Jezus spreekt over het einde der tijden. Je wordt niet blij van zijn voorspellingen. Het klinkt dreigend en onheilspellend. “Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen hevige aardbevingen zijn, en hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en aan de hemel geweldige tekenen.”
Ook in onze tijd wordt er bij tijd en wijle op onheilspellende wijze over de toekomst van de mensheid en van onze aarde gesproken. Denk aan de klimaatveranderingen, het uitputten van de aarde en het verlies aan biodiversiteit. Ook politieke ontwikkelingen kunnen ons angst aan jagen. Zaken als toenemend populisme, radicalisering, autoritaire leiders stemmen je niet hoopvol wat de toekomst betreft.
Voor een deel hebben we invloed op onze toekomst. Wij zijn het zelf die onze politieke leiders kiezen. Als consument bepalen we zelf wat we wel en niet kopen en op welke wijze we zorg dragen voor het behoud van de schepping. Ook met onze manier van spreken hebben we dagelijks invloed op onze toekomst. Scheppen we een sfeer van hoop en vertrouwen of huilen we mee met de wolven in het bos? Toch is onze invloed op de toekomst slechts beperkt. De toekomst komt op ons af. We hebben er enige invloed op en kunnen ontwikkelingen gedeeltelijk voorspellen, maar uiteindelijk hebben we onze toekomst niet in eigen hand.
Dat betekent dat we een manier moeten vinden om met de toekomst om te gaan. Wat de toekomst voor ons betekent, wordt mede bepaalt door hoe wij ons verhouden ten opzichte van wat ons gebeurt. We kunnen de ontwikkelingen ontkennen. We kunnen onze kop in het zand steken en doen alsof er niets aan de hand is. We kunnen er fatalistisch vrolijk op los leven onder het motto na ons de zondvloed. We kunnen vol angst en pessimisme wegduiken, bij de pakken neerzitten en zwelgen in somberheid.
In de tekst van vandaag sluit Jezus af met: “Geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.” Ondanks alle verschrikkingen houdt Jezus ons voor dat we hoopvol moeten zijn en standvastig moeten blijven vertrouwen op God. Telkens zal er nieuw leven zijn en wordt ook ons nieuw leven geschonken. Dat is de hoop van waaruit wij mogen leven. God zal tenslotte alles ten goede keren. Ook al gaat de tempel met al zijn schoonheid verloren, ook al wordt Jeruzalem met haar machtige muren verwoest, dat betekent nog niet het einde van de wereld. Ook na grote natuurrampen blijkt er altijd weer nieuw leven mogelijk. Ook Jezus’ eigen dood bleek niet het einde, maar door zijn verrijzenis was het juist een nieuw begin. Uiteindelijk zijn wij met de gehele mensheid op weg naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Die weg heeft Jezus met zijn leven en zijn dood voor ons geopend. Hijzelf is onze weg en ons leven.
Als wij leven vanuit die hoop vervallen we niet tot ontkenning, niet tot fatalisme en niet tot angst en pessimisme. Leven vanuit de hoop betekent ook dat we blijvend onze verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst van de mensheid en van heel de schepping. De hoop doet standvastig zijn en doet ons blijven vertrouwen. Door onze eigen hoop en vertrouwen blijven we ook getuigen van Gods liefde voor ons en voor alle mensen. Als leerlingen van Jezus getuigen we van Hem en van de Blijde Boodschap die Hij verkondigt.
Door ons vertrouwen op God getuigen we zonder angst ook al weten we dat onze getuigenis niet door iedereen op prijs wordt gesteld, ook al weten we dat onze getuigenis ook verdeeldheid zal veroorzaken en tot bespotting en vervolging kan leiden. Door ons vertrouwen op God hoeven we ook niet bang te zijn dat we niet zullen weten wat we moeten zeggen, dat we met de mond vol tanden staan als mensen ons het vuur na aan de schenen leggen. Het is de heilige Geest die in ons spreekt, het is altijd Jezus zelf die ervoor zorgt dat wij de woorden zullen vinden die op dat moment nodig zijn. Het is uiteindelijk altijd Jezus zelf die van Gods goedheid getuigt. Het is Jezus zelf die Gods liefde voor de mensen verkondigt. Wij mogen Hem daarbij vol vertrouwen van dienst zijn. Amen.
Als we alle verhalen over Martinus op een rijtje zetten, zien we dat hij steeds meer op Jezus gaat lijken. Hoe hij gaandeweg een echte leerling van Jezus wordt. Een belangrijke stap van Martinus op deze weg van leerling van Jezus worden, is het delen van zijn mantel met de bedelaar.
De jonge officier in het leger van Romeinse keizer voelde zich al aangetrokken door de verhalen over Jezus. Hij had kennisgemaakt met het christelijk geloof en was doopleerling geworden. Maar in die tijd was het heel normaal dat je jarenlang doopleerling was. Met de Doop werden je zonden vergeven. Daarna gedane zonden raakte je veel moeilijker kwijt. Zeker voor een militair was het niet eenvoudig om geen zonde te doen. Het Sacrament van Boete en Verzoening kende men toen nog niet.
