Spring naar inhoud

Groot in het kleine

We vieren het jaar van het geloof. Een jaar waarin ook wij bidden om meer geloof. De apostelen geloven in Jezus, maar zij willen meer. Vanuit hun geloof in Jezus vragen zij Hem: “Geef ons meer geloof.” Het antwoord dat Jezus zijn leerlingen geeft, vraagt enig nadenken. Wat wil Jezus hiermee tegen apostelen, en ook tegen ons zeggen?

Het eerste deel van het antwoord gaat in op de aard van de vraag. Wat bedoelen de apostelen met ‘meer geloof’. Zij vragen Jezus om geloof dat bergen kan verzetten. Zij vragen om geloof waarmee zij grote daden en wonderen kunnen verrichten. Zo’n geloof dat zou de mensen overtuigen. Met een dergelijk geloof zouden zij de aanvallen op Jezus kunnen pareren. Dan zouden ze met hun daden een weerwoord hebben op de aantijgingen richting Jezus en zijn volgelingen. Wie van ons droomt niet zo nu en dan van een dergelijk geloof. Juist in deze tijd waarin het geloof niet als een rijkdom maar als een teken van armoede en achterstand wordt gezien, zouden wij graag over een geloof beschikken dat bergen kan verzetten. Dan zouden we ze eens een poepje laten ruiken.

Het antwoord van Jezus is, dat het niet gaat om de grootte van het geloof. Een geloof zo groot als een mosterdzaadje is groot genoeg. Een mosterdzaadje is nog geen millimeter in doorsnee. Het is echt helemaal niks. Zo’n klein geloof is in staat bergen te verzetten. Hier gebruikt Jezus niet het beeld van een berg, maar van de moerbeiboom: een boom met een enorm uitgebreid wortelstelsel. In feite zegt Jezus tegen de apostelen en ook tegen ons: Jullie hebben genoeg geloof maar onvoldoende zelfvertrouwen. Niemand van jullie durft te geloven dat de moerbeiboom daadwerkelijk zal doen wat je zegt. Het gaat niet om de omvang van het geloof maar om de intensiteit. Welke plaats durven wij het geloof in ons leven te geven.

Het tweede deel van het antwoord van Jezus gaat over de noodzaak van het verzetten van bergen met je geloof, over de noodzaak van het doen van wonderen. Vorige week ging het Evangelie over de arme Lazarus en de rijke man. Die lezing eindigde met: “Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden als er iemand uit de doden opstaat.” De rijke man vraagt om grote daden en wonderen om zijn nog levende broers ervan te overtuigen dat ze een beter leven moeten leiden. Hij krijgt als antwoord dat dat niet zal werken. De mensen moeten zichzelf openstellen voor het woord en de liefde van God.

Nu geeft Jezus een soortgelijk antwoord. Je moet gewoon de dingen doen die van je gevraagd worden. Daarvoor word je op een fatsoenlijke manier beloond. Dit geldt voor de knecht in dienst van zijn heer. Dit geldt ook voor ons in relatie met God. Juist in de gewone dingen, juist in ons dagelijks leven moet ons geloof zichtbaar worden. Jezus zelf geeft ons het voorbeeld. Hij laat ons zien hoe wij goed kunnen leven. Hij laat ons zien hoe Hij van zijn Vader houdt en zijn Vader van Hem. Hij laat ons zien hoe Hij die liefde deelt met alle mensen. Het is de liefde voor God en voor de mensen waarin ons geloof zichtbaar wordt.

God roept ons niet met macht en majesteit, niet met wonderen. Hij roept ons in de stilte van ons hart, in de liefde tussen mensen. Zo moet dat ook zijn met ons geloof. Het vraagt niet om het doen van wonderen en grote daden. Ons geloof moet zichtbaar worden in onze liefde en dienstbaarheid voor de medemens. Daarin kunnen wij groot zijn. Juist in het kleine moeten wij onze grootheid zoeken. Wij zijn maar gewone knechten, maar miezerige mannetjes en vrouwtjes. Vele heiligen, zoals bijvoorbeeld Franciscus van Assisi zijn deze weg gegaan.

Als wij bidden om meer geloof, moeten wij vooral vragen dat ons geloof een grotere plaats in ons leven mag krijgen, dat wij veel meer en met grotere intensiteit leven vanuit ons geloof, dat wij werkelijk de liefde voor God en voor onze medemens de centrale plaats in ons leven geven. Het gaat niet om onze eigen grootheid, maar om de grootheid van God en de naaste. Hen moeten wij dienen en liefhebben. Toen Jezus op de avond voor zijn lijden en sterven tot zijn Vader bad, zei Hij: “Niet mijn wil, maar uw wil geschiede.” Hij werd het meest miezerige mannetje van ons allen en stierf aan het kruis. En juist hierin werd de grootheid van zijn liefde voor ons zichtbaar. Amen.

Leiderschap

Onze menselijke samenleving kan niet zonder structuur en organisatie. Samenleven in gemeenschap vraagt om verdeling van taken. Van ons wordt gevraagd onze talenten in te zetten voor het algemeen welzijn. Ieder van ons dient zo goed mogelijk de rol te vervullen waarmee hij belast is. Een van mogelijke de verantwoordelijkheden is het geven van leiding.

Bijbels leiderschap

In het Oude Testament moet de koning van Israël Gods heerschappij en heilsplan voor de wereld zichtbaar maken. De koning moet zich opstellen als de verdediger van de armen en aan het volk rechtvaardigheid garanderen.

Als leerlingen met elkaar twisten over de vraag wie onder hen de grootste is, leert Jezus hen dat zij de laatste van allen en de dienaar van allen moeten worden (Mc 9,33-35). Na de voetwassing zegt Hij: “Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen.” (Joh 13,14) Van zichzelf zegt Hij, dat “de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen” (Mt 20,28).

