Spring naar inhoud

De vreugde van het Evangelie; Js 11,1-10; Mt 3,1-12

Waar preek je over als je je koperen jubileum viert. Drie weken geleden hoorde ik onze bisschop bij de diakenwijding spreken over de zware taak van het diaconaat. Deze woorden worden gebruikt aan het begin van de wijdingsplechtigheid. Zij die er destijds bij waren, zullen zich dat natuurlijk nog herinneren en waarschijnlijk dachten ze: waar begint hij aan? De huidige bisschop vertelde, dat dit geen oproep is tot medelijden want een diaken doet zijn werk met de hulp van de Heer. Nu snapt u ook hoe het komt dat ik met een zekere lichtheid, opgewektheid en zorgeloosheid mijn leven leidt en mijn werk doe.

Wat wil een mens nog meer dan weten dat er iemand van je houdt, dat er iemand is dat die wil dat je gelukkig wordt en daar ook voor zorgt? Dat is de kern van de boodschap waarmee ik op pad ben gestuurd. Dit ontslaat ons mensen niet van onze eigen verantwoordelijkheid. Liefde vraagt ook om een antwoord. Onbeantwoorde liefde houdt geen stand. Liefde kan je niet onverschillig laten.

Toen ik afgelopen week naar de lezingen van vandaag keek, viel mij het begin van de eerste lezing op. “De geest van de Heer zal op hem rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren, en deze vreze des Heren zal hij uitstralen.” Aan het begin van zijn openbare leven heeft Jezus deze woorden op zichzelf betrokken. Maar Hij deed dit niet exclusief. Hij beperkte het niet alleen tot zichzelf. Sterker nog aan het einde van zijn leven belooft Hij ons de heilige Geest. De heilige Geest is onze Helper.

Met ons Doopsel en Vormsel ontvangen wij de hiergenoemde gaven van de heilige Geest. Het is zoals Johannes de Doper over Jezus verkondigt: “Hij die na mij komt, (…) zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.” Dit is er wat er bij ons Doopsel en Vormsel gebeurt. Wij worden niet alleen gedoopt met water, maar ook met de heilige Geest. Bij de diakenwijding wordt dit nog eens lichtjes overgedaan. Opnieuw bidt de bisschop dat de wijdeling de gaven van de heilige Geest mag ontvangen om zo zijn werk als diaken te kunnen verrichten.

Johannes de Doper kondigde de komst van Jezus aan. Zou zijn aanpak ook vandaag tot resultaten leiden? Johannes de Doper is een boeiend iemand: lekker radicaal, flinke uitspraken en grote woorden. Ook in zijn gedrag is hij bijzonder met een kleed van kameelhaar en het eten van sprinkhanen en wilde honing. Wilde honing lijkt me niet slecht. Sprinkhanen zijn minder aantrekkelijk. Overigens is het eten van insecten nu ook in onze streken in opkomst. Ik heb ze een keer gekocht en wij hebben ze ook gegeten. Ze smaken niet slecht, maar het mondgevoel is minder aantrekkelijk. In Wageningen wordt hier gelukkig nog hard aan gewerkt. Mogelijk wordt Johannes de Doper op deze manier nog een echte trendsetter. Wat onze kleding betreft: de pastoor koos voor deze gewaden. Ik weet niet of hij nog aan kleden van kameelhaar heeft gedacht. Ik in ieder geval niet. Ik houd niet van gekriebel. Zes jaar geleden schreef paus Franciscus in Evangelii gaudium: “Een evangelist moet er nooit uitzien alsof hij net van een begrafenis is teruggekeerd!” Het Evangelie verkondigen is een vreugdevolle bezigheid. Dat mag ook uit onze kleding blijken.

Het woord vreugde keert steeds weer terug in die brief aan alle katholieken. “Niemand moet denken dat deze uitnodiging niet voor hem of haar bedoeld is, want niemand wordt uitgesloten van de vreugde die door de Heer wordt gebracht.” Aldus de paus. Het doel van zijn brief omschrijft Franciscus met: “In deze exhortatie wil ik de christenen aanmoedigen deel te nemen aan een nieuw hoofdstuk van evangelisatie dat gekenmerkt wordt door deze vreugde.” Hij wil nieuwe wegen voor de Kerk aangeven. Het duurt natuurlijk altijd even voordat dan iedereen op gang komt. Maar ondertussen hebben wij hier ter plekke een eerste stap gezet met ons nieuw pastoraal beleidsplan: “Als leerling het Evangelie leven”. Ik hoop echt dat het ons lukt op deze weg stappen te zetten en een nieuwe toekomst in te gaan. Iedere christen heeft de opdracht als leerling van Jezus op weg te gaan en zonder aarzeling, tegenzin of angst het Evangelie te verkondigen aan iedereen op alle plaatsen en bij alle gelegenheden en ieder op de manier die bij hem past.

Op zich spreekt de radicaliteit van Johannes de Doper mij wel aan, maar ik denk niet dat het werkt als we de mensen om ons heen uitmaken voor “adderengebroed”. De mensen van tegenwoordig zijn niet te vergelijken met de toehoorders van Johannes de Doper. De mens van tegenwoordig kan zich vaak niet voorstellen dat het mogelijk is dat iemand anders dan jezelf jou gelukkig kan maken. Mensen denken vaak dat ze daar echt helemaal alleen voor staan. Eigen zelfgerichtheid maakt het onmogelijk te denken, dat iemand anders zich kan richten op jouw geluk en ook een liefhebbende God raakt daarmee geheel buiten beeld.

Ons mensbeeld en ons beeld van hoe de wereld in elkaar steekt, kan ons behoorlijk in de weg zitten. Te absolute beelden beperken ons voorstellingsvermogen en onze vrijheid van denken. Het loslaten van absolute denkbeelden is niet eenvoudig. Het is het loslaten van zekerheden. Het is ook aanvaarden van complexiteit en van niet kunnen weten. We zien om ons heen hoe moeilijk dat in de politiek is. Simpele en heldere standpunten en ideeën zijn aantrekkelijk. Daarbij is het niet eens nodig dat ze overeenkomen met de werkelijkheid en ook niet dat ze bijdragen tot een betere wereld.