En dan ziet Martinus die bedelaar bij de poort van Amiens zitten. Intuïtief weet hij dat hij iets moet doen en hij geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar. Zeer waarschijnlijk kende Martinus het vandaag gelezen Evangelieverhaal, maar heeft hij zich geen enkel moment gerealiseerd, dat hij met het weggeven van de helft van zijn mantel deed wat Jezus hier van ons vraagt. In een droom verschijnt dan Jezus aan Martinus met de helft van de mantel om zijn schouders. Nu realiseert Martinus zich wat er werkelijk gebeurd is. In de persoon van deze bedelaar heeft Jezus hem geroepen.
Met deze roeping wordt er een fundament onder zijn handelen gelegd. Martinus wilde een goed mens zijn en hij had ook zeker een idee van de manier waarop hij dat zou kunnen zijn. Jezus maakt hem nu duidelijk waarop het goed zijn gebaseerd is. Het wordt nu voor Martinus duidelijk dat Jezus zelf dit fundament is. Jezus zelf is de bron van de liefde waaraan hij zich mag laven. Jezus is de bron van liefde van waaruit Martinus kan en mag leven. Het is ook Jezus die van zichzelf zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Vanaf dit moment is het voor Martinus helder. Hij verbindt zijn leven met dat van Jezus. Hij wordt een echte leerling van Jezus. Hij laat zich dopen en hij verlaat het leger. Gaandeweg zijn leven zal hij steeds meer op Jezus gaan lijken.
De weg die Martinus is gegaan, wordt ons vandaag als voorbeeld voorgehouden. Ook wij zijn geroepen om leerlingen van Jezus te zijn, ons leven met dat van Jezus te verbinden en om steeds meer op Jezus te gaan lijken. Ook wij zijn geroepen om op deze wijze goede en gelukkige mensen te zijn. De geest des Heren, de heilige Geest rust niet alleen op Jezus: de heilige geest was er ook voor Martinus en is er ook voor ons.
Vandaag is er een inzameling voor de voedselbank. Het zijn de huidige mensen in nood met wie wij onze welvaart mogen delen. Het is een concrete wijze van hongerigen te eten geven en dorstigen te laven. Ook vandaag is Jezus in en onder hen aanwezig. Hij zal zich altijd om de mens in nood bekommeren en zich met hen vereenzelvigen. Als wij ons laten raken door de nood van onze medemens en daarnaar handelen, leven we niet alleen naar het voorbeeld van Jezus Christus. In de mensen in nood ontmoeten wij ˗ net als Martinus ˗ werkelijk Jezus. Zo groeien we uit tot echte leerlingen van Jezus en zijn we hier en hierna gelukkig.
Sint Martinus is niet alleen ons voorbeeld. Hij is ook onze voorspraak. Wij mogen de hulp van Sint Martinus inroepen met de woorden die achter in de kerk op de balustrade geschreven staan: “Gij die uw mantel hebt gedeeld, bekleed ons met gerechtigheid.” Amen.
Zacheüs voelt zich aangetrokken tot Jezus. Hij wil Hem zien. Hij wil Hem horen. Maar hoe moet hij met Jezus in contact komen? Hij is klein. Hoe val je dan op? Van de andere kant: Zacheüs wil helemaal niet opvallen. Hij weet dat de mensen hem niet mogen en dan geeft opvallen al gauw een hoop gedoe. Zacheüs verstopt zich in een boom. Vandaaruit kan hij ongezien Jezus voorbij zien komen.
Dan neemt het verhaal plotseling een onverwachte wending. Het initiatief ligt helemaal niet bij Zacheüs. Het initiatief blijkt bij Jezus te liggen. Het is Jezus die Zacheüs persoonlijk roept. Jezus kent zelfs zijn naam. Het is zelden dat er een naam genoemd wordt van mensen die Jezus ontmoeten. Jaren later kent Lucas deze naam nog. Je zou hieruit kunnen afleiden dat Zacheüs behoort tot de groep van de eerste christenen en dat zijn bekering niet van korte duur is geweest. Dat Jezus nu uitgerekend bij Zacheüs te gast moet zijn, is voor de omstanders tamelijk onbegrijpelijk. Vlak voor zijn aankomst in Jericho had Jezus nog een blinde genezen. Iedereen had het gezien en prees God. En dan nu dit. Jezus neemt zijn intrek bij deze zondaar. Dat is toch ongehoord. Zoiets doe je toch niet. Die man is totaal onwaardig voor zo’n roeping.
