Auteur: Charles Caspers
Titel: Een bovenaardse vrouw: Zes eeuwen verering van Liduina van Schiedam
Auteur: Thomas van Kempen
Titel: Het leven van de Heilige Maagd Liduina
Uitgever: Verloren, 2014
Prijs: € 18,=
ISBN: 978 90 8704 487 9
Aantal pagina’s: 168
Liduina leefde van 1380 tot 1433. Tijdens haar leven had zij al een grote bekendheid. Door een val op het ijs brak zij als vijftienjarige een rib. Dit was het begin van een levenslange lijdensweg. Zij offerde haar lijden op ter bevrijding van de zielen uit het vagevuur. Met haar eigen lijden verminderde zij het lijden van anderen.
Charles Caspers schrijft over de geschiedenis van de verering van Liduina. Al in 1434 werd er een kapel boven haar graf gebouwd en even later verscheen het eerste boek over haar leven. Door de eeuwen heen is de devotie voor Liduina blijven bestaan. Ook in onze tijd kunnen wij van haar leren hoe wij kunnen leven met het lijden dat ons overkomt.
In 1455 voltooide Thomas van Kempen Het leven van de Heilige Maagd Liduina. Dit boek geeft ons een beeld van die tijd. We worden meegevoerd in de wondere wereld van de late Middeleeuwen. Voor de hedendaagse rationeel denkende mens kost het moeite om hierin mee te gaan. Voor Thomas is het leven van Liduina één grote lofprijzing op God. Rijcklof Hofman zorgde voor een gemakkelijk te lezen vertaling in hedendaags Nederlands.
In Schiedam is 2015 uitgeroepen tot Liduinajaar. Een goede gelegenheid om met dit fraai uitgegeven boek kennis te maken met deze bijzondere heilige van Nederlandse bodem.
Jezus vertelt ons dat het Rijk Gods is als een zaaier. Hij gaat het land op om te zaaien en daarna moet hij afwachten. De vruchtbare aarde doet haar werk en brengt vruchten voort. Het Rijk Gods is ook als een mosterdzaadje. Het begint heel klein en groeit uit tot een flinke boom. Het Rijk Gods is een geleidelijk iets. Het moet groeien. Het Rijk Gods is niet iets dat er plotseling – pats boem – is. Het is niet zo dat wij bij ons overlijden plotseling in een totaal andere wereld terecht komen, in een wereld die in niets lijkt op onze tijdelijke bestaan hier op aarde.
Het eeuwig leven maakt deel uit van het Rijk Gods, maar het Rijk Gods omvat meer. Het is iets dat al in ons aardse bestaan aan het groeien is en soms zichtbaar wordt – soms heel even – op die momenten van intens geluk. Het Rijk Gods maakt deel uit van de reële werkelijkheid van ons aardse bestaan. Zo kunnen wij ook onze eigen bijdrage leveren aan het Rijk Gods. Het Rijk Gods is niet alleen een gave, niet alleen een geschenk van Gods liefde voor ons. Het Rijk Gods is ook een opgave. Van ons wordt gevraagd dat wij daadwerkelijk bijdragen aan de komst van het Rijk Gods.
Het Rijk Gods heeft te maken met hoe wij ons als mens ontwikkelen. Wij willen allemaal goed en gelukkige mensen worden. Zo komen wij tot onze bestemming. Wij zijn geschapen voor het geluk. Deze volmaaktheid zullen we pas bereiken in God, in het eeuwig leven. In ons opgaan in God, in zijn volmaakte liefde en geluk ligt onze bestemming. In onze aardse leven groeien we daar naar toe. Nu al mogen wij ons in Jezus Christus verenigen met God. We doen dat niet als individuele mensen, maar als mensen die deel uit maken van de gemeenschap, in verbondenheid met elkaar. In relatie met onze medemens komen wij tot onze volle ontplooiing. Alleen in relatie met anderen worden wij volledig mens. Als wij ons niet met onze medemens willen verbinden en niet solidair zijn met elkaar, gaan wij ook geen relatie met Christus aan en verenigen wij ons niet met God. Sterker nog dan nemen wij juist afstand van God en van zijn liefde voor ons.