Dienend leiderschap

Christelijk leiderschap is dienend leiderschap. Het is een rol die je gegeven wordt; het is geen persoonlijk eigendom. De leider is er niet voor zichzelf maar voor de ander; bij de ander ligt zijn verantwoordelijkheid. Het uitoefenen van macht is een instrument dat alleen dan aan de orde is als alle andere mogelijkheden niet werken. Leiding geven is primair een kwestie van gezag hebben; dat wil zeggen: gezag dat je gegeven wordt. Door te overtuigen en te motiveren zal de leider de gestelde doelen zien te realiseren. Het gaat niet om overheersing, maar om dienstbaarheid: macht behoort alleen God toe.

Menselijke waardigheid en subsidiariteit zijn twee pijlers van de sociale leer van de Kerk. Beide zijn ook hier van belang. Dienend leiderschap heeft respect voor iedere mens, voor zijn waardigheid als kind van God. Een mens is nooit een middel, maar altijd een doel. Het principe van de subsidiariteit leert ons dat we dat wat iemand zelf kan regelen, niet aan hem voorschrijven. Delegatie houdt in dat een taak en een verantwoordelijkheid wordt gegeven. De wijze van uitvoering ervan is aan de uitvoerder. Deze heeft zich daarbij te houden aan mogelijke randvoorwaarden en geldende normen.

Christelijk leiderschap vraagt om voortdurende zelfreflectie op de eigen motivatie en op de persoonlijke effectiviteit. De Bijbel geeft hiervoor de gouden regel: “Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet.” (Tob 4,15) Jezus formuleert deze positief: “Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen.” (Mt 7,12)

Gemeenschap en individu; Lc 15,1-10

De herder gaat op zoek naar het verloren schaap; de vrouw veegt haar huis aan om een verloren zilverstuk te vinden. Zij doen alle moeite om het verlorene terug te vinden. De vondst van het verloren schaap en van het verloren zilverstuk leidt tot grote vreugde. Zo is ook de vreugde in de hemel groot als één zondaar zich bekeert. Het is duidelijk wat Jezus ons te vertellen heeft: Zijn zorg en aandacht gaan niet als eerste naar de rechtvaardigen, maar juist naar de mensen die er moeite mee hebben op het rechte pad te blijven, mensen die zich soms van God hebben afgekeerd. Hen probeert Hij te laten terugkeren naar een liefdevolle relatie met God, naar gemeenschap met God.

Na deze gelijkenissen van het verloren schaap en het verloren zilverstuk volgt de gelijkenis van de verloren zoon. De gelijkenis van de verloren zoon maakt nog duidelijker dat Jezus het heeft over mensen die afgedwaald zijn. Hoe ga je daarmee om? Moet je zorg en aandacht voor hen hebben, zoals Jezus doet of moet je ze vermijden zoals de Farizeeën en de schriftgeleerden willen. De boodschap van Jezus is volstrekt helder: je moet ze opzoeken en hun terugkeer met vreugde begroeten.

Hoe doen we dat hier in Bleiswijk? Hoe doen we dat als parochie? Is het verhaal van Jezus ook van toepassing op onze situatie hier en nu? De eerste gedachte is dat de boodschap van Jezus tijdloos is en dus ook zonder meer op ons van toepassing is. Maar bij nader inzien ligt de zaak toch ingewikkelder. Het verschil met toen is onze huidige manier van denken over gemeenschap.

In de tijd van Jezus, maar ook tot ver in de vorige eeuw was het de gemeenschap waar het omdraaide. De gemeenschap stond centraal en het individu was daaraan ondergeschikt. En ook vandaag de dag geldt dit voor het grootste deel van de wereldbevolking. Hier in West Europa zijn de rollen omgedraaid: het individu staat centraal en de gemeenschap is daaraan ondergeschikt. Dat betekent in ons denken dat niet het individu van de gemeenschap afdwaalt, maar dat gemeenschap het niet juist ziet: het is de gemeenschap die dwaalt. Niet ik moet mij aanpassen aan het geheel. Nee, zij moeten zich aan mij aanpassen. De gemeenschap is niet een ‘wij’ waarvan ik deel uit maak. Nee, de gemeenschap is een ‘zij’ en ik kan daar een relatie mee hebben.

Onze huidige cultuur is sterk individualistisch, misschien te individualistisch. In ieder geval zien we hier en daar de negatieve gevolgen ervan. Is de economische crisis niet mede het gevolg van teveel aandacht voor het eigenbelang boven het belang van de gemeenschap? De aandacht voor het eigenbelang leidt tot verminderde aandacht voor anderen. Het populisme is aan de winnende hand in de politiek. De samenleving raakt verbrokkeld en vele gezinnen vallen uit elkaar. Maar de individualisering heeft ook positieve gevolgen. Denk aan de emancipatie van vrouwen en van minderheden. Denk aan het verdwijnen van rangen en standen en aan de toegenomen ruimte voor zelfontplooiing. De individualisering is niet alleen negatief. Zij is ook positief. Weinigen willen echt terug naar de tijd van vroeger.

Het probleem is wel dat we nog steeds niet goed weten hoe we opnieuw inhoud geven aan de gemeenschap. Want ook de gemeenschap heeft positieve en negatieve kanten. Hoe combineren we de positieve kanten van gemeenschap en individualisme? Hoe gaan we om met het spanningsveld tussen gemeenschap en individualiteit? Hoe maken we individu en gemeenschap vruchtbaar voor elkaar? Het is geen eenvoudige vraag en het antwoord ligt nog grotendeels in de toekomst verscholen. Zeker is dat zowel het individu als de gemeenschap onze aandacht vragen, dat individu en gemeenschap beide waardevol zijn. Mensen kunnen niet zonder elkaar. Je kunt niet in je eentje gelukkig worden. We hebben elkaar nodig om elkaar gelukkig te maken. En dat gaat niet zonder gemeenschap, maar ook niet zonder individuen.