Ook voor Paulus is dit een punt. Paulus kent de mensen. Hij weet hoe zij denken. Als iemand zich niet gedraagt naar zijn roeping is hij ongeloofwaardig. Daarom bidt Paulus tekens opnieuw tot God dat de christenen van Tessalonica hun roeping waardig mogen zijn. Paulus bidt voor hen dat hun goede voornemens en hun daden van geloof door God tot volkomenheid worden gebracht. Hij bidt dat hun geloof werkelijk zichtbaar is in hun daden en hun gedrag. Alleen dan zal de Naam van Jezus verheerlijkt worden. Paulus bidt dat zij werkelijk leerlingen van Jezus zullen zijn.
Blijkbaar maakt Jezus zich hierover helemaal geen zorgen. Hij weet dat Zacheüs een zondaar is en dat de mensen hem niet mogen. Hij bevestigt dit ook door te zeggen: “De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en om te redden wat verloren was.” Maar ondertussen zien we ook wat de roeping van Zacheüs met Zacheüs doet. Hij doet een opmerkelijk uitspraak: “Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen en als ik iemand iets afgeperst heb geef ik het hem vierdubbel terug.” De roeping door Jezus brengt Zacheüs werkelijk redding. Hij was verloren maar Jezus heeft hem gered: hij is een ander mens geworden; zijn huis is werkelijk heil ten deel gevallen. Het heil dat Zacheüs overkomt, is niet alleen het eenmalige bezoek van Jezus. Het heil dat Zacheüs ten deel is gevallen, is zijn bekering. Door de roeping van Jezus is Zacheüs een ander mens geworden: een leerling van Jezus. God is hem werkelijk genadig geweest.
Wat er met Zacheüs gebeurt, gebeurt ook met ons. Wij zijn met ons Doopsel en met ons Vormsel allemaal door Jezus geroepen om zijn leerling te zijn. Dat betekent dat ook ons net als Zacheüs heil ten deel valt. Ook onze roeping betekent dat God ons genadig is: God geeft ons zijn genade om ons telkens weer te kunnen bekeren. Elke keer als wij onze roeping niet waardig zijn, geeft Hij ons de genade om ons leven te beteren.
Leerling van Jezus zijn betekent ook dat wij op onze beurt geroepen zijn anderen tot leerling te maken. En ook op dit vlak hebben de lezingen van vandaag ons veel te zeggen. Wij hoeven de mensen niet vooraf te beoordelen op hun gedrag en hun waardigheid. Wij hoeven ons daarover geen zorgen te maken. Dat deed Jezus ook niet bij Zacheüs. Het gaat erom mensen op het pad van de redding te brengen. Juist mensen die verloren zijn hebben redding nodig. Dat begint ermee iedereen met liefde te benaderen, onze deuren voor hen te openen en hen op te nemen in onze gemeenschap, ook de mensen die de weg kwijt zijn, ook zij die zich niet goed gedragen. We mogen niemand vooraf afschrijven, niemand vooraf uitsluiten. Door mensen over Jezus te vertellen geven we hen een kans om Jezus te ontdekken en te ontdekken dat er ook voor hen redding is. Als zij zich werkelijk geroepen weten door Jezus, zullen ze net als Zacheüs het heil en de genade die God geeft, ervaren.
De zorgen van Paulus over het gedrag betreft niet de mensen die nog bekeerd moeten worden, het betreft de mensen die al bekeerd zijn. De zorgen van Paulus betreft mensen zoals wij. Voor ons bestaat het gevaar dat we afdwalen en onze goede bedoelingen niet meer tot een goed einde brengen, waardoor we onze geloofwaardigheid als leerlingen van Jezus verliezen. Wij hebben het nodig dat we met enige regelmaat bij de les worden gehouden. Wij hebben het nodig dat we gewaarschuwd worden voor valse profeten. Wij hebben het nodig dat we voor elkaar blijven bidden. Amen.
Dankbaar zijn. Dat valt nog niet mee! En blijkbaar is dat niet alleen tegenwoordig zo. Als wij naar de lezingen luisteren is het van alle tijden. Jezus maakte dit tweeduizend jaar geleden mee. De profeet Elisa leefde nog zo’n achthonderdvijftig jaar eerder. In beide verhalen wordt het gebrek aan dankbaarheid nog eens benadrukt, doordat het een vreemdeling is die wel dankbaar. In de eerste lezing is het de Syriër Naäman die dankbaar is en in het Evangelie is het een Samaritaan.
Dankbaarheid vraagt blijkbaar nogal wat van mensen. Om te beginnen moet je accepteren dat een ander iets voor jou doet. De ander doet iets voor jou of geeft iets moois of iets dat je goed kunt gebruiken. Het kan ook zijn dat er iets aardigs tegen je gezegd wordt of misschien is het alleen maar gebaar of een glimlach. Het is de ander die jou ziet staan en iets voor je doet. Dat cadeau kun je dankbaar ontvangen, maar je kunt ook reageren met woorden als: dat had je niet moeten doen.
