Auteur: Kitty Bouwman
Titel: De spiritualiteit van je kind: ‘Mam, God kan zich wel in dúízend stukjes verdelen’
Uitgever: KBS, 2007; prijs: € 15,90
ISBN: 978 90 6173 0187; aantal pagina’s: 208
Voor veel kinderen is geloven heel gewoon. Zij zijn nog niet gewend alles wat ze ervaren, rationeel te willen verklaren. Ze vormen zichzelf beelden van God en van het mysterie van het leven. De kunst is op de juiste wijze te reageren op de – voor volwassenen vaak wonderlijke – uitspraken van kinderen. Het kind neemt hierin de volwassene bij de hand.
Theologe Kitty Bouwman schrijft op een zeer toegankelijke wijze over geloofservaringen van kinderen. Haar uitgangpunt is dat het kind zelf een bron van spirituele ervaring, een vindplaats van God is. Religiositeit is niet aangeleerd, maar is van nature aanwezig. Door hun ontvankelijkheid aanvaarden kinderen de goddelijke werkelijkheid en kunnen daar heel dicht bij vertoeven. Het boek wil volwassenen bewust maken van wat er in deze zin in kinderen omgaat. Het geeft ook handreikingen hoe daarmee om te gaan en de taal te verstaan die kinderen hierbij gebruiken. Ook bevat het boek praktische tips voor het gelovig opvoeden van kinderen en hoe ouders het geloof kunnen voorleven aan hun kinderen.
Het boek is een aanrader voor ieder die met kinderen omgaat: voor leerkrachten, medewerkers kindercatechese, maar vooral voor ouders.
april 2008
Auteur: Katia Mrowiec, Michel Kubler en Antoine Sfeir
Titel: God, Adonai, Allah: Vragen over de drie grote religies
Uitgever: Katholieke Bijbelstichting, 2006
ISBN: 90 6173 897 0; aantal pagina’s: 188; prijs: € 22,50
Kinderen van nu groeien op in een wereld waarin veel ter discussie staat. Zij ontmoeten kinderen van verschillende religies en ook kinderen die zonder enig geloof worden opgevoed. Dit doet hen allerlei vragen stellen. Kinderen willen weten hoe het zit.
In dit boek worden ruim honderd vragen beantwoord die kinderen stellen over het geloof van joden, christenen en moslims. In zeven hoofdstukken wordt ingegaan op: grote vragen van gelovigen, het geloof, het leven van de gelovigen, gebed en geloofspraktijk, religieuze feesten en symbolen, heilige plaatsen en vragen over gelovigen in de 21ste eeuw. Verder is er een verklarende woordenlijst, een overzicht van de geschiedenis en van de grote religieuze feesten.
Het boek is mooi uitgegeven en fraai geïllustreerd. Het is bedoeld voor kinderen 10-14 jaar. Ook voor volwassenen biedt het veel informatie. Het is van begin tot eind te lezen en ook te gebruiken als naslagwerk om eens wat op te zoeken. Door over andere godsdiensten te lezen, begrijp je ook je eigen godsdienst beter. Al ruim 1200 Nederlandse scholen voor het basis- en voortgezet onderwijs reageerden positief op het project dat rond dit boek is opgebouwd.
december 2007
Auteur: Joseph Ratzinger Benedictus XVI
Titel: Jezus van Nazareth, Deel I
Uitgever: Lannoo, 2007; prijs: € 29,95
ISBN: 978 90 209 7176 7; aantal pagina’s: 377
Een jaar na het aantreden van paus Benedictus XVI schreef Vaticaandeskundige John Allen dat Benedictus een grote leraar lijkt te worden. Na het lezen van zijn boek ‘Jezus van Nazareth’ en eerder de encycliek ‘Deus caritas est’ lijkt het mij dat hij een grote leraar is. Leraar in twee betekenissen. Hij is een goede docent: met eenvoudige taal worden de meest complexe zaken op zeer heldere wijze beschreven. Daarnaast weet hij ons de weg te wijzen: de weg van het leven, de weg van Jezus Christus.
