Spring naar inhoud

Licht geef je door; Lc 2,22-32

Licht geef je door. De rijkdom van het geloof, de ervaring van de liefde van God en de blijdschap van het Evangelie willen we doorgeven aan onze kinderen. Datgene dat onszelf inspireert en geluk brengt, willen we niet voor onszelf houden maar doorgeven. We willen dat ook de ander en zeker onze kinderen gelukkig worden. Maar hoe geef je dit allemaal door? Geloof, liefde, geluk: het zijn geen tastbare zaken, geen zaken die per kilo of per strekkende meter kunt afbakenen. Het zijn geen zaken die mooi kunt verpakken en – met een strik er om heen – iemand cadeau kunt doen. Hoe geef je het licht van het geloof door?

Jozef en Maria hadden het makkelijker dan de ouders die hier vandaag met kun kinderen naar toe gekomen zijn. Jozef en Maria hielden zich aan de Wet van Mozes. Ze wisten dat de Wet het verbond was dat met God was gesloten: de mensen doen wat God van hun vraagt en God maakt hen gelukkig. Ik verwacht niet dat er hier iemand in de kerk zit omdat het moet, omdat de zondagsplicht dat voorschrijft. Wij houden niet zo van wetten en regeltjes die ons zeggen wat we moeten doen. Er zijn ongetwijfeld mensen die hier elke zondag komen en die daar een goede gewoonte van hebben gemaakt. Maar iedereen die hier is, is hier uit vrije wil. Het is de eigen keuze. Misschien zijn er een paar kinderen die liever wat anders zouden willen doen. Maar zij weten: als je in mei je eerste Communie wilt doen, dan hoort dit erbij. Misschien hebben deze kinderen wel beter in de gaten wat wetten en regeltjes voor ons betekenen dan menig volwassene. Zij zien de wetten en regeltjes als iets dat erbij hoort.

Hoe was dat met Jozef en Maria? Zij leefden in een andere tijd, in een ander land en in een totaal andere cultuur. Voor hen waren wetten en regels de gewoonste zaak van de wereld. Die had je nodig om goed te kunnen samenleven, maar vooral om op de juiste wijze met God om te gaan. Hoe ga je met God om? Hoe ga je om met een God die hoog in de hemel is, een God die hoogverheven en almachtig is? Je hebt als mens geen idee. Hoe prettig is het dan dat God daar zelf voorschriften voor heeft gegeven. Niet voor niets kent het jodendom het feest van de vreugde van de Wet.

Jezus leert ons dat de Wet belangrijk is. Geen punt of komma zal Hij ervan veranderen. Maar Hij leert ook dat de liefde het belangrijkste is en boven alles gaat. Hij leert ons dat de liefde de kern van de Wet is. Daarmee schaft Hij de Wet niet af, maar maakt Hij mensen zelf verantwoordelijk. Nu is het niet meer een kwestie van doen wat er gezegd wordt, maar van in de eerste plaats zelf oordelen over de situatie: wat is hier nodig dat ik doe, wijst de Wet mij de juiste richting aan? Liefde is een groot geschenk, maar liefde maakt ook verantwoordelijk. Als jonge ouders ondervind je dat aan de lijve. Je kind is uit liefde geboren en je liefde voor dit jonge leven is grenzeloos, maar hoe zorg je ervoor dat je het allemaal goed doet, dat dit kind werkelijk gelukkig wordt, een goed mens wordt? Dat is een grote verantwoordelijkheid die op je rust.

Misschien helpt het ons als wij wetten en regels minder als lastige verplichtingen zien maar meer als hulpmiddelen, als hulpmiddelen die ons helpen de juiste weg te vinden in ons leven en bij de opvoeding van onze kinderen. Dat vraagt van ons dat wij ons afvragen wat is het doel van de wet, wat is het doel van regel? Waarom is deze regel, welke waarde zit erachter? Dat geeft ons ook inzicht in hoe de regel ons op weg helpt het goede te doen. Wetten en regels staan niet boven het leven. Zij zijn er een wezenlijk onderdeel van. Zij bouwen onze gemeenschap op. Zij maken het mogelijk met elkaar samen te leven. Zo weten wij wat we aan elkaar hebben.

De liefde die Jezus ons verkondigt, maakt ons vrij en die vrijheid maakt ons verantwoordelijk. God wil met ons een relatie op basis van liefde voor elkaar. Hiervoor heeft Hij ons als vrije en verantwoordelijke mensen geschapen, zodat wij uit vrije wil voor zijn liefde kunnen kiezen. We kiezen voor God door in liefde voor elkaar te kiezen, door elkaar vrijheid te gunnen en voor elkaar verantwoordelijk zijn. Wetten zijn hierbij richtlijnen die ons op de juiste weg houden. Zij helpen ons het licht door te geven. Zij helpen ons bij de opvoeding van onze kinderen.

Ouders, jullie staan voor de taak om je kinderen op te voeden tot goede mensen. Jullie zullen hen leren op een goede manier met regels om te gaan en op een goede manier in vrijheid te leven en het goede te doen. Jullie zullen hen opvoeden tot verantwoordelijke mensen, tot mensen die God en de anderen liefhebben. Jullie staan hierin niet alleen. Je familie en vrienden staan je terzijde en ook de gemeenschap van de Kerk. Bovenal heb je het voorbeeld van Jezus van Nazareth en de liefde en genade van God, die je nooit in de steek zal laten. Met de hulp van zijn genade zul je het licht doorgeven. Amen.

Eenvoud

Auteur: Hans Sevenhoven
Titel: Eenvoud: Franciscaanse spiritualiteit hier en nu
Uitgever: Franciscaanse Beweging, 2013
Prijs: € 9,50
ISBN: 978 90 71115 00 4
Aantal pagina’s: 95

Het leven van de Sint Franciscus van Assisi is nog altijd een bron van inspiratie. Hij probeerde Jezus van Nazareth zo goed mogelijk na te volgen. Eenvoud en armoede waren voor hem sleutelbegrippen. Velen proberen ook nu de Franciscaanse spiritualiteit en vooral de eenvoud in hun eigen leven vorm te geven.

Hans Sevenhoven laat ons kennis maken met het doen en denken van Franciscus. Echte eenvoud is voor hem onder ogen durven te zien dat je niets nodig hebt om iemand te zijn. Zo word je langzamerhand steeds meer jezelf. Hij daagt de lezer uit de eenvoud uit te proberen, af te tasten en af te wegen, en raadt aan het met vreugde, met een knipoog en een glimlach te doen.

Het fraai uitgevoerde boek bevat een bloemlezing van teksten van en over Franciscus. Ze worden door Sevenhoven gebruikt om de Franciscaanse spiritualiteit toe te lichten. Het is een mooi boekje voor een eerste kennismaking. Het geeft ook informatie voor hen die zich verder in deze spiritualiteit willen verdiepen.

