Spring naar inhoud

Christus kennen; Fil 3,8-14; Joh 8,1-11

“Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond.” Het is een mysterieuze bezigheid: niemand weet wat Hij schrijft. De schriftgeleerden en Farizeeën stellen Hem een strikvraag, zij leggen Hem het vuur na aan de schenen. Jezus zegt niets, Hij schrijft met zijn vinger op de grond. Hij is blijkbaar geheel in gedachten verzonken.

Voortdurend hebben mensen zich afgevraagd: wat zou Jezus daar geschreven hebben? Afgelopen woensdag was ik met mijn vrouw in Gouda. Wij bezochten daar de tentoonstelling over Erasmus. Die is zeker de moeite van het bezoeken waard. Met de katholieke priester Erasmus begint van de huidige Bijbelwetenschap. Zijn Griekse versie van het Nieuwe Testament vormt ook de basis voor de protestantse Statenvertaling. Daarna gingen we naar de Sint Jan, de langste kerk van Nederland, met een grote rijkdom aan glas-in-loodramen. De oudste ramen zijn nog door de katholieken aangebracht, maar direct na de reformatie zijn de protestanten hiermee verder gegaan. Een van deze latere ramen is het raam van Jezus met de overspelige vrouw.

De glazenier – of misschien was het zijn opdrachtgever, de kerkenraad – kon blijkbaar niet leven met het mysterie: dat wij niet weten wat Jezus daar op de grond schreef, was voor hem blijkbaar ondragelijk. En dus heeft hij het zelf maar ingevuld. Hij laat Jezus schrijven: “Wie onder u zonder zonde is, die werpe de eerste steen op haar.” Dat maakt het leven een stuk overzichtelijker. Geen mysterieus gedoe, maar heldere taal. En waarom niet? Dit zijn toch de woorden die Jezus vervolgens zelf zal uitspreken. Maar het gaat niet om ‘waarom niet’. Het gaat juist om ‘waarom wel’. Waarom willen wij perse weten wat Jezus daar op de grond schrijft? Als dat echt nodig is, waarom staat het dan niet in het Evangelie? Blijkbaar vindt de schrijver het belangrijk dat we dat nou juist niet weten. Blijkbaar vindt hij het belangrijk dat wij leven met een mysterie.

Een goed christen wil Jezus navolgen en om dat te kunnen doen, wil hij Hem leren kennen. Sint Franciscus van Assisi had dit ideaal voor ogen. Hij probeerde zoveel mogelijk op Jezus te gelijken en precies dezelfde dingen te doen als Jezus deed. Maar dat is niet de reden van zijn heiligverklaring. Hij is geen grote heilige omdat hij een kopie van Jezus is. Hij is een groot heilige omdat hij Jezus in zijn eigen leven tot leven liet komen. Hij heeft zich zo innig met Jezus verbonden, dat Jezus in hem tot leven kwam in zijn tijd en op de plaats waar hij leefde. Daarmee ontsteeg Franciscus het eenvoudige kopieerwerk. Hij brengt Jezus Christus werkelijk tot leven maar doet het op zijn eigen manier en geeft er ook zijn eigen kleur aan. Zo vond Franciscus de weg van navolging van Christus. Voor een tentoonstelling over Sint Franciscus kunt u momenteel in Utrecht terecht in het Catharijneconvent.

De weg van Sint Franciscus vinden we ook in de brief van de apostel Paulus. Paulus schrijft dat het kennen van Christus alles te boven gaat. Om Christus heeft hij alles prijsgegeven. Wat bedoelt Paulus met het kennen van Christus? Paulus schrijft: “Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden.” Net als bij Sint Franciscus gaat het bij Paulus om een intensieve verbondenheid met Christus. Paulus wil de kracht van de opstanding ervaren en delen in het lijden van Christus. Het gaat Paulus niet om kennis die je met woorden kunt overdragen. Het gaat hem niet om een soort van boekenwijsheid. Het gaat Paulus om een echte persoonlijke ervaring, geestelijk en lichamelijk. Verbondenheid en gemeenschap zijn essentiële menselijke ervaringen.

Op dezelfde wijze is ook gerechtigheid meer dan het toepassen van de wet. Gerechtigheid is ook dat wat wij als waar en rechtvaardig ervaren. De weg naar de ware gerechtigheid, de goddelijke gerechtigheid vinden wij door ons leven in geloof te verbinden met Christus. Deze gerechtigheid – zo schrijft Paulus – is verbonden met het geloof. Paus Franciscus schrijft bij de afkondiging van het jaar van barmhartigheid het volgende over barmhartigheid en gerechtigheid: “Alleen gerechtigheid is niet voldoende. Met barmhartigheid en vergeving gaat God verder dan gerechtigheid, Hij neemt die op en verheft haar tot iets hogers, waardoor we de liefde kunnen ervaren die het fundament is van ware gerechtigheid. (…) Met barmhartigheid is de gerechtigheid rechtvaardiger, en kan werkelijk tot haar recht komen.”

Jezus schrijft met zijn vinger op de grond. Op dat moment schrijft Hij geen universele wetten en regels. Hij schrijft woorden die alleen in die situatie van toepassing zijn. Daarna zijn ze dan ook niet meer van belang. Bij barmhartigheid gaat het altijd om de specifieke situatie. Het gaat om individuele mensen op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd. De wetten zijn bij ieder bekend: bij Jezus, bij de vrouw en ook bij de schriftgeleerden en Farizeeën. Jezus roept hen en ook ons op tot barmhartigheid om zo tot de ware gerechtigheid te komen. Dat vraagt naast wetskennis vooral om liefde voor de medemens. Naast ons hoofd moeten we vooral ook ons hart laten spreken. De taal van het hart laat zich niet in woorden vangen. Zij vraagt om geloof en verbondenheid en gemeenschap met Christus. Amen.

Herstel van verhoudingen; 2 Kor 5,17-21; Lc 15,1-3.11-32

“Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten.” Met die woorden treedt de jongste zoon zijn vader tegemoet. Hij beseft dat hij ernstig tekort geschoten is en dat hij alleen maar verder kan als zijn vader zich barmhartig over hem ontfermt. Op de Nederlandse website van het heilig Jaar van Barmhartigheid heeft het schilderij van Rembrandt van de verloren zoon een centrale plaats. Ook buiten ons land wordt dit schilderij gebruikt als afbeelding en uitdrukking van Gods barmhartigheid. We zien de schuldbewuste zoon die van ellende niet weet wat hij moet en die weet dat zijn enige hoop en toevlucht zijn vader is. En we zien de vader die zich vol liefde en tederheid over zijn zoon ontfermt: wat er ook gebeurd is, de vader houdt van zijn kind.

