Spring naar inhoud

Verbondenheid, gemeenschap, samen; Apk 21,1-5; Joh 13,31-35

Johannes droomt van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Hij ziet het heel concreet voor zich: “er zal geen dood meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn want al het oude is voorbij.” En Christus, die op de troon is gezeten, zegt: “Zie, ik maak alles nieuw.”

Johannes droomt over de toekomst. Jezus spreekt in het Evangelie ook over de toekomst, over een op dat moment zeer nabije toekomst. Deze tekst komt uit zijn afscheidsrede bij het laatste avondmaal. Jezus spreekt deze woorden uit na de voetwassing. Hij spreekt over het aanstaande lijden en over zijn dood en verrijzenis. Als Johannes in zijn Evangelie spreekt over verheerlijking, gaat het niet alleen over de verrijzenis maar ook over de dood aan het kruis: de verheerlijking op het kruis. Jezus vertelt zijn vrienden hoe zij daarna verder kunnen: “gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.” Jezus is hier niet aan het dagdromen. Hij geeft ons een heel concrete aanwijzing hoe wij goed kunnen leven: een leven niet als individu, maar als gemeenschap, een leven als mens in liefdevolle relatie met de medemens, een leven ook als een teken, als een licht voor de wereld.

Ook paus Franciscus spreekt over de toekomst. Afgelopen woensdag richtte hij zich speciaal tot de jongeren. Hij sprak: “Het leven is ons niet gegeven om het voor onszelf te bewaren maar opdat wij het zouden geven. Wees niet bang om van grote dingen te dromen.” “We moeten het licht van het geloof, van de hoop, van de liefde levendig houden en ons hart open houden voor het goede en het schone én voor de waarheid.” “Deze tijd is een tijd voor actie. Wij moeten de gaven van God werkelijkheid doen worden, niet voor onszelf, maar voor Hem, voor de Kerk en voor anderen.” “Wij moeten het goede in de wereld verspreiden, zeker nu wij een periode van crisis beleven.” Tot zover de paus.

Als wij als christenen dromen is dat altijd in dubbele zin: enerzijds is het van de genade van God en van zijn oneindige liefde en anderzijds is het van ons eigen handelen. Enerzijds is het Christus die zegt: “Zie, ik maak alles nieuw.” Anderzijds is er de opdracht aan ons: “Gij moet elkaar liefhebben.” Het is enerzijds God die altijd aan het begin staat en het anderzijds de mens die zelf zijn bijdrage heeft te leveren. Onze bijdrage is het antwoord op Gods liefde voor ons. Vanouds is dit samengevat in de katholieke gedachte, dat wij met de genade moeten meewerken.

Volgende week wordt prins Willem-Alexander als nieuwe koning ingehuldigd. En zelfs de meest uitgesproken republikein kan daar niet omheen. Heel Nederland is in beweging en maakt zich op voor de grote dag. Er wordt veel gedaan om er een mooi feest van te maken, een feest voor het hele land, voor allen die hier wonen. Er is natuurlijk een nationaal comité: de Stichting Nationaal Comité Inhuldiging. Wat hebben deze zaken met elkaar te maken: de blijde boodschap van Christus en een Oranjefeest in Nederland.

Op de radio hoorde ik een van de leden van het comité spreken over de actie ‘Deel jouw droom’. Iedere Nederlander wordt opgeroepen zijn droom voor ons land op de speciaal daarvoor ingerichte website te plaatsen. Ik ben eens wezen kijken wat dat zoal oplevert. De inzenders kiezen zelf een categorie waarin hun droom thuis hoort. De categorie die het meest populair is, is de categorie ‘samen’. Je kunt de dromen van anderen steunen en zo ontstaat er een overzicht van populaire dromen. Onder de meest populaire dromen kwam ik het volgende tegen. Een droom met de titel “samen zijn, samen zorgen, samen genieten”.

Uit een andere droom komt het volgende citaat:
“Toekomstdroom, verbintenis,
met elkaar, hand in hand.
Maak een vuist tegen geweld,
pas dan ben je een superheld.
Pas dan maken wij samen
een tolerant
Nederland.”

Uit weer een ander droom:
“mijn droom
onze droom
is een Nederland
waar liefde regeert
ons hart op de troon zit
en de waarheid het woord voert
een land
waar we vechten tegen armoede
onrecht en ziekte
samen één eenheid van leven
gedragen door ons land
waar respect hoogtij viert”.

