Dierbare, Ik bezweer u voor het aanschijn van God en van Christus Jezus die levenden en doden zal oordelen, bij zijn verschijning en bij zijn koningschap: verkondig het woord, dring aan te pas en te onpas, weerleg, berisp, bemoedig, in één woord, geef uw onderricht met groot geduld.
Vandaag is de feestdag van de heilige Petrus Canisius. De aansporing van Paulus aan Timoteüs, die we zonet hebben gelezen, heeft Petrus Canisius zeer duidelijk op zichzelf betrokken. Hij werd in 1521 als Peter Kanis in Nijmegen geboren. Zijn vader was burgemeester van de stad. Hij studeerde filosofie en theologie in Keulen. In 1543 trad hij – als eerste Nederlander – in bij de toen pas opgerichte orde van de jezuïeten. In 1549 deed hij zijn plechtige kloostergeloften. Na zijn promotie tot doctor in de godgeleerdheid predikte en doceerde hij op vele plaatsen in Duitsland. Vanwege zijn ijver in de verkondiging van het geloof wordt hij de tweede apostel van Duitsland genoemd – Sint Bonifatius is de eerste.
Petrus Canisius speelde een voorname rol in de Contrareformatie, de katholieke reactie op de Reformatie. Zo nam hij deel aan het Concilie van Trente. Zijn grootste bekendheid verwierf hij als schrijver van een drievoudige catechismus. De versie voor het volk – de kleinste – werd het meest succesvol. Deze kende meer dan duizend herdrukken in 26 verschillende talen en is een van de meest herdrukte boeken in de Nederlandse geschiedenis. Zijn doel was het bestrijden van de Reformatie en van de onwetendheid op geloofsgebied onder de katholieken. Hij overleed in 1597 en werd in 1925 heilig verklaard.
Petrus Canisius heeft geleefd zoals Paulus ons voorhoudt: “verkondig het woord, dring aan te pas en te onpas, weerleg, berisp, bemoedig, in één woord, geef uw onderricht met groot geduld.” Ook in onze tijd en met name in deze tijd van crisis is het van belang het Woord van God te verkondigen. Zijn Woord wijst ons de weg in onze onzekerheid. Zijn Woord brengt ons ook troost en geeft ons vertrouwen.
Vandaag denken we daarbij aan de ijver van de heilige Petrus Canisius en vragen hem om zijn voorspraak bij onze inspanningen voor het Evangelie. Amen.
Essentieel voor het menselijk bestaan is de relatie met de medemens. Zonder relaties met anderen zijn wij niet in staat tot het ontvangen en het geven van liefde. Los van anderen leven wij niet; dan is er slechts sprake van vegeteren. Door in relatie te staan tot andere mensen maken we deel uit van een netwerk en behoren we tot een gemeenschap.
In ons dagelijkse spraakgebruik hebben we het vaak over òns netwerk, een netwerk dat we zelf opbouwen. Wij vormen ons een gemeenschap om ons heen. Bij deze manier van denken en spreken zijn wij zelf het middelpunt. Wij hèbben relaties en wij zijn het centrum van ons netwerk. Als we spreken over de Kerk als gemeenschap en als netwerk van liefde, is de situatie anders. Nu hebben we niet een netwerk, maar zijn we deel van een netwerk. Het gaat niet om ons als individu, maar om het geheel. Samen vormen we het netwerk en Jezus Christus is het middelpunt van dit netwerk. Hij is de dragende kracht. Wij mogen ons met Hem verbinden. Van Hem gaat de liefde uit die wij met anderen mogen delen.
In dit netwerk van liefde is ieder welkom die zich met Christus en zijn gemeenschap wil verbinden, die zijn leerling wil zijn. Hier geldt niet dat wij beoordelen of iemand wel of niet in onze gemeenschap past. Mensen bepalen dat primair zelf want het is Christus die hen hiernaartoe heeft geleid. Zijn Geest is hierin sturend. Als wij gastvrij en uitnodigend zijn, geven we mensen een zetje in de goede richting. Zo werken wij in onze directe omgeving mee dit netwerk van liefde verder uit te bouwen en te intensiveren. Zo vormen wij gastvrije en uitnodigende geloofsgemeenschappen.
