Spring naar inhoud

Gods Woord overwint de duisternis; Mc 13,24-32

Jezus spreekt over het einde der tijden: “Hemel en aarde zullen voorbijgaan.” “Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op de wolken met grote macht en heerlijkheid.”

In de tijd van Jezus was men gewend in dergelijke begrippen te denken. Het beeld van de Mensenzoon die komt in heerlijkheid vinden we ook bij de profeet Daniël zo’n twee eeuwen voor Christus. Ook in de brieven van Paulus gaat het regelmatig over het einde der tijden en het boek Openbaring van Johannes gaat geheel over dit onderwerp. In die tijd dacht men dat het einde der tijden nabij was en elke ramp en elke vorm van buitensporig geweld werd als een voorbode gezien.

In onze huidige tijd is het einde der tijden niet zo concreet, niet zo dichtbij. Het is iets wat ooit zal gebeuren, maar – anders dan destijds – verwacht niemand van ons dat hij het zelf mee zal maken. Het einde der tijden ligt in de verre toekomst. Ons besef van tijd is geheel anders dan in de tijd van Jezus. Wij weten dat het heelal bijna 14 miljard jaar bestaat en de aarde bijna 5 miljard. De eerste mens leefde zo’n 200.000 jaar geleden. We weten ook dat de zon over ongeveer 5 miljard jaar zal uitdoven en geen warmte meer zal geven. Veel eerder – maar dat duurt toch nog altijd 1 miljard jaar – zal door de verandering van de zon het leven op aarde onmogelijk zijn. Wij rekenen op dit gebied in miljoenen en miljarden jaren. Dat was in de tijd van Jezus geheel anders. Volgens de joodse jaartelling leven we nu in het jaar 5773. Volgens de joodse traditie is dat geteld vanaf de schepping. Dus in de tijd van Jezus bestond de wereld volgens deze jaartelling nog geen 3000 jaar. Dan kun je je veel makkelijker voorstellen dat er binnenkort ook weer een einde aan komt.

Dat zijn natuurlijk allemaal mooie berekeningen en wetenschappelijke verklaringen, maar wat moeten wij vandaag nog met dit verhaal over het einde der tijden. Het lijkt mij niet goed dat wij terugkeren naar het wereldbeeld van toen. Ook zonder dat wereldbeeld heeft dit Evangelieverhaal ons veel te zeggen. De sleutel hiervoor ligt elders in de Bijbel. In de Handelingen der Apostelen lezen we over de marteldood van Stefanus. Vlak voor Stefanus sterft, roept hij uit: “Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.” Stefanus ziet aan het einde van zijn leven, op het moment van zijn sterven de Mensenzoon verschijnen in heerlijkheid. Het beeld van de komst van de Mensenzoon in zijn heerlijkheid is hier van toepassing op één enkele mens. Te midden van zijn lijden openbaart de Mensenzoon zich aan Stefanus.

Wij mogen het beeld van het einde der tijden en van de komst van de Mensenzoon in heerlijkheid, dus direct op ons eigen leven en op onze eigen sterfelijkheid betrekken. Te midden van de duisternis schijnt het licht van Gods Woord. Aan het begin van het Evangelie volgens Johannes lezen we: “Het Woord is vleesgeworden en heeft onder ons gewoond.” Gods Woord is mens geworden in Jezus Christus. Hij is het Licht der wereld, het teken van Gods liefde voor alle mensen. Gods Woord, zijn Licht, zijn mensgeworden liefde komt tot ons. Overal om ons heen zijn de tekenen zichtbaar, zoals aan de vijgenboom te zien is dat de zomer in aantocht is. Als wij onszelf ervoor openstellen, zien we de tekenen van Gods liefde, zien we hoe het leven van mensen weer nieuw perspectief krijgt, hoe mensen elkaar vergeven en zich met elkaar verzoenen, hoe geloof en vertrouwen het winnen van angst en onzekerheid. Het zijn allemaal voorbeelden van hoe Gods Woord de duisternis overwint, hoe zijn licht en liefde sterker zijn dan het lijden en het kwaad.

Jezus zegt: “Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.” Als we dit op ons eigen leven betrekken, mogen wij zeggen: Ook al komt mijn leven op aarde tot een einde, de liefde van God voor mij kent geen einde. Juist in de diepste duisternis van onze dood verschijnt de Mensenzoon in heerlijkheid. Niet alleen aan het einde van ons leven komt de Mensenzoon tot ons. Christus wil heel ons leven delen, in al onze vreugde en verdriet wil Hij bij ons zijn. Hij is mens geworden om het leven met ons te delen. Dat is niet alleen een historische gebeurtenis, dat is een blijvende werkelijkheid voor iedere mens. Voor iedere mens en gedurende zijn hele leven wil Christus er zijn als het verlossende woord, het licht dat de duisternis verdrijft, de liefde die alle lijden en alle kwaad overwint.

Dat is ook de boodschap van de Kerk voor de wereld, voor alle mensen. Dat is boodschap van iedere christen voor zijn medemens. Het is deze boodschap die wij onszelf eigen moeten maken en die wij vervolgens mogen uitdragen. Vaak ervaar ik dat deze boodschap diep in de harten van mensen leeft. Ik zie dit in gesprekken rond het sterven van een geliefde, maar even sterk in gesprekken over de Doop van kinderen. Diep in de harten van de mensen – jong en oud – is dit geloof en vertrouwen aanwezig, maar vaak weten we er geen woorden aan te geven. Dat is misschien een van grootste problemen van onze tijd, dat wij niet over de woorden beschikken om ons geloof uit te drukken, dat we niet verder komen dat het uiten van een vaag gevoel, terwijl het in feite een zeer concrete werkelijkheid is.