En dan komen wij met “de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren”. Toch ben ik er van overtuigd de liefde sterker is dan alle materiële en ingebeelde zekerheden van tegenwoordig. Geloof en liefde vormen de basis voor vertrouwen, niet voor zekerheden. Zelfs rotsvast vertrouwen leidt niet tot een objectieve zekerheid. Geloof en liefde vormen ook niet de basis voor de wetenschap. Daar wordt naar andere waarheden gezocht. En dat is een goede zaak.

Onze Blijde Boodschap van de liefde kan mensen in hun hart treffen. Bij elke uitvaart zie ik weer hoe de liefde het alles overheersende thema is. Het gaat altijd over de liefde van en voor de overledene. Al het andere valt dan weg. Het mag genoemd worden, maar is niet echt belangrijk. Het is ook de liefde die maakt dat een niet voortleven onvoorstelbaar is. Het is aan ons om de liefde, de liefde van God voor de mensen en liefde van de mensen voor elkaar zichtbaar te maken in onze wereld. Dat vraagt om woorden en daden van liefde. Daarover moeten we ook het gesprek met de huidige seculiere cultuur aangaan. Dat is de vreugdevolle taak waaraan ik graag mijn bijdrage lever. Amen.

Eerste hulp bij katholieke begrippen

Auteurs: Eric van den Berg, Frank G. Bosman en Peter van Zoest
Titel: Eerste hulp bij katholieke begrippen
Uitgever:
Berne Media, 2019
Prijs: € 16,90
ISBN: 978-90-8972-323-9
Aantal pagina’s: 192

Weet u wat een croceferarius of een fanon is en waarom bepaalde feestdagen roerend worden genoemd? U vindt het allemaal en nog veel meer katholiek begrippen in dit handzame boekje. Op een zeer toegankelijke wijze hebben de auteurs allerlei begrippen uit het katholieke leven op een rijtje gezet en toegelicht. Ze hebben het duidelijk eenvoudig willen houden en zijn daardoor wel eens wat erg kort door de bocht. Desondanks is het een praktisch naslagwerkje geworden.

Het boek is ontstaan naar aanleiding van het opvallend gebrek aan kennis dat vele journalisten op dit gebied vertonen. Eenmaal bezig ontdekten de schrijvers de omvang van de schat aan katholieke begrippen waarvan vele ook voor ingewijden onbekend zijn. In totaal worden meer dan achthonderd woorden in dit boek toegelicht.

Waar vinden we nog hoop? Lc 21,5-19

Jezus spreekt over het einde der tijden. Je wordt niet blij van zijn voorspellingen. Het klinkt dreigend en onheilspellend. “Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen hevige aardbevingen zijn, en hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en aan de hemel geweldige tekenen.”

Ook in onze tijd wordt er bij tijd en wijle op onheilspellende wijze over de toekomst van de mensheid en van onze aarde gesproken. Denk aan de klimaatveranderingen, het uitputten van de aarde en het verlies aan biodiversiteit. Ook politieke ontwikkelingen kunnen ons angst aan jagen. Zaken als toenemend populisme, radicalisering, autoritaire leiders stemmen je niet hoopvol wat de toekomst betreft.

Voor een deel hebben we invloed op onze toekomst. Wij zijn het zelf die onze politieke leiders kiezen. Als consument bepalen we zelf wat we wel en niet kopen en op welke wijze we zorg dragen voor het behoud van de schepping. Ook met onze manier van spreken hebben we dagelijks invloed op onze toekomst. Scheppen we een sfeer van hoop en vertrouwen of huilen we mee met de wolven in het bos? Toch is onze invloed op de toekomst slechts beperkt. De toekomst komt op ons af. We hebben er enige invloed op en kunnen ontwikkelingen gedeeltelijk voorspellen, maar uiteindelijk hebben we onze toekomst niet in eigen hand.

Dat betekent dat we een manier moeten vinden om met de toekomst om te gaan. Wat de toekomst voor ons betekent, wordt mede bepaalt door hoe wij ons verhouden ten opzichte van wat ons gebeurt. We kunnen de ontwikkelingen ontkennen. We kunnen onze kop in het zand steken en doen alsof er niets aan de hand is. We kunnen er fatalistisch vrolijk op los leven onder het motto na ons de zondvloed. We kunnen vol angst en pessimisme wegduiken, bij de pakken neerzitten en zwelgen in somberheid.

In de tekst van vandaag sluit Jezus af met: “Geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.” Ondanks alle verschrikkingen houdt Jezus ons voor dat we hoopvol moeten zijn en standvastig moeten blijven vertrouwen op God. Telkens zal er nieuw leven zijn en wordt ook ons nieuw leven geschonken. Dat is de hoop van waaruit wij mogen leven. God zal tenslotte alles ten goede keren. Ook al gaat de tempel met al zijn schoonheid verloren, ook al wordt Jeruzalem met haar machtige muren verwoest, dat betekent nog niet het einde van de wereld. Ook na grote natuurrampen blijkt er altijd weer nieuw leven mogelijk. Ook Jezus’ eigen dood bleek niet het einde, maar door zijn verrijzenis was het juist een nieuw begin. Uiteindelijk zijn wij met de gehele mensheid op weg naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Die weg heeft Jezus met zijn leven en zijn dood voor ons geopend. Hijzelf is onze weg en ons leven.