Artikel in Kerk aan de Vliet 4,2 april/mei 2020
De drie lezingen van vandaag geven een mooi beeld van de eerste ontwikkelingen van het christendom. In het Evangelie zien we Johannes tot geloof komen. In de eerste lezing horen het begin van de verkondiging aan de heidenen en weer later Paulus schrijft wat leven als een christen inhoudt.
We horen in het Evangelie hoe de vrouwen ontdekken dat het graf leeg is. De eerste reactie is een reactie van ongeloof. Hoe is dit mogelijk geweest: “Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.” Dan gaan Petrus en Johannes op onderzoek uit en ook zij zien dat het graf leeg is. En dan gebeurt het wonder. Johannes gaat het graf in: “hij zag en geloofde”.
Johannes gelooft ook al begrijpt hij er niets van. Ook hij had “nog niet begrepen hetgeen er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan”. Geloven is niet een kwestie van begrijpen of van gezien hebben. Geloven is ook geen kwestie van zeker weten. Geloven is puur genade. Het geloof wordt je gegeven. Geloof kun je niet op eigen kracht verkrijgen. Het geloof is een gift die mag ontvangen.
In de eerste lezing horen we over het optreden van Petrus. De apostelen zijn na het ontvangen van de heilige Geest gegroeid in hun geloof. En nu begint er een volgende fase in de geloofsverkondiging. Door een engel aangespoord laat de Romeinse centurio Cornelius Petrus vragen naar Caesarea te komen. Caesarea was de stad waar het Romeinse bestuur over Israël zetelde. In die zin stond Caesarea ook symbool voor het heidendom. Terwijl de boodschappers onderweg zijn naar Petrus, krijgt Petrus een visioen waaruit hij moet begrijpen dat de Blijde Boodschap er ook voor de heidenen is. Zowel Cornelius als Petrus worden door God geïnspireerd. Samen geven zij uitvoering aan Gods plan. Zo staat God zelf aan het begin van de verkondiging aan de heidenen.
Petrus gaat naar Caesarea, naar het huis van Cornelius. Na de nodige plichtplegingen en uitleg over de aanleiding van de ontmoeting, neemt Petrus het woord en vertelt over Jezus, over zijn optreden, zijn dood en zijn verrijzenis. Hij is door God aangesteld over levenden en doden en Hij geeft vergiffenis van zonden. Op deze wijze getuigt Petrus van zijn geloof in Jezus Christus en ondertussen brengt de heilige Geest zijn gehoor tot geloof. Dit verhaal uit Handelingen laat zien hoe het God zelf is die door Jezus Christus en door de heilige Geest mensen tot geloof brengt.
Weer een aantal jaren later schrijft Paulus zijn brief aan de Kolossenzen. Nadat Paulus op een aantal dwalingen heeft gewezen, schrijft hij hoe je als christen dient te leven. De vandaag gelezen tekst is hiervan de inleiding. Ons geloof in Christus heeft ons nieuw leven gebracht. We hebben met onze Doop het oude leven afgelegd. Door het water van de Doop zijn we tot een leven in en met Christus gebracht. Door de Doop leeft Christus in ons: Hij is ons leven.
Paulus roept ons op ons ook zo te gedragen en met onze manier van leven zichtbaar te maken dat wij in verbondenheid met Christus leven. Zo getuigen ook wij van zijn leven, zijn dood en verrijzenis. De verrezen Heer doet ons geloven. Hij doet ons ook hopen. Hij geeft ons toekomst. In Hem zien we dat onze God een God van levenden is, dat de dood nooit het laatste woord heeft, dat er nooit een einde komt aan zijn liefde voor ons en daarmee ook niet aan onze liefde voor elkaar.