Dat laatste zeg je misschien omdat je denkt dat nu de ander iets schuldig bent, want ‘voor wat hoort wat’. Het geven is dan onderdeel van wederkerige afhankelijkheid, waarbij het van groot belang is dat het evenwicht tussen beide partijen blijft bestaan. Dit is een prima mechanisme als je met elkaar zaken doet of wanneer staatshoofden bij elkaar op bezoek gaan. maar daar gaat het vandaag niet over.
Vandaag gaat het om een ontvankelijkheid voor cadeaus die je niet met gelijke munt kunt terugbetalen. De voorbeelden uit de lezingen zijn genezingen van melaatsheid een destijds ongeneselijke ziekte. Het gaat hier om daden van liefde. Ieder cadeau in welke vorm dan ook dat gegeven wordt uit liefde, is een onbetaalbaar geschenk. Bij dergelijke cadeaus gaat het niet om de inhoud van het geschenk maar om de intentie waarmee het gegeven wordt. Daarmee geeft de ander iets van zichzelf weg. Natuurlijk kun je dit beantwoorden met iets aardigs terug te doen, maar het belangrijkste antwoord is dankbaarheid. Zonder die dankbaarheid is een liefdevol antwoord niet mogelijk.
Alleen de liefde voor elkaar maakt het mogelijk elkaar werkelijk als gelijkwaardige mensen te zien en van elkaar afhankelijk te durven zijn en elkaar niet als middel maar als een doel te zien. Een zakelijke transactie kan enkel gaan om het nut en de opbrengst, maar het kan daarnaast ook een daad van liefde zijn. Als ik bijvoorbeeld de toewijding van de bakker, de slager of de groenteboer zie, dan weet ik dat hun werk om meer gaat dan nut en opbrengst, dan weet ik dat zij echt willen dat ik gelukkig wordt door hun mooie product.
Liefde maakt het niet alleen mogelijk belangeloos te geven. Liefde maakt het ook mogelijk zonder vrees te ontvangen en je werkelijk afhankelijk op te stellen. Liefde maakt je vrij van ‘voor wat hoort wat’. Liefde kent geen verplichtingen. Liefde brengt je vanzelf tot de daden van liefde. Jezus heeft ons de liefde voorgeleefd. Hij ging in zijn liefde voor ons tot het uiterste toe. In zijn leven wordt God voor ons zichtbaar: de God die liefde is. Vandaag horen hoe Hij zich afvraagt, waarom niet iedereen dankbaar is.
Dankbaarheid is ook een daad van liefde. Het is een bevestiging van de liefde die ontvangen is en geeft aan dat de liefde wederzijds is. Dankbaarheid is een liefdevol antwoord op een daad van liefde. Jezus verbindt de dankbaarheid met geloof. Hij zegt tegen de Samaritaan: “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.” Ook bij Naäman zien we dat dankbaarheid en geloof samengaan. Hij wil voortaan alleen nog aan de God van Israël offers opdragen.
Jezus navolgen, zijn leerling willen zijn vraagt van ons ook deze weg te gaan: de weg van geloof, van liefde en van dankbaarheid. Deze weg stelt ons in staat ons aan elkaar toe te vertrouwen. Zij stelt ons in staat ons leven in Gods handen te leggen. Amen.
Jezus zegt dat een zelfs een klein geloof bergen kan verzetten. Hij zegt: “Als ge een geloof hadt als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: ‘Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee’ en hij zou u gehoorzamen.” Het is niet dat de leerlingen niet geloven, maar ze willen graag een geloof dat is zich uit in zichtbare daden. Ze vragen om geloofskracht waarmee ze wonderen kunnen verrichten om op die manier imponerend en overtuigend naar buiten kunnen treden. Eerlijk gezegd, dat lijkt mij ook wel wat. En dan komt Jezus met deze uitspraak. Blijkbaar is ons geloof voldoende, maar durven we het niet aan het op een dergelijke manier te gebruiken. Ik ben ook echt niet van plan het uit te proberen.
Paulus benadert de zaak van een andere kant. Hij heeft het in verband met het geloof over schaamte en lijden. Ik vind Paulus een fascinerende man. Zijn brieven zijn zeker niet makkelijkste teksten uit de Bijbel, maar wel zeer de moeite waard. Vaak zijn het teksten waar je even op moet kauwen. Ze geven je stof tot nadenken. Afgelopen week ben ik begonnen met het lezen van een levensbeschrijving van de apostel Paulus. Dit boek van Tom Wright is onlangs in het Nederlands vertaald. U zult mij daar de komende tijd vast nog wel eens over horen.
Paulus leeft in een tijd waarin men al snel bang is voor gezichtsverlies. Lijden, ziekte en verminking geven je bepaald geen status. Verkondigen dat iemand die aan het kruis gestorven is, de redder van de wereld is, is gewoon beschamend. Wat dat betreft verschilt de tijd waarin wij nu leven, weinig van die tijd. Ook tegenwoordig draait het om succesvol zijn, gezond zijn en er goed uitzien. Het liefst tonen wij ons aan de wereld op een wijze waarbij iedereen van jaloersheid in elkaar krimpt. Lijden en afhankelijkheid passen niet in dat beeld. Welke zwakkeling maakt zichzelf afhankelijk van een onzichtbare God?
