Spring naar inhoud

Allerzielen 2015; Kl 3,17-26; Rom 5,5-11; Joh 14,1-6

Als wij het over heiligen hebben denken wij vooral aan hen die opgenomen zijn in Gods heerlijkheid, aan de heiligen in de hemel. Ook als wij in de twaalf artikelen van het geloof ‘de gemeenschap van de heiligen’ noemen, denken we vooral aan de heiligen in de hemel. Maar als de apostel Paulus het in zijn brieven over heiligen heeft, bedoelt hij de christenen hier op aarde. Heiligen zijn dus niet alleen degenen die heilig zijn verklaard. Alle christenen op aarde en in de hemel vormen één gemeenschap van heiligen. Vanouds onderscheiden we drie verschillende groepen heiligen: de strijdende Kerk op aarde, de lijdende Kerk in het vagevuur en de triomferende Kerk in de hemel.

Deze drie groepen vormen samen de gemeenschap van de Kerk: de gemeenschap van de heiligen. Zo horen niet alleen Allerheiligen en Allerzielen bij elkaar, maar zijn ook wij hier op aarde wezenlijk verbonden met onze broeders en zusters in het vagevuur en in de hemel. Gisteren vierden we het heil, de verlossing en verheerlijking die de heiligen in de hemel ontvangen hebben. Vandaag bidden wij voor de overledenen die nog onderweg zijn naar het heil. En wij zelf worden iedere dag geroepen ons leven te heiligen. Wij allen zijn door God geschapen om heiligen te zijn en uiteindelijk deel te nemen aan zijn rijk van vrede en geluk, aan het eeuwig leven.

Wij kunnen ons geen enkele voorstelling maken van het leven na de dood, van het eeuwig leven. En toch hopen en verlangen wij naar dat volmaakte geluk. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn. Hoe ziet het eeuwig leven eruit? De lezingen van vandaag helpen ons daarbij niet echt verder. Wel kunnen we hierin lezen dat wij als individuen zullen voortbestaan. Wij gaan niet op in iets algemeens, iets abstracts zoals licht of energie. Wij worden ook geen sterretje aan het firmament. Op een of andere wijze blijven we mensen, individuele mensen levend in gemeenschap. Dat is ook is ook wezenlijk aan het geloof in de verrijzenis.

Ook de leerlingen van Jezus zitten met vragen. Zij begrijpen Jezus niet. Dus zegt Tomas: “Heer, wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?” Zij zitten met dezelfde vraag als wij. Ook zij worstelen met het mysterie van het leven, het mysterie van de dood en het mysterie van God. “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.” De enige voorwaarde die Jezus noemt is geloof. Geloven is vooral durven vertrouwen. Jezus zegt ons: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.’ Hij houdt ons niet een systeem van regels en geboden voor. Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven, hoe je kunt geloven, hoe je kunt liefhebben, hoe je de waarheid op het spoor kunt komen. Jezus zegt ons: Kijk naar Mij, hoe Ik op de Vader vertrouw. Kijk hoe de Vader van Mij houdt en Ik van Hem. Kijk hoe Ik die liefde deel met alle mensen. Doe net als Ik doe: leef met vertrouwen en liefde. Dan zul je ook sterven in vertrouwen en liefde, dan zul je sterven in vrede.

Jezus geeft ons hoop, hoop op een goede afloop. De eerste lezing schetst ons het beeld van hoe wij in de put kunnen zitten, moedeloos zijn en het niet meer weten. Het verdriet over een verlies kan ons helemaal in beslag nemen en ons alle hoop en vertrouwen doen verliezen. Maar tegelijkertijd weten wij ook, dat we niet hoeven te wanhopen, dat we juist mogen vertrouwen, want “zonder einde is Gods genade, onuitputtelijk is zijn erbarmen.” Jezus heeft dit vertrouwen, deze hoop geleefd. Hij heeft het ons voorgeleefd en wij mogen Hem navolgen. Wij mogen delen in zijn heerlijkheid. Hij heeft voor ons een plaats bereid. Het huis van zijn Vader, de gemeenschap van de heiligen is onbegrensd.

De gemeenschap van alle gelovigen gaat ook over de grenzen van de dood heen. De banden van de liefde zijn sterker dan de dood. Zo zijn wij hier op aarde ook blijvend verbonden met onze overleden broeders en zusters. Zij die in de eeuwige zaligheid, voor het aangezicht van God leven, kunnen voor ons een voorspraak zijn. Hen kunnen wij aanroepen om voor ons tot God te bidden. Voor hen die nog onderweg zijn, bidden wij zelf. Ook met hen zijn wij verbonden en wij vragen aan God hen op te nemen in zijn rijk van vrede en geluk. Amen.

Dienstbaar in deze tijd; Js 53,10-11; Heb 4,14-16; Mc 10,35-45

“Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn.” Wij worden geroepen om te dienen, om dienstbaar te zijn. Dienstbaar zijn, dienaar zijn is in onze tijd geen vanzelfsprekendheid. In onze maatschappij staat vooral het eigen ‘ik’ centraal: je moet assertief zijn, je de kaas niet van het brood laten eten. Ieder voor zich en God voor ons allen. Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs die zouden ons wel begrijpen: Zij denken aan zichzelf, aan hun eigen toekomst en vragen dan ook aan Jezus: “Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand moge zitten.” Dat is de taal van onze tijd, de taal die ook wij spreken.

Dit is echter niet de taal van het Evangelie. Jezus roept ons op Hem na te volgen en dienaar te zijn. Over zichzelf zegt Hij: “want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” In de traditie van de Kerk worden de woorden uit de eerste lezing, de profetie van Jesaja, betrokken op Jezus. Jezus Christus is de rechtvaardige dienaar van God die zich met de fouten van de mensheid heeft belast. Deze rol als dienaar van allen doet Hem de verheven hogepriester zijn, waarover het in de brief aan de Hebreeën gaat. Deze hogepriester is mens geweest zoals wij. Hij kent al onze zwakheden en tekortkomingen. Hij geeft ons ook de genade en de hulp die wij nodig hebben, om op onze beurt dienaar en dienstbaar te zijn in onze wereld.