Bij de aankondiging van het heilig Jaar schrijft paus Franciscus dat Jezus met deze parabel de natuur van God openbaart “als die van een Vader die zich nooit gewonnen geeft, totdat Hij de zonde heeft opgeheven en de afwijzing heeft overwonnen met medelijden en barmhartigheid.” Volgens de paus wordt God hier voorgesteld als vol van vreugde, vooral wanneer Hij vergeeft. “Hierin vinden wij de kern van het evangelie en van ons geloof, omdat de barmhartigheid wordt voorgesteld als de kracht die alles overwint, die het hart met liefde vervult en troost met de vergeving.”

Barmhartigheid heeft twee kanten. Wij mogen barmhartig zijn naar anderen. Denk daarbij aan de werken van barmhartigheid. Denk aan de solidariteit waartoe wij ook in deze Veertigdagentijd worden opgeroepen. De andere kant van de barmhartigheid is het ontvangen ervan. Barmhartig zijn en barmhartigheid ontvangen zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ze kunnen niet zonder elkaar. We kunnen niet barmhartig zijn zonder open te staan voor de barmhartigheid die ons geschonken wordt. En we kunnen geen barmhartigheid ontvangen zonder zelf ook barmhartig te zijn. Denk hierbij aan de woorden van het Onzevader: “vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”.

Barmhartig zijn en barmhartigheid ontvangen vragen beide dat wij ons daar niet te groot voor voelen. Beide vragen om nederigheid en bescheidenheid. Als wij onszelf te groot achten, denken we de barmhartigheid van de ander niet nodig te hebben. Vaak achten wij onszelf onafhankelijk: we redden onszelf wel. Wij hebben geen vergeving nodig. Niet dat we onszelf als volmaakt en perfect zien, maar om nu te zeggen dat we zondaars zijn, dat we kleine mensen zijn dat gaat toch veel te ver: zo slecht zijn wij absoluut niet. Meer bescheidenheid zou ons niet misstaan. Meer bescheidenheid opent ons hart ook voor Gods barmhartigheid. Als wij onszelf te groot achten, laten we ons ook niet raken door het lijden en den nood van onze medemens. Dan zijn we niet in staat tot medelijden, dan zijn we onverschillig en niet in staat tot liefdevolle barmhartigheid. Alleen als wijzelf bescheiden zijn, zijn we in staat ons hart te openen voor de ander. Alleen dan komen we tot werkelijke solidariteit en tot werkelijke naastenliefde. Alleen dan kunnen ook wij barmhartig zijn als de Vader.

Een heilig Jaar is vooral een jaar van herstel en verzoening. Verstoorde verhoudingen tussen mensen onderling en verstoorde relaties tussen de mensen en God moeten geheeld worden. Zij moeten weer goed gemaakt worden. Een van de wegen tot verzoening en herstel die Jezus ons via de Kerk aanbiedt, is het Sacrament van Boete en Verzoening: de Biecht. Hierover schrijft de apostel Paulus in zijn brief aan de Korintiërs. Vele mensen denken dat de Biecht afgeschaft is en ook niet meer nodig is. Niets is minder waar. Wel is het sacrament ontdaan van het plichtmatige en de beladenheid die het vroeger had.

De paus schrijft: “Iedere biechtvader zal de gelovigen moeten ontvangen zoals de vader in de parabel van de verloren zoon: een vader die zijn zoon tegemoet snelt, ook al had hij zijn goederen verkwist. Biechtvaders zijn geroepen die berouwvolle zoon die naar huis terugkeert, tegen zich aan te drukken en zijn vreugde dat hij hem heeft teruggevonden, tot uitdrukking te brengen. (…) Zij zullen geen impertinente vragen stellen, maar zoals de vader van de parabel het door de verloren zoon voorbereide verhaal onderbreken, omdat zij in het hart van iedere boeteling het roepen om hulp en het vragen om vergeving zullen weten op te vangen. Kortom, de biechtvaders zijn geroepen om altijd, overal, in iedere situatie en ondanks alles het teken te zijn van het primaatschap van de barmhartigheid.”

Vooral jonge mensen hebben de weg die dit sacrament aanbeidt, weer gevonden. Maar nog veel meer mensen blijven huiverig en blijven vasthouden aan achterhaalde beelden. Wat let u om het weer eens aan te durven en het schoorvoetend te proberen. Dit jubeljaar is daarvoor een uitgesproken gelegenheid. U wordt met de open armen van de barmhartige Vader ontvangen. Amen.

Samen bij de Bron; Ex 3,1-8.13-15; Lc 13,1-9

Niet alleen de mensen in Oeganda zijn schuldig. Niet alleen de vluchtelingen zijn schuldig. Niet alleen verkeerslachtoffers zijn schuldig. Niet alleen mensen die sterven aan kanker, zijn schuldig. Er zijn vele varianten te bedenken op de uitspraken van Jezus in het evangelie van vandaag. Jezus leert ons in het Evangelie, dat de mensen die door het kwaad getroffen zijn, niet de enigen zijn die gezondigd hebben. Op de zonde volgt niet automatisch en onmiddellijk de straf. Slechts enkelen worden getroffen door het kwaad, terwijl allen zondigen. Er is geen sprake van simpele vergelding, van eenvoudig oorzaak en gevolg. Ook goede mensen worden door het kwaad getroffen.

In de Bijbel staan meer verhalen over hoe het kwaad goede mensen treft. Denk aan het boek Job. Job wordt door het kwaad getroffen zonder daaraan schuldig te zijn. Job vindt het daarom onrechtvaardig dat het kwaad hem overkomt. God maakt hem echter duidelijk dat die gedachte niet opgaat. Wij mensen zijn geneigd te denken, dat wanneer iemand door het kwaad getroffen wordt, de oorzaak daarvan bij die mens zelf of desnoods bij zijn familie ligt. Dat is makkelijk en overzichtelijk. Onze simpele manier van denken, is: God is almachtig en slechte mensen worden door hem gestraft. Door de oorzaak van het kwaad te leggen in de eigen schuld, denken wij onszelf ook tegen het kwaad te beschermen. Dan kun je namelijk beweren: Ik leid een goed leven, dus mij zal het niet overkomen, God zal mij goed gezind zijn en beschermen tegen het kwaad.

Het verhaal van Job laat ons zien, dat dat een verkeerde manier van denken is. Het laat ons ook zien hoe moeilijk het voor ons is om te aanvaarden, dat ook goede mensen slachtoffer van het kwaad zijn. Voortdurend worstelt de mensheid met deze vraag. Dat was ook in de tijd van Jezus het geval. En ook in ons eigen leven horen wij de vraag: Waarom ik? Waarom moet mij dit overkomen? Hoe vaak stellen wij zelf niet deze vraag? Telkens weer vragen wij ons af: Waar komt het kwaad vandaan? Waarom worden wij door het kwaad getroffen? Hoe wij ook blijven zoeken, we zullen het antwoord op deze vraag niet vinden. Beter is het bezig te zijn met de vraag: Hoe om te gaan met het kwaad? Wat doen wij als wijzelf of anderen door het kwaad worden getroffen?

