Spring naar inhoud

Maria Boodschap; Lc 1,26-38

Het is niet niks wat Maria allemaal meemaakt. De engel Gabriël komt haar vertellen, dat zij zwanger wordt van de heilige Geest en een zoon zal baren. Haar kind zal Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. Het is een boodschap die niet te begrijpen is. Hoe moet dit allemaal? Maar Maria gelooft en vertrouwt op God en zij antwoordt aan Gabriël: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.” Maria is door God uitverkoren: God zag welwillend neer op de kleinheid zijner dienstmaagd. Hij die machtig is, deed aan haar zijn wonderwerken. Zo heeft zij het zelf uitgezongen in het Magnificat. De genade die Maria ontvangt, brengt haar tot dienstbaarheid. De genade doet haar geloven en vertrouwen.

Maria heeft dan nog een hele weg te gaan. De gezegende vrucht van haar schoot zal ze ter wereld brengen. Ze zal het Kind voeden en opvoeden. Ze zal Hem ook moeten loslaten, dan kan ze Hem alleen nog maar liefhebben. Ze zal Hem zien opgroeien tot een man met een missie, een man met een geheel eigen opdracht, een man die zijn eigen weg gaat. Hij zal uitgroeien tot de hoogste dienaar van God en van alle mensen. Met de weg die zij gaat, is Maria voor ons een voorbeeld van liefde en geloof. De liefde van God beantwoordt zij met haar dienstbaarheid en haar hele vertrouwen stelt zij op God. Hoe onzeker haar toekomst ook is, zij vertrouwt erop dat het goed komt. Hoe onbegrijpelijk haar Zoon Jezus ook is, zij geeft Hem haar vertrouwen, zij steunt Hem, zij volgt Hem, zij gelooft in Hem en zij houdt van Hem.

God wil dat wij mensen – zijn kinderen – gelukkig zijn. Daarvoor is Jezus, Gods Zoon mens geworden. Jezus laat ons zien dat wij het geluk vinden in de liefde voor God en voor elkaar. Hij heeft ons die liefde voorgeleefd en roept ons op zijn voorbeeld te volgen. Hij heeft ons zijn Geest gegeven om ons daarbij te helpen. Door Jezus hebben wij weet van de liefde van God, weet van de drie-ene God die liefde is en gemeenschap. De drie goddelijke personen – Vader, Zoon en Geest – zijn verschillend van elkaar en ook innig met elkaar verbonden. Ze zijn drie en ook volkomen een.

Wij mensen zijn geschapen naar het beeld van God. In verbondenheid met elkaar komen wij tot volle wasdom. Door de liefde voor elkaar kunnen we van elkaar ontvangen en kunnen we aan elkaar geven. Doordat we van elkaar verschillen kunnen we van elkaar houden. Door de verscheidenheid kunnen we elkaar aanvullen en elkaar van dienst zijn. Zo wordt de ontmoeting tussen mensen werkelijk een feest. Ons geluk en onze vreugde ligt niet in de zelfgenoegzaamheid. Zij liggen niet in onze onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Juist in verbondenheid met elkaar komen wij tot ontplooiing. Binnen de gemeenschap worden wij werkelijk mens.

Binnen de gemeenschap, in de relatie tussen mensen is Jezus aanwezig. Daar is zijn Geest werkzaam: de Geest van liefde en verbondenheid. Hij versterkt onze liefde en dienstbaarheid voor elkaar. Hij maakt die liefde vruchtbaar. Hij vervult onze harten daarmee met echte vreugde. Hij maakt dat wij – zoals Maria in het Magnificat – het uitzingen van vreugde. Maria weet waar liefde en geloof ons brengen. Liefde en geloof zijn de sleutelwoorden in onze menselijke relaties. Als wij elkaar niet waarderen en niet vertrouwen kunnen we niet met elkaar samenleven. Zonder liefde en geloof wordt onze samenleving een politiestaat. Alles moet gecontroleerd worden, want niemand is te vertrouwen. Alles moet verplicht worden, want niemand doet iets uit liefde.

Dienstbaarheid, gemeenschap en verbondenheid, liefde en geloof, respect en vertrouwen staan aan de basis van onze gezinnen en van onze vriendschappen, aan de basis van onze arbeid en van onze ontspanning. Geheel onze maatschappij is erop gebouwd. Als wij leven vanuit deze gedachte mogen wij onszelf werkelijk kinderen van Maria noemen.

Maria geeft ons het voorbeeld. Net zoals zij deed, mogen wij haar Zoon Jezus navolgen en Hem liefhebben. Zij leefde een leven van liefde en geloof, van dienstbaarheid en verbondenheid. Ook wij kunnen en mogen die weg gaan. Maria is ook onze voorspraak. Zij is ons gegeven als ons aller moeder in liefde en geloof. Zij staat ons ook bij op onze weg door het leven. Zij helpt ons – net als zijzelf – te leven vanuit de genade die God ons geeft. Amen.

Ramadan: Vasten in de islam

Inleiding

Om zicht te krijgen op het vasten in de islam wordt het vasten in de drie monotheïstische godsdiensten, jodendom, christendom en islam met elkaar vergeleken. Hierbij gaat het vooral om de beweegredenen tot het vasten.

Oude Testament

In de Thora, de eerste vijf boeken van het Oude Testament komt het woord vasten niet voor. Wel wordt in Leviticus beschreven dat het feest van Jom Kippoer, Grote Verzoendag gevierd moet door de ziel te pijnigen: “Het is een blijvend voorschrift voor u, dat gij u op de tiende dag van de zevende maand moet kastijden en dat gij geen arbeid verricht; dat geldt voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling die bij u woont. (Lv 16,29) Dit wordt gezien als een verplichting om te vasten. De eerste vermeldingen van vasten vinden we in de historische boeken: Rechters (Re 20,26), Samuël (1 S 7,6; 1 S 31,13 en 2 S 1,12.16,21-23), Koningen (1 K 21,9.12.27) en Kronieken (1 Kr 10,12 en 2 Kr 20,3). Het vasten heeft te maken met rouw, boete, bezinning en bekering. Het gaat in deze gevallen niet om een religieuze plicht maar om een beweging vanuit het volk zelf. Dit zelfde beeld vinden we ook bij de latere profeten.