In dit jaar van het geloof worden wij opgeroepen ons geloof te verdiepen, om woorden te geven aan hetgeen ons vertrouwen geeft. Alleen als wij in staat zijn ons eigen geloof te verwoorden en vorm te geven, zijn wij in staat datgene wat voor onszelf van grote waarde is, door te geven aan de komende generaties. Alleen als we weet hebben van ons eigen geloof, zijn wij in staat werkelijk missionair te zijn. Alleen dan zal het Woord dat ons leven verlicht, ook een licht voor de wereld, een licht voor iedereen zijn.

Laat ik besluiten met een citaat uit de boodschap van de paus aan de jongeren. Deze boodschap is van 18 oktober jongstleden en is een oproep ter voorbereiding op de Wereldjongerendagen volgend jaar in Brazilië. “Wat betekent het missionair te zijn? Het betekent vooral een volgeling van Christus zijn. Het betekent telkens opnieuw luisteren naar de uitnodiging Hem te volgen en naar Hem te kijken: ‘Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.’ (Mt 11,29) Een volgeling is iemand die altijd openstaat voor het woord van Jezus, iemand die erkent dat Jezus de Leraar is, die zoveel van ons houdt dat Hij zijn eigen leven voor ons gaf. Ieder van jullie moet zich daarom iedere dag laten vormen door Gods woord. Daardoor worden jullie vrienden van de Heer Jezus en zijn jullie in staat andere jongeren tot vriendschap met Hem te brengen.” Amen.

Vrijheid; Jer 31,7-9, Ps 126, Heb 5,1-6, Mc 10,46-52

Vrij zijn: dat willen we allemaal. Maar wat verstaan we onder vrijheid? Wat betekent vrijheid voor ons? In het denken van deze tijd wordt vrijheid vaak gezien als kunnen doen wat je wilt. Zo wordt bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting gezien als mogen zeggen wat je maar voor de mond komt, mogen zeggen wat je wilt zonder rekening te hoeven houden met een ander. Maar is dit werkelijk vrijheid? Is dit de bevrijding die God ons brengt?

In de eerste lezing gaat het over de bevrijding uit de ballingschap. God voert zijn volk terug naar het beloofde land. Ook Psalm 126 bezingt deze terugkeer. Nu kan het volk van Israël weer in vrede en vreugde leven, want nu zijn zij weer vrij te leven naar Gods geboden. In het Oude Testament gaat het erom te kunnen leven zoals God het wil: dat is voor Israël de ware vrijheid. De brief aan de Hebreeën houdt ons voor dat vrijheid vooral vrij zijn van zonde betekent. Christus heeft ons van de zonde bevrijd. Christus is de hogepriester die ons met het offer van zijn leven voor eens en voor altijd heeft verlost en bevrijd. In het Evangelie wordt Bartimeüs door Jezus bevrijd van zijn blindheid. Door deze bevrijding kan Bartimeüs voluit leven, leven in overvloed. Hij sluit zich aan bij Jezus en volgt Hem.

Het beeld van vrijheid dat de Bijbel schetst, is van een andere orde dan het beeld dat onze huidige cultuur van vrijheid heeft. Laten we het begrip vrijheid nog eens nader onder de loep nemen en de hulp van filosofen inroepen.

Filosofen maken onderscheid tussen twee benaderingen van de vrijheid. De ene benadering heet de negatieve vrijheid en de andere de positieve vrijheid. De negatieve vrijheid is de vrijheid van het liberalisme. Je bent vrij om te doen en te laten wat je wilt, zolang je er een ander geen kwaad mee doet. Deze vrijheid is dus wel begrensd, maar de begrenzing is van negatieve aard: de last die een ander aangedaan wordt, begrenst je vrijheid.

Wat je wilt bereiken met deze vrijheid en welke gevolgen deze vrijheid voor jezelf heeft, zoek je zelf maar uit. Dus als je van roken ziek wordt, als je van te veel eten dik wordt, als je door te veel drinken je werk slecht doet, als je door luiheid je diploma niet haalt, het is allemaal ‘dikke bult, eigen schuld’. Dit is ook de vrijheid van het ongebreidelde kapitalisme. De markt bepaalt de prijs. Als het loon te laag is om van te leven: zoek ander werk. Als een bedrijf over de kop gaat door speculatie: dat is het risico van het vak. Een misoogst: jouw probleem, volgend jaar meer geluk. De negatieve vrijheid is een vrijheid zonder doel. Het middel vrijheid is zelf tot doel verheven.

De positieve vrijheid is een vrijheid met een doel: het doel om een goed mens te zijn, het doel om een goed leven te leiden. Deze vrijheid is er niet alleen voor mij, maar ook voor de ander. Zij vraagt juist om naar anderen om te zien. Zijn zij in staat zich te ontwikkelen tot goede mensen; hebben zij daartoe de ruimte en hebben zij daartoe de middelen.

