Spring naar inhoud

Dopen met de heiige Geest; Jon 3,1-5.10; Joh 1,29-34

“Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt.” Vorige week vierden we het feest van de Openbaring van de Heer, het feest van Driekoningen. Nu is Hij geen kind meer maar een volwassen man. Vandaag lezen we hoe Johannes de Doper Jezus aanwijst als degene die onze Verlosser is. Blijkbaar is Jezus even onopvallend als andere mensen. Johannes vertelt over wat er eerder gebeurde bij de Doop van Jezus: “Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten.” Johannes verklaart dat deze onopvallende figuur de Zoon van God is. Op een mens zoals wij daalt de heilige Geest neer. Hij wordt geraakt door de Geest, maar aan de buitenkant is dat niet te zien.

Ook zegt Johannes dat Jezus zal dopen met de heilige Geest. Jezus is als mens gelijk aan ons, Hij is mens zoals wij zijn. Met het Doopsel maakt Hij ons gelijk aan Hem. Hij doopt ons met de heilige Geest. Ook wij worden door de Geest geraakt. Zo kunnen wij net als Jezus worden. Dat is onze roeping. Ook Jona werd door God geroepen, maar had er helemaal geen zin in. We kennen allemaal het verhaal van Jona: hoe hij wegloopt voor de opdracht die God hem geeft. Hij gaat met een boot mee de andere kant op. Er komt een storm en Jona begrijpt dat hij daarvan de oorzaak is. Hij laat zich door de anderen overboord gooien, hij wordt door een walvis opgeslokt en na drie dagen wordt hij weer uitgespuwd op het strand. Nu gaat Jona wel doen wat er van hem gevraagd is. We horen dat in de lezing van vandaag. De boodschap die Jona brengt heeft tot gevolg dat de mensen zich bekeren en dat God hen vergeeft.

Het wonderlijke verhaal van Jona laat ons zien dat leven zoals God het wil niet altijd gemakkelijk is. Je moet soms – zoals Jona – dingen doen waar je helemaal geen zin hebt. Mensen hebben altijd geweten dat je voor moeilijke taken wel wat extra hulp kunt gebruiken. Om dat duidelijk te maken, werden priesters, koningen en profeten gezalfd. Zo noemen wij Jezus ook de Gezalfde. Christus betekent Gezalfde. Ook wij christenen zijn gezalfden. Met de zalving bij het Doopsel en bij het Vormsel worden wij gezalfd en zo worden wij net als Jezus gedoopt met de heilige Geest. De heilige Geest geeft ons extra kracht en extra wijsheid. Hij geeft ons vertrouwen. Hij zorgt er ook voor dat we meer liefde hebben voor anderen. Zo gaan we op Jezus lijken en zijn we beter in staat iets voor een ander te doen.

Jezus werd geraakt door de heilige Geest. De heilige Geest daalde op Hem neer. Dat is het begin. Daarna lezen we dat de heilige Geest op Hem bleef rusten. Dat betekent dat Jezus de heilige Geest heeft ontvangen. Hij heeft Hem in zijn leven toegelaten en de ruimte gegeven zijn werk te doen. Zo werkt het ook bij ons. Het is niet alleen een beweging van de Geest in onze richting. Het is niet alleen dat Hij naar ons toe komt. Nee, wij moeten Hem ook in ons leven toelaten. Wij moeten openstaan voor de heilige Geest. Dan blijft Hij ook op ons rusten. Dan zal de heilige Geest in ons werkzaam zijn. Dat betekent dat wij ook iets moeten opgeven. Maar durven we het aan ons werkelijk te laten raken door de heilige Geest? Durven we het aan onszelf een beetje te verliezen? De heilige Geest zorgt voor enthousiasme, voor begeestering. Durven we het aan bevlogen mensen te worden? Hoever durven wij daarin te gaan? Jona had het er behoorlijk moeilijk mee.

Zeven jongeren zijn zich aan het voorbereiden op het Vormsel. Zij willen proberen te leven als christenen, als mensen die op Jezus lijken. Zij zullen worden gezalfd om als christen te leven. Zij worden net als Christus gezalfd tot priester, koning en profeet. Zij worden gezalfd tot priester om God te dienen. Zij worden gezalfd tot koning om andere mensen te dienen. Zij worden gezalfd tot profeet om anderen te vertellen over God en over de boodschap van liefde die Jezus ons gebracht heeft en waarmee Hij ons bevrijdt uit ons egoïsme en onze zelfgerichtheid.

Echt leven is je verbonden weten met anderen, weten dat je van betekenis bent voor anderen en dat ook jij niet zonder de ander kunt. Echt leven is leven met geestdrift, enthousiasme en bevlogenheid. Echt leven is een leven van liefde, van geliefd zijn en van liefhebben. De liefde voor elkaar brengt ons werkelijk geluk. De liefde brengt niet alleen rust. Ze brengt ook onrust. De liefde daagt ons ook uit en brengt ons in beweging.

Als wij de heilige Geest de ruimte geven zijn ook wij met zijn hulp daartoe in staat. Uiteindelijk is het zelfs Jona gelukt om te doen wat nodig was en daarmee de inwoners van Nineve tot bekering te brengen. Bidden wij vandaag voor onze vormelingen dat de heilige Geest ook op hen zal mogen rusten en dat Hij een plaats zal hebben in hun leven; dat zij zo met vertrouwen de toekomst in gaan. Amen.

Manna in de woestijn: Op zoek naar een ecologische spiritualiteit

Inleiding

Op 24 mei 2015 verscheen de encycliek Laudato si’[i]. Hier moest ik mee aan de slag. Niet alleen het onderwerp maar ook de aanpak van paus Franciscus gaven daar aanleiding toe. Eerder had ik uitgebreid aandacht besteed aan het boekje Tien geboden voor het milieu.[ii] Hierin wordt het groene denken van paus Benedictus XVI beschreven en geanalyseerd. Het resultaat daarvan vind u op mijn website.[iii]

In deze inleiding geef ik eerst een kort overzicht van de inhoud van de encycliek en van zijn plaats in de ontwikkeling van het denken van de Kerk over schepping en duurzaamheid. Daarna wil ik ingaan op de oproep van paus Franciscus om te komen tot een ecologische spiritualiteit en de rol die wij daarin als christenen kunnen vervullen. Tenslotte zullen we het hebben over wat wijzelf concreet kunnen doen.

Het kerkelijk denken

De encycliek Laudato si’ gaat over duurzaamheid, over de schepping en haar voortbestaan en over de gevolgen van het onverantwoord omgaan met de schepping. De aarde “schreeuwt ons op dit moment toe vanwege de schade die wij haar hebben toegebracht door ons onverantwoordelijk gebruik en misbruik van al het goede dat God haar heeft geschonken.” (2) Met deze encycliek gaat paus Franciscus verder op de weg van zijn voorgangers.

In 1971 verwees Paulus VI naar de ecologische problematiek. Hij schreef over een crisis die een dramatisch gevolg is van onbezonnen exploitatie van de natuur.[iv] Johannes Paulus II stelde dat er geen wereldvrede kan zijn als de wereld de milieuproblematiek niet serieus oppakt en niet haar collectieve verantwoordelijkheid neemt jegens de armen en de toekomstige generaties.[v] Van hem is het begrip ecologische zonde: wie schade toebrengt aan het milieu, begaat een zonde. Benedictus XVI stond bekend als de groene paus. Hij vroeg voortdurend aandacht voor het milieu.