Dienstbaarheid wordt tegenwoordig vaak alleen gezien in termen van onderdanigheid en ondergeschiktheid. Maar dienen zoals hier in het Evangelie bedoeld, is juist handelen uit vrije wil en op basis van gelijkwaardigheid. Jezus heeft het over het vrije handelen van een dienaar. Hij heeft het niet over het handelen als een slaaf, niet over het onderdanige en gedwongen dienen. Elkaar dienen is bij Jezus een uiting van vriendschap en van liefde. Een slaafse houding van dienstbaarheid mist juist die liefde. Gedwongen liefde bestaat niet. Verslaafd zijn aan dienstbaarheid is dan ook eerder een kwaad. Een verslaving maakt je onvrij, maakt je slaaf en daarvan komt Jezus ons nu juist verlossen. Jezus is mens geworden om ons uit de slavernij te bevrijden, om van ons vrije mensen te maken.

Jezus maakt in deze tekst ook onderscheid tussen de slaaf en de dienaar. “Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen.” Er kan er natuurlijk maar één de eerste zijn en dat is Jezus zelf. Alleen Hij is in staat slaaf te zijn zonder zijn vrijheid te verliezen. Alleen Hij kan zijn leven geven als losprijs voor velen. Alleen Hij kan ons bevrijden uit de slavernij en tot vrije mensen maken. Wij zijn niet geroepen om slaaf maar om dienaar te zijn. Dienstbaar te zijn zoals God dienstbaar is. Hij komt ons met zijn oneindige liefde altijd weer te hulp.

Tegenwoordig wordt er weer steeds vaker een beroep op onze dienstbaarheid gedaan. De verzorgingsmaatschappij waarin de overheid onze hele leven van de wieg tot het graf regelt en verzorgd, is gelukkig een onmogelijkheid gebleken. In de zogenaamde participatiemaatschappij is de onderlinge dienstbaarheid weer een noodzakelijk onderdeel van onze samenleving. Ook de overheid moet nog leren hier goed mee om te gaan. Zo zal zij haar regelzucht moeten opgeven en mensen zelf laten bedenken hoe ze daar inhoud aan willen geven. Wat mensen individueel of georganiseerd zelf kunnen regelen, kan de overheid beter aan hen over laten.

Ook de vreemdelingen in ons land, de vluchtelingen doen een beroep op onze dienstbaarheid. Ook zij zijn kinderen van God, onze broeders en zusters. Dat vraagt dat wij hen als gelijkwaardige mensen behandelen. Gelijkwaardigheid vraagt niet dat wij onze waarden op het spel zetten. Het vraagt ook niet dat wij zelf tot slachtoffer worden. Gelijkwaardigheid betekent wel gastvrijheid met de omgangsregels die bij gastvrijheid horen. Gastvrijheid betekent binnen je eigen mogelijkheden ruimte maken voor de ander. Het betekent niet je eigen leven of je eigen gemeenschap op het spel zetten. Gastvrijheid kent ook grenzen. Zodra wij ons niet meer bewust zijn van onze grenzen, vervallen we in verslaving en worden we tot slaven. Dan is er geen ruimte meer voor de liefde en zijn ook we geen dienaren.

Ook angst voor het vreemde brengt ons niet tot dienstbaarheid. Iedere mens kent deze angst en het is ook goed om goed op te letten als je je op onbekend gebied begeeft. Dat hebben wij mensen nodig om te kunnen overleven. Maar ook deze angst kan een vorm van verslaving aannemen. Alles wat anders is dan ik gewend ben, is dan fout. Dan sluiten wij ons af van de wereld en kruipen weg in ons holletje van zelfgenoegzaamheid, in een holletje waar geen ruimte is voor de ander en dus geen ruimte voor liefde en geen ruimte voor dienstbaarheid.

Jezus roept ons op tot dienstbaarheid. Daarbij zal Hij ons met zijn barmhartigheid, genade en hulp ter zijde staan. Amen.

Oogstdankdag; Mc 10,17-30

We vieren oogstdankdag. We danken God voor de vruchten van de aarde. We denken daarbij in de eerste plaats aan het voedsel dat de aarde voortbrengt. Oogstdankdag gaat ook verder. Alles wat de schepping ons geeft om ons leven mogelijk te maken, om ons leven te verrijken en alles wat het leven tot een vreugde maakt, dat alles stemt ons tot dankbaarheid. Oogstdankdag is er ook niet alleen voor hen die in de land- en tuinbouw werken. Het gaat om iedereen die bijdraagt aan het algemeen welzijn van allen. Het gaat om ons allemaal want wij allen leven dankzij de vruchten van de aarde en het werk van mensenhanden.

Oogstdankdag doet ons ook stil staan bij onze plaats binnen de schepping. God heeft ons het leven en heel de schepping gegeven als een geschenk. Wij maken deel uit van de schepping. Ons leven is direct afhankelijk van heel de schepping. Wij dragen ook verantwoordelijkheid voor de schepping. De schepping is ons gegeven om haar te bewerken en te beheren. Wij mogen haar verder ontwikkelen en vrucht laten dragen. En wij moeten voor de schepping zorgen. Wij hebben het vruchtgebruik. Het is niet de bedoeling dat we schepping verbruiken en zeker niet dat we haar misbruiken of vernietigen.

Paus Franciscus schrijft in de encycliek Laudato si’ over duurzaamheid, over de schepping en haar voortbestaan en over ons menselijk gedrag. De paus wijst ons op onze verantwoordelijkheid. Hij schrijft: “De aarde, ons huis, begint steeds meer op een enorme vuilnisbelt te lijken.” De aarde “schreeuwt ons op dit moment toe vanwege de schade die wij haar hebben toegebracht door ons onverantwoordelijk gebruik en misbruik van al het goede dat God in haar heeft gelegd.” De encycliek gaat ook over hoop en spoort ons aan tot een nieuwe spiritualiteit. De paus roept ons op op zoek te gaan naar een ecologische spiritualiteit. Een christelijke ecologische spiritualiteit verschaft onze de juiste houding. Als wij de juiste houding, de juiste mentaliteit hebben, zullen we ook juist handelen.

