Vandaag is het ziekenzondag. Ook hebben we afgelopen week de beelden gezien de vluchtelingen die Europa binnentrekken en van het driejarige dode jongetje Aylan op het strand van Turkije. Het zijn aangrijpende beelden. Wat staat ons te doen?
We zien grote aantallen vluchtelingen Europa intrekken. We zien een dood kind op het strand leggen. Net als Jesaja zouden we willen dat God concreet optreedt en een einde maakt aan oorlog en geweld. Wij geloven niet in een wrekende God, maar wel in een God die zich keert tegen onrecht en die ons vrede brengt en geluk.
In het Evangelie horen we hoe Jezus een doofstomme geneest. Hij opent hem de oren en maakt zijn tong los. Als brenger van het heil van God brengt Jezus genezing en brengt Hij mensen tot geloof: een geloof dat zich niets aantrekt van verboden, een geloof om van de daken te schreeuwen, een geloof dat niet te stoppen is, een geloof dat met woord en daad verkondigd moet worden. Jezus brengt ons het geloof dat vertrouwen geeft, dat kracht en moed geeft en ook troost in moeilijke situaties in ons leven. Kracht en moed hebben wij nodig om ook zelf onze bijdrage te leveren in de bestrijding van onrecht en het lenigen van de noden van de vluchtelingen.
Het is ook ziekenzondag en natuurlijk vragen wij om genezing. Maar we weten ook dat ons aardse leven eindig is en daarom vragen we ook om troost, kracht en moed om het lijden te aanvaarden en te dragen. Het geloof lost het lijden niet op, doet het lijden niet verdwijnen. Het geloof maakt het lijden wel draagbaar. We weten dat we niet alleen zijn in ons lijden. In Jezus Christus heeft God zelf het lijden van de mensen op zich genomen. In het lijden weten wij ons verenigd met Christus.
Jesaja roept ons op ons vertrouwen op God te stellen. Het is God die orde op zaken stelt en ons het geluk toezegt. Dat betekent niet dat wij maar rustig moeten afwachten. Ook van ons wordt gevraagd dat wij werken aan gerechtigheid in de wereld. In de tweede lezing schrijft Jakobus, dat God hen die in de wereld arm zijn, heeft uitverkoren om erfgenamen van zijn koninkrijk te zijn. Net als bij Jesaja is het God die uiteindelijk zorgt voor gerechtigheid. Maar Jakobus wijst er ook op dat ook wij daar naar moeten handelen. Wij mogen de arme niet achterstellen. Wij mogen ons niet schuldig maken aan discriminatie. Evenals in onze tijd was er in de tijd van Jakobus sprake van discriminatie. Hij wijst dit met zeer duidelijke woorden af.
Er zijn vele vormen van discriminatie. Telkens weer komt het neer op de vraag: Zien wij iedere mens als een volwaardig mens? Zien wij iedere mens als een mens zoals wij? Dat geldt voor de arme, voor de vluchteling en voor de zieke. Iedere mens in nood geeft ons de kans ons geloof waar te maken, ons geloof met onze daden zichtbaar te maken. Dat is de concrete boodschap van Jakobus. Hij is een man van ‘geen woorden maar daden’.
Alleen God kan ons het uiteindelijke heil geven en voor de uiteindelijke gerechtigheid zorgen. Maar dat betekent niet dat wij niets kunnen en hoeven te doen. Nee: van ons wordt gevraagd dat wij ons tot het uiterste inzetten voor een rechtvaardige en gelukkige samenleving voor alle mensen op deze aarde.
Het gaat niet primair om het eigenbelang maar om het algemeen belang. Het gaat om het belang van alle mensen waar ook ter wereld. Een goede samenleving houdt rekening met het belang van individuele mensen en van groepen mensen in de verdrukking. Het gaat om de waardigheid van mensen. Mensen zijn niet alleen arbeidskracht, niet alleen consument. Ze zijn geen gebruiksvoorwerp en geen kostenpost. Mensen zijn kinderen van God, naar zijn beeld geschapen. Mensen mogen niet uitgesloten worden. Ieder moet zich kunnen ontwikkelen tot een gelukkig en goed mens.
Wij leven in welvaart. Dat vraagt om solidariteit. Wij mogen niet in welvaart leven ten koste van anderen. Wij worden ook geroepen onze welvaart te delen met anderen. Het gaat niet alleen om materiële welvaart. Het gaat vooral om welzijn en om vrede en veiligheid overal ter wereld. Het voorbeeld van Jakobus is duidelijk. Het gaat niet om eigen gewin. Ieder die een beroep doet op ons, verdient onze aandacht. Vandaag denken wij daarbij vooral aan de zieken en de vluchtelingen. Amen.
Vijf zondagen achter elkaar lezen we uit het verhaal over de broodvermenigvuldiging. Johannes besteedt er veel aandacht aan. Hij vertelt uitvoerig over de reacties van de mensen en over de uitleg die Jezus geeft. Het verhaal begint met te vertellen hoe Jezus met vijf broden en twee vissen vijfduizend man te eten geeft. Een enthousiaste menigte gaat Jezus achterna. Waarop Jezus hen uitlegt dat het niet gaat om het normale brood, maar om het brood uit de hemel. Het brood uit de hemel geeft leven aan de wereld. Jezus is zelf dit brood des levens. Hij voedt ons als gemeenschap en Hij geeft leven aan heel de schepping.
De uitleg die Jezus geeft en de woorden die Hij gebruikt, vallen echter bij velen niet in goede aarde. Jezus is toch een mens zoals wij, de zoon van Jozef en Maria. De mensen accepteren niet dat Hij spreekt alsof Hij God zelf is. Zo ontstaat er verwijdering tussen Jezus en zijn toehoorders. Ze zijn niet bereid Hem in zijn uitleg te volgen. Zij zijn niet in staat Hem te geloven. Zij keren zich af van Jezus. Alleen de twaalf blijven over.
Het is niet eenvoudig je toe te vertrouwen aan een ander. Je erkent je afhankelijkheid. Je aanvaardt dat je het niet op eigen kracht kunt. Je erkent dat alles wat je bent, niet je eigen verdienste is, maar dat het je gegeven wordt, telkens weer. Het is nooit je bezit. Durven wij op God vertrouwen, ons leven te verbinden met het leven van Jezus, dat is de vraag die telkens weer aan de orde is. In de eerste lezing stelt Jozua de mensen voor de keuze: kiezen zij voor de God van Israël of voor andere goden. In het Evangelie Petrus spreekt zijn gelooft uit: alleen Jezus opent de weg naar het geluk, alleen Hij doet ons werkelijk leven. “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.”