In behapbare hoofdstukken en paragrafen worden verschillende facetten van het leven van Jezus van Nazareth op toegankelijke wijze beschreven. Benedictus maakt hierbij gebruik van de inzichten van wetenschappelijke Bijbelstudie, maar beperkt zich daar niet toe. Hij weet wetenschap en geloof te combineren. Alleen vanuit het geloof is de verhaal van Jezus te lezen als de geschiedenis van God met ons.
Voor ieder die zich wil verdiepen in Jezus van Nazareth is dit een absolute aanrader. Het boek geeft inzicht in de Evangelieverhalen, brengt de persoon van Jezus – God en mens – dichterbij, biedt stof voor persoonlijke meditatie en voor geloofsgesprekken. Door de uitgebreide registers is het tevens een handig naslagwerk.
september 2007
Verkiezingen
Overige enkele maanden zijn er weer landelijke verkiezingen. Hoe ziet de Kerk democratie als staatsvorm? De Kerk waardeert democratie positief, maar ziet het niet als enige mogelijke staatsvorm. Zij beoordeelt de democratie primair naar de wijze waarop zij omgaat met voor de Kerk belangrijke waarden.
Johannes Paulus II
In 1991 schrijft paus Johannes Paulus II: “De Kerk waardeert het democratische systeem voor zover het de medezeggenschap van de burgers in de politieke keuzen verzekert en aan de onderdanen de mogelijkheid waarborgt om hun bestuurders te kiezen en te controleren, evenals de mogelijkheid hen op vreedzame wijze te vervangen waar dit wenselijk blijkt.” “Een authentieke democratie is alleen mogelijk in een rechtsstaat en op basis van een juiste opvatting over de mens.”
Democratische waarden
Democratie is geen doel; het is een goed middel om het algemeen welzijn te bevorderen en de waardigheid van de gehele mens en van iedere mens te garanderen. Naleving van mensenrechten, garantie van godsdienstvrijheid, handhaving van rechtszekerheid en scheiding van machten zijn noodzakelijke voorwaarden voor een goede democratie. Iedere burger moet zichzelf kunnen ontplooien en iedereen moet kunnen bijdragen aan het realiseren van het algemeen welzijn. Het maatschappelijk middenveld heeft haar eigen plaats binnen een goede democratie.
Een goede democratie is niet zozeer het resultaat van het naleven van de regels, maar veel meer de vrucht van de overtuiging dat democratische waarden de basis vormen voor het goede leven van iedere burger. Volksvertegenwoordigers hebben de opdracht het welzijn van alle burgers na te streven en niet alleen de belangen van hun eigen achterban. Zo zijn christelijke politici er niet alleen voor het belang van de christenen, maar dienen zij vanuit een christelijke visie het belang van alle burgers te bevorderen. Dit geldt op dezelfde wijze voor socialisten en liberalen. One-issue partijen, partijen die slechts opkomen voor één bepaalde groep of één bepaald belang, bedreigen de democratie.
Vormen van meer directe democratie zoals bijvoorbeeld referenda en gekozen burgemeesters vergroten de deelname van de burgers en zijn in die zin goed. Directe democratie kan echter ook leiden tot meer belangenbehartiging en zij kan de neiging van de meerderheid haar standpunten op te leggen aan minderheden vergroten.
juni 2012
Bonum commune
De sociale leer van de Kerk kent een aantal principes; een daarvan is het algemeen welzijn. In het Latijn heet het ‘bonum commune’ en in het Engels ‘common good’. Een letterlijke vertaling is ‘het gemeenschappelijk goede’. Hiermee wordt duidelijk dat het bij het algemeen welzijn gaat om het goede voor alle mensen en voor geheel de mens. Het goede beperkt zich ook niet tot het materiële en aardse; het betreft alles wat goed is voor mensen.
Geschiedenis
De Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.) was een van de eersten die het begrip algemeen welzijn hanteerde. Binnen het christendom waren het vooral de kerkvader Sint Augustinus (354-430) en de kerkleraar Sint Thomas van Aquino (1225-1274) die dit begrip op christelijke wijze inhoud gaven.
Binnen de sociale leer duidt het algemeen welzijn op het totaal van die sociale voorwaarden, waardoor zowel groepen als enkelingen hun eigen volmaaktheid vollediger en sneller kunnen bereiken. Het principe van het algemeen welzijn vloeit voort uit de waardigheid, de eenheid en de gelijkheid van alle mensen. Alle mensen zijn kinderen van God.