Paulus zegt ons dat we ons niet moeten schamen voor ons geloof. Wij moeten ons niet schamen voor onze zwakte. De bespottingen en het lijden dat het ons oplevert, hebben wij te dragen. Wij mogen ons gedragen en gesteund weten door de liefde van Christus en de hulp van de heilige Geest die in ons woont. Paulus heeft in zijn leven ervaren dat geloven en lijden vaak hand in hand gaan. Hij heeft geleerd van alles wat hem is overkomen en ziet zijn eigen zwakheid juist als zijn kracht. Elders schrijft hij: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen. (…) Als ik zwak ben, dan ben ik sterk.”
(2 Kor 12,9-10)
Paulus weet dat Timoteus een gelovig man is. Hij herinnert hem eraan hoe hij Gods genade heeft ontvangen. Paulus zelf heeft hem de handen opgelegd. Ook ons is een aantal keren de handen opgelegd: bij ons Doopsel en bij ons Vormsel en bij een enkeling bij de Wijding. Ook wij hebben Gods genade ontvangen: een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Ook in ons brandt het vuur van Gods genade. Ook van ons wordt verwacht dat we dat vuur brandend houden, aanwakkeren en oppoken en ons niet door angst te laten weerhouden. Zo mag ieder van ons getuigen van onze Heer en bijdragen aan de verkondiging van het Evangelie.
Terug naar de leerlingen en hun vraag om geloof dat bergen kan verzetten. Jezus maakt met de gelijkenis over de knecht en de landheer duidelijk dat het bij geloofsdaden niet gaat om spectaculaire zaken. Het gaat om alledaagse daden van geloof, waarmee je niet direct applaus boekt en dat moet je ook niet verwachten. Het geloof is er niet om succesvol te zijn. Het geloof maakt je niet tot een beroemdheid. Het gaat juist om groot te zijn in het kleine. Het geloof brengt je tot daden van liefde. Vaak zullen die voor velen onopvallend en onzichtbaar zijn.
En toch zijn het juist deze daden van liefde die bergen doen verzetten. Niet in de ogen van de wereld, maar in de ogen van de enkele medemens. Hoeveel vreugde kun je niet brengen met steun aan een mens in nood? Hoeveel blijdschap met aandacht voor een zieke of eenzame medemens? Hoe bevrijdend kan een bemoedigend woord zijn en hoe verlossend een simpele glimlach? Ook al worden we regelmatig door twijfel overmand, ons geloof is werkelijk groot genoeg om heel liefdevol bergen te verzetten en op die wijze te getuigen van de verrezen Heer. Amen.
Welke plaats zien wij voor ons zelf in de wereld? Welke rol willen we daarin spelen? Welke ruimte hebben wij zelf nodig? Paus Franciscus schrijft in de encycliek Laudato si’ over duurzaamheid en over het behoud van de schepping. Wij mensen dragen daarin verantwoordelijkheid. Hij roept ons op om voor de schepping te zorgen. De paus veroordeelt het consumentisme. Hij veroordeelt de houding van zelfgerichtheid, waarbij mensen zoveel mogelijk voor zichzelf opeisen.
Jezus Sirach roept in de eerste lezing op tot bescheidenheid en Jezus van Nazareth leert ons dat het beter is niet de beste plaats voor onszelf op te eisen. Beiden gebruiken daarvoor geen hoogdravende argumenten. Jezus Sirach schrijft dat een bescheiden mens een geliefd mens is en Jezus van Nazareth van Nazareth waarschuwt ervoor dat het weleens tot schande en schaamte kan leiden, als je jezelf te belangrijk vindt. Sterker nog je krijgt juist positieve aandacht als je je bescheiden opstelt. Men zal zeggen: “Vriend, ga wat hoger op.”
Jezus Sirach schrijft ook nog dat bescheidenheid God welgevallig is. Jezus van Nazareth gebruikt dit argument pas in het tweede gedeelte, als Hij spreekt over wie we moeten uitnodigen. De mens van tegenwoordig zoekt zijn geluk vooral in materiële zaken. Dat leidt tot een ongebreideld consumentisme, want je hebt nooit genoeg, je raakt nooit verzadigd.
Ruim vijftig jaar geleden zongen de Rolling Stones: “I can’t get no satisfaction”. Mick Jagger heeft nog een jaar economie gestudeerd. Mogelijk vond hij het wel genoeg toen hij erachter was gekomen dat consumeren uiteindelijk nooit tot echte voldoening leidt. Ons menselijk geluk ligt niet in materiële zaken. Zij geven slechts een kort moment van bevrediging en van voldoening. Echt gelukkig worden we pas als we ons op anderen richten, als we andere mensen gelukkig proberen te maken. Het werkelijke geluk hier op aarde ligt in de liefde tussen mensen.