Omgaan met het kwaad vraagt allereerst het aanvaarden van het kwaad: het kwaad in onszelf en het kwaad dat mensen overkomt, onder ogen te zien en te aanvaarden, aanvaarden van het kwaad als deel van het mysterie van ons leven. Als we in staat zijn de waarom-vraag achter ons te laten en niet alleen maar denken in termen van schuld, zijn we toe aan de vraag: Hoe nu verder? Hier kunnen we twee belangrijke wegen onderscheiden: ten eerste het afwijzen van het kwaad in onszelf en vergeving vragen voor het kwaad dat wij hebben aangericht, en ten tweede het verzachten van de gevolgen van het kwaad, het lenigen van de nood.

Het verzachten van het kwaad en het lenigen van nood is een daad van naastenliefde, van solidariteit en barmhartigheid. De liefde voor de naaste brengt ons er toe dat wij zijn lijden zien en het delen. God zegt tegen Mozes: “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden.” God kent het lijden van zijn volk en trekt het zich aan. Zo laat Hij zich kennen als onze barmhartige Vader. Vanuit medelijden en mededogen komen ook wij tot solidariteit, tot de bereidheid iets van onszelf te geven aan de ander. Dat kan zijn in de vorm van troost en van aandacht voor de ander. Wij kunnen de ander ook een deel van onze tijd of van onze welvaart schenken.

Tot dit laatste worden wij opgeroepen door het Vastenactieproject. Van ons wordt gevraagd een bijdrage te geven voor een betere toekomst voor de mensen in Oeganda. Zij zijn het slachtoffer van jarenlang oorlogsgeweld en van de wereldwijde klimaatveranderingen. Hierbij gaat het niet om de oorzaken en de schuldvraag, niet om vragen als: Is het rijke westen inderdaad de veroorzaker van de milieuproblemen? Waren de mensen niet zelf medeschuldig aan het oorlogsgeweld? Het enige dat aan de orde is, is dat deze mensen geholpen moeten worden. Daarvoor is straks de collecte.

In de eerste lezing laat God zich aan Mozes kennen. God stelt zich voor met de woorden: “Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob.” Hij stelt zich voor als een God van mensen, van mensen die in Hem geloven en zijn aanwezigheid ervaren. God zegt tegen Mozes: “Ik ben die is.” God zegt telkens weer tegen ons: Ik ben er voor jou, Ik heb je gehoord en Ik houd van je. God is de bron van ons bestaan, de bron waaruit wij blijven putten. Hij is er voor iedereen. Hij is het levende water voor alle mensen.

Wij mogen ons aan Hem overgeven, ons geluk en ons lot in zijn handen leggen. Hij zal voor ons zorgen. Hij zal ons gelukkig maken. Die liefde voor ons mogen wij delen met alle mensen. Samen staan wij – ondanks het kwaad – bij de Bron van liefde en leven. Amen.

Barmhartig als de Vader

We vieren het heilig jaar van de barmhartigheid. Ook de Veertigdagentijd die vandaag begint, staat daarmee in het teken van de barmhartigheid. Veertig dagen lang zijn wij samen met Jezus op weg naar Pasen. Veertig dagen lang mogen wij ons extra verbinden met Hem. Hij is het gezicht van Gods barmhartigheid. Hij is de mensgeworden barmhartigheid: barmhartig als de Vader.

Barmhartigheid heeft twee kanten. Wij mogen barmhartig zijn naar anderen. Denk daarbij aan de werken van barmhartigheid. Denk aan de solidariteit waartoe wij ook in deze Veertigdagentijd worden opgeroepen. De andere kant van de barmhartigheid is het ontvangen ervan. Barmhartig zijn en barmhartigheid ontvangen zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ze kunnen niet zonder elkaar.

We kunnen niet barmhartig zijn zonder openstaan voor de barmhartigheid die ons geschonken wordt. En we kunnen niet barmhartigheid ontvangen zonder zelf ook barmhartig te zijn. Denk hierbij aan de woorden van het Onzevader: “vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”. Openstaan voor de barmhartigheid van God vraagt dat wij ons tot Hem keren, dat wij ons bekeren, dat wij zoeken naar de persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus. Dat betekent dat wij Christus opzoeken in onze medemens in nood, maar het betekent ook dat wij Hem opzoeken in onze binnenkamer, dat wij ons in onszelf keren en ons even afsluiten van de buitenwereld. Willen wij werkelijk de barmhartigheid van God ervaren, is het nodig dat wij tot het inzicht komen dat wij niet zonder zijn barmhartigheid kunnen, dat wij die barmhartigheid hard nodig hebben.

Soberheid is niet alleen sober zijn in het genieten van aardse zaken. Soberheid is ook bescheiden zijn over onze eigen mogelijkheden. Wij hebben de genade en barmhartigheid van God werkelijk nodig, omdat we niet in staat zijn op eigen kracht tot het heil en het geluk te komen. De maakbaarheid van de wereld en ook van eigen geluk is beperkt. Daarvoor zijn wij geheel van God afhankelijk. Als wij ons op die wijze afsluiten van onze eigendunk, constateren we ook dat we meer dan eens tekortschieten en dat we fouten maken naar elkaar. Dat vraagt om reparatiewerkzaamheden, maar allereerst om erkenning van onze fouten en onze zonden om zo ook de vergeving toe te laten. Pas als wij ons met God en met elkaar verzoenen kunnen we werkelijk werken aan het herstel van de beschadigde relaties.

Een van de wegen tot verzoening en herstel die Jezus ons via de Kerk aanbiedt, is het Sacrament van Boete en Verzoening: de Biecht. Vele mensen denken dat de Biecht afgeschaft is en ook niet meer nodig is. Niets is minder waar. Wel is het sacrament ontdaan van het plichtmatige en de beladenheid die het vroeger had. Vooral jonge mensen hebben de weg die dit sacrament aanbeidt, weer gevonden. Maar nog veel meer mensen blijven huiverig en blijven vasthouden aan achterhaalde beelden. Wat let u om het weer eens aan te durven en het schoorvoetend te proberen. Dit jubeljaar is daarvoor een uitgesproken gelegenheid. U wordt met de open armen van God ontvangen. Amen.

Waar blijft de kerk

Auteur: Erik Borgman
Titel: Waar blijft de kerk: Gedachten over opbouw in tijden van afbraak
Uitgever: Adveniat, 2015
Prijs: € 19,50
ISBN: 97894 9209 312 7
Aantal pagina’s: 158

Erik Borgman stelt voor de berichten over krimp en de prognoses over afbraak van de kerk als een list van de heilige Geest te beschouwen. De r.-k. kerk kan niet meer gered worden door bezuinigingen, efficiënter beheer of intelligentere organisatie. “We moeten niet allereerst iets doen, we moeten weer iets gaan ontvangen: de signalen van de Geest.” Wij moeten terug naar de vraag: “wie en wat is God en wat betekent het in hem te geloven.”