Vaak zijn wij somber over de cultuur van deze tijd: Zijn we niet veel te veel met onszelf bezig? Wie heeft er nog aandacht voor een ander? Uit de populariteit van de dromen met thema’s als verbondenheid, gemeenschap en samen mogen we afleiden dat alles wat Jezus Christus verkondigt nog steeds samenvalt met de dromen, de diepste verlangens van mensen en zeker met de dromen en verlangens van jonge mensen. Voor zover er foto’s bij stonden, zag ik geen grijze haren. De boodschap die Jezus ons verkondigt en die wij als christenen doorgeven, sluit aan bij de diepste verlangens die mensen koesteren. Mensen willen leven in relatie met andere mensen. Mensen willen elkaar liefhebben en ze hebben de liefde van de ander nodig. Mensen willen leven in harmonie en in eenheid.

Jezus wijst ons hierin de weg. Hij heeft ons laten zien hoe wij goed kunnen leven. Hoe wij elkaar kunnen liefhebben en hoe wij de waarheid op het spoor kunnen komen. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Liefde, waarheid en het volle leven: het wordt ons door Hem gegeven en wij vinden liefde, waarheid en leven door te leven zoals Hij ons voordeed. Van ons wordt gevraagd dat wij Gods liefde willen ontvangen, ons openstellen voor Hem en dat wij zijn liefde delen en doorgeven aan onze medemens.

Ik wens u allen een mooi feest komende week. Het huis van Oranje kan in ons land een symbool van eenheid en verbondenheid zijn, maar de werkelijke eenheid en verbondenheid brengen zij niet tot stand. Het is Christus die de liefde en eenheid is en brengt en zelfs Hij doet het niet zonder onze medewerking. Amen.

Rome door de ogen van Antoine Bodar

Auteur: Arnold Smeets (red.)
Titel: Rome door de ogen van Antoine Bodar: Een spirituele gids voor de Eeuwige Stad
Uitgever: Ten Have, 2012; prijs: € 19,95
ISBN: 978 90 259 0189 9;
aantal pagina’s: 176

Wie binnenkort naar Rome gaat om nader kennis te maken met de nieuwe paus, zal ongetwijfeld ook enige tijd willen besteden aan het beleven van deze bijzondere stad. Hierbij is een goede reisgids onmisbaar.

Voor het radioprogramma ‘Echo van Eeuwigheid’ wandelt Antoine Bodar samen met Arnold Smeets en Sylvester Beelaert door Rome. Deze wandelingen vormen de basis voor dit boek. Om Rome werkelijk ervaren, is lopen de aangewezen wijze van door de stad trekken. Vele bijzondere plaatsen in Rome worden beschreven. De religieuze en historische achtergronden worden verteld. De beschrijvingen worden aangevuld met gedichten en liederen en met verwijzingen naar religieuze muziek.

Arnold Smeets heeft het boek samengesteld. Het is fraai geïllustreerd met foto’s van Werry Crone. Het is een zeer waardevolle aanvulling op de normale reisgids waarvan dit niet een vervanging is. Ieder die een bezoek aan Rome als een spirituele gang beschouwt, is het een aanrader. Ook is het een boek om gewoon thuis Rome te ervaren.

Voetwassing en Brood en Wijn; Ex 12,1-8.11-14; 1Kor 11,23-26; Joh 13,1-15

Het volk Israël trok weg uit Egypte. Een heel volk sloeg een nieuwe weg in: de weg van een nieuw leven, de weg van de vrijheid. Voordat ze op pad gaan wordt er gegeten. Je moet goed eten voor je op reis gaat. Maar dit is niet zo maar een maaltijd. Het is ook een rituele maaltijd, een maaltijd die ieder jaar herhaald moet worden om stil te staan bij die gedenkwaardige dag, waarop ze uit Egypte wegtrokken. Daarmee gedenken zij niet alleen die ene dag, maar ook de lange weg van veertig jaar woestijn. Ze gedenken hoe God hen geleid heeft en met hen is meegegaan op weg. Ze gedenken hoe Hij hen uiteindelijk het Beloofde Land liet binnentrekken. Ze gedenken alle grote daden die God voor hen verrichtte.

Vandaag is het Witte Donderdag. Ook wij zijn bij elkaar voor een rituele maaltijd. Paulus vertelt ons hoe Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, brood nam en daarna de beker. Van dit brood en deze beker zegt Hij: “Dit mijn lichaam voor u. Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed.” En heeft ons een opdracht: “Doet dit tot mijn gedachtenis.” Ook wij staan stil bij een gebeurtenis in het verleden. Maar er is meer aan de orde: het is niet enkel verleden; het is ook heden. Ook vandaag worden brood en beker genomen. Ook vandaag eten en drinken wij zijn Lichaam en Bloed. Het voedsel dat Hij destijds gaf aan zijn leerlingen, geeft Hij vandaag aan ons. Brood en Wijn: het is voedsel voor onderweg. Voedsel voor onze weg ten leven. Elke keer als wij dit Brood eten en uit deze Beker drinken, worden wij uitgenodigd die nieuwe weg ten leven te gaan: de weg te gaan die tot het echte leven leidt en die ons werkelijk geluk brengt.

