Spring naar inhoud

Kerstmis en duurzaamheid

Wat hebben Kerstmis en duurzaamheid met elkaar te maken? U denkt hierbij mogelijk aan de wijze waarop we Kerstmis vieren. Hoe zit het met de milieuvriendelijkheid van de kerstboom? Hoe bereiden we een milieuvriendelijk kerstdiner? Hoe besteden we onze wintervakantie? Allemaal vragen die komende weken aan de orde zijn en die alles te maken hebben met Kerstmis en met duurzaamheid.

Toch wou ik het over iets anders hebben, over de geboorte van Jezus Christus, over de menswording van God. Wat betekent dat voor de schepping? Wij zien de schepping als een kostbaar geschenk. De schepping is het werk van God. Hij heeft haar aan ons gegeven. Het gaat nog verder: ook wij zelf zijn schepping. Wij maken deel uit van de door God geschapen werkelijkheid. Hij heeft ons het leven gegeven. Dat alles heeft plaatsgevonden in een lange geschiedenis van miljarden jaren: van de oerknal tot op de dag van vandaag.

In die lange geschiedenis gebeurt er zo’n tweeduizend jaar geleden plotseling iets zeer opmerkelijks. Gods Zoon wordt mens. De Schepper wordt schepping. Zijn liefde voor het werk van zijn handen is zo groot dat Hij zich er concreet mee verbindt en er deel van wordt. Nu is de schepping niet meer alleen datgene wat Hij gemaakt heeft. Nu heeft Hij zich er onlosmakelijk mee verbonden. De Schepper is opgegaan in zijn schepping. “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” (Joh 1,14)

In Jezus Christus wordt duidelijk hoe alles met elkaar verbonden is en alles met elkaar samenhangt. God wil de verbondenheid van alle schepselen met elkaar, want zij zijn allen in Christus met Hem verbonden. Het een kan niet zonder het andere. Alles, heel de schepping is bedoeld één harmonieus geheel te vormen. Paulus schrijft aan de Romeinen: “Ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods.” (Rom 8,21) Met de menswording van Jezus Christus is niet alleen de mens maar heel de schepping verlost en vervuld van goddelijke glorie en goddelijke genade.

Franciscus van Assisi bezingt met zijn Zonnelied de relatie tussen God en zijn schepping en de relatie van de schepselen met elkaar. Hij noemt de zon zijn broeder en de aarde zijn zuster en moeder. Franciscus weet zich innig verbonden met de schepping. Samen met alle schepselen, samen met heel de schepping looft en eert Franciscus zijn Schepper, de Allerhoogste.

Als paus Franciscus in Laudato si’ schrijft over de noodzaak van een ecologische bekering gaat het niet alleen over soberheid. De basis van deze bekering ligt juist in onze visie op de schepping. Kerstmis maakt ons duidelijk dat de schepping vervuld is met een overvloed aan liefde en genade.

Iedereen een gezegend en liefdevol Kerstfeest toegewenst.

Pier Tolsma, diaken

Ook verschenen op: http://www.kerkenmilieu.nl/

Christus Koning; Ez 34,11-12.15-17; Ps 23; Mt 25,31-46

In de eerste lezing zegt God ons dat Hij ons zal leiden als een herder. Hij ziet naar ons om, Hij brengt ons in veiligheid, Hij geeft ons rust en Hij zal ons recht doen. God laat ons mensen tot ons recht komen. Ditzelfde beeld van God als herder vinden we in Psalm 23. De titel herder was destijds in het Midden-Oosten een eretitel voor koningen en goden. In het Oude Testament wordt alleen God herder genoemd. Als de koningen van Israël in het Oude Testament herders worden genoemd, is dit omdat het slechte herders zijn. Alleen de Messias, de komende koning wordt in positieve zin herder genoemd.

Bij Ezechiël neemt God zelf het herderschap op zich. Hij gaat zelf voor zijn volk – de schapen – zorgen, want de leiders van het volk – de rammen en de bokken – denken alleen aan zichzelf. Zij verzaken het aan hun opgedragen herderschap. Zij komen niet op voor de zwakken en maken een potje van de gerechtigheid. De koning moet zijn volk als een herder dienen. Hij moet vrede, welvaart en geluk voor heel zijn volk brengen. Dit beeld van de koning als herder klinkt door in het Evangelie. Jezus zegt dat de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid. Hij is de Koning die plaats neemt op zijn troon van glorie. dan zal Hij de mensen in twee groepen scheiden. Hij zal ze scheiden zoals een herder scheiding maakt tussen schapen en bokken.

In veel toelichtingen op deze tekst heeft men het over de rechter die oordeelt. Echter in deze tekst komt het woord rechter niet voor. Nu is het wel zo dat de koning destijds ook de hoogste rechter was. Maar deze koning maakt onderscheid zoals een herder dat doet tussen schapen en bokken. Ik ben op het platteland opgegroeid. Voor mij is het zondermeer duidelijk, dat je voor onderscheid tussen schapen en bokken niet bij de rechter moet zijn. Je hebt ook niets aan een advocaat. Er valt hier niets te pleiten. Een schaap is een schaap en een bok is een bok. Kortom er is hier geen sprake van rechtspraak. De Koning zegt niet: Ik heb het eens allemaal op een rijtje gezet, je goede en slechte daden tegen elkaar afgewogen en kom tot het oordeel ‘jij bent geslaagd’ of ‘jij bent mislukt’. Nee, Hij zegt: Jij hebt iemand gelukkig gemaakt, dus ben je zelf ook gelukkig; treedt binnen in mijn Rijk.