Eenheid in verscheidenheid; Js 8,23b-9,3; 1 Kor 1,10-13; Mt 4,12-23

Paulus roept de christenen van Korinthe op: “Laat er geen verdeeldheid onder u zijn: weest volkomen één van zin en één van gevoelen.” Eenheid en eensgezindheid dat willen we allemaal wel. Er zijn weinig mensen die plezier hebben in verdeeldheid. Maar ondanks dat ervaren wij voortdurend de verdeeldheid in deze wereld en lijden wij ook onder de verdeeldheid binnen het christendom.

Paulus geeft als reden van de verdeeldheid dat ieder zijn eigen leus heeft: “Ik ben van Paulus.” “Ik van Apollos.” “Ik van Kefas.” “Ik van Christus.” Ieder heeft blijkbaar zijn eigen waarheid. Dat maakt het leven niet eenvoudig en zeker niet als je vindt dat je iets met elkaar te maken hebt, als niet onverschillig bent ten opzichte van elkaar. Het hebben van een eigen waarheid is een vorm van zelfgenoegzaamheid. Je luistert niet meer naar de ander. De ander moet maar naar jou luisteren. Want jij hebt het gelijk aan je kant en er gaat niets boven de waarheid. De waarheid is geen bezit. Je hebt de waarheid niet. Je kunt de waarheid spreken; althans je kunt een poging doen de waarheid te verwoorden, maar daarmee wordt de waarheid niet je eigendom.

In het Evangelie wordt Jezus vergeleken met een groot licht. Eerder schreef Jesaja over dit grote licht: “Het volk dat in het donker wandelt, ziet een groot licht; een licht straalt over hen die wonen in het land van doodse duisternis.” Jezus Christus is onze waarheid. Hij is het grote licht. Zoals het licht van buiten komt, zoals het licht ons beschijnt, zo is het ook met de waarheid. Je staat in het licht van de waarheid, in het licht van het Evangelie. De waarheid verlicht je en jij weerkaatst het. Maar de weerkaatsing is niet volkomen gelijk aan de bron. Als er wit licht op een rode spiegel valt, wordt er alleen rood licht weerkaatst. Als wij proberen de waarheid te spreken, is deze altijd beïnvloed door onszelf en zo verminken wij de waarheid. Dat is eigen aan onze menselijke onvolmaaktheid. Daarom is het zo belangrijk met elkaar in gesprek te zijn en naar elkaar te luisteren. We hebben elkaar nodig om elkaar aan te vullen en te corrigeren. Alleen samen kunnen wij een redelijk beeld van de waarheid krijgen.

In zijn brief ‘De vreugde van het Evangelie’ stelt paus Franciscus dat de dialoog belangrijk is: de oecumenische dialoog met andere christenen, de interreligieuze dialoog met aanhangers van andere godsdiensten en de dialoog met de seculiere wereld. Wij hebben elkaar nodig om tot vrede en eenheid in de wereld te komen. De paus geeft ook aan hoe het geloof in de verschillende culturen op verschillende manieren vorm wordt gegeven. Ook hierin hebben we elkaar nodig. Je kunt niet zeggen dat de West-Europese manier van geloven de enige juiste is. Je kunt al helemaal niet zeggen dat wij Nederlanders altijd gelijk hebben. Wij mogen blij zijn dat we deel uitmaken van een wereldkerk en daardoor horen hoe het christendom binnen andere culturen gestalte krijgt. Zo ontvangen wij een veel completer idee van de waarheid dan wanneer we haar alleen maar vanuit onze eigen positie zouden kunnen zien.

De paus noemt de verdeeldheid van de christenen een schande. Dat treft ook ons. Het gaat ieder van ons aan. Wij allen kunnen onze bijdrage aan de eenheid leveren door met de anderen in gesprek te gaan en respectvol naar elkaar te luisteren. De schande zit niet in het hebben van verschillende interpretaties. De schande zit in het elkaar verketteren en het niet naar elkaar luisteren. Daardoor wordt de eenheid die van Christus uitgaat gebroken. Het is aan kerkleiders en theologen om verschillen in interpretaties op te helderen en om tot overeenstemming te komen. Ondertussen kunnen wij met elkaar in gesprek zijn en elkaars taal leren verstaan. Wij kunnen op die manier zelf bijdragen tot het wegnemen van de gebrokenheid en komen tot een eenheid in verscheidenheid.

Met verscheidenheid is niets mis. De schepping is een en al verscheidenheid. Daarvan sprak God dat het goed was. Als man en vrouw schiep Hij de mens naar zijn gelijkenis. Stel je eens voor dat je partner, je man of je vrouw geheel gelijk zou zijn aan jou? Wat had elkaar dan te vertellen? Wat had elkaar dan te geven? Was er dan sprake van liefde? Was dan sprake van eenheid? Man en vrouw samen zijn een toonbeeld van eenheid in verscheidenheid. En die eenheid in verscheidenheid lijkt op God. En hiervan sprak Hij dat het goed was. Laten we blijven bidden voor eenheid in de verscheidenheid. Laten we bidden voor vrede en eenheid in de wereld. Laten wij zoals de leerlingen Christus navolgen, Hem volgen die onze waarheid is, ieder op zijn eigen wijze en in verbondenheid met elkaar. Amen.

Eigendom

“God heeft de aarde met alles wat daarin is bestemd voor het gebruik van alle mensen en volkeren, zodat de geschapen goederen in een billijke verdeling aan allen moeten toekomen, onder de schutse van de rechtvaardigheid, vergezeld van de liefde.” Zo verwoordt het Tweede Vaticaans Concilie het principe van de universele bestemming van de goederen van de aarde. God heeft de aarde aan heel het mensengeslacht gegeven, om alle leden ervan te onderhouden zonder iemand uit te sluiten of te bevoorrechten. Iedereen moet toegang hebben tot het welzijnsniveau dat nodig is voor zijn volledige ontwikkeling.

Privébezit

De universele bestemming van goederen wil niet zeggen dat alles van iedereen is of dat iedereen van ieder object gebruik kan maken. Door arbeid en door het gebruik van zijn talenten krijgt de mens grip op de aardse materie. Zo maakt hij een deel van de aarde tot zijn individuele eigendom. Privébezit geeft iedereen de noodzakelijke ruimte voor autonomie en is een verlengstuk van de menselijke vrijheid. Het is één van de voorwaarden voor de burgerlijke vrijheden en een essentieel element van een sociale en democratische politiek.

Privébezit is geen onaantastbaar recht. Het is ondergeschikt aan het principe van de universele bestemming van de goederen. Privébezit is geen doel maar een middel. Het gebruik van bezit moet op het bereiken van het algemeen welzijn gericht zijn en niet alleen op het voordeel voor de eigen persoon en het eigen gezin. Daarom mag men zijn bezit ook niet onproductief laten, maar moet men het vruchten laten voortbrengen.