Met Laudato si’ roept paus Franciscus iedereen op: “Deze dringende oproep tot bescherming van ons gemeenschappelijke huis omvat de noodzaak de gehele menselijke familie bij elkaar te brengen om te zoeken naar een duurzame en integrale ontwikkeling, want wij weten dat zaken kunnen veranderen. (…) De mensheid heeft nog steeds de mogelijkheid samen te werken aan de opbouw van ons gemeenschappelijk huis.” (13) De encycliek maakt deel uit van de sociale leer van de Kerk.

Centraal in het denken van de Kerk over de mens staat niet het woord individu, maar het woord persoon. Een mens wordt pas mens in relatie met anderen. Dan is hij in staat tot het ontvangen en geven van liefde. Hierin is hij ook beeld van de Drie-ene God, die liefde is en gemeenschap in zichzelf. Dit maakt dat de mens afhankelijk is van andere mensen en in die zin ook niet volledig autonoom kan zijn. De mens is geen soevereine instantie, die aan zichzelf genoeg heeft. God heeft ons niet als individu aan onszelf gegeven, maar als persoon naast de ander, als hulp aan de ander gelijk (Gn 2,18) en als hoeder van mijn broeder (Gn 4,9). De sociale leer van de Kerk geeft richting aan de manier waarop mensen met elkaar samenleven. Met Laudato si’ wordt hieraan een nieuw hoofdstuk toegevoegd over de relatie van de mens met de schepping. Benedictus XVI stelde de duurzaamheid aan de orde in preken, toespraken en boodschappen. Franciscus gaat een stap verder door het kerkelijk denken over duurzaamheid vast te leggen in een encycliek. Een encycliek is een pauselijk document van leerstellige aard. Het gaat om het gewone leergezag van de paus, niet om een onfeilbare uitspraken, niet om dogma’s. De inhoud maakt deel van de katholieke leer.

Volgens Benedictus XVI is groen zijn een morele en religieuze noodzaak: “Goede en effectieve maatregelen tegen de verspilling en vernietiging van de schepping kunnen alleen ontwikkeld en gerealiseerd worden, begrepen en nageleefd worden, als de schepping vanuit Gods standpunt wordt gezien.”[vi] Duurzaamheid staat ook niet los van gerechtigheid. Onverantwoorde levenskeuzes en leefstijlen bedreigen niet alleen de aarde, zij maken ook het leven van de armen nog moeilijker.

Laudato si’

Hoofdstuk 1: Wat gebeurt er met ons gemeenschappelijk huis

De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen – waaraan de mens medeschuldig is – treffen alle mensen maar vooral de armen. “De aarde, ons huis, begint steeds meer op een enorme vuilnisbelt te lijken.” (21) “Deze problemen zijn nauw verbonden met de wegwerpcultuur, die zowel de uitgesloten mensen betreft als ook voorwerpen snel reduceert tot afval.” (22) “Klimaatverandering is een mondiaal probleem met ernstige gevolgen…” (25) “Omdat alle schepselen met elkaar zijn verbonden, moeten alle met liefde en respect gekoesterd worden, want wij allen zijn als levende schepselen van elkaar afhankelijk.” (42)

“Tot de sociale aspecten van de mondiale veranderingen behoren ook de gevolgen van de technologische innovaties op het gebied van de arbeid, de sociale uitsluiting, de ongelijkheid in de verdeling en het gebruik van energie en andere diensten, de afbraak van de gemeenschap, de toename van geweld en de opkomst van nieuwe vormen van sociale agressie, drugshandel en toenemend drugsgebruik door jongeren, en het verlies aan identiteit.” (46) “Het menselijke milieu en het natuurlijke milieu verslechteren in samenhang met elkaar; wij kunnen de achteruitgang van het milieu niet adequaat bestrijden zonder ook aandacht te besteden aan de oorzaken die verband houden met de menselijke en sociale achteruitgang.” (48)

Hoofdstuk 2: Het evangelie van de schepping

Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. “Als wij werkelijk een ecologie willen ontwikkelen die ons in staat stelt de schade die we hebben veroorzaakt, te herstellen dan mag geen enkele wetenschap en geen enkele vorm van wijsheid uitgesloten worden, ook de religies niet met haar eigen taal.” (63) De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren, niet om haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken, niet om te verbruiken. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.

“De verantwoordelijkheid voor Gods aarde betekent dat de mensen (…) de wetten van de natuur en het delicate evenwicht dat er tussen de schepselen van deze wereld bestaat, moeten respecteren…” (68) “We worden ook opgeroepen te onderkennen dat de andere levende wezens in de ogen van God hun eigen waarde hebben en Hem alleen al met hun bestaan loven en verheerlijken…” (69) “Wij hebben de vrije keuze met onze intelligentie aan een positieve ontwikkeling bij te dragen of nieuwe rampen te veroorzaken…” (79) “God wil de onderlinge afhankelijkheid van de schepselen.” (86) De paus pleit voor een holistische en allesomvattende visie. “Vrede, gerechtigheid en behoud van de schepping zijn drie absoluut met elkaar verbonden thema’s…” (92)

Hoofdstuk 3: De menselijke oorzaken van de ecologische crisis

Er is een culturele revolutie nodig. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. “We moeten onderkennen dat kernenergie, biotechnologie, informatietechnologie, kennis van ons DNA en vele andere vaardigheden die wij ons eigen hebben gemaakt, ons een enorme macht hebben gegeven.” (104) “De neiging bestaat te geloven dat iedere toename van macht een groei in vooruitgang betekent (…), alsof de werkelijkheid, het goede en de waarheid automatisch uit de technologische en economische kracht zelf voortvloeien.” (105) “Het technocratische paradigma neigt de economie en de politiek te domineren.” (109) Winstmaximalisatie zou voldoende zijn om tot een betere wereld te komen. Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang.

De ecologische crisis komt voort uit een ethische, culturele en spirituele crisis. “Als we er niet in slagen de waardigheid van de arme, van het ongeboren kind en van de gehandicapte (…) te erkennen als deel van de werkelijkheid, wordt het moeilijk het hulpgeroep van de natuur zelf te horen; alles is met elkaar verbonden.” (117) Door onszelf centraal te stellen en absoluut voorrang te geven aan ons eigen gemak en plezier, wordt al het andere betrekkelijk en onbelangrijk. “Het verstandig ontwikkelen van de schepping is de beste manier om voor haar te zorgen. Dit betekent dat wijzelf het gereedschap van God worden om de mogelijkheden die Hij zelf in alles heeft gelegd tot ontplooiing te brengen.” (124)

Hoofdstuk 4: Integrale ecologie

Franciscus pleit voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Ook vragen de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst.