De theoloog Borgman zoekt in dit boek naar de bron van de kerk. Het gaat hem om de vraag hoe de kerk in onze tijd teken en instrument van de liefde van God kan zijn. “Haar taak is te doen wat in het licht van het geloof als nodig verschijnt, ook al lijkt het onmogelijk.” De kerk moet niet met alle winden meewaaien, maar wel weten dat het verlangen naar God zich steeds weer opnieuw en zich steeds weer anders voordoet, en daarvoor openstaan. Dat vraagt een open en creatieve manier van kijken naar de wereld van vandaag.

De benadering van Borgman is verfrissend. Hij schrijft vanuit zijn liefde voor de kerk en noemt het boek een liefdesverklaring. Gods liefde voor ons doet ons “weten dat wij, wat er ook gebeurt, niet kunnen en mogen ophouden kerk te zijn.”

Als ik de liefde niet heb…; 1Kor 12,31-13,13; Lc 4,21-30

Jezus is zijn optreden in de synagoge begonnen met een tekst uit de profeet Jesaja te lezen. Vorige week hoorden we deze tekst: “De Geest des Heren is over Mij gekomen, omdat Hij Mij gezalfd heeft. Hij heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.” Dit is de tekst waarvan Jezus – zoals we vandaag horen – zegt: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan.” Jezus betrekt deze tekst op zichzelf. Hij is degene waarover de profeet Jesaja spreekt. Jezus presenteert zichzelf als een ware profeet.

Jezus is door God gezonden om Gods liefde voor de mensen te verkondigen. Hij is gekomen om het goede nieuws, de Blijde Boodschap te brengen: Hij verkondigt de bevrijding die God bewerkt. Eerder zijn de profeten van het Oude Testament gezonden met de opdracht deze boodschap van bevrijding te verkondigen. Al snel wordt duidelijk dat het leven van een profeet niet gemakkelijk is. Na een eerste enthousiaste reactie slaat de stemming van zijn stadsgenoten om. Jezus ziet dit gebeuren en concludeert: “Geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad”. Jezus herinnert er ook aan hoe het de grote profeten Elia en Elisa is vergaan. Ook wij ervaren in onze tijd dat het niet gemakkelijk is te spreken over God, over zijn liefde voor ons en over de hoop en het vertrouwen waarmee wij – dankzij die liefde – kunnen leven.

Paulus reikt ons de sleutel aan voor een goede verkondiging. Hij schrijft in zijn brief aan de Korintiërs over de liefde. In deze indrukwekkende tekst beschrijft hij het belang van de liefde. De liefde staat centraal, alles draait om de liefde. Dit geldt niet alleen voor de verkondiging, maar voor al ons doen en laten. Al ons spreken en al ons handelen moet vergezeld gaan van liefde. Wij leven in relatie met andere mensen en alles wat wij doen is relationeel en heeft met andere mensen te maken. Leven in pure eenzaamheid houden we niet lang vol.

In relatie met anderen worden wij pas mens. Wij worden mens door werkelijk in contact te staan met anderen, in onze verbondenheid met elkaar. Daarom mag ons spreken en handelen nooit puur functioneel zijn, want dan wordt de ander tot een object, een ding teruggebracht. Daarmee doen we niet alleen de ander te kort. Ook wijzelf worden daardoor minder mens. Paulus spreekt daar zeer beeldend over: “… als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal. … als ik de liefde niet heb, ben ik niets. … als ik de liefde niet heb, baat het mij niets.” Als wij niet spreken en handelen met liefde wordt het niets. Zonder liefde zijn wij geen goed ouders, zonder liefde zijn we geen goede onderwijzers, zonder liefde zijn we geen goede zorgers. Maar zonder liefde zijn we ook geen goede tuinders, geen goede bouwvakkers, geen goede bankiers, geen goede ambtenaren, geen goede kooplieden en zo kunnen we doorgaan.

Door ons spreken en handelen te doorspekken met liefde maken wij God zichtbaar in deze wereld. Door de liefde lijken wij op God. De liefde maakt zichtbaar dat wij naar het beeld van God geschapen zijn. Met een leven in liefde verkondigen wij God en verkondigen wij zijn blijde Boodschap. Met een leven van liefde zijn wij ware navolgers van Jezus Christus. Hij heeft ons laten zien hoe je leven in liefde kunnen leiden.

Bij de bewoners van Nazareth ging het niet om de liefde. Zij zagen Jezus als iemand die hun belangen kon dienen. Zij hadden alleen maar een functioneel idee over de rol van Jezus. Daarom wordt de belangstelling van Nazareth door Jezus afgewezen. Hij is gezonden om de liefde van God te brengen. Hij komt niet voor het particuliere gewin van zijn eigen stad. In onze tijd is ook alle aandacht gericht op eigen gewin en functionaliteit. Alles wordt instrumenteel gemaakt. Het gaat om meetbare resultaten en duidelijke doelen. Zo wordt ook alles verhandelbaar. Daarmee verdwijnt niet alleen de menselijkheid in onze onderlinge relaties, ook de functionaliteit zelf lijdt eronder. Onderwijs zonder liefde is slecht onderwijs. Zorg zonder liefde is slechte zorg. Maar ook huizen gebouwd zonder liefde zijn minder goede huizen en tomaten gekweekt zonder liefde zijn minder goede tomaten.

Velen zullen onze boodschap naïef noemen en niet serieus nemen. Net alles Jezus zullen we niet door iedereen gewaardeerd worden. Wij zelf zullen echter de kracht van de liefde ervaren in de mensen om ons heen en in onszelf. Dat maakt ons ongenaakbaar. Zoals Jezus door de menigte loopt, zo mogen ook wij ongenaakbaar zijn. Onze liefde voor iedereen zal uiteindelijk het respect van de ander oproepen. Met onze liefde voor allen wordt zichtbaar dat ook wij vervuld zijn van de Geest des Heren.

Wanneer wij delen in Gods liefde en ook de anderen daarin laten delen, zijn ook wij ware profeten en verkondigers van de Blijde Boodschap. Amen.

Barmhartig als de Vader

Eerst wat toelichting van begrippen. Daarna wordt in gegaan op de barmhartigheid.