Jezus spreekt vandaag over de relatie tussen onze mentaliteit en ons handelen. De rijke jongeling is zeer gehecht aan zijn bezit. Van bezit gaat een verslavende werking uit. Bezit geeft ons het idee van onafhankelijkheid. We kunnen alles kopen wat we nodig hebben. Het geluk lijkt door onszelf te realiseren. Jezus ziet de verslaving van de rijke jongeling: “Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak…” Voor een rijke is het niet zo moeilijk om de geboden te onderhouden. Hij kan het zich gemakkelijk permitteren zich aan de regels te houden. Jezus wijst de jongeman erop dat het niet primair om het handelen gaat, maar dat de juiste instelling belangrijk is. Het gaat niet om onze wilskracht maar om onze overgave. Overgave aan God en op Hem vertrouwen zal ons het heil brengen. Jezus zegt ons dat we ons niet aan het materiële bezit moeten hechten. Onthechting maakt ons vrij om te denken en anders naar de wereld te kijken. Het is niet onze rijkdom die ons hier en later werkelijk gelukkig maakt. Hiervoor zijn voor alles afhankelijk van God. Hij zal ons gelukkig maken. De rijke die verslaaft is aan zijn bezit, staat niet open voor geschenken. Geschenken maken je afhankelijk van een ander. Dit maakt het voor hem zo moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan.

Ook in onze tijd zijn wij sterk gehecht aan materieel bezit. Onze rijkdom brengt ons tot mateloze consumptie. De paus roept op tot een nieuwe levensstijl aannemen. Wij moeten loskomen van het consumentisme. De paus schrijft: “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren.” “Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” Soberheid maakt vrij. Soberheid, matigheid en ook solidariteit passen ons mensen. Want de schepping is niet onbegrensd. Zij is niet grenzeloos. Onze menselijke bestaan kent in al haar facetten begrenzingen. Het meest nadrukkelijk geldt dat voor materiële zaken. De aarde is groot genoeg om iedereen te voeden en een goed leven te laten leiden. Maar dat vraagt van ons dat wij onze verantwoordelijkheid nemen en oog hebben voor de mogelijkheden en de begrenzingen die de schepping van nature heeft. En dat vraagt dat wij ook oog hebben voor elkaar en niet alles voor onszelf opeisen.

Dit geldt ook voor de voedselproductie. Om voor iedereen voldoende voedsel te produceren is het nodig dat we gebruik maken de mogelijkheden die de moderne technologie ons biedt. Een duurzame voedselproductie houdt in dat er geen verspilling van natuurlijke bronnen zoals water en fossiele brandstoffen plaatsvindt, dat het milieu niet vervuild wordt door chemicaliën en pesticiden, dat de uitstoot van CO2 en andere schadelijke gassen beperkt is en dat de biodiversiteit, grote verscheidenheid van de schepping beschermd wordt. Van de consument vraagt dit dat we niet kiezen voor de laagste prijs, maar oog hebben voor duurzame producten. Duurzaam produceren en duurzaam consumeren vragen ook om een economie die niet alleen gebaseerd is op het marktmechanisme van vraag en aanbod.

Een ecologische spiritualiteit ziet het leven en de schepping als een geschenk. Dat brengt ons tot een houding van dankbaarheid, soberheid en solidariteit. Met een geschenk dat ons uit liefde is gegeven, zullen we goed en zorgvuldig omgaan. Amen.

Liefde en trouw; Gn 2,18-24; Mc 10,2-16

Vandaag begint in Rome de bisschoppensynode over het gezin. De bisschoppen staan voor de moeilijke opgave om de idealen die God aan de mensen heeft gegeven, opnieuw te verwoorden en opnieuw tot leven te brengen. Niet alleen de bisschoppen staan voor een moeilijke opgave. Ook wij – de gelovigen hier in Nederland – staan voor een moeilijke opgave. Van ons wordt gevraagd dat wij moeite doen te begrijpen wat de bisschoppen ons te zeggen hebben. Van ons wordt ook gevraagd dat wij bij onszelf nagaan op welke wijze wijzelf gestalte geven aan de idealen van God en op welke wijze wij hierover met anderen spreken.

Laten we eens een paar van die idealen nader bekijken. Wat is de betekenis van liefde en trouw in het leven van mensen? Wij noemen God “de Heer van liefde en trouw”. Zo heeft Hij zich aan ons laten kennen. Zo is God ons in Jezus Christus tegemoet getreden. Zo is Hij ons geopenbaard. Naar het beeld van de God van liefde en trouw zijn wij geschapen. Liefde en trouw bestaan alleen als mensen in relatie staan met elkaar. Eigenliefde en trouw aan jezelf zijn geen overbodige eigenschappen, maar kunnen maar al te makkelijk uitgroeien tot individualisme en zelfgerichtheid, tot egoïsme en egocentrisme. Liefde en trouw zoals we die in God ervaren, zijn gericht op de ander. Daarom is het ook “niet goed dat de mens alleen blijft.” In het individu komen liefde en trouw niet tot bloei. Als individu wordt een mens niet werkelijk mens. De Kerk spreekt daarom over de mens als persoon. Een persoon staat in relatie tot andere personen. Hij is niet alleen. Zo komen wij mensen tot volle ontplooiing; zo worden wij in verbondenheid met elkaar steeds meer beeld van God.

We spreken over liefde en trouw als twee samenhangende begrippen. Ze hangen met elkaar samen en er is een onderlinge afhankelijkheid. Het zijn ook twee verschillende begrippen. Liefde is vooral iets van het hart en trouw iets van het hoofd. Liefde is vooral een geschenk, een gave. Trouw komt daarentegen meer uit jezelf: je moet en kunt het zelf willen. Juist daarom hangen zij met elkaar samen en hebben ze elkaar nodig. Als wij alleen ons hart of alleen ons hoofd volgen, gaat het niet goed. Mensen zijn wezenlijk een combinatie van hoofd en hart.