Paulus schrijft dat wij niet in ons lichaam moeten blijven. Als wij in ons lichaam blijven, zijn we alleen gericht op onze individuele lichamelijke genoegens. Een dergelijke zelfgerichtheid sluit de medemens buiten of maakt hem tot een object om ons eigen genoegen te realiseren. Als wij verhuizen naar buiten ons lichaam, richten wij ons op het geluk van de ander. Op die wijze gaan mensen relaties met elkaar aan, zijn zij solidair met elkaar en houden zij van elkaar. In die relaties tussen mensen, in die solidariteit en liefde is Jezus aanwezig. Dat zijn de momenten waarop wij daadwerkelijk bouwen aan het Rijk Gods. Hier vinden wij ook die momenten van intens geluk, waarin wij raken aan het Rijk Gods en er even van kunnen proeven.
Als wij dan ooit voor Christus’ rechterstoel verschijnen, zal Hij tot ons zeggen wat wij in Matteüs 25 kunnen lezen: “Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven…” Amen.
Hoe hoog mogen salarissen zijn? Zijn er in het denken van de Kerk grenzen aan de hoogte van het inkomen? Paus Leo XIII schreef in 1891 in de encycliek Rerum novarum over rechtvaardige loonsbepaling. Mensen moeten met het loon uit hun arbeid in staat zijn “om op eerzame wijze in het levensonderhoud te voorzien”. De aandacht van de Kerk is sinds die tijd vooral gericht geweest op de laagste inkomens. In algemene termen wordt er gepleit voor een eerlijke inkomensverdeling waarin ook criteria van sociale rechtvaardigheid worden nagestreefd. Een mens is niet alleen een productiefactor. Een mens is ook niet alleen een salaris. Het gaat altijd om de gehele mens en zijn menselijke waardigheid.
Rijkdom
Rijkdom en veel geld verdienen wordt door de Kerk niet afgewezen. Uit de Bijbel kennen we verschillende mensen die met grote rijkdom gezegend worden, zoals bijvoorbeeld aartsvader Abraham en koning Salomo. Wel wordt er bijvoorbeeld door de profeet Amos en de apostel Jacobus krachtig stelling genomen tegen uitbuiting van mensen. “Hoort, het loon dat gij hebt onthouden aan de arbeiders (…) roept luid, en de kreten van uw oogsters zijn doorgedrongen tot de oren van de Heer der heerscharen.” (Jak 5,4) Rijkdom mag, maar je moet het wel op een eerlijke manier verwerven. Dat betekent dat het niet ten koste van anderen mag gaan en ook niet ten koste van de schepping.
Verslaving
Jezus raadt de rijke jongeling aan al zijn bezit weg te geven en Hem te volgen. (Mc 10,17-22) Dat gaat de goed levende jongeman te ver. Hij is gehecht aan zijn bezit. Jezus wijst de rijkdom niet af, maar waarschuwt hier wel voor verslaving aan bezit. Een hoog inkomen geeft ons een comfortabel leven. Rijkdom biedt ons zekerheid en macht, maar bovenal geven een hoog inkomen en rijkdom ons status. Ik kan me goed herinneren hoe ik in het begin mijn salaris vergeleek met dat van vrienden. Wie meer verdient, heeft het idee een beter mens te zijn. Dit kan ontaarden in hoogst merkwaardige competities tussen de ontvangers van topinkomens.
Rechtvaardigheid
Soms vinden mensen iets onrechtvaardig omdat zij zichzelf benadeeld voelen, maar misschien is dit eerder een vorm van jaloezie. Ook wettelijke bepalingen en economische mechanismen bepalen niet werkelijk wat rechtvaardig is. Niet alles wat mag, is goed. Op de arbeidsmarkt is schaarste van grotere invloed op de hoogte van salarissen dan de werkelijk toegevoegde waarde die iemand levert. Een rechtvaardige inkomensverdeling is geen eenvoudig doel. Wat een voldoende inkomen is om fatsoenlijk van te kunnen leven, is nog wel te bepalen, maar wanneer verdient iemand te veel? Hoe dan ook niet elke inkomensverdeling is rechtvaardig. In Nederland kennen we de Balkenendenorm. Deze geldt voor de publieke sector. Andere sectoren zoals het bedrijfsleven kennen zo’n norm niet. Geld groeit niet aan een boom. Wat de ene mens aan inkomen verdient, is niet voor een ander beschikbaar. Geld is het middel om schaarse zaken onder de mensen te verdelen. De rijke draagt een grote verantwoordelijkheid. Zijn geld is uiteindelijk ook van de arme. Een hoog inkomen geeft niet alleen de grote verantwoordelijkheid zoals in de functieomschrijving staat, maar ook een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid buiten de functiebeschrijving om.