Hoe ernstig een crisis ook is, God wijst ons altijd een uitweg. De verrezen Heer is daarvan het teken. In Hem wordt ons geloof, onze hoop en onze liefde werkelijkheid. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Dit maakt Pasen tot het grote feest van het christendom. Dit maakt ook dat we dit feest zo graag samen vieren. Het feest van het leven is geen individuele zaak. We komen pas echt tot leven in relatie tot elkaar. In de gemeenschap komen we tot leven. Samen willen we onze vreugde uitzingen, maar dat is vandaag helaas niet mogelijk. Gelukkig geeft Pasen ons vertrouwen in de toekomst. De liefde is sterker dan de dood. Zo is onze verbondenheid met elkaar ook sterker dan corona. Amen.
Vandaag op Witte Donderdag gedenken wij het laatste Avondmaal en daarmee de instelling van de heilige Eucharistie. Vanavond zal pastoor Bakker daar ongetwijfeld over preken. De Evangelietekst die we op Witte Donderdag lezen gaat echter over een andere gebeurtenis die op die avond plaatsvond: Jezus wast de voeten van zijn leerlingen en Hij roept hen – en daarmee ook ons – op hetzelfde te doen. In deze tijd moeten we zeer terughoudend zijn in het elkaar aanraken en ik zal u dan ook niet oproepen elkaar letterlijk de voeten te wassen. Het gaat in het Evangelie niet enkel om het wassen van voeten: Jezus nodigt ons uit dienstbaar te zijn aan elkaar.
Priesters vieren Witte Donderdag ook als de dag van de instelling van het priesterschap. Dat is geheel terecht, maar ik stel voor deze dag voortaan ook te vieren als de dag van de instelling van het diaconaat. Het is niet voor niets dat de paus bij de voetwassing een diakenstola draagt en niet de gebruikelijke priesterstola. Zoals wij christenen bij ons Doopsel allemaal gezalfd zijn tot het gemeenschappelijk priesterschap, zo zijn wij ook gezalfd tot het gemeenschappelijk diaconaat. Heel de Kerk en ieder van ons is geroepen tot dienstbaarheid. Als leerlingen van Jezus zijn wij er niet om gediend te worden, maar om te dienen.
Dienstbaar zijn aan elkaar is een vorm van liefde die overal en altijd mogelijk is. Dienstbaarheid is er niet alleen voor mensen die je graag mag. Denk in deze tijd bijvoorbeeld aan de supermarkt. Daar kun je andere mensen zien als je concurrenten die mogelijk het laatste exemplaar van het door jou gewenste artikel meenemen. We kunnen de ander echter ook zien als een naaste, als een medemens en elkaar respecteren en ruimte geven. Zo zijn we dienstbaar naar elkaar. Zo zijn wij leerlingen van Jezus.
Vandaag wil ik ook even stilstaan bij hen die ook in deze tijd anderen letterlijk de voeten wassen. Ook nu zijn er mensen die zichzelf niet kunnen wassen. Denk aan ziekenhuizen en verpleeghuizen. Denk ook aan de mensen in de thuiszorg. Zij bezoeken mensen die thuis hulp en verpleging nodig hebben. Onze bisschop spreekt regelmatig over een beschaving van liefde. Deze beschaving van liefde wordt zichtbaar in het werk van mensen met vitale beroepen. Het woord vitaal zegt het al: het zijn levengevende beroepen. Het is de liefde die leven geeft. Mensen met vitale beroepen zijn mensen van liefde. Wie leven geeft, geeft liefde. Wie liefde geeft, geeft leven.
Vaak zijn het ook beroepen waarin mensen risico’s lopen. Denk aan de vrouw die in de thuiszorg werkt. Bij iedere client denkt zij: “Breng ik het virus mee naar binnen?” Maar ook is zij zich ervan bewust dat zij ook zelf besmet kan raken. Deze liefhebbende en levengevende mensen hebben onze steun en ons gebed hard nodig. Ook op die manier kunnen we dienstbaar zijn. Amen.
Lezing Fil 2,6-11
Broeders en zusters,
Hij, die bestond in goddelijke majesteit
heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God.
Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd
door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend die boven alle namen is.
Opdat bij het noemen van zijn Naam
zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde;
en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader:
Jezus Christus is de Heer.