Jezus Christus leert ons een nederig en dienend koningschap. Zijn koningschap is van een geheel andere orde dan we gewend zijn. Hij is niet gekomen om gediend te worden, Hij is gekomen om te dienen. Hij is koning van het rijk van liefde en geluk. Jezus noemt zichzelf de goede herder. Hij is onze herder en brengt ons redding en bevrijding, verzoening en vrede. Hem erkennen als onze koning houdt ook in dat wij Hem willen navolgen. Wij christenen zijn net als Jezus Christus gezalfden. Christus betekent Gezalfde. Met het Doopsel zijn wij gezalfd tot profeet, priester en koning.

Wij worden uitgenodigd te handelen als koningen door ons in dienst te stellen van anderen en niet ons eigen belang na te jagen. Wij worden uitgenodigd tot het verrichten van daden van liefde. Alleen een ander gelukkig maken, maakt onszelf gelukkig. Daarin zit uiteindelijk ook het oordeel. Dat is het onderscheid tussen de bokken en schapen. Jezus zegt dat er mensen zijn die vanuit de liefde leven, en mensen die dat weigeren te doen. Zij die vanuit de liefde leven, ontvangen liefde en geven liefde. Zij die niet vanuit de liefde leven, weigeren de liefde te ontvangen en geven ook geen liefde. Deze situatie zal aan het einde der tijden onveranderd blijven. Je zonden kunnen je worden vergeven, maar de keuze voor of tegen de liefde maakt iedereen zelf. Die keuze word je in vrijheid gegeven, die keuze word je niet opgedrongen.

In vrijheid leven vanuit de liefde doet ons zoals Jezus kijken met een zuivere blik en met een liefdevol hart. Daardoor zien we een mens in nood en niet een probleemgeval. Het is een mens zoals ik die honger en dorst heeft. Het is een mens zoals ik die vreemdeling, naakt, ziek of in de gevangenis is. Het is geen probleem, maar een mens die net als ik gelukkig wil zijn. Het is Jezus Christus zelf die lijdt in deze mens in nood. Met deze mens heeft Hij zich geïdentificeerd. De paus Franciscus schreef eind 2013 in Evangelii gaudium: “Het is nodig aandacht te schenken aan nieuwe vormen van armoede en kwetsbaarheid, waarin wij worden opgeroepen de lijdende Christus te herkennen, ook al brengt dit ons schijnbaar geen tastbaar en onmiddellijk voordeel: daklozen, verslaafden, vluchtelingen, inheemse volkeren, ouderen die steeds meer alleen en verlaten zijn enzovoort. De migranten gaan mij een bijzonder ter harte omdat ik herder ben van een Kerk zonder grenzen, die zich moeder van allen weet.” (EG 210) Amen.

Het is zo voorbij; 1 Tes 4,13-18; Mt 25,1-13

Waarom zo moeilijk doen over een beetje lampenolie? Kunnen die meisjes dat niet met elkaar delen? Dan zetten ze de lampen maar ietsje lager: zo erg is dat toch niet? Dan kunnen ze allemaal meedoen en allemaal deelnemen aan de bruiloft. Als enkele duizenden mensen honger hebben, zijn twee vissen en vijf broden voor Jezus genoeg om heel de menigte te voeden. En nu, nu doet Hij moeilijk over een beetje lampenolie. Zo kennen we Hem niet. Hij heeft ons toch geleerd alles met elkaar te delen en niets voor ons zelf alleen te houden. Wat is hier aan de hand?

De lezing van vandaag komt uit de redevoering van Jezus, waarin Hij vertelt, hoe het einde der tijden zich aan zal dienen. Wat gebeurt er dan allemaal en hoe zal de Mensenzoon terugkeren en hoe zal Hij oordelen. Vandaag gaat het over de domme en de verstandige bruidsmeisjes, volgende week horen we de gelijkenis van de talenten, en over twee weken – met Christus Koning – horen we het laatste deel: “Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven” et cetera… De tekst over het laatste oordeel. Juist in deze laatste tekst leert Jezus ons dat wij ons bezit moeten delen met de armen. Maar waarom wordt de lampenolie dan niet gedeeld?

Blijkbaar gaat deze gelijkenis niet over eerlijk delen, maar over iets anders, over iets wat je niet kunt delen. Je kunt je bezit met anderen delen, je kunt anderen je tijd en aandacht geven, je kunt zelfs je leven geven voor een ander. Maar je kunt niet jezelf delen, je kunt niet je eigen zijn delen met een ander. Altijd blijf je jezelf en dat geldt ook voor de ander: ook de ander blijft zichzelf, wat je ook voor hem doet. We kunnen niet voor elkaar geloven, niet voor elkaar hopen en niet voor elkaar liefhebben. Dat moeten we zelf doen. Iedereen moet zijn eigen leven leiden. Iedereen moet zijn eigen lamp brandend houden.

Jezus zegt ons: “Weest dus waakzaam want gij kent dag noch uur.” Voortdurend moeten we waakzaam zijn. We moeten op onze hoede zijn voor het kwaad. Maar misschien moeten we nog wel veel meer opletten het goede niet te missen. Maar al te gauw vinden we het normaal dat het ons goed gaat en vinden we dat we daar gewoon recht op hebben. Maar al te makkelijk zijn we helemaal in beslag genomen door onze dagelijkse beslommeringen, waardoor we geen oog meer hebben voor het goede en voor het geluk. Wees waakzaam: het is zo voorbij. Ons aardse bestaan is tijdelijk. Alles wat wij doen en beleven gebeurt in de tijd. Het heeft een begin en een einde, het goede zowel als het kwade. Dat vraagt om met aandacht te leven en om open te staan voor wat ons gebeurt. Het vraagt dat we ons beschermen tegen het kwade en dat we ontvankelijk zijn voor het goede.