Wat is een heilig jaar? Het heilig jaar of jubeljaar vindt zijn oorsprong in het joodse jubeljaar. Levitus 25 beschrijft hoe er elke zeven jaar een sabbatsjaar zal zijn: een jaar van rust voor het land. Na zeven sabbatsjaren volgt in het vijftigste jaar een jubeljaar, waarin voor iedereen kwijtschelding wordt afgekondigd. Het is een jaar van herstel. Jezus verwijst hiernaar als Hij zegt: “De geest des Heren is over Mij gekomen, omdat Hij Mij gezalfd heeft. Hij heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.” (Lucas 4,18-19) In de Middeleeuwen ontstond in de Kerk het heilig jaar. Het was een bijzonder jaar van pelgrimage naar Rome, waar in ieder geval de vier belangrijkste kerken bezocht werden. Ook hierbij zijn kwijtschelding en herstel belangrijk. Nu gaat het om het herstel van de relatie met God en om de kwijtschelding van zonden. Om iedereen in de gelegenheid te stellen een heilig jaar mee te maken, is er iedere vijfentwintig jaar een heilig jaar. Daarnaast kan de paus ook tussendoor een heilig jaar afkondigen.

Aan het begin van het heilig jaar opent de paus de heilige deur van de Sint Pieter. Aan het einde van het jaar wordt deze weer gesloten. Ook de andere drie basilieken hebben een heilige deur. De paus opent de deur met de woorden: “Aperite mihi portas iustitiae.” (Open voor mij de poorten der gerechtigheid.) Deze tekst verwijst naar Psalm 118,19-21: “Open de poort die gerechtigheid heet, ik wil naar binnen en de Heer danken. Hier is de poort van de Heer, hier mag binnen wie rechtvaardig blijkt. U dank ik, U hebt mij verhoord, U bent mijn redder gebleken.” Zo is het gaan door de heilige deur een pelgrimage, een daad van bezinning en boetvaardigheid. Om iedereen in de gelegenheid te stellen aan dit ritueel deel te nemen, zijn er deze keer in alle bisdommen wereldwijd heilige deuren geopend. In het bisdom Rotterdam is dat in de basiliek van de heilige Liduina en Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans in Schiedam. Ook in de Bedevaartskerk HH. Martelaren van Gorcum in Den Briel en de kerk van de heilige Jeroen in Noordwijk zal voor korte tijd een heilige deur geopend worden.

Zoals gezegd gaat het om het herstel van de relatie met God en om de kwijtschelding van zonden. Daarin speelt in de katholieke Kerk het sacrament van boete en verzoening een belangrijke rol. Dit sacrament vraagt van de ontvanger van het sacrament oprecht berouw, belijdenis van de zonden en het voornemen het aangedane kwaad daadwerkelijk te herstellen. Daarna volgt de kwijtschelding van de zonden. Dan is er nog de aflaat. Hierover schrijft de paus: “In het sacrament van de verzoening vergeeft God de zonden, die werkelijk worden uitgewist; en toch blijft de negatieve indruk die de zonden in onze gedragingen en onze gedachten hebben achtergelaten. De barmhartigheid van God is echter ook sterker dan dit. Zij wordt kwijtschelding door de Vader, die (…) de zondaar die vergiffenis heeft gekregen, bereikt en hem bevrijdt van iedere rest van het gevolg van de zonde en hem in staat stelt te handelen met naastenliefde, te groeien in de liefde in plaats van weer te vervallen in zonde. (…) Aflaat is de heiligheid van de Kerk ervaren, die deelneemt aan alle weldaden van de verlossing van Christus, opdat de vergeving zich uitstrekt tot de uiterste gevolgen waartoe de liefde van God komt.”[1]

Dit heilig jaar is een jaar van barmhartigheid. De paus schrijft in zijn aankondiging: “Wij willen dit Jubeljaar beleven in het licht van het woord van de Heer: barmhartig als de Vader.”[2] Hij verwijst hiermee naar: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is.” (Lucas 6,36).

In het boekje ‘De naam van God is genade’ zegt de paus: “Strikt genomen betekent barmhartigheid je hart openen voor mensen die het moeilijk hebben. En dan komen we meteen bij de Heer: barmhartigheid is de goddelijke wil om te omarmen, waarmee God ons welkom heet door zichzelf te geven en door zich naar ons toe te buigen om ons te vergeven. Jezus heeft gezegd dat Hij niet is gekomen voor de rechtvaardigen, maar voor de zondaars. Hij is niet gekomen voor de gezonde mensen die geen arts nodig hebben, maar voor de zieken. Je zou dus kunnen zeggen dat barmhartigheid de identiteitskaart van onze God is.”[3]

Over de noodzaak van barmhartigheid in deze tijd: “Omdat het een gewonde mensheid is, een mensheid die diepe kwetsuren draagt. Zij weet niet hoe ze die moet behandelen of denkt dat die gewoon onmogelijk te behandelen zijn. En dan gaat het niet alleen om sociale kwalen en mensen die gewond zijn door armoede, door maatschappelijke uitsluiting, door de vele verslavingen van het derde millennium. Ook het relativisme verwondt vele mensen: alles lijkt om het even, alles lijkt hetzelfde. Deze mensheid heeft behoefte aan barmhartigheid. (…) Daar komt tegenwoordig ook nog het drama bij dat we ons kwaad, onze zonde, als onbehandelbaar beschouwen, als iets wat niet kan worden genezen en vergeven. Men heeft geen concrete ervaring met barmhartigheid.”[4]

Over de rol van de Kerk: “De Kerk is niet op de wereld om te veroordelen, maar om de ontmoeting mogelijk te maken met die intense liefde die Gods barmhartigheid is. Om dat mogelijk te maken moeten we naar buiten, dat zeg ik heel vaak. De kerk en de parochie uit, naar buiten om de mensen te gaan zoeken op de plek waar ze wonen, waar ze lijden, waar ze hopen. Het veldhospitaal, het beeld waarmee ik die ‘uitgaande kerk’ altijd graag vergelijk, heeft als kenmerk dat het daar verrijst waar de strijd wordt geleverd: het is niet het solide, volledig uitgeruste bouwwerk waar mensen naartoe gaan om zich te laten behandelen voor hun kleine en grote kwalen. Het is een mobiel gebouw, voor de spoedeisende hulp, de noodgevallen, om te voorkomen dat de strijders sterven. (…). Ik hoop dat het Buitengewoon Jubeljaar steeds meer het gezicht naar boven zal halen van een kerk die de moederlijke gevoelens van barmhartigheid herontdekt en die tegemoetkomt aan de vele ‘gewonden’, die behoefte hebben aan een luisterend oor, begrip, vergeving en liefde.”[5]