Deze tekst is het hoogtepunt van de brief aan de Filippenzen. Met dit lied laat Paulus ons zien wie Jezus Christus is en wat Hij heeft gedaan Wie Christus is, wordt direct duidelijk: Hij is gelijk aan God. Hij heeft goddelijke majesteit. Hij bestond al voordat Hij mens werd. Elders lezen we bij Paulus dat alles in Hem en door Hem geschapen is. (Kol 1,16)
Deze goddelijke persoon is aan de mensen gelijk geworden. De Schepper is schepsel geworden. Hij heeft zich niet vastgeklampt aan zijn goddelijke natuur. Hij heeft haar niet uitgebuit voor zichzelf. Hij heeft zichzelf ontledigd door zijn goddelijke gestalte los te laten. Niet dat Hij niet langer God was. God kan niet ophouden God te zijn. Hij heeft zichzelf geheel ter beschikking van de mensen gesteld. Zo heeft Hij zichzelf weggegeven. Hij heeft het bestaan van een slaaf op zich genomen en als mens heeft Hij zich laten vernederen door gehoorzaam te zijn tot de dood aan het kruis. Zo ging Hij in zijn liefde voor de mensen tot het uiterste toe. Hij is niet alleen mens geworden, maar is ook nog eens de geringste van de mensen geworden. Hij is als een slaaf aan het kruis gestorven. Erger was niet mogelijk. Hij heeft zijn bestaan geheel met het onze verbonden. Hij was een kind en groeide op tot een volwassene Hij leed honger en dorst, Hij was vermoeid en had slaap nodig, Hij had verdriet: niets menselijks was en is Hem vreemd. Vandaag lijdt Hij met ons mee, met onze pijn, onze angsten en onzekerheden.
Het paradoxale, het op het eerste gezicht geheel tegenstrijdige is, dat juist in zijn gestalte als minste der mensen zijn goddelijkheid zichtbaar is geworden. Vanuit zijn nederigheid heeft Hij mensen genezen en aan armen de Blijde Boodschap verkondigd. De Zoon van God laat ons zien dat we God niet moeten zoeken in macht en majesteit. God wordt juist zichtbaar in het zwakke en kleine. De grote kracht van God ligt in de zwakheid van de liefde. Gods liefde voor ons mensen vraagt om ons antwoord van liefde.
Jezus laat ons zien wat liefde betekent en wat het tot stand brengt. Hij is ons de weg van de liefde voorgegaan. Door zijn bestaan met ons te verbinden, stelt Hij ook ons in staat werkelijk lief te hebben. Met zijn leven, lijden en sterven brengt Hij de liefde terug in de wereld. Zo verbindt Hij ons leven opnieuw met het goddelijk bestaan. Doordat Hij is geworden zoals wij, zijn wij weer op Hem gaan gelijken. Zo keren we terug naar het begin. Toen werd de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Hij heeft ons verlost van onze menselijke verslavingen en van ons egoïsme en onze zelfgerichtheid. Hij stelt ons in staat werkelijk God en elkaar lief te hebben. Hij heeft de verbondenheid tussen God en de mensen hersteld.
Als eerste der mensen wordt Christus hoogverheven. Zijn vernedering is het begin van zijn verheerlijking. In deze verheerlijking mag uiteindelijk heel de mensheid en heel de schepping delen. Omdat Hij zich met ons verbonden heeft, zijn wij met Hem verbonden. Zo zullen ook wij mogen delen in zijn heerlijkheid. Dan zal er geen pijn, angst en onzekerheid meer bestaan. “God zal de tranen van alle gezichten afwissen.” (Js 25,8) Amen.
Elk jaar lezen wij dit verhaal. We lezen hoe Jezus gezeten op een ezel Jeruzalem binnenrijdt. Wij horen hoe Jezus wordt toegejuicht. De mensen roepen Hosanna, Hosanna in den hoge. Jezus wordt binnengehaald als een koning. Het verhaal is altijd hetzelfde, maar telkens weer lezen wij het met andere ogen en horen we het met andere oren. Onze eigen situatie is telkens weer anders, waardoor we ook telkens weer nieuwe aspecten in dit verhaal ontdekken.
“Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier.” Israël heeft een lange geschiedenis met koningen. Eerst was er koning Saul. Na zijn mislukte koningschap komt David. Ook al is ook David niet vrij van zonden, toch is hij in de Bijbel het grote voorbeeld van een goede koning. Davids zoon, koning Salomo staat bekend om zijn wijsheid, maar hij vervalt tot afgoderij en keert zich af de Heer. Dit laatste zien we telkens weer terugkeren. Alle volgende koningen vervallen tot afgoderij. Alleen koning Josia is een uitzondering op deze regel: Over hem staat geschreven: “Voor hem is er geen koning geweest die zich zo met heel zijn hart, met heel zijn ziel en al zijn krachten, geheel volgens de wet van Mozes, tot de Heer bekeerd heeft; ook na hem is er geen meer gekomen die hem geëvenaard heeft.” (2K 23,25) De relatie tussen God en de koning is bepalend voor het welzijn van het volk. Alleen een koning die gericht is op God, is een dienaar van zijn volk.
In onze tijd is het koningschap vooral het ceremoniële functie. Presidenten en ministers hebben de taak de volkeren te regeren. Meestal beoordelen wij hen vanuit onze eigen politieke denkbeelden, maar in tijden van crisis speelt dat veel minder een rol. In tijden van crisis gaat het om leiderschap. In deze tijd van corona is er wereldwijd sprake van crisis. De relatie van de regeringsleiders met God is ons vaak niet bekend, maar wat we wel kunnen beoordelen is hun dienstbaarheid aan het volk. Stellen zij het welzijn van het volk op de eerste plaats of gaat het toch om de hedendaagse afgoden: geld, macht en status.
Jezus komt vandaag gezeten op een ezel. Hij heeft van zichzelf gezegd: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.” (Mc. 10, 45). In hem herkennen de mensen de ware koning. Dit is het koningschap, het leiderschap waarnaar ze uitzien. Hem juichen zij toe als de Zoon van David. Jezus heeft ons op vele manieren laten zien hoe we goed kunnen leven. Hoe we een leven van liefde en waarheid kunnen leven, hoe we mogen geloven en hopen, hoe we werkelijk gelukkige mensen kunnen worden. Daartoe heeft Hij ons verlost. Zo heeft Hij ons gered. Vandaag laat Hij ons zien wat leiderschap is.
Bidden wij in deze tijd voor de leiders in onze wereld, dat zij zijn navolgers proberen te zijn, dat zij Hem als hun voorbeeld zien. En bidden we ook voor onszelf. Wij allen zijn bij onze Doop gezalfd tot priester, koning en profeet. Wij allen zijn gezalfd om God en de mensen te dienen. Ook voor onszelf geldt dat we geroepen zijn om een koning op een ezel te zijn. Geroepen om de verleiding van de hedendaagse afgoden te weerstaan. Amen.
Het verhaal over de vrouw bij de put speelde al een paar dagen door mijn hoofd. Gaandeweg de week kwam het coronavirus daar in toenemende mate bij. Twee zaken die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. Met het vervallen van de zondagvieringen verviel ook de noodzaak om een preek te maken. Toch kon ik het niet laten enkele gedachten op papier te zetten.
Het coronavirus dwingt ons tot sociale onthouding. We moeten de contacten met anderen beperken om besmetting en verdere verspreiding van het virus tegen te houden. De vrouw die Jezus bij de put ontmoet, heeft ook gekozen voor sociale onthouding. Zij komt op het heetst van de dag – rond het middaguur – naar de put. Zij doet dat om andere mensen te ontlopen. De meesten doen op dat moment een middagdutje.
De rest van het verhaal maakt duidelijk waarom de vrouw in een sociaal isolement is geraakt: “… want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet.” Haar levenswandel voldoet bepaald niet aan het goed burgerlijk fatsoen. Het misprijzen van haar stadsgenoten ontloopt ze liever. Sociale onthouding en sociaal isolement zijn aan elkaar verwante zaken.