Gemeenschap
Mensen hebben elkaar nodig; samen werken zij aan het algemeen welzijn van de gemeenschap. Het algemeen welzijn beperkt zich hierbij niet tot alleen de leden van de eigen gemeenschap. Het algemeen welzijn betreft de hele wereldbevolking en ook de nog komende generaties. Het algemeen welzijn kan nooit ten koste gaan van minderheden of delen van de gemeenschap uitsluiten. Het gaat niet om het welzijn van een meerderheid.
Staat en overheid
Het is de opdracht van alle mensen om naar vermogen bij te dragen aan het algemeen welzijn. Het zijn de overheden die hierin een belangrijke taak hebben. Het algemeen welzijn is de bestaansreden voor staatsvorming en de aanstelling van burgerlijke overheden. Zij moeten de samenhang, de eenheid en de organisatie garanderen waardoor het algemeen welzijn met de hulp van alle burgers bevorderd wordt. De juiste afweging van het particulier welzijn van verschillende groepen en individuen is een van de meest delicate taken van een overheid.
Rijk Gods
Het algemeen welzijn is meer dan een eenvoudig sociaaleconomisch welzijn. Het uiteindelijke streven is niet een wereldse heilstaat maar het Rijk Gods. God is het ultieme doel van al zijn schepselen. De transcendente dimensie overstijgt en voltooit de historische dimensie van het algemeen welzijn.
april 2012
Caritas in veritate
De sociale leer van de Kerk is voortdurend in ontwikkeling. Nieuwe situaties vragen nieuwe antwoorden. In 2009 schreef paus Benedictus XVI de sociale encycliek Caritas in veritate (Liefde in waarheid). Deze encycliek gaat over de ontwikkeling van de mens en van de volkeren. In een later artikel zal daar dieper op ingegaan worden.
De paus besteed in deze encycliek veel aandacht aan de complexiteit en de ernst van de economische crisis. Volgens hem moeten we met realisme, vertrouwen en hoop naar oplossingen zoeken. Er zijn nieuwe wegen en nieuwe regels nodig. De rol en de macht van de staat moet aangepast worden zodat de staten weer de mogelijkheid hebben de uitdagingen van de huidige wereld aan te pakken.
Het geldwezenbehoeft nieuwe doelstellingen en structuren, zodat het weer een instrument wordt dat gericht is op opbouw van welvaart en op ontwikkeling. Financiers moeten opnieuw de ethische grondslag van hun handelen ontdekken. Ethiek, transparantie en het streven naar goede resultaten zijn te combineren en mogen niet van elkaar worden losgemaakt. Door regulering van de financiële sector worden de zwakkeren beschermd en schandelijke speculaties verhinderd.
Noodzakelijke hervormingen
De groeiende wereldwijde afhankelijkheid van mensen van elkaar vraagt op korte termijn hervorming van de Verenigde Naties,de internationale economie en het geldwezen. Zo kan het concept van een familie van volken werkelijk concreet vorm gegeven worden. Dit is nodig om de solidaire ontwikkeling van alle volken tot stand te brengen. Een echt politiek wereldgezag is dringend noodzakelijk. Zo wordt de wereldeconomie richting gegeven en de door de crisis getroffen economie gesaneerd. Verergering van de crisis en daaruit voortvloeiende onevenwichtigheden worden hiermee voorkomen.
Wereldbank
Afgelopen oktober publiceerde de Pauselijke Raad Justitia et Pax (Vrede en Gerechtigheid) een nota met concrete voorstellen om uit de crisis te komen. Er wordt gepleit voor de oprichting van een publieke autoriteit met universele competentie op economisch en financieel vlak. Deze centrale ‘Wereldbank’ kan een stabiel economisch en financieel systeem voor iedereen waarborgen door de monetaire transacties te regelen op de manier van de centrale Nationale Banken zoals de centrale Europese Bank dat voor de Europese Unie doet.
februari 2012
Geschiedenis
Kerk en staat zijn in onze samenleving niet ondergeschikt aan elkaar. De Kerk is niet de baas over de staat en de staat niet over de Kerk. Dat is een groot goed, dat gaandeweg tot stand is gekomen.