Het Evangelie laat dit ook zien. Jezus heeft juist veel aandacht voor het individu. Ook in de lezing van vandaag gaat het juist om het redden van de eenling, van de degene die verloren is geraakt. De gemeenschap moet juist aandacht hebben voor het geluk van het individu. Jezus leert ons niet dat wij moeten opkomen voor onszelf als individu. Hij leert ons dat wij moeten opkomen voor de ander als individu. Jezus leert ons niet het eigenbelang te dienen. Hij leert ons de naastenliefde. Anders dan nu hoefde Jezus geen aandacht voor de gemeenschap te vragen. Die aandacht was er genoeg. Zie maar de houding van de Farizeeën en de schriftgeleerden: hoe haalt die man het in zijn hoofd om te gaan en te eten met mensen die de gemeenschap schade toe brengen?

Wat betekent dit alles voor onze wijze van omgaan met elkaar? De gemeenschap vraagt dat wij ons inzetten voor het geheel. Dat hoef ik tegen onze vrijwilligers niet te zeggen. Zij zijn van die noodzaak overtuigd en handelen daarnaar. Het vraagt van ons als gemeenschap dat we aandacht hebben voor het individu, dat we respect hebben voor het anders zijn van de ander, dat we de ander de ruimte geven en niet onze manier van doen aan hem opdringen. Zo wordt de gemeenschap pluriformer en veelkleuriger. Zo worden ook de grenzen van de gemeenschap minder scherp en staat zij meer open voor anderen om er ook deel aan te nemen. Het vraagt van ons als individu dat we luisteren naar de gemeenschap: welke waarden draagt zij uit, waar staat zij voor? We hoeven het daarmee niet perse eens te zijn, maar we kunnen het ook niet zomaar als niet ter zake doende ter zijde leggen. We moeten er werkelijk over nadenken en het serieus nemen. Zo zijn er ongetwijfeld meer zaken te noemen waar we als gemeenschap en als individu rekening mee moeten houden. Het belangrijkste is dat we erkennen dat we elkaar nodig hebben en dat beide van grote waarde zijn voor ons menselijk bestaan.

Terug naar de vraag van het begin: Hoe gaan we als parochie in Bleiswijk om met mensen die afgedwaald zijn? Het respect voor het individu vraagt van ons dat we respect hebben voor keuzes die mensen in hun leven maken. Als iemand werkelijk op het verkeerde pad zit, vraagt de naastenliefde ook dat wij hem daar op wijzen en hem helpen weer op het rechte pad te komen. Belangrijk is dat we nooit een persoon afwijzen, dat we alleen kritiek hebben op zijn daden. Jezus veroordeelt de zonde, niet de zondaar. Ondertussen is er ook de zorg voor de gemeenschap. Een enkeling kan de gemeenschap werkelijk schade toebrengen. De gemeenschap kent ook haar grenzen, ook zij is kwetsbaar. Jezus leert ons echter wel dat we de gemeenschap tijdelijk ondergeschikt mogen maken: de herder laat de negenennegentig schapen alleen om het verloren schaap te zoeken.

De uiteindelijke wijsheid komt van God. Het is de heilige Geest die ons de juiste weg wil wijzen. Vragen wij Hem ons te helpen de weg te vinden die leidt naar een toekomst met ruimte voor individu en voor gemeenschap. En dat Jezus ons voorbeeld mag zijn, dat ook wij gemeenschap en individu met liefde te dienen. Amen.

Paus Franciscus: Leven en denken van Jorge Bergoglio

Auteur: Francesca Ambrogetti & Sergio Rubin
Titel: Paus Franciscus: Leven en denken van Jorge Bergoglio
Uitgever: Adveniat 2013; prijs: € 19,50
ISBN: 978 94 91042 77 5; aantal pagina’s: 216

Jorge Bergoglio werd op 13 maart 2013 paus Franciscus. Wie is deze zoon van Italiaanse migranten die in 1936 in Beunos Aires werd geboren en na drie jaar scheikunde als 21-jarige besloot priester te worden. Ambrogetti en Rubin spraken met hem. Het in 2010 verschenen boek ‘El Jesuita’ is nu opnieuw uitgegeven. De paus vertelt over zijn jeugd, zijn priesterroeping, zijn ervaringen in het onderwijs en het pastoraat en over zijn jaren als aartsbisschop van Buenos Aires.

Over zijn roeping zegt hij: “Kijk, je bent geliefd om wie je bent, je bent uitverkoren. Het enige dat je moet doen, is die liefde tot je toelaten. Dat is het aanbod dat mij werd gedaan.” Over een deel van zijn leven zegt hij: “Ik deed alsof ik Tarzan was.” Wijzer geworden weet hij dat wij geduldig de weg moeten gaan: het is de tijd die doet rijpen. Dat vraagt geduld met de ander en geduld met ons zelf.

Het is een uitstekend boek om kennis te maken met de persoonlijkheid en het denken van de paus.

Roeping, navolging, leerling zijn; W 9,13-18b; Lc 14,25-33

Wie zijn eigen leven niet haat, kan mijn leerling niet zijn. Dat klinkt in onze oren als een onmogelijkheid. Jezus leert ons toch dat wij een ander moeten liefhebben als onszelf? Staan deze twee uitspraken niet haaks op elkaar, zijn ze niet elkaars tegengestelde? Wat moeten we hiermee? Hoe kunnen wij van een ander houden als we onszelf haten? Om deze tekst te begrijpen zijn er twee zaken om rekening mee te houden. Ten eerste het voorafgaande verhaal, waarvan we vorige week een deel hebben gelezen. En ten tweede de wijze van uitdrukken in de Semitische talen.

Om met het laatste te beginnen: Als ik als Fries zeg, dat het eten niet slecht is, bedoel ik dat zelden zo lekker gegeten heb. De Engelsen noemen dit een understatement. Semitische volken doen het tegenovergestelde, zij overdrijven nogal als ze iets duidelijk willen maken. Stel even we moeten kiezen tussen twee verschillende gerechten die we beide erg lekker vinden: bijvoorbeeld een kalfschnitzel of een runderbiefstukje. Een Fries zegt dan: de schnitzel ziet er niet slecht uit om aan te geven dat hij de schnitzel kiest. De jood uit de tijd van Jezus zegt om de schnitzel te kiezen: ik haat biefstuk. Haten betekent hier niet zo zeer afkeur maar wel een duidelijke keuze voor het andere.