Iemand die verslaafd is, wordt daartoe door niemand verplicht, maar het beperkt wel zijn vrijheid en dan is het niet voldoende te zeggen: je hebt het toch zelf gewild. Voor iemand die zelf tekort komt en alleen maar rijkdom om zich heen ziet, is het niet eenvoudig tevreden te zijn en te blijven hopen op betere tijden. Is iemand onder dergelijke omstandigheden vrij? Het wordt hem bepaald niet gemakkelijk gemaakt zich tot een goed mens te ontwikkelen.

Vanuit de positieve vrijheid gezien is vrijheid van meningsuiting de vrijheid te zeggen wat jou en de ander goed doet. Daarin zit geen ruimte voor belediging en schoffering.

De positieve vrijheid is de vrijheid die de Bijbel ons voorhoudt. Dit is de bevrijding die Christus ons brengt. De positieve vrijheid is de vrijheid Christus te kunnen navolgen. De vrijheid om een goed mens te worden, om werkelijk gelukkig te zijn. In feite is deze vrijheid onbegrensd: er zijn geen grenzen aan goed doen, goed zijn en gelukkig zijn. Nooit zal iemand enig nadeel ondervinden van deze vrijheid van een ander, sterker nog hij zal er alleen maar voordeel van hebben.

Dit is de bevrijding die God ons geeft. Deze vrijheid is voor iedereen weggelegd, maar je moet er wel voor kiezen. God doet ons een aanbod. De aanvaarding, het antwoord moet van ons komen. De positieve vrijheid vraagt van ons dat wij daadwerkelijk voor het goede kiezen, dat wij kiezen voor de liefde. Het vraagt ook van ons dat wij afzien van het kwaad, dat wij onze onhebbelijkheden, onze slechte gewoontes, onze verslavingen en onze zondigheid gaan beheersen. Het vraagt dat wij ons werkelijk richten op God, dat wij in geloof en in liefde Hem zoeken.

Als wij ons oefenen in het goede, ons oefenen in geloof, hoop en liefde dan ligt de weg van de vrijheid voor ons open, dan zullen wij de bevrijdende verlossing door Jezus Christus werkelijk ervaren, dan zullen wij gelukkige mensen worden. Amen.

Achter de muren van Jericho

Auteur: Tessa Afshar
Titel: Achter de muren van Jericho
Uitgever: Voorhoeve, 2011; prijs: € 19,95
ISBN: 978 90 297 9670 5; aantal pagina’s: 351

Na een tocht van veertig jaar door de woestijn komt het volk van Israël aan bij de Jordaan om het beloofde land binnen te trekken. Aan de overkant ligt Jericho, een met enorme muren versterkte stad. Jozua geeft twee spionnen de opdracht de stad te verkennen. Met hulp van de hoer Rachab weten zij weer uit Jericho te ontsnappen. Als beloning worden Rachab en haar familie bij de val van Jericho gespaard en opgenomen bij het volk van Israël. Verder vinden we Rachab terug in Matteüs 1,5 in de geslachtslijst van Jezus van Nazareth.

Op basis van deze gegevens en nog enkele feiten uit het Bijbelboek Jozua heeft Tessa Afshar een roman geschreven. Een roman over liefde, vertrouwen en geloof, over schuld en schaamte, over zondigheid, vergeving en verzoening: over de strijd die een jonge vrouw voert om tot een nieuw leven te komen.

Het is Tessa Afshar gelukt personen uit een ver verleden tot leven te wekken en vanuit onze tijd en cultuur toegankelijk te maken. Belangrijke geloofswaarden krijgen in deze makkelijk te lezen roman gestalte in het leven van mensen van vlees en bloed.

Geen slaaf, maar dienaar; Mc 10,35-45

“Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn.” Vandaag gaat het over dienstbaar zijn. Dienstbaar zijn, dienaar zijn is in onze tijd geen vanzelfsprekendheid.

Bij veel managementtrainingen wordt tegenwoordig gesproken over: dienend leiderschap. Op internet vinden we bijvoorbeeld: “Luisteren, empathie tonen, zorgen voor de mensen in je omgeving, je werknemers laten groeien, gemeenschapsgevoel bevorderen, je bewust zijn van jezelf en hoe je je verhoudt tot je omgeving, overtuigingskracht uitstralen, richting geven, vooruitzien, anticiperen en een goede rentmeester zijn.” Dat zijn volgens een website de eigenschappen van de dienende leider. Dat klinkt inderdaad geheel anders dan het beeld dat Jezus schetst: heersers der volkeren die met ijzeren vuist regeren en groten die misbruik maken van hun macht.

Dat managementtrainingen aandacht besteden aan dienend leiderschap betekent dat dit blijkbaar geen vanzelfsprekende stijl van leidinggeven is. In onze maatschappij staat vooral het eigen ‘ik’ centraal: je moet assertief zijn, je de kaas niet van het brood laten eten. Ieder voor zich en God voor ons allen. Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die zouden ons wel begrijpen: zij denken aan zichzelf, aan hun eigen toekomst en vragen dan ook aan Jezus: “Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand moge zitten.” Dat is de taal van onze tijd, de taal die ook wij spreken. Dit is echter niet de taal van het Evangelie. Jezus roept ons op Hem na te volgen en dienaar te zijn. Over zichzelf zegt Hij: “want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.”