Hoofdstuk 5: Wegen naar aanpak en actie

In dit hoofdstuk beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. “Onderlinge afhankelijkheid verplicht ons te denken in termen van één wereld met een gezamenlijk plan.” (164)

“Voor arme landen moet de prioriteit liggen bij de uitroeiing van extreme armoede en de bevordering van de sociale ontwikkeling van de bevolking. (…) Evengoed moeten ook zij minder verontreinigende vormen van energieproductie ontwikkelen, maar daarbij hebben zij de hulp nodig van landen die ten koste van de voortdurende vervuiling van de planeet grote groei hebben doorgemaakt.” (172) “Gegeven de situatie is het wezenlijk tot sterkere en efficiënter georganiseerde internationale instellingen te komen met functionarissen die bevoegd zijn tot het uitdelen van sancties en die aangesteld worden bij overeenkomst tussen de nationale regeringen.” (175)

Hoofdstuk 6: Ecologische opvoeding en spiritualiteit

Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hij heeft het over een ecologische bekering en een ecologische spiritualiteit. “Vele zaken moeten veranderen, maar bovenal moeten wij mensen veranderen.” (202) “Mensen geloven dat ze vrij zijn zolang ze de vermeende vrijheid tot consumeren hebben.” (203) “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren. Het wordt bijna onmogelijk om de grenzen te accepteren die de realiteit oplegt.” (204)

Wij mensen moeten een nieuwe levensstijl aannemen. Mensen zijn “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” (205) “Het is nodig dat politieke organisaties en vele andere sociale groeperingen werk maken van het verhogen van het bewustzijn bij de mensen. Dat geldt ook voor de Kerk.” (214)

“Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” (222) Soberheid maakt vrij. “Echter niemand is in staat tot een leven van soberheid en tevredenheid, als hij of zij niet in vrede met zichzelf leeft. (…) Innerlijke vrede is nauw verbonden met de zorg voor de ecologie en het algemeen welzijn…” (225)

Samenvatting Laudato si’

Het voortbestaan van de schepping en daarmee van de mensheid worden bedreigd. Oorzaken zijn consumentisme, winstbejag en eigenbelang, onverantwoord gebruik van wetenschap en techniek, geen respect voor het leven, voor culturen en voor de natuur. Het menselijke milieu en het natuurlijke milieu verslechteren in samenhang met elkaar. De ecologische crisis is het gevolg van een ethische, culturele en spirituele crisis. Ons denken wordt teveel beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt.

De schepping is aan de mensheid geschonken om te gebruiken, te verzorgen, te beheren en te ontwikkelen, niet om haar aan zich te onderwerpen. Alle schepselen zijn met elkaar verbonden en zijn van elkaar afhankelijk. De mens is deel van de schepping. Vrede, gerechtigheid en behoud van de schepping zijn met elkaar verbonden thema’s.

De paus roept op tot een integrale ecologie met respect voor menselijke en sociale aspecten. Daarbij is het samenwerken van alle disciplines noodzakelijk: politiek, wetenschap en religie. Arme landen moeten door de rijke ondersteund worden. Hij schrijft over de noodzaak van een moreel kompas. De mens zelf moet veranderen. Er is een nieuwe levensstijl nodig en een ecologische bekering.

Op zoek naar een ecologische spiritualiteit

Wat wordt ons aangereikt?

Sleutelbegrippen die de paus noemt voor een ecologische spiritualiteit zijn: soberheid, tevredenheid, bescheidenheid, dankbaarheid, verantwoordelijkheid, menselijke waardigheid, vrede en vreugde. De paus wijst op de grote rijkdom van de christelijke spiritualiteit. (216) Hij bepleit een contemplatieve, profetische en evangelische levensstijl (222) en een herwaardering van de liefde in het maatschappelijke leven (231). Het gaat ook om een sacramentele levensvisie. De sacramenten maken gebruik van de natuur om het bovennatuurlijke te bemiddelen. Zij leggen de verbinding tussen God en schepping. Zo worden hemel en aarde met elkaar verbonden. De paus noemt het voorbeeld van heiligen zoals Franciscus van Assisi (218), Theresia van Lisieux (230), Bonaventura (233) en Johannes van het Kruis (234). Tenslotte wijst de paus op trinitaire gemeenschap die er in God is. God is drievuldig en heel de schepping draagt daardoor een trinitaire structuur. Alles is met elkaar verbonden en alle schepselen staan in relatie met elkaar en leven in gemeenschap met God. (238-240)

Hoe komen we tot een eigen ecologische spiritualiteit?

De paus spreekt over de noodzaak van een ecologische bekering en draagt ons vele zaken aan waarmee we onze ecologische spiritualiteit kunnen opbouwen. Om je kunnen bekeren is het ook nodig te weten waar je staat? Vanuit welk wereldbeeld, elk mensbeeld en welk Godsbeeld hebben wij tot nu toe geleefd? Hoe zijn wij opgevoed en welke waarden en denkbeelden bepalen nog steeds bewust of onbewust onze wijze van leven?

Dit is primair een persoonlijke exercitie. Door hier met elkaar over te spreken komen we ongetwijfeld veel overeenkomsten tegen, overeenkomsten die voortvloeien uit de cultuur en de tijdsgeest waarmee we zijn opgevoed.

Zelf ben ik opgegroeid op het platteland van Friesland. De wijdte van het landschap en de grenzeloosheid van de natuur hebben mij gevormd. Diep in mij zit de ervaring van grenzeloosheid als het over de schepping gaat.

Ook heb ik de enorme welvaartsgroei van de naoorlogse decennia meegemaakt. De bomen zouden werkelijk tot de hemel doorgroeien. Wetenschap en techniek zouden steeds weer nieuwe mogelijkheden en oplossingen brengen. Het geloof in de maakbaarheid van het leven was groot. De mens was in staat de wereld naar zijn hand te zetten. Hij was de heerser over de schepping. Toen in 1972 de Club van Rome met het rapport Grenzen aan de groei kwam, werd ik daar niet echt zenuwachtig van. Ik dacht: daar vinden we wel wat op.

En dan ben ook nog katholiek. God is zeker niet zuinig en afgemeten. Hij is juist in alles overvloedig. Overvloedig is zijn genade. Paulus schrijft: “Waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos.” (Rom 5,20) Psalm 136 herhaalt telkens: “Tot in eeuwigheid is zijn genade.” Niet alleen Gods liefde en genade zijn overvloedig. Ook in materiële zaken is Hij beslist niet karig. In Psalm 23 wordt het inschenken van wijn door de Heer bezongen: “Mijn beker vloeit over.” Als Hij in Kana water in wijn verandert, is Jezus al even royaal. Als Hij met vijf broden en twee vissen het volk te eten geeft, blijven er twaalf korven vol brokken over. Hoelang hebben de leerlingen daar nog van gegeten?

Dat de schepping eindig is en dat de bomen niet tot de hemel doorgroeien, is ondertussen wel tot mij doorgedrongen maar dat God ons een te kleine aarde zou hebben gegeven, gaat er bij mij niet in. Ik zal een aantal op het eerste gezicht tegenstrijdige zaken bij elkaar moeten brengen.

Het verhaal over het manna in de woestijn (Ex 16,2-4.12-20) helpt daarbij. Er is genoeg manna voor iedereen. Een grote hoeveelheid was niet teveel en een kleine hoeveelheid niet te weinig. Iedereen verzamelde precies wat hij nodig had. Het gaat echter mis als iemand iets wil bewaren, dus zich meer heeft toegeëigend dan nodig is. Dan gaat de overvloed rotten en stinken. God geeft in overvloed, maar wij zijn zelf verantwoordelijk daar op de juiste wijze mee om te gaan.