Onder bezit vallen ook de nieuwere vormen van bezit zoals wetenschap, technologie en informatie. Ook zij moeten worden gebruikt om te voorzien in de behoeften van de gehele mensheid. Barrières en monopolies die vele landen buitensluiten, moeten worden afgebroken.

Duurzaamheid

Het is onze opdracht de schepping te gebruiken en verder te ontwikkelen, niet om te misbruiken of te verbruiken. Paus Benedictus XVI wijst ons erop dat wij met de ons toevertrouwde werkelijkheid niet kunnen doen wat we maar willen. We moeten luisteren naar de stem van de aarde: “het zijn zelf, onze aarde spreekt tot ons en wij moeten luisteren als wij willen overleven en de boodschap van de aarde willen ontcijferen.”

Voorkeur voor de armen

Paus Franciscus geeft een centrale plaats aan de zorg voor de armen en de ontheemden, zij die niet gezien worden. Een van zijn stellingen in ‘Evangelii gaudium’ luidt: “Nee tegen de ongelijkheid die geweld voortbrengt.” Sociale en economische systemen die mensen buitensluiten en ongelijkheid bevorderen, bedreigen de vrede. In zijn ‘Boodschap voor werelddag van de vrede 2014’ schrijft hij: “Men ziet ook de behoefte aan beleid dat een buitensporige onbalans tussen inkomens kan verlichten.”

Geraakt door de Geest; Joh 1,29-34

“Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt.” Vorige week vierden we het feest van de Doop van de Heer. Vandaag lezen we hoe Johannes de Doper Jezus aanwijst als degene die onze Verlosser is. Blijkbaar is Jezus nog steeds even onopvallend als voor zijn Doop in de Jordaan. Johannes vertelt over wat er gebeurde bij de Doop van Jezus: “Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten.” Blijkbaar hebben de omstanders dit niet gezien of niet als iets bijzonders beschouwd. Johannes wel. Hij weet: “Deze is de Zoon van God.” “Hij is het die doopt met de heilige Geest.” Johannes verklaart dat deze onopvallende figuur de Messias is, sterker nog Hij is de Zoon van God. Op een mens zoals wij daalt de heilige Geest neer. Hij wordt geraakt door de Geest. Aan de buitenkant is dat niet te zien, maar Hij zal de zonden van de wereld wegnemen. Als het Lam Gods neemt Hij de zonden van de wereld op zich.

In dezelfde zin waarin Johannes zegt dat de Geest op Jezus is neergedaald, zegt hij dat Jezus zal dopen met de heilige Geest. Jezus is als mens gelijk aan ons, Hij is mens zoals wij zijn. Met zijn Doopsel maakt Hij ons gelijk aan Hem. Hij doopt ons met de heilige Geest. Ook wij worden door de Geest geraakt. Wij kunnen Hem navolgen en ons vereenzelvigen met Jezus. Wij kunnen aan Hem gelijk worden. Bij het Doopsel dopen we niet alleen met water. We zalven de dopeling ook met het Chrisma en zo ontvangt hij de H. Geest. Evenals Christus de Gezalfde is, zijn wij christenen gezalfden. In de Doop zegt God ook tegen ons: jij bent mijn welgeliefde zoon, mijn welgeliefde dochter. Wij zijn kinderen van God en evenals Jezus Christus gezalfd tot priesters, koningen en profeten.

Voor de meesten van ons betekent dit dat wij al op jonge leeftijd zijn geraakt door de Geest. Wij ontvangen de heilige Geest. We krijgen de Geest, ontvangen inspiratie of kracht. Zolang het daarbij blijft, is het te overzien en blijven we zelf de baas over ons eigen leven. Maar het kan verder gaan. We worden enthousiast en stijgen boven ons zelf uit. Het enthousiasme gaat met ons op de loop. Dan zijn we niet langer zelf de baas over ons eigen leven. Het is de Geest die in ons leeft en die de macht overneemt. Hoever durven wij daarin te gaan? Durven we het aan ons werkelijk te laten raken door de Geest? Durven we het aan bevlogen mensen te worden? Durven we het aan onszelf een beetje te verliezen?

Of kiezen we toch liever voor een gecontroleerd geraakt zijn? Een beetje steun, een beetje kracht, een beetje inspiratie, zodat we er weer even tegen kunnen. Over een paar weken komen we wel terug om weer even bij te tanken. Is het geloof een soort therapie? Is de Kerk een wellness centre? Gaat het erom dat wij ons prettiger voelen? Dat het geloof ons leven wat aangenamer maakt? Of durven we ons ook te laten uitdagen? Hoeveel vertrouwen hebben wij in de Geest? Laten wij ons door Hem op paden van werkelijk enthousiasme leiden?

We weten dat de Geest niet van de makkelijke weg is. Jezus zelf is die moeilijke weg gegaan. Voor Hem was er geen andere mogelijkheid. Dit moest Hij doen. Hier ging Hij voor. Dit was zijn leven. Hij kon alleen leven door er te zijn voor de ander. Hij kon alleen leven door de zondenlast van heel de wereld op zich te nemen. Jezus geloofde dat deze weg Hem tot het eeuwig geluk zou brengen, een geluk dat niet alleen in de verre toekomst ligt, maar ook in het hier en nu. Het is een geluk dat groter is dan een comfortabel en aangenaam leven. Er is niets tegen comfort, maar een mens wil meer. Een mens wil echt leven.

Echt leven is je verbonden weten met anderen, weten dat je van betekenis bent voor anderen en dat ook jij niet zonder de ander kunt. Echt leven is leven in gemeenschap, een gemeenschap waarbinnen wij ons geborgen weten, maar ook een gemeenschap waaraan wij bijdragen, die wij met onze tijd en ons geld mede opbouwen. Echt leven is leven als een werkelijk vrij mens, een mens die vrij is om het goede te doen, die vrij is van gewoonten, zekerheden, verslavingen en comfort. Echt leven is leven met enthousiasme en bevlogenheid. Echt leven is een leven van liefde, van geliefd zijn en van liefhebben. De liefde voor elkaar brengt ons werkelijk geluk. De liefde brengt niet alleen rust. Ze brengt ook onrust. De liefde geeft niet alleen comfort. Ze daagt ons ook uit en brengt ons in beweging.