In de Evangeliën worden in het Grieks twee woorden gebruikt die beide vaak met ‘dienaar’ worden vertaald. Dat is verwarrend, want ze hebben duidelijk verschillende betekenissen. Het zijn de woorden δουλος (doulos) en διακονος (diakonos). De δουλος is een slaaf, iemand die niet vrij is. De διακονος is een vrije dienaar, bijvoorbeeld een ambtenaar van de koning. Van dit laatste woord is ons woord ‘diaken’ afgeleid.

U zult begrijpen dat ik tijdens mijn opleiding tot diaken en ook na mijn wijding mij afgevraagd heb wat het voor mij betekent diaken, dienaar te zijn. Dienstbaarheid had ik min of meer met de paplepel binnengekregen. Mijn vader had een kruidenierswinkel op het Friese platteland en als kinderen hielpen wij natuurlijk in de winkel. Terugkijkend op zijn werkzame leven schreef mijn vader in zijn notitieboekje: “Ik had geen zaak, maar een dienstverlenend bedrijf.” Als diaken dienstbaar zijn: dat zou ik dus wel moeten kunnen. Maar er was nog iets anders. Voortdurend wordt er ook gesproken over nederigheid en over nederige dienstbaarheid. En dat was voor mij een begrip waar ik niet echt mee uit de voeten kon. Ik heb niets met onderdanigheid, ik ben trots op wie ben en wat ik kan. Ik ben een kind van God. Hij heeft mij gezegend met talenten. Daar ben ik werkelijk trots op. Bovendien ben ik een Fries, voortkomend uit een volk vol eer en roem.

Op een avond tijdens de opleiding was de bisschop van Antwerpen op bezoek en ook hij sprak over nederigheid. Ik trok de stoute schoenen aan en legde mijn probleem aan hem voor. Dat gaf lucht. Hij vertelde mij, dat ik het woord nederig niet moest uitleggen als onderdanig, maar als bescheiden. Bescheidenheid als de tegenstelling van hooghartigheid, als tegenstelling van egocentrisme. Deze bemoediging in combinatie met het onderscheid dat het Evangelie maakt tussen δουλος en διακονος maakten het voor mij mogelijk diaken te worden en nederige dienstbaarheid als mijn roeping te aanvaarden.

Wat is de essentie van de woorden van Jezus als Hij zegt: “de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” In het Grieks staat hier voor het woord dienen: διακονέω (diakoneo).Jezus heeft het dus over het handelen als een diaken, als een dienaar. Hij heeft het dus niet over het handelen als een slaaf, niet over het onderdanige en gedwongen dienen.

Hier zit – denk ik – ook het probleem van onze cultuur. Dienstbaarheid wordt tegenwoordig vaak alleen gezien in termen van onderdanigheid en ondergeschiktheid. Ook ik was tot een aantal jaren geleden onderdeel van dat denken. Maar dienen zoals hier in het Evangelie bedoeld, is juist handelen uit vrije wil en op basis van gelijkwaardigheid. Dienen is hier een uiting van vriendschap en van liefde.

Een slaafse houding van dienstbaarheid mist juist die liefde. Gedwongen liefde bestaat niet. Verslaafd zijn aan dienstbaarheid is dan ook eerder een kwaad. Een verslaving maakt je onvrij, maakt je slaaf en daarvan komt Jezus ons nu juist verlossen. Jezus is mens geworden om ons uit de slavernij te bevrijden, om van ons vrije mensen te maken. Het christendom leert – anders dan de filosoof Nietzsche beweert – geen slavenmoraal.

Er is nog iets bijzonders met het Evangelie van vandaag. In deze tekst worden de woorden slaaf en dienaar – δουλος en διακονος – naast elkaar gebruikt: “Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen.” Er kan er natuurlijk maar één de eerste zijn en dat is Jezus zelf. Alleen Hij is in staat slaaf te zijn zonder zijn vrijheid te verliezen. Alleen Hij kan zijn leven geven als losprijs voor velen. Alleen Hij kan ons bevrijden uit de slavernij en tot vrije mensen maken.

Wij zijn niet geroepen om slaaf maar om dienaar te zijn. Dienstbaar te zijn zoals God dienstbaar is. Hij komt ons met zijn oneindige liefde altijd weer te hulp. Die liefde mogen wij op onze beurt delen met allen. Amen.

Het huwelijk; Gen 2,18-24 en Mc 10,2-16

Jarenlang is het uitleggen van de Bijbel het werk van mannen geweest. De mannelijke wijze van kijken naar de wereld heeft daarmee nog steeds een grote invloed op ons denken. En ik kan mij dan ook voorstellen dat veel vrouwen bedenkingen hebben bij de eerste lezing, bij dit deel van het scheppingsverhaal. Wij zijn allemaal opgevoed met de volgende uitleg van dit verhaal. Eerst is de man geschapen en daarna de vrouw. De vrouw is gemaakt uit de rib van de man. God heeft de vrouw geschapen om de man te helpen. Zij is de hulp van de man. Maar staat dat er ook of hebben wij geleerd het zo te lezen? Laten we tekst nog eens bekijken.

Als we voorin de Bijbel beginnen met lezen, vinden achterelkaar twee scheppingsverhalen. In het eerste verhaal schept God op de zesde dag de mens: “En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.” De mens wordt geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. De Drieëne God, Vader, Zoon en H. Geest, is gemeenschap: God is in zichzelf relationeel. Dat geldt ook voor de mens. Een mens bestaat niet zonder andere mensen. Man en vrouw bestaan niet zonder elkaar en zonder relatie met elkaar. Man en vrouw zijn aan elkaar gelijkwaardig. Zowel de vrouw als de man is beeld van God. Man en vrouw in relatie met elkaar, samen zijn zij beeld van God.