Openstaan voor het goede is klaar staan voor de komst van de bruidegom. Als we gasten ontvangen zorgen we er ook voor dat ons huis op orde is en dat we klaar staan op het moment dat zij zich aandienen. Zo mogen we ook hoopvol uitkijken naar de komst van de Heer. De apostel Paulus is er in zijn brief heel duidelijk over. Wij zullen net als Christus verrijzen. Wij zullen voor altijd met Hem samen zijn. Met dat geloof kunnen wij hoopvol de toekomst tegemoet gaan. Dat geloof maakt ook dat wij ontvankelijk zijn voor dit goede dat ons ooit ten deel zal vallen.

Dit vertrouwen in de toekomst geeft ons ook steun ons aardse leven te leiden en ons ook hier op het goede te richten, het goede te doen en het goede te ontvangen. Zo houden wij onze lamp brandend. Daarin kunnen we ook elkaar tot steun zijn. Wij kunnen voor elkaar een voorbeeld zijn. Wij kunnen met elkaar in gesprek gaan en leren van elkanders ervaringen. Wij kunnen elkaar wijzen op wat er beter kan, want ook op die wijze hebben wij zorg voor elkaar en zijn we elkanders broeders en zusters. Als deel van een gemeenschap is het gemakkelijker je lamp brandend te houden dan in eenzaamheid. Ieder is voor zichzelf verantwoordelijk, maar we kunnen elkaar bemoedigen en versterken en zo ook verantwoordelijkheid voor elkaar dragen. Ook hierin geldt dat we waakzaam moeten zijn en er op het juiste moment moeten zijn. Voor alles geldt: het is zo voorbij. Weest dus waakzaam. Amen.

Liefde in waarheid; 1 Tes 2,7b-9.13; Mt 23,1-12

De lezingen van vandaag zijn zeer verschillend van toon. Paulus laat zich hier kennen als een zachtmoedig man, “als een moeder die haar kinderen voedt en koestert”. Jezus daarentegen haalt fel uit tegen de Farizeeën. Hij zegt waar het op staat. Hij confronteert de mensen met de waarheid. Liefde en waarheid lijken hier tegenover elkaar te staan. Liefde en waarheid: het zijn twee centrale begrippen in ons geloof. Het geloof zoekt en verkondigt de waarheid. De essentie van deze waarheid is de liefde: God is liefde.

Ook in ons dagelijks leven, ons leven van dag tot dag kost het ons vaak moeite deze twee begrippen, liefde en waarheid op de juiste wijze bij elkaar te brengen. Maar al te vaak vervallen we in het ene of het andere uiterste. Op het ene moment moet koste wat kost de waarheid gezegd worden en dan weer bedekken we alles met de mantel der liefde. Hoe vinden de goede middenweg? Hoe brengen we liefde en waarheid bij elkaar?

Acht jaar geleden schreef paus Benedictus de encycliek Caritas in veritate: Liefde in waarheid. Deze encycliek is een vervolg op een encycliek van nu bijna vijftig jaar geleden: de encycliek Populorum progressio van paus Paulus VI over de ontwikkeling van de volkeren. Ook Caritas in veritate gaat over de sociale leer van de Kerk: hoe richten wij onze wereldwijde samenleving op een goede manier in. In Caritas in veritate staan de begrippen liefde en waarheid centraal. De liefde is het hart van de sociale leer van de Kerk. Alles komt voort uit de liefde van God, alles wordt er door gevormd en alles is er op gericht: God is liefde.

Vormgeving van deze liefde vraagt om waarheid. Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar. Zonder waarheid wordt liefde sentimentaliteit, staat zij los van kennis en ervaring en is er geen sprake van solidariteit en verantwoordelijkheid. Liefde in waarheid vraagt naast liefdadigheid om gerechtigheid. De gerechtigheid is de maatstaaf voor het minimum. Je kunt niet iets aan een ander geven, waar de ander gewoon recht op heeft, wat in feite al zijn eigendom is. In het Nederlands noemen we dat ‘een sigaar uit eigen doos’. Daarnaast vraagt liefde in waarheid om gerichtheid op het bonum commune: het gemeenschappelijke goede, het algemeen belang. In onze geglobaliseerde wereld is dat het goede voor alle mensen.

Bij waarheid zonder liefde wordt alles enkel technologie en nuttigheid. Zonder liefde worden ontwikkeling en wetenschap onmenselijk. De liefde richt ze juist op de mens en de menselijke waardigheid. Liefde in waarheid vinden wij bij Jezus Christus. In Hem is liefde in waarheid werkelijkheid geworden. Hij roept ons op onze broeders en zusters in waarheid lief te hebben. Hijzelf is de Waarheid.

In Caritas in veritate gaat het om de uitwerking naar de samenleving van de volkeren in de huidige geglobaliseerde wereld. Maar we kunnen dit denken van paus Benedictus ook op ons eigen leven betrekken. Ook in ons eigen leven mogen liefde en waarheid nooit los van elkaar staan. We doen geen recht aan elkaar als we de waarheid niet onder ogen willen zien. We doen ook geen recht aan elkaar als we daarbij de liefde uit het oog verliezen. De waarheid spreken zonder liefde voor de ander is kil en zakelijk. Het kan de ander ernstig kwetsen en de verbondenheid met elkaar vernietigen. Liefde zonder waarheid kan zijn als een zachte heelmeester die stinkende wonden maakt.

We kennen allemaal het gezegde: een leugentje om bestwil. Hierbij gaat het er niet om dat de verteller er zo goed mogelijk vanaf komt. Het gaat erom dat de luisteraar niet onnodig gekwetst wordt. Het is niet altijd nodig om de volledige waarheid te vertellen. Het vertellen van de waarheid moet de ander dienen. Het vertellen van de waarheid is niet om de ander te belasten en ter opluchting van je eigen geweten. Dat past alleen wanneer de ander zich aanbiedt om jouw zorgen te kennen om ze met jou te dragen. Liefde in waarheid vraagt van ons dat we altijd het belang van de ander voor ogen hebben. Dat ons handelen en spreken gericht is op het goede voor de ander. Dan zijn wij in liefde en waarheid een dienaar voor de ander.