Jezus eet met zijn vrienden – niet gehaast zoals de Israëlieten hun Paasmaal eten – nee, Hij heeft hen nog veel te zeggen en Hij neemt er de tijd voor. Johannes besteedt er in zijn Evangelie vijf hoofdstukken aan. Het begint met de tekst die wij vanavond hebben gelezen. Anders dan Mattheüs, Marcus en Lucas schrijft Johannes niet over de maaltijd zelf: de instellingswoorden over Brood en Wijn, die wij van Paulus hoorden en die ook in de drie andere Evangeliën staan, vermeldt Johannes niet. Hij legt een geheel ander accent, een accent dat we alleen bij hem vinden. Johannes vertelt ons over de voetwassing en over het lange gesprek dat Jezus met zijn leerlingen voert. Bij Johannes is Jezus aan het woord over de weg die Hij moet gaan, en over de weg die zijn leerlingen zullen gaan: de weg waartoe ook wij uitgenodigd zijn om te gaan. Johannes maakt duidelijk dat het niet om die ene gebeurtenis gaat, maar om het hele leven. Het leven is geen gebeurtenis; het leven is een weg.

Hoe deze weg eruit ziet laat Jezus eerst zien door zijn vrienden de voeten te wassen. Hiermee stelt Hij een daad van liefde en verbondenheid. Daarna vertelt Hij over de weg die Hij zal gaan, de weg naar zijn Vader, de weg die door de dood heen tot leven leidt. Hij vertelt de leerlingen hoe ook zij die weg zullen gaan, deze weg van liefde, deze weg ten leven. Hij zal hen de Helper, de heilige Geest geven om hen bij te staan. Maar zijn voorbeeld Blijft de belangrijkste richtwijzer: Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.”

Zo worden ons vandaag twee tekens gegeven: De tekens van Brood en Wijn en het teken van de voetwassing. Twee tekens van liefde die onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Onder de gedaanten van Brood en Wijn is Christus werkelijk zichtbaar en tastbaar onder ons aanwezig. Hij voedt ons met zijn eigen Lichaam en Bloed. Zo kunnen wij ons op innige wijze met Hem verenigen en ons laven aan zijn gaven van liefde en genade. Het teken van de voetwassing maakt duidelijk hoe wij zelf deze weg ten leven kunnen gaan. “Als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.” Jezus maakt hier heel concreet wat Hij bedoelt met: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Dit is de weg van het verhaal van de Barmhartige Samaritaan. Dit is ook de weg die ons in Mattheus 25 wordt voorgehouden. Daar zegt Jezus: “Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht.”

Op deze wijze horen Eucharistie en diaconie bij elkaar. In ‘Deus caritas est’ schreef paus Benedictus XVI: “De Kerk kan de liefdadigheid evenmin verwaarlozen als de sacramenten en het Woord. Het wezen van de Kerk komt tot uitdrukking in een drievoudige opdracht: de verkondiging van Gods Woord, het vieren van de sacramenten, de dienst van de liefde. Deze opdrachten veronderstellen elkaar en zijn niet te scheiden. De dienst van de liefde is voor de Kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou kunnen overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van haar diepste wezen.”

De tekens van Brood en Wijn en het teken van de voetwassing, Eucharistie en diaconie zijn onlosmakelijk, niet los van elkaar verkrijgbaar. Petrus wordt dit duidelijk gemaakt als hij de voetwassing weigert. Hier maakt Jezus duidelijk dat het niet alleen gaat om het geven van liefde. Wij moeten ook liefde willen ontvangen. Als we geen liefde willen ontvangen, kunnen we ook geen liefde geven. Als wij ons niet openstellen voor de liefde van God en voor de liefde van de medemens zijn we dood. Liefde heeft ook geen eindbestemming. We kunnen de liefde niet oppotten, niet bewaren en niet voor onszelf houden. Liefde is er alleen in relatie. Liefde is er alleen in een eindeloze keten van ontvangen en geven. Deze keten van de liefde is voor ons de weg ten leven. Jezus heeft ons met de voetwassing het voorbeeld gegeven en Hij is ons werkelijk nabij in de Eucharistie als heilzaam voedsel op onze levensweg. Amen.