Tweeduizend jaar geschiedenis laten zien dat de Kerk nooit geheel onderdanig was aan de staat en ook omgekeerd niet. Wel vielen kerkelijke en wereldlijke macht soms samen en er was ook vaak strijd om de macht. Een voorbeeld dicht bij huis is de bisschop van Utrecht. Hij regeerde in de Middeleeuwen niet alleen het bisdom Utrecht, maar was ook leenheer van de keizer en had de wereldlijke macht over Het Sticht (de huidige provincies Utrecht, Overijssel en Drenthe).
In de 11e en de 12e eeuw was er de Investituurstrijd. Karel de Grote was in 800 door de paus tot keizer gekroond. Zijn opvolgers werden steeds machtiger en gingen zich met de benoeming van bisschoppen bemoeien. Dit had ook te maken met de dubbelfuncties zoals bij de bisschop van Utrecht. Er kwam een reactie van de Kerk. Spreekwoordelijk is de gang naar Canossa: na excommunicatie ondernam Hendrik IV in 1077 een boetetocht om zich aan de paus te onderwerpen. Pas na drie dagen wachten werd hij door de paus ontvangen.
Wederzijdse afhankelijkheid
Ook bij scheiding tussen Kerk en staat kan er sprake zijn van wederzijdse afhankelijkheid. Zo wordt in België het onderhoud van kerken en het inkomen van pastores door de overheid betaald. Nederland kende een soortgelijke situatie. Denk aan de bouw van r.-k. kerken in de tweede helft van de 19e eeuw door het Ministerie van Waterstaat: de zogenaamde waterstaatskerken. In 1983 zijn in ons land de laatste directe financiële banden of ‘zilveren koorden’ tussen Kerk en staat verbroken.
De lekenstaat (laïcité)
Tegenwoordig wordt er vaak gesproken over scheiding tussen Kerk en staat, maar dan in de betekenis van de lekenstaat, waarin religie alleen een privézaak is. Dit is een onjuiste interpretatie van het principe van scheiding tussen kerk en staat. De religie wordt daarmee uit het openbare leven geweerd en politieke opvattingen gebaseerd op geloofsovertuiging zijn uit den boze. Hiermee komt de vrijheid van godsdienst in gevaar. Het is eigen aan godsdiensten om zich ook uit te spreken over wereldse zaken.
De sociale leer van de Kerk beweegt zich juist op dit gebied. Hoe neem ik als katholiek deel aan de maatschappij? Hoe kom ik tot de juiste afwegingen in economische en politieke kwesties?
december 2011
“Niemand kan twee heren dienen.” “Gij kunt niet God dienen en de mammon.” Jezus confronteert ons met een scherpe tegenstelling: het is het een of het ander en niet van beide een beetje. Als het nodig is om er een scherpe tegenstelling van te maken, moet het wel om een principiële zaak gaan, om een zaak van groot belang. Tegenwoordig zou je de tegenstelling kunnen verwoorden met: je gaat voor God of je gaat voor het grote geld. Deze twee werelden worden tegenover elkaar gezet.
In zijn toelichting schetst Jezus een beeld van de wereld van God. “Weest niet bezorgd. (…) Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt.” Het is goed om te beseffen, dat Jezus zegt: “Weest niet bezorgd.” Hij zegt dus niet: doe maar niets alles komt wel goed. Wij moeten gewoon ons werk doen, maar er niet wakker van liggen. In plaats van zorg over ons eigen leven, over de dag van morgen, spoort Jezus ons aan het Koninkrijk en de gerechtigheid te zoeken. Als wij ons richten op de wereld van God, zal het ook met onze aardse beslommeringen wel goed komen. In de eerste lezing wordt zeer beeldend de zorgzaamheid van God vergeleken met die van een moeder voor haar jonge kind. Gods zorg, Gods liefde voor ons kent geen grenzen.