In onze huidige samenleving begint een relatie tussen twee mensen vrijwel altijd met een wederzijdse verliefdheid. Vanuit de verliefdheid groeit de liefde. De verliefdheid op elkaar wordt omgevormd tot liefde voor elkaar. De eigenliefde van de verliefdheid wordt omgevormd tot liefde voor de ander. Zo groeien we van begerende liefde naar schenkende liefde. En uit de liefde groeit de trouw. En tenslotte leven ze lang en gelukkig. Zo ziet onze cultuur het ideaal van liefde en trouw. Maar het kan ook anders. Jaren geleden sprak ik een Syrische christen. Hij vertelde dat zijn ouders voor hem een vrouw hadden uitgezocht. Dat was volgens hem goed, want zijn ouders wisten beter wat goed voor hem was dan hijzelf. Hij was trouw aan zijn vrouw. Zij vormden een gezin. En zij leerden elkaar lief te hebben. Ook zij waren gelukkig met elkaar.

Blijkbaar is de ene weg niet zonder meer beter dan de andere. Het is dan ook niet goed onze eigen weg als de zaligmakende weg te zien. De verschillende wegen kunnen elkaar aanvullen. We kunnen van elkaar leren. Misschien is het wel een van de problemen van onze cultuur dat we trouw zien als een resultaat van de liefde en geen oog hebben voor het omgekeerde. Dat betekent dat we min of meer ons hoofd verliezen en ons overleveren aan de grillen van ons gevoel.

Een relatie tussen mensen kan nooit alleen maar een zaak van het hart zijn en net zo min alleen maar een zaak van het hoofd. In beide gevallen doen we de ander en onszelf geweld aan. Als we een relatie alleen met ons hoofd benaderen, lopen we het gevaar de ander alleen te zien als een object en de eigen waardigheid van de ander uit het oog te verliezen. Maar al te gemakkelijk vervallen we in een houding van berekening. Dan wordt het een kwestie van ‘voor wat hoort wat’. Dan is er geen ruimte meer voor spontaniteit. Dan is er geen ruimte meer voor liefde en voor werkelijk geluk. Als we alleen ons hart volgen, ligt het gevaar van de sentimentaliteit op de loer. We denken dan voor altijd in een roze wolk te kunnen leven. We zullen ook voortdurend overvallen worden door het idee dat ‘het gras bij de buren altijd groener is’. Dan denken we alleen gelukkig te kunnen zijn in een ideale wereld met volmaakte medemensen. Dan verliezen we de realiteit uit het oog. Dan hebben ook geen oog voor de gebrokenheid van ons eigen bestaan.

Liefde en trouw tezamen, de samenwerking van hoofd en hart doen ons tevreden zijn met wat ons gegeven is. Zij doen ons ook in het alledaagse het geluk vinden. Zij doen ons werkelijk ten volle leven en met volle teugen van het leven genieten. Liefde en trouw: Gods idealen voor ons mensen. Liefde en trouw vormen de basis van ons geluk, hier en altijd. Amen.

Vrede verbindt; Nu 11,25-29; Jak 5,1-6; Mc 9,38-43.45.47-48

Vrede verbindt! Vrede en verbondenheid zijn begrippen die bij elkaar horen. Vrede is meer dan het ontbreken van oorlog. Vrede staat voor liefdevolle verbondenheid van mensen met elkaar.

In de lezingen van vandaag horen we hoe snel wij geneigd zijn ons juist van elkaar af te keren. Mozes wordt gevraagd in te grijpen, omdat Eldad en Medad profeteren zonder dat zij daartoe aangesteld zijn. Zonder bevoegd te zijn verkondigen zij het Woord Gods. In het Evangelie een soortgelijk verhaal. Johannes wil iemand tegenhouden duivels uit te drijven in de naam van Jezus zonder dat hij een volgeling is. Deze man probeert het kwaad uit de wereld te verdrijven. De reacties van Mozes en van Jezus zijn anders dan de vragenstellers verwachten. Beiden reageren juist positief.

Mozes wil het liefste dat iedereen over God spreekt en zijn Woord verkondigt. En Jezus zegt: “Wie niet tegen ons is, is voor ons.” Hiermee schopt Jezus behoorlijk tegen de schenen van zijn leerlingen, want in hun menselijk denken past dit helemaal niet. Voor de meeste mensen is het omgekeerde waar: “Wie niet voor ons is, is tegen ons.” Wij mensen houden van duidelijkheid. Het is zwart of het is wit. Iemand is goed of hij is fout. Dat maakt de wereld lekker overzichtelijk. Wij hebben ook de neiging meer aandacht te hebben voor verschillen tussen mensen dan voor overeenkomsten. We horen dat ook in de discussie over de vluchtelingen. Zij worden afgewezen vanwege hun geloof en de jonge mannen worden afgeschilderd als monsters.

Jezus houdt ons voor dat het niet goed is zo te denken. Wij moeten loskomen van onze angsten en vooroordelen. Het is nodig dat we het gesprek met elkaar aangaan en zo bruggen bouwen. Paus Franciscus schrijft in Evangelii gaudium dat de dialoog tussen de verschillende volkeren, culturen en religies nodig is om tot vrede te komen. Hij schrijft: “Evangelisatie omvat de weg van de dialoog. (…) De Kerk verkondigt het ‘Evangelie van vrede’ (Ef 6,15) en wenst samen te werken met alle nationale en internationale autoriteiten om voor dit immense universele goed zorg te dragen. (…) De nieuwe evangelisatie vraagt van iedere gedoopte om een vredestichter te zijn.” (EV 238-239)

Ook afgelopen week riep de paus in Amerika op tot ontmoeting en dialoog. De bisschoppen van Amerika riep hij op tot authentieke dialoog. “Je zult niet ver komen met het bouwen van muren. Zo gaat het niet. Mensen moeten eerst naar elkaar kunnen luisteren. Je zult niets bereiken door iemand schaakmat te zetten.” Volgens de paus gaat het om ontmoeting en dialoog. Dat is onze methode. Het gaat niet om scherpzinnige strategie, maar om vertrouwen op God, die ons altijd zijn liefde aanbiedt. De paus zegt: “Wij zijn behartigers van de cultuur van ontmoeting. (…) Ik zal nooit moe worden jullie aan te moedigen tot dialoog zonder angst.”