Ook bij Paulus is de centrale boodschap dat wij ons met Christus moeten verbinden. Dat vraagt om onderdanigheid niet alleen aan God maar ook aan elkaar. Dan volgt de oproep van Paulus aan de gehuwde vrouwen: “Vrouwen, weest onderdanig aan uw man…” Deze opmerking roept veel vragen op. Wat is dit voor een ongeëmancipeerde opmerking? Pleit Paulus hier voor het paternalisme van zijn tijd, waarin de man de baas is over zijn vrouw? Of nog erger: Is hij een vrouwenhater?
Als we deze tekst van Paulus uit zijn verband halen, wordt het in onze tijd een tamelijk onbegrijpelijke opmerking. Laat ons dus kijken naar het verband waarin Paulus hem plaatst. Hij begint met te schrijven dat allen onderdanig aan elkaar moeten zijn: niet alleen de vrouwen, ook de mannen. Daarna gaat hij dit uitwerken en daarbij gebruikt hij de taal van zijn tijd. Hij schrijft aan mensen die leven in een paternalistische cultuur. Aan de vrouwen vraagt hij onderdanig te zijn aan hun man, maar dat is voor hen niets nieuws dat was toen de normaalste zaak. Dan wendt hij zich tot de mannen. Aan hen gaat hij echt eisen stellen.
De mannen moeten hun vrouw liefhebben. Dat mag in onze tijd als vrij normaal klinken, maar dat was het toen helemaal niet. De vrouw was het eigendom van de man. Van je bezit kun je wel houden, maar dat is dan zoals een man van zijn auto houdt. Trouwens ook vandaag zul je ze de kost moeten geven: mannen en vrouwen die van elkaar houden omdat het hun goed uitkomt. De ander is niet je bezit en is er niet ten dienste van jouw. De ander is er om werkelijk lief te hebben. Jij bent er voor hem of haar. Paulus schrijft dat de man zijn vrouw moet liefhebben, zoals Christus de kerk liefheeft, of zoals zij hun eigen lichaam liefhebben. Deze liefde is niet op jezelf gericht maar op de ander. Het is geen ontvangende liefde maar een schenkende liefde zoals Christus zichzelf schenkt om ons te redden.
Maar waarom stelt Paulus hogere eisen aan mannen dan aan vrouwen. Vindt hij vrouwen dan toch minderwaardig? Nee, Paulus kiest hier ook voor een pastorale insteek. De mannen zijn in die tijd het hoofd van het gezin. Zij zijn vrij. De vrouwen echter niet. Je kunt moeilijk iemand verplichten van een ander te houden als het geen vrije keuze betreft. In dat geval is onderdanigheid voldoende. In onze tijd waarin man en vrouw vrij voor een huwelijk met elkaar kiezen, wordt van hen beiden gevraagd dat ze elkaar liefhebben zoals Christus ons liefheeft. Ook bij de onderdanigheid moet nog een kanttekening gemaakt worden. Paulus begint te zeggen dat wij aan elkaar onderdanig moeten zijn. Dat verwijst niet naar een machtsverhouding. Dit is een in vrijheid gekozen onderdanigheid uit liefde en respect voor elkaar. Het gaat om elkaars gezag te aanvaarden en naar elkaar te luisteren. De ander heeft ons werkelijk iets te vertellen.
Door naar elkaar te luisteren, elkaar te respecteren en elkaar lief te hebben, verbinden wij ons met Christus en worden wij deel van zijn lichaam. Dat geldt in de eerste plaats binnen het huwelijk, maar ook daarbuiten. Door zijn Brood te eten ontvangen wij de kracht en de genade die dit in ons mogelijk maakt. Zo worden wij tot het ene lichaam dat wij eten. Amen.
Vandaag gaan de lezingen over eten en drinken, over brood en wijn. Het gaat over voedsel voor het lichaam en over voedsel voor de ziel, over voedsel voor de gemeenschap en over voedsel voor het leven van de wereld. Het gaat ook over verstandig en onverstandig eten en drinken. Met vijf broden en twee vissen gaf Jezus vijfduizend man te eten. Dit was voedsel voor het lichaam. Daarna is Hij met de mensen in gesprek gegaan en verlegd Hij de aandacht van het lichamelijke voedsel naar het geestelijke. “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.” Voor ons aardse, ons biologische leven volstaat het brood dat we bij de bakker halen. Dat is een eerste levensbehoefte. Jezus voorziet daarin met de broodvermenigvuldiging. Maar het is niet alleen een kwestie van voedselvoorziening. Johannes noemt het een teken. Het brood dat Jezus geeft, staat voor meer. Het heeft ook een symbolische betekenis. Hierover gaat het gesprek waarvan we vandaag een gedeelte horen.
Ook in de eerste lezing hebben brood en wijn een symbolische betekenis. In het boek Spreuken is God de bron van de wijsheid. Deze wijsheid geeft ons brood en wijn. Zij geeft ons voedsel om verstandig en wijs te kunnen leven. “Laat uw onnozelheid varen en u zult leven, bewandelen de weg der wijsheid.” Zonder wijsheid kunnen wij als gemeenschap niet leven. Wijsheid is er niet alleen voor het individu. De wijsheid hebben wij vooral nodig om als gemeenschap te leven, om goed met elkaar om te gaan en op elkaar betrokken te zijn.
Ook de woorden van Jezus moeten wij niet alleen op ons als individu betrekken. Hij zegt tegen ons: “Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.” Het gaat niet om het individuele heil en het eeuwig leven van de enkeling. Het gaat over het leven van de gehele wereld. Juist om als gemeenschap in leven te blijven moeten we ons voeden met het levende Brood uit de hemel. Dit is het Brood van liefde en vrede, het Brood dat ons in Christus tot elkaar brengt tot één lichaam, tot een gemeenschap van mensen die gezamenlijk en in verbondenheid met elkaar op weg zijn. Mensen hebben elkaar nodig. Als individuen kunnen wij niet leven. Alleen in relatie met elkaar komen wij werkelijk tot leven en kunnen wij ons ontplooien tot de personen zoals wij bedoeld zijn. In verbondenheid met elkaar komen wij tot een leven in liefde en waarheid.