Vandaag besteden we aandacht aan de mantelzorgers in ons midden. Ook zij hebben te maken met keuzes betreffende liefde en waarheid. Wanneer is het liefdeloos en kil om je dierbare te zeggen dat hij of zij niet langer thuis kan blijven wonen? Hoe bespreek je de beperkingen van je dierbare op een liefdevolle wijze? Wanneer is het juist een daad van liefde om te besluiten dat jezelf niet meer in staat bent de juiste zorg te verlenen en dat er professionele hulp nodig is? Ook hierbij gaat het om een liefdevolle omgang met de waarheid. Ook bij de omgang met mensen met een verstandelijke beperking zijn dergelijke vragen voortdurend aan de orde.

Telkens weer wordt er van ons gevraagd liefde en waarheid bij elkaar te brengen. Ook onze waardering uitspreken voor wat een ander voor ons betekent, is zo’n daad van liefde in waarheid. Straks kunt u een bloem meenemen voor een u bekende mantelzorger. Ook onze speciale gasten van vandaag mogen een bloem meenemen voor de mensen die voor hen zorgen.

Tenslotte we vieren Willibrordzondag. We staan niet alleen stil bij de komst van het christendom naar Nederland. We realiseren ons ook de verdeeldheid die het christendom kent. Ook hier spelen liefde en waarheid een belangrijke rol. Zonder waarheid zijn we op zoek naar een goedkope eenheid. Zonder liefde vervallen we tot scherpslijperij en nog meer verdeeldheid. Ook in het oecumenische gesprek gaat het om liefde in waarheid. Amen.

In liefde verbonden; Apk 21,1-7; Lc 23,44-46.50.52.53;24,1-6a

De herfst is aangebroken, de natuur sterft af. De dagen worden steeds korter. Het landschap wordt donker, stil en leeg. Het kerkelijk jaar is de laatste maand ingegaan. We vieren Allerheiligen en Allerzielen. Het is een tijd van bezinning op ons leven. Vandaag komen verschillende zaken bij elkaar. We staan stil bij onze eigen sterfelijkheid. We gedenken onze dierbare overledenen. We geloven en bidden dat God hen opneemt in zijn rijk van liefde. We beseffen ook dat we tekortschietende mensen zijn.

De apostel Johannes ziet in een visioen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Hij hoort hoe God zijn woning kiest onder de mensen: “Hij zal bij hen wonen, zij zullen zijn volk zijn. (…) Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal zijn want al het oude is voorbij.” Zo schetst Johannes voor ons mensen een leven van geluk. Wij kunnen ons geen enkele voorstelling maken van het leven na de dood, van het eeuwig leven. En toch hopen en verlangen wij naar dat volmaakte geluk. Wij noemen dat: het ware leven, het eeuwig leven. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn.

Hoe ziet het eeuwig leven eruit? De lezingen van vandaag helpen ons daarbij niet echt verder. Wel lezen we hierin, dat het in het eeuwig leven nog steeds om mensen gaat. Wij gaan niet op in iets algemeens, iets abstracts zoals licht of energie. Wij keren niet terug als iemand anders. Wij geloven niet in reïncarnatie. Wij worden ook geen sterretje aan het firmament. Op een of andere wijze blijven we mensen, individuele mensen levend in gemeenschap. Dat is ook wezenlijk aan het geloof in de verrijzenis.

Jezus is net als wij mens geworden. Hij heeft geleden en is gestorven. Hij deelt ten volle met ons het menselijk bestaan. Zijn vrienden hebben Hem in een graf gelegd. Op de derde dag is Hij verrezen uit de doden. En dit is wat ook wij zullen doen. Jezus is ons voorgegaan, wij zullen Hem hierin volgen. Ook wij zullen op de laatste dag verrijzen uit de doden. De twee mannen in een stralend wit kleed vragen aan de vrouwen: “Wat zoekt ge de Levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen.” Dit geldt ook voor onze dierbare doden. Wij vinden hen niet op het kerkhof. Wij vinden hen terug in ons eigen leven. Wij vinden hen terug in de verbondenheid en de liefde die de dood overstijgt.

Liefde en verbondenheid is er tussen levende mensen. Zij vormt de basis voor de gemeenschap van mensen hier op aarde. Diezelfde liefde en verbondenheid overstijgt de dood en overstijgt het aardse. Zo vormt zij ook de basis voor de gemeenschap van ons met onze dierbare overledenen. Ook met hen zijn wij nog steeds in liefde verbonden. Alle vormen van liefde en verbondenheid komen voort uit Gods liefde en zijn verbondenheid met ons.

God toont ons zijn liefde en zijn verbondenheid met ons onder meer met zijn barmhartigheid. Altijd weer zal Hij ons onze zonden vergeven. Altijd weer is zijn genade overvloedig en vloeit de beker van het heil over. Gods liefde en barmhartigheid doen ons erop vertrouwen dat wij en onze dierbaren – ondanks onze tekortkomingen – door Hem in zijn rijk van vrede en geluk zullen worden opgenomen. Zo zullen ook wij ooit met Christus verrijzen. Amen.