In de encycliek ‘Caritas in veritate’, Liefde in waarheid, schrijft paus Benedictus over de caritas, over de liefde. Wat de paus hier over Gods liefde schrijft, kun je ook lezen als de beschrijving van de wereld van God. De paus schrijft: “Caritas is ontvangen en geschonken liefde. Zij is genade. Haar bron is de oorspronkelijke liefde van de Vader tot de Zoon in de heilige Geest. Zij is de liefde die van de Zoon op ons neerdaalt. Zij is de scheppende liefde, waaraan wij ons bestaan danken; zij is de verlossende liefde, waardoor wij wedergeboren zijn. Zij is de door Christus geopenbaarde en verwezenlijkte liefde, in ons hart uitgestort door de heilige Geest. Als ontvangers van de liefde van God worden de mensen geroepen om dragers van de naastenliefde te zijn en ertoe aangezet zelf werktuigen van de genade te worden, om de liefde van God te verbreiden en netten van naastenliefde te knopen.” Tot zover de paus.
Jezus geeft geen concrete beschrijving van wat we wel en niet moeten doen. Hij spreekt in abstracte begrippen zoals het Koninkrijk en de gerechtigheid, en Hij spreekt in beelden: over de vogels in de lucht en de leliën op het veld. Gelukkig maar want de situatie van 2000 jaar geleden is niet dezelfde als de wereld van vandaag. Iedere tijd vraagt om een eigen invulling van het ideaal dat Jezus ons vandaag voorhoudt. En daarnaast laat het ook de ruimte voor onze eigen verantwoordelijkheid. Ieder van ons is geroepen om op eigen wijze het ideaal van Jezus gestalte geven.
Jezus maakt een tegenstelling tussen het dienen van God en het dienen van de mammon. Het dienen van de mammon, het gaan voor het grote geld is tegengesteld aan het gaan voor de wereld van God, een wereld van liefde. Gaan voor het grote geld is een ontkenning van de liefde. Nadat hij de waarheid de hoedster van de bevrijdende kracht van de liefde heeft genoemd, schrijft de paus in de encycliek hierover het volgende: “Zonder waarheid, zonder vertrouwen in en liefde voor het ware is er geen geweten en geen sociale verantwoordelijkheid. Dan wordt het sociale handelen een spel van privébelangen en van de logica van de macht, met ontwrichtende gevolgen door de samenleving.” En verder: “De mens ontwikkelt zich niet alleen op eigen kracht en de ontwikkeling kan hem ook niet eenvoudigweg van buitenaf gegeven worden. In de loop van de geschiedenis heeft men dikwijls gedacht dat het scheppen van instellingen genoeg zou zijn om de mensheid de vervulling van het recht op ontwikkeling te garanderen.”
De wereld van het grote geld, het dienen van de mammon wordt gekenmerkt door het ontbreken van de naastenliefde, alleen macht en eigenbelang telt. Daarnaast wordt ze gekenmerkt door het zelf willen realiseren van het eigen geluk en door het geloof in de maakbaarheid van de wereld.
Jezus laat ons juist zien dat dit laatste niet de wereld van God is. Hij verwijst naar de vogels in de lucht en de leliën op het veld. “Ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren.” “Ze arbeiden, noch spinnen.” “Wie van u is in staat met al zijn tobben aan zijn leven één el toe te voegen?” Jezus roept ons op te kunnen ontvangen, om ontvankelijk te zijn. Een ontvankelijk leven, een leven in vertrouwen op God is een gelukkig leven. Dan besef je dat de liefde van God puur genade is, dus om niet. Je hoeft er helemaal niets voor de doen, maar je moet het wel willen ontvangen.
Ontvangen is voor de meesten van ons veel moeilijker dan geven. Ik moest denken aan mijn tante Sietske. In de jaren dertig ging zij als kloosterzuster naar Nederlands Indië om daar in de missie te werken. Daar heeft zij met veel vreugde haar werk verricht en met veel liefde gastvrijheid verleend aan veel mensen. Na een ongeveer vijftig jaar kwam zij terug naar Nederland om van een welverdiende oude dag te genieten. De eerste jaren heeft ze dat met volle teugen gedaan, want van het leven genieten kon zij als de beste. In haar laatste jaren werd zij ziek, bedlegerig en afhankelijk. Toen ik een keer bij haar op bezoek was, vertelde ze: “Pier, ik heb altijd andere mensen geholpen, nu word ik zelf geholpen. Dat is niet makkelijk voor me.” Zo zal het velen van ons ook vergaan. Geven is gemakkelijker dan ontvangen.