De woorden van Jezus moeten we nog ruimer verstaan. Hij heeft het niet over het leven van alle mensen, van de hele mensheid, maar over het leven van de gehele wereld, over alle leven in de wereld. Dat zijn ook alle planten en dieren en misschien moeten wij zelfs het geheel van onze aarde en alles wat daar is, en ook het heelal als een levend organisme beschouwen. Alles is met elkaar verbonden en ook de dode materie maakt daar deel van uit. Dit is ook wat paus Franciscus benadrukt in zijn milieuencycliek Laudato si’. We mogen ons niet beperken tot enkele aspecten van ons bestaan. Alles hangt met elkaar samen: economie en ecologie, wereldvrede en de rechtvaardige verdeling van goederen. Daarom pleit de paus voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. Alleen door aandacht te hebben voor alle aspecten van het leven, voor alle mensen en alle leven op aarde kunnen wij gelukkig worden en in vrede leven.
Paulus waarschuwt ons voor onmatigheid. Wij moeten ons niet laten bedwelmen door wijn, maar ook niet in beslag laten nemen door de vele andere zaken, die ons van ons werkelijke leven afleiden. Willen wij werkelijk leven in verbondenheid met elkaar, mogen wij ons niet verliezen in allerlei kleine en grote verslavingen. Elke vorm van verslaving en zelfgericht consumentisme leidt tot egoïsme en doet ons de ander uit het oog verliezen. Paus Franciscus pleit voor soberheid. Hij schrijft “Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” Soberheid maakt vrij.
De eerste lezing kunnen wij ook op Jezus Christus betrekken. Hij is het Woord dat vlees geworden. Hij is de wijsheid van God. Hij geeft ons zijn vlees en bloed als voedsel ten leven. God heeft ons zijn eigen Zoon gegeven tot voedsel voor onderweg. Door ons met het eten van het Brood met Christus te verenigen, komen wij tot de liefde en de waarheid die Hij ons geeft. Hij is onze weg ten leven. Door ons te verenigen met Christus, leren wij Hem kennen. Dan vinden wij de werkelijke vreugde van de liefde gericht op de ander. Dan komen wij tot gemeenschap met elkaar, tot zorg voor de schepping, tot vrede met elkaar en tot innerlijke vrede. Alleen God kan ons in Christus deze vreugde en vrede schenken. Hij geeft ons het Brood uit de hemel. En wij zullen leven in eeuwigheid. Amen.
Vandaag zeventig jaar geleden kwam er uiteindelijk een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Terwijl Nederland al in mei bevrijd was, bleef voor de vele Nederlanders in Nederlands Indië de oorlog nog voortduren. Mijn tante Sietske was als missiezuster naar Indië gegaan. Samen met vele andere zusters zat zij van 1942 tot 1945 in een vrouwenkamp. De zusters stuurden hiervan na de oorlog een verslag[1] naar Nederland. Ik lees u daaruit een paar stukjes voor.
“Die dagen deden veel geruchten de ronde dat het bijna vrede was. (…) 20 Juni. Er waren speciale berichten, maar niemand mocht weten dat wij op de hoogte waren. Daarom allemaal even naar de slaapkamer en daar werd fluisterend verteld dat er wapenstilstand was gesloten. (…) Toch voelden wij dat er iets gaande was. Er moesten grote vlaggen gemaakt worden, waaronder twee witte. We baden. En een naaiwerk, dat ze ons gaven! Je moest het wel doen; met zekere tegenzin hebben we gewerkt aan patroontasjes. Ondertussen baden we, dat alle kogels zouden missen. (…) 16 Juli. Ineens kwam er vlees: tongen en heel veel babat.[2] De volgende dag ook. Waarom?? Niemand wist het; men giste maar weer. (…)
8 Augustus. (…) Men beweerde, dat het 15 Augustus vrede zou zijn. Moeder Gerardine hield ’t vol. Wij vertrouwen wel op de hulp van de H. Maagd, maar binden O.L. Heer niet aan tijd. 13 Augustus werd het loon voor naaisters en knipsters eindelijk geregeld. Ze waren royaal en betaalden de vrije middagen ook uit. (…) Waarde Moeder bestelde maar katjang idjoe (dat zijn kleine groene erwten), daar zit wat in en wat uitjes. Maar dat was alles zo verschrikkelijk duur,dat je nog niet veel had, maar enfin, alle beetjes hielpen. 15 Augustus. “HET FEEST”. Het enige, wat wij vernamen was een harde knal in de verte en … gewapende Nipponners op de groenteauto. 16 Augustus. De knipperij werd stop gezet. De commandant zei: “Ik kan geen garen meer krijgen.” Vreemd. Ook geen brood, want de machine in de bakkerij was stuk. Dan voor vanavond maar rijst koken voor de mensen. Toch kwam er later nog brood en we mochten de rijst even goed hebben. (…) Die dag hadden we nu eens allemaal genoeg. We hielden nog steeds af en toe onze ‘nachtelijke aanbidding’ in het maanlicht, zwijgzaam wandelend door de wijk. Veel intenties. ’t Was dan zo vredig stil buiten.
18 Augustus. Opschudding in de wijk al voor ’t ontbijt. Blanda-Indo’s[3] mogen de wijk uit, sommigen komen afscheid nemen. Waarom? Zou het vrede zijn zonder dat we het weten? Waarde Moeder dacht het ook. Maar houden ze ’t misschien stil voor de Indonesiërs? 19 Augustus. Men had één van die Blanda-Indo dames langs het gedèk[4] horen gaan, terwijl ze het afgesproken liedje zong. (…) 20 Augustus. Verjaardag van Waarde Moeder. Telkens hoorde men iets wat op vrede wees en ’s avonds kwamen er zeven manden bevroren vlees. 21 Augustus. Was dit een gerucht of was het geen gerucht? Men zei, dat het heus vrede was, maar nog niet officieel bekend gemaakt. (…) 22 Augustus. Verschillende meningen. Om 11 uur kwam Mère Leonie, die nog eens het nieuws kwam vertellen. “Het is heus vrede hoor.” (…) 24 Augustus. (…) ’s Avonds bij tienen – we waren ons al aan ’t uitkleden – daar hoorden we in de verte het Wilhelmus zingen! Wij er uit. Met Moeder Provinciaal naar ’t Landhuis. Daar druk gezang, een oranje lampion en bijna alle zusters. (…) We zongen samen Laudate Domine en gingen weer rustig naar huis. De mensen vonden het jammer. Ze juichten nog wat na. Maar om half 11 was het toch rustig. 25 Augustus. Samen hebben we voor het ontbijt op de slaapkamer het Te Deum en Magnificat gezongen. We droegen allen oranje. De schuilkelders werden dichtgegooid door jongens en meisjes. ’s Avonds allen tezamen een dankstond.”