Overal in ons leven is ontmoeting en dialoog noodzakelijk. Dat geldt binnen onze gezinnen en onze vriendenkringen. Dat geldt op ons werk en in onze buurt. Dat geldt ook in de politiek: lokaal en wereldwijd.

Jakobus wijst ons in zijn brief op onze hebzucht en onrechtvaardigheid. Gerechtigheid en vrede zijn nauw met elkaar verbonden. Om vrede te kunnen bereiken is gerechtigheid een voorwaarde. Onze zelfgerichtheid is een basis voor ongerechtigheid elders in de wereld. Onze zelfgerichtheid veroorzaakt elders oorlog en geweld.

Het vluchtelingenprobleem is niet een eenvoudig op te lossen probleem. Iedere mens heeft recht op een menswaardig bestaan. Iedere mens in nood vraagt om onze hulp. Daar staat tegenover dat ook de gemeenschappen die mensen overal ter wereld vormen van waarde zijn en niet grootscheeps verstoord mogen worden. Dit vraagt dat wij ons niet laten leiden door onze onderbuikgevoelens en door onze angst voor de vreemdeling en het vreemde. Hier wordt werkelijk liefde en wijsheid van ons gevraagd. Dit vraagt van ons dat we de weg gaan van ontmoeting en dialoog. Als wij in de vluchteling de medemens ontmoeten en als wij zo ervaren dat hij geen bedreiging voor is, zal zijn aanwezigheid ook onze gemeenschap niet verstoren.

In de encycliek over het milieu en over duurzaamheid Laudato si’ schrijft de paus dat alles met elkaar verbonden is. De zorg voor de schepping, de eerlijke verdeling van de rijkdom, het respect voor het leven van iedere mens en de wereldvrede, alles hangt met elkaar samen. Alleen langs de weg van ontmoeting en dialoog helpen wij de mensheid en onze wereld verder. Alleen met ontmoeting en dialoog dragen wij bij aan het Rijk Gods. Met ontmoeting en dialoog brengen wij vrede in de wereld en in onszelf. Amen.

Vluchtelingen, vrede en gerechtigheid; Ws 2,12.17-20; Jak 3,16-18;4,1-3; Mc 9,20-37

De apostel Jakobus leert ons in zijn brief, dat de wijsheid van omhoog vredelievend is. De wijsheid van omhoog is het Woord van God dat mens geworden is. Het is Jezus Christus die ons de vrede brengt. Hij is de Vredesvorst. Jakobus maakt ons duidelijk dat het onze hartstochten zijn die de vrede telkens weer verstoren. Het is onze menselijke onvolmaaktheid, onze zondigheid die oorlog en geweld in de wereld brengen. Dat geldt zowel voor onze persoonlijke leefomgeving als voor de wereld als geheel.

Afgelopen week hoorden we in de Tweede Kamer bij de algemene beschouwingen hoe sommige politici onrust en verdeeldheid proberen te scheppen. Met de woorden van Jakobus: “Waar naijver en eerzucht heersen, daar treft men ook onrust aan en allerlei minderwaardige praktijken.” Vals inspelen op de angst en zorgen van mensen, vluchtelingen als monsters afschilderen en mensen afwijzen vanwege hun geloof zijn inderdaad minderwaardige praktijken. Ook elders in Europa wordt er tegen vluchtelingen opgetreden op een manier die christenen onwaardig is. Het is werkelijk mensonterend hoe er met mensen wordt omgegaan. Welk christendom wordt hier in Godsnaam verdedigd?

Het vluchtelingenprobleem is niet een eenvoudig op te lossen probleem. Iedere mens heeft recht op een menswaardig bestaan. Iedere mens in nood vraagt om onze hulp. Daar staat tegenover dat ook de gemeenschappen die mensen overal ter wereld vormen van waarde zijn en niet grootscheeps verstoord mogen worden. Dit vraagt dat wij ons niet laten leiden door onze onderbuikgevoelens en door onze angst voor de vreemdeling en het vreemde. Hier wordt werkelijk wijsheid van ons gevraagd. Dit vraagt van ons dat we vredelievend, vriendelijk, voor rede vatbaar, barmhartig, goed, onpartijdig en oprecht zijn. De ongelovigen zullen ons naïef noemen. Zij stellen onze wijsheid op de proef door ons bang te maken.

Het gaat niet alleen om vrede tussen mensen. Het gaat ook om innerlijke vrede. Ook onze innerlijke vrede wordt op de proef gesteld. Het gaat over onze gemoedsrust en gaat het over onze tevredenheid. Kunnen wij tevreden zijn met ons eigen leven? Kunnen wij tevreden zijn ook als ons leven door onverwachte zaken wordt verstoord? Of worden we gedreven door onze hartstochten en ontevredenheid? Jakobus schrijft: “Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies vandaan? Toch alleen van uw eigen hartstochten die u niet met rust laten? Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen.”

Jakobus heeft het over onze naijver en eerzucht en zelfs ons bidden is gericht op eigenbelang. Ons egoïstisch en egocentrisch denken en doen verstoren de vrede. Dit zien we ook in het Evangelie. De leerlingen van Jezus twisten over wie van hen de grootste is. Ze hebben nog geen idee waar het over gaat. Ze weten echt nog niet wat het Rijk Gods inhoudt, maar dat zij daarin een belangrijke positie willen hebben dat staat vast. Kan het menselijker? Jezus plaatst een kind in hun midden. Hij roept ons op vooral de kinderen niet de dupe te laten zijn van oorlog en geweld. In het kind en iedere vluchteling ontmoeten wij Christus zelf. Het is Jezus Christus zelf die op de vlucht is. Hij staat voor onze grenzen Hem mogen wij niet afwijzen en zeker niet in de zee laten verdrinken.

