeer te reduceren. Bovendien veroorzaakt het door de complete verwerping van het transcendente een groeiende morele verwording, een afkalving van het idee van persoonlijke en gemeenschappelijke zondigheid en een gestage groei van het relativisme. Dit heeft geleid tot een algemeen gevoel van disoriëntering.” (64) “Het gezin ondergaat evenals alle gemeenschappen en sociale verbanden een diepe culturele crisis.” (66) “Het individualisme van onze postmoderne tijd moedigt een levensstijl aan die de ontwikkeling en de stabiliteit van persoonlijke relaties verzwakt en de familiebanden verstoort.” (67)

Franciscus wijst op het belang van inculturalisatie van het geloof. De Westerse cultuur is doorspekt met het christendom en dat biedt vele aanknopingspunten voor evangelisatie. (68) Volksdevoties kunnen hierbij een ingang vormen. (69) Speciale aandacht vraagt hij voor de stadscultuur. “Wij moeten de stad op met een contemplatieve blik bekijken, met een gelovige blik waarmee we Gods aanwezigheid zien in de huizen, in de straten en de pleinen. Hij leeft onder de burgers en bewerkt de solidariteit, de broederschap en het verlangen naar goedheid, waarheid en gerechtigheid. (71) In de stad ontstaan voortdurend nieuwe culturen. Het zijn uitgelezen plaatsen voor nieuwe evangelisatie. (73) Steden zijn multicultureel. “Verscheidene culturen bestaan er naast elkaar en geven vaak aanleiding tot segregatie en geweld. De Kerk wordt geroepen tot de organisatie van de ingewikkelde dialoog.” (74) De stad kent vele mensonterende problemen. “Tegelijkertijd zijn wat belangrijke plaatsen van ontmoeting en solidariteit zouden kunnen zijn, vaak plaatsen van afsluiting en wederzijds wantrouwen. (…) De verkondiging van het Evangelie zal in deze situaties de basis zijn voor het herstel van de menselijke waardigheid.”

Na deze maatschappijkritiek gaat de paus in op beproevingen waarmee werkers in het pastoraat van doen hebben.

Ja tegen de uitdaging van een missionaire spiritualiteit
“Tegenwoordig zien we bij vele werkers in het pastoraat (…) een overdreven zorg voor hun persoonlijke vrijheid en ontspanning, wat ertoe leidt dat zij hun werk als slechts een aanhangsel van hun leven beschouwen, alsof het geen deel is van hun identiteit.” (78) Onze mediacultuur is sceptisch en cynisch richting de Kerk, waardoor vele werkers in het pastoraat een minderwaardigheidscomplex ontwikkelen. (79) “Werkers in het pastoraat kunnen dus vervallen tot een relativisme, dat (…) nog gevaarlijker is dan leerstellig relativisme. (…) Dit praktisch relativisme bestaat uit doen alsof God niet bestaat, besluiten nemen alsof de armen niet bestaan, doelen formuleren alsof de anderen niet bestaan, werken alsof mensen die het Evangelie niet hebben ontvangen, niet bestaan. Laten we onszelf niet toestaan van het missionaire enthousiasme beroofd te worden!” (80)

Nee tegen egoïsme en spirituele traagheid
“Op het moment waarop we vooral missionaire dynamiek nodig hebben die zout en licht in de wereld brengt, zijn vele leken bang dat ze gevraagd worden om enig apostolisch werk te verrichten en proberen zij elke verantwoordelijkheid die beslag legt op hun vrije tijd, te vermijden.” (81) “Het probleem is niet altijd een overvloed aan bezigheden, maar eerder de slecht geleefde bezigheden, zonder passende motivatie, zonder een spiritualiteit die ze doordrenkt en ze plezierig maakt.” (82) “En zo krijgt de grootste bedreiging gaandeweg vorm: het grijze pragmatisme van het dagelijks leven van de Kerk waar alles normaal lijkt te gaan terwijl in werkelijkheid het geloof slijt en degenereert tot benepenheid. (…) Laten we onszelf niet toestaan van de vreugde van evangelisatie beroofd te worden!” (83)

Nee tegen steriel pessimisme
“De vreugde van het Evangelie kan ons door niemand en niets worden afgenomen. (zie Joh 16,22) Het kwaad in de wereld – en in de Kerk – mag geen excuus zijn voor afname van ons inzet en onze ijver.” (84) Een ernstige bedreiging vormt het defaitisme dat ons tot klagende en gedesillusioneerde pessimisten maakt. “De christelijke overwinning is altijd een kruis, echter een kruis dat op het zelfde moment een overwinningsbanier is dat met strijdlustige tederheid tegen de aanvallen van het kwaad wordt gedragen. De kwade geest van defaitisme is de broer van de verleiding tot een te vroege scheiding van het onkruid van de tarwe; het is de resultaat van een ernstig en egocentrisch gebrek aan vertrouwen.” (85) “Laten we onszelf niet toestaan van de hoop beroofd te worden!” (86)