Voor het ontvangen van de Eucharistie geldt hetzelfde als voor het ontvangen van H. Geest. Het ontvangen van de Eucharistie geeft je voedsel voor je leven. Maar met het ontvangen van Christus, verbind je je ook met Hem. Zoals de heilige Augustinus schrijft: “Ontvang wat je bent en word wat je ontvangt”. Je met Christus verbinden, je met Hem inlaten heeft gevolgen voor je hele leven. Door Hem te ontvangen ga je Hem navolgen. Door Hem te ontvangen word je gelijkvormig aan Hem. Door Hem te ontvangen word je geraakt door zijn Geest. Als wij Hem werkelijk ontvangen, is het gedaan met de rust. Amen.

Etty: De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943

Titel: Etty: De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943
Uitgever: Amsterdam: Balans, 1986
ISBN: 90 5018 006 x

Etty Hillesum

Esther (Etty) Hillesum werd op 15-01-1914 geboren in Middelburg. Haar vader, Dr. L. Hillesum, was een joodse leraar oude talen en later ook gymnasiumrector; haar moeder was een Russische. Etty had twee jongere broers: Jaap en Mischa. Haar vader had wel belangstelling voor het Jodendom, maar was sterk geassimileerd. Zij ging in Deventer naar het Stedelijk Gymnasium. Na haar doctoraal rechten studeerde ze Slavische talen. Etty woonde aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam bij de vijfendertig jaar oudere weduwnaar Han Wegerif, met wie ze een verhouding had.

Vanaf februari 1941 bezocht zij de psychochiroloog Julius Spier. Hij had zeer veel invloed op Etty en haar zoektocht in het leven. Hij bracht haar in contact met de Bijbel en met Augustinus. Zij werkte ook voor hem als secretaresse. Julius Spier stierf op 15-09-1942.

Als administratief medewerkster van de Joodse Raad ging ze in juli 1942 op eigen verzoek naar Westerbork. Ze was daar tussen 30 juli en 5 december 1942 drie keer veertien dagen. In juni 1943 ging ze definitief naar Westerbork. Ze schreef haar dagboeken in Amsterdam. Met haar ouders en haar broer Mischa werd ze op 7 september 1943 gedeporteerd naar Auschwitz, waar ze op 30 november is omgekomen.

Het boek

Het boek bevat alle bekende geschriften van Etty Hillesum. Het bestaat uit de hieronder vermelde delen. Deze beschrijving beperkt zich tot de door Etty Hillesum geschreven teksten.

  • Woord vooraf en Inleiding met een biografie van Etty Hillesum en een verantwoording van de uitgave.
  • Dagboeken 1941-1942, bestaande uit negen cahiers genummerd 1 t/m 6 en 8 t/m 11. Cahier 7 is niet teruggevonden.
  • Brieven van Etty Hillesum
  • Brieven aan Etty Hillesum
  • Brieven over Etty Hillesum
  • Noten, Tekstverantwoording, Bibliografie, Aanhangsel en Persoonregister.

De dagboeken

Na haar kennismaking met Julius Spier, door Etty aangeduid met S., begint zij op 8 maart 1941 haar dagboeken. Etty zet zichzelf neer als een intelligente, erotisch gerichte, maar vooral als zoekende jonge vrouw. “… nur daß ich noch sehr viel an mir selber arbeiten muß um ein erwachsener und hundertprozentiger Mensch zu werden.” (blz. 3) “Erotisch ben ik zeer geraffineerd… Intellectueel ben ik zo geoefend dat ik alles kan peilen…” (blz. 4) De dagboekaantekeningen worden overheerst door haar ontmoetingen met en gedachten aan en over Spier: “… en dan weer S. en altijd maar weer S.” (blz. 57)

Etty Hillesum tracht met behulp van Spier orde in haar leven te scheppen. De behandeling kent sterk lichamelijke aspecten, waardoor Etty ook erotisch onder zijn invloed is. “Sinds ik hem ken, maak ik een rijpingsproces door… Maar nu komt er die verdomde erotiek, waarmee hij tjokvol zit en ik ook.” (blz. 58) “Wat het gisterenavond nog moeilijker maakte, was dat ik weer eens verliefd op hem raakte.” (blz. 106) Spier heeft veel invloed op Etty en brengt duidelijk verandering in haar leven. “… met wèlk een enorme intensiteit, met welke inzet van m’n hele persoon, ik deze man en z’n werk en z’n leven in een half jaar tijds in me heb opgenomen en verwerkt. En nu is dat gebeurd. Hij is tot een bestanddeel van mij geworden.” (blz. 163) Hoezeer Etty ook haar lichamelijke verlangens heeft, tot “een gemeenschappelijke liefdesnacht in een gemeenschappelijk bed” (blz. 390) komt het niet en de verhouding wordt gaandeweg spiritueler van aard. “Mijn leven is toch aan het zijne gebonden, of liever het is verbonden met het zijne. En niet eens onze levens, maar onze zielen…” (blz. 410)

Op de achtergrond speelt de situatie van de eerste oorlogsjaren, haar studie Slavische talen, haar relatie met Han Wegerif, vaak aangeduid met “Pa Han” of “Vader Han” en aangesproken met “Vati” of “Papje”, de huishoudelijke zaken zoals kousen stoppen, menstruatie, haar beginnend schrijverschap, een abortus begin december 1941, de muziekavonden en haar relatie met ouders en broers. Daarnaast zijn de dagboeken rijk gelardeerd met teksten van vooral Rainer Maria Rilke (1875-1926), maar ook van Sigmund Freud (1856-1936) en Carl Gustav Jung (1875-1961) en later ook uit de Bijbel (Nieuwe Testament).

Haar strijd betreft haar eigen persoonlijkheid, haar stemmingen, haar schrijverschap, haar vrouwelijkheid. “Er zit een onrust in me, een bizarre, duivelse onrust, die productief zou kunnen zijn als ik er iets mee wist te beginnen.” (blz. 71) “Het is moeilijk met God en met je onderlichaam op gelijke goede voet te staan.” (blz. 74) Over haar vrouwelijkheid en seksualiteit: “Typisch is dat, men altijd weer begeerd wil worden door de man, dat dat altijd weer de hoogste bevestiging voor ons is, dat wij vrouw zijn…” (blz. 73) “Ik ben eigenlijk geen oer-vrouw, tenminste niet sexueel. (…) Het oer-lichamelijke wordt bij mij op allerlei manieren doorbroken en afgezwakt door een vergeestelijkingsproces. (…) Wat wel oer bij mij is, dat zijn de menselijke gevoelens, er zit een soort oer-liefde en oer-medelijden in me voor de mensen.” (blz. 130) “Mijn twee grijze vrienden. Wat is dat toch bij mij?” (blz. 259) “O God, help me hier uit. Leer me te scheiden het gevoel van versmade vrouw en van werkelijk groot Verlangen.” (blz. 277) Over haar schrijverschap: “En dit wordt steeds zekerder voor me: een dichtregel is een even grote realiteit als een kaasbon, of als wintervoeten. Is even wezenlijk.” (blz. 193) “Wat m’n omgang met de taal betreft: het is bij momenten net of het ijs in me begint te kruien, of er beweging komt in de verstarde taalmassa in me.” (blz. 240)