Het christendom laat zich niet verdedigen met angst en zelfgerichtheid, niet met geweld en met het zwaard. De verdediging van het christendom kan alleen met liefde en wijsheid en met de Bijbel in de hand. Jezus Christus is niet alleen vluchteling. Hij is ook de Vredesvorst. Hij brengt ons ook de vrede. Jakobus schrijft: “Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en slechts wie de vrede nastreven zullen haar oogsten.” Gerechtigheid en vrede zijn nauw met elkaar verbonden. Om vrede te kunnen bereiken is gerechtigheid een voorwaarde. Onze zelfgerichtheid is een basis voor ongerechtigheid elders in de wereld. Onze zelfgerichtheid veroorzaakt elders oorlog en geweld.

Wij noemen onszelf christenen, navolgers van Christus. Met Hem willen wij Gods liefde voor allen zichtbaar te maken. Met Hem willen wij dragers en brengers zijn van vrede en gerechtigheid. Amen.

Gelukszoekers

Er komen volgens de media niet alleen vluchtelingen naar Nederland maar ook zogenaamde gelukszoekers. Volgens sommigen moeten vooral die laatsten onmiddellijk het land uitgezet worden. Maar zijn wij niet allen gelukszoekers?

Het antwoord op de eerste vraag van de catechismus die ik in mijn kindertijd uit het hoofd mocht leren, luidt: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn.” Op jonge leeftijd kreeg ik al het antwoord aangereikt op de vraag die alle mensen steeds weer bezighoudt: Hoe word ik gelukkig? De essentie van het antwoord is dat je niet zelf je geluk tot stand kunt brengen. Het geluk word je gegeven. Door God te dienen vinden wij het geluk. Religieuze mensen zijn gelukszoekers.

In onze tijd zijn er mensen die denken dat zij geheel zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen geluk. Zij hebben God niet nodig. Zij denken dat ze het persoonlijk geluk zelf tot stand kunnen brengen. Ook op dat gebied denken zij onafhankelijk en zelfredzaam te zijn. Alles wat zij van een ander nodig hebben, zien zij als handelswaar. Met geld kun je alles kopen. Andere mensen zijn partijen op de markt. De ander is een leverancier maar daarnaast is hij ook een concurrent die hetzelfde bezit nastreeft. Voor gelovige mensen is geluk echter geen schaars artikel maar een geschenk.

Na die eerste vraag uit de catechismus volgt de uitwerking. De rest van de catechismus gaat over hoe je God dient en hoe je hierbij door God zelf geholpen wordt. Die hulp van God noemen we genade. Deze genade geeft God ons overvloedig en ook steeds weer opnieuw. Na elke mislukking mogen we opnieuw beginnen. Dit betekent niet dat wij geheel passief kunnen afwachten tot God ons het geluk geeft. Gods genade en liefde voor ons vraagt van ons een in vrijheid gegeven antwoord. Destijds heette dat met de genade meewerken. Dat maakt ons tot actieve gelukszoekers.

Tegenwoordig moeten gelukszoekers blijkbaar uit Nederland geweerd worden. Zij worden gezien als mensen die op onze kosten gelukkig willen worden en dus ten koste van ons eigen geluk. Zo zijn zij onze concurrenten op de geluksmarkt. Maar moeten we dan niet iedereen bij de grens tegenhouden en onmiddellijk terugsturen? De enige reden waarom mensen hier naar toe komen is omdat zij verwachten hier gelukkiger te zijn dan op de plek waar ze waren. Dat geldt niet alleen voor vluchtelingen; dat geldt voor alle migranten.

Het geluk zoeken is het recht van iedere mens. Als gelukszoekers zijn wij mensen sterk met elkaar verbonden. Wij zoeken allemaal hetzelfde en kunnen elkaar daarin behulpzaam zijn. Het geluk zal nooit opraken. Hoe meer mensen het vinden, hoe meer geluk er blijkt te zijn. Ik ben een gelukszoeker.

Column in Telstar, 16 september 2015

Vrede verbindt: Vredesweek 2015

In de vieringen op 26 en 27 september besteden wij aandacht aan de vredesweek. Dit jaar is het thema ‘Vrede verbindt’. Daarmee roept de vredesbeweging PAX op tot ontmoeting en verbinding. Zowel in Nederland als in conflictgebieden zetten moedige bruggenbouwers zich in voor de vrede.

Wij hebben de neiging meer aandacht te hebben voor verschillen tussen mensen dan voor overeenkomsten. Dat uit zich bijvoorbeeld in een uitspraak als: “Wie niet voor ons is, is tegen ons.” Jezus draait deze uitspraak om. Hij zegt: “Wie niet tegen ons is, is voor ons.” (Mc 9,40) Wij moeten loskomen van onze angsten en vooroordelen. Daarvoor is het nodig dat we het gesprek met elkaar aangaan en zo bruggen bouwen. Paus Franciscus schrijft in Evangelii gaudium dat de dialoog tussen de verschillende volkeren, culturen en religies nodig is om tot vrede te komen. “Evangelisatie omvat de weg van de dialoog. (…) De Kerk verkondigt het ‘Evangelie van vrede’ (Ef 6,15) en wenst samen te werken met alle nationale en internationale autoriteiten om voor dit immense universele goed zorg te dragen. (…) De nieuwe evangelisatie vraagt van iedere gedoopte om een vredestichter te zijn.” (EV 238-239)

De wereld heeft moedige bruggenbouwers nodig: mensen die zich inzetten voor de vrede. Mensen hebben elkaar nodig om tot vrede te komen. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats in conflictgebieden. Het geldt ook binnen onze eigen samenleving. De ander maakt ons soms angstig omdat hij zo anders is. Hierdoor kunnen de spanningen flink oplopen. Ook wijzelf kunnen bruggenbouwers zijn, vrede stichten en mensen met elkaar verbinden.

PAX steunt vele vredesactivisten en partnerorganisaties in conflictgebieden die zich dagelijks met vrede bezig houden. Wij kunnen PAX hierin financieel ondersteunen via onze deelname aan de daarvoor bestemde collecte.