“Van vreugde juicht mijn geest om God, de redder.” Maria jubelt van vreugde om de grote daden die God aan en in haar doet. Het is niet niks wat Maria in korte tijd allemaal meemaakt. De engel Gabriël komt haar vertellen, dat zij zwanger wordt van de heilige Geest en een zoon zal baren. Haar kind zal Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. Het is een boodschap die niet te begrijpen is. Hoe moet dit allemaal? Maar Maria vertrouwt op God en antwoordt aan Gabriël: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.”
Vervolgens gaat Maria op reis. Ze gaat naar haar nicht Elisabet die in haar zesde maand is. Elisabet was onvruchtbaar en is al op leeftijd en nu is zij plotseling zwanger van haar eerste kind. Elisabet woont niet om de hoek en ook niet in een dorp verderop. Maria gaat van Nazareth naar een stad in Judea. Dat is een reis van vier à vijf dagen: een flinke onderneming. Mogelijk heeft het Maria ook tijd en ruimte gegeven om na te denken wat de engel Gabriël haar te zeggen had.
Dan komt ze bij haar nicht Elisabet aan. Dat is natuurlijk zonder meer een feest: twee familieleden die elkaar na een lange tijd weer ontmoeten. Maar dit is meer. Elisabet herkent in Maria de moeder van haar Heer. Het is een ontmoeting tussen twee gelovige vrouwen die beiden door God gezegend zijn en dat in elkaar herkennen. Zij delen samen een zelfde geloof en vertrouwen in God. Maria en Elisabet zijn echt blij en enthousiast. Zelfs het kind van Elisabet – Johannes de Doper – springt van vreugde op in haar schoot. Hoe blij en enthousiast zijn wij eigenlijk?
Paus Franciscus schreef anderhalf jaar geleden de brief ‘De vreugde van het Evangelie’. Hij opent zijn brief met: “De vreugde van het Evangelie vult de harten en levens van allen die Jezus ontmoeten.” Het woord vreugde keert steeds weer terug. Het is een sleutelwoord in deze brief aan alle katholieken, niemand uitgesloten. De paus schrijft: “Niemand moet denken dat deze uitnodiging niet voor hem of haar bedoeld is, want niemand wordt uitgesloten van de vreugde die door de Heer wordt gebracht.” Bij paus Franciscus is de vreugde van het gezicht af te lezen. Niet, dat hij alleen maar met een grote glimlach door het leven gaat. Hij toont ook zijn ernst en laat zien dat hij met het lot van anderen begaan is, maar vaak zie je hem met een blijde lach en laat hij zien dat hij werkelijk leeft vanuit de vreugde die Jezus hem geeft. Dit maakt hem ook tot een opmerkelijke en innemende persoonlijkheid. Wij zijn niet zo gewend aan mensen die uitstralen dat ze werkelijk gelukkig zijn.
Zelf schrijft de paus: “De grootste bedreiging van de van consumentisme doordrongen wereld van vandaag is de troosteloosheid en gekweldheid voortkomend uit een zelfgenoegzaam en begerig hart, uit de ziekelijke zucht naar oppervlakkig vermaak en uit een afgestompt geweten. (…) Gods stem wordt niet meer gehoord, de kalme vreugde van de liefde wordt niet langer ervaren en de wens om goed te doen vervaagt.” Onze materiële welvaart maakt ons leven wel comfortabeler, maar zij maakt ons niet echt gelukkig en blij. Ook de betere gezondheid en de afwezigheid van fysieke pijn zorgen niet voor het echte geluk. Wij mensen hebben altijd nog zoveel te wensen en zoveel te klagen. Toch kent ieder van ons ook momenten van intens geluk. Dat kan een kortstondig moment zijn en soms al weer langer geleden, maar ook dan blijft de herinnering.
God wil dat wij mensen – zijn kinderen – gelukkig zijn. Daarvoor is Jezus, Gods Zoon mens geworden. Jezus laat ons zien dat wij het geluk vinden in de liefde voor God en voor elkaar. Hij heeft ons die liefde voorgeleefd en roept ons op zijn voorbeeld te volgen. Hij heeft ons zijn Geest gegeven om ons daarbij te helpen. Door Jezus hebben wij weet van de liefde van God. De drie-ene God die liefde is en gemeenschap. De drie goddelijke personen – Vader, Zoon en Geest – zijn van elkaar verschillend en ook innig met elkaar verbonden.