Gaandeweg vindt Etty een nieuwe weg in haar leven. Deze bestaat enerzijds uit de verdieping van haar vriendschap met Spier en anderzijds in het vinden van rust en van God. “Er rijpt heel langzaam, de laatste tijd, zo een ‘Zuversicht’ in me, een werkelijk groot vertrouwen. Een zich geborgen voelen in jouw hand, mijn God. Ik sta niet meer zo dikwijls afgesneden van die diepe onderstroom in me.” (blz. 205) God vindt Etty in zichzelf: “Ich bekam wieder Kontakt mit mir selber, mit dem Tiefsten und Besten was in mir ist und was ich Gott nenne …” (blz. 88) “Binnen in me zit een diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij.” (blz. 97) Ook groeit bij haar de behoefte te bidden: “En toch is er af en toe een grote drang in me neer te knielen, met de handen voor m’n gezicht en op die manier een vrede te vinden en te luisteren naar een verborgen bron in mij.” (blz.109) Uiteindelijk durft zij vrijmoedig over God te spreken: “De moed hebben de naam God uit te spreken.” (blz. 190)

Na driekwart jaar begint zich een andere Etty Hillesum af te tekenen. Naast al haar onrust is er ook sprake van zekerheid en aanvaarding. Tegenover God: “God ik dank je. Ik dank je dat je in me wonen wilt.” (blz. 240) Over haar eigen leven: “Is dit werkelijk míjn leven? Zo vol, zo rijk, zo intensief en zo mooi?” (blz. 312) “Dat ik zó groot lief kan hebben.” (blz. 369) “Rijp om een ‘Schicksal’ op je te kunnen nemen.” (blz. 376)

Dit geldt ook haar houding tegenover het steeds dreigender wordende geweld van de oorlog. In het begin reageert zij reeds met: “Wanneer een S.S.-man me dood zou trappen, dan zou ik nog opkijken naar z’n gezicht en me met angstige verbazing en menselijke belangstelling afvragen: Mijn God kerel, wat is er met jou allemaal niet voor verschrikkelijks in je leven gebeurd, dat je tot zùlke dingen komt?” (blz. 23) Later schrijft zij: “God, ik blijf alles onder ogen zien en wil voor niets weglopen… en ik tracht altijd weer de naakte, kleine mens op te sporen…” (blz. 402) “Meestal slaan de dreigendste maatregelen – en het zijn er nog al wat tegenwoordig – te pletter tegen mijn innerlijke zekerheid en vertrouwen; en, verwerkt in mij, verliezen ze veel van hun dreiging.” (blz. 429)

Uiteindelijk wordt zij steeds stelliger: “… dat dìt de historische taak van de vrouw is, voor de komende tijd: de man over haar eigen ziel naar zijn eigen ziel de weg te wijzen.” (blz. 301) “Nooit resigneren, nooit vluchten, alles verwerken, alles verwerken, dàn maar lijden, dat is ook niet erg, maar nooit, nooit resignatie.” (blz. 373) “De grootste ondeugden zijn mij niet vreemd, maar daarnaast ken ik ook het grootste godsvertrouwen en offervaardigheid en mensenliefde.” (blz. 456) “Men is op onze algehele vernietiging uit, dit moet men ook in zijn leven aanvaarden en dan gaat het wel weer.” (blz. 486) “… door de dood binnen zijn leven op te nemen, verruimt en verrijkt men zijn leven.” (blz. 489) “Eén ding is wel zeker: men moet de voorraad liefde op deze aarde helpen vergroten.” (blz. 497) “… ik ben bereid tot alles, tot iedere plek op deze aarde, waar God me zenden zal en ik ben bereid tot in iedere situatie en tot in de dood te getuigen, dat dit leven schoon en zinrijk is en dat het niet aan God ligt, dat het zo is als het nu is, maar aan ons.” (blz. 508)

In haar gebed op 12 juli 1942: “Het zijn bange tijden mijn God. (…) Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft… En misschien kunnen we er ook aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je niet ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: Míj zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. (…) Voor het grote heroïsche lijden, heb ik genoeg krachten, maar het zijn meer de duizend kleine dagelijkse zorgen, die je soms plotseling als bijtend ongedierte bespringen. (…) En ik zal je alle bloemen brengen, die ik op mijn wegen tegenkom, mijn God, en werkelijk, dat zijn er heel vele.” (blz. 516)

Vanaf 30 juli 1942 gaat Etty Hillesum vrijwillig als medewerkster van de Joodsche Raad twee keer twee weken naar Westerbork. Vanaf deze datum houdt ze geen dagboek bij. Op 15 september de sterfdag van Spier vervolgt zij haar dagboek. Zij is dan net weer enkele dagen terug in Amsterdam. Vanaf dit moment stelt Etty zich helemaal beschikbaar voor God en de mensen. Wel wordt ze hierbij ernstig gehinderd door ziekte, zodat ze in 1942 nog slechts eenmaal twee weken naar Westerbork gaat en pas eind juni 1943 definitief naar Westerbork vertrekt.

De laatste dagboekaantekeningen zijn van 13 oktober 1942. Enkele laatste citaten hieruit: “Laat ik maar de opvangbarak zijn van het betere in jullie, dat er toch zeker in ieder van jullie is. Ik hoef niet zo veel te doen, ik wil er alleen maar zijn. Laat mij in dit lichaam maar de ziel zijn.” (blz. 547) “Er is geen dichter in mij, er is wel een stukje van God in mij, dat tot dichter zou kunnen uitgroeien.” (blz. 575) “Laat mij het denkend hart van deze barak mogen zijn.” (blz. 575) “Men zou een pleister op vele wonden willen zijn.” (blz. 583)

Brieven van Etty Hillesum

De opgenomen brieven betreffen vooral de periode vanaf haar eerste bezoek aan Westerbork. Vanuit Amsterdam schrijft zij regelmatig aan Osias Kortmann, die in Westerbork verblijft. Vaak handelt het over de gang van zaken in Westerbork en de toestand van Etty gedurende haar periode van ziekte in Amsterdam. “Und ich möchte so gern wieder nach Westerbork, aber muß umziehen ins Krankenhaus.” (blz. 615)