Als wij leven vanuit die hoop vervallen we niet tot ontkenning, niet tot fatalisme en niet tot angst en pessimisme. Leven vanuit de hoop betekent ook dat we blijvend onze verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst van de mensheid en van heel de schepping. De hoop doet standvastig zijn en doet ons blijven vertrouwen. Door onze eigen hoop en vertrouwen blijven we ook getuigen van Gods liefde voor ons en voor alle mensen. Als leerlingen van Jezus getuigen we van Hem en van de Blijde Boodschap die Hij verkondigt.

Door ons vertrouwen op God getuigen we zonder angst ook al weten we dat onze getuigenis niet door iedereen op prijs wordt gesteld, ook al weten we dat onze getuigenis ook verdeeldheid zal veroorzaken en tot bespotting en vervolging kan leiden. Door ons vertrouwen op God hoeven we ook niet bang te zijn dat we niet zullen weten wat we moeten zeggen, dat we met de mond vol tanden staan als mensen ons het vuur na aan de schenen leggen. Het is de heilige Geest die in ons spreekt, het is altijd Jezus zelf die ervoor zorgt dat wij de woorden zullen vinden die op dat moment nodig zijn. Het is uiteindelijk altijd Jezus zelf die van Gods goedheid getuigt. Het is Jezus zelf die Gods liefde voor de mensen verkondigt. Wij mogen Hem daarbij vol vertrouwen van dienst zijn. Amen.

Sint Martinus; Js 61,1-2a; Mt 25,31-40

Als we alle verhalen over Martinus op een rijtje zetten, zien we dat hij steeds meer op Jezus gaat lijken. Hoe hij gaandeweg een echte leerling van Jezus wordt. Een belangrijke stap van Martinus op deze weg van leerling van Jezus worden, is het delen van zijn mantel met de bedelaar.

De jonge officier in het leger van Romeinse keizer voelde zich al aangetrokken door de verhalen over Jezus. Hij had kennisgemaakt met het christelijk geloof en was doopleerling geworden. Maar in die tijd was het heel normaal dat je jarenlang doopleerling was. Met de Doop werden je zonden vergeven. Daarna gedane zonden raakte je veel moeilijker kwijt. Zeker voor een militair was het niet eenvoudig om geen zonde te doen. Het Sacrament van Boete en Verzoening kende men toen nog niet.

En dan ziet Martinus die bedelaar bij de poort van Amiens zitten. Intuïtief weet hij dat hij iets moet doen en hij geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar. Zeer waarschijnlijk kende Martinus het vandaag gelezen Evangelieverhaal, maar heeft hij zich geen enkel moment gerealiseerd, dat hij met het weggeven van de helft van zijn mantel deed wat Jezus hier van ons vraagt. In een droom verschijnt dan Jezus aan Martinus met de helft van de mantel om zijn schouders. Nu realiseert Martinus zich wat er werkelijk gebeurd is. In de persoon van deze bedelaar heeft Jezus hem geroepen.

Met deze roeping wordt er een fundament onder zijn handelen gelegd. Martinus wilde een goed mens zijn en hij had ook zeker een idee van de manier waarop hij dat zou kunnen zijn. Jezus maakt hem nu duidelijk waarop het goed zijn gebaseerd is. Het wordt nu voor Martinus duidelijk dat Jezus zelf dit fundament is. Jezus zelf is de bron van de liefde waaraan hij zich mag laven. Jezus is de bron van liefde van waaruit Martinus kan en mag leven. Het is ook Jezus die van zichzelf zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Vanaf dit moment is het voor Martinus helder. Hij verbindt zijn leven met dat van Jezus. Hij wordt een echte leerling van Jezus. Hij laat zich dopen en hij verlaat het leger. Gaandeweg zijn leven zal hij steeds meer op Jezus gaan lijken.

De weg die Martinus is gegaan, wordt ons vandaag als voorbeeld voorgehouden. Ook wij zijn geroepen om leerlingen van Jezus te zijn, ons leven met dat van Jezus te verbinden en om steeds meer op Jezus te gaan lijken. Ook wij zijn geroepen om op deze wijze goede en gelukkige mensen te zijn. De geest des Heren, de heilige Geest rust niet alleen op Jezus: de heilige geest was er ook voor Martinus en is er ook voor ons.

Vandaag is er een inzameling voor de voedselbank. Het zijn de huidige mensen in nood met wie wij onze welvaart mogen delen. Het is een concrete wijze van hongerigen te eten geven en dorstigen te laven. Ook vandaag is Jezus in en onder hen aanwezig. Hij zal zich altijd om de mens in nood bekommeren en zich met hen vereenzelvigen. Als wij ons laten raken door de nood van onze medemens en daarnaar handelen, leven we niet alleen naar het voorbeeld van Jezus Christus. In de mensen in nood ontmoeten wij ˗ net als Martinus ˗ werkelijk Jezus. Zo groeien we uit tot echte leerlingen van Jezus en zijn we hier en hierna gelukkig.

Sint Martinus is niet alleen ons voorbeeld. Hij is ook onze voorspraak. Wij mogen de hulp van Sint Martinus inroepen met de woorden die achter in de kerk op de balustrade geschreven staan: “Gij die uw mantel hebt gedeeld, bekleed ons met gerechtigheid.” Amen.

Geroepen worden; 2 Tes 1,11-2,2; Lc 19,1-10

Zacheüs voelt zich aangetrokken tot Jezus. Hij wil Hem zien. Hij wil Hem horen. Maar hoe moet hij met Jezus in contact komen? Hij is klein. Hoe val je dan op? Van de andere kant: Zacheüs wil helemaal niet opvallen. Hij weet dat de mensen hem niet mogen en dan geeft opvallen al gauw een hoop gedoe. Zacheüs verstopt zich in een boom. Vandaaruit kan hij ongezien Jezus voorbij zien komen.