Ook wij mensen komen juist in verbondenheid met elkaar tot volle wasdom. Door de liefde voor elkaar kunnen we van elkaar ontvangen en kunnen we aan elkaar geven. Doordat we van elkaar verschillen kunnen we van elkaar houden. Door de verscheidenheid kunnen we elkaar aanvullen en elkaar van dienst zijn. Zo wordt de ontmoeting tussen mensen werkelijk een feest. Ons geluk en onze vreugde ligt niet in de zelfgenoegzaamheid. Zij liggen niet in onze onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Juist in verbondenheid met elkaar komen wij tot ontplooiing. Binnen de gemeenschap worden wij werkelijk mens. Binnen de gemeenschap, in de relatie tussen mensen is Jezus aanwezig. Daar is zijn Geest werkzaam: de Geest van liefde en gemeenschap. Hij versterkt onze liefde voor elkaar. Hij maakt die liefde vruchtbaar. Hij vervult onze harten daarmee met echte vreugde: “de kalme vreugde van de liefde”.
Maria geeft ons het voorbeeld. Zij leefde een leven van liefde en geloof. Maria is ook onze voorspraak. Zij is ons gegeven als ons aller moeder. Amen.
We leven in een sterk geïndividualiseerde samenleving. Het begrip gemeenschap is op de achtergrond geraakt. In het kerkelijk denken wordt de mens als een persoon gezien. Een persoon is niet alleen maar een enkele mens. Een persoon staat in relatie met andere mensen. Een mens wordt pas echt mens als hij niet alleen is. In het scheppingsverhaal lezen we: “Het is niet goed dat de mens alleen blijft.” (Gn 2,18) De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Hij lijkt op God die liefde is. Het Compendium van de Sociale Leer van de Kerk formuleert het als volgt: “De relatie tussen God en de mens wordt weerspiegeld in de relationele en sociale dimensie van de menselijke natuur. De mens is in feite geen solitair wezen, maar een sociaal wezen, en zonder band met anderen kan hij niet leven en zijn talenten niet ontplooien.”
In onze tijd moeten we zelfstandig, onafhankelijk en zelfredzaam zijn. Daar is op zich niets mis mee, maar je kunt het ook overdrijven en denken: ik heb niemand nodig, want ik kan het allemaal zelf. Dat is de illusie van het marktdenken. Alles wat je nodig hebt, kun je kopen. Geld geeft je het idee van onafhankelijkheid. Maar hoe onafhankelijk zijn we eigenlijk. Wie van ons overleeft er op een onbewoond eiland of wordt er op zijn minst niet diep ongelukkig? Mensen hebben elkaar nodig om te leven en zeker om samen gelukkig te zijn.
Zodra mensen ervaren dat ze elkaar nodig hebben en zich met elkaar verbonden weten, ontstaat er gemeenschap. Anders dan zo’n vijftig jaar geleden maken we tegenwoordig vaak deel uit van verschillende gemeenschappen. We hebben ons gezin en onze familie. We hebben vrienden en buren. We hebben collega’s en er zijn mensen met wie samen sporten. Dat kunnen allemaal verschillende clubjes zijn met geheel verschillende mensen. Vroeger was dat veel meer allemaal binnen het zelfde dorp en van de zelfde kerk. Door deze ontwikkeling zijn de onderlinge bindingen tussen mensen losser dan in het verleden. Er zijn meer keuzemogelijkheden en je bent minder tot elkaar veroordeeld. Maar ook al maak je slechts tijdelijk deel uit van een gemeenschap daarmee is het niet minder waardevol.
Onze geloofsbelijdenis is opgebouwd uit drie delen: Vader, Zoon en heilige Geest. Het laatste deel van de heilige Geest gaat ook over de Kerk en de gemeenschap van heiligen, die bestaat uit alle gelovigen, levenden en doden. Ook na onze dood leven wij in gemeenschap. Het is de heilige Geest die de gemeenschap van de Kerk opbouwt. Hij brengt ons in liefde tot elkaar. Hij is de Geest van liefde, de Geest van gemeenschap.