Over barmhartigheid en gerechtigheid: “Alleen gerechtigheid is niet voldoende. Met barmhartigheid en vergeving gaat God verder dan gerechtigheid, Hij neemt die op en verheft haar tot iets hogers, waardoor we de liefde kunnen ervaren die het fundament is van ware gerechtigheid. (…)
De mensheid wordt besmet door de goddelijke barmhartigheid. Jezus was God, maar Hij was ook mens, en in zijn persoon vinden we ook de menselijke barmhartigheid. Met barmhartigheid is de gerechtigheid rechtvaardiger, en kan werkelijk tot haar recht komen. Dat betekent niet dat je al te toegeeflijk moet zijn, in die zin dat je de gevangenisdeuren wijd open zet zodat ook mensen met zware misdaden op hun geweten eruit kunnen. Het betekent dat we degenen die zijn gevallen moeten helpen om niet op de grond te blijven liggen. Het is moeilijk om dat in praktijk te brengen, want soms willen we iemand liever voor de rest van zijn leven opsluiten in plaats van ons best doen hem overeind te laten krabbelen en hem te helpen met zijn re-integratie in de samenleving.
God vergeeft alles, Hij biedt iedereen een nieuwe kans, Hij deelt zijn barmhartigheid uit aan iedereen die erom vraagt. Wij zijn zelf degenen die niet kunnen vergeven.”
[6]

Wat kunnen wij zelf? “Je openstellen voor Gods barmhartigheid, jezelf en je hart openen, Jezus toestaan om je tegemoet te komen, met vertrouwen het sacrament van boete en verzoening ervaren. En proberen barmhartig te zijn jegens anderen.”[7]

Over de werken van barmhartigheid: “Ze helpen ons onszelf open te stellen voor Gods barmhartigheid, God te vragen om de genade dat we begrijpen dat iemand zonder barmhartigheid niets kan doen, dat jij dan niets kunt doen, en dat ‘de wereld niet zou bestaan’, zoals die oude vrouw zei die ik in 1992 ontmoette.
Laten we op de eerste plaats kijken naar de zeven lichamelijke werken van barmhartigheid: de hongerigen spijzen; de dorstigen laven; de naakten kleden; de vreemdelingen herbergen; de zieken verzorgen; de gevangenen bezoeken; de doden begraven. Daar valt niet veel aan uit te leggen, toch? En als we naar onze situatie kijken, naar onze samenleving, dan zijn er wat mij betreft volop omstandigheden en gelegenheden om ons heen. Wat staat ons te doen tegenover de dakloze die bij ons voor de deur op straat leeft, tegenover de arme die niets te eten heeft, tegenover het gezin van onze buren dat het eind van de maand niet haalt vanwege de crisis, omdat de buurman zijn baan is kwijtgeraakt? Hoe moeten we ons gedragen tegenover de vluchtelingen die de tocht over zee hebben overleefd en op onze kusten stranden? Wat staat ons te doen tegenover eenzame, in de steek gelaten bejaarden, die niemand meer hebben?
Belangeloos hebben we ontvangen, belangeloos geven we. (…)
Op de zeven lichamelijke werken van barmhartigheid volgen de zeven geestelijke werken van barmhartigheid: in moeilijkheden goede raad geven; de onwetenden onderrichten; de zondaars vermanen; de bedroefden troosten; beledigingen vergeven; het onrecht geduldig verdragen; voor de levenden en overledenen bidden. Laten we even stilstaan bij de eerste vier werken van geestelijke barmhartigheid: komen die in wezen niet overeen met dat wat we hebben omschreven als ‘het apostolaat van het oor’? Naar iemand toe gaan, kunnen luisteren, raad geven, onderwijzen, vooral door het goede voorbeeld te geven. In het omarmen van de verschoppeling die lichamelijk gewond is, in het omarmen van de zondaar die gewond is tot in zijn ziel, daarin staat onze geloofwaardigheid als christenen op het spel.”
[8]

De paus legt veel nadruk op vergeving ontvangen en zelf ook vergeven. Meer dan op de concrete hulpverlening. Je eigen en andermans tekortschieten onder ogen zien en daarin noch jezelf noch de ander af wijzen, is essentieel voor mensen. Het is ook een voorwaarde om tot concrete hulpverlening te komen. De nood van de ander wordt anders maar al te gemakkelijk gezien als: ‘eigen schuld, dikke bult’. In het Onze Vader bidden we: “en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”. Bij de vraag om ons dagelijks brood ontbreekt deze toevoeging. We bidden niet: en geef ons heden ons dagelijks brood, zoals ook wij aan anderen brood geven. Blijkbaar is elkaar vergeven belangrijker.

Inleiding bij Diaconaal Platform Lansingerland op 26 januari 2016

 

[1] Franciscus, Misericordiae vultus: Bul met de afkondiging van het buitengewone jubileum van de barmhartigheid, 22. Nederlandse tekst op http://www.rkdocumenten.nl.

[2] Ibidem, 13.

[3] Paus Franciscus, De naam God is genade: De paus in gesprek met Andrea Tornielli, Vianen: The House of Books, 2016, 29-30.

[4] Ibidem, 39.

[5] Ibidem, 83-84.

[6] Ibidem, 114, 117-118.

[7] Ibidem, 139.

[8] Ibidem, 140-142.

Het woord is aan jou; Ex 19,3-6; 1 Pe 2,9-12; Mt 5,14-16

“Het woord is aan jou.” Geloven is niet iedereen gegeven. Geloven is een vrucht van Gods genade. Niet dat het buiten onszelf omgaat, maar primair wordt de genade ons gegeven. Wij mogen dit geschenk aanvaarden, maar kunnen het ook weigeren. Wij kunnen ons openstellen voor God, maar Hem ook afwijzen. Als wij de genade van het geloof in dankbaarheid aanvaarden, mogen we er ook mee aan de slag, dan is het woord aan ons. Op katholieke wijze wordt dat verwoord met het idee van ‘met de genade meewerken’.

Christen zijn is een uitverkiezing, maar het is geen privilege. Christen zijn is een roeping: wij zijn geroepen tot een opdracht. Vijftig jaar geleden legde het Tweede Vaticaans Concilie de basis voor de volgende omschrijving in onze katechismus: “Christengelovigen zijn zij die, door het doopsel in Christus ingelijfd, tot volk van God zijn gemaakt, en aldus aan de priesterlijke, profetische en koninklijke ambt van Christus op hun eigen wijze deelachtig, ieder volgens zijn eigen plaats, geroepen worden de zending uit te voeren die God aan de Kerk ter vervulling in de wereld toevertrouwd heeft.” Twee opmerkingen: Het gaat niet alleen over katholieken, maar over alle christengelovigen, allen die gedoopt zijn in de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Ook gaat het niet expliciet over de rooms-katholieke Kerk, maar over Kerk van Christus. Kortom deze omschrijving gaat over alle christenen, over ons allen zoals wij hier vanavond bijeen zijn.