Het was bijzonder dit verslag te lezen. Blijmoedig en met veel vertrouwen op God ondergaan de zusters de vele ontberingen. Ondanks alles blijven zij zich inzetten voor anderen. Het helpt de zusters dat zij een hechte gemeenschap vormen. Voortdurend zijn er ook feesten: kerkelijke feesten, verjaardagen, naamdagen, professiejubilea, noem maar op. Telkens weer wordt er met beperkte middelen een feest gecreëerd. De zusters geven ons een voorbeeld van leven in liefde en geloof. Amen.
(Preek op het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming 2015)
[1] Onlangs is dit verslag als boek uitgegeven: Zr. Getruud Padberg (red.), Missiezusters achter het gedèk – Herinneringen van de zusters van “De Voorzienigheid” uit Bangka, Nederlands-Indië 1942-1945, Haarlem: Spaar en Hout, 2014.
[2] Babat is slachtafval: de ingewanden van koeien.
[3] Blanda-Indo’s zijn Nederlandse staatsburgers die in Indonesië zijn geboren of gedeeltelijk van Indische afkomst zijn.
[4] Het gedèk is de afrastering rond het kamp gemaakt van bamboe.
God laat zijn schepping nooit in de steek. Hij laat ons mensen niet aan ons lot over. Zo geeft Hij de Israëlieten te eten. Hij laat hen niet omkomen in de woestijn. Ze zijn op weg naar het beloofde land, het land van vrede en vrijheid. Dat is de weg die God voor hen heeft uitgestippeld. Hij zorgt ervoor dat zij deze weg ook daadwerkelijk kunnen gaan. Ook wij zijn mensen die op reis zijn, mensen die voedsel voor onderweg nodig hebben. Ook wij kunnen onze weg niet zonder hulp volbrengen. De hele mensheid, zelfs de hele schepping is onderweg naar het Rijk Gods. Wij gaan niet een eenzame reis; wij reizen gezamenlijk, als gemeenschap en in verbondenheid met elkaar. Het is juist de gemeenschap die gevoed moet worden.
Om als individu in leven te blijven volstaat het brood dat we bij de bakker halen. Om als gemeenschap in leven te blijven moeten we ons voeden met het Brood uit de hemel. Dit is het Brood dat door God zelf is getekend. Hij heeft er zijn stempel op gedrukt. Dit is het Brood van liefde en vrede, het Brood dat ons in Christus tot elkaar brengt tot één lichaam, tot een gemeenschap van mensen die gezamenlijk en in verbondenheid met elkaar op weg zijn. Mensen hebben elkaar nodig. Als individuen kunnen wij niet leven. Alleen in relatie met elkaar komen wij werkelijk tot leven en kunnen wij ons ontplooien tot de personen zoals wij bedoeld zijn. Alleen in verbondenheid met elkaar komen wij tot een leven in liefde en waarheid.
Paulus schrijft: “Bekleedt u met de nieuwe mens, die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.” Om te zijn zoals we bedoeld zijn, moeten wij onze oude mens afleggen door afstand te doen van onze zelfgerichtheid. Onze zelfliefde moeten wij omvormen tot liefde voor de ander. Dit vraagt om bekering en verlossing. Het is aan ons om ons hiervoor open te stellen en ontvankelijk te zijn. Het is God zelf die ons in en door Christus de verlossing schenkt. Hij geeft onze de genade die ons brengt tot geloof en tot bekering. Hij heeft ons zijn eigen Zoon gegeven tot voedsel voor onderweg. Door ons met het eten van het Brood met Christus te verenigen, komen wij tot de liefde en de waarheid die Hij ons geeft. Hij is onze weg ten leven.
Paulus leert ons: “leeft niet langer zoals de heidenen in hun waanwijsheid.” Ook wij leven vaak in de waanwijsheid, dat we prima in staat zijn ons zelf te redden. We zijn niet van anderen afhankelijk. We kunnen heel goed voor onszelf zorgen. Wij gaan ons eigen pad en hebben daarbij niemand nodig. Dit is de waanwijsheid van de heidenen waarvoor Paulus ons waarschuwt. Deze waanwijsheid doet ons enkel het eigen plezier zoeken. Het is de waanwijsheid van de zelfliefde die ten koste gaat van anderen. Door ons te verenigen met Christus, leren wij Hem kennen. Dan vinden wij de werkelijke vreugde van de liefde gericht op de ander. Dan komen wij tot gemeenschap met elkaar, tot vrede met elkaar en tot innerlijke vrede. Alleen God kan ons in Christus deze vreugde en vrede schenken. Hij geeft ons het Brood uit de hemel. En wij zullen nooit meer honger hebben en nooit meer dorst krijgen. Amen.
Auteur: Walther Burgering
Titel: Pastoraat in Stelling
Uitgever: FortMedia, 2014
Prijs: € 11,95
ISBN: 978 90 77219 69 0
Aantal pagina’s: 128
“Pastoraat is wezenskenmerk van geloofsgemeenschap-zijn en derhalve gekoppeld aan een pastorale beroepskracht, aan (actieve) kerkleden…” “Haar oogmerk is redding, bevrijding, heling en mensen op hun levensbestemming brengen vanuit een gelovig verstaan van de werkelijkheid, waar hoop en liefde het laatste woord hebben.” Dit is voor diaken Walther Burgering reden om aandacht aan de kwaliteit van het pastoraat te besteden. Hij baseert zijn boek op zijn ervaringen in het parochiepastoraat en die in het gevangenispastoraat.
De parochie ziet zichzelf als een gemeenschap, maar door het toegenomen individualisme wordt zij steeds meer als een service-instituut gezien. Pastorale beroepskrachten zien het individueel pastoraat over het algemeen als de kern van het pastoraat en constateren tevens dat ze hier te weinig aan toekomen. Ook hun aandacht voor de gemeenschap is beperkt.[*]
Burgering pleit op basis van zijn ervaringen in het instellingenpastoraat voor meer organisatie en een meer beleidsmatige aanpak in het pastoraat. Het is nodig dat er keuzes gemaakt worden. Samenwerking en werkverdeling binnen pastorale teams en met de vrijwilligersorganisatie zijn nodig om tot kwaliteitsverbetering te komen.
Dit boek is een aanrader voor allen die betrokken zijn bij het parochiepastoraat, voor allen wier hart bij de Kerk ligt.
[*] Zie ook mijn notitie ‘Pastoraat van gemeenschap’: https://diakenpiertolsma.com/2015/06/16/pastoraat-van-gemeenschap/.