Dan neemt het verhaal plotseling een onverwachte wending. Het initiatief ligt helemaal niet bij Zacheüs. Het initiatief blijkt bij Jezus te liggen. Het is Jezus die Zacheüs persoonlijk roept. Jezus kent zelfs zijn naam. Het is zelden dat er een naam genoemd wordt van mensen die Jezus ontmoeten. Jaren later kent Lucas deze naam nog. Je zou hieruit kunnen afleiden dat Zacheüs behoort tot de groep van de eerste christenen en dat zijn bekering niet van korte duur is geweest. Dat Jezus nu uitgerekend bij Zacheüs te gast moet zijn, is voor de omstanders tamelijk onbegrijpelijk. Vlak voor zijn aankomst in Jericho had Jezus nog een blinde genezen. Iedereen had het gezien en prees God. En dan nu dit. Jezus neemt zijn intrek bij deze zondaar. Dat is toch ongehoord. Zoiets doe je toch niet. Die man is totaal onwaardig voor zo’n roeping.

Ook voor Paulus is dit een punt. Paulus kent de mensen. Hij weet hoe zij denken. Als iemand zich niet gedraagt naar zijn roeping is hij ongeloofwaardig. Daarom bidt Paulus tekens opnieuw tot God dat de christenen van Tessalonica hun roeping waardig mogen zijn. Paulus bidt voor hen dat hun goede voornemens en hun daden van geloof door God tot volkomenheid worden gebracht. Hij bidt dat hun geloof werkelijk zichtbaar is in hun daden en hun gedrag. Alleen dan zal de Naam van Jezus verheerlijkt worden. Paulus bidt dat zij werkelijk leerlingen van Jezus zullen zijn.

Blijkbaar maakt Jezus zich hierover helemaal geen zorgen. Hij weet dat Zacheüs een zondaar is en dat de mensen hem niet mogen. Hij bevestigt dit ook door te zeggen: “De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en om te redden wat verloren was.” Maar ondertussen zien we ook wat de roeping van Zacheüs met Zacheüs doet. Hij doet een opmerkelijk uitspraak: “Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen en als ik iemand iets afgeperst heb geef ik het hem vierdubbel terug.” De roeping door Jezus brengt Zacheüs werkelijk redding. Hij was verloren maar Jezus heeft hem gered: hij is een ander mens geworden; zijn huis is werkelijk heil ten deel gevallen. Het heil dat Zacheüs overkomt, is niet alleen het eenmalige bezoek van Jezus. Het heil dat Zacheüs ten deel is gevallen, is zijn bekering. Door de roeping van Jezus is Zacheüs een ander mens geworden: een leerling van Jezus. God is hem werkelijk genadig geweest.

Wat er met Zacheüs gebeurt, gebeurt ook met ons. Wij zijn met ons Doopsel en met ons Vormsel allemaal door Jezus geroepen om zijn leerling te zijn. Dat betekent dat ook ons net als Zacheüs heil ten deel valt. Ook onze roeping betekent dat God ons genadig is: God geeft ons zijn genade om ons telkens weer te kunnen bekeren. Elke keer als wij onze roeping niet waardig zijn, geeft Hij ons de genade om ons leven te beteren.

Leerling van Jezus zijn betekent ook dat wij op onze beurt geroepen zijn anderen tot leerling te maken. En ook op dit vlak hebben de lezingen van vandaag ons veel te zeggen. Wij hoeven de mensen niet vooraf te beoordelen op hun gedrag en hun waardigheid. Wij hoeven ons daarover geen zorgen te maken. Dat deed Jezus ook niet bij Zacheüs. Het gaat erom mensen op het pad van de redding te brengen. Juist mensen die verloren zijn hebben redding nodig. Dat begint ermee iedereen met liefde te benaderen, onze deuren voor hen te openen en hen op te nemen in onze gemeenschap, ook de mensen die de weg kwijt zijn, ook zij die zich niet goed gedragen. We mogen niemand vooraf afschrijven, niemand vooraf uitsluiten. Door mensen over Jezus te vertellen geven we hen een kans om Jezus te ontdekken en te ontdekken dat er ook voor hen redding is. Als zij zich werkelijk geroepen weten door Jezus, zullen ze net als Zacheüs het heil en de genade die God geeft, ervaren.

De zorgen van Paulus over het gedrag betreft niet de mensen die nog bekeerd moeten worden, het betreft de mensen die al bekeerd zijn. De zorgen van Paulus betreft mensen zoals wij. Voor ons bestaat het gevaar dat we afdwalen en onze goede bedoelingen niet meer tot een goed einde brengen, waardoor we onze geloofwaardigheid als leerlingen van Jezus verliezen. Wij hebben het nodig dat we met enige regelmaat bij de les worden gehouden. Wij hebben het nodig dat we gewaarschuwd worden voor valse profeten. Wij hebben het nodig dat we voor elkaar blijven bidden. Amen.

Dankbaarheid; 2 K 5,14-17; Lc 17,11-19

Dankbaar zijn. Dat valt nog niet mee! En blijkbaar is dat niet alleen tegenwoordig zo. Als wij naar de lezingen luisteren is het van alle tijden. Jezus maakte dit tweeduizend jaar geleden mee. De profeet Elisa leefde nog zo’n achthonderdvijftig jaar eerder. In beide verhalen wordt het gebrek aan dankbaarheid nog eens benadrukt, doordat het een vreemdeling is die wel dankbaar. In de eerste lezing is het de Syriër Naäman die dankbaar is en in het Evangelie is het een Samaritaan.

Dankbaarheid vraagt blijkbaar nogal wat van mensen. Om te beginnen moet je accepteren dat een ander iets voor jou doet. De ander doet iets voor jou of geeft iets moois of iets dat je goed kunt gebruiken. Het kan ook zijn dat er iets aardigs tegen je gezegd wordt of misschien is het alleen maar gebaar of een glimlach. Het is de ander die jou ziet staan en iets voor je doet. Dat cadeau kun je dankbaar ontvangen, maar je kunt ook reageren met woorden als: dat had je niet moeten doen.