Na haar definitieve vertrek naar Westerbork begin juni 1943 schrijft zij brieven naar haar vrienden. Veelal behandelen ze het sturen van voedsel en kleding. Soms bevatten ze ook zeer indringende beschrijvingen van de gebeurtenissen in het kamp. Daardoorheen weet Etty Hillesum telkens weer het goede te zien. “De lucht is vol vogels, de paarse lupinen staan daar zo vorstelijk en vredig, op de kist zijn twee oude keuvelende vrouwtjes gaan zitten, de zon schijnt op m’n gezicht en vlak voor onze ogen geschiedt een massamoord, het is zo onbegrijpelijk alles.” (blz. 642) En zij blijft op God gericht en zich zorgen maken over God. “Je hebt mij zo rijk gemaakt, mijn God, laat me ook met volle handen uit mogen delen. Mijn leven is geworden tot één ononderbroken samenspraak met jou, mijn God, één grote samenspraak.” (blz. 682) Op 2 september 1943 schrijft zij in een van haar laatste brieven: “En toch is het leven in z’n onberedeneerbare diepte zo wonderlijk goed, Maria –, daar moet ik toch altijd weer op terug komen. En als wij er maar zorg voor dragen, dat ondanks alles, toch God bij ons in veilige handen is, Maria–.” (blz. 701)

Commentaar

Hoewel er sprake is van een niet voor publicatie bewerkt manuscript, is het een zeer leesbaar boek. Etty Hillesum beschikte over een vlotte en beeldende manier van schrijven. Dit heeft geleid tot een fascinerend en aangrijpend relaas van een spirituele weg. Hoezeer de persoonlijke ‘Einstellung’ een rol speelt bij de beoordeling van de werken van Etty Hillesum blijkt uit de zeer uiteenlopende commentaren erop. Enerzijds is er sprake van ‘heiligverklaringen’, anderzijds ook van negatieve reacties: “Pellen we Etty Hillesum onder alle veronderstellingen en spiritueel geneuzel uit, dan blijft een labiele vrouw over, die voor de broodnodige mentale steun leunde op mensen als de charlatan Julius Spier, en na diens dood op een zelfgeknutselde God. Uiteindelijk liet ze zich na wat collaboratie als een mak schaap naar de slachtbank leiden. Een deerniswekkend geval, en zeker geen lichtend voorbeeld voor de jeugd van tegenwoordig, die je strijdbaarder mag hopen.” (Enno de Witt, Gelders Dagblad, 11-10-01) Mij lijkt de methode van de synchronie – de tekst te nemen zoals die voor ons ligt – het meest op zijn plaats bij het beoordelen van de geschriften van Etty Hillesum.

In het licht van de van Kees Waaijman afkomstige definitie: “Spiritualiteit is voortgaande omvorming van iemand betrokken op een onvoorwaardelijke Aanspraak”, kan gesteld worden dat er duidelijk sprake is van omvorming. De vorm van spiritualiteit die Etty Hillesum beleefd, is niet eenduidig. Zoals uit verschillende citaten waarin Etty zichzelf hiermee confronteert, is er sprake van een mengvorm. Allereerst is er de geestelijke begeleider, Julius Spier. Deze binaire relatie krijgt gaandeweg meer het karakter van een vriendschapsrelatie. “… met wèlk een enorme intensiteit, met welke inzet van m’n hele persoon, ik deze man en z’n werk en z’n leven in een half jaar tijds in me heb opgenomen en verwerkt.” In deze zin is er sprake van spiritualiteit in een binaire relatie. Van hieruit ontwikkelt zich de relatie met God, die een intimiteit – “Mijn leven is geworden tot één ononderbroken samenspraak met jou, mijn God, één grote samenspraak.” – en oriëntatie – “Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft…” – heeft die doet denken aan de crisisspiritualiteit van de 16e eeuw. Tenslotte is een sterke gerichtheid op de medemens: “Men zou een pleister op vele wonden willen zijn.”

De spirituele weg die Etty Hillesum aflegt, haar omvorming, is in de beschrijving van het boek reeds getekend. Deze weg begint als zij in behandeling gaat bij Julius Spier. In eerste instantie is er de confrontatie met haarzelf. Gaandeweg vindt Etty een nieuwe weg in haar leven in de vorm van verdieping van haar relatie met Spier en het vinden van rust en van God. Na driekwart jaar is er sprake van zekerheid en aanvaarding. “Rijp om een ‘Schicksal’ op je te kunnen nemen.” Van hieruit groeit zij verder en is zij in staat haar rol in Westerbork te vervullen. In één van haar laatste brieven schrijft zij: “Je hebt mij zo rijk gemaakt, mijn God, laat me ook met volle handen uit mogen delen.”

In eerste instantie is Etty Hillesum zozeer op Julius Spier georiënteerd, dat hij voor haar een onvoorwaardelijke aanspraak vormt. Later vindt zij “dem Tiefsten und Besten was in mir ist und was ich Gott nenne”. Dan is God de onvoorwaardelijke Aanspraak. Door de steeds sterker wordende jodenvervolging wordt God iemand over wie zij zich zorgen maakt: “En als wij er maar zorg voor dragen, dat ondanks alles, toch God bij ons in veilige handen is.”

De betrokkenheid op God is bij Hetty Hillesum relationeel van aard. God is de altijd aanwezige gesprekspartner, die staat voor het goede in de mensen en in haarzelf en die gekoesterd moet worden. Deze relatie wordt beschreven vanuit de positie van Etty zelf.

Situering van de spiritualiteit van Etty Hillesum binnen het geheel van vormen in verleden en heden levert het volgende beeld op. Zoals hierboven reeds aangegeven, is het een hedendaagse vorm van spiritualiteit binnen een binaire relatie. Er is in het geheel geen sprake van een bepaalde school van spiritualiteit. Vergelijking met vormen van spiritualiteit uit het verleden toont een sterke verwantschap met de crisisspiritualiteit uit de 16e eeuw en dat er het minst sprake van verwantschap is met de Kabbala. Er is in het geheel geen sprake van een verborgen Goddelijk drama.

8 september 2002; geschreven als deel van een werkstuk over spiritualiteit.

Heilige Familie; Sir 3,2-6.12-14; Kol 3,12-21; Mt2,13-15.19-23

Vandaag vieren we het feest van de heilige Familie. We stellen ons het gezin in Nazareth Jezus, Maria en Jozef tot voorbeeld. Deze drie voorbeeldige mensen zullen ongetwijfeld een voorbeeldig gezinsleven hebben gehad. Vrijwel niets is ons overgeleverd over het gezinsleven van de heilige Familie. Slechts enkele fragmenten uit de Bijbel zeggen hier iets over, zoals vandaag het toch wel erg korte verslag van de vlucht naar Egypte. Niet direct een tekst die ons vertelt hoe wij als gezin moeten leven.

De eerste en de tweede lezing geven ons meer houvast. Hier worden concrete uitspraken gedaan over hoe man en vrouw en hoe ouders en kinderen met elkaar moeten omgaan. Maar deze teksten zijn hier en daar wel erg concreet en daardoor ook tijdgebonden. Het zijn niet direct teksten die wij zullen gebruiken om elkaar aan te spreken en elkaar het goede gezinsleven voor te houden. Zo staan we toch een beetje met lege handen. En ook dichter bij huis is het moeilijk goede voorbeelden te vinden. Ook onze ouders en onze grootouders leefden in een tijd die sterk afwijkt van de onze. Ook hun voorbeeld is niet zonder meer over te zetten naar het hier en nu.