De profeet Jesaja vraagt aandacht voor de intentie waarmee gevast wordt. Hij schrijft: “Roep uit volle borst, houd u niet in, verhef uw stem als een ramshoorn. Leg aan mijn volk hun weerspannigheid voor, aan Jakobs huis zijn zonden. Dag aan dag zoeken zij Mij, verlangend mijn wegen te kennen, als gold het een volk dat gerechtigheid beoefent, en het recht van zijn God niet verwaarloost. Rechtvaardige oordelen vragen zij Mij verlangend naar Gods nabijheid. ‘Waarom ziet Gij niet dat wij vasten, merkt Gij niet dat wij ons vernederen?’ Op de dag dat gij vast zoekt gij nog uw voordeel, en beult gij uw slaven af. Gij kijft en krakeelt als gij vast en slaat er boosaardig met uw vuisten op los. Neen, bij een vasten als dit dringt uw stem in den hoge niet door. Is dat soms het vasten dat Ik verkies, is dat een dag waarop de mens zich vernedert? Zijn hoofd als een riet laten hangen en neerliggen in zak en as: noemt gij dat soms vasten, en een dag die Jahwe behaagt? Is dit niet het vasten zoals Ik het verkies: boosaardige boeien slaken, de strengen van het juk losmaken, de geknechte de vrijheid hergeven, en alle jukken door te breken? Is vasten niet dit: uw brood delen met wie honger heeft; arme zwervers opnemen in uw huis; een naakte kleden die gij ziet en u niet onttrekken aan de zorg voor uw broeder? Dan breekt uw licht als de dageraad door en groeien uw wonden spoedig dicht; dan gaat uw geluk voor u uit, en sluit Jahwe’s glorie uw stoet. Als gij dan roept, geeft Jahwe u antwoord, en smeekt gij om hulp, Hij zal zeggen: ‘Hier ben Ik!’ Als gij het juk uit uw midden verwijdert, geen vinger bedreigend meer uitsteekt en geen valse aanklachten indient, de hongerige aanbiedt wat gij voor uzelf verlangt en de onderdrukte met voedsel verzadigt, dan zal uw licht in de duisternis opgaan, uw nacht als de heldere middag zijn. Dan zal Jahwe u steeds blijven leiden, in verschroeide oorden uw honger stillen. Hij zal uw krachten sterken en gij zult zijn als een rijkbesproeide tuin, als een bron die nooit teleurstelt als men om water komt. De oude ruïnes worden dan door u weer opgebouwd, gij herstelt de fundamenten van vroegere geslachten. Een hersteller van bressen zal men u noemen, herbouwer van straten. (Js 58,1-12)

De profeet Zacharia noemt vier voorgeschreven vastendagen: “Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: Zo spreekt Jahwe van de machten: De vasten van de vierde, de vasten van de vijfde, de vasten van de zevende en de vasten van de tiende maand zal voor het huis Juda verkeren in vreugde, in blijdschap en in feestelijke samenkomsten. Hebt de waarheid en de vrede lief! (Zach 8,18-19)

Vasten in het jodendom

Het vasten in het huidige jodendom vindt haar basis in de teksten van het Oude Testament zoals hierboven geciteerd. Naast de door Zacharia genoemde vastendagen wordt er door orthodoxe joden ook op andere dagen gevast om de vele rampen die het joodse volk getroffen hebben te herdenken. “Het zijn dagen van berouw en bezinning, maar vooral van rouw. Berouw en bezinning, vanwege overtredingen van G’ds geboden die, naar streng-orthodoxe overtuiging, tot rampen hebben geleid. Rouw om de talloze moorden, wreedheden en verwoestingen.[1]

Nieuwe Testament

Jezus trekt aan het begin van zijn openbare leven de woestijn in om veertig dagen te vasten. “Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger. (Mt 4,1-2) Aansluitend bij de profeet Jesaja zegt Jezus het volgende over de wijze van vasten: “Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om de mensen te tonen dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als gij vast, zalft dan uw hoofd en wast uw gezicht, om niet aan de mensen te laten zien dat gij vast, maar vast voor uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. (Mt 6,16-18)

In de jonge Kerk komen we het vasten ook als een vorm van bezinning tegen. “Terwijl ze eens voor de Heer de heilige dienst verrichtten en vastten, sprak de heilige Geest: ‘Zonder Mij Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen heb geroepen.’ Na vasten en gebed legden ze hun toen de handen op en lieten hen vertrekken. (Hnd 13,2-3)

Vasten in het christendom

De Katechismus van de Katholieke Kerk[2] wijst op de heilzame betekenis van het vasten van Jezus in de woestijn. Tijdens de Veertigdagentijd verenigen wij ons met het mysterie van Jezus in de woestijn. (538-540). Het vasten, het gebed en de aalmoes (zie Mt 6,1-18) worden genoemd als uitingen van boetvaardigheid. “Het zijn uitdrukkingen van onze bekering in onze relatie tot onszelf, tot God en tot de anderen. (1434) De Katechismus leert: “Het vijfde gebod (Op onthoudingsdagen geen vlees gebruiken en op de vastendagen vasten.) beschermt de tijd van ascese en boete die ons op de liturgische feesten voorbereiden; zij helpen ons onze instincten te beheersen en de vrijheid van het hart te verwerven.” (2043)

De vorige bisschop van Rotterdam sprak regelmatig over solidariteit, spiritualiteit en soberheid. “Deze Rotterdamse S’en zijn niet bedacht vanuit de deugdethiek. Ze zijn überhaupt niet vanuit een theoretische constructie samengenomen. Ze zijn uit de praktijk van ons bisdom ontwikkeld binnen de setting van de Randstad als een eigentijdse vertaling van het dubbelgebod uit het evangelie: bemin God boven alles en de naaste als jezelf. Deze twee relaties vormen één geheel en zijn onmisbaar voor een menswaardig leven. Spiritualiteit staat in het bijzonder voor de persoonlijk beleefde relatie met God, onze Schepper en Verlosser. De daadwerkelijke concrete relatie met de medemens, vooral de medemens in nood, wordt gevat in de solidariteit. De derde S, die van soberheid, is voor de beleving van het dubbelgebod de onmisbare voorwaarde: soberheid voorkomt en verhindert dat ik mezelf steeds in het centrum plaats, waardoor er geen ruimte, tijd, aandacht en zorg overblijft voor de ander/Ander.[3] De begrippen solidariteit, spiritualiteit en soberheid nemen een belangrijke plaats in in de Veertigdagentijd.

Koran

In de Koran[4] wordt het vasten op verschillende plaatsen genoemd. De belangrijkste tekst is de volgende: “Jullie die geloven! Aan jullie is voorgeschreven te vasten, zoals het was voorgeschreven aan hen die er voor jullie waren – misschien zullen jullie godvrezend zijn – voor een bepaald aantal dagen. Maar als iemand van jullie ziek is of op reis, dan een aantal andere dagen. En zij die er wel toe in staat zijn maar het niet doen hebben als vervangende plicht een behoeftige te spijzigen, maar als iemand uit zichzelf iets goeds doet, is dat beter voor hem en dat jullie vasten is ook beter voor jullie, als jullie dat maar weten. De maand Ramadan is het waarin de Koran werd neergezonden als een leidraad voor de mensen en als duidelijke bewijzen van de leidraad en het reddend onderscheidingsmiddel. Wie van jullie aanwezig is in de maand die moet erin vasten en als iemand ziek is of op reis, dan een aantal andere dagen. God wenst het jullie gemakkelijk te maken en niet moeilijk. Maakt het aantal dus vol en verheerlijkt God. Misschien zullen jullie dank betuigen. Wanneer Mijn dienaren jou naar Mij vragen: Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van iemand die bidt, wanneer hij Mij aanroept. Zij moeten Mij dus gehoor geven en in Mij geloven. Misschien zullen zij de goede weg opgaan. Het is jullie toegestaan in de nacht van de vasten omgang met jullie vrouwen te hebben; zij zijn bekleding voor jullie en jullie bekleding voor haar. God weet dat jullie jezelf bedriegen, dus heeft Hij zich genadig tot jullie gewend en jullie vergeven. Hebt nu dus gemeenschap met haar en streelt naar wat God jullie heeft voorgeschreven. Eet en drinkt totdat voor jullie in de morgenschemering de witte draad van de zwarte draad te onderscheiden is. Vast dan volledig tot aan de nacht. En hebt geen gemeenschap met haar, terwijl jullie in de moskeeën verblijven. Dat zijn Gods beperkingen. Komt die niet te na. Zo maakt God Zijn tekenen aan de mensen duidelijk. Misschien zullen jullie godvrezend worden. (2,183-187)