 

Uitgesproken op 14 januari 2017 bij de diakenkring van het bisdom Utrecht.

Gepubliceerd in Diakonie & Parochie van september 2017.

__________________________________________________________________________________________

[i]      Franciscus, Laudato si’, 2015. De Nederlandse vertalingen in dit artikel zijn overwegend van de auteur zelf.

[ii]     Woodeene Koenig-Bricker, Ten Commandments for the Environment: Pope Benedict XVI Speaks Out for Creation and Justice, Notre Dame: Ave Maria Press, 2009.

[iii]    https://diakenpiertolsma.com/2012/11/28/tien-geboden-voor-het-milieu-2.

[iv]    Paulus VI, Octogesima adveniens, 1971.

[v]     http://w2.vatican.va/content/john-paul-ii/en/messages/peace/documents/hf_jp-ii_mes_19891208_xxiii-world-day-for-peace.html.

[vi]    http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2008/august/documents/hf_ben-xvi_spe_20080806_clero-bressanone_en.html.

Gelukszoekers; Jes 60,1-6; Mt 2,1-12

De wijzen uit het oosten volgen een ster, een licht dat hen de weg wijst. Zij zijn op zoek naar de pasgeboren koning. Jesaja schrijft: “Volkeren komen af op uw licht (…) van overal stromen ze naar u toe.” Mensen zijn op zoek naar het licht, zij zijn op zoek naar het geluk. Dat was 2000 jaar geleden al zo met de drie wijzen. De teksten van het boek Jesaja zijn van nog zo’n 700 jaar eerder. Altijd – vanaf het allereerste begin tot op de dag van vandaag – zijn mensen op zoek naar het geluk. Mensen zijn gelukszoekers.

Tegenwoordig is dat een beladen term. Met gelukszoekers worden dan mensen bedoeld die uit zijn op onze rijkdom. In dat denken is geluk niet iets wat je vindt, maar iets wat je zelf maakt. Geluk is dan niet iets wat je krijgt, geluk is dan iets wat je verdient. Geluk is dan iets wat je bezit. Gelukszoekers zijn in dit denken mensen die uit zijn op ons geluk.

Hoe anders is de boodschap die wij vandaag horen: “Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde.” De drie wijzen hebben geen enkele bijdrage geleverd aan deze vreugde. Deze vreugde, dit geluk wordt hen zomaar in de schoot geworpen, omdat zij ernaar op zoek waren. Juist deze gelukszoekers vinden het geluk. Zij worden gelukkig.

Hoe anders vergaat het Herodus. Hij is een man van de maakbaarheid. Hij denkt het geluk naar zijn eigen hand te kunnen zetten. Alles wat dat geluk mogelijk bedreigt, moet uit de weg geruimd worden. Wij weten waartoe Herodus in staat is geweest en wat de gevolgen daarvan waren voor de kinderen van Betlehem. Hij heeft ze allemaal laten doden, om te voorkomen dat een van hen koning zou worden. Mensen kunnen diep vallen als ze geloven in de maakbaarheid van het geluk. Hoeveel massale slachtingen hebben er niet plaatsgevonden op weg naar een zogenaamd rijk van eeuwige vrede en geluk?

Jesaja spreekt over de duisternis die de aarde bedekt: de volkeren verkeren in het donker. Maar het licht beschijnt Jeruzalem, de Zon gaat over haar op en de glorie van de Heer schijnt over haar. De volkeren komen op het licht af en zij worden vervuld met blijdschap. Niet alleen het zoeken naar geluk is van alle tijden, ook de duisternis, het kwaad is van alle tijden. Het is de duisternis van het eigenbelang en de zelfgerichtheid. Het is de duisternis van oorlog en geweld. Telkens als de liefde ontbreekt is het duister om ons heen. Telkens als de liefde ontbreekt verlangen wij naar het licht. Maar telkens verschijnt er ook weer licht in de duisternis. Het licht van de liefde is sterker dan dood en verderf. Het licht van de liefde is sterker dan eigenbelang en zelfgerichtheid. Telkens weer zijn er mensen die het licht doorgeven, mensen die zelf het licht van Christus laten schijnen in deze wereld.

Zowel Jesaja als het Evangelie houden ons een andere weg voor. Hier gaat het niet over de maakbaarheid van het geluk. Wij moeten afgaan op het licht. Het geluk komt van buiten, niet uit onszelf. Het wordt ons ook niet zo maar toegeworpen. We worden opgeroepen het te gaan zoeken. Dat is wat anders dan het geluk zelf maken. Jesaja zegt ons: “Laat het licht u beschijnen.” De glorie van de Heer zal over ons schijnen. Zijn glorie, zijn licht zal de duisternis verdrijven. “Sla uw ogen op en zie om u heen.”

We staan aan het begin van een nieuw jaar. Voor velen een moment van nieuwe kansen en een nieuwe start. Niet dat wij moeten wachten op een nieuw jaar. Wij kunnen elke dag, elk uur om vergeving vragen en opnieuw beginnen. God geeft ons voortdurend een nieuwe kans. Vandaag wordt ons voorgehouden op zoek te gaan naar het licht, naar het geluk. We vinden dat geluk in en door Christus, de mensgeworden Zoon van God. Hij wijst ons de weg. Hij brengt ons leven. Zijn weg ten leven is de weg van de liefde.

Als wij Hem navolgen op deze weg van de liefde worden wij op onze beurt dragers van het licht. Dan worden we niet alleen beschenen door het licht. Dan worden wij ook verspreiders van het licht. Dan zijn wij niet alleen zoekers van het geluk. Dan zijn wij ook brengers van het geluk. Wij hoeven het geluk niet zelf te maken. Wij kunnen het geluk ook niet verdienen en bezitten. Wij kunnen het geluk vinden in en door Christus en wij – op onze beurt – kunnen anderen gelukkig maken.

Ik wens u allen een Zalig Nieuwjaar. Amen.

Verantwoordelijkheid; Hb 1,1-6; Joh 1,1-18

“Het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan.” We horen met Kerstmis op twee totaal verschillende manieren vertellen over de menswording van Jezus Christus. Johannes doet dat op een abstracte en filosofische manier en Lucas op een heel concrete wijze. Beide keren gaat het over de geboorte van Gods Zoon als mens in deze wereld. Het Licht, het Woord van God komt in de wereld. Jezus brengt ons de boodschap van Gods liefde voor ons. Hij brengt ons vrede en geluk. Hij is onze Redder.

De vraag is en wat doen wij? Johannes stelt direct al aan het begin van zijn Evangelie: “maar de duisternis nam het niet aan.” Bij Lucas komt deze boodschap iets later. Bij de opdracht van Jezus in de tempel horen we Simeon zeggen: “Zie dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt…” Wat doen wij? Nemen wij het Licht aan? Geloven wij in de Blijde Boodschap? Willen wij Christus navolgen? Of leggen we het naast ons neer, nemen we zijn boodschap niet aan en gaan we er zelfs tegenin?