Ja tegen de nieuwe door Christus gevormde relaties
Meer communicatiemogelijkheden geven meer mogelijkheden tot ontmoeting en tot solidariteit. Er op uit gaan en je bij een ander aan sluiten doet je goed. Je egocentrisch in jezelf opsluiten doet de menselijkheid aan het kortste eind trekken. (87) “Het christelijk ideaal zal altijd eisen de verdachtmaking, het gebruikelijke wantrouwen, de angst voor verlies van privacy, het defensieve gedrag van de huidige wereld, te overwinnen. (…) Het Evangelie zegt ons voortdurend een ontmoeting van aangezicht tot aangezicht te riskeren.” (88) De ‘spiritualiteit van welbevinden’ los van de gemeenschap en de ‘theologie van bezit’ los van verantwoordelijkheid voor onze broeders en zusters zijn niets anders dan een vorm van egocentrisme. (90) Wij moeten leren Jezus te ontmoeten in het gelaat van de ander, in zijn stem, in zijn klacht. “En leren te lijden door de gekruisigde Jezus te omarmen als we ten onrechte worden aangevallen of met ondankbaarheid worden bejegend zonder ooit moe te worden van ons besluit in broederschap te leven.” (91) “Broederlijke liefde laat ons de heilige grootsheid van onze naaste zien, doet ons God in iedere medemens vinden. (…) Laten we onszelf niet toestaan van de gemeenschap beroofd te worden!” (92)

Nee tegen wereldse spiritualiteit
Wereldse spiritualiteit zoekt niet Gods glorie maar die van mensen en van persoonlijk welbevinden. “Een veronderstelde leerstellige of disciplinaire zekerheid die leidt tot narcistisch, autoritair en elitair denken, leidt in plaats van tot evangelisatie tot een analyse en kwalificatie van de ander, en in plaats van de deur naar genade te openen, verbruikt zij onze energie door inspectie en verificatie.” (94) De wereldse spiritualiteit heeft de pretentie de ruimte van de Kerk over te nemen. “Bij sommigen zien we een buitensporige gerichtheid op de liturgie, op de leer en op het aanzien van de Kerk, maar zonder enig idee dat het Evangelie werkelijk iets met Gods gelovige volk doet en van de concrete noden van onze tijd. (95) “God bespaar ons een wereldse Kerk met kunstmatige spirituele en pastorale opsmuk! De verstikkende wereldlijkheid kan alleen genezen worden door de pure lucht van de heilige Geest in te ademen. Hij bevrijdt ons van egocentrisme gehuld in een uiterlijke religiositeit zonder God. Laten we onszelf niet toestaan van het Evangelie beroofd te worden!” (97)

Nee tegen onderlinge oorlog
De paus waarschuwt tegen groepsvorming binnen de Kerk, tegen het afstand willen nemen van de rijke verscheidenheid van de Kerk. (98) We moeten ons verheugen in ieders gaven, die ons allen toebehoren. (99) “Laten we onszelf niet toestaan van het ideaal van de broederlijke liefde beroofd te worden!” (101)

Verder vraagt Franciscus aandacht voor een grotere betrokkenheid van leken binnen de Kerk. Vooral vraagt hij aandacht voor de positie van de vrouw, want vrouwelijk talent is overal in de samenleving nodig, overal waar belangrijke besluiten worden genomen zowel in de Kerk als in andere organisaties. (103) Het is een grote uitdaging voor pastores en theologen om de mogelijke rol van de vrouw in de besluitvorming binnen de Kerk na te gaan. (104) “Jongeren vinden binnen de huidige structuren vaak geen antwoord op hun zorgen, noden, problemen en pijnen.” (105) De gehele gemeenschap heeft de taak de jongeren te evangeliseren en te onderrichten. (106) “Jongeren roepen ons op tot hernieuwde en groeiende hoop, want zij vertegenwoordigen nieuwe richtingen voor menselijkheid en laten ons de toekomst zien, tenzij wij vasthouden aan nostalgische structuren en gewoonten die in de wereld van vandaag geen leven meer geven.” (108) “Uitdagingen zijn er om te overwinnen! Laat ons realistisch zijn, zonder onze vreugde, onze moed en onze hoopvolle betrokkenheid te verliezen. Laten we onszelf niet toestaan van missionaire kracht beroofd te worden!” (109)

De verkondiging van het Evangelie

“Evangelisatie is de taak van de Kerk. (…) Zij is allereerst een pelgrimerend volk onderweg op weg naar God.” (111) Het principe van het primaat van de genade moet altijd het baken zijn dat onze overwegingen over evangelisatie voortdurend verlicht. (112) Gods genade is er voor iedereen. “Hij heeft gekozen iedereen tezamen als een volk te roepen en niet als individuen. Niemand wordt door zichzelf persoonlijk of door eigen kracht gered.” (113) “Kerk zijn betekent Gods volk zijn. (…) De Kerk moet een plaats zijn waar barmhartigheid gratis is, waar iedereen verwelkomd, geliefd, vergeven en bemoedigd wordt om het goede leven van het Evangelie te leven.” (114)