Naast het verplichte vasten tijdens de Ramadan is er de mogelijkheid te vasten als deel van de compensatie of verzoening van verkeerde daden zoals het niet volbrengen aan de bedevaart naar Mekka (2,196), het per ongeluk doden van een gelovige (4,92) en het verbreken van een eed (5,89). Het vasten is een van de kenmerken van de gelovigen en zij zullen ervoor worden beloond. (9,112 en 33,35)

Vasten in de islam

Ook voor moslims is vasten vooral een mentale houding. Slechte gedachten en slechte daden doorbreken het vasten. Ziauddin Sardar schrijft het volgende over het vasten: “Terwijl het gebed dagelijks plaatsvindt, is het vasten tijdens de maand Ramadan een jaarlijkse aangelegenheid. Vasten is een geweldige spirituele oefening. In de islam is het geen daad van boetedoening, maar een oefening in zelfvertrouwen en zelfbeheersing. De eerste functie is het aankweken van discipline in spirituele zin, het opbrengen van waardering voor lichamelijke ontbering (in de vorm van honger en dorst) en het onderkennen en onderhouden van de menselijke waardigheid. Vasten is een vorm van reizen en wie vast, gaat op reis om dichter bij God te komen.
Vasten heeft een persoonlijke en een maatschappelijke dimensie. Het leert de individuele mens voorbereid te zijn op ontbering en beproeving en niet toe te geven aan verleiding. Deze les wordt een maand lang dag in dag uit herhaald. Net zoals lichamelijke oefening het lichaam sterkt, versterkt de vasten de besluitwaardigheid. Wie zijn/haar verlangens kan beheersen, kan zich spiritueel en moreel verheffen. Wie vast, onthoudt zich van zonsopgang tot zonsondergang niet alleen van eten, drinken en seks, maar vermijdt ook alle immorele gedachten en daden.
Maatschappelijk gezien staan arm en rijk dan op hetzelfde niveau; in hun persoonlijke leven worstelen ze met dezelfde beproevingen. En van beiden wordt gevraagd dat ze er in de maand Ramadan op uitgaan om de mensheid weldaden te bewijzen. In de islamitische traditie staan tijdens de Ramadan, de maand waarin de Koran werd geopenbaard, de poorten van de hemel open. Vandaar dat moslims in die maand meer gebeden zeggen en de hele Koran van begin tot eind wordt gereciteerd.
[5]

Openbaring

Wezenlijk aan de monotheïstische godsdiensten is dat wij mensen God niet vanuit onszelf kunnen kennen. Het initiatief ligt bij God, niet bij de mens. Om te kunnen weten wie God is en wat Hij wil, heeft God Zichzelf en zijn wil aan de mensen geopenbaard. Voor christenen ligt de nadruk op de zelfopenbaring van God; voor moslims op de openbaring van zijn geboden. In Jezus Christus wordt God mens en openbaart Hij zijn wezen. Christus is de ultieme openbaring van God. Gods Zoon is mens geworden; het Woord is vlees geworden. Voor moslims is de Koran de ultieme openbaring van de wil van God. In christelijke termen: het Woord is boek geworden. De Koran is rechtstreeks uit de hemel neergedaald en is een exacte kopie van de Koran zoals in de hemel aanwezig is.

Voor moslims zijn de Thora van de joden en het Evangelie van de christenen eerdere vormen van openbaring van Gods wil. Profeten ontvangen deze openbaring. Mozes heeft de Thora ontvangen en Jezus het Evangelie. Voor christenen zijn profeten mensen die een bijzondere godservaring hebben gehad. Voor christenen staat Christus centraal als openbaring; voor moslims is dit de Koran. Het zijn niet Christus en Mohammed of Bijbel en Koran die vergelijkbare plaatsen hebben binnen de beide religies, maar het zijn Christus en de Koran die vergelijkbare rollen vervullen: zij worden als de ultieme openbaring gezien.

[1]  Lou Evers, Jodendom voor beginners: Een heldere inleiding, Amsterdam: De Boekerij, 2005, 105.

[2]  R.-K. Kerkgenootschap in Nederland, Katechismus van de Katholieke Kerk, Utrecht: Stichting Rooms-Katholiek Kerkgenootschap, 1995.

[3]  Adrianus van Luyn, Waarden en deugden: Zorgvuldig in de Randstad, Kampen: Kok, 2006, 149.

[4]  Fred Leemhuis, De Koran: Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands, Houten: Fibula, 2002.

[5]  Ziauddin Sardar, Wat geloven moslims?, Rotterdam: Ad. Donker, 2007, 110-111.

Vertrouwen; Gn 12,1-4a; Mt 17,1-9

“In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd…” Je ziet het zo voor je: vier mannen gaan een berg op, ze spannen zich in en komen boven. Daar ontvouwt zich het uitzicht. Daar ontspannen zij zich. Daar komen ze tot rust en dan plotseling gebeurt het. Ze hebben zich losmaakt van het alledaagse en nu komen tot een nieuw inzicht. Een geheel nieuwe wereld ontvouwt zich.

Abram trekt weg uit zijn land. De Heer belooft hem een gezegende toekomst. Abram trekt niet alleen weg uit zijn land. Hij neemt ook afstand van de veelgoderij. Abram bekeert zich tot het geloof in één God. Hiermee is de stamvader van joden, christenen en moslims. Ook voor Abram is er een nieuwe wereld opengegaan.

Twee verhalen van afstand nemen, van loslaten. Maar ook twee geheel verschillende verhalen. Het verhaal van Jezus en zijn leerlingen lijkt in eerste instantie op een uitstapje. Even de dagelijkse beslommeringen achter je laten. Abram gaat een werkelijk moeilijke en eenzame weg. Hij en zijn familie nemen afstand van de veelgoderij, afstand van cultuur waarin zij zijn opgegroeid en die hen vertrouwd is. Zij trekken weg uit hun land, uit hun vertrouwde omgeving. Het is ook een tegenstelling die we ook in ons eigen leven vaak zien. Aan de ene kant mensen die voor ontspanning en vakantie naar een ander land trekken en aan de andere kant mensen die wegtrekken uit hun land om dat ze daar niet verder kunnen.