Met Pinksteren vieren we ook het ontstaan van de Kerk, de gemeenschap van de gelovigen. Een goede gelegenheid om stil te staan bij het belang en de waarde van de gemeenschap. Zij is niet alleen een middel en een weg tot persoonlijk geluk. Omdat wij mensen persoon zijn met relaties met anderen, is de gemeenschap ook een wezenlijk deel van onszelf. We zijn niet alleen deel van de gemeenschap. Zij zit ook in ons. Binnen de gemeenschap heeft ieder zijn unieke plaats. Dat vraagt dat wij serieus werk maken van onze rol en verantwoordelijkheid binnen de gemeenschappen, waarvan we deel uit maken. Laat de heilige Geest ons hierbij inspireren en ons tot Helper zijn.
Pastoraal woord in De Morgenster, mei 2015
Jezus roept ons op om gemeenschap te vormen: een gemeenschap in, met en door Christus. Hij is de ware wijnstok. Wij zijn de ranken. Zonder Hem kunnen wij niets.
In het verleden was er weinig aandacht voor de Kerk als gemeenschap. In de catechismus die ik in de jaren vijftig uit mijn hoofd leerde, komt het woord gemeenschap maar twee keer voor. Het belangrijkste was dat je als mens goed leefde. Het is zoals mijn moeder kon zeggen: Als je vriendje in de sloot springt, hoef jij dat nog niet te doen. Let niet op wat anderen doen, maar ga zelf de juiste weg. Vijftig jaar geleden kwam daar verandering in. Het Tweede Vaticaans Concilie legt veel nadruk op gemeenschap, communio. De mens is een sociaal wezen: zonder band met anderen kan hij niet leven en zijn talenten niet ontplooien. In het scheppingsverhaal lezen we: “Het is niet goed dat de mens alleen blijft.” (Gn 2,18) Een mens wordt pas echt mens als hij niet alleen is. Tegen het steeds sterker wordende individualisme in pleit de Kerk voor gemeenschap.
Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Wij lijken op God die liefde is. Wij lijken op de heilige Drie-eenheid: de drie-ene God die gemeenschap in zichzelf is. Wij kunnen niet bestaan zonder gemeenschap. Wij zijn deel van de gemeenschap, maar de gemeenschap is ook deel van ons. De gemeenschap en de relatie met andere mensen is een wezenlijk deel van ons bestaan. De gemeenschap zit in ons.
Het is niet zo eenvoudig om gemeenschap te vormen. Wij mensen zijn allemaal verschillend van elkaar. Alles wat anders is dan wij, maakt ons achterdochtig. Wij zijn van nature een beetje bang voor alles wat vreemd is. Die angst moeten wij overwinnen. Het anders-zijn van onze medemens is geen bedreiging, maar juist een verrijking. Doordat de ander anders is, heeft hij ons wat te vertellen. Door de ander krijgen wij een beter zicht op de waarheid. Dit hebben de eerste christenen ook moeten ontdekken. Zij wantrouwden Paulus en dat was niet zonder rede. Voor zijn bekering had hij – als Saulus – de christenen vervolgd. Hij was erbij toen Stefanus als eerste martelaar gestenigd werd. Zou deze rabiate christenhater nu plotseling bekeerd zijn? Gelukkig was daar Barnabas die Paulus wel geloofde. Deze vreemdeling Paulus heeft een enorme bijdrage geleverd aan de verbreiding van het christendom. Tot op de dag van vandaag lezen wij zijn brieven.
Een ander helpt ons niet alleen de waarheid te leren kennen, hij stelt ons ook in staat tot liefhebben. Een mens in eenzaamheid kan niet liefhebben en heeft ook geen andere mens die van hem houdt. Zonder liefde kan een mens niet leven. In eenzaamheid wordt hij doodongelukkig. Johannes wijst er in zijn brief op dat liefde concrete daden vraagt. Het zijn niet onze mooie woorden maar de daden van liefde die de gemeenschap opbouwen. Het is de Geest van God, de Geest van liefde die in ons woont. De heilige Geest brengt ons tot daden van liefde. Zo bouwt Hij aan de gemeenschap.
Jezus zegt ons dat liefde niet een zoetsappig sprookje is. Liefde vraagt ook om waarheid. Zonder waarheid verwordt liefde tot sentimentaliteit. Liefde in waarheid maakt ons verantwoordelijk voor elkaar. Wij zijn medeverantwoordelijk voor wat de ander doet. Binnen de gemeenschap hebben wij de verantwoordelijkheid elkaar op het goede spoor te houden. Inderdaad als je vriendje in een sloot springt, is dat geen reden om het ook te doen. Daar had mijn moeder gelijk in. Maar bovendien heb ik de verantwoordelijkheid om tegen mijn vriendje te zeggen, dat in een sloot springen niet goed is en dat hij dat beter niet meer doet.