Hoe lezen we dit verhaal met de lezing van vorige week in gedachten. Vorige week ging het over een maaltijd. Jezus zegt tegen de andere gasten dat ze niet op de beste plaatsen moeten gaan zitten. “Want al wie zichzelf verheft zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.” Tegen de gastheer zegt Jezus dat het beter is armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit te nodigen dan vrienden, broers, bloedverwanten en rijke buren. De laatsten zullen jou op hun beurt uitnodigen en dus krijgt het terug. Maar armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden kunnen je niets teruggeven: dat is ware liefde en dat maakt je echt gelukkig.

Vandaag doet Jezus er nog een schepje bovenop en zet Hij de zaak op scherp. Het is niet alleen een kwestie van een mindere plaats kiezen. Nee, om Jezus’ leerling te kunnen zijn moet iemand zijn kruis dragen. Het is niet alleen een kwestie van wie nodig je aan tafel uit. Nee, om Jezus te volgen moet je radicaal voor Hem kiezen en alles wat je eigenbelang is, komt op de tweede plaats. Jezus navolgen en zijn leerling zijn is kiezen voor Hem en met Hem voor God en voor de naaste. Dat is een radicale keuze en het eigenbelang is daaraan ondergeschikt. Vandaag zijn de slotwoorden: “Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.” Over twee weken horen we Jezus zeggen: “Gij kunt niet God dienen en de mammon.” We kiezen of voor onze medemens of voor ons zelf.

Het is onze roeping om radicaal voor de ander te kiezen. Radicaal kiezen is niet hetzelfde als impulsief kiezen. Jezus raadt ons juist aan ons goed voor te bereiden en plannen te maken. We moeten onze keuze goed overwegen en er bewust van zijn wat we doen. Jezus zegt ons: Bezint eer ge begint. Maar als je de keuze gemaakt hebt: Ga er dan voor. Zet alles ervoor opzij, al je eigenbelang, al je zelfgerichtheid: “Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.”

Goed nadenken over wat je te doen staat, ontdekken wat God wil, een keuze voor je leven maken: het is geen eenvoudige zaak. De eerste lezing uit het boek Wijsheid gaat hierop in. “De gedachten der stervelingen zijn immers onzeker, en twijfelachtig onze berekeningen. Het vergankelijke lichaam is een last voor de ziel, en onze aardse gebondenheid belemmert de beweeglijke geest.” Zozeer worden wij in beslag genomen door onze zelfgerichtheid, dat het heel ons denken voortdurend beïnvloed. Altijd is er de overweging: Wat heb ik hieraan? Wat zullen de mensen van mij denken? Wat is mijn voordeel en hoe wordt er over mij geoordeeld? Wij zijn mensen met al onze onvolkomenheden. De werkelijke wijsheid komt niet van onszelf, die komt van God. “Wie zou uw wil kunnen kennen, als Gij hem het inzicht niet geeft, en uw heilige Geest niet van boven zendt?”

Het is de kracht van het gebed: dat wij ons openstellen voor God, voor de stem van de heilige Geest die ons woont, voor het voorbeeld van Jezus Christus, die het ons heeft voorgeleefd. Door en in gebed komen wij tot het inzicht wat onze roeping is. “Zo alleen kunnen de mensen op aarde rechte wegen gaan, leren zij kennen wat U welgevallig is, en worden zij door de wijsheid gered.”

Jezus navolgen is op het eerste gezicht niet de gemakkelijkste weg. Het is wel de weg die ons ten diepste doet leven. Het is de weg van de liefde. Het is de weg die ons tot volle bloei laat komen. Het is de weg die ons volledig mens laat zijn. Het is de weg die tot werkelijk geluk leidt, werkelijk geluk niet alleen in het hiernamaals maar ook hier in het tijdelijke. Dit is de weg die voor iedereen open ligt. Het is de weg die wij iedereen toewensen. Daarom is het goed te bidden voor onszelf om te ontdekken wat God van ons wil, en wat zijn plan met ons is. En het is goed te bidden voor iedereen, maar vooral ook voor onze geliefden en voor onze kinderen, dat ook zij ontdekken wat God van hen wil. Alleen zo ontstaat er een klimaat waarin roeping voor een christelijk leven mogelijk is. Roeping tot het christelijk huwelijk en het ouderschap, roeping tot het gewijde ambt van priester en diaken en roeping tot het aan God toegewijde kloosterleven: de roeping tot Jezus navolgen en zijn leerling zijn. Amen.

Vredesweek 2013: Act for peace

In de vieringen op 21 en 22 september besteden wij aandacht aan de vredesweek. Dit jaar is het thema ‘Act for peace’. In de zaligsprekingen zegt Jezus: “Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.” (Mt 5,9) Wij worden allemaal opgeroepen vredestichters te zijn. Act for peace: wees een vredesactivist.

Ten opzichte van oorlogsgeweld buiten ons eigen land voelen wij ons vaak machteloos, maar toch staan wij niet met lege handen. Wij kunnen bidden voor vrede en voor een betere wereld, we kunnen organisaties als IKV Pax Christi financieel ondersteunen en we kunnen invloed uitoefenen op onze eigen overheid opdat zij bijdraagt aan de vrede in de wereld en aan de bestrijding van het onrecht.

Syrië

Speciale aandacht is er dit jaar voor de burgeroorlog in Syrië. In onze kerken zal er gecollecteerd worden voor het werk van IKV Pax Christi ten behoeve van de slachtoffers van het geweld en ten behoeve van de geweldloze strijd om vrede in Syrië. U kunt ook gebruik maken van giro 30.60.90 t.n.v. IKV Pax Christi.