Op 18 juni verscheen een brief van paus Franciscus gericht aan alle mensen. De paus richt zich nadrukkelijk tot alle bewoners van ons gezamenlijk huis. Deze encycliek draagt de titel: ‘Laudato si’’ ofwel ‘Geprezen zijt Gij’. Deze woorden komen uit het Zonnelied, een loflied op God en zijn schepping: “Geprezen zijt Gij, mijn Heer, door onze zuster, moeder aarde, die ons voedt en leidt.” (1) Dit Zonnelied werd geschreven door Franciscus van Assisi. Deze “nodigt ons, trouw aan de Schrift, uit de natuur als een schitterend boek te zien waarin God tot ons spreekt en ons een glimp schenkt van zijn oneindige schoonheid en goedheid.” (12) De huidige paus heeft de naam van deze heilige aangenomen.
De encycliek gaat over duurzaamheid, over de schepping en haar voortbestaan en over de gevolgen van het onverantwoord omgaan met de schepping. Onze zuster, moeder aarde “schreeuwt ons op dit moment toe vanwege de schade die wij haar hebben toegebracht door ons onverantwoordelijk gebruik en misbruik van al het goede dat God haar heeft geschonken.” (2) Met deze encycliek treedt paus Franciscus in de voetsporen van zijn voorgangers die de laatste vijftig jaar de zorg voor de schepping geadresseerd hebben. De encycliek maakt onderdeel uit van de sociale leer van de Kerk. Zij gaat over hoop en over dialoog; de paus roept iedereen op. “Deze dringende oproep tot bescherming van ons gemeenschappelijke huis omvat de noodzaak de gehele menselijke familie bij elkaar te brengen om te zoeken naar een duurzame en integrale ontwikkeling, want wij weten dat zaken kunnen veranderen. (…) De mensheid heeft nog steeds de mogelijkheid samen te werken aan de opbouw van ons gemeenschappelijk huis.” (13) “Ik roep daarom nadrukkelijk op tot een nieuwe dialoog over de manier waarop we de toekomst van onze planeet vormgeven. We hebben een gesprek nodig waaraan iedereen deelneemt, want de milieu-uitdaging waarvoor we staan en haar menselijke oorzaken, betreffen ons allemaal en gaan ieder van ons aan.” (14)
Hoofdstuk 1: Wat gebeurt er met ons gemeenschappelijk huis
De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen – waaraan de mens medeschuldig is – treffen alle mensen maar vooral de armen. “De aarde, ons huis, begint steeds meer op een enorme vuilnisbelt te lijken.” (21) “Deze problemen zijn nauw verbonden met de wegwerpcultuur, die zowel de uitgesloten mensen betreft als ook voorwerpen snel reduceert tot afval.” (22) “Klimaatverandering is een mondiaal probleem met ernstige gevolgen: ecologisch, sociaal, economisch, politiek en voor de verdeling van goederen. (…) Vele armen wonen in gebieden die in het bijzonder geraakt worden door de gevolgen van de opwarming, en hun middelen van bestaan zijn grotendeels afhankelijk van natuurlijke reserves en natuurgebonden bedrijven zoals landbouw, visserij en bosbouw. (…) Tragisch is de toename van het aantal migranten die op de vlucht zijn voor de groeiende armoede als gevolg van de achteruitgang van het milieu.” (25) “Waterschaarste raakt vooral Afrika waar omvangrijke bevolkingsgroepen geen toegang hebben tot veilig drinkwater of te maken hebben met droogte die de landbouwproductie treft.” (28) “De vermindering van bossen en wildernis betekent ook de vermindering aan soorten die in de toekomst buitengewoon belangrijk kunnen zijn, niet alleen als voedsel maar ook voor de productie van medicijnen en ander gebruik.” (32) “Omdat alle schepselen met elkaar zijn verbonden, moeten alle met liefde en respect gekoesterd worden, want wij allen zijn als levende schepselen van elkaar afhankelijk.” (42)
“Tot de sociale aspecten van de mondiale veranderingen behoren ook de gevolgen van de technologische innovaties op het gebied van de arbeid, de sociale uitsluiting, de ongelijkheid in de verdeling en het gebruik van energie en andere diensten, de afbraak van de gemeenschap, de toename van geweld en de opkomst van nieuwe vormen van sociale agressie, drugshandel en toenemend drugsgebruik door jongeren, en het verlies aan identiteit.” (46) “Het menselijke milieu en het natuurlijke milieu verslechteren in samenhang met elkaar; wij kunnen de achteruitgang van het milieu niet adequaat bestrijden zonder ook aandacht te besteden aan de oorzaken die verband houden met de menselijke en sociale achteruitgang.” (48) “Door alles te wijten aan de bevolkingsgroei in plaats van aan een extreem en selectief consumentisme door enkelen, weigert men de problemen onder ogen te zien. Het is een poging om het huidige verdelingsmodel te legitimeren, waarbij een minderheid het recht meent te hebben om te consumeren op een wijze die niet te veralgemeniseren is, omdat de planeet niet in staat is om het afval van een dergelijke consumptie op te slaan.” (50) De paus concludeert: “Nooit hebben wij ons gemeenschappelijk huis zo mishandeld en beschadigd als in de laatste twee eeuwen.” (53) “Het is opmerkelijk hoe zwak de reacties van de internationale politiek zijn geweest.” (54)
Hoofdstuk 2: Het evangelie van de schepping
Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. “Als wij werkelijk een ecologie willen ontwikkelen die ons in staat stelt de schade die we hebben veroorzaakt, te herstellen dan mag geen enkele wetenschap en geen enkele vorm van wijsheid uitgesloten worden, ook de religies niet met haar eigen taal.” (63) Paus Franciscus schrijft: “dat het menselijk leven op drie fundamentele en nauw met elkaar verbonden relaties is gebaseerd: met God, met de naaste en met de aarde zelf. (…) De harmonie tussen de Schepper, de mensheid en de schepping als geheel werd verstoord doordat wij ons aanmatigden de plaats van God in te nemen en weigerden onze beperkingen als schepselen te erkennen. Dat zorgde weer voor de vervalsing van de opdracht om te ‘heersen’ (Gen. 1,28) over de aarde en ‘haar te bewerken en te beheren’ (Gen. 2,15). Zo veranderde de oorspronkelijke harmonieuze relatie tussen de mensen en de natuur in een conflict.” (66) “Wij zijn niet God. De aarde was er al voordat wij er waren en zij werd aan ons gegeven.” (67)
De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. De schepping is ons niet gegeven om haar te beheersen en haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken; niet om te verbruiken. Zij is ons gegeven om haar door te geven aan de volgende generaties. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.