Toch hebben wij geen enkele moeite om de heilige Familie onszelf tot voorbeeld te stellen. Het kost ons weinig moeite hen als voorbeeldig gezin te zien. Blijkbaar hebben wij toch heel concrete gedachten over het ideale gezin. Veel van onze ideaalbeelden projecteren we op het gezin. Het gezin heeft een zeer wezenlijke plaats binnen ons leven. Hier willen wij gelukkig zijn, ons ontplooien, tot ons recht komen. Hier willen wij gezien en gerespecteerd worden. Hier willen wij geliefd zijn en ons veilig weten. Het gezin is ook een leerschool voor het leven. Hier leren wij liefhebben en geloven. Hier leren wij elkaar respecteren en waarderen. Hier leren we elkaar de ruimte geven en voor elkaar te zorgen.

Overal ter wereld zien we dat het gezin op een of andere wijze de kleinste eenheid binnen samenlevingen is. Verschillende culturen geven op verschillende manieren vorm aan het gezinsleven. Maar overal zijn er de kernwaarden: liefde, veiligheid en vertrouwen. Deze kernwaarden waren er ook binnen de heilige Familie, binnen het gezin van Jezus, Maria en Jozef in Nazareth. Op een manier die bij hun cultuur paste, hebben zij inhoud gegeven aan die kernwaarden. Zo hebben zij vorm gegeven aan hun gezinsleven om die kernwaarden tot hun recht te laten komen en elkaar gelukkig te maken.

Liefde, veiligheid en vertrouwen kunnen wij aan elkaar geven; we kunnen ze niet van elkaar opeisen. Ze vormen een opdracht naar elkaar. Het zijn geen rechten. Binnen het gezin is het denken in termen van rechten de verkeerde weg. Het denken in termen van rechten is een egocentrisch denken. Het denken in rechten leidt tot uitspraken als: ‘Ik heb recht op seks met mijn huwelijkspartner.’ En ‘Wij hebben recht op kinderen.’ Man en vrouw, ouders en kinderen: ze zijn niet elkaars bezit. Man en vrouw, ouders en kinderen: ze geven zich aan elkaar. Door je aan de ander te geven bied je de ander liefde, veiligheid en vertrouwen. Je aan de ander geven is de wijze waarop wij aan onze ideaalbeelden beantwoorden. Ook van Jezus, Maria en Jozef weten wij dat zij zich aan elkaar gaven. In die zin zijn zij ons voorbeeld.

In onze huidige samenleving denken wij te vaak en teveel in termen van rechten. Plichten en verantwoordelijkheid nemen een ondergeschikte positie in. Hierdoor komt ook het gezinsleven onder druk te staan. Zodra dit denken binnen een gezin gaat domineren loopt het fout. Hetzelfde geldt voor het denken in termen maakbaarheid. Ook als wij denken dat we ons gezin en gezinsleven zelf vorm kunnen geven, plaatsen we onszelf centraal en denken we teveel vanuit onze eigen positie. Een huwelijkspartner is een geschenk. Kinderen zijn een geschenk. En ook ouders zijn een geschenk. Alles wat wij binnen het gezin voor elkaar doen is een geschenk.

Als wij denken in termen van geschenk en geven aan elkaar, zij we in staat ook gelukkig te zijn met elkaar. De ander en zijn leven voor ons als een geschenk aanvaarden, maakt ons werkelijk gelukkig. Zo zijn wij ook in staat de ander gelukkig te maken. Liefde, veiligheid en vertrouwen zijn geschenken die wij elkaar geven. Zo volgen wij het voorbeeld van de heilige Familie. Zo maken wij elkaar gelukkig. Amen.

Licht ons geboren

Kerstmis is een lichtfeest. In onze streken zien we de dagen weer langer worden. De zon wordt weer krachtiger. Het duurt nog even, dan is het weer lente: de komst van het nieuwe leven. Het ritme van het kerkelijk jaar is nauw verbonden met de wisseling van de seizoenen. Zo gaan we ook nu weer van Kerstmis naar Pasen.

De geboorte van een kind is een wonder. Het nieuwe leven vervult ons met de meest mooie gevoelens van liefde en vreugde. Een kind is vooral ook een belofte, een belofte die nog tot vervulling moet komen. Het Kind van Kerstmis is een belofte die al onze fantasie te boven gaat. Hij is het Licht der wereld. Hij doet ons hart branden en zijn Geest verlicht ons duistere verstand. Johannes schrijft in het begin van zijn Evangelie: “Het ware Licht dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.” Dit is het Licht dat met Pasen in volle glorie straalt en dat wij symboliseren met de Paaskaars: Licht van Christus.

Lucas schrijft in zijn Evangelie: “In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus…” Daarmee geeft Lucas aan in welke tijd Jezus van Nazareth werd geboren. Keizer Augustus had het Romeinse Rijk flink doen groeien en hij had vrede en welvaart gebracht. Hij noemde zichzelf ‘vredevorst’ en ‘licht voor de mensen’. Op 25 december – als de dagen weer langer werden – vierden de Romeinen het feest van de ‘Sol Invictus’, de onoverwinnelijke zon. Keizer Augustus vereenzelvigde zich met de zonnegod. Hij was dan wel eind september geboren, maar was dit niet de dag waarop zijn moeder hem in haar schoot ontvangen had.

In die dagen – toen de mens zich tot God verklaarde en zichzelf ‘licht der mensen’ en ‘vredevorst’ liet noemen – is het God zelf die mens werd. Zijn troon was een kruis, zijn lauwerkrans was een doornenkroon. Hij deelde het leed en de ellende van de mensen. Hij zocht ze op in hun benauwdheid en in hun eenzaamheid. Nog steeds neemt Hij ze bij de hand en doet ze opstaan. Hij brengt licht in het leven van alledag, in het leven van iedere mens.

Zo wordt Christus ook vandaag in onze wereld geboren als een teken van tegenspraak. Hij zet de zaak op de kop. Hij laat de laatsten de eersten zijn. Hij zoekt niet de succesvolle en de aanzienlijke. Hij komt voor de arme, de zieke, de ontheemde, de rechteloze en de zondaar. In hun duisternis laat Hij zijn licht schijnen. Hij verlicht hun bestaan, brengt hen vrede en vergeving.

Bij ons Doopsel ontvangen wij een doopkaars aangestoken aan het licht van de Paaskaars. Wij mogen Christus navolgen en op onze beurt een licht in de wereld zijn. Moge het Licht van Christus telkens weer in ons worden geboren.