“Het volk van God wordt concreet in de volkeren van de wereld, ieder met zijn eigen cultuur. Het begrip cultuur is een waardevol instrument om de verschillende uitdrukkingsvormen van christelijk leven binnen het volk Gods te verstaan.” (115) “Iedere cultuur biedt positieve waarden en vormen die de wijze waarop het Evangelie verkondigd, begrepen en geleefd wordt, kunnen verrijken.” (116) Wanneer zij goed wordt begrepen, is culturele verscheidenheid geen bedreiging voor de eenheid van de Kerk. (…) Evangelisatie erkent vreugdevol deze rijke verscheidenheid die de heilige Geest in de Kerk uitstort.” (117) “Het is een onbetwistbaar feit dat geen enkele cultuur op zich het mysterie van onze verlossing in Christus uitputtend kan verklaren.” (118)

“De aanwezigheid van de heilige Geest geeft christenen een zekere verwantschap met de goddelijke werkelijkheid en de wijsheid deze werkelijkheid intuïtief aan te voelen, zelfs als zij niet in staat zijn dit nauwkeurig onder woorden te brengen.” (119) “In de kracht van hun Doopsel zijn alle leden van Gods volk missionaire leerlingen geworden.” Evangelisatieplannen mogen zich niet beperken tot de inzet van professionals en mogen niet voorbij gaan aan de rol van ieder lid van de gemeenschap. (120) “Ieder van ons moet manieren vinden om over Jezus te spreken waar we ook zijn. (…) Missionering is een voortdurende aansporing niet aan onze middelmatigheid toe te geven maar te blijven groeien.” (121)

“Nadat het Evangelie in een volk is geïnculturaliseerd, wordt met het doorgeven van de cultuur ook op steeds nieuwe manieren het geloof doorgegeven; vandaar het belang van het zien van evangelisatie als inculturalisatie.” In deze zin moeten ook volksdevoties als een uitdrukking van spontane missionering worden gezien. (122) “Volksdevoties laten ons zien hoe het eens ontvangen geloof onderdeel wordt van een cultuur en voortdurend wordt doorgegeven.”(123) “Vormen van volksdevotie kunnen ons veel leren. Voor hen die staat zijn ze duiden, vormen ze een locus theologicus die onze aandacht vraagt, vooral met het oog op de nieuwe evangelisatie.” (126)

“Nu de Kerk een diepgaande missionaire vernieuwing nastreeft, is er een vorm van verkondiging die voor ons allen een dagelijkse verantwoordelijkheid is. Het gaat erom het Evangelie naar de mensen te brengen of zij nu onze buren of totale vreemdelingen zijn. (…) Leerling zijn betekent voortdurend klaar staan de liefde van Jezus te brengen en dat kan onverwacht en overal gebeuren: op straat, op een plein, tijdens het werk, op reis.” (127) Zo’n ontmoeting kan wanneer de situatie het toelaat met een kort gebed worden afgesloten. Zo weet de ander dat zijn situatie aan God wordt voorgelegd en dat Gods woord zijn leven betreft. (128)

Verkondiging van het Evangelie aan verschillende culturen houdt ook verkondiging aan professionele, wetenschappelijke en academische kringen in. Dit betekent een ontmoeting tussen geloof, rede en wetenschap met als doel een nieuw gesprek over geloofwaardigheid te ontwikkelen, een nieuwe apologetiek die voor iedereen een grotere openheid voor het Evangelie bevordert.” (132) “Een theologie die in gesprek is met andere wetenschappen en menselijke ervaringen is uiterst belangrijk voor ons inzicht hoe het Evangelie op de beste wijze naar verschillende culturele situaties en groeperingen te brengen.” (133)

Uitgebreid staat de paus stil bij de vormgeving en voorbereiding van de preek. “De preek kan werkelijk een intense en vreugdevolle ervaring van de Geest zijn, een troostende ontmoeting met Gods woord, een voortdurende bron van vernieuwing en groei.” (135) God wil de ander bereiken door middel van de predikant. (136) Binnen de liturgie en met name binnen de Eucharistieviering is de preek niet zozeer een moment van meditatie of van catechese, maar meer een dialoog tussen God en zijn volk. (137) De preek is geen vorm van vermaak, zij geeft betekenis aan de viering. “Zij is deel van het offer aan de Vader en van de bemiddeling van de genade die de Zoon tijdens de viering uitstort.” (138) De Kerk is een moeder en zij preekt zoals een moeder met haar kind spreekt. Kinderen vertrouwen erop dat wat zij leert goed voor hen is, want zij weten dat zij hen liefheeft. (139) “Een puur moralistische of leerstellige preek of een die slechts een lezing over Bijbelexegese is, doet afbreuk aan de van hart tot hart communicatie die in de preek gestalte krijgt en een bijna sacramenteel karakter heeft.” (142) “De predikant heeft de wonderschone maar moeilijke taak elkaar liefhebbende harten samen te brengen: de harten van de Heer en zijn volk.” (143) “Spreken vanuit het hart betekent dat ons hart niet alleen in vuur moet staan, maar ook verlicht moet worden door de volheid van de openbaring en door de weg die Gods woord door de geschiedenis heen in het hart van de Kerk en van het gelovige volk heeft afgelegd.” (144)