Dat laatste zeg je misschien omdat je denkt dat nu de ander iets schuldig bent, want ‘voor wat hoort wat’. Het geven is dan onderdeel van wederkerige afhankelijkheid, waarbij het van groot belang is dat het evenwicht tussen beide partijen blijft bestaan. Dit is een prima mechanisme als je met elkaar zaken doet of wanneer staatshoofden bij elkaar op bezoek gaan. maar daar gaat het vandaag niet over.

Vandaag gaat het om een ontvankelijkheid voor cadeaus die je niet met gelijke munt kunt terugbetalen. De voorbeelden uit de lezingen zijn genezingen van melaatsheid een destijds ongeneselijke ziekte. Het gaat hier om daden van liefde. Ieder cadeau in welke vorm dan ook dat gegeven wordt uit liefde, is een onbetaalbaar geschenk. Bij dergelijke cadeaus gaat het niet om de inhoud van het geschenk maar om de intentie waarmee het gegeven wordt. Daarmee geeft de ander iets van zichzelf weg. Natuurlijk kun je dit beantwoorden met iets aardigs terug te doen, maar het belangrijkste antwoord is dankbaarheid. Zonder die dankbaarheid is een liefdevol antwoord niet mogelijk.

Alleen de liefde voor elkaar maakt het mogelijk elkaar werkelijk als gelijkwaardige mensen te zien en van elkaar afhankelijk te durven zijn en elkaar niet als middel maar als een doel te zien. Een zakelijke transactie kan enkel gaan om het nut en de opbrengst, maar het kan daarnaast ook een daad van liefde zijn. Als ik bijvoorbeeld de toewijding van de bakker, de slager of de groenteboer zie, dan weet ik dat hun werk om meer gaat dan nut en opbrengst, dan weet ik dat zij echt willen dat ik gelukkig wordt door hun mooie product.

Liefde maakt het niet alleen mogelijk belangeloos te geven. Liefde maakt het ook mogelijk zonder vrees te ontvangen en je werkelijk afhankelijk op te stellen. Liefde maakt je vrij van ‘voor wat hoort wat’. Liefde kent geen verplichtingen. Liefde brengt je vanzelf tot de daden van liefde. Jezus heeft ons de liefde voorgeleefd. Hij ging in zijn liefde voor ons tot het uiterste toe. In zijn leven wordt God voor ons zichtbaar: de God die liefde is. Vandaag horen hoe Hij zich afvraagt, waarom niet iedereen dankbaar is.

Dankbaarheid is ook een daad van liefde. Het is een bevestiging van de liefde die ontvangen is en geeft aan dat de liefde wederzijds is. Dankbaarheid is een liefdevol antwoord op een daad van liefde. Jezus verbindt de dankbaarheid met geloof. Hij zegt tegen de Samaritaan: “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.” Ook bij Naäman zien we dat dankbaarheid en geloof samengaan. Hij wil voortaan alleen nog aan de God van Israël offers opdragen.

Jezus navolgen, zijn leerling willen zijn vraagt van ons ook deze weg te gaan: de weg van geloof, van liefde en van dankbaarheid. Deze weg stelt ons in staat ons aan elkaar toe te vertrouwen. Zij stelt ons in staat ons leven in Gods handen te leggen. Amen.

Bergen verzetten; 2 Tim 1,6-8.13-14; Lc 17,5-10

Jezus zegt dat een zelfs een klein geloof bergen kan verzetten. Hij zegt: “Als ge een geloof hadt als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: ‘Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee’ en hij zou u gehoorzamen.” Het is niet dat de leerlingen niet geloven, maar ze willen graag een geloof dat is zich uit in zichtbare daden. Ze vragen om geloofskracht waarmee ze wonderen kunnen verrichten om op die manier imponerend en overtuigend naar buiten kunnen treden. Eerlijk gezegd, dat lijkt mij ook wel wat. En dan komt Jezus met deze uitspraak. Blijkbaar is ons geloof voldoende, maar durven we het niet aan het op een dergelijke manier te gebruiken. Ik ben ook echt niet van plan het uit te proberen.

Paulus benadert de zaak van een andere kant. Hij heeft het in verband met het geloof over schaamte en lijden. Ik vind Paulus een fascinerende man. Zijn brieven zijn zeker niet makkelijkste teksten uit de Bijbel, maar wel zeer de moeite waard. Vaak zijn het teksten waar je even op moet kauwen. Ze geven je stof tot nadenken. Afgelopen week ben ik begonnen met het lezen van een levensbeschrijving van de apostel Paulus. Dit boek van Tom Wright is onlangs in het Nederlands vertaald. U zult mij daar de komende tijd vast nog wel eens over horen.

Paulus leeft in een tijd waarin men al snel bang is voor gezichtsverlies. Lijden, ziekte en verminking geven je bepaald geen status. Verkondigen dat iemand die aan het kruis gestorven is, de redder van de wereld is, is gewoon beschamend. Wat dat betreft verschilt de tijd waarin wij nu leven, weinig van die tijd. Ook tegenwoordig draait het om succesvol zijn, gezond zijn en er goed uitzien. Het liefst tonen wij ons aan de wereld op een wijze waarbij iedereen van jaloersheid in elkaar krimpt. Lijden en afhankelijkheid passen niet in dat beeld. Welke zwakkeling maakt zichzelf afhankelijk van een onzichtbare God?