Zalig Kerstmis.

Vredesmissies

Nederland neemt regelmatig deel aan internationale vredesmissies: door de VN, de NAVO of de EU uitgezonden troepen om vrede te brengen en te behouden. Bij vredesmissies gaat het om civiele en om militaire activiteiten, inclusief het gebruik van geweld. Wanneer is militair geweld toegestaan?

Paus Johannes XXIII en Tweede Vaticaans Concilie

Paus Johannes XXIII schrijft in 1963 in ‘Pacem in terris’: “Steeds sterker wordt in onze tijd de overtuiging, dat eventuele conflicten tussen de volken niet door de wapens, maar door onderhandelingen en overeenkomsten moeten worden opgelost.” Voor de samenleving van de naties gelden dezelfde waarden als voor de relaties tussen mensen: waarheid, rechtvaardigheid, actieve solidariteit en vrijheid. Het Tweede Vaticaans Concilie stelt in ‘Gaudium et spes’ (1965) het bevorderen van de vrede als vrucht van de liefde centraal. “De aardse vrede, die voortkomt uit de naastenliefde, is een beeld en een uitwerking van Christus’ vrede.” De oorlog wordt veroordeeld. Alleen als alle pogingen tot vreedzame onderhandelingen zijn uitgeput, is zelfverdediging toegestaan.

Paus Johannes Paulus II en Benedictus XVI

In ‘Centesimus annus’ roept paus Johannes Paulus II in 1991 op tot internationale structuren en algemene procedures om spanningen tussen verschillende gemeenschappen die de internationale veiligheid bedreigen, op te lossen. Hij verwerpt het idee dat rechtvaardigheid door oorlog bereikt kan worden. Benedictus XVI benadrukt in 2009 in ‘Caritas in veritate’ de relatie tussen vrede en de eerlijke verdeling van natuurlijke hulpbronnen en aardse goederen. Hij acht een politiek wereldgezag noodzakelijk om de wereldeconomie richting te geven, volledige ontwapening tot stand te brengen, vrede en veiligheid te handhaven, het milieu te beschermen en migratiestromen te reguleren.

De vrede bevorderen

Vrede is meer dan het ontbreken van oorlog. Vrede is de vrucht van liefde en rechtvaardigheid. Vrede begint in de harten van de mensen en komt niet door oorlog tot stand. Geweld vernietigt wat het beweert te verdedigen: het leven, de waardigheid en de vrijheid van mensen.

Staten hebben een leger voor wettige zelfverdediging en ten dienste van de vrede. Iedere militair is geroepen om het goede, de waarheid en de rechtvaardigheid in de wereld te verdedigen. Alleen bevoegde internationale organen kunnen na zorgvuldige afweging gewapend geweld toestaan. Het recht geweld te gebruiken is gekoppeld aan de plicht om onschuldige slachtoffers te beschermen. De internationale gemeenschap heeft de plicht om tussenbeide te komen als het voortbestaan van groepen wordt bedreigd of hun fundamentele mensenrechten ernstig worden geschonden. Staten kunnen niet onverschillig blijven. Als alle andere middelen niet werken, zijn zij zelfs verplicht om maatregelen te nemen om de agressor te ontwapenen. Hierbij moet het internationaal recht en de gelijkwaardigheid tussen de staten worden gerespecteerd.

Op weg naar Kerstmis; Js 11,1-10

Jesaja tekent ons een toekomst van voorspoed en geluk, van gerechtigheid en vrede. De hele schepping is vervuld van liefde en harmonie. Er is geen kwaad en geen zonde meer. Er komt een leider die voor alle volkeren heil brengt. Het klinkt te mooi om waar te zijn. Is het niet allemaal teveel van het goede? Is het niet compleet over de top?

Voor hen die hun hoop enkel op menselijk presteren, enkel op de kennis van wetenschap en techniek, enkel op de kracht van wereldse utopieën en idealen vestigen, is het dat zeker. Zij zullen telkens weer teleurgesteld worden. Christenen weten dat het juist niet alleen maar mensenwerk is. Zij stellen hun hoop en vertrouwen op God. Zij zien werkelijk uit naar de leider die dit gaat verwezenlijken. Ieder jaar weer zijn wij onderweg naar Kerstmis, kijken wij uit naar de geboorte van het Licht, de zoon van David, de twijg die ontspruit aan de stronk van Isaï, kijken wij uit naar Hem die wij noemen: Immanuël, God met ons.

Het is Jezus van Nazareth die wij herkennen in deze tekst van Jesaja. Hij is de Messias, de Christus van wie dit alles wordt verwacht. Hij zegt over zichzelf: “De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij Mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen…” (Lc 4,18) Jezus Christus is onze verlosser en redder. Hij brengt ons het Rijk Gods, een rijk van vrede en gerechtigheid.

Wij christenen zijn niet alleen ontvangers van de Blijde Boodschap. Wij zijn ook de dragers van de vreugde van het Evangelie. Wij zijn ook allen geroepen om deze boodschap van liefde uit te dragen en mede vorm te geven. Wij zijn allen gedoopt met water, maar ook met vuur en heilige Geest. (Mt 3,11) Wij zijn allen gezalfd tot koningen, priesters en profeten. Wij maken allen deel uit van een koninklijke priesterschap, van Gods eigen volk. (1 Pe 2,9) De geest des Heren rust op ons allemaal. (1 Pe 4,14)

De vreugde en liefde die God ons geeft, mogen wij delen met iedereen. Allereerst moeten wij ons openstellen voor God, onze hart openen voor zijn liefde en zijn boodschap van bevrijding. Als wij in onszelf ontdekken hoeveel liefde en genade ons wordt gegeven, als wij ontdekken hoeveel God van ons houdt, als wij ontdekken hoeveel vrijheid Jezus Christus ons brengt, als wij ons dat werkelijk bewust worden, vervult ons dat met een onmetelijke vreugde. Dat is wat er bedoeld wordt met de vreugde van het Evangelie waarover paus Franciscus geschreven heeft. Het is deze vreugde die het voor ons onmogelijk maakt te zwijgen. Iedereen moet weten, wat ons is overkomen. Iedereen moet weten hoeveel God van ons houdt. Over die liefde kunnen wij niet zwijgen.

Het is ook die liefde en vreugde die ons tot handelen aanzet. We willen Gods liefde met iedereen delen. Hierdoor zetten wij ons in voor gerechtigheid en vrede. Zo worden wij medewerkers aan het Rijk Gods. Zo worden wij allen in woord en daad brengers van de Blijde Boodschap. Zo brengen wij niet alleen geluk aan anderen. Zo worden ook wij zelf werkelijk gelukkige mensen. Zo weten wij ons echt kinderen van God. Amen.