Bescheidenheid moeten we dan ook in het licht van de liefde zien. Bescheidenheid betekent dat we onszelf niet overschatten, maar onszelf onderschatten is in het licht van de liefde net zo fout. Iemand die zichzelf geheel wegcijfert, iemand die zichzelf onzichtbaar maakt, kan er niet voor de ander zijn want hij is er gewoon niet meer. Hij heeft zichzelf tot een instrument gemaakt. We kunnen er alleen voor de ander zijn als we ook recht doen aan ons eigen bestaan. Het gaat in relaties om wederkerigheid en gelijkwaardigheid. Het gaat erom er op gelijkwaardige wijze voor elkaar te zijn ook in situaties waarin de een meer mogelijkheden heeft dan de ander. De gelijkwaardigheid verdwijnt niet omdat de een ziek is en de ander gezond, of wanneer de een arm is en de ander rijk.
In het tweede deel van zijn betoog heeft Jezus het over wederkerigheid. Wederkerigheid is duidelijk meer dan ‘voor wat, hoort wat’. Wederkerigheid is wat anders dan ruilhandel. Het gaat niet om de balans tussen debet en credit. Wederkerigheid in het licht van de liefde is er voor elkaar zijn. Het is een belangeloze wederkerigheid. In Laudato si’ schrijft de paus over de onderlinge afhankelijkheid. Niet alleen mensen zijn in wederkerigheid van elkaar afhankelijk. Alle schepselen zijn van elkaar afhankelijk. Heel de schepping is een netwerk van onderlinge afhankelijkheid. Dat maakt dat het voortbestaan van ieder deel van de schepping ook raakt aan ons eigen voortbestaan.
Dit alles vindt zijn bron in Christus. De apostel Paulus schrijft: “In Hem is alles geschapen… Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.” (Kol 1,16-17) En Paulus schrijft ook: “Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God… Hij is aan de mensen gelijk geworden.” (Fil 2,6-7) Paulus beschrijft hoe alles in Christus samenhangt in onderlinge afhankelijkheid. Hij beschrijft ook hoe Jezus Christus ons is voorgegaan in bescheidenheid, in liefde en in belangeloze wederkerigheid.
Als wij als leerlingen van Jezus ons leven gestalte willen geven en ons leven verbinden met Hem, zullen wij Hem kunnen navolgen. Ook wij zijn in staat tot bescheidenheid, tot liefde en tot belangeloze wederkerigheid. Vanuit die houding zullen we zorgdragen voor de schepping en zorgdragen voor onze medemensen. Door niet onszelf maar door de ander centraal te stellen stellen wij uiteindelijk Christus centraal in ons leven. Door Hem komen wij tot een leven met God.
Jezus geeft aan wie wij moeten uitnodigen voor ons gastmaal. Over vier weken is er weer een Kerkproeverij. Iedere zondag richten wij in onze kerken een gastmaal aan. Het goed alvast na te denken over wie u binnenkort gaat uitnodigen om eens kennis te maken met de manier waarop wij hier het leven vieren. Amen.
Soms vraag je je af hoe actueel zijn de verhalen die we in de Bijbel lezen. Maar het omgekeerde komt ook voor. Dan denk je: dat verhaal gaat over de huidige tijd; was dat toen ook al aan de orde? Deze gedachte kwam bij mij op toen ik de lezingen van vandaag las. Waren de mensen toen ook al zo materialistisch dat deze verhalen nodig waren? Jezus leefde tweeduizend jaar geleden en het boek Prediker is een paar honderd jaar eerder geschreven.
Hoe actueel deze verhalen zijn, is op te maken uit hoe wij met onze aarde omgaan. Afgelopen maandag was het “Earth overshoot day” ofwel “Overschrijdingsdag”. Op overschrijdingsdag hebben wij mensen verbruikt wat de aarde in één jaar produceert. Dit jaar was dat dus op 29 juli. De mensheid heeft in zeven maanden de jaarproductie van de aarde verbruikt. De komende vijf maanden teren we in op de reserves van de aarde. We putten haar uit en nemen een voorschot op de toekomst. We leven de komende vijf maanden ten koste van de komende generaties. Voor onze huidige manier van leven hebben we als wereldbevolking dus ongeveer eenendriekwart aarde per jaar nodig. En als we naar onze Nederlandse manier van leven kijken, is het nog erger. Nederland had haar aandeel al begin mei verbruikt. Als iedereen op dezelfde wijze leeft zoals wij, zijn er jaarlijks drie aardes nodig. De grote boosdoeners zijn het gebruik van energie uit fossiele bronnen, zoals olie en gas, en het gebruik van water. Het meeste water dat wij verbruiken, zit in de productie van dierlijk voedsel, en in de productie van elektriciteit. De vruchten van onze aarde zijn beperkt. Er is genoeg maar we moeten ze wel met elkaar delen en daarbij ook rekening houden met de mensen die na ons komen. Alles wat we boven ons eigen aandeel gebruiken gaat ten koste van anderen.