Wij zijn vrije mensen. Zo heeft God het gewild. Zijn liefde voor ons is zo groot dat Hij onze keuzes respecteert. Hij heeft ons zelf verantwoordelijk gemaakt. In de brief aan de Hebreeën lezen we dat God zijn Zoon tot erfgenaam heeft gemaakt. Paulus schrijft in de brief aan de Romeinen dat alle kinderen van God samen met Christus zijn erfgenamen zijn. God heeft de wereld en ons mensen geschapen. Christus is mensgeworden. Hij is een van ons geworden. Samen zijn wij erfgenamen van God. Alles is aan ons gegeven. Dat maakt ons verantwoordelijk. Wij zijn verantwoordelijk voor voor heel het leven, voor alle leven. En dat geldt voor iedere mens.

Christus heeft zich verbonden met iedereen, niemand uitgezonderd. Zo zijn wij ook allemaal geroepen met Hem mee te werken aan het Rijk Gods. Hij is onze leidsman, Hij is onze Heer en Herder, maar Hij doet niets zonder ons: wij allen zijn medeverantwoordelijk. De menswording van Jezus Christus is niet alleen een beweging van boven naar beneden. Het is niet alleen Gods Zoon wordt mens. Het is ook een beweging van beneden naar boven. Door de menswording van Christus wordt ons menselijk bestaan opgetild. Wij worden dichter tot God gebracht. Wij zijn nu kinderen van God en zijn erfgenamen.

De laatste tijd wordt er veel gesproken over de elite. Er wordt gezegd dat de elite niet deugt. De elite zou alleen maar uit zijn op eigen belang en zich niets aantrekken van het belang van het volk. Het is de elite tegenover het populisme, de boze witte man tegenover de neoliberale globalist. Hoe zit het eigenlijk met de elite? Vroeger was dat misschien overzichtelijker. Een aantal mensen uit de gemeenschap hadden een vooraanstaande rol. Zij hadden meer geleerd of beter geboerd of hadden vanouds deze rol toebedeeld gekregen. Het belangrijkste was dat zij deel van de gemeenschap waren en over het algemeen het vertrouwen van de anderen genoten. Ik denk dat gemeenschap en vertrouwen hier de sleutelwoorden zijn. Bij een doorgeschoten individualisme telt alleen nog maar het eigenbelang. Dan is er geen sprake meer van gemeenschap en ook niet van het dienen van het algemeen belang. Mensen zetten zich wel in voor het algemeen belang, maar dat is omdat ze ervoor betaald worden. Het is hun baan.

Bij de menswording van Christus gaat het er niet om dat Hij een individueel mens is geworden. Het gaat erom dat Hij zich verbindt met geheel de mensheid, met de gemeenschap van alle mensen. Mens worden is juist je verbinden met andere mensen. Door in relatie te staan met anderen word je pas werkelijk mens. Dat geldt niet alleen voor Christus. Dat geldt voor ons allemaal. Wij zijn kinderen van God en zijn erfgenamen. Dat betekent niet ieder recht heeft op zijn deel. Dat betekent dat we in gezamenlijkheid de schepping in beheer hebben. Dat we daar als gemeenschap van mensen verantwoordelijk voor zijn en dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar.

Christus verkondigt ons niet de boodschap van het recht van de sterkste, Hij verkondigt ons de liefde en zorg voor de zwakken en de armen. Hij roept ons op om samen met Hem gemeenschap te vormen en verantwoordelijkheid te dragen voor elkaar. Wij worden allemaal geroepen. Wij zijn allemaal uitverkorenen. Iedere mens behoort tot de elite, want iedereen draagt verantwoordelijkheid voor het geheel. Alleen als wij gericht zijn op de ander en op het geheel in plaats van enkel op onszelf, alleen dan zijn wij betrouwbare mensen. Als wij onszelf zien als deel van een gemeenschap, nemen wij het licht van Christus aan. Dan verbinden wij ons in en met Hem met elkaar, dan schijnt door ons heen zijn licht in de duisternis.

Ik wens u allen een zalig Kerstmis. Amen.

Verlangen: Js 35,1-6a.10; Jak 5,7-10; Mt 11,2-11

“Waar zijt gij in de woestijn naar gaan zien? Naar een riethalm door de wind bewogen? (…) Naar iemand in verfijnde kleding?” Waar verlangden de mensen naar toen ze naar Johannes de Doper luisterden? Verlangden zij naar iemand die als een rietstengel met alle winden meewaait? In onze dagen kunnen we hierbij aan populisten denken die ons mooie beloften doen en precies zeggen wat we graag willen horen, maar niet de moed hebben om ons de waarheid voor te houden. Verlangden zij naar iemand die indruk maakt met rijkdom en mooie kleding? Verlangden zij naar iemand die erg tevreden is met zichzelf, naar iemand die zijn eigen succes etaleert en zegt dat kunnen jullie ook bereiken als je net zo doet als ik?

Het gaat er in feite niet om wat de mensen toen verlangden. Het gaat erom wat wij – zoals we hier vandaag bij elkaar zijn – verlangen. Jezus richt deze woorden niet alleen tot zijn gehoor toen. Jezus stelt deze vragen vandaag rechtstreeks aan ons. Waar verlangen wij naar?

Wij mensen zijn vaak zo tweeslachtig. Wij hebben grote idealen maar het mag niet ten koste gaan van ons huidige welbevinden, onze rust en ons comfort. We willen ons er best voor inspannen maar het moet niet te veel moeite kosten. We willen best even wachten maar niet te lang: we moeten het zelf nog wel meemaken en ervan kunnen genieten. Jakobus zegt ons dat we geduld moeten hebben en rustig moeten afwachten. Hij gebruikt ook het woord lijdzaamheid. We moeten aanvaarden dat het ideaal nog moet groeien en nog lang niet tot stand is gebracht. We moeten aanvaarden dat al onze inspanningen niet direct tot resultaat leiden. We moeten aanvaarden dat we niet in staat zijn zelf ons geluk te realiseren, maar dat het ons gegeven wordt. Jakobus heeft het niet alleen over geduld. Hij schrijft ook over moed. Ook Jesaja heeft het over kracht en moed. Het is dus niet een kwestie van passiviteit, van maar wachten tot er iets gebeurt. In de beeldspraak van Jakobus moet de boer wel eerst zaaien voordat hij geduldig gaat wachten. Bij Jesaja moeten slappe handen sterk worden en knikkende knieën krachtig. Het is duidelijk niet de weg van de minste weerstand.

Jezus heeft hier ook over. Hij noemt het even tussendoor. Eerst vertelt Hij over het herkennen van de Mesias: “blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd”. Daarna zegt Hij: “Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.” Waarom zouden we aanstoot nemen aan iemand die zoveel goeds doet? Waarom zouden we aanstoot nemen aan iemand die het Rijk Gods brengt? Blijkbaar is er toch meer aan de hand. Zoals we in verhalen over Jezus lezen, bracht Hij ook beroering. Er waren mensen die wel degelijk aanstoot aan Hem namen en die in Hem een gevaar zagen omdat Hij de bestaande orde aan de kaak stelde. Het Rijk Gods dat Hij komt brengen, werpt de bestaande orde omver. Zoals Maria in het Magnificat zingt: “Machtigen haalt Hij omlaag van hun troon, eenvoudigen brengt Hij tot aanzien. Behoeftigen schenkt Hij overvloed, maar rijken gaan heen met ledige handen.” Hoe groot de onvrede over het optreden van Jezus was, blijkt uit de wijze waarop Hij ter dood is gebracht. Hij moest sterven aan het schandhout van het kruis.

“Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.” Gelukkig zijn zij die de hele boodschap van Jezus aanvaarden. Gelukkig zijn zij die niet langer op twee gedachten hinken: de gedachte van het hoge ideaal en de gedachte van je moet het niet overdrijven, de gedachte van we moeten wel redelijk blijven en het moet wel uitvoerbaar zijn en niet te veel kosten.

Het is Advent: een tijd van bezinning. Wij mogen ons bezinnen op onze verlangens en op de gevolgen ervan. Kiezen we werkelijk voor het geluk van alle mensen of willen toch graag het grootste deel voor onszelf? Zijn we werkelijk op God en de medemens gericht of zijn we toch vooral op onszelf gericht? Hebben we het geduld en de moed om af te zien van het korte termijn gewin en willen we ons daadwerkelijk inzetten voor het Rijk Gods?

Jezus vraagt aan de mensen en aan ons: “Waartoe zijt gij dan uitgetrokken? Om een profeet te zien?” Ja uiteindelijk is dat onze diepste wens: een profeet die spreekt over liefde en waarheid, een profeet die ons de echte liefde en waarheid doet kennen. Jezus verkondigt ons die liefde en waarheid: liefde en waarheid die ook wel eens schuren en pijn doen, liefde en waarheid die soms aanstoot geven, liefde en waarheid die uiteindelijk leiden naar het Rijk Gods. Hem willen wij navolgen. “Dan gaan de ogen van de blinden weer open en zullen de oren van de doven geopend worden. De lamme zal springen als een hert en jubelen zal de tong van de stomme.” Dan zullen ook wij – zoals Jesaja profeteert – door de Heer verlost worden en zullen wij vreugde verkrijgen en blijdschap. Amen.

Abraham/Ibrahim

Auteurs: Juliëtte van Deursen, Leo Mock & Marcel Poorthuis
Titel: Abraham/Ibrahim: De spiritualiteit van gastvrijheid
Uitgever: Pardes, 2015
Prijs: € 15,00
ISBN: 978 94 92110 13 8
Aantal pagina’s: 90

Voor joden, christenen en moslims is Abraham de vader in het geloof. Zij zien Abraham als hun geestelijke vader die op zoek is naar de waarheid en hen is voorgegaan in het geloof in de ene God. Daarnaast is hij ook een voorbeeld van gastvrijheid. Hij staat open voor de vreemdeling en voor het vreemde. Abraham inspireert ook tot interreligieuze dialoog.

Juliëtte van Deursen schrijft over de Franse katholiek islamoloog Louis Massignon die pleitte voor een Abrahamitische oecumene van joden, christenen en moslims. Zijn contacten met bisschop Montini, de latere paus Paulus VI hebben veel invloed gehad op het katholieke denken over andere religies. De bijdrage van Leo Mock gaat over het joodse denken over gastvrijheid en hoe Abraham daarin model staat. Gastvrijheid kan als graadmeter van het morele peil van een samenleving worden gezien. Marcel Poorthuis presenteert een bloemlezing van islamitische teksten over gastvrijheid. Vervolgens vertelt hij het levensverhaal van Abraham aan de hand van een joodse vertelling die veel raakvlakken kent met de islamitische literatuur.

Gastvrijheid is een belangrijke waarde in de drie monotheïstische religies. Abraham speelt daarin een belangrijke rol. Hij is daarmee een boeiend onderwerp voor het interreligieuze gesprek. Dit boekje vormt daarvoor een mooie aanleiding.

Heilige Geest en vuur; Js 11,1-10; Mt 3,1-12

In de eerste lezing tekent Jesaja ons zijn visioen van het Rijk Gods: een rijk van gerechtigheid en vrede, een rijk onder de banier van de Messias, de Zoon van David, een twijg aan de stronk van Isaï. Johannes de Doper roept ons op tot bekering. Zo maken wij de weg vrij voor Hem die ons zal dopen met de heilige Geest en met vuur.

Johannes predikt een doopsel van bekering. Hij doopt met water, water dat schoonwast en water dat leven geeft. Maar de komende Messias zal ons dopen met de heilige Geest en met vuur. Het is het vuur van de geestdrift en ook het vuur van de loutering. Met het vuur worden de verontreinigingen uit het goud verwijderd: het vuur als een beeld van loutering. De Messias zal ons ook dopen met de heilige Geest. Jesaja beschrijft wat betekent. Jesaja schrijft als volgt over Christus, over de Messias: “De geest van de Heer zal op Hem rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren.” Dit zijn wat wij de gaven van de heilige Geest noemen. Christus is hiermee begiftigd. Door ons te verbinden met Christus, door Hem ook in ons geboren te laten worden, ontvangen ook wij deze gaven van de heilige Geest. Hij doopt ons met zijn heilige Geest. Zo gaan wij lijken op Christus.

De gaven van de heilige Geest hebben wij ook nodig om ons te bekeren. Wijsheid en verstand, raad en heldenmoed, liefde, kennis en de vreze des Heren hebben we ook nodig om ons tot God te richten. Allereerst is er de liefde die ons op God richt. Zijn liefde voor ons doet ons Hem liefhebben. Wijsheid, verstand en raad vormen ons denken en ons geweten. Zij doen ons op het juiste moment besluiten nemen en helpen ons de juiste keuzes te maken.

Verder noemt Jesaja de heldenmoed. Er is moed voor nodig om trouw te blijven aan jezelf, trouw te blijven aan wat je ten diepste beweegt en trouw te blijven aan je roeping. Er is moed voor nodig de weg van de liefde en de waarheid te gaan en er niet voor weg te lopen. Er is moed voor nodig om de waarheid onder ogen te zien en haar op liefdevolle wijze vrijmoedig uit te spreken. Er is moed voor nodig om je niet door negatieve gevoelens mee te laten slepen, maar oog te blijven houden voor de menselijke waardigheid van de ander en van jezelf. Er is moed voor nodig je ogen niet te sluiten voor de ellende overal om ons heen, maar de waarheid tot je te nemen, er over na te denken en er vervolgens naar te handelen. Er is moed voor nodig om goed om te gaan met onze eigen zondigheid. Er is moed voor nodig om onze kwetsbaarheid onder ogen te zien en haar als deel van ons leven te aanvaarden. Zonder moed komen we niet tot bekering. Zonder moed komen we niet tot God.