Ongeveer een bladzijde verder staat de tekst die we vandaag gelezen hebben. Deze tekst is uit het tweede scheppingsverhaal. Hier wordt met een ander verhaal in feite dezelfde boodschap verteld. Hier wordt eerst een enkele mens geschapen. Nergens staat dat dit een man of een vrouw is. Dan wordt duidelijk dat de mens niet bedoeld is om alleen te zijn. Om de eenzaamheid van de mens op te heffen, schept God de dieren om de mens tot hulp te zijn. Deze hulp van de dieren is een ondergeschikte hulp. Daarnaast heeft de mens God zelf als hulp, een hulp van bovenaf. Deze gedachte lezen we vaak in de Psalmen: “God kom mij te hulp.”

God ziet dat het niet werkt: ook al heeft de mens hulp van onderaf en van boven, hij blijft alleen en is eenzaam. Waar de mens werkelijk behoefte aan heeft, is een medemens, een gelijkwaardige, een hulp die hem past, iemand waarmee hij op voet van gelijkheid een relatie kan hebben, iemand waarvan de mens echt kan houden. Dan wordt er uit de rib van de mens een tweede mens geschapen. En nu pas is er sprake van man en vrouw! Daarvoor was er enkel een mens, niet een man of een vrouw. Pas als er twee zijn, is er een man en is er een vrouw. Dus de vrouw is geen afgeleide van de man, maar de eerste mens is als het ware gesplitst in een man en een vrouw.

In de ideale situatie van het scheppingsverhaal zijn man en vrouw gelijkwaardig aan elkaar. Zij hebben elkaar nodig om gelukkig te zijn. Zij zijn elkaar tot hulp. Man en vrouw zullen elkaar liefhebben en één vlees zijn. Dit verbeeldt het verlangen naar eenheid en harmonie waarin mensen het geluk ervaren. Gelukservaringen die wij soms ook werkelijk beleven: soms, heel even en dan weer het verlangen. Het verlangen naar eenheid is wezenlijk verbonden met de ervaring van verschil. Het is een eenheid in verscheidenheid en gelijkwaardigheid.

De scheppingsverhalen maken ons duidelijk dat het huwelijk een wezenlijk deel is van het menselijk bestaan. Op deze wijze wordt de liefde tussen mensen concreet vorm gegeven. Gaandeweg zijn mensen zich ervan bewust geworden dat de liefde tussen mensen te maken heeft met de liefde van God voor de mens. In dit verband is het goed te bedenken dat het sacramentele karakter van het huwelijk pas zo’n 800 jaar wordt onderkend.

Het sacramentele karakter van huwelijk verwijst naar de betrokkenheid van Gods liefde bij de verbintenis tussen man en vrouw. Man en vrouw brengen niet zelf deze liefde tot stand, het is God die hen zijn liefde geeft. God is de bron van de liefde tussen man en vrouw. De liefde tussen man en vrouw is een geschenk van God. Dat maakt het huwelijk tot een sacrament. Wij zijn allen geroepen tot een christelijk leven, tot een leven met Christus. In de liefdesrelatie tussen man en vrouw is Christus aanwezig. Hij roept ons op tot liefde voor elkaar. Man en vrouw stellen Christus voor elkaar present en roepen elkaar op om aan Christus gelijk te worden. Zo geven zij elkaar de liefde tot het uiterste toe. Zo volgen zij Christus na.

De liefde tussen man en vrouw is allereerst een geschenk van God. Maar dit is niet alleen een gave, het is ook een opgave. Wijzelf worden geroepen om deze liefde inhoud te geven. Wij moeten er aan werken om deze liefde levend te houden en uit te laten groeien tot een werkelijk onbaatzuchtige liefde. Dat vraagt allereerst onze bereidheid dit geschenk te aanvaarden.

Hiermee komen we bij het tweede deel van de Evangelielezing van vandaag. De kinderen worden ons tot voorbeeld gesteld. Zeker in die tijd werden kinderen niet in staat geacht zelf een bijdrage te kunnen leveren aan hun eigen geluk en heil. Zij zijn geheel afhankelijk van de genade en van Gods liefde. Jezus zegt ons dat wij Gods liefde en genade moeten aannemen als een kind. Wij moeten ontvankelijk zijn. Wij moeten niet het idee hebben dat we ons geluk zelf kunnen realiseren. Pas als wij ons open stellen voor Gods liefde, zijn wij in staat tot liefde voor elkaar. Als wij God als bron van onze liefde aanvaarden, zijn wij in staat die liefde aan elkaar te geven.

En dan nog blijft het vaak hard werken en is succes niet verzekerd. Hoe dan ook blijven wij mensen met tekortkomingen. Jezus spreekt over de hardheid van ons hart. Het huwelijk is een proces, een op weg gaan. Wij hebben daarbij mooie idealen en vergezichten voor ogen, maar de weg gaat langs de werkelijkheid van alle dag en dat is niet alleen rozengeur en maneschijn. Alleen als wij ons gedragen weten door Gods liefde, als wij ons werkelijk verbonden weten met Christus, die onze weg ten leven is, alleen dan zijn wij in staat alle moeilijkheden en tegenslagen te verwerken. Alleen als wij met Christus bereid zijn ook ons kruis te dragen, kunnen wij elkaar werkelijk gelukkig maken.