Maar juist door haar sociaal isolement ontmoet de vrouw Jezus. We ontmoeten Jezus vaak in onze medemensen, in de mensen in nood: de hongerige, de dorstige, de vreemdeling, de naakte, de zieke, de gevangene (Mt 25). Daarnaast kunnen we Jezus ook ontmoeten door juist ons van anderen af te zonderen. Zonder mensen om ons heen weten we niet wat liefde is en dan kennen we God ook niet. “De mens zonder liefde kent God niet, want God is liefde.” (1 Joh 4,8) Maar van tijd tot tijd kan het geen kwaad ons af te zonderen. Jezus verbleef niet voor niets veertig dagen in de woestijn.
Even op ons zelf teruggeworpen zijn geeft ons de ruimte voor reflectie. Even vrij zijn van alle sociale verplichtingen geeft ruimte. Relaties onderhouden en sociale verplichtingen kunnen ons geheel in beslag nemen. Ze kunnen verslavend werken. Zo beroven ze ons van onze vrijheid, de vrijheid om zelf na te denken in plaats van te doen en te denken wat sociaal en politiek wenselijk is. Van tijd tot tijd hebben wij het nodig om ons leven te oriënteren op wat wezenlijk is, om ons te bezinnen op onze relatie met Jezus Christus.
De Veertigdagentijd is een tijd van bezinning en reflectie. Dat vraagt dat wij ons proberen te onthouden van zaken die ons op een verslavende wijze binden en ons onvrij maken. Op deze wijze kunnen we het gedwongen sociaal isolement en de sociale onthouding vruchtbaar maken door tijd te nemen voor bezinning en voor gebed. Zondagvieringen zijn voorlopig niet mogelijk maar gebed en bezinning zijn daar niet van afhankelijk. Jezus zegt: “… er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. (…) Er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden. God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.”
“Als Gij de Zoon van God zijt…” De duivel spreekt Jezus aan op zijn goddelijkheid. Eva hoort van de slang, dat zij aan God gelijk zal worden als zij eet van de boom die in het midden van de tuin staat, de boom van de kennis van goed en kwaad.
Misschien zijn de lezingen van vandaag nog nooit zo actueel geweest als in onze huidige tijd. Tegenwoordig worden wij er voortdurend op aangesproken, dat wij als mensen in feite zelf god zijn. In ieder geval dat het tamelijk idioot zou zijn een god boven je te dulden. De een beweert dat er in het geheel geen god is en dat je vooral moet doen waar je zelf zin in hebt. De ander komt tot de conclusie dat het goddelijke – als dat dan bestaat – alleen in jezelf te vinden is. Het eigen zelf, het eigen ik heeft goddelijke status. Met de woorden van de dichter Willem Kloos in 1894: “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten, En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon…” Voor Kloos was een dichter een geheel autonome schepper, geheel onafhankelijk en almachtig in zijn dichtkunst.
Hoogmoed is door de eeuwen heen als een kwaad bestempeld. Dat geldt niet alleen voor het christendom en het jodendom. Ook in de klassieke oudheid werd hoogmoed, hybris als een kwaad gezien. Denk aan het verhaal van Icarus die met zijn zelfgemaakte vleugels te dicht bij de zon komt, waardoor het was smelt en hij neerstort. Hoogmoed komt voor de val. In onze tijd wordt assertiviteit een deugd genoemd. Je hebt recht op de beste plaats. Zelfoverschatting wordt gezien als zelfvertrouwen en kan je alleen maar helpen in dit leven vooruit te komen. Denk aan Pippy Langkous: aan haar wordt de volgende uitspraak toegeschreven. “Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.”
Eva wordt verleid door de slang. De slang weet dat de mens een vrije wil heeft, dat de mens kan kiezen tussen goed en kwaad. De slang kent ook de zwakheid van de mens. Eva ziet het probleem waar ze voor geplaatst wordt. Zij gaat met de slang in discussie, maar de slang is haar te slim af en zij bezwijkt voor zijn argumenten. Adam daarentegen staat alleen maar bij. Hij zegt geen stom woord. In al zijn onnozelheid volgt hij Eva.