Paulus zegt ons dat we ons niet moeten schamen voor ons geloof. Wij moeten ons niet schamen voor onze zwakte. De bespottingen en het lijden dat het ons oplevert, hebben wij te dragen. Wij mogen ons gedragen en gesteund weten door de liefde van Christus en de hulp van de heilige Geest die in ons woont. Paulus heeft in zijn leven ervaren dat geloven en lijden vaak hand in hand gaan. Hij heeft geleerd van alles wat hem is overkomen en ziet zijn eigen zwakheid juist als zijn kracht. Elders schrijft hij: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen. (…) Als ik zwak ben, dan ben ik sterk.”
(2 Kor 12,9-10)

Paulus weet dat Timoteus een gelovig man is. Hij herinnert hem eraan hoe hij Gods genade heeft ontvangen. Paulus zelf heeft hem de handen opgelegd. Ook ons is een aantal keren de handen opgelegd: bij ons Doopsel en bij ons Vormsel en bij een enkeling bij de Wijding. Ook wij hebben Gods genade ontvangen: een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Ook in ons brandt het vuur van Gods genade. Ook van ons wordt verwacht dat we dat vuur brandend houden, aanwakkeren en oppoken en ons niet door angst te laten weerhouden. Zo mag ieder van ons getuigen van onze Heer en bijdragen aan de verkondiging van het Evangelie.

Terug naar de leerlingen en hun vraag om geloof dat bergen kan verzetten. Jezus maakt met de gelijkenis over de knecht en de landheer duidelijk dat het bij geloofsdaden niet gaat om spectaculaire zaken. Het gaat om alledaagse daden van geloof, waarmee je niet direct applaus boekt en dat moet je ook niet verwachten. Het geloof is er niet om succesvol te zijn. Het geloof maakt je niet tot een beroemdheid. Het gaat juist om groot te zijn in het kleine. Het geloof brengt je tot daden van liefde. Vaak zullen die voor velen onopvallend en onzichtbaar zijn.

En toch zijn het juist deze daden van liefde die bergen doen verzetten. Niet in de ogen van de wereld, maar in de ogen van de enkele medemens. Hoeveel vreugde kun je niet brengen met steun aan een mens in nood? Hoeveel blijdschap met aandacht voor een zieke of eenzame medemens? Hoe bevrijdend kan een bemoedigend woord zijn en hoe verlossend een simpele glimlach? Ook al worden we regelmatig door twijfel overmand, ons geloof is werkelijk groot genoeg om heel liefdevol bergen te verzetten en op die wijze te getuigen van de verrezen Heer. Amen.

Verloren en gevonden; 1 Tim 1,12-17; Lc 15,1-32

In het Evangelie horen we drie verhalen over iemand die iets kwijt is: een man die een schaap verliest, een vrouw die een zilverstuk verliest en een vader wiens zoon ervandoor is. Drie keer horen we van de grote vreugde die het brengt als het verloren schaap, het verloren zilverstuk en de verloren zoon weer gevonden wordt dan wel uit zichzelf terugkeert. Jezus vergelijkt deze vreugde met de vreugde van de engelen van God als een zondaar zich bekeert. In de brief van Paulus aan Timoteüs wordt dit fenomeen van verloren geraakt en weer teruggekeerd van de andere kant benaderd. Paulus beschrijft wat het met hem gedaan heeft toen hij zich bekeerde van een godslasteraar, vervolger en geweldenaar tot een volgeling van Jezus Christus.

Paulus heeft ervaren dat een rijke overvloed van genade hem deelachtig werd, dat de Heer hem barmhartigheid heeft bewezen. Hij was verloren en Jezus Christus heeft hem het eeuwig leven gegeven. De Heer heeft hem vertrouwen geschonken en heeft hem in dienst genomen. Jezus heeft hem zijn liefde doen kennen en Hij heeft hem de waarheid geopenbaard: het betrouwbare en volkomen geloofwaardige woord.

De meesten van ons hebben niet zo’n ervaring zoals Paulus die had. De meesten zijn als kind gedoopt en weten niet beter dan dat zij christen zijn. Wij hebben niet de ervaring van een uitzonderlijke bekering. Maar dat wil niet zeggen dat deze teksten niet ook over ons gaan. Ook wij zijn gevonden. Ook wij zijn uitverkoren. Ook ons is een rijke overvloed van genade deelachtig geworden. Dat wij brave katholieken zijn, is niet primair onze eigen verdienste. Zij hebben ervaren hoe het is zonder God te leven. Zij kennen de leegte van een goddeloos bestaan. Zij kunnen u vaak wel vertellen hoe het geloof hen geluk bracht.

Gekscherend wordt wel gezegd dat bekeerlingen de ergsten zijn, dat zij te recht in de eer zouden zijn en te fanatiek in het uitdragen van het geloof. Maar moeten we niet eerder zeggen dat wijzelf weliswaar brave, maar toch wat lauwe volgelingen van Jezus zijn. Als wij ons werkelijk bewust zijn van het geluk dat ons is overkomen door het geloof dat ons geschonken is, zal dat ook ons leven veranderen.

In het nieuwe pastoraal beleidsplan dat afgelopen week is vastgesteld en waarvan u de tekst op onze website vindt, staat het leerling van Jezus zijn centraal. De titel luidt: ‘Als leerling het Evangelie leven’. De komende jaren willen we ons bewust richten op het leerling zijn. Wat betekent dit voor ons geloofsgemeenschappen? Wat betekent dit voor ieder van ons persoonlijk? Hoe kan dit bijdragen aan het voortbestaan van het christendom hier ter plaatse?

Paulus brengt dank aan Jezus Christus. Hij eert en roemt de Koning der eeuwen. In zijn dank verkondigt hij een diep doorleefd geloof. Hij is een ware leerling van Jezus. Als leerling van Jezus heeft Paulus zich de liefde van Jezus eigengemaakt. Als je liefde hebt ontvangen, zul je ook liefde geven. Als je barmhartigheid hebt ervaren, zul je ook barmhartig zijn.

Omdat Paulus de waarheid heeft leren kennen, is hij ook deze waarheid gaan verkondigen. Hij verkondigt de onvergankelijke, onzichtbare en enige God. Hij verkondigt het geloof en de liefde die in Christus Jezus zijn. Paulus schrijft: “Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden.” In het licht van deze uitspraak kunnen we de Evangelieteksten lezen. Dan zien we dat het Jezus zelf is die op zoek gaat naar wat verloren is. Hij brengt ons terug naar zijn Vader. Hij brengt ons naar God. Dit is geen gedwongen terugkeer. Het is een terugkeer met onze eigen instemming. Jezus geeft ons daarvoor de kracht. Het is als de verloren zoon. Wij zijn vrije mensen. Uiteindelijk is de keuze aan onszelf.