In het Evangelie lezen we dat iemand uit het volk Jezus een vraag stelt. Hij doet alsof Jezus een soort vragenuur houdt waar ieder met zijn persoonlijke problemen naar toe kan komen. Maar dat is niet het geval. Als we de voorafgaande tekst erbij pakken, blijkt dat Jezus bezig is zijn volgelingen gerust te stellen en te bemoedigen. Er staan hen moeilijke tijden te wachten, maar de heilige Geest zal hen daar doorheen helpen. En dan wordt Jezus plotseling door deze man onderbroken met zijn vraag over een persoonlijke aangelegenheid. Hebben mensen dan alleen maar aandacht voor hun eigen materiële zorgen? Zijn wij werkelijk zo egocentrisch, werkelijk zo zelfgericht?
Het lijkt op een volgende situatie. Er wordt over duurzaamheid en over de toekomst van de aarde gesproken en dan komt er plotseling iemand met de opmerking dat de vliegreis naar de verre witte stranden die hij geboekt heeft, voor hem ook ontzettend belangrijk is. Dan vraag je je toch ook af: begrijp je wel waar het vandaag over gaat? Gaat het werkelijk alleen maar over ik en over mijn plezier? Prediker noemt dit ijdelheden. Het is lucht en het is leegte. Telkens zijn wij uit op eigen plezier, eigen bezit en eigen roem. We zijn voortdurend bezig met vergankelijke zaken. Dat gaat ten koste van de aandacht voor God en ten koste van de aandacht voor de ander. We kunnen daaraan nog toevoegen dat het ook ten koste van de aarde gaat. Tenslotte gaat het ook ten koste van ons eigen geluk.
Jezus gaat in zijn antwoord aan de vragensteller in op de hebzucht van ons mensen. In feite laat Hij de man weten: je kunt me van alles vragen, maar met deze vraag ben je bij mij toch echt aan het verkeerde adres. Jezus geneest zieken. Hij drijft boze geesten uit. Zo geeft Hij mensen leven om op weg te gaan naar het Rijk Gods. Voor materiële zaken moet je niet bij Hem zijn. Bezit kan ons leven niet redden. Sterker nog bezit leidt ons af van het werkelijke doel van ons leven. Voor dat je het weet leef je zoals Prediker ons voorhoudt: je stopt al je tijd en energie is vergankelijke zaken. Jezus zegt ons dat wij ons op God en op zijn Koninkrijk moeten richten. Alleen zo worden we goede en gelukkige mensen. Alleen zo komen we tot heiligheid. Alleen zo worden we rijk bij God.
Is bezit daarmee verwerpelijk? Is plezier maken verwerpelijk? In het geheel niet. Jezus heeft geen moeite met de rijkdom van de man met de grote oogst. De rijkdom wordt hem in de schoot geworpen. Zij wordt hem geschonken. Het probleem is dat hij op zijn bezit gaat vertrouwen. Hij denkt dat zijn bezit de rest van leven veilig stelt.
God heeft ons de schepping gegeven om gelukkige mensen te worden. Hij heeft ons haar ook gegeven om voor haar te zorgen. Hij heeft ons medeverantwoordelijk gemaakt voor de schepping. Ook met onze zorg voor de schepping richten wij ons op God. Wij zorgen ervoor dat de schepping blijvend God lof kan brengen. En wij zorgen ervoor dat zij beschikbaar is voor de mensen die na ons komen. Alles wordt ons gegeven om te kunnen leven zoals God het bedoeld heeft. Ook in de materiële zaken en ook in het plezier kunnen wij ons richten op het werkelijke doel van ons leven. In alles wat we doen kunnen ons richten op God, op onze medemens en op het behoud van de schepping. het enige dat van ons gevraagd wordt is dat wij verder zien dan onze eigen neus lang is en dat we niet louter op ons zelf gericht zijn. Amen.
Afgelopen maanden zijn wij bezig geweest met het formuleren van een nieuw beleidsplan voor onze parochies. We zijn daar nog niet mee klaar. In de gesprekken die daarover met parochianen gevoerd werden, werd duidelijk dat iedereen wil dat wij gastvrije geloofsgemeenschappen zijn. Gastvrijheid is een ruim begrip, een begrip dat in de praktijk om nadere invulling vraagt: voor wie gastvrij, waarom gastvrij, hoe gastvrij? Vandaag geven de lezingen onze handvatten om daar over na te denken.
Marta is druk in de weer met het bedienen van Jezus. Ondertussen luistert Maria naar de woorden van Jezus. Beiden zijn gastvrij, maar zij zijn het op verschillende manieren. Bij Jezus gaat het regelmatig over gastvrijheid. Hij vertelt over een heer die gasten voor een feest uitnodigt. Hij ziet de verlegenheid die voor de gastheer dreigt als tijdens de bruiloft in Kana de wijn bijna op is. Hij vermaant mensen op een feest niet de beste plaatsen in te nemen. Vandaag wijst Hij ons erop waar het uiteindelijk omgaat bij gastvrijheid. “Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden.”