Paulus schrijft dat de misstap van Adam het begin van het kwaad is. “De fout van één mens bracht allen de dood.” Voor Paulus is de nalatigheid van Adam de grote zonde. Nalatigheid kun je zien als de tegenhanger van hoogmoed. Daar waar de een zegt dat hij alles onder controle heeft en het wel even zal oplossen, zegt de ander: wat kan ik er aan doen? De een overschat zichzelf. De ander schuift alle verantwoordelijkheid van zich af en laat het allemaal maar gebeuren. Beide houdingen zijn afkeurenswaardig. Een deugdzaam mens zoekt de juiste middenweg.
Naast de drie goddelijke deugden geloof, hoop en liefde kennen we de vier kardinale deugden: moed, matigheid, rechtvaardigheid en verstandigheid. Deze deugden vinden we terug bij Plato en zijn verder uitgewerkt door Aristoteles: de twee grote Griekse filosofen van de oudheid. De term kardinale deugden is uit de vierde eeuw en afkomstig van de H. Ambrosius. Het zijn kardinale deugden omdat alles hierom draait. Het Latijnse woord cardio betekent scharnier. Alle andere deugden kunnen we van deze vier afleiden. Zo kunnen we hoogmoed en nalatigheid verbinden met moed. Moed is het midden houden tussen overmoed en lafheid. Hoogmoed is een vorm van overmoed; nalatigheid is een vorm lafheid. Eva toont hier moed: zij gaat het gesprek aan maar helaas is haar nieuwsgierigheid sterker dan haar verstandigheid: zij maakt de verkeerde keuze, maar ze durft in ieder geval te kiezen en ze neemt verantwoordelijkheid. Adam toont alleen maar lafheid.
Jezus laat ons zien hoe wij het kwaad kunnen weerstaan. Het weerstaan van het kwaad vraagt om moed en om wijsheid. Wij moeten het aandurven het gesprek aan te gaan, verantwoordelijkheid nemen en we moeten de juiste keuzes maken. De Veertigdagentijd is de tijd bij uitstek om ons hierin te oefenen. Deugden moet je oefenen. Door ze te oefenen zorg je ervoor dat ze je eigen worden. Deugden vormen je persoonlijkheid. Door ze te oefenen worden ze deel van jezelf. Juist in de Veertigdagentijd kunnen we door oefening ons leven een nieuwe wending te geven. Ieder kan bij zichzelf nagaan welke deugd extra aandacht nodig en welke ondeugd weggewerkt moet worden.
Door de deugden te beoefenen verbinden wij ons leven met het leven van Jezus Christus. Zo gedragen wij ons als zijn leerlingen. Hij is onze weg ten leven. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Hij schenkt ons zijn genade. Door en in Hem vinden wij onze weg naar God. Amen.
Auteur: Adrien Candiard
Titel: Onder de vijgenboom: Mijmeringen over christelijk leven
Uitgever: Berne Media, 2019
Prijs: € 16,90
ISBN: 978 90 8972 329 1
Aantal pagina’s: 157
“Christelijk leven is de moed hebben geen afstand te doen van de vreugde; de moed om het geluk opnieuw te zoeken… Omdat God het geluk voor ons wil. Omdat het geluk onze bestemming, onze roeping is.” Aan de hand van de roeping van Natanaël (Joh 1,43-51) schrijft de dominicaan Adrien Candiard over onze roeping tot geluk. Iedere mens is op een eigen manier geroepen het leven te leiden dat hem past. Net als liefhebben werkt geroepen worden ontregelend. Je moet afstand doen van gewoontes en van comfort. Zonder ontregeling kom je niet tot echte vreugde. Roeping gaat over ontdekken wie je zelf bent en wie God is. Het gaat over de ontmoeting met God en over de relatie met Christus, waarbij het beste nog altijd moet komen.
In dit prettig te lezen boek schrijft Candiard verder over de strijd van het gebed, de spanning in broederschap, de nederigheid van vergeving, de kwetsbaarheid van de liefde, de bochtige weg naar heiligheid, het misverstand van de vrijheid en over slapen, dronkenschap en humor.