Kunnen ontvangen is accepteren, dat je niet alles zelf in de hand hebt. Het is weten dat je afhankelijk bent van anderen, dat je niet in staat bent jezelf gelukkig te maken. Het is nederig zijn en weten dat de wereld niet om jou draait. Kunnen ontvangen is weten dat alles genade is en dat maakt je dankbaar. Als wij kunnen ontvangen, maken we ons inderdaad geen zorgen over morgen. Dan leven we in het vertrouwen op Gods voorzienigheid. En ondertussen doen we gewoon ons werk en houden we van onze medemensen, omdat we hen willen laten delen in de overvloed die wij zelf ontvangen. Amen.
27 februari 2011
Onze parochie heet Onze Lieve Vrouwe Visitatie. Daarom vieren we vandaag dit feest. Je naam is deel van je identiteit en dat geldt ook voor een parochie. De identiteit van onze parochie wordt ook bepaald door haar naam. Wat betekent het voor ons in deze tijd om deze naam te dragen? De kans is groot dat wij hierover andere ideeën hebben dan de parochianen van 160 jaar geleden toen de parochie in 1852 werd gesticht.
In die tijd stond Maria hoog in aanzien. De verering van Maria had een belangrijke plaats in de katholieke Kerk. Daar zijn ook kanttekeningen bij te maken. In de geloofsbeleving van katholieken had Maria niet zelden een belangrijker plaats dan Christus en dan God. In plaats van Maria te vereren werd ze dan min of meer aanbeden, terwijl aanbidding alleen God toekomt. Het was ook de tijd van de Mariadogma’s: in 1854 het dogma van de Onbevlekt Ontvangenis van Maria en in 1950 het dogma van de Tenhemelopneming van Maria. Maria kreeg een hoogverheven plaats. Dit beeld van Maria blijft tot ruim veertig jaar geleden. Velen van ons hebben nog levendige herinneringen aan die tijd. Als kind kende ik het Weesgegroet eerder dan het Onze Vader. En net als velen van u, heb ik dagelijks op blote knieën op de kokosmat het Rozenhoedje gebeden.
Het Tweede Vaticaans Concilie brengt verandering. Na een diepgaande discussie komt het Concilie tot een nieuwe kijk op Maria. Ik kom daar direct op terug. In Nederland ontstaat na het Concilie het idee dat alles anders moet. Al het oude moet worden afgeschaft. Zo verdwijnt ook Maria voor velen naar de achtergrond. Tekenend is bijvoorbeeld het volgende. In 1977 is het 125-jarig jubileum van de parochie. Pastoor Perquin beschrijft dan haar geschiedenis. In het boekje wordt de naam van de parochie echter niet genoemd, laat staan dat hij aandacht besteedt aan de betekenis van de naam voor de parochianen. Ik ken pastoor Perquin niet en weet ook niet waarom hij dit niet deed, maar misschien kunt u mij dat straks bij de koffie vertellen.
Het verdwijnen van Maria is echter niet het complete verhaal. De plaats die Maria vanouds heeft in het geloof van velen, is zo sterk dat die niet zo maar verdwijnt. Voor velen blijft Maria een bron van steun en troost en behoudt zij haar rol als voorspraak voor ons bij Christus. Na de roerige jaren ontstaat er gaandeweg een nieuw evenwicht. Nu 50 jaar na het begin van het Concilie kunnen we de eerste spontane en vaak emotionele reacties achter ons laten. We worden opgeroepen opnieuw de documenten van het Concilie te lezen en erover na te denken wat ze werkelijk voor ons betekenen. In ons bisdom staat het Concilie dit jaar centraal in geloofsgesprekken.