De Morgenster, september 2015

Renewing Islam by Service

Auteur: Pim Valkenberg
Titel: Renewing Islam by Service: A Christian View of Fethullah Gülen and the Hizmet Movement
Uitgever: The Catholic University of America Press, 2015
Prijs: € 67,60
ISBN: 978 0 8132 2755 9
Aantal pagina’s: 288

Pim Valkenberg heeft als katholiek theoloog onderzoek gedaan naar de zogenaamde Gülenbeweging. Valkenberg gebruikt deze term liever niet en heeft het in navolging van de beweging zelf over de Hizmetbeweging. Het Turkse woord hizmet betekent dienst. De beweging wil dienstbaar zijn aan de mensheid. Met zijn theologische benadering is Valkenberg tamelijk uniek. Hiermee levert hij een belangrijke bijdrage aan de kennis over en het begrijpen van Fethullah Gülen en de Hizmetbeweging. Tot nu toe was het onderzoek op dit gebied overwegend sociologisch en historisch van aard.

In hoofdstuk 1 beschrijft Valkenberg zijn kennismaking en ervaringen met de Hizmetbeweging in Nederland. Al ruim 25 jaar houdt hij zich bezig met de dialoog tussen moslims en christenen. Zo kwam hij als medewerker van de Radboud Universiteit in Nijmegen in aanraking met de door Gülen geïnspireerde Stichting Islam & Dialoog. In 2012 is deze stichting samen met de Dialoog Academie verder gegaan als Platform INS (www.platformins.nl). Evenals elders wordt de Hizmetbeweging ook in Nederland met enig wantrouwen tegemoet getreden. In 2009 laat de overheid haar onderwijsactiviteiten onderzoeken. In 2010 concludeert de regering dat er geen reden tot interventie is, maar dat er wel sprake is van een gebrek aan transparantie. Sinds een aantal jaren levert ook de Turkse president Erdogan een flinke bijdrage aan het verdacht maken van de Hizmetbeweging.

Aan het einde van dit hoofdstuk gaat Valkenberg in op de waarde van de interreligieuze dialoog. Zij draagt bij tot een beter spreken over God. Hij acht het in principe mogelijk dat God de Koran gebruikt om het altijd mankerende beeld dat hij van Jezus Christus heeft, te corrigeren. Omdat Gülen op God gericht is, vraagt de bestudering van Gülen en de Hizmetbeweging volgens Valkenberg om een theologische benadering.

In hoofdstuk 2 is de recente geschiedenis van Turkije aan de orde. Tegen deze achtergrond wordt in hoofdstuk 3 het leven en werk van Gülen beschreven. Mohammed Fethullah Gülen wordt in 1941 in Korucuk, een klein dorp in het noordoosten van Turkije geboren. In 1959 begint hij met preken en onderwijzen. Gülen staat in de traditie van zijn landgenoten Rumi (1207-1273) en Nursi (1877-1960). Ook Gülen is nauw verwant met het soefisme zonder daar lid van te zijn. In 1965 komt hij als imam naar Izmir. Om nader onderzoek te doen heeft Valkenberg Izmir bezocht om mensen te interviewen die daar met Gülen hebben samengewerkt.

De preken en onderwijzingen van Gülen trekken veel bezoekers maar ook buiten de moskee is hij zeer actief. Hij zoekt de mensen op en spreekt ze aan in de koffiehuizen. Hun materiële en geestelijke noden leiden tot het ontstaan van de Hizmetbeweging. Naast armoedebestrijding en gemeenschapsvorming is er veel aandacht voor goed onderwijs. Dit leidt tot de oprichting van scholen en universiteiten in en buiten Turkije. In Izmir komt ook de sohbet tot ontwikkeling. De sohbet is het gesprek tussen vrienden over het geloof en het handelen vanuit het geloof. Veel van de preken van Gülen zijn op CD en DVD vastgelegd en nog steeds in ruime mate verkrijgbaar. Daarnaast zijn er vele boeken van en over hem verschenen. Gaandeweg groeit Gülen uit tot een zeer invloedrijke moslimgeleerde die velen inspireert hun geloof in de praktijk te brengen door anderen te dienen. De Hizmetbeweging groeit uit tot een wereldwijde beweging.

In hoofdstuk 4 wordt duidelijk hoe de Koran, Rumi en Nursi hun sporen in het denken en de spiritualiteit van Gülen hebben nagelaten. Valkenberg wijst erop dat er verschil is tussen de interne en externe communicatie van de Hizmetbeweging. Naar buiten communiceren zij meer op seculiere wijze terwijl hun interne communicatie veel sterker door de islam gekleurd wordt. Op deze wijze beogen zij een boodschap voor alle mensen te hebben. Dit gaat echter wel ten koste van de transparantie en bevordert de achterdocht betreffende de motivatie van de beweging. Valkenberg schrijft dat Gülen een islamitische agenda heeft maar geen islamistische. De islam is de bron voor de persoonlijke inzet, maar geen blauwdruk om de samenleving te herstructuren. De scheiding van ‘kerk’ en staat wordt door hen gerespecteerd. Er zijn geen Gülen moskeeën en er is ook geen Gülen politieke partij. Centraal in het denken van Gülen staat het behagen van God door de mensheid te dienen. Volgens Gülen gaat het in de Arabische islam om de vrees voor God, terwijl het in de Turkse islam om de liefde voor God gaat. De Turkse islam staat ook meer open voor de moderniteit, democratie, gelijkheid van man en vrouw en voor andere culturen en religies.

In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op het karakter van de Hizmetbeweging. Er is geen sprake van volgelingen en van een leider in de persoon van Gülen. Hij is niet de leider van een organisatie en hij geeft geen opdrachten aan zijn volgelingen. De beweging laat zich beter beschrijven als een netwerk van gelijkgestemde zelfstandige organisaties. De autoriteit van Gülen is van spirituele aard. De basis van de beweging is het geloof. Dat gaat verder dan door het geloof geïnspireerd zijn. Het doel is God te behagen en de sohbet, het geloofsgesprek maakt wezenlijk deel uit van het leven van volgelingen van Gülen. In hoofdstuk 6 worden drie terreinen van dienstbaarheid beschreven. Dit zijn onderwijs, dialoog en liefdadigheid. Uitstekend onderwijs is een dienst aan de jongere generatie en is nodig om tot een nieuwe ‘gouden’ generatie te komen. De dialoog tussen de verschillende culturen en religies draagt bij aan de eenheid van de mensheid. De liefdadigheid komt voort uit de door de Koran aanbevolen sadaqa, de vrijwillige gift. Deze staat los van de zakat, de verplichte giften. Het gaat om een werkelijke daad van liefde.