Bij het schrijven van dit artikel is het nog volstrekt onduidelijk wat er in Syrië gaat gebeuren. Op welke wijze gaat de wereld ingrijpen: met of zonder geweld? Wel zijn er de oproepen van paus Franciscus en ook van de leiders van de kerken in het Midden-Oosten. Zij roepen op tot vrede en wijzen elk gebruik van geweld af. Volgens de paus zijn dialoog en onderhandelingen de enige legitieme middelen om vrede te bereiken. “Oorlog roept oorlog op! Geweld roept geweld op!”

Op 1 september zegt hij tijdens de Angelustoespraak: “Ik roep krachtig op tot vrede. Het is een oproep die uit mijn diepste binnenste komt. Hoeveel leed, hoeveel verwoesting, hoeveel pijn heeft het gebruik van wapens veroorzaakt in dat getormenteerde land, vooral onder burgers en ongewapenden. Ik denk aan de vele kinderen die het licht van de toekomst niet kunnen zien.”

Franciscus veroordeelt het gebruik van chemische wapens ten strengste. De paus roept alle betrokken partijen op tot vreedzame onderhandelingen om de conflicten te beëindigen. De internationale gemeenschap moet volgens hem concrete stappen zetten om de dialoog te bevorderen. “De mensheid wil gebaren van vrede zien en woorden van hoop en vrede horen.” Tenslotte roept hij ons op hulp te geven aan de slachtoffers.

Ambassade van Vrede

Onze roeping vredestichters te zijn geeft MOV-Oostland vorm met de oprichting van een Ambassade van Vrede. Hiermee willen wij aandacht vragen voor vredesvraagstukken veraf, maar vooral ook dichtbij. Twee jaar geleden is door IKV Pax Christi het Ministerie van Vrede opgericht. Na eerst Jan Terlouw is nu Jörgen Raymann Minister van Vrede. Lokaal zijn er de Ambassades van Vrede. Zie voor meer informatie: http://www.ministerievanvrede.nl.

Dit initiatief is gestart in Nootdorp waar nauw samengewerkt wordt met de jongerengroep van de parochies van Nootdorp en Pijnacker. We willen ons vooral op de jongeren richten. Vrede is iets wat deel uit maakt van hun dagelijks leven: denk aan de omgang met onze multiculturele samenleving, aan pesten op school en op het werk en denk aan het geweld op sportvelden. Ook moeten zij weten dat oorlog en vrede overal ter wereld deel uit maakt van hun eigen leven, dat wij allemaal betrokkenen zijn en dat ook ons doen en laten verschil uit maakt. Jörgen Raymann zegt tegen jongeren: “Luister naar de ouderen, want je kunt veel van hen leren.” Tegen ouderen zegt hij: “Deel je ervaring met jongeren.”

Na de start in Nootdorp worden ook de jongeren van de andere parochies bij dit initiatief betrokken. Ook wordt er contact gezocht met jongeren van andere kerken.

De Morgenster, september 2013

Lumen fidei: het licht van het geloof

We vieren dit jaar het jaar van het geloof en kort geleden verscheen de eerste encycliek van paus Franciscus: Lumen fidei, het licht van het geloof. Vandaag overwegen we aan de hand van deze encycliek wat geloven is en wat het voor ons betekent.

Paus Franciscus begint zijn brief aan alle christenen met woorden van Jezus: “Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, opdat al wie in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft.” (Joh 12,46) Het licht van het geloof verlicht het gehele bestaan van de mens. Het is een krachtig licht, het is een licht dat van God komt. Door zijn menswording, zijn dood en verrijzenis is in Jezus Christus het licht van het geloof tot ons gekomen. Hij is het Licht der wereld.

We hebben de liefde gelovig aanvaard (vgl. 1 Joh 4,16)

De paus noemt Abraham onze vader in het geloof. God heeft zich aan hem geopenbaard. Hij heeft hem geroepen bij zijn naam. God spreekt mensen persoonlijk aan. Daarmee is Hij een persoonlijke God en een God van personen: de God van Abraham, Isaak en Jakob. Het geloof geeft Abraham inzicht in het bestaan en in de bron van het bestaan. Het geloof is voor hem ook een belofte waarin hij vertrouwt. Voor Abraham valt geloven samen met vertrouwen op God. Abraham staat aan de basis van het geloof van Israël. Dit volk verkondigt telkens weer de grote daden van God: hoe God zich liefdevol over hen ontfermde en bevrijdde uit de slavernij. Deze weldaden tonen aan dat Gods beloften in vervulling gaan: Hij is een betrouwbare God. Toch blijft bij hen de bekoring van het ongeloof. Ze willen onmiddellijk resultaat zien en vervallen tot afgoderij. Zo vertrouwen ook wij vaak teveel op onze eigen kracht, op ons banksaldo en op de verzekeringen die afsluiten. Maar telkens weer is er bekering mogelijk. Geloven betekent: zich toevertrouwen aan een barmhartige liefde, die steeds weer aanneemt en vergeeft, die het leven draagt en richting geeft en die haar macht toont doordat ze in staat is om recht te trekken wat in onze geschiedenis verkeerd gegaan is.

De definitieve vervulling van Gods beloften is de menswording van Jezus Christus. In Hem wordt Gods liefde in zijn volheid geopenbaard. In deze liefde geloven wij als het fundament en het doel van ons bestaan. Jezus’ dood en verrijzenis zijn het ultieme bewijs van Gods liefde voor ons. Wij geloven in Christus en wij kunnen ons met Hem verenigen. Een persoonlijke relatie met Christus doet ons geloven, Hem navolgen en ons aan Hem toevertrouwen. Hij is in ons en wij zijn in Hem. Het geloof in Christus brengt ons redding. Onszelf redden kunnen we niet. Door het geloof stellen wij ons open voor de liefde. De liefde opent onze ogen voor de weidsheid van ons bestaan. Zo werkt de heilige Geest in ons, de Geest die liefde is. Door deel uit te maken van Christus zijn wij gelovigen met elkaar verbonden. Samen vormen wij één lichaam, het Lichaam van Christus, zijn Kerk. Wij zijn individuen in verbondenheid met elkaar. Geloven doe je niet alleen. Het is geen privéaangelegenheid. Geloven doe je in gemeenschap, in liefde tot elkaar.