Wij allen zijn door het Doopsel ingelijfd in de Kerk van Christus. Wij allen zijn daarmee geroepen tot priester, profeet en koning. Daarmee hebben wij allen deel aan het werk van Christus in deze wereld. De Letten hebben dit verwoord in het thema van deze dienst: “Het woord is aan jou.” Wij allen worden geroepen goede christenen te zijn. Wij allen worden geroepen daden van liefde te stellen. Zo zijn wij het licht van de wereld, een teken van Gods aanwezigheid onder de mensen.

Wij zijn gedoopt met water. Door het water van de Doop is ons een nieuw leven gegeven. Zoals Christus door de dood aan het kruis heen met zijn verrijzenis tot nieuw leven kwam, zo zijn wij door het water van de Doop heen een nieuw leven begonnen: een leven met Christus, een leven met God. In de katholieke Kerk volgt na de Doop een zalving met chrisma. Vanuit het Oude Testament kennen we de zalving van priesters, profeten en koningen. Wij noemen Jezus van Nazareth, de Messias en de Christus. Wij noemen Hem de Gezalfde.

Met de zalving krijgen mensen een ambt, een opdracht en een taak. De gezalfde wordt geroepen, uitverkoren en gewijd die opdracht uit te voeren. Zo worden wij met onze Doop de wereld ingestuurd om priesters, profeten en koningen te zijn, om op die manier ware volgelingen van Jezus Christus te zijn. Met de zalving ontvangen wij ook de Geest van Jezus, de heilige Geest. Hij stelt ons in staat tot ons christelijke opdracht. Als koningen zijn wij geroepen om elkaar te dienen, als profeten om elkaar te vertellen over de Blijde Boodschap van Christus, en als priesters om elkaar te bemoedigen, ons leven te heiligen en het aan God en aan elkaar toe te wijden. Jezus heeft ons laten zien hoe wij onze opdracht inhoud kunnen geven. Hij heeft ons de weg gewezen, sterker nog Hij zegt van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Wij worden geroepen Hem in woord en daad na te volgen: het woord is aan ons.

Onze huidige cultuur is erg gericht op comfort en geriefelijkheid. Welvaart en lichamelijke welzijn staan vaak op de eerste plaats. Welvaart en welzijn leveren ons een aangename verdoving op. Wij voelen ons goed en sluiten de gordijnen voor de boze buitenwereld. Er is niets tegen comfort en geriefelijkheid, maar er is meer. Veel mensen zoeken een uitdaging, ze willen iets presteren, ze willen van betekenis zijn in deze wereld, ze willen verschil uitmaken. Velen worden onrustig van comfort en geriefelijkheid. Zij zoeken avontuur, zij zoeken eer en roem, zij willen zich onderscheiden. Vooral jonge mensen hebben deze onrust in zich. De een trekt met een rugzak de wereld in, de ander zoekt het in drugs, weer een ander in uitzonderlijk avontuur en het nemen van extreme risico’s en weer anderen zoeken het in sportprestaties of carrière maken. Christelijke ambities komen in dit rijtje zelden voor. Sterker nog het geloof wordt eerder gezien als iets dat je juist troost en comfort biedt.

Onze wereld heeft nood aan idealen en aan mensen die zich daarvoor werkelijk willen inzetten, die zich willen inzetten voor anderen, mensen die niet uit zijn op persoonlijk gewin en persoonlijke roem. Het gaat in het leven niet om het opbouwen van een mooie cv. Het gaat erom werkelijk een bijdrage te leven aan de verbetering van de wereld en aan het geluk van anderen. Daarin ligt onze roeping tot priesters, profeten en koningen. Daarin kunnen we ons ware christenen tonen, navolgers van Jezus Christus.

Het woord is aan jou, aan mij, aan ons. Amen.

Uw God is op komst! Js 40,1-5.9-11; Tit 2,11-14;3,4-7; Lc 3,15-16.21-22

Met Kerstmis vierden we de geboorte van Christus, we vierden dat God voor ons mens geworden is, dat Hij ons leven heeft willen delen. In onze westerse wereld krijgt dit aspect van de menswording de meeste aandacht. In de Oosterse Kerk wordt juist de nadruk gelegd op de daaropvolgende openbaring. Daar is het feest van de Openbaring des Heren het hoogtepunt. Wij noemen dit feest meestal Driekoningen. Dit aspect van de openbaring wordt in onze Kerk benadrukt door er maar liefst drie keer aandacht aan te besteden: vorige week met Driekoningen, vandaag met de Doop van de Heer en volgende week met de Bruiloft van Kana.

Bij de menswording van Christus gaat het er niet om dat God wil weten hoe het is om mens te zijn. Het gaat erom dat Hij zich aan ons wil laten kennen. Het belang van de menswording is dat wij in de persoon van Jezus Christus aan de weet komen, wie God is. In Christus wordt God geopenbaard. In het Evangelie van Johannes kunnen we lezen, wat daarmee wordt bedoeld. Op de avond voor zijn lijden zegt Jezus: “Wie Mij ziet, ziet de Vader.” Hoe kan treffender gezegd worden dat in Christus God geopenbaard wordt. De Zoon is sprekend zijn Vader. Vandaag wordt dit op een andere wijze gezegd. Nu klinkt er een stem uit de hemel die spreekt: “Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb ik mijn behagen gesteld.”

De Zoon die sprekend zijn Vader is, brengt ons redding. Hij verkondigt ons het goede nieuws, de blijde boodschap. En Hij doet dat met het gezag van de Zoon, het gezag van de Zoon die sprekend zijn Vader is, het gezag van de Zoon die één is met de Vader. Blinden laat Hij weer zien en gevangenen krijgen de vrijheid. Allen die in het duister verkeren, worden naar het licht gebracht. Hij brengt redding voor alle mensen. De liefde van God is er voor iedereen. Bij God is er geen aanzien van persoon. Iedereen die lijdt onder het kwaad, onder de dwingelandij van de duivel, wordt genezen. De menswording van Christus is niet primair een romantisch feest van een kindje in een kribbe. Centraal staat het feit dat in deze menswording God zich aan ons openbaart, dat God zich aan ons laat kennen. Door Christus weten wij wat het betekent dat God liefde is. Door Hem weten wij dat wij al onze hoop, al ons vertrouwen op Hem kunnen stellen. Hij is onze redding.

Het feest van de Doop van de Heer markeert ook het begin van het openbare leven van Jezus van Nazareth. Na de doop in de Jordaan begint Hij aan zijn missie, zijn zending. Hij, de Zoon van God is mens geworden om ons Gods liefde voor allen te leren kennen. Johannes de Doper is zich ervan bewust, dat hij op een keerpunt in de geschiedenis staat. “Er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken.” Jezus wordt bij zijn doop geopenbaard als de Zoon van God, zijn welbeminde. Hij is degene die zal dopen met de heilige Geest. Hij predikt niet alleen bekering, Hij brengt ook de gaven van de heilige Geest. Paulus schrijft in zijn brief aan Titus: “Hij heeft ons gered door het bad van wedergeboorte en vernieuwing door de heilige Geest. Want Hij heeft de Geest overvloedig over ons uitgestort door Christus onze Heiland.”