“Preekvoorbereiding is een dermate belangrijke taak dat het nodig is een langere tijd voor studie, gebed, reflectie en pastorale creativiteit uit te trekken. (…) Vertrouwen in de heilige Geest, die tijdens de preek werkzaam is, is niet alleen passief, maar actief en creatief.” (145) “De predikant moet allereerst een grote persoonlijke vertrouwdheid met Gods woord ontwikkelen. Kennis van taalkundige en exegetische aspecten is zeker noodzakelijk, maar niet genoeg. Hij moet het woord met een lerend en biddend hart tegemoet treden zodat het diep in zijn denken en voelen doordringt en hem tot een nieuwe levensvisie brengt.” (149) De paus geeft tal van aanwijzingen voor een goede preekvoorbereiding. (150-153) Hierbij vraagt hij ook aandacht voor een luisterend oor richting het volk. De predikant moet weten wat hen bezighoudt en hun taal spreken. (154-155) Tenslotte staat hij stil bij de wijze waarop gepreekt wordt. Een goede preek heeft een idee, een gevoel en een beeld en een goede preek is positief. (156-159)

“Evangelisatie streeft naar een groeiproces dat iedere persoon en Gods plan met zijn leven serieus neemt. Ieder van ons moet groeien in Christus.” (160) Gods gave van genade gaat hieraan altijd vooraf. Door het Doopsel zijn wij zijn kinderen. (162) Opvoeding en catechese zijn ter ondersteuning van het groeiproces. (163) Fundamenteel is de rol van de eerste verkondiging, van het kerygma dat centraal moet staan in elke evangelisatie. “Het kerygma is trinitair. Het vuur van de Geest wordt gegeven in de vorm van vurige tongen en leidt ons tot het geloof in Jezus Christus, die door zijn dood en verrijzenis ons de oneindige barmhartigheid van de Vader openbaart en mededeelt. Uit de mond van de catechist klinkt steeds weer: ‘Jezus Christus houdt van je; Hij gaf zijn leven om jou te redden; en nu is Hij iedere dag levend aan jou zijde om je verlichten, te sterken en te bevrijden.” (164) Elke vorm van catechese vraagt ook aandacht voor schoonheid. “Wij moeten de moed hebben nieuwe tekens en symbolen te ontdekken, nieuw vlees om het woord uit te drukken en te communiceren, en verschillende vormen van schoonheid die in verschillende culturele situaties gewaardeerd worden, inclusief onconventionele manieren van schoonheid die weinig betekenis hebben voor evangelisten maar voor anderen bijzonder aantrekkelijk blijken te zijn.” (167) “We moeten naar voren treden als vreugdevolle boodschappers van uitdagende voorstellen en als hoeders van het goede en het schone, die een leven trouw aan het Evangelie uitstralen.” (168)

“De Kerk moet meer aandacht en sympathie hebben voor anderen, zo vaak als nodig. (…) De Kerk moet iedereen – priesters, religieuzen en leken – vertrouwd maken met deze ‘kunst van begeleiding’ die ons leert onze sandalen uit te trekken voordat we de heilige grond van de ander betreden.”(169) Hoewel het logisch klinkt, moet geestelijke begeleiding anderen altijd naar God leiden bij wie wij de ware vrijheid verkrijgen.” (170) “Ieder die een ander begeleidt, moet zich realiseren dat ieders persoonlijke situatie in relatie met God en ook zijn leven in genade een geheim is dat niemand van buitenaf geheel kan doorgronden.” (172)

“Niet alleen de preek moet door Gods woord worden gevoed. Elke vorm van evangelisatie is op dat woord gebaseerd waarna we luisteren, over mediteren en naar leven en dat we vieren en waarvan we getuigen. (…) Alleen als zij voortdurend zichzelf laat evangeliseren, kan de Kerk evangeliseren.” (174) “De studie van de heilige Schrift moet voor ieder gelovige een open deur zijn. Het is essentieel dat het geopenbaarde woord onze catechese en al onze inspanningen van geloofsoverdracht ingrijpend verrijkt.” (175)

De sociale dimensie van evangelisatie

“Het kerygma heeft een heldere sociale inhoud: in het hart van het Evangelie staat het leven in gemeenschap en betrokkenheid met anderen.” (177) “Onze verlossing heeft een sociale dimensie omdat God, in Christus, niet alleen het individu verlost maar ook alle sociale relaties die er tussen mensen bestaan. (…) Het accepteren van de eerste verkondiging, die ons uitnodigt Gods liefde te ontvangen en als antwoord Hem lief te hebben met de liefde die zijn gave is, veroorzaakt in ons leven en in ons doen een eerste en fundamentele reactie: het goede voor anderen te wensen, te zoeken en te beschermen.” (178) “Gods woord leert ons dat onze broeders en zusters voor ieder van ons de voortzetting van de menswording zijn: ‘Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan’. (Mt 25,40) (…) De dienst van de caritas is ook een constituerend element van de missie van de Kerk en een onvermijdelijke uitdrukking van haar bestaan.” (179)