Abram gaat een totaal onzekere toekomst tegemoet, maar hij vertrouwd erop dat de Heer hem zal leiden en beschermen. Ondanks alle onzekerheid heeft Abram vertrouwen. De leerlingen van Jezus doen helemaal geen spannende dingen. De bergen in die streek zijn gemakkelijk te beklimmen. Daar loop je geen gevaar bij. Maar dan gebeurt iets onverwachts. Ze hebben een geweldig mooie ervaring. Daar willen ze nog wel een tijdje van genieten, maar dat wordt ernstig verstoord door een stem uit de hemel. Dat is flink schrikken en ze worden bang. De leerlingen missen het vertrouwen dat Abram heeft. Ze weten blijkbaar ook niet wie ze moeten vertrouwen. Niet voor niets wordt er gezegd: “Luistert naar Hem.” Het verschil tussen de leerlingen en Abram is groot. De leerlingen zijn snel bang, hebben geen vertrouwen en weten niet naar wie zij moeten luisteren. Abram daartegen weet wat hij wil. Hij luistert naar de stem van God en durft op Hem te vertrouwen. Zo gaat hij vol goede moed op weg het onbekende tegemoet.

Waar staan wij zelf. Zijn wij zoals Abram of zijn we zoals de leerlingen. Ik denk dat velen van ons meer zijn zoals de leerlingen. Wij zijn geen mensen die vol vertrouwen het grote onbekende tegemoet treden. De meesten van ons houden van zekerheden en vertrouwdheden. Als we op reis gaan dan moet alles goed geregeld zijn. Is de auto nagekeken? Zijn de verzekeringen op orde? Hebben we onze geliefden goed geïnformeerd? Et cetera. Wat voor een eenvoudig reisje geldt, geldt voor ons hele leven. Wij houden van zekerheid en laten het er niet op aan komen. Ons vertrouwen in onze medemensen is beperkt en dat geldt zeker voor onbekenden en vreemdelingen.

God zegt ons: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem.” Jezus is mens geworden om ons de weg te wijzen. Hij laat ons zien hoe wij hoe God en medemens kunnen vertrouwen. Hij wijst ons de weg ten leven. Jezus zegt ook tegen ons: “Staat op en weest niet bang.” Hij roept ons op in beweging te komen, het onbekende tegemoet te gaan. Wij hoeven niet bang te zijn. Wij mogen werkelijk vertrouwen. Wij mogen vertrouwen op God en vertrouwen op de medemens.

In vervolg daarop worden wij ook opgeroepen het ons gegeven vertrouwen niet te beschamen. God heeft zijn schepping aan ons toevertrouwd. Mensen in nood en zeker vluchtelingen rekenen op ons. Wij mensen zijn aan elkaar toevertrouwd. Het is aan ons daarop te vertrouwen én dat vertrouwen naar elkaar waar te maken. Amen.

Waarom het kwaad? Gn 2,7-9;3,1-7; Rom 5,12-19; Mt 4,1-11

Hoe is het kwaad in de wereld gekomen? Waarom doen mensen niet alleen goed? Waarom laat God het kwaad toe? Hoe gaan wij mensen met het kwaad om? Dit zijn vragen waar alle mensen van alle tijden mee worstelen. Het zijn vragen die ons ten diepste raken. Ze gaan over de essentie van ons menselijk bestaan. Van oudsher zoekt men naar antwoorden. Hoe kunnen we geloven in een God die almachtig is en het goede wil, terwijl we voortdurend met het kwaad geconfronteerd worden? Het kwaad zien we niet alleen om ons heen, maar we ervaren het ook in onszelf.

Paulus baseert zich op het scheppingsverhaal en schrijft: “Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood…” Paulus legt een verband tussen de zonde, het kwaad in de mens en de dood, het kwaad dat van buitenaf komt. Iedere mens doet kwaad en iedere mens ondergaat kwaad. Het scheppingsverhaal is niet bedoeld om een verslag te geven van een historische gebeurtenis. Het is geschreven om antwoorden te geven op de vragen die wij hebben. Het schetst een beeld van de ontwikkeling van de mensheid, een ontwikkeling die ook iedere mens afzonderlijk doormaakt. Iedere mens ontdekt op een gegeven moment dat hij keuzes kan en moet maken. Hij ontdekt zijn vrije wil en ontdekt dat hij kan kiezen tussen goed en kwaad. Hij ontdekt ook dat hij zelf verantwoordelijk is voor de keuzes die hij maakt. Met de vrije wil ontdekt hij ook de hem gegeven verantwoordelijkheid en dat hijzelf tot het doen van kwaad in staat is.

God heeft ons geschapen met een vrije wil. Het is uit liefde voor ons dat Hij ons die vrijheid heeft gegeven. Met onze vrije wil zijn wij ook tot liefde in staat. Onze liefde is niet dwangmatig of instinctief. Onze liefde is een vrije keuze. In volledige vrijheid kunnen wij elkaar en kunnen wij God liefhebben. De gegeven vrijheid maakt ons ook verantwoordelijk, verantwoordelijk voor ons eigen handelen en verantwoordelijk voor elkaar. De vrijheid stelt ons ook in staat ons van elkaar af te keren, elkaar schade toe te brengen en elkaar zelfs van het leven te beroven. Dat is de keerzijde van de vrijheid, maar zonder deze keerzijde is er helemaal geen vrijheid. De vrije wil geeft ons ook onze individualiteit. Ik ben een unieke persoon, een persoon die kan liefhebben, een persoon die in relatie staat met andere personen, maar ik val nooit met de ander samen. We zijn verschillend van elkaar en juist daardoor zijn voor elkaar van betekenis. Daardoor zijn we in staat relaties met elkaar aan te gaan. En zo ontdekt de mens ook zijn seksualiteit.

Het verhaal uit het boek Genesis wat we gelezen hebben, wordt meestal ‘de zondeval’ genoemd. Persoonlijk noem ik het liever ‘de ontdekkingsreis’. Het verhaal laat zien hoe mensen zich zelf ontdekken. Ze ontdekken hun vrije wil. Ze ontdekken de keuze tussen goed en kwaad. Ze ontdekken hun eigen verantwoordelijkheid. Ze ontdekken dat ze niet met elkaar samenvallen, maar van elkaar verschillen en ze ontdekken dat ze een relatie met elkaar aan kunnen gaan.