In het laatste hoofdstuk maakt Valkenberg een vergelijking tussen de Hizmetbeweging en vergelijkbare vormen van religieus leven binnen het christendom. Binnen het christendom is er het kloosterleven als vorm van georganiseerd religieus leven en sinds midden vorige eeuw zijn er ook de zogenaamde nieuwe bewegingen. Van deze laatste groep vertonen de Focolarebeweging en de Gemeenschap van Sant’Egidio sterke overeenkomsten met de Hizmetbeweging. Beide zijn evenals de Hizmetbeweging onder meer actief op het gebied van interreligieuze dialoog. Op het gebied van onderwijs dringt de vergelijking met de jezuïeten zich op. Evenals de Hizmetbeweging zetten zij zich met het geven van onderwijs van hoge kwaliteit in voor de vorming van de jonge generaties.

Verder herkent Valkenberg de christelijke begrippen compunctio cordis en lectio devina ook binnen de Hizmetbeweging en bij Gülen. De compunctio cordis, de doorboring van het hart is de droefheid over de eigen zondigheid in combinatie met de vreugde over de onmetelijke liefde en genade van God. Deze ervaring van christelijke mystici herkent Valkenberg bij Gülen die bekend staat als de ‘huilende prediker’. Bij lectio divina gaat het niet om begrijpend lezen van Bijbelteksten of andere religieuze teksten maar om spiritueel lezen. Dit biddend lezen is een vorm van mediteren. Bij de benedictijnen maakt dit deel uit van de invulling van hun motto ora et labora (bid en werk). Bij de jezuïeten is het onderdeel van de Geestelijke Oefeningen van Ignatius. Deze verbinding tussen meditatie en actie herkent Valkenberg onder meer in sohbet bij de Hizmetbeweging.

Pim Valkenberg, die tegenwoordig hoogleraar aan The Catholic University of America is, levert met deze uitgebreide studie een belangrijke bijdrage aan de dialoog tussen moslims en christenen en in het bijzonder tussen de Hizmetbeweging en r.-k. Kerk.

Sociale leer en het milieu

Pier Tolsma was vijfentwintig jaar werkzaam in de technische industrie. Hij vervulde diverse managementfuncties bij Fokker Aircraft, FAIR en Imtech. Op latere leeftijd heeft hij het roer omgegooid: hij volgde een opleiding tot diaken en een masteropleiding ‘christendom en islam’.

Momenteel werkt hij als diaken in de r.-k. parochie Christus Koning, die een aantal gemeenten omvat onder de rook van Rotterdam. Op zijn blog diakenpiertolsma.com plaatst hij sinds 2012 boekrecensies, preken en artikelen over de sociale leer van de Kerk. De katholieke kerk heeft iets te zeggen over maatschappelijke vraagstukken en dat wil hij over het voetlicht brengen.

Tolsma vertelt dat Johannes Paulus II en Benedictus XVI de zorg voor het milieu al in het hart van de sociale leer hebben geplaatst. Paus Franciscus bouwt voort op het denken van zijn voorgangers. “Maar met Laudato Si’ zet hij het onderwerp wel krachtiger op de agenda dan tot nu toe is gebeurd”, aldus Tolsma.

Omslag

De belangrijkste vraag die hem bezig houdt na lezing van de encycliek, is hoe we kunnen werken aan een nieuwe mentaliteit in de hoofden en harten van mensen. Hij vertelt: “Het moet anders tussen onze oren gaan zitten. Ik merk hoe diep het vooruitgangsgeloof in mijzelf geworteld is. Toen de Club van Rome in 1972 het rapport ‘Grenzen aan de groei’ uitbracht, zette dat de milieucrisis in één klap op de kaart. Toch had ik toen niet zo sterk het besef dat we echt een ommekeer moesten maken in ons denken en handelen. Ik geloofde dat we de milieucrisis met betere technologische middelen wel zouden kunnen oplossen. Nu besef ik veel sterker dat een omslag in ons denken nodig is. Paus Franciscus geeft daartoe een aanzet.”

Terecht, zegt Tolsma, levert de paus kritiek op een te groot geloof in wetenschap en technologie en op het gebruik ervan zonder je iets van ethiek aan te trekken. “Het is niet zo dat alles wat kan, ook moet. Dan ben je fout bezig. De paus is echter geen cultuurpessimist. Hij gelooft in de mogelijkheden van wetenschap en techniek. Het zijn gaven van God die we moeten en mogen gebruiken door ze ten goede aan te wenden.”

Nieuwe beelden

Laudato Si’ daagt ons uit om nieuwe beelden te zoeken, die de band en balans tussen mens en schepping beter uitdrukken. Dat is volgens Tolsma dan ook onze belangrijkste taak. “We zijn allemaal beïnvloed door het beeld van ‘heersen en onderwerpen’ van de schepping zoals dat geschreven staat in het eerste hoofdstuk van Genesis. Maar de schepping is geen instrument dat je naar believen mag gebruiken. Ik denk dat we nieuwe beelden nodig hebben. Die vind je bijvoorbeeld in het verhaal uit Exodus over het manna uit de hemel. Het is een beeld van de overvloedige gave van God. Er is genoeg voor iedereen. Wanneer iemand echter teveel inzamelt, komt er rot in het voedsel. Ik lees daarin een opdracht tot zelfbeheersing. Dat soort beelden moeten we zoeken en opnieuw interpreteren.”

Interview door Gerard Moorman in de special ‘Laudato Si’’ van het tijdschrift ‘Missionaire Agenda’, september 2015.