Wanneer u niet gelooft, dan begrijpt u niet (vgl. Js 7,9)

In het volgende hoofdstuk schrijft de paus over de verhouding tussen geloof en rede, geloof en wetenschap: hoe krijgen we zicht op de volle waarheid, waarbinnen ook het materiële en wetenschappelijke zijn plaats heeft. Waarheid is niet alleen verbonden met het verstand en met wetenschap. Het geloof laat ons weten met ons hart. Het geloof is verbonden met de liefde en met haar wijze van weten. Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar. Het geloof en de liefde brengen ons tot de kennis van God en tot kennis van zijn bedoelingen met ons. Geloof en rede versterken elkaar. Het geloof en de liefde zorgen ervoor dat wij wetenschap en techniek gebruiken tot heil van de mensen. Zonder de liefde verliest het leven haar menswaardigheid. Geloof zonder de waarheid van het verstand is een sprookje dat alleen beantwoordt aan onze verlangens naar geluk.

Ik geef u door, wat ik ontvangen heb (vgl. 1 Kor 15,3)

Hoofdstuk 3 gaat over het doorgeven van het geloof. Het geloof is een vorm van horen en zien en op die manier kunnen we het ook van mens tot mens doorgeven: erover vertellen en het laten zien. Het doorgeven van het geloof gebeurt in de relatie tussen mensen, als eerste tussen ouders en hun kinderen. De Kerk leert ons de taal van het geloof. Zij geeft ons de woorden om over het geloof te spreken. De Kerk geeft ons ook de sacramenten waarin wij het geloof ontvangen en ervaren. In de eerste plaats is dat het Doopsel waarmee we het geloof ontvangen. In de Eucharistie ontmoeten wij Christus heel concreet in Brood en Wijn. Hierin geeft Hij zichzelf hier en nu in liefde aan ons. Binnen de Kerk belijden wij gezamenlijk ons geloof. We treden er binnen in het mysterie waarvan het Credo getuigt, en maken zo deel uit van de liefde van de drie-ene God, de liefde tussen Vader, Zoon en heilige Geest. Tenslotte geeft de Kerk ons het gebed, vooral het Onze Vader en leert zij ons te leven overeenkomstig de Tien Geboden.

Wezenlijk aan de Kerk van Christus is haar eenheid: zij is één in tijd en ruimte. De heilige Paulus spreekt in zijn brief aan de Efeziërs over: één lichaam en één geest, één geloof (Ef 4,4-5). Allen hebben wij deel aan dat ene geloof, ieder op zijn eigen wijze, maar de een niet beter dan de ander. Dit ene geloof is ons door de apostelen gegeven en wordt door de Kerk ongeschonden doorgegeven.

God bereidt voor hen een stad (vgl. Heb 11,16)

In het laatste hoofdstuk schrijft de paus hoe het geloof in ons leven en in de maatschappij werkzaam is. Door de liefde staat het geloof ten dienste van de rechtvaardigheid, van het recht en van de vrede. Het geloof brengt onze menselijke relaties tot volle bloei. Het verrijkt daarmee het leven in gemeenschap en draagt bij aan het algemeen welzijn van alle mensen. Het geloof helpt ons de volheid van de liefde tussen man en vrouw te beleven. Het geeft inzicht in het mysterie van het doorgeven van het leven. Binnen het gezin leren kinderen te vertrouwen op de liefde van hun ouders. Hier leren zij uit te groeien tot volwassen gelovigen. Het geloof leert ons dat mensen elkanders broeders en zusters zijn en elke mens een unieke waarde heeft. Het leert ons ook respect te hebben voor de Schepping. Het geloof leert ons dat er vergeving mogelijk is, dat het goede sterker is dan het kwade. Zo zijn wij in staat conflicten op te lossen. Zo verlicht het geloof het leven in de maatschappij.

Het geloof is een troostende kracht in ons leven. In Psalm 116 lezen we: “Ik bleef vertrouwen, al zei ik; ik ben gebroken van smart.” (Ps 116,10) De christen weet, dat het lijden ook hem treft, maar wij mogen ons lijden delen met Christus en in Gods handen leggen. Zo kunnen wij door het lijden groeien in liefde en geloof. In het lijden van de medemens ontmoeten wij Christus zelf. Het geloof helpt ons het lijden van onze medemens te verlichten. Het geloof voedt onze hoop dat wij onze bestemming vinden in God.

Tenslotte stelt de paus ons Maria tot voorbeeld. Maria ontvangt het geloof, zij bewaart het in haar hart en zij laat het tot bloei komen en vrucht dragen. Zij is als Moeder van de Kerk ons tot voorbeeld en tot voorspraak. Amen.

Gastvrijheid; Gn 18,1-10a; Lc 10,38-42

Abraham ontvangt drie vreemdelingen. Drie mannen die onverwacht langs komen en een beroep doen op zijn gastvrijheid. Naar de gewoonten van zijn volk doet Abraham alles wat hij kan om zijn gasten te voorzien van wat zij nodig hebben. In de cultuur van rondtrekkende nomaden is gastvrijheid een groot goed. Andermans gastvrijheid is een levensvoorwaarde voor iemand die rondtrekt in een gebied zonder dorpen en steden en zonder herbergen. Abraham is zelf een rondtrekkende nomade. Voor hem is het vanzelfsprekend dat hij gastvrijheid verleend. Maar Abraham verschaft niet alleen eten en drinken. Terwijl zijn gasten eten, blijft hij bij hen staan en zo staat hij ook open voor wat zij hem te zeggen hebben. Zoals uit het vervolg blijkt, neemt Abraham hen serieus. Dit in tegenstelling met Sara die moet lachen om het idee dat zij op haar hoge leeftijd nog een zoon zal krijgen.