“De verantwoordelijkheid voor Gods aarde betekent dat de mensen, begiftigd met verstand, de wetten van de natuur en het delicate evenwicht dat er tussen de schepselen van deze wereld bestaat, moeten respecteren…” (68) “Samen met onze plicht de aardse goederen op verantwoorde wijze te gebruiken, worden we ook opgeroepen te onderkennen dat de andere levende wezens in de ogen van God hun eigen waarde hebben en Hem alleen al met hun bestaan loven en verheerlijken…” (69) “Wij hebben de vrije keuze met onze intelligentie aan een positieve ontwikkeling bij te dragen of nieuwe rampen te veroorzaken, nieuwe oorzaken van lijden en van daadwerkelijke terugval. Dit veroorzaakt de spannende en dramatische menselijke geschiedenis waarbinnen vrijheid, groei, redding en liefde kunnen bloeien maar die ook tot verval en wederzijdse vernietiging kan leiden.” (79)
“Onze bewering dat iedere mens een afbeelding van God is, mag er niet de oorzaak van zijn dat we over het hoofd zien dat ieder schepsel zijn eigen doel heeft. Niets is overbodig.” (84) “God wil de onderlinge afhankelijkheid van de schepselen.” (86) “Een gevoel van innige verbondenheid met de rest van de natuur kan niet werkelijk bestaan als het onze harten ontbreekt aan tederheid, compassie en zorg voor onze medemensen.” (91) De paus pleit voor een holistische en allesomvattende visie. “Vrede, gerechtigheid en behoud van de schepping zijn drie absoluut met elkaar verbonden thema’s, die niet van elkaar gescheiden en los van elkaar behandeld kunnen worden zonder opnieuw te vervallen in reductionisme.” (92) “Of we geloven of niet, we zijn het er tegenwoordig over eens dat de aarde wezenlijk een gezamenlijk erfgoed is waarvan de vruchten iedereen ten goede komen. (…) Het principe van de ondergeschiktheid van privébezit aan de universele bestemming van goederen, en dus het recht van iedereen op haar gebruik, is een gouden regel van sociaal gedrag en het belangrijkste principe van de gehele ethische en sociale ordening.” (93) “De rijken en de armen hebben gelijke waardigheid, want God is de Schepper van allen.” (94)
Hoofdstuk 3: De menselijke oorzaken van de ecologische crisis
Dit vraagt een andere manier van denken, een culturele revolutie. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. “We moeten onderkennen dat kernenergie, biotechnologie, informatietechnologie, kennis van ons DNA en vele andere vaardigheden die wij ons eigen hebben gemaakt, ons een enorme macht hebben gegeven.” (104) “De neiging bestaat te geloven dat iedere toename van macht een groei in vooruitgang betekent, meer veiligheid, voordelen, welvaart en vitaliteit (…), alsof de werkelijkheid, het goede en de waarheid automatisch uit de technologische en economische kracht zelf voortvloeien. (…) Onze enorme technologische ontwikkeling is niet vergezeld gegaan van een menselijke ontwikkeling in verantwoordelijkheid, waarden en geweten.” (105) De mensheid gebruikt “de technologie en haar ontwikkeling overeenkomstig een ongedifferentieerd en eendimensionaal paradigma. Dit paradigma staat voor de opvatting dat iemand die logische en rationele procedures hanteert, het buiten hem liggende object langzamerhand onder controle krijgt en het zo bezit. (…) Mensen en materiële zaken reiken elkaar niet meer vriendelijk de hand; de relatie is confronterend geworden. Dit heeft het gemakkelijk gemaakt het idee van een oneindige en onbegrensde groei te accepteren…” (106) “Het technocratische paradigma neigt de economie en de politiek te domineren.” (109) Verondersteld wordt dat winstmaximalisatie voldoende is om tot een betere wereld te komen.
Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang. Zonder te vervallen tot cultuurpessimisme geeft de paus kritiek op de huidige cultuur waarin technologie, economie en vooruitgang centraal staan. “Als we er niet in slagen de waardigheid van de arme, van het ongeboren kind en van de gehandicapte – om maar een paar voorbeelden te noemen – te erkennen als deel van de werkelijkheid, wordt het moeilijk het hulpgeroep van de natuur zelf te horen; alles is met elkaar verbonden.” (117) “Er is geen nieuwe relatie met de natuur mogelijk zonder een nieuwe mens.” (118) De ecologische crisis komt voort uit een ethische, culturele en spirituele crisis. Door onszelf centraal te stellen en absoluut voorrang te geven aan ons eigen gemak en plezier, wordt al het andere betrekkelijk. Alles wat niet dienstbaar is aan ons directe eigenbelang wordt relatief en onbelangrijk. “De cultuur van het relativisme is de zelfde verwarring die de ene mens ertoe brengt voordeel te behalen op een ander, anderen louter als objecten te beschouwen, hen dwangarbeid op te leggen of tot slaaf te maken om hen hun schulden te laten betalen. (…) Het is ook de denkwijze van degenen die beweren: Laat de onzichtbare hand van de markt de economie reguleren en beschouw de impact op de samenleving en op de natuur als bijkomstige schade.” (123)
“Het verstandig ontwikkelen van de schepping is de beste manier om voor haar te zorgen. Dit betekent dat wijzelf het gereedschap van God worden om de mogelijkheden die Hij zelf in alles heeft gelegd tot ontplooiing te brengen.” (124) “Als we nadenken over een juiste relatie tussen mensen en de wereld om ons heen, dan wordt de noodzaak van een goed begrip van arbeid duidelijk… Aan de basis van iedere vorm van arbeid ligt de relatie die wij kunnen en moeten hebben met hetgeen dat buiten onszelf ligt.” (125) “We moeten bedenken dat mannen en vrouwen de mogelijkheid hebben tot verbetering van hun materiële situatie, tot morele vooruitgang en tot spirituele ontplooiing.” (127) “Het hogere doel moet altijd zijn dat mensen door arbeid een waardig leven verkrijgen. Stoppen met investeren in mensen om zo op korte termijn hogere winst te behalen, is een slechte zaak voor de maatschappij.” (128) “Ondernemen is een eervol beroep dat erop is gericht welvaart te produceren en onze wereld te verbeteren. Het kan een vruchtbare bron van voorspoed zijn voor de gebieden waar het opereert, vooral als het scheppen van banen als een wezenlijk onderdeel van haar dienst aan het algemeen welzijn wordt gezien.” (129)