Ons menselijk denken zoekt telkens weer naar oorzaak en gevolg. Dat is een heel handige eigenschap. Zo zijn we in staat de oorzaken van slechte zaken te bestrijden en weg te nemen. Maar we kunnen het ook overdrijven door alles in termen van oorzaak en gevolg te willen verklaren. Dan vinden we dat ook het kwaad een duidelijke oorzaak moet hebben. Het kan toch niet zo zijn dat iemand kwaad overkomt, terwijl hij dat helemaal niet verdiend heeft. Wij mensen hebben snel het idee, dat degene die iets slechts overkomt daar zelf mede de oorzaak van is. Zo denken we ook vaak over onszelf. “Waaraan heb ik dit verdiend?” Het is een vaak gestelde vraag. De Franse filosoof Paul Ricoeur schreef, dat we ons niet moeten bezighouden met vragen als: “Vanwaar het kwaad en waarom het kwaad?” Daar komen we niet verder mee. Beter is het bezig te zijn met de vraag: “Hoe om te gaan met het kwaad?” Wat doen wij als wijzelf of een ander door het kwaad worden getroffen? Dat is ook de boodschap van het boek Job. Job krijgt geen antwoord op zijn vraag waarom ook een goed mens door het kwaad wordt getroffen. Hij leert er mee te leven. Het kwaad maakt nu eenmaal een wezenlijk deel van ons bestaan uit en waarom zou het mij niet treffen?

Jezus is gekomen om ons te bevrijden. Hij wijst ons de weg ten leven. Hij laat ons zien hoe wij werkelijk vrij kunnen zijn. Hij heeft uit vrije wil al het kwaad van de wereld op zich genomen. Met zijn lijden en sterven heeft Hij het kwaad ondergaan. Vandaag laat Hij zien hoe je weerstand kunt bieden aan het kwaad. Wij zijn geen weerloze speelbal in de handen van het noodlot. Verleidingen tot het kwaad kunnen we afwenden. Onze eigen neiging tot het kwaad kunnen we weerstaan. Met zijn lijden en sterven heeft Jezus laten zien, dat we ook als het ergste kwaad ons overkomt toch vrije mensen kunnen zijn, dat het kwaad ons nooit volledig in zijn greep hoeft te hebben. Jezus verlost ons ook van het alsmaar denken in termen van oorzaak en gevolg. Zo bevrijdt Hij ons ook van een onnodig schuldgevoel. Amen.

Tegen de stroom

Auteur: Ernst Hirsch Ballin
Titel: Tegen de stroom: Over mensen en ideeën die hoop geven in benarde tijden
Uitgever: Querido, 2016
Prijs: €20,00
ISBN: 978 90 214 0221 5
Aantal pagina’s: 150

Ernst Hirsch Ballin schrijft over vier mensen die met hun manier van leven en hun ideeën hoop geven. Titus Brandsma, Lodewijk Ernst Visser en Anton de Kom zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog gestorven. Thomas More werd in 1535 onthoofd. “Door onder heftige beproevingen stand te houden, hebben zij de hoop op meer medemenselijkheid levend gehouden.”

De menselijke waardigheid vereist morele waarden. Pater Titus Brandsma wist dat er grenzen zijn aan het sluiten van compromissen. Overeenkomsten zijn alleen goed als zij in volle vrijheid gesloten worden en voor beide partijen goed zijn. Lodewijk Ernst Visser wilde als voorzitter van de Hoge Raad geen onderscheid te maken op basis van ras. Anton de Kom, de zoon van een slaaf, zette de strijd die hij in Suriname gevoerd had, in Nederland voort. Het gaat altijd om de waardigheid van iedere afzonderlijke mens. Voor Thomas More was geloven een gewetenszaak, waarover de Engelse koning geen zeggenschap had.

“Recht moet idealen helpen realiseren.” Hirsch Ballin laat zien hoe je genuanceerd en doordacht stevig stelling kunt nemen inzake de menselijke waardigheid. Het is een mooi en zeer lezenswaardig boekje.

Licht der wereld? Mt 6,1-6.16-18

Een paar weken geleden werd ons voorgehouden: “Gij zijt het licht der wereld” en “Gij zijt het zout der aarde”. De mensen moeten onze goede werken zien omdat hen dat aanzet God te verheerlijken. Vandaag zegt Jezus ons dat de linkerhand niet hoeft te weten wat de rechter doet. En Hij zegt dat we met onze bidden en ons vasten niet te koop moeten lopen. Dat zijn toch tegenstrijdige boodschappen die Jezus ons geeft. Nu zou je kunnen denken, dat deze twee verschillende boodschappen aan verschillende mensen en onder verschillende omstandigheden door Jezus zijn uitgesproken.

Maar dat is niet het geval. Beide lezingen maken deel uit van de Bergrede en staan zelfs dicht bij elkaar. Tussen de opdrachten om licht en zout te zijn en tekst die we vandaag hebben gelezen zit hooguit vijf minuten. We kunnen ze dus niet los van elkaar zien, ze horen bij elkaar. De lezing van vandaag kunnen we zien als een toelichting op het zout en licht zijn. Jezus legt vandaag nadrukkelijk de aandacht op de intentie waarmee we iets doen.

Goed doen en een goed mens zijn doen we niet om onszelf op de borst te kunnen kloppen. Het is niet iets om mee te pronken. We doen het niet voor onszelf maar voor God en de medemens. De basis voor ons goed doen en goed zijn ligt in de liefde. Vanuit de liefde voor God en medemens komen we tot solidariteit, het geven van hulp aan mensen in nood. Zo komen we ook tot spiritualiteit, de gerichtheid op God. En zo komen we tot soberheid, het ruimte maken voor God en medemens. Dat de liefde de basis is van ons bestaan, mag iedereen weten.

Vorig jaar vierden we het heilig jaar van de barmhartigheid. Barmhartigheid is niet een eenmalig gebeuren. Het is blijvend. Ook de Veertigdagentijd staat in het teken van de barmhartigheid. Veertig dagen lang zijn wij samen met Jezus op weg naar Pasen. Veertig dagen lang mogen wij ons extra verbinden met Hem. Hij is het gezicht van Gods barmhartigheid. Hij is de mensgeworden barmhartigheid: barmhartig als de Vader.

Barmhartigheid heeft twee kanten. Wij mogen barmhartig zijn naar anderen. De andere kant van de barmhartigheid is het ontvangen ervan. Barmhartig zijn en barmhartigheid ontvangen zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ze kunnen niet zonder elkaar. We kunnen niet barmhartig zijn zonder openstaan voor de barmhartigheid die ons geschonken wordt. En we kunnen niet barmhartigheid ontvangen zonder zelf ook barmhartig te zijn.

Openstaan voor de barmhartigheid van God vraagt dat wij ons tot Hem keren, dat wij ons bekeren, dat wij zoeken naar de persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus. Dat betekent dat wij Christus opzoeken in onze medemens in nood, maar het betekent ook dat wij Hem opzoeken in onze binnenkamer, dat wij ons in onszelf keren en ons even afsluiten van de buitenwereld.

Willen wij werkelijk de barmhartigheid van God ervaren, is het nodig dat wij tot het inzicht komen dat wij niet zonder zijn barmhartigheid kunnen, dat wij die barmhartigheid hard nodig hebben. Wij hebben de genade en barmhartigheid van God werkelijk nodig, omdat we niet in staat zijn op eigen kracht tot het heil en het geluk te komen. De maakbaarheid van de wereld en ook van eigen geluk is beperkt. Daarvoor zijn wij vooral van God afhankelijk.