Tenslotte vraagt Gods liefde van ons mee te leven met hen die ondanks alle inspanningen niet in staat zijn deze weg te gaan en te bidden voor allen die door welke reden dan ook teleurgesteld zijn in het huwelijk en de liefde voor elkaar. Amen.

Arbeid

Arbeid is volgens de Kerk een wezenlijk onderdeel van het menselijk bestaan. Door de arbeid neemt de mens deel aan de schepping, hij neemt verantwoordelijkheid en komt tot samenwerking met anderen.

Bijbel

In de Bijbel wordt arbeid primair als iets waardevols gezien. Nadat God de wereld geschapen heeft, plaatst Hij de mens in de tuin van Eden om die te beheren en te bewerken (Gen 2,15). Pas na de zondeval is er in Gen 3,19 sprake van: “In het zweet zult ge werken voor uw brood.” Door te werken nemen wij deel aan de schepping, maar in het werk ervaren wij ook de gebrokenheid van ons bestaan. Jezus van Nazaret heeft een groot deel van zijn leven gewerkt. In zijn prediking waardeert Hij arbeid positief, maar Hij waarschuwt wel voor overschatting van het belang ervan (Mt 6,19-34).

Menselijke waardigheid

Het zijn mensen die werken en dat betekent dat arbeid menswaardig moet zijn. De mens is geen economische eenheid en mag niet gezien worden als enkel een arbeidskracht. Een mens is nooit een middel, maar altijd een doel. Hij is een kind van God en naar zijn gelijkenis geschapen. Arbeid is juist een mogelijkheid voor een mens om zijn waardigheid uit te drukken.

Menswaardige arbeid

Volgens de Sociale leer van Kerk moet arbeid mensen laten deelnemen aan de ontwikkeling van hun gemeenschap. Werk maakt het mogelijk in de behoeften van het gezin te voorzien en de kinderen naar school te sturen, zonder dat deze zelf gedwongen zijn te werken. Werk biedt de mogelijkheid tot ontwikkeling en zelfontplooiing. Werk laat voldoende ruimte voor een eigen persoonlijk, familiair en geestelijk leven. Werk verzekert ook de gepensioneerde van een waardige levensstandaard. Ieder die daartoe in staat is, heeft niet alleen de plicht om te werken, maar heeft ook recht op passende arbeid.

Werkomstandigheden

Werknemers moeten in staat zijn zich vrij te organiseren, hun stem te laten horen en hun belangen te behartigen. Hun rechten moeten gerespecteerd worden en onderlinge solidariteit moet mogelijk zijn. Arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen mogen de mens en zijn waardigheid niet schaden.

Vredesweek 2012: Powered by Peace

Op zondag 23 september besteden we aandacht aan de Vredesweek 2012. We lezen dan uit de brief van de apostel Jakobus. Jakobus draait er geen doekjes om. Hij houdt ervan de zaken bij hun naam te noemen. Hij schrijft: “Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en slechts wie de vrede nastreven zullen haar oogsten. Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies vandaan? Toch alleen van uw eigen hartstochten die u niet met rust laten? Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen. Gij moordt en benijdt en gij kunt uw doel niet bereiken. Dan gaat gij vechten en strijden.”

Jakobus sluit hiermee heel concreet aan bij het thema van de Vredesweek. Met het motto ‘Powered by Peace’ is het doel dat er een einde komt aan geweld en onrecht rond het delven van grondstoffen. Olie, steenkool, goud en andere grondstoffen zijn vaak de oorzaak van conflict in plaats van een bron van welvaart en vrede.

Opbrengsten uit grondstoffen worden vaak niet besteed aan armoedebestrijding, maar aan het leger, of ze komen terecht bij rebellen en criminelen. Op deze manier ontstaan nieuwe conflicten en worden lopende conflicten in stand gehouden. Regelmatig gaat de exploitatie gepaard met mensenrechtenschendingen. Voorbeelden zijn: de mijnbouw in Colombia, de oliewinning in Zuid-Soedan en de industriële mijnbouw in de Democratische Republiek Congo.

Dagelijks komen wij in aanraking met producten die gemaakt zijn met gebruik van omstreden grondstoffen. Bijvoorbeeld gouden sieraden, mobiele telefoons, of de stroom uit ons stopcontact. De Vredesweek vraagt aandacht voor dit belangrijke thema. Grondstoffen moeten niet langer grond zijn voor conflict maar wereldwijd een bron van vrede worden. Zie ook: http://www.ministerievanvrede.nl.

De Morgenster, augustus 2012

Kies wijs!

Volgende week zijn de landelijke verkiezingen, dat had u ondertussen wel gemerkt. Wat gaan we stemmen? Steeds meer mensen zitten niet meer aan een bepaalde partij vastgebakken. De zwevende kiezer bepaalt elke keer weer opnieuw op wie hij deze keer gaat stemmen. Trouw aan een partij is aan het verdwijnen. Maar hoe blijf je ondertussen trouw aan je eigen idealen? Hoe stem je wijs, hoe stem je niet alleen met je hoofd maar ook met je hart?