In de tijd van Jezus waren de Israëlieten geen nomaden meer. Er waren dorpen en steden en er waren herbergen. Gastvrijheid was geen levensnoodzaak meer. Gastvrijheid blijft wel een daad van medemenselijkheid, een daad van liefde. Gastvrijheid is nodig om de betrokkenheid op elkaar gestalte te geven. Zo ontvangen Marta en Maria Jezus in hun huis. Marta biedt Hem te eten en te drinken en Maria luistert naar Hem. We zien een opvallend verschil tussen de twee zussen: de een zorgt voor de materiële zaken, voor de basisgastvrijheid en de ander luistert en heeft vooral aandacht voor wat de gast te zeggen heeft. Het zijn twee belangrijke aspecten van gastvrijheid: de basisvoorzieningen aanbieden en aandacht hebben voor de gast. Jezus leert ons dat het laatste uiteindelijk het belangrijkste is.

Hoe is het gesteld met onze gastvrijheid? Hoe gastvrij zijn wij als individu? Hoe gastvrij zijn wij als parochie? Hoe gastvrij is Nederland? Gastvrijheid speelt inderdaad op verschillende niveaus: gastvrijheid als individu, als gemeenschap en als land. De gastvrijheid van het individu vormt de basis voor de gastvrijheid van een gemeenschap en de gastvrijheid van een land. Zeker in onze cultuur is het gedrag van het individu over het algemeen bepalend voor het gedrag van de groep. Wat wij niet als individueel gedrag aanleren, zullen we ook niet gauw als groep doen.

In onze huidige tijd staan wij Nederlanders niet bekend om onze gastvrijheid. Destijds legde prinses Maxima de vinger op de zere plek toen zij de Nederlandse cultuur kenmerkte met ‘één koekje bij de koffie’. Onze gastvrijheid is afgemeten en staat in schril contrast met de overvloedige gastvrijheid die uit andere culturen bekend is. Ook voor Abraham is overvloed het uitgangspunt. Een pater die jarenlang in Chili had gewerkt vertelde me ooit dat de paters als er feest was in het Nederlandse patershuis, elk één glaasje wijn kregen. Hoe anders was dat in Chili. Daar stonden de flessen wijn gewoon op tafel.

Als je bij migranten op bezoek komt, moet je mee-eten. Van hun kant zijn zij verbaasd over Nederlanders. Bij Nederlanders ontstaat een ongemakkelijke sfeer als er iemand rond etenstijd op bezoek komt, want er is niet gerekend op een extra gast aan tafel en delen wat er is, behoort blijkbaar ook niet meer tot de mogelijkheden. Dat heeft niets te maken met de omstandigheden hier. Het zit ook niet in onze genen, het is niet erfelijk. De meesten van ons zijn waarschijnlijk nog opgevoed in een tijd, waarin je rustig vriendjes en vriendinnetjes mee naar huis nam en dat die dan ook mochten blijven eten. De armoede van destijds werd gewoon gedeeld. Het delen van de huidige rijkdom blijkt een stuk lastiger te zijn. Hoe leren wij onze kinderen tegenwoordig gastvrijheid?

Het voert te ver hier alle vormen en alle niveaus van gastvrijheid te bespreken. In Den Haag heb ik mogen ervaren hoe ingewikkeld het is om als parochie gastvrij te zijn voor migranten, gastvrij te zijn voor katholieken met een andere culturele achtergrond. Het is lastig in te zien dat wat voor jezelf normaal is, voor een ander helemaal niet normaal hoeft te zijn en omgekeerd.

Van overheidswege wordt er tegenwoordig alles aan gedaan om de gastvrijheid van ons land te verminderen. Iedereen die van buiten komt, wordt als een bedreiging gezien. Zelfs kinderen worden na vele jaren verblijf in ons land zonder pardon de grens over gezet. Zij moeten zich maar zien te redden in een voor hen volstrekt vreemd vaderland, een land waarvan ze de taal vaak nauwelijks spreken. Mensen die hier wel mogen blijven, moeten zich helemaal aanpassen aan onze manier van leven. Ze moeten assimileren, ze moeten worden zoals wij zijn. Wij zijn totaal niet geïnteresseerd in hun manier van leven. Het kan toch niet zo zijn dat zij ons iets te brengen hebben? Het kan toch niet zo zijn dat wij iets van hen zouden kunnen leren?

De lezingen houden ons vandaag een ander beeld voor. Abraham is vol aandacht voor zijn gasten. Jezus zegt dat Maria de juiste keuze maakt door naar Hem te luisteren. Gasten kunnen ons wel degelijk iets te vertellen hebben. In de brief aan de Hebreeën lezen we: “Vergeet de gastvrijheid niet; door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald.” (Heb 13,2) De lezingen van vandaag geven daar voorbeelden van. Als wij de gastvrijheid vergeten en iedere vreemde buiten de deur houden, zullen we zeker geen engelen ontvangen. Als wij de gastvrijheid vergeten, houden we ook God buiten de deur. Amen.

Menselijke waardigheid

Vanaf het eerste begin hanteert de sociale leer van de Kerk het begrip menselijke waardigheid. De mens is geschapen naar het beeld van God. In deze zin zijn alle mensen gelijkwaardig en is er geen verschil tussen man en vrouw, arm en rijk en is er geen sprake van rangen en standen. In de loop van de geschiedenis is het begrip menselijke waardigheid een groeiende rol gaan innemen in het denken van de Kerk.

Personalisme

Paus Johannes XXIII introduceert het begrip personalisme. Ieder mens is een persoon, een wezen begaafd met verstand en vrije wil. Iedereen heeft rechten en plichten direct verbonden met het mens-zijn. De rechten van iedere mens zijn algemeen, onschendbaar, absoluut en onvervreemdbaar. Het gaat om de waardigheid van alle mensen.

In ‘Pacem in terris’ schrijft deze paus: “Een mens die in dwaling is vervallen, houdt niet op een mens te zijn. Hij verliest nooit zijn persoonlijke waardigheid en dat is iets waar altijd rekening mee moet worden gehouden.” Dit betreft ook mensen met afkeurenswaardige politieke ideeën en aanhangers van andere religies. Daarmee is het de basis voor tolerantie. Ook leert de Kerk: Heb de zondaar lief, maar haat de zonde. De zonde wordt afgewezen; de zondaar niet.