Als leerlingen van Jezus zijn wij geroepen om op onze beurt nieuwe leerlingen te vinden. Daartoe willen we een gastvrije en uitnodigende parochie zijn. Wij mogen mensen uitnodigen om kennis te maken met Jezus, om hen te laten ervaren wat het geloof voor hen kan betekenen. Over twee weken is de jaarlijkse Kerkproeverij. Ook nu wordt u opgeroepen kennissen, familie en vrienden uit te nodigen een keer mee te gaan naar de kerk. Ook op die manier brengt u het leerling van Jezus in de praktijk. Amen.

Onze plaats in de wereld; Sir 3,17-18.20.28-29; Lc 14,1.7-14

Welke plaats zien wij voor ons zelf in de wereld? Welke rol willen we daarin spelen? Welke ruimte hebben wij zelf nodig? Paus Franciscus schrijft in de encycliek Laudato si’ over duurzaamheid en over het behoud van de schepping. Wij mensen dragen daarin verantwoordelijkheid. Hij roept ons op om voor de schepping te zorgen. De paus veroordeelt het consumentisme. Hij veroordeelt de houding van zelfgerichtheid, waarbij mensen zoveel mogelijk voor zichzelf opeisen.

Jezus Sirach roept in de eerste lezing op tot bescheidenheid en Jezus van Nazareth leert ons dat het beter is niet de beste plaats voor onszelf op te eisen. Beiden gebruiken daarvoor geen hoogdravende argumenten. Jezus Sirach schrijft dat een bescheiden mens een geliefd mens is en Jezus van Nazareth van Nazareth waarschuwt ervoor dat het weleens tot schande en schaamte kan leiden, als je jezelf te belangrijk vindt. Sterker nog je krijgt juist positieve aandacht als je je bescheiden opstelt. Men zal zeggen: “Vriend, ga wat hoger op.”

Jezus Sirach schrijft ook nog dat bescheidenheid God welgevallig is. Jezus van Nazareth gebruikt dit argument pas in het tweede gedeelte, als Hij spreekt over wie we moeten uitnodigen. De mens van tegenwoordig zoekt zijn geluk vooral in materiële zaken. Dat leidt tot een ongebreideld consumentisme, want je hebt nooit genoeg, je raakt nooit verzadigd.

Ruim vijftig jaar geleden zongen de Rolling Stones: “I can’t get no satisfaction”. Mick Jagger heeft nog een jaar economie gestudeerd. Mogelijk vond hij het wel genoeg toen hij erachter was gekomen dat consumeren uiteindelijk nooit tot echte voldoening leidt. Ons menselijk geluk ligt niet in materiële zaken. Zij geven slechts een kort moment van bevrediging en van voldoening. Echt gelukkig worden we pas als we ons op anderen richten, als we andere mensen gelukkig proberen te maken. Het werkelijke geluk hier op aarde ligt in de liefde tussen mensen.

Bescheidenheid moeten we dan ook in het licht van de liefde zien. Bescheidenheid betekent dat we onszelf niet overschatten, maar onszelf onderschatten is in het licht van de liefde net zo fout. Iemand die zichzelf geheel wegcijfert, iemand die zichzelf onzichtbaar maakt, kan er niet voor de ander zijn want hij is er gewoon niet meer. Hij heeft zichzelf tot een instrument gemaakt. We kunnen er alleen voor de ander zijn als we ook recht doen aan ons eigen bestaan. Het gaat in relaties om wederkerigheid en gelijkwaardigheid. Het gaat erom er op gelijkwaardige wijze voor elkaar te zijn ook in situaties waarin de een meer mogelijkheden heeft dan de ander. De gelijkwaardigheid verdwijnt niet omdat de een ziek is en de ander gezond, of wanneer de een arm is en de ander rijk.

In het tweede deel van zijn betoog heeft Jezus het over wederkerigheid. Wederkerigheid is duidelijk meer dan ‘voor wat, hoort wat’. Wederkerigheid is wat anders dan ruilhandel. Het gaat niet om de balans tussen debet en credit. Wederkerigheid in het licht van de liefde is er voor elkaar zijn. Het is een belangeloze wederkerigheid. In Laudato si’ schrijft de paus over de onderlinge afhankelijkheid. Niet alleen mensen zijn in wederkerigheid van elkaar afhankelijk. Alle schepselen zijn van elkaar afhankelijk. Heel de schepping is een netwerk van onderlinge afhankelijkheid. Dat maakt dat het voortbestaan van ieder deel van de schepping ook raakt aan ons eigen voortbestaan.

Dit alles vindt zijn bron in Christus. De apostel Paulus schrijft: “In Hem is alles geschapen… Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.” (Kol 1,16-17) En Paulus schrijft ook: “Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God… Hij is aan de mensen gelijk geworden.” (Fil 2,6-7) Paulus beschrijft hoe alles in Christus samenhangt in onderlinge afhankelijkheid. Hij beschrijft ook hoe Jezus Christus ons is voorgegaan in bescheidenheid, in liefde en in belangeloze wederkerigheid.

Als wij als leerlingen van Jezus ons leven gestalte willen geven en ons leven verbinden met Hem, zullen wij Hem kunnen navolgen. Ook wij zijn in staat tot bescheidenheid, tot liefde en tot belangeloze wederkerigheid. Vanuit die houding zullen we zorgdragen voor de schepping en zorgdragen voor onze medemensen. Door niet onszelf maar door de ander centraal te stellen stellen wij uiteindelijk Christus centraal in ons leven. Door Hem komen wij tot een leven met God.