De brief van Paulus gaat niet direct over gastvrijheid, maar wel over wat belangrijk is in ons leven, over onze verbondenheid met Jezus Christus. Deze verbondenheid kleurt niet alleen onszelf. Zij kleurt ook de wijze waarop wij als christenen de gastvrijheid vorm geven. Paulus schrijft deze brief vanuit de gevangenis in Rome en hij begint hier met de mededeling dat hij blij is dat hij voor de geadresseerden, voor de luisteraars mag lijden. Hij wil hen geruststellen want hij weet dat zij met hem meelijden. Hun liefde voor elkaar doet hen delen in elkanders lijden. De liefde is hier ook de basis voor de vreugde van Paulus. Hij weet zich in liefde verbonden met Jezus Christus. Zijn gevangenschap, zijn lijden is het gevolg van die liefde. Vanwege zijn liefde voor Christus zit hij gevangen.
Paulus stelt dat hij met zijn lijden ook iets terug kan doen voor Christus, iets kan doen voor de Kerk, het Lichaam van Christus. Door zijn verbondenheid met Christus weet hij ook dat Christus zijn lijden bekrachtigt. Het is Christus zelf die Hem vreugde brengt en in staat stelt zijn lijden te dragen. De liefde voor Jezus Christus maakt Paulus tot dienaar van de Kerk. Hij verkondigt het woord van God. Hij onthult het geheim, het mysterie. Paulus verkondigt Jezus Christus als het heil voor alle volkeren.
Het geheim is dat Christus ook in ons is. Jezus Christus is mens geworden en heeft zich met alle mensen verbonden. Hij is onze hoop op eeuwige heerlijkheid. Wij mogen ons op onze beurt met Hem verbinden zoals ook Paulus zich met Christus verbonden heeft. Vanuit die verbondenheid met Jezus Christus mogen ook wij Hem verkondigen om iedereen zonder onderscheid tot en in Christus te brengen, om iedereen gastvrij op te nemen in onze geloofsgemeenschap, in het Lichaam van Christus en zo tot een goed en gelukkig leven, tot volmaaktheid te brengen.
Om de verbondenheid met Christus op te bouwen en te verdiepen, is het nodig dat wij Hem steeds meer en beter leren kennen, naar Hem luisteren. Het is nodig dat wij zijn leerling zijn. Maria heeft deze keuze gemaakt. Zij is aan Jezus’ voeten gaan zitten. Zij wil zijn leerling zijn. Jezus roept Martha op hetzelfde te doen. Hij wijst haar niet terecht, maar roept haar op tot een rijkere vorm van gastvrijheid: de gastvrijheid waarmee je een ander toelaat in je leven en je iets van hem wilt leren.
Werkelijke gastvrijheid gaat verder dan iemand onderdak verlenen en te eten en te drinken geven. Werkelijke gastvrijheid is je tot de ander keren, belangstelling voor hem hebben, en hem leren kennen. Gastvrijheid kent ook wederkerigheid. Op onze beurt laten wij ons aan onze gast kennen. Wij laten hem zien wat ons lief is en wat ons bezighoudt. Christelijke gastvrijheid is gastvrij zijn zoals Jezus dat is. Het is handelen zoals Jezus handelt. Het is openstaan voor iedereen en geen voorwaarden vooraf stellen. Het vraagt dat wij onze angst voor het vreemde en onbekende afleggen. Juist in de vreemdeling en de mens in nood ontmoeten wij Jezus zelf. Vanuit onze band met Jezus ontmoeten wij Hem in de ander. Gastvrijheid is met de ander delen wat ons lief is. We nemen de gast op in onze gemeenschap en laten hem kennismaken met wat ons bij elkaar brengt. Zo stellen we onze gast in staat zelf ook op zijn eigen wijze lid te worden van onze gemeenschap.
Het sleutelwoord is telkens weer de liefde. Door aan zijn voeten te gaan zitten, ervaren wij de liefde van Jezus voor ons. Zijn liefde voor ons stelt ons in staat anderen lief te hebben. Zijn liefde is de basis voor onze gastvrijheid. Zijn liefde willen wij delen met iedereen. Zij geeft ons de vreugde die we iedereen gunnen. Liefde gaat niet zonder lijden, zoals ook Paulus heeft ervaren. Maar zonder lief te hebben zijn we dood. Zonder liefde hebben we geen leven.
Paulus schrijft elders: “Vergeet de gastvrijheid niet; door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald.” Als wij de gastvrijheid vergeten en iedereen buiten de deur houden, zullen we zeker geen engelen ontvangen. Als wij de gastvrijheid vergeten, houden we ook God buiten de deur. Amen.