Zo zijn wij medeverantwoordelijk voor elkaar. Niemand van ons wil dat iemand anders uit onze gemeenschap, weggezuiverd moet worden omdat hij geen vrucht draagt. Door onze verbondenheid met elkaar willen wij het lijden van de ander niet. En wij willen ook niet deze verbondenheid verbroken wordt. Een gemeenschap in Christus maakt ieder op zijn geheel eigen wijze medeverantwoordelijk voor het geheel. Dat is de enige manier waarop wij zelf goed en gelukkig kunnen zijn. Ons geluk staat niet los van het geluk van de gemeenschap als geheel.
In deze tijd – op weg naar Pinksteren – bidden wij om de heilige Geest, de Geest van liefde en gemeenschap. Wij vragen dat Hij onze harten doet branden van liefde voor elkaar, dat Hij ons opbouwt tot een hechte en sterke gemeenschap. Amen.
Zo’n vijfenvijftig jaar geleden zong het Leidsch Studenten Cabaret: “Laat je zoon studeren, laat hem voor minister leren…” Het was de tijd van de vooruitgang en van een nog betere toekomst. Met een studie aan de universiteit was de toekomst van je kind verzekerd. In welke richting stimuleren wij vandaag onze kinderen? Willen wij dat zij bankier worden of priester? Moeten zij gaan voor het grote geld en het individuele geluk of vragen wij hen dienstbaar te zijn aan de samenleving en daarin hun geluk te vinden? Er is een tijd geweest waarin de beroepskeuze min of meer al bij de geboorte bepaald was. Bijvoorbeeld: de oudste zoon nam het bedrijf over en de tweede werd priester. Tegenwoordig is het gelukkig veel meer een eigen keuze, maar dat wil niet zeggen dat de directe omgeving van het kind daar geen invloed op heeft.
Wij willen graag dat onze kinderen gelukkig worden en doen alle moeite om daarvoor de voorwaarden te scheppen. We zorgen ervoor dat zij de opleiding krijgen die het beste bij hen past en die hen voorbereidt op een goed en gelukkig leven. Als je op internet zoekt op “hoe wordt mijn kind gelukkig”, vind je een overvloed aan adviezen. Persoonlijk denk ik, dat het niet gaat om gelukkig worden, maar om gelukkig zijn. Het belangrijkste is dan de manier waarop ouders zelf gelukkig zijn. Ouders leven het leven voor. Kinderen volgen hen hierin na. Hun manier van gelukkig zijn, is hun kinderen tot voorbeeld.
Eén ding is zeker: gelukkig ben je alleen samen met anderen. Geluk in eenzaamheid bestaat niet. Wij mensen zijn sociale wezens en worden pas echt mens in relatie met anderen. Dat is het belang van samen gemeenschap vormen. De relatie met anderen is zo’n wezenlijk onderdeel van ons bestaan, dat ook de gemeenschap waarvan wij deel uit maken een deel van ons zelf is. Wij zijn niet alleen deel van de gemeenschap, de gemeenschap zit ook in ons. Binnen de gemeenschap heeft iedereen zijn unieke plaats en rol. Dat is een rol die sterk met ons zelf verbonden is, maar die zeker ook niet los gezien kan worden van onze omgeving. Wij leven niet voor onszelf alleen, wij leven ook voor de anderen. Ieder van ons draagt op zijn eigen wijze verantwoordelijkheid voor het geheel.
Jezus heeft ons bij uitstek laten zien wat dat betekent. Hij heeft ons een teken gegeven van zijn liefde tot het uiterste toe. Hij zegt: “Ik geef mijn leven voor de schapen.” Johannes schrijft in zijn brief: “Vrienden, hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij worden kinderen van God genoemd en wij zijn het ook.” Wij mensen zijn in liefde met elkaar verbonden. Wij vormen één grote familie: allen zijn wij kinderen van God. In dat teken staat ons leven. Wij allen zijn geroepen tot een leven in liefde. Met ons leven maken wij onze liefde voor elkaar zichtbaar en concreet. Met deze roeping voor ogen zoeken wij onze plaats en rol in de gemeenschap.