Jezus geeft aan wie wij moeten uitnodigen voor ons gastmaal. Over vier weken is er weer een Kerkproeverij. Iedere zondag richten wij in onze kerken een gastmaal aan. Het goed alvast na te denken over wie u binnenkort gaat uitnodigen om eens kennis te maken met de manier waarop wij hier het leven vieren. Amen.

Vuur kom Ik brengen; Jr 38,4-6.8-10; Lc 12,49-53

Vandaag maakt Jezus het ons niet gemakkelijk. Wat moeten we met deze uitspraken? Wat bedoelt Hij in godsnaam met: “Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen zeg Ik u, juist verdeeldheid.”

Een aantal keren houdt Lucas ons voor dat Jezus vrede komt brengen. Dat begint al met zijn geboorte. Dan zingen de engelen: “Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.” (Lc 2,14) Twee keer horen we Jezus zeggen: “Uw geloof heeft u gered: ga in vrede.” (Lc 7,50 en Lc 8,48) Als Jezus zijn leerlingen eropuit stuurt, moet dit overal hun eerste woord zijn: “Vrede aan dit huis!” (Lc 10,5) En dan vandaag deze tekst: niks vrede, maar juist verdeeldheid. Jezus zegt dat Hij een doopsel moet ondergaan. Eerder is Hij in de Jordaan gedoopt door Johannes de Doper. Johannes zei over Jezus: “Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.” (Lc 3,16)

Vandaag zegt Jezus dat Hij vuur op de aarde komt brengen en het is duidelijk dat Hij het hier niet heeft over het vuur van het enthousiasme, niet over het vuur van de heilige Geest. Het gaat hier over het vuur van het oordeel. Het gaat om het vuur van de loutering. Het gaat om het vuur waarin het kaf wordt verbrand, nadat het van het koren gescheiden is. Jezus brengt ons verlossing en bevrijding, maar dat is geen goedkope vrijheid en ook geen goedkope vrede. Hij vraagt van ons dat wij werkelijk voor die vrijheid en die vrede kiezen. Hij vraagt van ons een betrokkenheid die niet zonder pijn gaat. Ook een geboorte, de verlossing van een kind gaat niet zonder pijn. Ook het veroveren van vrijheid gaat niet zonder strijd.

De verlossing die Jezus ons brengt is op de eerste plaats een strijd die Hij zelf te voeren heeft. Dit is het doopsel dat Hij moet ondergaan: het offer van zijn eigen leven. Het is een onderdompeling waarbij Hij zijn leven zal verliezen. Alleen zo komt Hij tot nieuw leven. Alleen zo geeft Hij ook ons nieuw leven. Door zijn dood aan het kruis komen wij met Hem tot een leven met God. Het is een doopsel dat als een vuur de wereld verlost en reinigt van het kwaad. Het vuur bevrijdt de wereld van de goddeloosheid. Deze loutering door het vuur maakt het Rijk Gods mogelijk.

Jezus brengt ons bevrijding. Hij brengt ons het Rijk Gods. Hoe moeten we dat combineren met de uitspraak dat Hij verdeeldheid brengt? De verdeeldheid ontstaat als wij niet van harte kiezen voor Jezus. Zijn boodschap van bevrijding is niet vrijblijvend. Zijn verlossing vraagt dat wij ons met Hem verbinden en dat wij werkelijk zijn leerling willen zijn. De keuze voor Jezus kan niet halfslachtig zijn. Zij is niet te combineren met zelfgenoegzaamheid. Het is een keuze die de zaken op scherp stelt, een keuze die niet uit is op het behoud van de lieve vrede.

Verdeeldheid ontstaat er niet alleen tussen mensen onderling. Er ontstaat ook verdeeldheid in onszelf. Hoezeer we ook voor Jezus kiezen telkens zijn er situaties waarin we geneigd zijn water bij de wijn te doen en de soep minder heet te eten dan ze wordt opgediend. Ook bij koning Sidkia zien we een dergelijke innerlijke verdeeldheid. Hij wil de edelen te vriend houden, praat hen naar de mond en laat toe dat zij Jeremia in een put werpen. Anderzijds weet hij ook dat de Ethiopiër Ebed-Melek gelijk heeft en geeft hem de opdracht Jeremia te bevrijden.

Jezus legt de lat hoog. Hij vraagt van ons een duidelijke en radicale keuze. Dat is voor ons mensen geen eenvoudige opgave. Eigenlijk weten wij allemaal dat dit ons nooit gaat lukken, dat deze opgave onze krachten ver te boven gaat. Juist dit onvermogen plaatst onze keuze in een ander licht. De vraag is niet of wij in staat zijn Jezus na te volgen. De vraag is: durven wij het aan het te proberen Jezus na te volgen. De keuze gaat tussen het wel en het niet proberen.

Je kunt ervoor kiezen Jezus niet te volgen en zo alle problemen uit de weg gaan. Je kunt ervoor kiezen tevreden met jezelf te zijn en iedereen te vriend te houden. Je kunt er ook voor kiezen Jezus proberen te volgen, zijn leerling te zijn en daarmee kiezen voor een weg van vallen en opstaan, een weg van de fout ingaan en vergeving vragen, een weg die door anderen verworpen en soms belachelijk gemaakt wordt.

Kiezen voor de weg van Jezus is ook kiezen voor hoop en voor vertrouwen. Kiezen voor de weg van Jezus is ook zijn barmhartigheid aanvaarden. Hij weet dat wij mensen zijn die tekort schieten. Hij zal ons niet oordelen op onze resultaten. Hij zal ons oordelen op ons streven naar het goede: hebben we het aangedurfd op Hem te vertrouwen en zo zijn weg te gaan. Hij zal niet alleen ons onze zonden en tekortkomingen vergeven. Zijn barmhartigheid zal ons uiteindelijk ook in vrede doen leven en zal ervoor zorgen dat wij gelukkige mensen zijn. Juist dat is de vrucht van de verlossing en de bevrijding die Hij ons heeft gebracht. Amen.