Koken in het groot – Cooking for crowds

Auteurs: Mariët Herlé en Carolyn Wiersum
Titel: Koken in het groot: Complete maaltijden uit de daklozenkeuken
Uitgever: Lecturis, 2017
Prijs: € 25,00
ISBN: 078 94 6226 196 9
Aantal pagina’s: 152

Elke vrijdag verzorgd het Straatpastoraat in Den Haag een driegangenmaaltijd voor 100 tot 120 daklozen. De bereiding ervan wordt gedaan door een grote groep vrijwilligers. Hen lukt het wekelijks voor weinig geld een eenvoudige, smakelijke en gezonde maaltijd te bereiden.

Twee van de koks, Mariët Herlé en Carolyn Wiersum, hebben de recepten van dertig menu’s uit heel de wereld in dit boek bijeengebracht. De soep en het toetje zijn altijd vegetarisch. Bij de hoofdgerechten wordt een vegetarisch alternatief gegeven. Varkensvlees wordt er niet gebruikt. Bij alle menu’s worden er boodschappenlijstjes gegeven voor 30, 50 en 100 personen.

Het fraai uitgegeven en rijk geïllustreerde boek is tweetalig: Nederlands en Engels. Het is een aanrader voor ieder die voor grote gezelschappen maaltijden moet bereiden. Daarnaast biedt het ook talloze ideeën voor het koken in de huiselijke kring. Het boek is te verkrijgen via http://www.lecturis.nl. Met de aankoop steunt u het werk van het Haagse Straatpastoraat.

Zelfgenoegzaamheid; Js 25,6-10a; Mt 11,1-14

God richt voor ons een feestmaal aan. U weet hoe God is. Dat betekent een overvloedige maaltijd. Van alles is er meer dan genoeg: geen afgemeten porties. Nee God houdt van overvloed en overdadigheid. Dan zullen we met Jesaja zeggen: “Dat is onze God, op wie wij hoopten. Hij heeft ons gered! Dat is de Heer, op wie wij vertrouwden, laat ons jubelen en ons verheugen om de redding, die Hij ons gebracht heeft!” Jesaja weet ons op beeldende wijze te vertellen hoe overvloedig Gods liefde en genade voor ons mensen is, en welk antwoord God daarop van ons verwacht.

Ook Jezus gebruikt het beeld van een overvloedige maaltijd om Gods bedoelingen met ons mensen te schetsen. Ook Jezus beschrijft de wijze waarop mensen hierop reageren. In het verhaal dat Jezus ons vertelt, is er niet direct sprake van jubelen. Hier zien we geen mensen die zich verheugen om wat God voor hen doet. De genodigden willen niet komen. Een deel van hen is nogal onverschillig. Zij gaan verder met hun bezigheden. Anderen verzetten zich en vermoordden de dienaars. Vervolgens wordt iedereen uitgenodigd: “slechten zowel als goeden”. En nu kan het feest beginnen, en dan blijkt er toch nog iemand te zijn die niet de moeite heeft genomen zich voor het feest te kleden. Het laat hem blijkbaar even onverschillig als de eerdere genodigden die verder gingen met hun zaken.

Velen begrijpen blijkbaar niet dat overvloedige liefde en genade om een antwoord vragen. Zo’n daad van liefde mag niet onbeantwoord blijven. Stel je voor je nodigt al je geliefden uit voor een feest en je krijgt zulke reacties. Dat is toch om gek van te worden.

Jezus vertelt deze gelijkenissen aan de hogepriesters en de oudsten van het volk. Net als de verhalen die we de afgelopen twee zondagen hoorden, maakt deze gelijkenis deel uit van een discussie van Jezus met vooraanstaande mannen uit het Joodse volk. Er is dan ook veel voor te zeggen om deze gelijkenis op hen te betrekken. Dan is het het volk van Israël dat Gods liefde niet beantwoordt en worden vervolgens alle andere mensen uitgenodigd hun plaats in te nemen.

In het Evangelie volgens Lucas wordt deze gelijkenis op een wat ander manier vertelt. Daar ligt de nadruk veel meer op de zelfgenoegzaamheid van de genodigden. Zij zijn met hun eigen dingen bezig en hebben geen aandacht voor het feest. Daar worden vervolgens armen, gebrekkigen, blinden, kreupelen en vele anderen voor de maaltijd uitgenodigd. Bij Lucas krijgt deze gelijkenis een andere betekenis. Nu gaat het niet alleen over anderen, nu gaat het ook over mijzelf. Op welke wijze word ik door deze gelijkenis aangesproken. Hoezeer ben ik met mijzelf en met mijn eigen dingen bezig? Hoe zelfgenoegzaam ben ik zelf? Draait alles om mij of heb ik vooral oog voor anderen? En hoe open sta ik voor de liefde en genade van God?

Stel je eens voor dat Jezus afgelopen week de Tweede Kamer was binnengelopen en daar deze gelijkenis had verteld. Hoe zouden we dit verhaal dan interpreteren? Dan zou het werkelijk over ons gaan, over onze manier van denken en over onze manier van doen.

Hoe zouden we dan het idee van de gewone, normale Nederlander zien? Is dat na dit verhaal van Jezus nog steeds een onschuldige aanduiding van de gemiddelde Nederlander? Gaat het dan nog steeds over hoe wij onszelf zien? Of staat de gewone, normale Nederlander dan voor zelfgenoegzaamheid? Voelt deze gewone, normale Nederlander zich beter dan anderen? Welke mensen worden met deze aanduiding uitgesloten? Hoe zit het met de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen van nu? Wie zijn die Nederlanders voor wie we geen aandacht hoeven te hebben, omdat zij niet normaal en niet gewoon zijn? Dat je als politicus vooral opkomt voor bepaalde groepen, het zij zo. Maar is het werkelijk nodig anderen weg te zetten en uit te sluiten als ongewoon en abnormaal? Hoever willen we gaan met het bevorderen van de tweedeling in Nederland?