Een goed mens zijn

Hoe worden we een goed mens? Wat betekent Gods liefde voor ons? Hoe worden wij gelukkig?

God nodigt de mensen uit elkaar lief te hebben. Samen vormen wij één grote mensenfamilie, allemaal zijn wij kinderen van God. In Jezus Christus zijn wij elkaars broers en zussen. Hoe maken wij dit concreet in ons eigen leven? Aan de hand van drie Bijbelteksten wordt op deze vraag ingegaan.

1. God is liefde

Hoe ontvankelijk zijn wij voor Gods liefde? Hoe is Gods liefde voor ons de basis van onze omgang met anderen?

1 Johannes 4,7-16

7. Vrienden, laten wij elkander liefhebben want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is een kind van God, en kent God. 8. De mens zonder liefde kent God niet want God is liefde. 9. En de liefde die God is heeft zich onder ons geopenbaard doordat Hij zijn enige Zoon in de wereld gezonden heeft om ons het leven te brengen. 10. Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen.

11. Vrienden, als God ons zozeer heeft liefgehad moeten ook wij elkander liefhebben. 12. Nooit heeft iemand God gezien, maar als wij elkaar liefhebben woont God in ons en is zijn liefde in ons volmaakt geworden. 13. Dit is het bewijs dat wij in Hem verblijven zoals Hij verblijft in ons, dat Hij ons deel heeft gegeven aan zijn Geest.

14. En wij, wij hebben gezien en wij getuigen dat de Vader zijn Zoon heeft gezonden om de heiland van de wereld te zijn. 15. Als iemand erkent dat Jezus de Zoon van God is woont God in hem en woont hij in God. 16. Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft en wij geloven in haar. God is liefde: wie in de liefde woont woont in God en God is met hem.

Deus caritas est

Begin 2006 verscheen de eerste encycliek paus Benedictus XVI: ‘Deus caritas est’ (God is liefde). In deze brief aan alle christenen gaat de paus terug naar de basis van het christendom: de liefde. In het eerste deel gaat de paus in op het wezen van de liefde. In het tweede deel van de encycliek gaat Benedictus in op de liefde die de kerk in de maatschappij betracht – de werken van barmhartigheid.

De paus valt direct met de deur in huis: “Wij geloven in de Liefde. Zo kan de christen de fundamentele beslissing van zijn leven tot uitdrukking brengen. Christen zijn wordt niet in eerste instantie bepaald door een ethische beslissing of hoogstaand idee, doch door een ontmoeting met een gebeurtenis, met een Persoon, die ons leven een nieuwe horizon en daarmee de beslissende richting geeft. (…) Daar God ons het eerst heeft liefgehad (vgl. 1Joh 4,10) is de liefde niet langer slechts een ‘gebod’, maar antwoord op de gave van de liefde waarmee God ons tegemoet treedt.” (1)

Het archetype van de liefde is de liefde die man en vrouw voor elkaar over hebben. Die passionele liefde noemden de Grieken ‘eros’. Benedictus herinnert eraan dat eros zijn plaats moet krijgen in het leven. Maar om werkelijk gelukkig te worden, mag de mens zich met eros niet tevreden stellen met het zoeken naar een kortstondig plezier. Duidelijk wordt “dat eros beheerst en gezuiverd zal moeten worden om de mens niet alleen vluchtig genot te schenken, maar een zekere voorproef van het hoogtepunt van ons bestaan, van die zaligheid waarop heel ons wezen wacht.” (4) Om daarin te slagen wordt eros geroepen naar een spirituele eenheid. Zo ontmoet hij een ander aspect van de liefde: de ‘agape’. Dat begrip drukt de ervaring van liefde uit, “de werkelijke ontdekking van de ander en daarmee het overwinnen van de zelfzucht (…). Liefde wordt nu zorg om en voor de ander. Ze zoekt zichzelf niet meer – het verzinken in de bedwelming van het geluk – ze wil het goede voor de geliefde, ze wordt onthouding, ze wordt offerbereid, ja ze wil zelfs offers brengen. (…) Ja, liefde is ‘extase’, maar geen extase in de zin van het bedwelmende ogenblik, maar extase als een voortdurende weg uit het in zichzelf opgesloten ‘ik’ naar het loslaten van het ‘ik’, naar overgave en juist zo naar het vinden van zichzelf, ja, naar het vinden van God: ‘Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen en wie het verliest, zal het behouden’ (Lc 17,33) zegt Jezus.” (6)