“Het Evangelie gaat over het Rijk Gods (zie Lc 4,43). Het gaat over de liefhebbende God die de wereld regeert. In de mate waarin Hij kan heersen bij ons, wordt het gemeenschapsleven voor allen een omgeving van universele broederschap, gerechtigheid, vrede en waardigheid. Zo willen zowel christelijke leer als leven de maatschappij beïnvloeden.” (180) “De missie van de verkondiging van het goede nieuws van Jezus Christus heeft een universele bestemming. Zijn gebod van de liefde omvat alle dimensies van het bestaan, alle individuen, alle gebieden van gemeenschapsleven en alle volkeren. Niets menselijks kan het vreemd zijn.” (181)

“Het is niet langer mogelijk te beweren dat religie tot het privéleven beperkt moet worden en dat zij alleen bestaat om zielen op de hemel voor te bereiden. Christelijke bekering vraagt vooral een herziening van die gebieden en aspecten van het leven die te maken hebben met de sociale ordening en bijdraagt aan het algemeen welzijn.” (182) “Een authentiek geloof – wat nooit comfortabel en geheel persoonlijk is – heeft altijd de diepgaande wens in zich de wereld te veranderen en waarden te propageren om de wereld iets beter achter te laten dan we hem aantroffen. (…) De Kerk kan niet aan de zijlijn blijven staan bij het gevecht om gerechtigheid.” (183) De paus concentreert zich op twee onderwerpen: het opnemen van de armen in de samenleving en de vrede en de sociale dialoog. (185)

“Iedere individuele christen en iedere gemeenschap is geroepen om een instrument in Gods hand te zijn ter bevrijding en verheffing van de armen en om hen in staat te stellen volledig deel van de samenleving te zijn.” (187) “Het woord solidariteit is een beetje versleten en wordt bij tijd en wijle slecht begrepen, maar het verwijst naar iets dat meer is dan enkele daden van liefdadigheid. Het veronderstelt de creatie van een nieuwe mentaliteit die doet denken in termen van gemeenschap en van voorrang voor het leven van allen boven de toe-eigening van goederen door enkelen.” (188) “Solidariteit is de spontane reactie van hen die zich realiseren dat de sociale functie van bezit en de universele bestemming van goederen waarden zijn die het persoonlijke bezit te boven gaan. (…) Solidariteit moet geleefd worden als het besluit aan de armen terug te geven wat hen toebehoort.” (189) “We moeten naar een solidariteit groeien die alle volkeren toestaat scheppers van hun eigen bestemming te worden, want iedere mens is geroepen zichzelf te ontwikkelen.” (190)

“We geven gestalte aan de plicht de roep van de armen te horen als wij ten diepste geraakt worden door het lijden van anderen.” (193) “Jezus leerde ons met woord en daad op deze wijze te luisteren naar anderen.” (194) “Soms blijken we hard van hart en hoofd te zijn. We vergeten, worden afgeleid en laten ons verleiden door de onbegrensde mogelijkheden van consumptie en verstrooiing die de huidige maatschappij ons biedt. Dit leidt tot een soort vervreemding die ons allen treft, want een maatschappij raakt vervreemd als haar vormen van sociale organisatie, productie en consumptie het moeilijker maken jezelf te geven en solidariteit tussen mensen tot stand te brengen.” (196)

“In Gods hart is er een speciale plek voor de armen en wel zodanig dat Hij zelf arm werd. (…) De Verlosser werd geboren in een stal.” (197) “Voor de Kerk is de optie voor de armen meer dan van culturele, sociologische, politieke of filosofische aard primair van theologische aard. (…) Daarom wil ik een Kerk die arm is en er voor de armen is. Zij hebben ons veel te leren. (…) Wij zijn geroepen in hen Christus te vinden en hen voor hun zaak onze stem te geven, maar ook om hun vrienden te zijn, naar hen te luisteren, hen te begrijpen en de wonderlijke wijsheid te omarmen die God door hen met ons wil delen.” (198)

“De armen voelen zich in elke christelijke gemeenschap thuis. Zou dit niet de meest indrukwekkende en overtuigende presentatie van het goede nieuws van het koninkrijk zijn?” (199) “De ergste discriminatie die de armen ervaren, is het gebrek aan geestelijke zorg.” (200) “Niemand kan zeggen dat hij de armen niet nabij kan zijn, omdat zijn levensstijl meer aandacht voor andere gebieden vraagt. (…) Niemand van ons kan denken dat hij is uitgesloten van zorg voor de armen en voor de sociale gerechtigheid.” (201)