En wie zouden de uitnodiging van Jezus voor het Rijk Gods aannemen? De gewone, normale Nederlanders die het zo geweldig met zichzelf getroffen hebben? Of zijn het juist de mensen die zich daardoor niet aangesproken voelen, omdat ze beseffen dat ze proberen zo goed mogelijk te leven, maar desondanks mensen zijn die tekort schieten en mensen zijn die afhankelijk zijn van andere mensen.

In de gelijkenis die Jezus vertelt, maakt ook de koning een tweedeling. En hij doet dat bepaald niet zachtzinnig. Maar deze tweedeling is niet gebaseerd op wie deze mensen zijn. Het gaat hier niet om rijk of arm, ziek of gezond, wit of zwart, vrouw of man. Het gaat niet om afkomst, etniciteit of godsdienst. Het gaat hier om de keuzes die mensen zelf maken. God laat zijn zon immers opgaan over slechten en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. (Mt 5,45) Iedereen krijgt een kans. Iedereen wordt uitgenodigd: “slechten zowel als goeden”.

Mensen zijn zelf verantwoordelijk te kiezen voor het goede. Zij mogen er zelf voor kiezen zich open te stellen voor Gods liefde en genade. Mensen zijn geschapen met een vrije wil. In de liefde is geen dwang. De keuze is aan onszelf. Amen.

Gemeenschap en eenheid; Fil 2,1-11; Mt 21,28-32

Vorige week eindigde de eerste lezing met: “Gij moet een leven leiden dat het Evangelie van Christus waardig is.” Vandaag maakt Paulus duidelijk wat hij hiermee bedoeld. Paulus roept op tot saamhorigheid en eensgezindheid, tot gemeenschap en eenheid.

In vergelijking met andere brieven is de vermaning van Paulus in deze brief aan de christenen van Filippi redelijk vriendelijk van toon. Blijkbaar zijn er geen enorme misstanden in Filippi, maar maakt Paulus zich wel zorgen over het gebrek aan gemeenschap en het gebrek aan eenheid. Hoe was de situatie in Filippi? Kunnen wij ons daar een beeld van vormen? Filippi was een belangrijke stad in Macedonië. Het lag op de handelsroute van Byzantium naar Rome, een belangrijke verbinding tussen oost en west. Naast de Grieken woonden er velen met een Romeinse achtergrond en er was ook een joodse gemeenschap.

Filippi is de eerste plaats op het Europese vasteland waar Paulus een geloofsgemeenschap opbouwt. Deze gemeenschap zal ongetwijfeld mensen van allerlei soort gekend hebben. Mensen met een verschillende etnische achtergrond, met een verschillende religieuze achtergrond, mensen van verschillende rangen en standen, arm en rijk, man en vrouw. Als christen worden deze mensen allemaal gelijkwaardig aan elkaar: broeders en zusters in Christus. Ondanks de grote verschillen vormen ze een gemeenschap. Dat was toen evenals tegenwoordig geen gemakkelijke opgave. Om in een dergelijke situatie tot een gemeenschap te komen, zijn er twee strategieën mogelijk: ten eerste het opheffen van de verschillen en ten tweede leren omgaan met de verschillen.

Ook in onze tijd kennen we het probleem van gebrek aan eenheid en het ontbreken van gemeenschapszin. Als oorzaak wordt vaak gewezen naar de vele verschillen die er in onze samenleving zijn ontstaan. Veel politici kiezen de strategie van het willen opheffen van de verschillen. Een opvallend aspect hiervan is dat de ander moet veranderen. De ander moet zich aanpassen. De ander moet worden zoals ik ben. Nooit hoor je iemand roepen dat hij van plan is zelf te veranderen, dat hij van plan zichzelf aan te passen.

Paulus kiest hier duidelijk voor een andere strategie. Hij heeft het niet over aanpassen en het opheffen van de verschillen. Hij roept zijn lezers op ermee om te gaan. Het wegzetten van de ander en het pronken met eigenheid wordt door Paulus verworpen als partijzucht en ijdelheid. Paulus roept zijn lezers op tot saamhorigheid en verbondenheid. Dat vraagt nederigheid en ootmoet. Door jezelf bescheiden op te stellen kun je respect hebben voor een ander en hem hoger achten dan jezelf. Gemeenschap en eenheid verkrijg je niet door alleen aan je eigen belang te denken, maar juist door het belang van de ander te behartigen. Eenheid vraagt hartelijkheid en mededogen.

Paulus laat een ander geluid horen dan er zo dikwijls uit onze samenleving opstijgt. Eerder in deze brief staat de volgende bede: “moge uw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid, om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt.” Paulus eindigt deze vermaning met te wijzen op de nederigheid en onbaatzuchtigheid van Jezus Christus. “Hij (…) heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. (…) Hij is aan de mensen gelijk geworden.” Wij worden op onze beurt geroepen gelijk te worden aan Hem.

Jezus maakt met de gelijkenis van de twee zonen op een andere manier duidelijk hoe wij de eenheid kunnen bevorderen en kunnen werken aan de gemeenschap. Eensgezindheid en verbondenheid vraagt niet alleen dat we elkaar naar de mond praten, maar er ook daadwerkelijk naar handelen. De gelijkenis die Jezus vertelt, is voor ons direct duidelijk. In onze cultuur hechten wij meer belang aan het doen dan aan het zeggen: geen woorden maar daden. In vele andere culturen ligt dat anders. Daar is nee zeggen iets wat je niet doet. Nee zeggen is een ernstige belediging. Nee zeggen tegen je vader is helemaal uit den boze. Het is een daad die ingaat tegen het respect en de liefde voor je vader. Dit is waarschijnlijk ook zo in de cultuur waarbinnen Jezus dit verhaal vertelt.