Een manier om die barmhartigheid concreet te ervaren is het Sacrament van Boete en Verzoening: de Biecht. Om dat nog eens te benadrukken is de afbeelding van Gods barmhartigheid, het symbool van het jaar van Barmhartigheid op de biechtstoel aangebracht. Mogelijk heeft u dit Sacrament nog nooit ontvangen of is het heel lang geleden. Wat let u om het weer eens aan te durven en het schoorvoetend te proberen. Maak een afspraak met de pastoor. U wordt met de open armen van God ontvangen.

De Veertigdagentijd is een tijd van bezinning en verdieping. We denken na over de wezenlijke vragen van ons leven. Wie zijn wij? Wat is onze relatie met God en met de medemens? Wie zijn wij zonder hen? Wie zijn wij zonder liefde en barmhartigheid? Jezus Christus geeft ons op dergelijke vragen de antwoorden en wij mogen die Blijde Boodschap verder uitdragen. Amen.

Doe niet normaal! Mt 6,24-34

Jezus roept ons op ons niet voortdurend over allerlei aardse zaken zorgen te maken. Dat doen de heidenen ook. In onze tijd kun je zeggen: Dat doen de ongelovigen ook. En inderdaad in deze verkiezingstijd gaat het daar voortdurend over: zal ons inkomen voldoende zijn om redelijk te kunnen leven. Daar maakt menig Nederlander zich zorgen over. En de politici willen ons ervan overtuigen dat die zorg bij hen in goede handen is.

Jezus zegt ons echter eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid te zoeken. De rest zal ons erbij gegeven worden. Jezus gaat hiermee lijnrecht in tegen wat normaal is. Hij houdt ons een andere waarheid voor.

In het toneelstuk Die Dreigroschenoper schreef Bertolt Brecht: “Erst kommt das Fressen, und dann kommt die Moral.” Oftewel: We moeten eerst te eten hebben, daarna kunnen we pas aan hogere zaken denken. Dit zelfde idee vind je ook terug in de zogenaamde piramide van Maslov. Volgens de psycholoog Maslov is er een volgorde in behoeften. Als eerste zijn er de lichamelijke behoeften, daarna veiligheid en zekerheid, vervolgens saamhorigheid, dan waardering, erkenning en zelfrespect, daarna zelfverwerkelijking en tenslotte zelftranscendentie.

Tot voor kort was ik voorzitter van de Stichting Straatpastoraat in Den Haag. Hier leerde ik dat juist wanneer het leven op zijn kop staat, mensen ook vaak deze piramide van Maslov op zijn kop te zetten. Dan blijken niet eten, drinken en een dak boven het hoofd de eerste levensbehoeften te zijn, maar veel meer zijn dan vragen aan de orde als: waarom besta ik en wat is de betekenis van mijn leven? Dan blijkt juist de behoefte aan liefderijke en respectvolle aandacht belangrijk. Blijkbaar is de piramide van Maslov en ook de uitspraak van Bertold Brecht vooral van toepassing op mensen die geen problemen hebben om in hun basisbehoeften te voorzien. Het zijn juiste de nette en redelijk welvarende burgers die zich niet kunnen voorstellen hoe ze moeten leven zonder dagelijks voldoende eten en een goed dak boven hun hoofd. En ik moet inderdaad bekennen dat ik me er meer dan eens over verbaasd heb, hoe mensen zonder dit soort vastigheid kunnen leven. Ik moet er niet aan denken.

Toch zegt Jezus ons: maak je geen zorgen over dat soort zaken. Wees anders dan de ongelovigen. Doe niet normaal! Want niemand kan twee heren dienen: God en de mammon. En dus moeten we op zoek naar het Koninkrijk van God, het Koninkrijk waar de liefde de basis van alles is.

De mammon staat voor de zelfgerichtheid. De mammon vraagt om zekerheden, om een goed gevulde koelkast en een mooi banksaldo. Dan kan je niets gebeuren. De mammon staat voor onze aardse manier van denken. Jezus roept ons op daar los van te komen en de liefde centraal te stellen. Daarmee stellen we God en de medemens centraal. Dan zijn we er niet op uit om onszelf gelukkig te maken, maar proberen we juist de ander gelukkig te maken. Al het andere zal ons er dan bij gegeven worden: zo zullen we ook zelf gelukkige mensen worden.

Dit doet ons ook op een andere manier naar mensen in nood kijken. Als we hen met liefde bekijken, zien we mensen die onze liefde en respect verdienen. En dat is wat anders dan hen zien als een probleem dat opgelost moet worden. Dat is ook wat anders dan hen zien als een verstoring van ons eigen comfortabele leven, als een ongemakkelijk gevoel of als een ergernis. Iemand met liefde de hand reiken is iets anders dan je eigen ergernis wegwerken. Iemand met liefde de hand reiken is respect hebben voor de mens die we in de ander ontmoeten. En een liefdevolle hand zal ook zorgen voor het lenigen van de materiële nood. Het lenigen van de materiële nood is dan een gevolg van de liefdevolle ontmoeting. Als ons handelen beperkt blijft tot het lenigen van de materiële nood, als ons handelen alleen instrumenteel is, doen we onze medemens in nood tekort want dan ontbreekt de liefde en het respect.

Dit geldt voor alles wat we doen. Als wij werken en leven met liefde en respect voor de anderen, zullen wijzelf ook met liefde en respect benaderd worden. Dan worden wijzelf ook gelukkige mensen. Dan zal ons alles toekomen wat we nodig hebben.

Nog even de politiek en de verkiezingen. Onze beste stemwijzer is niet het eigenbelang, maar de liefde voor God en voor de medemens. Zoek eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid. Al het andere zal ons erbij gegeven worden. Amen.

Zout en licht bij verkiezingen; Js 58,7-10; Mt 5,13-16

“Gij zijt het zout der aarde.” “Gij zijt het licht der wereld.” Door het verbond dat God met hen gesloten heeft, zijn de Israëlieten zout der aarde en licht der wereld. Dit geldt dus ook voor de leerlingen die deel uit maken van het volk van Israël. Van hen wordt verwacht dat zij voorbeeldig leven. Als wij ons christenen noemen en navolgers van Christus, geldt deze opdracht ook voor ons. Met deze woorden van Jezus worden ook wij opgeroepen aanstekelijk te leven: zo te leven dat anderen ons als voorbeeld nemen, dat zij zien dat wij leven uit de liefde van God en de vreugde van het Evangelie. Onze manier van leven moet de ander naar God brengen. Zo moet ook ons licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij onze goede werken zien.