Voor de een zal dat bankier zijn en voor de ander priester. Beiden zullen zich er bewust van moeten zijn dat zij geroepen zijn door en voor de gemeenschap. Roeping is niet iets individueels. Je hebt geen roeping. De roeping is niet van degene die geroepen wordt. De roeping is van en door de gemeenschap. Je wordt geroepen ten dienste van de gemeenschap. Als wij willen dat onze kinderen goede en gelukkige mensen worden, moeten we ze laten zien dat wijzelf gelukkig worden door ons in dienst te stellen van de mensen om ons heen. Als wij ons inzetten voor anderen, zullen onze kinderen dat ook doen. Als wij alleen op onszelf gericht zijn of ons geluk alleen in materiële zaken zoeken, zullen onze kinderen dat ook doen.
Onze samenleving heeft behoefte aan goede bankiers, bankiers die weten dat zij er zijn ten dienste van de maatschappij. Er zijn vele levenskeuzes die bijdragen aan het algemeen welzijn. De eigen talenten die ons gegeven zijn, bepalen in grote mate onze keuze. Onze roeping is ook gelegen in het tot ontwikkeling brengen van onze talenten. Het gaat daarom de goede combinatie te vinden van eigen mogelijkheden en onze verantwoordelijkheid voor het geheel. Zo worden wij zelf gelukkig en dragen we bij aan het geluk van anderen.
Vandaag hebben we speciaal aandacht voor roeping voor het gewijde ambt van priester en diaken en voor het aan God gewijde kloosterleven. Ook deze roepingen brengen de geroepene en vele anderen geluk. Vandaag ervaren wij het gemis van een priester die ons kan voorgaan in de Eucharistie. Dat vraagt dat ook deze geloofsgemeenschap priesters voortbrengt. Vandaag bidden wij voor roepingen. Minstens zo belangrijk is het dat wij een klimaat realiseren waarin roepingen goed gedijen: een klimaat waarin wij dergelijke roepingen stimuleren en het zelf aandurven ons te laten roepen en ook anderen op te roepen tot dienst aan de gemeenschap. Roeping begint bij onszelf. Amen.
Auteur: Kick Bras
Titel: Leven met Thomas Merton: Wegwijzer naar vrijheid
Uitgever: Meinema, 2015
Prijs: € 14,95
ISBN: 978 90 211 4384 2
Aantal pagina’s: 134
Thomas Merton werd 100 jaar geleden geboren. Na een turbulente jeugd en het vroege overlijden van zijn ouders groeide hij naar het rooms-katholicisme toe en werd hij in 1938 gedoopt. In 1941 sloot hij zich aan bij de trappisten. In het klooster in Kentucky in de Verenigde Staten zette hij zijn zoektocht voort en schreef hij vele diepzinnige teksten.
Een belangrijke vraag in het leven van Merton is: Hoe wordt je een werkelijk vrij mens? Hij vindt de vrijheid in het klooster en in de eenzaamheid, maar ziet zichzelf vervolgens als daarvan afhankelijk en dus toch weer onvrij. Vrijheid is ook een soort lenigheid die je in staat stelt je aan te passen aan de omstandigheden. Om werkelijk tot God, tot zuivere liefde en vertrouwen te komen, moet je je van alles losmaken, ook van jezelf.
Kick Bras voorziet in dit opnieuw uitgegeven boek teksten van Thomas Merton van commentaar. Zo laat hij ons op een toegankelijke wijze kennis maken met de boeiende persoon Merton, zijn spiritualiteit en met zijn veelgelezen werk.
“Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.” Dat is wat Maria Magdalena zag en vertelde aan de leerlingen. Zij was op dat moment niet in staat te zien wat er werkelijk was gebeurd. Hoe vaak gebeurt het ons niet dat de werkelijkheid niet tot ons doordringt. We worden geheel opgeslokt door het leven van alle dag, door onze bezigheden en door onze grote en kleine zorgen. Een andere reden waarom we niet zien wat er werkelijk aan de hand is, ligt in onze manier van kijken, onze manier van denken. Door onze vooringenomenheid komt de waarheid niet aan het licht.
Een van de redenen waarom mensen tegenwoordig niet geloven, is omdat ze het werkelijk niet kunnen. Ze kunnen het niet geloven. Bij doopgesprekken kom ik dat regelmatig tegen: een van de ouders is katholiek en de ander gelooft helemaal niets. De ongelovige heeft veel respect voor het geloof van de partner en heeft ook geen enkel bezwaar tegen de doop van het kind, maar is niet in staat zelf ook te geloven. De ongelovige bekijkt de wereld puur rationeel. Voor hem is waarheid datgene wat wetenschappelijk kan worden aangetoond. Meer dan dat kan er volgens hen niet bestaan. De ongelovige denkt zoals Maria Magdalena denkt. Het graf is leeg. De enige logische verklaring is dat iemand het lichaam heeft meegenomen.