Met de menswording van Gods Zoon is een nieuwe tijd aangebroken. Met Kerstmis hoorden wij in het Evangelie volgens Johannes: “Het woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd.” Jesaja voorziet deze heerlijkheid als hij schrijft: “En verschijnen zal de glorie des Heren en alle vlees zal daarvan getuige zijn: De mond des Heren heeft het gezegd! Beklim de hoogste berg, (…) verkondig het luide, ken geen vrees, roep tot de steden van Juda: Uw God is op komst!” De menswording van Christus heeft zich niet in het geheim afgespeeld. Het is een openbare zaak. Direct na zijn geboorte wordt het Kind bezocht door de herders. Later komen de wijzen uit het Oosten op bezoek. Als Hij volwassen is, maakt Hij openbaar wie Hij werkelijk is.

De doop in de Jordaan markeert het begin van Jezus’ openbare leven. Ook onze Doop markeerde een begin. Met het Doopsel werden wij lid van de Kerk, van de gemeenschap van Christus. Wij werden gedoopt met water, maar ook met de heilige Geest. De Doop met de heilige Geest wordt concreet in de zalving met Chrisma. Deze zalving vindt plaats bij het Doopsel en wordt herhaald bij het Vormsel. Zo ontvangen wij niet alleen het Doopsel van bekering en vergeving, waartoe ook Johannes de Doper oproept. Met de zalving ontvangen wij ook de opdracht om als christen te leven. Wij christenen zijn gezalfden, zoals Christus de Gezalfde is. Wij zijn net als Christus gezalfd tot koningen, profeten en priesters. Als koningen zijn wij geroepen om elkaar te dienen, als profeten om elkaar te vertellen over de Blijde Boodschap van Christus, en als priesters om elkaar te bemoedigen, ons leven te heiligen en het aan God en aan elkaar toe te wijden.

Zo leeft Christus in ons, zo wordt Hij mens in ons en zo openbaart Hij zich door ons in de wereld van vandaag. Ook voor ons geldt het woord van Jesaja: “Verkondig het luide, ken geen vrees, (…): Uw God is op komst!” Amen.

Geschenken; Js 60,1-6; Ef 3,2-3a.5-6; Mt 2,1-12

“Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre.” De wijzen werden vervuld met overgrote vreugde. Zij staan oog in oog met het Kind en vallen op hun knieën neer. Geconfronteerd met de openbaring van het mysterie bieden zij hun geschenken aan het Kind aan. Alles is ons gegeven, niets wezenlijks hebben wij zelf tot stand gebracht. Omdat alles een geschenk is, worden wij zelf ook tot geven gebracht. Ons geven is een antwoord op de geschenken die wijzelf ontvangen.

In ons dagelijkse leven is er steeds meer sprake van ‘voor wat hoort wat’. Ons leven wordt meer en meer bepaald door afspraken en contracten. Ons leven hangt van overeenkomsten aan elkaar. Alles wordt tot handelswaar. Toch worden de meest wezenlijke zaken van ons bestaan ons gegeven. Dat begint al met het leven zelf. Het leven is ons zomaar gratis geschonken. We hebben er helemaal niets voor hoeven doen. Er rust ook geen hypotheek op die we gaandeweg moeten aflossen. We hebben er ook geen zeggenschap over. Op een goede dag – we weten niet wanneer – zullen we het weer teruggeven.

Ook liefde wordt ons gegeven. Liefde is niet te koop. Wel kan een betaalde dienst gepaard gaan met liefde. Hoe belangrijk deze toegevoegde liefde is, zien we bijvoorbeeld in de zorg. Maar ook de wijze waarop in een winkel geholpen worden, is er een voorbeeld van dergelijke liefde. Onze samenleving wordt koud en kil als de liefde en vriendelijkheid eruit verdwijnt. Enkel zakelijkheid levert een onleefbare wereld op. Onze meest innige relaties zijn gebaseerd op de liefde. Dat geldt vooral voor het huwelijk en voor het gezin. Dat geldt voor de familiebanden en vriendschappen. Maar ook collegialiteit en gemeenschapsvorming worden vooral gekenmerkt door de liefde.

Liefde en zakelijkheid kunnen heel goed samengaan. We noemden al de voorbeelden van de zorg en de klantvriendelijkheid. Maar liefde en zakelijkheid kunnen elkaar ook in de weg zitten. Als ze niet goed van elkaar gescheiden blijven, als ze door elkaar lopen en mensen hebben verschillende verwachtingen, kunnen er ernstige conflicten ontstaan. Zo zijn vele familieruzies het gevolg van het verdelen van een erfenis.

Het essentiële van een relatie die op liefde en vriendschap is gebaseerd, is dat het evenwicht tussen geven en ontvangen wordt losgelaten. Over het algemeen willen we graag evenwicht. Een bekend gezegde is dan ook dat de liefde niet van één kant kan komen, maar als het erop aan komt, hebben we daar geen enkel probleem mee. Neem de relatie tussen ouders en kinderen of het geval dat een van de huwelijkspartners ernstig ziek is. Het enige wat de ontvangende partij nog kan doen, is een goede ontvanger zijn.

Onze relatie met God is echt alleen gebaseerd op de liefde. God heeft geen zakelijk belang bij ons. God doet überhaupt niet in zaken. De Schepping is niet zijn bedrijf. De Schepping is geschapen uit liefde. Elk schepsel komt voort uit Gods liefde. Als wij mensen het hoogtepunt van de Schepping zijn, dan is dat omdat wij in staat zijn Gods liefde te beantwoorden. Wij zijn schepselen die ons niet alleen door onze driften laten drijven. Ons mensen is het gegeven elkaar lief te hebben, onze Schepper lief te hebben en ook zijn schepping lief te hebben.

Niet alleen in het Evangelie is er sprake van geven. Ook in de eerste en tweede lezing zijn geschenken aan de orde. In de eerste lezing wordt het volk Israël overladen met geschenken: de schatten van de zee en rijkdom van de volkeren. Zo openbaart de Heer zijn glorie aan hen. Paulus schrijft in zijn brief hoe het mysterie is geopenbaard. Via de apostelen en de profeten wordt de openbaring aan ons doorgegeven. Zo zijn wij in Christus Jezus mede-erfgenamen van Gods belofte.

Alles is ons gegeven, alles is genade. Het is aan ons om er open voor te staan en het te willen ontvangen. Als wij in staat zijn te ontvangen, zijn wij ook in staat zelf te geven. Alles wat ons gegeven wordt, kunnen en mogen wij ook doorgeven en delen met anderen. Amen.