Vandaag is de Veertigdagentijd begonnen: veertig dagen die staan in het teken van bezinning en van inkeer. veertig dagen om ons te oefenen in het goede en af te zien van het kwade. Veertig dagen lang zijn wij samen met Jezus op weg naar Pasen. Veertig dagen lang mogen wij ons extra verbinden met Hem. Hij is onze weg naar de Vader. Niemand komt tot de Vader tenzij door Hem.
God wil dat wij gelukkige mensen zijn. Maar hoe worden wij gelukkig? Worden wij gelukkig door zoveel mogelijk onze begeerten in vervulling te laten gaan of is er een andere weg tot geluk? Het antwoord van de huidige cultuur is duidelijk. De mens wordt volgens het huidige denken gedreven door zijn begeerten. De vervulling van die begeerten – wat ze ook zijn – maakt de mens gelukkig. Dat vraagt dat de mens vrij moet zijn om zoveel mogelijk te doen waar hij zin in heeft.
Dit denken heeft de afgelopen vijftig jaar een steeds belangrijker plaats ingenomen. Dit is echter niet het denken waarmee ik en waarschijnlijk u allemaal zijn opgevoed. Ons christelijk denken gaat uit van een ander mensbeeld. Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Wij hebben wel degelijk begeerten, maar we hebben ook een wil en ook een verstand. Verstand en wil staan boven onze begeerten. Geschapen naar Gods beeld en gelijkenis betekent ook dat we deel uit maken van een groter geheel. We zijn geschapen als deel van de menselijke gemeenschap. We zijn geschapen om elkaar lief te hebben.
In 2013 schreef Paus Franciscus in Evangelii gaudium: “Het geheel is meer dan het deel, en is ook meer dan een eenvoudige som van de delen. Men moet dus niet al te zeer bezeten zijn van bijzondere kwesties met een beperkte omvang. Men moet de blik altijd verruimen om een groter goed dat ons allen weldaden kan verschaffen, te herkennen. (…) Men werkt in het klein met wat dichtbij is, maar met een ruimer perspectief. Op dezelfde wijze gaat een persoon die zijn persoonlijke bijzonderheid bewaart en zijn identiteit niet verbergt, niet in het niets op, wanneer hij van harte integreert in een gemeenschap, maar hij ontvangt steeds nieuwe prikkels voor de eigen ontwikkeling.”
Ons verstand en onze wil stellen ons in staat het grotere belang te zien en er ook voor te kiezen zonder dat wij onszelf daarbij verliezen. Sterker nog door deze keuze voor het geheel groeien wij in wijsheid en in geluk. Naast de drie goddelijke deugden geloof, hoop en liefde zijn er de vier kardinale deugden: moed, matigheid, rechtvaardigheid en verstandigheid. Deze vier deugden helpen ons te willen en te doen wat we verstandig achten. Ze helpen ons onze begeerten te kanaliseren.
Deugden kun je oefenen. Oefening baart kunst, ook levenskunst. Door het telkens weer te proberen wordt de deugd iets van jezelf. Door het goede te oefenen vorm je je persoonlijkheid. Door te oefenen word je met de hulp van Gods genade een goed mens. In deze tijd van mateloosheid, van altijd willen genieten kunnen wij bijdragen aan een betere wereld door te matigen. Vanuit onze matigheid zijn we in staat tot rechtvaardigheid. Matigheid en soberheid stellen ons is staat onze rijkdom eerlijk te delen.
Vandaag wordt in deze zin onze bijdrage gevraagd voor het werk van Jacinta van Luijk ten bate van de gemeenschap in Kitale. Onze soberheid brengt geluk aan de mensen in Kenia. Wij zijn ook geschapen als onderdeel van de gehele schepping. Daarmee dragen wij ook zorg voor geheel de schepping. Wij zijn medeverantwoordelijk. Met onze soberheid dragen wij bij aan een duurzame wereld.
Door de juiste maat te vinden tonen we ons leerlingen van Jezus Christus. Door de deugden te beoefenen verbinden wij ons leven met zijn leven. In Hem vinden wij onze vreugde. Hij maakt ons gelukkig. Door en in Hem vinden wij onze weg naar God. Amen.