Wat is er nieuw aan de visie van het Concilie op Maria? Bij het denken over Maria moeten we onderscheid maken tussen: ten eerste: wie is Maria in relatie met Christus; en ten tweede: wie is Maria in relatie met de Kerk, in relatie met ons, het volk Gods. Als moeder van Christus heeft Maria een uitzonderlijke positie. Als Moeder Gods is het vanzelfsprekend dat zij maagd is, dat zij zonder zonde is en onbevlekt ontvangen, dus ook zonder erfzonde en het is vanzelfsprekend dat de Moeder van Christus met ziel en lichaam in de hemel is opgenomen en dat zij daar troont als Koningin van hemel en aarde. Dit denken over Maria gaat primair over Christus. Het is de moeder van de Zoon van God die op deze wijze verheerlijkt wordt.
Daarnaast is er de rol van Maria in relatie met de Kerk. Hier gaat het meer over Maria zelf. Deze manier van kijken naar Maria is ook het nieuwe sinds het Concilie. Maria staat niet los van de Kerk, zij staat er niet boven of buiten. Nee, Maria is onderdeel van de Kerk. Zij is een gelovig mens zoals wij. Maar wel is een uitzonderlijk gelovige. Zij is de eerste van alle gelovigen. Zij is het die zegt: “Zie de dienstmaagd des Heren. Mij geschiede naar uw woord.” Zij staat onder het kruis van haar zoon en ziet het lege graf. Zij is er bij als Christus aan de leerlingen verschijnt. Zij ontvangt op Pinksteren samen met de apostelen de heilige Geest. Maria is de eerste mens die zich bewust is van haar verlossing door Christus. Maria weet welke genade zij ontvangt. We hebben dat zonet in het Evangelie gehoord: in woorden van de lofzang van Maria, het Magnificat.
Maria laat ons zien wat het is te geloven: geloven is vertrouwen en overgave. Dit horen we in de woorden: “Mij geschiede naar uw woord.” Er gebeurt iets aan Maria wat groter is dan haarzelf, iets dat haar te boven gaat en wat niet te begrijpen is. Maar door haar geloof durft ze te vertrouwen en zich over te geven: “Mij geschiede naar uw woord.” Maria is niet alleen de eerste gelovige. Ze is ook de grootste. En zo is zij een voorbeeld voor ons allen. Haar geloof inspireert ons. Door haar geloof en haar liefde voor en verbondenheid met Christus is Maria ook het beeld van de Kerk. Maria staat symbool voor de Kerk. Met haar geloof en moederschap heeft zij meegewerkt aan onze verlossing. Hangend aan het kruis geeft Christus Maria aan ons als ons aller moeder: “Vrouw, zie daar uw zoon. (…) Zie daar uw moeder.”
Deze tweeledige kijk op Maria, moeder van Christus en beeld van de Kerk, betekent voor ons dat Maria niet alleen onze voorspraak is. Zij is ook ons voorbeeld. Als voorspraak vragen wij haar voor ons te bidden. Als medegelovigen proberen wij haar voorbeeld van vertrouwen, overgave en toewijding na te volgen. Als voorspraak bidden wij tót Maria bijvoorbeeld met het Weesgegroet. Als voorbeeld bidden wij mét haar mee bijvoorbeeld met het Magnificat.
Vandaag vieren we het feest van Maria Visitatie. Direct na de aankondiging door de engel Gabriël dat zij moeder gaat worden van de Zoon van God, gaat Maria op reis naar haar nicht Elisabet. Twee zwangere vrouwen ontmoeten elkaar. Ze delen hun vreugde en hun zorgen met elkaar. En ze delen hun geloof met elkaar. In liefde en geloof delen ze hun leven met elkaar.
Daarmee is het vandaag een feest van ontmoeting. Ook wij ontmoeten elkaar hier in dit gebouw maar ook daarbuiten. We ontmoeten elkaar en delen ons leven met elkaar: ons geloof, onze hoop, onze vreugde, ons verdriet en onze zorgen. Zo vormen wij samen de geloofsgemeenschap die wij zijn. Onze geloofsgemeenschap draagt het begrip ontmoeting in haar naam: Onze Lieve Vrouwe Visitatie. Zo is ontmoeting deel van onze identiteit, deel van ons leven. Maria is ook hierin onze voorspraak en ons voorbeeld. Dat vieren wij vandaag en daarvoor danken wij God. Amen.
10 juni 2012