Tenslotte noemt Jesaja de vreze des Heren. Het gaat er hier niet om dat wij bang moeten zijn voor God. Jezus wil ons juist bevrijden van de angst. Regelmatig zegt Hij: “Vreest niet.” Het gaat dus niet over angst. Het gaat hier over ontzag en eerbied in de omgang met God. God is ons zeer nabij. Hij woont in ons, maar Hij is daarmee geen deel van ons. Wij kunnen Hem niet bezitten en naar willekeur over Hem en zijn werkende kracht in ons beschikken. Gods inwoning in ons is een geschenk van zijn liefde voor ons. Dat maakt ons dankbaar en vervult ons met ontzag. Liefde en respect gaan hand in hand. Dat geldt niet alleen voor onze relatie met God. Dat geldt ook voor de relatie met onze medemens. Als je iemand niet respecteert, kun je niet van hem houden. Het gaat om het ontzag voor de menselijke waardigheid van de ander. Zonder respect wordt de geliefde gedegradeerd tot een gebruiksvoorwerp, een huisdier of een slaaf. Deze liefdevolle vorm van respect schept geen afstand, maar maakt juist nabijheid op een goede manier mogelijk. Ook onze geliefden zijn ons gegeven en worden door ons met dankbaarheid en ontzag ontvangen. Naarmate de geliefde ons meer nabij is, wordt het belang van het respect alleen maar groter. Juist in de nabijheid is het bewaken van de grenzen uiterst belangrijk. Wederzijds respect voor elkaar is vooral van groot belang binnen het gezin. Juist daar waar de liefde groot is, is ook het gevaar aanwezig dat we elkaar opeisen en dat we de ander als ons persoonlijk bezit gaan zien.

Ditzelfde gevaar dreigt in onze relatie met God: Hij, die in ons woont. Wij mensen zijn maar al te vaak geneigd om God naar onze eigen gedachten te modelleren. Wij hebben de neiging om precies te weten wat God wil en vooral wat God van anderen wil. Als wij zo denken ontbreekt ons de vreze des Heren, dan zijn ook wij adderengebroed, zoals Farizeeën en Sadduceeën die maar al te goed wisten hoe anderen zich moesten gedragen.

Door de gaven van de Geest, door de verbinding met Christus komen wij tot bekering, krijgen wij zicht op de werkelijkheid, wordt God van betekenis in ons leven. Zo krijgen wij weet van onze diepste verlangens en durven we die onder ogen te zien. Zo krijgt ons verlangen naar God, naar de komst van de Heer gestalte in ons leven. Amen.

Een nieuwe wereld; Js 2,1-5; Rom 13,11-14: Mt 24,37-44

Het is de eerste zondag van de Advent. We staan aan het begin van een nieuw kerkelijk jaar. En ook in de Kerk is het zoals op nieuwjaarsdag: we hebben het over een nieuw begin en we willen ons leven beteren. Een nieuw begin geeft nieuwe kansen. We blikken vooruit. We zien naar de toekomst. Waar willen we uiteindelijk naar toe? Wat willen we bereiken? Wat is ons doel? Daar gaan de lezingen van vandaag over: hoe ziet onze toekomst eruit en hoe leven we daar naar toe?

In de eerste lezing tekent Jesaja ons zijn visioen van het Rijk Gods: een rijk van voorspoed en vrede. Paulus zegt ons in de tweede lezing dat we wakker moeten worden. “Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht.” Jezus roept ons op tot waakzaamheid. Wij moeten ons niet beperken tot rustig ons leven leiden en de dingen doen die we altijd deden.

Jesaja en Paulus schetsen op heldere wijze de toekomst. Jesaja heeft het over voorspoed en vrede en Paulus vertelt ons hoe we onszelf daar op moeten voorbereiden. Dan is wat Jezus ons zegt veel weerbarstiger en lastiger te begrijpen. “Dan zullen er twee op de akker zijn: de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten; twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten.” Je krijgt bij deze woorden welhaast de indruk dat er een paar mensen zomaar lukraak uitgeplukt worden en dat die dan gered zijn. Maar het is toch geen loterij?

En hoe zit het met dat eten en drinken, en dat huwen en ten huwelijk geven? Daar is toch niets mis mee? Nee daar is niets mis mee: als we dat niet meer doen is het snel met ons mensen gedaan. Jezus keurt hier het menselijke leven ook niet af. Waar het omgaat is dat wij bewust leven en dat wij ons ervan bewust zijn wat onze toekomst is. Een mens is nooit alleen maar hier en nu. Wij mensen zijn altijd verleden, heden en toekomst. Dieren leven in het hier en nu. Mensen zijn meer dan dieren. Mensen zijn ook bezig met hun herinneringen en ze leven ergens naar toe.

Religieuze mensen zijn mensen van geloof, hoop en liefde. Natuurlijk, is het ook goed je bewust te zijn van het hier en nu, maar we moeten ons leven er niet toe beperken. Zo moeten we ook niet in het verleden leven of alleen maar bezig zijn met wat nog komen moet. Vanuit het verleden en in het hier en nu leven wij in geloof naar de toekomst toe. Gelovend in Gods liefde voor ons hopen wij op een goede toekomst.

Jesaja schrijft vanuit een situatie van vreemde overheersing en deportaties. Vanuit de ellende die zijn volk overkomt, ziet hij uit naar de toekomst: een toekomst waarin het Woord van God bepalend is, een toekomst van voorspoed en vrede. Die hoop houdt het volk van Israël op de been. Zo weten zij met vallen en opstaan trouw te blijven aan het Verbond met God. Paulus wijst ons erop dat we ons niet moeten verliezen in tijdelijk genot. Teveel luisteren naar ons gevoel doet ons het hoofd verliezen. Als we ons genot enkel zoeken in het heden, dan willen we alleen maar meer van hetzelfde, dan kunnen we niet meer dromen van een betere toekomst, dan kunnen we niet meer dromen van een nieuwe wereld, dan verliezen we de hoop van het geloof.

Jezus wil ons niet de stuipen op het lijf jagen, maar Hij wil ons wel bij de les houden. Juist in onze tijd van materiële welvaart ligt het gevaar van zelfgenoegzaamheid op de loer. Ook in onze tijd is het niet een kwestie van nog een paar problemen oplossen en dan is ons leven helemaal op orde. Wij mensen zullen nooit genoeg hebben aan het hier en nu. Wij zullen altijd verlangen naar het volmaakte geluk. Wij noemen dat: het ware leven, het eeuwig leven. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn.

Jezus belooft ons een nieuwe wereld: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Met de wederkomst van de Mensenzoon zal het Rijk Gods in zijn volle omvang doorbreken. De nieuwe wereld wordt dan werkelijkheid, onze dromen worden dan waar. In het hier en nu mogen wij daar soms even een glimp van opvangen. Soms raken we even aan het Rijk Gods dat ooit definitief gaat komen als wij ons daarvoor open stellen. Amen.

Sint Martinus; Mt 25,31-40

In het evangelie volgens Matteüs begint Jezus zijn prediking met de zaligsprekingen. Vandaag lezen we het verslag van de laatste prediking van Jezus. Hierna volgt het lijdensverhaal. Alleen bij Matteüs komen we het vandaag gelezen verhaal tegen. Matteüs heeft zijn evangelie zorgvuldig gecomponeerd. Als we dan twee verhalen vinden die het begin en het einde markeren, en die bovendien een gelijksoortige structuur hebben, dan hebben die twee verhalen met elkaar te maken.

In beide verhalen doet Jezus uitspraken over welke mensen gelukkig zijn. In de zaligsprekingen wordt aangegeven welke eigenschappen en karaktertrekken deze mensen hebben. U weet wel: “Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen. Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden.” Etcetera. Vandaag horen we tot welke daden van liefde deze deugden leiden. Beide verhalen kunnen we zien als een beschrijving van de toekomst: zo zal het zijn na onze dood. Maar we mogen ze ook op ons aardse leven betrekken. Dan zijn de zaligsprekingen niet slechts een belofte voor de toekomst, maar ook een belofte voor het huidige leven. Als wij de genoemde deugden nastreven zal ons dat ook hier en nu reeds gelukkig maken.