Om een verstandige keuze te kunnen maken, zijn er vele kieswijzers op internet te vinden. Naast de kieswijzers die breed van opzet zijn, zijn er ook die zich beperken tot een bepaalde invalshoek. Ik kwam onder andere de volgende drie tegen: de levensbeschouwelijke kieswijzer, de vredesstemwijzer en de kieswijzer discriminatie en mensenrechten. Ze zijn de moeite van het opzoeken op internet waard. Dit zijn natuurlijk belangrijke invalshoeken maar iedereen laat ons ondertussen geloven dat het dit keer alleen gaat om de economische crisis en om Europa. Wat is daarin wijsheid van hoofd en hart? Die wijsheid zit zeker niet alleen in getallen over economische groei, inkomensontwikkeling en staatsschuld. Die wijsheid kijkt ook naar de gevolgen voor anderen. Het gaat om het algemeen belang en dat is wat anders dan het eigenbelang.

Een wijs oordeel houdt rekening met de gevolgen voor individuele mensen en voor groepen mensen in de verdrukking waar ook ter wereld. Gaat onze welvaart niet ten koste van de waardigheid van mensen doordat ze enkel gezien worden als arbeidskracht, als consument, als economisch begrip. Worden er geen mensen uitgesloten? Is er nog ruimte voor ontwikkeling? Kunnen jonge mensen zich ontwikkelen tot gelukkige goede mensen? En ook: kunnen volkeren zich ontwikkelen? Gaat onze welvaart niet ten koste van anderen in Nederland, in Europa of waar ook ter wereld? Zijn we bereid tot solidariteit? Het gaat ook om de gevolgen voor vrede en veiligheid. Leidt onze honger naar grondstoffen niet tot oorlog en geweld in ontwikkelingslanden? Een ander criterium is de duurzaamheid. Gaat onze welvaart niet ten koste van het voortbestaan van deze wereld en dus ten koste van de komende generaties?

Het is zo gemakkelijk nog niet om zwevende kiezer te zijn. Je moet echt goed nadenken over de toekomst van de wereld en je eigen positie daarin. Veel makkelijker is het als je je vertrouwen aan een partij kunt geven: een partij met duidelijke idealen en een partij die kunt vertrouwen en waarvan je weet dat ze daar al deze belangen zorgvuldig afwegen. Hoe dan ook: ik wens u volgende week veel wijsheid bij het uitbrengen van uw stem. En tenslotte: luister naar uw hart en niet alleen naar uw eigen portemonnee. En wees niet bang: angst is een slechte raadgever!

Column in Telstar, 5 september 2012

De hemel geeft, wie vangt die heeft; Joh 6,1-69

Vijf zondagen achter elkaar lezen we uit het verhaal over de broodvermenigvuldiging. Johannes besteedt veel aandacht aan dit verhaal. Bij de andere evangelisten wordt alleen de gebeurtenis verteld. Johannes verhaalt ook over de gevolgen ervan. Hij vertelt uitvoerig over de reacties van de mensen en over de uitleg die Jezus geeft.

Laten we het verhaal nog even op een rij zetten. Op de 17e zondag horen we hoe Jezus met vijf broden en twee vissen een hele menigte te eten geeft. De week daarop wordt verteld hoe een enthousiaste menigte Jezus volgt. Jezus legt hen uit dat het niet gaat om brood dat vergaat, maar om brood uit de hemel. Het brood uit de hemel geeft leven aan de wereld. Jezus is zelf het brood des levens.

Op de 19e zondag horen we hoe de uitleg van Jezus leidt tot gemor onder de joden. De mensen accepteren de gevolgen van de uitleg van Jezus niet. Er ontstaat verwijdering tussen Jezus en zijn toehoorders. Ze zijn niet bereid Hem in zijn uitleg te volgen. Een zondag later zet Jezus de zaak op scherp. Hij heeft het niet meer over brood. Nee, het gaat over het eten en drinken van zijn vlees en bloed. Hierdoor wordt de verdeeldheid nog groter. Zijn vlees en bloed eten en drinken is toch onmogelijk. Op de 21e zondag horen we hoe dit ook vele leerlingen te ver gaat. De taal, de woorden die Jezus spreekt, stuit hen tegen de borst. Ze kunnen het niet aanhoren. Ze begrijpen er helemaal niets van. Zij keren zich af van Jezus. Alleen de twaalf blijven over.

Een rode draad in het verhaal is: de bereidheid om Jezus te volgen. Jezus volgen, dat is geen kwestie van begrijpen wat Hij zegt, niet een kwestie van het verhaal snappen, het systeem doorgronden. Het is eerder het tegenovergestelde. Jezus volgen is geen zaak van begrijpen maar van aanvaarden: het aan te durven, dat je door Hem geleid wordt, dat je binnengeleid wordt in een wonderlijke wereld, in het mysterie. Dat begint al met de leerlingen die vijf broden en twee vissen moeten uitdelen aan duizenden mensen.

Jezus laat ons zien dat je nooit te weinig hebt om te kunnen delen. Alles wat je hebt, is een gave en kun je dus doorgeven, hoe weinig het ook is. Dit geldt bovenal voor de liefde en het geluk, gaven die God ons geeft. Wij worden opgeroepen heel ons leven met anderen te delen. Zelfs ons verdriet, onze pijn en onze teleurstellingen mogen wij delen met anderen. Delen geeft meer liefde en meer geluk. Delen geeft leven.