De heilige Johannes Paulus II “maakte duidelijk dat de Kerk de voordelen waardeert die het resultaat zijn van studie en toepassing van de moleculaire biologie aangevuld door andere disciplines zoals de genetica en de technische toepassing in landbouw en industrie. Maar hij wees er ook op dat dit niet mag leiden tot geen onderscheid makende genetische manipulatie, die de negatieve effecten van dergelijke ingrepen ontkent.” (131) “Het respect dat het geloof voor het verstand heeft, vraagt om scherpe aandacht voor wat de biologische wetenschappen ons onafhankelijk van economische belangen door onderzoek kunnen leren over biologische structuren, hun mogelijkheden en hun mutaties.” (132) “De betrokken risico’s zijn niet altijd aan de gebruikte technieken te wijten, maar eerder aan oneigenlijk of buitensporig gebruik ervan.” (133)
Hoofdstuk 4: Integrale ecologie
Omdat alles nauw met elkaar verbonden is, pleit paus Franciscus voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Ook vragen de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Het zelfgerichte consumentisme gaat ten koste van anderen, ten koste van de cultuur van volkeren en ten koste van de schepping. “Een consumentistische visie, versterkt door de mechanismen van de hedendaagse geglobaliseerde economie, heeft een vervlakkend effect op culturen en vermindert de enorme verscheidenheid die het erfgoed van de mensheid is.” (144) “Vele vormen van intensieve uitbuiting en beschadiging van het milieu putten niet alleen de bronnen van bestaan van locale gemeenschappen uit, maar vernietigen ook de sociale structuren die gedurende lange tijd vorm hebben gegeven aan de culturele identiteit en aan de zin van het leven en van de gemeenschap.” (145)
Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst. “Een werkelijke ontwikkeling omvat inspanningen te komen tot een integrale verbetering van de kwaliteit van het menselijk bestaan en dit vraagt aandacht voor de situatie waarbinnen het menselijk leven zich afspeelt.” (147) “Het is nodig de openbare ruimte, vergezichten en stadsparken te beschermen want zij versterken ons gevoel van verbondenheid, van geworteld zijn en van thuis voelen in de stad die ons omsluit en samenbrengt.” (151) “De kwaliteit van het stadsleven wordt sterk beïnvloed door de transportsystemen, die vaak een bron van veel ellende vormen voor de gebruikers.” (153) “Respect voor de menselijke waardigheid botst vaak met de chaotische werkelijkheid waarmee stadsmensen te maken hebben.” (154)
“Menselijke ecologie omvat ook een diepgaand aspect: de relatie tussen het menselijk leven en de morele wet, die in onze eigen natuur is vastgelegd. (…) Paus Benedictus XVI sprak van een ‘ecologie van de mens’, gebaseerd op het feit dat de mens een natuur heeft die hij moet respecteren en niet naar eigen believen kan manipuleren. (…) Het aanvaarden van onze lichamen als een geschenk van God is wezenlijk om de gehele wereld tegemoet te treden en te aanvaarden als een geschenk van de Vader en als ons gezamenlijk huis.” (155) “Menselijke ecologie is niet te scheiden van het idee van het algemeen welzijn…” (156) “Het algemeen welzijn vraagt om vrede, sociale stabiliteit en de veiligheid van een zekere ordening die niet bereikt kunnen worden zonder bijzondere aandacht voor de verdelende rechtvaardigheid want de gerechtigheid verkrachten brengt altijd geweld voort. De maatschappij als geheel en de overheid in het bijzonder zijn verplicht het algemeen welzijn te verdedigen en te bevorderen.” (157)
“We kunnen niet spreken over een duurzame ontwikkeling los van solidariteit tussen de generaties. Als we eenmaal beginnen te denken over welke wereld wij aan de toekomstige generaties willen nalaten, bekijken we alles anders. We realiseren ons dat de wereld een geschenk is dat wij zomaar hebben gekregen en dat we moeten delen met anderen. Als de wereld ons gegeven is, kunnen we de werkelijkheid niet langer met een puur utilitaristische blik waarin efficiëntie en productiviteit geheel op ons individuele profijt zijn gericht, bekijken.” (159) “De voorspellingen over de ondergang van de wereld kunnen niet langer met geringschatting en ironie beschouwd worden. Het zou wel eens enkel puin, verwoesting en afval kunnen zijn wat wij aan de volgende generaties nalaten. Het tempo van consumptie, vervuiling en veranderingen in het milieu heeft de mogelijkheden van de planeet zover overschreden, dat de huidige niet-duurzame wijze van leven alleen maar in catastrofes kan eindigen, zoals nu al zo nu en dan in verschillende gebieden het geval is.” (161)
Hoofdstuk 5: Wegen naar aanpak en actie
In dit hoofdstuk beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. “Een wereld van onderlinge afhankelijkheid maakt ons niet alleen meer bewust van de negatieve effecten van bepaalde levenswijzen, productiemethoden en consumptie die ons allemaal treffen. Nog belangrijker is dat zij ons motiveert tot oplossingen die uitgaan van een mondiaal perspectief en niet alleen de belangen van enkele landen verdedigen. Onderlinge afhankelijkheid verplicht ons te denken in termen van één wereld met een gezamenlijk plan.” (164) De paus stelt de volgende onderwerpen aan de orde: vervuilende fossiel brandstoffen, biodiversiteit, klimaatverandering en broeikasgassen.