Als we op deze manier naar de lezing van vandaag kijken, zien we niet een oordelende rechter die na een afweging van goed en kwaad tot een beslissing komt. Nee, dan zien we de Koning die als een herder van zijn mensen houdt en die onderscheid maakt zoals tussen bokken en schapen. Dat is overigens ook wat er staat. De Koning ziet mensen voor zich die uit vrije wil wel of niet voor het geluk hebben gekozen. Zij die hun medemensen liefhebben, zijn daardoor gelukkig geworden. Van hen zegt de Koning: ook in de toekomst zullen jullie gelukkig zijn.

In de zaligsprekingen roept Jezus ons op tot eenvoud en bescheidenheid, tot gevoeligheid voor het leed en het kwaad in de wereld, tot zachtmoedigheid, gerechtigheid, barmhartigheid, wijsheid en eerlijkheid, tot vredelievendheid, standvastigheid en moed. Als wij ons oefenen in deze deugden en zo onze medemens tegemoet treden, komen we tot de daden die Jezus ons vandaag voorhoudt. Dan zien we een mens in nood en niet een probleemgeval. Het is een mens zoals ik, die honger en dorst heeft. Het is een mens zoals ik, die vreemdeling, naakt, ziek of in de gevangenis is. Het is geen probleem, maar een mens, die net als ik gelukkig wil zijn. Wij kunnen onszelf niet gelukkig maken, wij kunnen alleen een ander gelukkig maken. Alleen een ander gelukkig maken, maakt onszelf gelukkig. Daarin zit ook het oordeel. De Koning zegt niet: Ik heb het eens allemaal op een rijtje gezet en kom tot het oordeel ‘jij bent geslaagd’ en ‘jij bent mislukt’. Nee, Hij constateert: Jij hebt iemand gelukkig gemaakt, dus ben je en blijf je gelukkig.

Sint Martinus heeft dit als geloofsleerling aangevoeld. De jonge soldaat zag de nood om zich heen en gaf alles wat hij bezat weg. Toen hij niets meer had om weg te geven, heeft hij zijn mantel in tweeën gesneden om die met een kleumende en bijna naakte man te delen. In die daad van naastenliefde heeft hij Jezus als een levende werkelijkheid ontmoet. Met zijn daad van liefde raakte Martinus aan de kern van ons geloof. In zijn droom heeft Jezus hem dit bevestigd.

De heiligen worden ons voorgehouden als voorbeelden van liefde en geloof. Zij zijn ware navolgers van Jezus Christus. Ook wij worden daartoe opgeroepen. Vandaag is er een inzameling voor de voedselbank. Het zijn de huidige mensen in nood met wie wij onze welvaart mogen delen. Het is een concrete wijze van hongerigen te eten geven en dorstigen laven. Ook vandaag is Jezus in en onder hen aanwezig. Hij zal zich altijd om de mens in nood bekommeren en zich met hen vereenzelvigen. Als wij ons laten raken door de nood van onze medemens en daarnaar handelen, leven we niet alleen naar het voorbeeld van Jezus Christus maar we zullen Hem ook werkelijk ontmoeten en hier en hierna gelukkig zijn.

Tenslotte: wij hoeven het allemaal niet op eigen kracht te doen. Wij aan niet aan ons lot overgeleverd. Wij kunnen daadwerkelijk iets van ons leven maken, omdat we daarbij geholpen worden. Jezus is als de goede herder vol zorgzaamheid voor de mensen. God geeft ons voortdurend zijn liefde en genade. Hij schenkt ons telkens weer vergeving als het even niet lukt. Hij weet wie wij werkelijk zijn.

De heiligen zijn niet alleen ons voorbeeld. Ze zijn ook onze voorspraak. Zo mogen wij de hulp van Sint Martinus inroepen met de woorden die achter in de kerk op de balustrade geschreven staan: “Gij die uw mantel hebt gedeeld, bekleed ons met gerechtigheid.” Amen.

Allerzielen; Sir 14,17-19; 17,1-3.6b.8-10.23.29-30; Joh 12,23-25

Vandaag gedenken wij onze dierbare overledenen. Over de dood heen weten wij ons met hen verbonden. De liefde die er tussen ons gegroeid is, is sterker dan de dood. De gemeenschap van de Kerk omvat niet alleen de mensen hier op aarde. Ook alle gestorvenen behoren bij onze gemeenschap.

Onze aardse leven is tijdelijk. We worden geboren, groeien op en komen tot bloei. Net als alle andere leven hier op aarde komt ook ons aardse leven tot een einde. Ook wij mensen maken deel uit van een keten van geboren worden en doodgaan. Terwijl de een sterft, wordt de ander geboren. Telkens wordt het leven doorgegeven. Jezus zegt dat de graankorrel moet sterven om vrucht voort te brengen. Zelf is Hij ons deze weg voorgegaan. Hij heeft ons laten zien dat de dood het einde niet is. Door de dood heen komen wij tot nieuw leven, tot eeuwig leven. Door de dood heen komen wij mensen tot het volle leven, een leven bij God.

Wij kunnen ons geen enkele voorstelling maken van het leven na de dood, van het eeuwig leven. En toch hopen en verlangen wij naar dat volmaakte geluk. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn.

Centraal in ons geloof staat de gedachte: God is liefde. Liefde laat zich niet ketenen door de dood. De liefde overwint de dood. Liefde gaat over de grenzen van de dood heen. Jezus Christus gaf zijn leven voor zijn vrienden. Hij gaf het voor ons. Met deze ultieme daad van liefde heeft Hij de dood definitief overwonnen. Jezus geeft ons hoop, hoop op een goede toekomst, hoop op leven. Ook als wij in de put zitten, moedeloos zijn en het niet meer weten. Het verdriet over een verlies kan ons helemaal in beslag nemen en ons alle hoop en vertrouwen doen verliezen. We zijn in verwarring. Hoe moet het verder? Wat mogen we nog verwachten? Zullen we ooit weer vreugde en blijdschap kennen? Maar tegelijkertijd weten wij ook dat liefde en vriendschap geen einde kennen, dat we niet hoeven te wanhopen, dat we juist mogen vertrouwen, want “de barmhartigheid van God is eeuwig en zijn goedheid onuitputtelijk”.

Jezus heeft dit vertrouwen, deze hoop geleefd. Hij heeft het ons voorgeleefd en wij mogen Hem navolgen. Wij mogen delen in zijn heerlijkheid. Hij heeft voor ons een plaats bereid. Het huis van zijn Vader, de gemeenschap van de heiligen is onbegrensd. De gemeenschap van alle gelovigen gaat over de grenzen van de dood heen. De banden van de liefde zijn sterker dan de dood. Zo zijn wij hier op aarde ook blijvend verbonden met onze overleden broeders en zusters. Zij die in de eeuwige zaligheid, voor het aangezicht van God leven, kunnen voor ons een voorspraak zijn. Hen kunnen wij aanroepen om voor ons tot God te bidden. Voor hen die nog onderweg zijn, bidden wij zelf. Ook met hen zijn wij verbonden en wij vragen aan God hen op te nemen in zijn rijk van vrede en geluk. Amen.