“Zolang de problemen van de armen niet fundamenteel zijn opgelost door verwerping van de absolute autonomie van de markten en de financiële speculatie en door de aanpak van de structurele oorzaken van ongelijkheid, zal er geen oplossing worden gevonden voor de wereldproblemen of voor welk probleem dan ook. Ongelijkheid is de wortel van sociale rampen.” (202) “De waardigheid van iedere mens en de bevordering van het algemeen welzijn zijn zorgen die elke economische politiek vorm moeten geven. Zaken doen is een edele roeping, ervan uitgaande dat zij die erbij betrokken zijn zichzelf zien uitgedaagd door een diepere zin van het leven. Dit zal hen werkelijk in staat stellen het algemeen welzijn te dienen door te streven naar een toename van de goederen van deze wereld en deze voor iedereen toegankelijker te maken.” (203) “We kunnen niet langer vertrouwen op blinde krachten en de onzichtbare hand van de markt. (…) Ik houd mij ver van onverantwoordelijke populistische voorstellen, maar de economie kan niet langer komen met oplossingen die in feite nieuw gif zijn, zoals proberen de winsten te verhogen door de arbeidskosten te verlagen en zo nieuwe uitgeslotenen te creëren.” (204) Alle burgers moeten toegang hebben tot waardevolle arbeid, scholing en gezondheidszorg. Waarom vragen politici en regeringsleiders niet aan God hen te inspireren? “Ik ben er van overtuigd dat een open houding voor het transcendente een nieuwe politieke en economische mentaliteit kan brengen die zal helpen de scheidingsmuur tussen de economie en het algemeen welzijn van de samenleving te slechten.” (205) “Wat in deze fase van de geschiedenis nodig is, is een efficiëntere wijze van interactie die met respect voor de soevereiniteit van iedere staat het economische welzijn van alle landen verzekert en niet van slechts enkele.” (206)

“Migranten vormen een bijzondere uitdaging voor mij. (…) Ik spoor alle landen aan tot genereuze openheid die in staat zal zijn tot nieuwe vormen van culturele synthese, in plaats van angstig te zijn voor het verlies van lokale identiteit.“ (210) “Ik word altijd getroffen door het aantal slachtoffers van verschillende vormen van mensenhandel. (…) Dit onderwerp gaat iedereen aan. Deze perverse misdadige netwerken hebben zich in onze steden gevestigd en vele mensen hebben bloed aan hun handen als gevolg van hun comfortabele en stille medeplichtigheid.” (211) “Dubbel arm zijn de vrouwen die lijden onder uitsluiting, mishandeling en geweld, want zij zijn vaak minder in staat hun rechten te verdedigen.” (212) “Onder de kwetsbaren die de Kerk met speciale liefde wenst te beschermen, zijn de ongeboren kinderen van allen het minst beschermd en het meest onschuldig.” (213) “Het is niet ‘progressief’ problemen op te lossen door menselijk leven te elimineren.” (214) Ook de schepping als geheel is slachtoffer van economische belangen en ongeremde exploitatie. (217)

Vrede is meer dan de afwezigheid van geweld. Zij bestaat ook niet als de armen stil en rustig worden gehouden. De verdeling van de welvaart in de wereld is nauw verbonden met de mogelijkheid van vrede. (218) “Uiteindelijk is vrede die niet het resultaat is van algehele ontwikkeling, tot mislukken gedoemd.” (219) Franciscus formuleert “vier specifieke principes die kunnen leiden tot de ontwikkeling tot gemeenschapsleven en tot het bouwen van een volk waar verschillen binnen een gemeenschappelijk plan worden geharmoniseerd.”(221)

Tijd is groter dan ruimte
“Er is een constante spanning tussen volledigheid en begrenzing. Volledigheid wekt het verlangen tot compleet bezit, terwijl begrenzing een voor ons opgerichte muur is.” Tijd heeft te maken met volledigheid als een uitdrukking van een horizon die zich steeds voor ons opent, terwijl ieder moment haar begrenzing heeft als uitdrukking van insluiting. (222) “Dit principe stelt ons in staat rustig maar zeker te werken zonder door onmiddellijke resultaten geobsedeerd te worden. (…) Prioriteit geven aan tijd betekent bezig te zijn met het initiëren van processen meer dan met het bezetten van ruimten.” (223) Voor evangelisatie betekent dit te denken op de lange termijn. (225)

Eenheid prevaleert boven conflict
“Een conflict kan niet ontkend of verborgen worden. Je moet ermee aan de slag. Maar als we erin blijven hangen, verliezen we ons perspectief.” (226) “De beste manier van conflicthantering is de bereidheid het conflict aan te pakken, het op te lossen en het te maken tot een schakel in de keten van een nieuw proces.” (227) “Zo wordt het mogelijk te midden van onenigheid een nieuwe gemeenschap op te bouwen.” (228) “Dit uit het Evangelie afkomstige principe herinnert ons aan Christus die alles een maakt in zichzelf: hemel en aarde, God en mens, tijd en eeuwigheid, vlees en geest, persoon en gemeenschap.” (229) “De boodschap van vrede gaat niet over een uitonderhandeld akkoord maar over de overtuiging dat de eenheid die de Geest brengt, elke verscheidenheid kan harmoniseren.” (230)