Bij het Sacrament van het Doopsel ontvangt de dopeling het licht van Christus, gesymboliseerd door de doopkaars., Nog steeds komt het voor dat er tijdens een doopplechtigheid een beetje zout op de tong van de dopeling wordt gelegd, terwijl dit ritueel al decennia geleden uit de officiële doopliturgie is verdwenen. Het is blijkbaar een krachtig sprekend en niet uit te roeien ritueel dat uitdrukking geeft aan het smaak geven aan het leven. De rituelen symboliseren genadegaven die de dopeling bij de Doop ontvangt. Genade is niet een passief geschenk. Genade is een werkende kracht. Door de genade word je ook iemand. Genade heb je niet in je bezit; genade doet iets met je. Door de genade word je licht der wereld en zout der aarde. De genade die je ontvangt, stelt je in staat iets voor een ander te betekenen.

Aan het einde van deze lezing maakt Jezus duidelijk hoe wij een licht kunnen zijn door het doen van goede werken. Dit is ook wat Jesaja eerder heeft onderwezen: “Deel uw brood met de hongerigen, neem de dakloze zwervers op in uw huis, kleed de naakten die gij ziet en keer u niet af van medemensen. Dan zal uw licht stralen als de dageraad.” Deze tekst doet ons denken aan woorden die Jezus aan het einde van leven spreekt: “Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven…” Et cetera. (Mt 25,35) Vlak voor zijn lijden en sterven geeft Jezus nogmaals een samenvatting van zijn boodschap aan de wereld, de boodschap die Hij aan het begin van zijn optreden in de Bergrede uiteen zet. De Bergrede begint met de zaligsprekingen, die we vorige week hebben gelezen. Vandaag en de komende zondagen lezen we het vervolg daarvan.

Jesaja en Jezus vertellen ons een andere boodschap dan de geluiden die we tegenwoordig veelvuldig horen klinken. Jesaja en Jezus zeggen ons niet dat we onszelf of ons eigen land op de eerste plaats moeten zetten. Zij roepen ons op de mens in nood op de eerste plaats te zetten. Wij worden niet gelukkig door onszelf centraal te stellen. Om gelukkig te worden is het nodig juist de ander centraal te stellen.

Volgende maand zijn de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Voordat wij naar de stembus gaan, zullen we ons moeten afvragen waar onze prioriteiten liggen. Waardoor laten wij ons stemgedrag bepalen. Gaan we voor eigenbelang of gaan we voor het algemeen belang? Gaan we voor het individu of gaan we voor de gemeenschap? Gaan we voor de markt en voor nuttigheid of gaan we voor de liefde? Gaan we voor wat wij normaal vinden of is er ruimte voor een ander? Gaan we voor verbruik of gaan we voor gebruik van de schepping? Gaan we voor strijd of gaan we voor de dialoog? Gaan we voor wantrouwen of gaan we voor vertrouwen?

Ik denk niet dat het nodig is uit te leggen, welke richting het Evangelie ons voorhoudt. Jezus is helder over de wijze waarop wij licht der wereld en zout der aarde kunnen zijn. Hij roept ons op daarnaar te handelen. Dat geldt ook op het moment dat we naar stembus gaan. We leven in een complexe wereld en politieke keuzes zij daarmee ook moeilijke keuzes. Eenvoudige oplossingen bestaan er niet. Ik zal u geen stemadvies geven door te zeggen op welke partij of welke politicus u moet stemmen. Die verantwoordelijkheid ligt bij uzelf. Ieder van ons heeft daarvoor de genade ontvangen. Wel moeten we hier spreken over welke waarden aan de orde zijn. Welke waarden worden ons door het Evangelie en door de Kerk voorgehouden? Hoe dragen wij als gemeenschap en als individuele personen deze waarden uit? Hoe zijn wij vandaag in onze tijd licht der wereld en zout der aarde? Wat vraagt Jezus vandaag van ons? Hoe laten wij de genade in ons haar werk doen? Amen.

Jouw hand: mijn glimlach; Ez 36,26-28; 2 Kor 5,14-20; Mt 5,23-24

“Jouw hand: mijn glimlach”. Het zijn vaak kleine gebaren waarmee mensen elkaar gelukkig maken. Het zijn kleine gebaren die uitdrukking kunnen geven aan grote gevoelens, die uitdrukking geven aan liefde en verbondenheid, aan verzoening en vergeving.

Dit jaar is het 500 jaar geleden dat Maarten Luther zijn 95 stellingen publiceerde. Dat was het begin van de Reformatie, het begin van een herbronning, een teruggaan naar de bronnen van het christendom. Men ging opnieuw op zoek naar hoe het ooit was bedoeld. Dat had de Kerk nodig. Het christendom was dan wel wijd verbreid in Europa, maar de diepgang en de inspiratie waren ondergesneeuwd geraakt. Bovendien waren de tijden veranderd. De boekdrukkunst was uitgevonden. Overal werden universiteiten opgericht. Het christendom kon niet langer op dezelfde weg voort. Er was verandering nodig.

Luther begreep dat. Hij probeerde het christelijk geloof te zuiveren, de Kerk te hervormen, en het evangelie centraal te stellen. Helaas ging dat niet zonder slag of stoot. Er waren persoonlijke belangen en vele misverstanden. De conflicten liepen hoog op en verzoening van de standpunten bleek niet mogelijk. Eeuwen lang heeft zich dat voortgezet. Men sprak elkaar niet. Het denken in karikaturen werd over en weer sterker. Christenen zagen elkaar als vijanden. En de strijdende partijen hebben elkaar veel schade toegebracht. Sinds vorig eeuw zijn we een nieuwe weg ingeslagen. Christenen van verschillende richtingen leren elkaar kennen en zijn met elkaar in gesprek. Er leeft een groot verlangen tot eenheid onder de christenen, maar we hebben nog wel een weg te gaan.

Vandaag worden we opgeroepen ons met elkaar te verzoenen. Jezus spreekt duidelijke taal: Het heeft geen betekenis offers te brengen als je je broeder of zuster iets verwijt. Voordat je je tot God richt, moet je je verzoenen met je medemens. Het is zoals we bidden met het Onze Vader: “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars vergeven.” Ezechiël maakt duidelijk dat we dat niet op eigen kracht hoeven te doen. God, de Heer, zal ons een nieuw hart en een nieuwe geest geven. Hij zal het versteende hart wegnemen en ons een levend hart geven. Paulus schrijft hoe Christus aan de basis van de verzoening staat. Hij is het die ons met God verzoend. Het is zijn liefde voor ons die Hem daartoe bracht. De liefde is het fundament waarop de verzoening is gebaseerd.

Verzoening tussen mensen is geen gemakkelijke zaak. Het vraagt om te beginnen respect voor elkaar. Het vraagt dat we elkaar als mensen zien, als mensen geschapen naar Gods beeld, als mensen die willen leven en liefhebben zoals God het bedoeld heeft. Vanuit dat respect kunnen we het gesprek met elkaar aangaan. Zo komen we tot een dialoog waarbij we oprecht naar elkaar luisteren, elkaar serieus nemen en elkaar niet van ons eigen gelijk willen te overtuigen. In een oprechte dialoog kunnen we vervolgens op zoek gaan naar de waarheid. De dialoog stelt ons ook in staat onze verbondenheid met elkaar te ontdekken. Door de dialoog kunnen we komen tot liefde voor elkaar. Als we de waarheid onder ogen kunnen zien, weten we ook waar we schuldig zijn naar elkaar. Dat opent de weg naar verzoening en vergeving.