“Voor arme landen moet de prioriteit liggen bij de uitroeiing van extreme armoede en de bevordering van de sociale ontwikkeling van de bevolking. Tegelijkertijd moeten zij het schandalige niveau van consumptie door sommige bevoorrechte delen van hun bevolking onderkennen en de corruptie effectiever bestrijden. Evengoed moeten ook zij minder verontreinigende vormen van energieproductie ontwikkelen, maar daarbij hebben zij de hulp nodig van landen die ten koste van de voortdurende vervuiling van de planeet grote groei hebben doorgemaakt.” (172) “Gegeven de situatie is het wezenlijk tot sterkere en efficiënter georganiseerde internationale instellingen te komen met functionarissen die bevoegd zijn tot het uitdelen van sancties en die aangesteld worden bij overeenkomst tussen de nationale regeringen. (…) De diplomatie krijgt zo een nieuw belang met het ontwikkelen van internationale strategieën ter voorkoming van serieuze problemen die ons allen treffen.” (175)
Hoofdstuk 6: Ecologische opvoeding en spiritualiteit
Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hierover gaat het laatste hoofdstuk. Zo heeft de paus het over een ecologische bekering. Dit vraagt een ecologische spiritualiteit. “Vele zaken moeten veranderen, maar bovenal moeten wij mensen veranderen.” (202) “Sinds de markt, om haar producten te verkopen, er toe neigt buitensporige consumptie te promoten, kunnen mensen gemakkelijk gevangen worden in een spiraal van onnodige aankopen en uitgaven. (…) Mensen geloven dat ze vrij zijn zolang ze de vermeende vrijheid tot consumeren hebben.” (203) “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren. Het wordt bijna onmogelijk om de grenzen te accepteren die de realiteit oplegt. Tegen deze horizon verdwijnt een authentiek gevoel voor het algemeen welzijn. (…) Een door consumptie geobsedeerde levensstijl kan alleen tot geweld en tot wederzijdse vernietiging leiden, zeker wanneer dit slechts voor een beperkt aantal mensen is weggelegd.” (204)
Wij mensen moeten veranderen en een nieuwe levensstijl aannemen, loskomen van het consumentisme. Mensen zijn “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” (205) De paus bepleit een ecologische bewustwording. “Het bewustzijn van de ernst van de huidige culturele en ecologische risico’s moet naar nieuwe gewoonten vertaald worden.” (209) “Ecologische bewustwording moet het mogelijk maken de sprong naar het transcendente te maken dat een ecologische moraal haar diepste betekenis geeft.” (210) “Het is nodig dat politieke organisaties en vele andere sociale groeperingen werk maken van het verhogen van het bewustzijn bij de mensen. Dat geldt ook voor de Kerk.” (214)
“Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” (222) Soberheid maakt vrij. Hiervan vinden we talloze voorbeelden in de Bijbel en in de geschiedenis van de Kerk. “Echter niemand is in staat tot een leven van soberheid en tevredenheid, als hij of zij niet in vrede met zichzelf leeft. (…) Innerlijke vrede is nauw verbonden met de zorg voor de ecologie en het algemeen welzijn…” (225)
“De sacramenten vormen een bevoorrechte wijze waarop God de natuur verheft tot een middel om aan het bovennatuurlijke leven deel te nemen. In onze liturgie worden we uitgenodigd de wereld op een ander niveau te omhelzen. Water, olie, vuur en kleuren krijgen hun volle symbolische kracht en worden onderdeel van onze lofprijzing.” (235) De paus legt de relatie naar de heilige Drie-eenheid die gemeenschap in zichzelf is en als eenheid de wereld heeft geschapen. “Alles is met elkaar verbonden en dat nodigt ons uit een spiritualiteit van mondiale solidariteit te ontwikkelen die voortvloeit uit het mysterie van de heilige Drie-eenheid.”
Onlangs verscheen een brief van paus Franciscus gericht aan alle mensen. Deze encycliek draagt de titel ‘Geprezen zijt Gij’. Deze woorden komen uit het Zonnelied, een loflied op God en zijn schepping, geschreven door Franciscus van Assisi. De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen, waaraan de mens medeschuldig is, treffen alle mensen maar vooral de armen. “Nooit hebben wij ons gemeenschappelijk huis zo mishandeld en beschadigd als in de laatste twee eeuwen.”
Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. Paus Franciscus schrijft: “dat het menselijk leven op drie fundamentele en nauw met elkaar verbonden relaties gebaseerd is: met God, met de naaste en met de aarde zelf.” De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is aan de mens gegeven om haar te ontwikkelen en met respect te beheren. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. Dit vraagt een andere manier van denken, een culturele revolutie. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang.
Omdat alles nauw met elkaar verbonden is, pleit de paus voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Daarnaast vragen ook de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst.
Vervolgens beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hierover gaat het laatste hoofdstuk. Wij mensen moeten veranderen en een nieuwe levensstijl aannemen, loskomen van het consumentisme. Mensen zijn “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” Zo heeft de paus het over een ecologische bekering. Dit vraagt een ecologische spiritualiteit. “Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” Soberheid maakt vrij. Werkelijk geluk wordt gevonden in liefde, vrede en vertrouwen.
Column in De Heraut, 1 juli 2016
Onlangs verscheen een brief van paus Franciscus gericht aan alle mensen. De paus richt zich nadrukkelijk tot alle bewoners van ons gezamenlijk huis. Deze encycliek draagt de titel: ‘Laudato si’’ ofwel ‘Geprezen zijt Gij’. Deze woorden komen uit het Zonnelied, een loflied op God en zijn schepping. Dit Zonnelied werd geschreven door Franciscus van Assisi. Franciscus van Assisi ziet de hand van God in alles wat geschapen is. De huidige paus heeft de naam van deze heilige aangenomen.
De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen – waaraan de mens medeschuldig is – treffen alle mensen maar vooral de armen. De paus schrijft: “Nooit hebben wij ons gemeenschappelijk huis zo mishandeld en beschadigd als in de laatste twee eeuwen.”
Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. Paus Franciscus schrijft: “dat het menselijk leven op drie fundamentele en nauw met elkaar verbonden relaties gebaseerd is: met God, met de naaste en met de aarde zelf.” De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. De schepping is ons niet gegeven om haar te beheersen en haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken; niet om te verbruiken. Zij is ons gegeven om haar door te geven aan de volgende generaties. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.
Dit vraagt een andere manier van denken, een culturele revolutie. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang. Zonder te vervallen tot cultuurpessimisme geeft de paus kritiek op de huidige cultuur waarin technologie, economie en vooruitgang centraal staan. De ecologische crisis komt voort uit een ethische, culturele en spirituele crisis. Door onszelf centraal te stellen en absoluut voorrang te geven aan ons eigen gemak en plezier, wordt al het andere betrekkelijk. Alles wat niet dienstbaar is aan ons directe eigenbelang wordt onbelangrijk.
Omdat alles nauw met elkaar verbonden is, pleit de paus voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Ook vragen de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst. Het zelfgerichte consumentisme gaat ten koste van anderen, ten koste van de cultuur van volkeren en ten koste van de schepping. Tenslotte leidt het consumentisme tot geweld en tot wederzijdse vernietiging.
Vervolgens beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hierover gaat het laatste hoofdstuk. Paus Franciscus schrijft: “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren. Het wordt bijna onmogelijk om de grenzen te accepteren die de realiteit oplegt. Tegen deze horizon verdwijnt een authentiek gevoel voor het algemeen welzijn.”
Wij mensen moeten veranderen en een nieuwe levensstijl aannemen, loskomen van het consumentisme. Mensen zijn – schrijft de paus – “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” Zo heeft de paus het over een ecologische bekering. Dit vraagt een ecologische spiritualiteit. “Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” Soberheid maakt vrij. Hiervan vinden we talloze voorbeelden in de Bijbel en in de geschiedenis van de Kerk. Werkelijk geluk wordt gevonden in liefde, vrede en vertrouwen. Amen.