Werkelijkheden zijn belangrijker dan ideeën
“Er is ook een voortdurende spanning tussen ideeën en werkelijkheden. Werkelijkheden bestaan, terwijl ideeën uitgewerkt moeten worden.” Dit principe “vraagt de verwerping van diverse vormen van maskeren van de werkelijkheid: engelachtige vormen van puurheid, het dictaat van relativisme, lege retoriek, meer ideale dan reële doelstellingen, onhistorisch fundamentalisme, ethische systemen zonder vriendelijkheid, intellectuele discussie zonder wijsheid.” (231) “Dit principe heeft te maken met de incarnatie van het Woord en zijn vertaling naar de praktijk: ‘Hieraan onderkent gij de Geest van God: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk mens geworden is, is van God.’ (1 Joh 4,2) (…) Dit principe zet ons ertoe aan het woord in de praktijk te brengen, werken van gerechtigheid en liefde uit te voeren die het woord vruchtbaar maken.” (233)

Het geheel is groter dan het deel
“Ook tussen globalisering en lokalisering bestaat er een spanning.” (234) “Het geheel is groter dan het deel, maar ook groter dan de som van de delen. (…) We moeten steeds onze horizonten verleggen en het grotere goed zien dat voor allen van belang is. (…) We kunnen op een kleine schaal in onze eigen omgeving werken, maar met een breder perspectief.” (235) “Voor christenen openbaart dit principe ook de totaliteit of integriteit van het Evangelie dat de Kerk ons brengt en ons uitzendt om het te verkondigen. (…) Elk volk ontvangt op haar eigen wijze het gehele Evangelie en geeft het gestalte in vormen van gebed, broederlijkheid, gerechtigheid, strijd en feest.” (237)

“Evangelisatie omvat de weg van de dialoog.” De Kerk onderscheidt drie gebieden: dialoog met staten, dialoog met de maatschappij inclusief cultuur en wetenschap, en dialoog met niet-katholieke gelovigen. (238) “De Kerk verkondigt het ‘Evangelie van vrede’ (Ef 6,15) en wenst samen te werken met alle nationale en internationale autoriteiten om voor dit immense universele goed zorg te dragen. (…) De nieuwe evangelisatie vraagt van iedere gedoopte om een vredestichter te zijn.” (239) De paus gaat hier verder in op de dialoog met de rede en de wetenschap (242-243), de oecumenische dialoog (244-246), de relatie met het jodendom (247-249), de interreligieuze dialoog (250-254) en de sociale dialoog in de context van godsdienstvrijheid (255-258). De paus wenst de nadruk te leggen op datgene dat verbindt en niet op wat scheidt. Iedere vorm van dialoog staat in dienst van de vrede.

Geestdriftige evangelisten

“Geestdriftige evangelisten zijn evangelisten die zonder angst openstaan voor de werking van de heilige Geest. (…) Jezus wil evangelisten die het goede nieuws niet alleen met woorden verkondigen maar bovenal met een leven dat gevormd is door de aanwezigheid van God.” (259) “Geestdriftige evangelisatie wordt geleid door de heilige Geest, want het is het hart van de Kerk het Evangelie te verkondigen.” (261)

“Geestdriftige evangelisten bidden en werken. Mystieke begrippen zonder een stevige sociale en missionaire betrokkenheid helpen de evangelisatie niet evenals sociaal en pastoraal spreken en handelen zonder spiritualiteit die het hart kan veranderen. Zonder langdurige aanbidding, gebed met betrokkenheid op de wereld en oprecht gesprek met de Heer wordt ons werk eenvoudig betekenisloos.” (262) “Wij moeten goed de eerste christenen voor ogen houden en onze vele broeders en zusters die door de geschiedenis heen vervuld waren van vreugde, vol van moed en ijver in het verkondigen van het Evangelie. (…) Laat ons niet zeggen, dat het nu moeilijker is; de situatie is eenvoudigweg anders.” (263)