Het kan ook anders. Johannes schrijft in het Evangelie over zichzelf: “hij zag en geloofde.” Blijkbaar keek Johannes met andere ogen. Maria Magdalena had alleen maar gezien dat het graf leeg was en daaruit had zij haar conclusie getrokken. Petrus en Johannes zien meer. Zij zien ook dat de zwachtels er nog lagen en op een andere plaats de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt. Petrus heeft blijkbaar geen idee wat hij hiermee aan moet, terwijl bij Johannes het eerste teken van geloof zichtbaar is. Blijkbaar leefde Johannes ondanks alles in de verwachting dat de dood het einde niet kon zijn, dat er nog hoop en toekomst moest zijn. Zonder te beseffen wat er precies gebeurd is, komt bij Johannes een eerste glimp van de waarheid aan het licht.
Ons denken wordt sterk beïnvloed door de cultuur waarin wij leven. Hierin zijn wij opgevoed en hierin voelen wij ons thuis. Zonder een gedeelde cultuur zou het leven tamelijk ingewikkeld zijn. Dan zouden we voortdurend aan elkaar moeten uitleggen wat we met een bepaald woord of gebaar bedoelen. De wereld zou ten onder gaan aan misverstanden. Maar het heeft ook zijn keerzijde. Onze manier van denken kan ons ook verblinden. Niet dat we bewust onze ogen sluiten, maar we zien het gewoon niet. Dat is aan de orde bij geloven, maar ook als wij het over vrijheid hebben.
Christus is onze Verlosser en Redder. Hij heeft ons bevrijd. Als we het tegenwoordig over vrijheid hebben, hebben het vooral over doen waar je zin in hebt. Dat is de vrijheid van het neoliberale denken van deze tijd. Iedereen streeft naar zoveel mogelijk vrijheid: lekker doen waar je zin in hebt. De enige beperking die we kennen is de vrijheid van de ander. De beleving van onze eigen vrijheid mag niet ten koste gaan van onze medemens. Daar gaat dan ook de discussie over. Wanneer wordt vrijheid van meningsuiting een vorm van beledigen? Een ander voorbeeld is godsdienstvrijheid. Mag je in vrijheid je geloof beleven ook als anderen vinden dat hun waarden daarmee in het geding zijn?
Dit is echter niet de vrijheid die Christus ons brengt. Hij heeft ons bevrijd van het kwaad, met name van het kwaad in onszelf. Door deze bevrijding zijn wij in staat een goed en gelukkig mens te zijn door goed te doen en onze medemens lief te hebben. Jezus heeft ons bevrijd van ons egoïsme, van onze neiging altijd en overal onszelf als het centrum van de wereld te zien. Zelf heeft Hij het ons voorgeleefd. Hij heeft ons laten zien hoe je goed kunt leven. Met zijn leven, dood en verrijzenis heeft Hij ons de ogen geopend. Hij heeft ons laten zien welke weg wij kunnen gaan: de weg van liefde en geluk, de weg van licht en vrede. De vrijheid die Jezus ons geeft, is de vrijheid om goed te zijn, de vrijheid om elkaar lief te hebben, de vrijheid om te doen wat God van ons vraagt. Deze vrijheid in onbegrensd. Er zijn geen grenzen aan liefhebben en goed zijn. Het enige wat ons in de weg staat, is ons eigen tekortschieten.
Christus heeft de relatie tussen God en mensen hersteld. Hij heeft ons heel zijn leven gegeven, al zijn liefde en al zijn genade. Hij geeft ons zijn Geest: de heilige Geest die in ons woont. Het is zijn Geest die onze Helper is, die ons kracht geeft en liefde en wijsheid. Het is zijn Geest die ons de ogen opent, die ons de ware werkelijkheid laat zien. Zo komt Gods bedoeling met ons aan het licht. De God van liefde heeft ons zijn Zoon gegeven als een teken van zijn liefde tot het uiterste toe. In die liefde mogen leven en vrij zijn en doen wat goed is voor onze medemens. Zo mogen wij met de verrezen Heer ten volle leven nu en in eeuwigheid. Amen.