De hele mens

Paus Johannes Paulus II verbindt de sociale leer met de moraaltheologie. De menselijke waardigheid is hierin een verbindend element. Het gaat niet alleen om de waardigheid van iedere mens; het gaat ook om de waardigheid van heel de mens. In ‘Redemptor hominis’ schrijft hij: “Het gaat om de mens in zijn volle waarheid en zijn gehele persoon. Het gaat niet om een abstracte mens, maar om de mens zoals hij is, de concrete, historische mens.”

Het gaat om de waardigheid van heel de mens, om ziel én lichaam, om alle denken en doen en vanaf het eerste begin tot het laatste moment van het leven. Hiermee vormt de menselijke waardigheid in de moraaltheologie de basis voor het denken van de Kerk over zaken als levenseinde, voortplanting en seksualiteit. De menselijke waardigheid geeft hiermee ook richting aan het leven van de mens zelf. Het gaat ook om je eigen waardigheid.

Geen middel maar doel

In onze omgang met anderen mag de ander nooit een middel zijn. Iedere mens is altijd een doel. Dus we kunnen mensen niet zien als proefkonijn, als kanonnenvlees, als lustobject, als kostenpost, als productiefactor of als consument. Altijd moeten wij voor ogen hebben dat de ander een mens is met eigen rechten en plichten en met eigen verlangens en strevingen. De ander kan nooit ondergeschikt worden aan wat wijzelf verlangen en nastreven.

Met vrede op weg; Gal 6,14-18; Lc 10,1-12.17-20

Vrede. Alle mensen verlangen vrede, Vrede met de medemensen, vrede met jezelf en vrede met God. Het is een diep verlangen naar hoe het leven moet zijn. Het is het verlangen naar het ware leven en het ware geluk. Het is de hoop en het verlangen van ons allen.

Jezus zegt ons toe dat het Rijk Gods nabij is, maar wij moeten er wel voor open staan. De leerlingen moeten de mensen vrede toewensen, maar wie hen niet wil ontvangen, is verloren. Hen vergaat het slechter dan de bewoners van Sodom. Deze stad werd met haar bewoners door zwavel en vuur vernietigd. Daartegenover staat de kracht van de vredeswens. De leerlingen keren opgetogen terug. Zelfs duivels hebben zich aan hen onderworpen. Met een goed woord, met een woord van vrede verdrijven zij het kwaad. Jezus zegt dat Hij de satan uit de hemel zag vallen. Het kwaad heeft zijn macht verloren. De namen van de leerlingen staan opgetekend in de hemel. Hun leven is in Gods hand en daarmee kan het kwaad hen niet schaden.

Wat Jezus zegt over zijn leerlingen, geldt ook voor ons. Wij christenen zijn zijn volgelingen. Wij zijn zijn leerlingen. Als wij onze kinderen dopen zeggen wij dat hun namen worden geschreven in de palm van Gods hand. Zo staan ook onze namen opgetekend in de hemel. En zo kan het kwaad ons niet schaden. Dat betekent niet dat wij het lijden en de dood ontlopen. Wij zijn sterfelijke mensen en kunnen door lijden en ziekte worden getroffen. Het betekent wel dat het kwaad ons niet klein krijgt, dat het kwaad niet het laatste woord heeft, dat wij erop mogen vertrouwen dat God het kwaad ten goede keert, dat Hij ons uiteindelijk verlost van het kwaad en ons bevrijdt. Het betekent dat wij eens zullen leven in zijn Rijk van vrede en geluk.

Wij zijn niet alleen ontvangers van vrede. Wij zijn ook dragers van vrede. Het is ook aan ons om de vrede uit te dragen. Ook wij mogen aan iedereen de vrede wensen en brengen. De opdracht die de leerlingen gegeven wordt, is ook aan ons gegeven. Ook wij mogen zeggen: ‘Vrede aan dit huis.’ Paulus zegt ons dat wij nieuwe schepping zijn. God heeft de wereld geschapen. In Christus heeft Hij ons verlost. In Christus zijn wij herschapen. Met Christus zijn wij nieuwe schepping. Als wij naar dit beginsel willen leven, komt er vrede en barmhartigheid over ons, dan dragen ook wij de merktekenen van Jezus in ons, dan zijn wij dragers en brengers van de vrede. Als wij leven in en met de Geest van Jezus Christus brengen ook wij vrede aan de wereld en verdrijven wij het kwaad.

Wij staan aan het begin van de vakantie. Velen van ons gaan op reis. De meesten van ons zullen weer veel te veel spullen meenemen. Dat alles onder het motto ‘beter mee verlegen, dan om verlegen’. Wij houden er niet van het erop aan te laten komen. En dus vermijden we elk risico en zorgen ervoor dat we alles voorbereid zijn. Hoe anders is het in het Evangelie: Jezus stuurt zijn leerlingen op weg zonder beurs, zonder reistas en zonder schoenen. Het enige wat zij mee krijgen is de boodschap van vrede en de mededeling dat het rijk Gods dichtbij is. Daar moeten ze het maar mee doen. Daar moeten ze het maar mee doen? Maar is dat niet de essentie van ons leven. Is het niet zo dat juist hoop doet leven. Maar durven wij het aan te leven vanuit de hoop die ons is gegeven of kiezen we toch liever voor de zekerheid van de aardse zaken.

Laten het dit jaar eens over een andere boeg gooien. Laten wij op reis gaan met vrede, met een koffer vol vrede voor iedereen. Vrede en goede wil als belangrijkste onderdeel van onze bagage: een goed woord, een woord van vrede voor iedereen. Het zal vreugde brengen en het Rijk Gods zal nabij zijn. Het zal het kwade verdrijven. Het brengt niet alleen de ander vreugde. het zal ook ons zelf vreugde brengen. Zoals de leerlingen zullen wij van onze reis terugkeren als blije mensen en het kwaad zal ook ons niet bedreigen. Ik wens u allen een goede vakantie. Amen.