“De belangrijkste reden tot evangelisatie is de liefde van Jezus die wij hebben ontvangen, de ervaring van de redding die ons aanzet tot een steeds grotere liefde voor Hem. Welke liefde voelt niet de behoefte te spreken over de geliefde, hiervan te getuigen en het bekend te maken?” (264) “Soms verliezen wij ons enthousiasme voor missionering omdat we vergeten dat het Evangelie antwoord geeft op onze diepste behoeften. Wij zijn namelijk geschapen om te ontvangen wat God ons geeft: vriendschap met Jezus en liefde voor onze broeders en zusters. (…) De missionaris is er door de werking van de heilige Geest van overtuigd, dat er in individuen en volkeren reeds – zelfs al is dat onbewust – een verwachting leeft omtrent het kennen van de waarheid over God, over de mensheid en over hoe wij bevrijd kunnen worden van zonde en dood. Het missionaire enthousiasme van de verkondiging van Christus is gebaseerd op de overtuiging dat het een antwoord geeft op deze verwachting.” (265) “Maar deze overtuiging moet gevoed worden door onze voortdurend hernieuwde ervaring van de reddende vriendschap van Christus en van zijn boodschap. (…) Het is niet hetzelfde: proberen de wereld op te bouwen met zijn Evangelie als proberen het te doen met onze eigen inzichten.” (266) “In gemeenschap met Jezus zoeken wij wat Hij zoekt, en hebben wij lief wat Hij liefheeft. (…) Onze uiteindelijke en diepste motivatie, de finale reden en betekenis achter ons werk is de glorie van de Vader die Jezus elk moment van zijn leven heeft gezocht.” (267)

“Gods woord nodigt ons ook uit te erkennen dat wij een volk zijn: ‘Gij, vroeger geen volk, nu Gods volk.’ (1 Pe 2,10)” (268) “Jezus zelf is het model voor onze methode van evangelisatie die ons werkelijk tot het hart van zijn volk voert. (…) Als hij tot iemand spreekt, kijkt hij hem met grote liefde en betrokkenheid aan: ‘Toen keek Jezus hem liefdevol aan.’ (Mc 10,21)” (269) “Jezus wil dat wij de menselijke ellende aanraken, het lijdende lichaam van de ander aanraken.” (270) “Jezus wil niet dat wij grootse mensen zijn die neerkijken op anderen, maar dat we mannen en vrouwen van het volk zijn. (…) Zo zullen we de missionaire vreugde leren ons leven te delen met Gods gelovige volk als we streven een vuur in het hart van de wereld te ontsteken.” (271) “Als we leven vanuit een spiritualiteit van anderen nabij zijn en hun welzijn zoeken, zullen onze harten wijd geopend worden voor de grootste en mooiste geschenken van God. Alleen degene die gelukkig wordt van het goede voor anderen te zoeken en hun geluk te willen, kunnen missionair zijn.” (272) Het is niet iets tijdelijks of iets erbij. Nee: “Ik ben een missie hier op aarde; dat is de reden van mijn bestaan.” (273) “Als ik slechts één mens help tot een beter leven, dat rechtvaardigt reeds de inzet van mijn leven.” (274)

“De verrijzenis en verheerlijking van Christus is de bron van onze hoop en Hij zal ons niet de hulp onthouden om onze missie uit te voeren die Hij ons heeft toevertrouwd.”(275) “Vaak lijkt het alsof God niet bestaat: overal om ons heen zien we hardnekkig onrecht, kwaad, onverschilligheid en geweld. Maar het is ook waar dat in het diepst van de duisternis altijd iets nieuws tot leven komt en vroeg of laat vruchten draagt. (…) Dat is de kracht van de verrijzenis en alle evangelisten zijn instrumenten van deze kracht.” (276) Er zijn altijd weer nieuwe problemen en we voelen de pijn van ons eigen falen en onze menselijke zwakte. “Het Evangelie, de mooiste boodschap die de wereld te bieden heeft, wordt begraven onder een stapel excuses.” (277) De verrijzenis van Christus roept overal om zaad voor het Rijk Gods. “Zelfs als het afgesneden wordt, komt het weer op. (…) Laat ons nooit aan de zijlijn staan van deze mars van levende hoop!” (278) “Soms lijkt ons werk vruchteloos, maar missionering is niet zoals een zakelijke transactie of investering. (…) Het is geen show waarbij we tellen hoeveel mensen er komen door onze publiciteit. Het gaat veel dieper en ontspringt aan elke vorm van meten. (…) De heilige Geest werkt zoals Hij wil, wanneer Hij wil en waar Hij wil.” (279) “Er is geen grotere vrijheid dan jezelf toestaan dat je geleid wordt door de heilige Geest en af te zien van de neiging alles tot in het laatste detail te plannen en te beheersen.” (280)

“Wij worden vooral tot evangelisatie en tot nastreven van het goede voor anderen gebracht door een bepaalde vorm van gebed en dat is de voorbede.” (281)

“Evenals de heilige Geest is Maria altijd te midden van het volk aanwezig.” (284) “De nauwe relatie tussen Maria, de Kerk en iedere gelovige is gebaseerd op het feit dat ieder op zijn of haar eigen wijze Christus voortbrengt.” (285) Zoals bij Juan Diego (Gaudalupe) geeft Maria ons haar moederlijke zorg en liefde en fluistert in ons oor: “Laat je hart niet ontrust zijn… Ben ik niet hier, die je Moeder is?” (286)

De volledige tekst is in diverse talen beschikbaar op www.vatican.va. Aan de Nederlandse vertaling wordt op moment van publicatie nog gewerkt. Gedeeltelijk is zij reeds beschikbaar op www.rkdocumenten.nl en op www.incaelo.wordpress.com.

Advertenties

From → Algemeen

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s