De wereld waarin Jezus ons binnenleidt is een wereld van overvloed: Gods genade en zijn liefde voor ons zijn grenzeloos. En dat alles wordt ons gegeven, gratis en om niet. Maar toch wordt het niet door ieder ontvangen. Wie het niet ziet, wie het niet wil geloven, wie blind is voor Gods grootheid en goedheid: het gaat aan hem voorbij.

Ik moest denken aan een uitspraak die ik hoorde van Fedor den Hertog, de vroegere wielrenner. Hij beloofde een groot renner te worden, maar door een ernstig ongeluk is dat er niet van gekomen. Vorig jaar is hij aan kanker overleden. Hem hoorde ik in een interview met Mart Smeets zeggen: “De hemel geeft, wie vangt die heeft.” Een oud gezegde: hij leefde ernaar, het was zijn levensmotto. Hij was met zijn racefiets in volle vaart tegen een auto aangereden. Dat was hem bijna fataal geworden. Door dit ongeluk was zijn kijk op het leven radicaal veranderd. Wie open staat voor de mogelijkheden, die de hemel biedt, kan alle moeilijkheden overwinnen. Wie er aan meewerkt, blijft niet met lege handen achter: de hemel geeft, wie vangt die heeft. Het ging daarbij om geheel andere zaken dan waar de meesten aan denken. En het gaat hier al helemaal niet over ‘mag ik effe vangen’.

Wie ervoor open staat en ontvankelijk is, die krijgt telkens weer en telkens meer. Wie zich ervoor afsluit, krijgt helemaal niets en hem wordt alle hoop ontnomen. Ontvankelijk zijn, het mysterie aanvaarden, bereid zijn Jezus te volgen, houdt in Hem te aanvaarden zoals Hij is. Wij kunnen Jezus niet bezitten, niet hebben: Jezus is. Jezus zegt: “Ik ben…” Wij kunnen Jezus niet naar onze eigen wensen en verwachtingen modelleren. Wij kunnen God niet voor ons eigen karretje spannen. Wij kunnen het mysterie niet onderbrengen in een systeem. Het geluk is niet met een verzekeringspolis en een banksaldo te garanderen.

Willen wij werkelijk tot leven komen, moeten wij kunnen ontvangen. We moeten bereid zijn het offer te aanvaarden dat Jezus voor ons gebracht heeft. Zijn vlees eten en zijn bloed drinken is zijn offer aanvaarden. In Hem geloven is op Hem vertrouwen. Het is precies op dit punt waar de mensen afhaken. De joden haakten af, vele leerlingen haakten af en nog steeds haken mensen af omdat dit de consequentie is. Je erkent je afhankelijkheid. Je aanvaardt dat je het niet op eigen kracht kunt. Je erkent dat alles wat je bent, niet je eigen verdienste is, maar dat het je gegeven wordt, telkens weer. Het is nooit je bezit.

Fedor den Hertog heeft dit beseft, hij zag het en het maakte hem gelukkig ondanks alle tegenslag die hij heeft gehad.

Op God vertrouwen, ons leven verbinden met het leven van Jezus en daardoor leven zoals Hij deed, dat opent de weg naar geluk, dat doet werkelijk leven. Het is een kwestie van leven en dood. Het opent ook de weg naar verrijzenis en eeuwig leven. “Voorwaar, Ik zeg u: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.”

Velen zien het niet. Zij zijn niet in staat te geloven. Ook het geloof is een gave. Ook geloven doe je niet op eigen kracht. Je kunt je er tegen verzetten, Je kunt je er ook voor openstellen, maar je kunt het niet zelf bewerkstelligen. Jezus zegt: “Niemand kan tot Mij komen, als het hem niet door de Vader is gegeven.”

Ook ons wordt gevraagd: “Wilt ook gij soms weggaan?” Zijn wij in staat te geloven en Jezus te aanvaarden als onze Redder en Verlosser? Zijn wij in staat om met Petrus te antwoorden: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.” Amen.

Proeven van goed samenleven

Auteur: Thijs Caspers
Titel: Proeven van goed samenleven: Inleiding in het katholiek sociaal denken
Uitgever: Adveniat, 2012; prijs: € 19,50
ISBN: 978 94 9104 229 4; aantal pagina’s: 127

“Het katholiek sociaal denken past bij een aanpak die onze leefwereld op een andere manier benadert dan gebruikelijk is geworden: op basis van hoop en vertrouwen in plaats van angst en een verlangen naar controle. Hiermee geeft zij uitdrukking aan de liefde, die naar christelijke overtuiging ten grondslag ligt aan alles wat er bestaat.” Het belang van het katholiek sociaal denken is voor Thijs Caspers buiten twijfel. Het vestigen van een hemel op aarde ligt niet in de macht van mensen, maar we moeten wel steeds werken aan de realisatie van een goede samenleving.

Caspers beschrijft eerst de inhoud van het katholiek sociaal denken. Vervolgens geeft hij een overzicht van de katholieke sociale leer: de officiële kerkelijke documenten die het resultaat zijn van het katholiek sociaal denken. Tenslotte gaat hij op zoek naar het belang van het katholiek sociaal denken in onze tijd.

Het rijk geïllustreerde en vlot leesbare boek geeft een goed overzicht over het ontstaan, de inhoud en de betekenis van het katholiek sociaal denken. Het boek wordt ingeleid door Erik Borgman, theoloog aan de Universiteit van Tilburg. Verspreid over het boek staan tien voorbeelden van sociaal handelen in de praktijk.