Jezus leert hier dat het niet alleen gaat om mooie woorden. Hij is ook kritisch naar de cultuur waarin Hij leeft. Op de zelfde wijze worden ook wij uitgenodigd kritisch te zijn naar onze eigen cultuur en naar onze eigen manier van doen. Zo mogen wij ons afvragen of het nodig is meteen bot en afwijzend te reageren als een vraag ons niet aanstaat. Wat doe je de ander aan met jouw zogenaamde eerlijkheid? Wat is waarheid als zij zonder liefde gaat? De bede van Paulus is ook op ons van toepassing: “moge uw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid, om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt.” Amen.

De vrede van Christus; Fil 1,20c-24.27a; Mt 20,1-16

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar de kans is groot dat u – net als ik – niet dagelijks bezig bent met de vraag die Paulus hier aan de orde stelt: Wanneer ben ik beter af? Is het beter voor mij dat ik blijf leven of ben ik beter af als ik ga sterven? Paulus zit op dat moment in de gevangenis, waarschijnlijk in Caesarea. Vanuit Jeruzalem – waar de joden hem wilden vermoorden – is hij naar Caesarea overgebracht om daar berecht te worden. Paulus verkeert in moeilijke omstandigheden en is zijn leven niet zeker. Onder dergelijke omstandigheden is de vraag van Paulus over leven en dood mogelijk meer voor de hand liggend dan in het gebruikelijke leven van alledag.

Paulus weet zich innig verbonden met Christus. “Voor mij toch is het leven Christus…” Paulus gaat helemaal op in zijn Verlosser en Zaligmaker. Het maakt hem daardoor niet zoveel uit wat er met hem gebeurt. Als hij leeft, leeft hij in en met en door Christus. Als hij sterft zal hij voor eeuwig met zijn Heer verenigd zijn. Wat er ook gebeurt: in hem zal Christus verheerlijkt worden. Zijn hele leven, zijn hele bestaan staat in het teken van Jezus Christus. De dood zal daar geen einde aan maken.

De meesten van ons zullen niet zo licht spreken over leven en dood. Wij mensen zijn over het algemeen zeer gehecht aan ons leven. Hoe groot ons geloof ook mag zijn, we willen ons leven niet zomaar inruilen voor de onzekerheid van het eeuwig leven. We weten wat we hebben. Niemand weet precies hoe het hierna zal zijn. Voor Paulus is de liefde van Christus zo’n allesomvattende werkelijkheid dat deze menselijke onzekerheid blijkbaar geen rol meer speelt. In deze brief die nog geen vijf bladzijden lang is, schrijft Paulus uitvoerig over zijn persoonlijke geloofsleven en zijn persoonlijke verhouding tot Christus.

Bij het lezen van de brief dringt de vraag zich op: Hoe kan iemand zich zo intens verbonden weten met Christus? Hoe kan ik als mens van vlees en bloed zoveel houden van iemand, die ik nooit in levende lijve gezien heb? Paulus ervaart Christus als de bron van de vreugde in zijn leven. Christus geeft hem de kracht zijn missionaire arbeid te verrichten en alles wat hij heeft moeten verduren, te verdragen. In Christus ervaart hij een diepe verbondenheid met de mensen aan wie hij deze brief schrijft.

De eenheid in Christus, de eensgezindheid en de onderlinge verbondenheid geven vreugde en blijdschap zoals Paulus zelf heeft ervaren. Deze vreugde en blijdschap gunt Paulus aan iedereen. Daarom wil hij ook wel blijven leven om te kunnen getuigen van Christus en iedereen te laten delen in zijn geluk. De weg naar dat geluk ligt volgens Paulus in het leiden van een leven dat het Evangelie waardig is. In deze brief zijn saamhorigheid en eensgezindheid daarin sleutelwoorden. Paulus roept op tot gemeenschap en eenheid. Volgende week horen we daar meer over.

Leven in verbondenheid met Christus is zoeken Hem na te volgen, te leven zoals Hij het heeft voorgedaan, en zijn lessen zoals gegeven in gelijkenissen in de praktijk te brengen. De boodschap uit de gelijkenis van vandaag vinden we terug in de sociale leer van de Kerk. De landeigenaar zegt tegen de arbeiders: “Ik zal u geven wat billijk is.” Eén denarie was in die tijd een fatsoenlijk dagloon: een gezin kon daar een dag van leven. Door iedereen die ene denarie te betalen hoeft er niemand honger te lijden. De Kerk heeft de boodschap hiervan vertaald in haar sociale leer. De Kerk leert dat iedereen met het loon voor zijn arbeid in staat moet zijn om een gezin te onderhouden. De prijs die voor arbeid betaald wordt, is niet alleen een economisch gegeven, niet alleen afhankelijk van de marktwerking. De arbeidskosten kennen ook een ethische kant. In ons land vinden we dit denken terug in het minimumloon.

Het gaat niet alleen om de waarde van het verrichte werk. Het gaat ook om de waardigheid van de mens. Waarde en waardigheid zijn verschillende begrippen. De waarde van iets kun je in geld uitdrukken. Waardigheid is een absoluut begrip. Waardigheid is niet te koop. Dingen hebben waarde. Zij hebben een prijs. Mensen hebben waardigheid. Dingen zijn ook vervangbaar. Hun waarde wordt bepaald door de markt. Daarentegen is iedere mens uniek en onvervangbaar. Iedereen is geschapen als beeld en gelijkenis van God. Zo zijn alle mensen gelijkwaardig aan elkaar.