Zo komen we samen tot een leven in liefde en waarheid. Liefde en waarheid zijn de sleutelbegrippen. Zij vormen de fundamenten van de eenheid. Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar. De liefde weerhoudt ons ervan het zoeken naar de waarheid op de spits te drijven en te vervallen in scherpslijperij. Door de liefde voor elkaar beseffen, dat wij allen – zoals Paulus dat elders schrijft – kijken in een wazige spiegel. (1Kor 13,12) Niemand van ons kan de waarheid ten volle kennen. Niemand van ons heeft de waarheid in pacht.

De waarheid voorkomt dat we vervallen in een goedkope eenheid, dat we geen oog hebben voor de verschillen en geen oog hebben voor de pijn die we elkaar hebben aangedaan. De waarheid weerhoudt ons van uitspraken: “we geloven toch eigenlijk allemaal hetzelfde”. Met een dergelijke uitspraak doen we niet alleen de waarheid geweld aan. Zo’n uitspraak is ook respectloos en daarmee liefdeloos. Zij maakt het geloof van de ander ondergeschikt aan het eigen geloof, want hiermee zegt men: “jij gelooft eigenlijk hetzelfde als ik”.

Door samen in liefde en waarheid te zoeken naar wat ons bindt, komen we tot verzoening en tot verbondenheid met elkaar. Dat leidt niet tot een eenheid van allemaal hetzelfde, maar tot een eenheid in verscheidenheid. Dat leidt tot een eenheid waarbinnen we elkaar verrijken. Het leidt tot eenheid waarbinnen jouw hand mijn glimlach is. Amen.

“Komt, volgt Mij”; 1 Kor 1,10-13.17; Mt 4,12-23

Jezus zag de broers Simon en Andreas en zei tegen hen: “Komt, volgt Mij…” “Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem.” Iets verderop zag hij nog twee broers: Jacobus en Johannes. “Hij riep hen, en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem.” Twee roepingsverhalen die sterk op elkaar lijken. In beide gevallen laten de mannen onmiddellijk alles in de steek en ze gaan Jezus volgen. Dit lijkt meer op een plotselinge bevlieging dan op een weloverwogen besluit. Als wijzelf zo iets doen, worden we onmiddellijk door mensen uit onze omgeving teruggefloten: Zou je dat nu wel doen. Denk er eerst nog eens goed over na.

Ook als je je bij de priester- en diakenopleiding van ons bisdom meldt, wordt er uitgebreid naar je motivatie gevraagd voordat je aan je studie mag beginnen. En dat is nog maar het begin. Vervolgens word je tijdens je studie op de voet gevolgd in je ontwikkeling. Uiteindelijk word je dan na een flink aantal jaren en na uitgebreid beraad door de bisschop tot priester of diaken gewijd. Maar dit geldt niet alleen voor het gewijde ambt in de Kerk. Het geldt ook als twee mensen met elkaar willen trouwen. Ook dan is het niet de bedoeling dat het alleen maar is omdat beide partners hopeloos verliefd op elkaar zijn. Ook het huwelijk dient niet een bevlieging te zijn, maar een weloverwogen stap in je leven.

De situatie in het Evangelie is duidelijk anders: Jezus roept de mannen en onmiddellijk volgen zij Hem. Het doet mij denken aan mijn kindertijd, aan mijn vader die naar buiten kwam en ons riep. Dan was het niet de bedoeling dat we daar eerst over gingen nadenken. Nee, het was de bedoeling dat je onmiddellijk naar hem toe ging om te doen wat hij je vroeg. Op dezelfde wijze roept Jezus met liefde en met gezag. De vier mannen erkennen onmiddellijk het gezag van Jezus en ze ervaren de verbondenheid.

Verondersteld mag worden, dat zij Jezus al kenden. Van Andreas is bekend dat hij een leerling van Johannes de Doper was. Johannes had Jezus aangewezen als de man die na hem kwam. Het begint met het optreden van Johannes en Jezus gaat verder. Jezus wijst op zijn beurt mensen aan die zijn werk zullen vervolgen. We mogen dus aannemen dat deze vier mannen al wisten van de komst van de Messias. Nu deze hen roept om Hem te volgen gaan ze daar onmiddellijk op in. Ze laten alles achter zich en gaan een nieuw leven beginnen. Hun antwoord is niet alleen onmiddellijk maar ook radicaal.

Jezus zet het werk van Johannes de Doper voort. Maar er is ook sprake van verandering en een nieuw begin. Johannes predikte in Judea. Jezus trekt naar het noorden, naar Galilea. Het grote licht gaat op over het “Galilea van de heidenen”. Hiermee krijgt het optreden van Jezus een universeel karakter. Hij is er niet alleen voor Israël zoals Johannes de Doper. Hij is er voor iedereen, ook voor de heidenen. In dit verband is het ook interessant dat de naam Andreas een Griekse naam is en Simon een Griekse vorm is van het Hebreeuwse Simeon. Ook zijn volgelingen hebben een bredere achtergrond. Hier begint de omslag van de gerichtheid op Israël naar de gerichtheid op de hele wereld.

Deze mannen zijn niet alleen geroepen om in Israël brood uit te delen, zieken te genezen en het Rijk der hemelen te verkondigen. Nee, zij zullen de wereld in trekken en hun opvolgers worden uitgezonden naar de uiteinden der aarde. Het licht dat opgaat over Galilea, wordt over de hele wereld verbreid en gaat overal stralen. Dit is geen eenmalige gebeurtenis. Telkens weer moet het licht doorgegeven worden en opnieuw tot stralen gebracht worden.

Telkens weer worden ook wij geroepen om als christen te leven om zo dragers van het licht te zijn en verkondigers van het Rijk der hemelen. Ieder wordt in zijn eigen situatie geroepen en ieder krijgt een persoonlijke roeping. Maar het is geen individuele roeping. Het is een roeping in relatie met anderen, een roeping binnen en voor een gemeenschap. Als we ons geroepen weten voor de gemeenschap, weten we ook dat we de verbondenheid met elkaar moeten bewaren en dat we op onze hoede moeten zijn voor verdeeldheid.

De lezing van vandaag maakt ons duidelijk, dat de opdracht die we krijgen niet iets is wat je er even bij doet. Het is duidelijk dat we ons vrij moeten maken voor deze opdracht en dat we er dus iets voor moeten laten. Het is ook niet iets wat je eindeloos voor je uit kunt schuiven. Zo van, dat komt later wel. Nee, je moet ermee aan de slag. Geroepen worden door Jezus Christus is niet alleen een uitverkiezing tot het geluk. Het is ook een opdracht zijn boodschap van liefde uit te dragen en door te geven aan anderen. Het is niet een roeping voor het individu. Het is een roeping ten dienste van anderen, ten dienste van de gemeenschap, te dienste van de eenheid. Amen.