We zijn aan het einde van de vredesweek. Paulus roept ons op tot gemeenschap en eenheid, tot saamhorigheid en eensgezindheid. Voor hem is het duidelijk dat de werkelijke vrede alleen te vinden is in een leven in verbondenheid met Christus. Jezus houdt ons voor wat billijk is. Billijkheid is meer dan vraag en aanbod. Billijkheid overstijgt het marktdenken. Billijkheid heeft te maken met gerechtigheid en met de waardigheid van iedere mens. Ook dat zijn aspecten van werkelijke vrede, aspecten van de vrede van Christus. Amen.

De kracht van verbeelding; Sir 27,30-28,7; Mt 18,21-35

Dit jaar is het thema van de Vredesweek: de kracht van verbeelding. Je hebt verbeeldingskracht nodig om te kunnen dromen, om te kunnen geloven dat het schijnbaar onmogelijke mogelijk wordt. Je hebt ook verbeeldingskracht nodig om uit je gebruikelijke manier van denken kunnen te stappen, om los te komen van je eigen denkpatronen.

Volharden in je boosheid, je gramschap tegenover een medemens heeft ook te maken met niet los kunnen komen van je eigen denkpatroon. Het vraagt verbeeldingskracht om een ander te kunnen vergeven. het vraagt verbeeldingskracht om vrede te kunnen stichten. Telkens weer hebben wij de neiging om stempels te drukken op mensen. We stoppen ze in hokjes. Zo lijkt de wereld overzichtelijk.

Het is goed om goed en kwaad van elkaar te onderscheiden. Het is goed om goed en verkeerd handelen en spreken van elkaar te onderscheiden. Het is goed het goede lief te hebben en het kwade te haten. Het is echter niet goed als we de wereld indelen in goede en verkeerde mensen. En het is helemaal niet goed alleen goede mensen lief te hebben en verkeerde mensen te haten. Als we op die manier onderscheid maken tussen mensen verliezen we de waardigheid van iedere mens uit het oog. Dan zien we geen mogelijkheden tot verandering meer. Dan hebben we onszelf opgesloten in onze eigen denkpatronen en zijn alleen nog in staat tot wrok en gramschap.

De waardigheid van iedere mens vraagt van ons dat we de ander willen zien als een mens zoals wij maar vooral ook als een mens die werkelijk anders is dan wij zijn. De ander is een ander, zoals ik mezelf ben en ik mezelf wil kunnen zijn. Dat vraagt verbeeldingskracht. In het Evangelie geeft Jezus een voorbeeld van verbeeldingskracht. Iemand is de koning tienduizend talenten schuldig. Een andere dienaar is deze dienaar honderd denariën schuldig. Die bedragen zeggen u waarschijnlijk niet veel. Voor één denarie kon je een schaap kopen. Tegenwoordig kost een schaap zo’n €100,=. Dus honderd denarie is in onze tijd ongeveer €10.000,=. Dat is een flink bedrag, maar niet direct reden om schuldsanering aan te vragen. Eén talent is ongeveer zesduizend denarie, dus ongeveer €600.000,=. De dienaar heeft een schuld van tienduizend talenten ofwel €6.000.000.000,=. Kortom een onafzienbaar groot bedrag. Het gaat hier om het grootste bedrag dat Jezus kon noemen, want men kende in die tijd geen groter getal dan tienduizend.

Het vraagt veel verbeeldingskracht van de koning om zich voor te stellen hoe de dienaar deze gigantische schuld kan aflossen. Met zijn verbeeldingskracht komt hij tot een opmerkelijke oplossing, namelijk het kwijtschelden van de schuld. Het is deze verbeeldingskracht die bij de dienaar – ook nadat hem het goede voorbeeld is gegeven – totaal ontbreekt. De dienaar volhardt in zijn eigen denkpatronen. Dit gebrek aan verbeeldingskracht wordt hem ernstig kwalijk genomen.

Verbeeldingskracht stelt ons in staat tot vergeven. Het bevrijdt ons van de neiging de zonde en de zondaar op één hoop te gooien. Een mens is niet alleen maar wat hij doet. Jezus leert ons de zonde, het kwaad te haten, maar Hij leert ons ook de zondaar juist lief te hebben. Door de zondaar lief te hebben, komen we ertoe onze verbeeldingskracht aan te wenden. Door de zondaar lief te hebben komen we tot vergeving en we komen tot oplossingen in uitzichtloze situaties.

Oorlog en geweld brengen geen vrede in de wereld. Vrede is ook veel meer dan alleen maar het ontbreken van oorlog. Werkelijke vrede vraagt dat mensen elkaar waarderen. Dat zij elkaar respecteren en accepteren. Dat we de ander zien als een ander en niet als een kopie van onszelf. Werkelijke vrede vraagt gerechtigheid. Zij vraagt dat er voor iedereen een volwaardige plaats is in de samenleving. Wij leven in vrede als wij onze medemens waarderen, hem een plaats in de samenleving gunnen, en hem in staat stellen zichzelf te zijn, te zijn zoals hij zelf werkelijk wil zijn.

Vrede vinden wij als wij los komen van onze vooroordelen, van onze wrok en gramschap. Dan leren wij de wereld met andere ogen te zien. Het vraagt verbeeldingskracht om met anderen in gesprek te gaan en een relatie met hen aan te gaan. Werkelijke vrede begint bij ons zelf, bij vrede in onze harten. Vrede vinden wij als wij vergeving voor onze eigen zonden durven te vragen en in staat zijn ook anderen hun zonden te vergeven.

Straks is er een tweede collecte voor het werk voor mensen die de gevangenis hebben verlaten. Het gaat om mensen die werkelijk de fout ingegaan zijn, hun handelen is afkeurenswaardig geweest. Ook deze mensen moeten wij liefhebben. Door bij te dragen aan deze collecte geven wij hen nieuwe kansen. Zo brengen wij vergeving en het komen tot verzoening in de praktijk. Zo werken we concreet aan het dichterbij brengen van de vrede. Amen.