Als wij deze laatste uitspraak van Jezus op ons eigen leven betrekken, denken niet meteen aan het opofferen van ons leven. We kunnen echter ook delen van onszelf wegschenken: onze aandacht, onze tijd, ons bezit. Al is het maar een glimlach. Door op deze wijze liefde te geven, komen wij werkelijk tot leven. Als wij daarentegen alles voor onszelf opeisen en zo zelfbehoud nastreven, is ons bestaan dor en droog. Door de liefde buiten te sluiten verliest de mens het leven. De kracht van de werking van de liefde in ons brengt Johannes onder woorden in 1Joh 4,12-13. Hij omschrijft haar als God die in ons woont en wij die in God woont: een zeer innige relatie tussen God en mens. Ook hier dringt zich de vergelijking met de innige verbondenheid tussen man en vrouw in het huwelijk zich op.

Eros en agape – begerende en schenkende liefde – zijn de twee facetten van de liefde en kunnen niet van elkaar gescheiden worden. “In werkelijkheid laten eros en agape – opstijgende en neerdalende liefde – zich nooit helemaal van elkaar scheiden. Hoe meer die twee, in verschillende dimensies, in de juiste eenheid met elkaar geraken in de ene werkelijkheid van de liefde, des te meer verwerkelijkt zich het ware wezen van de liefde. Ook al is eros op de eerste plaats verlangend, opstijgend – gefascineerd door de grote belofte van het geluk – toch zal hij, als hij de ander nader komt, steeds minder met zichzelf bezig zijn, steeds meer het geluk van de ander willen, steeds meer zorg voor de ander hebben, zichzelf schenken, er voor de ander willen zijn. Het element van agape doet zijn intrede, anders raakt eros in verval en verliest ook zijn eigen wezen. Van de andere kant is het ook onmogelijk voor de mens om alleen van de schenkende, neerdalende liefde te leven. Hij kan niet alleen maar geven, hij moet ook ontvangen. Wie liefde wil schenken, moet haar zelf ook krijgen.” (7)

In Jezus Christus krijgt de liefde een gezicht. “Als Jezus in zijn gelijkenissen spreekt over de herder die achter het verloren schaap aan gaat, over de vrouw die de drachme zoekt, over de vader die de verloren zoon tegemoet gaat en hem omhelst, dan zijn dat niet alleen maar woorden, maar beelden van zijn eigen zijn en doen. Zijn dood op het Kruis is het hoogtepunt van de manier waarop God zich tegen zichzelf keert, waarbij Hij zichzelf wegschenkt om de mens weer op te richten en hem te redden – liefde in de meest radicale vorm.” (12) De liefde voor God en de liefde voor de mens zijn één, niet van elkaar te scheiden. “Eucharistie die zich niet vertaalt in concrete beoefening van de liefde is ten diepste onvolledig.” (14) “Liefde tot God en tot de naaste versmelten; in de geringste ontmoeten wij Jezus zelf en in Jezus ontmoeten wij God.” (15)

Wanneer wij dit op onszelf betrekken doen zich twee vragen voor. “Ten eerste, kunnen wij God wel liefhebben terwijl we Hem niet zien? En ten tweede, kan liefde geboden worden? (…) Niemand heeft ooit God gezien – hoe kunnen wij Hem dan liefhebben? En daarnaast: liefhebben kan men niet op bevel, want liefde is een gevoel, dat er is of niet, maar dat niet door de wil teweeg gebracht kan worden.” (16) Johannes onderstreept de onlosmakelijke band tussen liefde tot God en naastenliefde: de naastenliefde is een manier om ook God te ontmoeten. “God heeft zich zichtbaar gemaakt; in Jezus kunnen wij de Vader zien (vgl. Joh 14,9). God is inderdaad op heel veel manieren zichtbaar. (…) God schrijft ons geen gevoel voor dat we niet kunnen oproepen. Hij heeft ons lief, laat ons zijn liefde zien en gewaar worden, en uit dit ‘het eerst’ van God kan als antwoord ook in ons de liefde ontkiemen. (…) De ontmoeting met de zichtbare manifestaties van Gods liefde kan in ons het gevoel van vreugde opwekken dat voortkomt uit de ervaring van het geliefd zijn. Maar deze ontmoeting doet ook een beroep op onze wil en ons verstand. De erkenning van de levende God is de weg naar de liefde en het ‘ja’ van onze wil gesproken tegen zijn wil verenigt verstand, wil en gevoel in de alomvattende daad van liefde. Dit is natuurlijk een proces, dat steeds blijft voortduren; liefde is nooit ‘klaar’ en voltooid; ze verandert in de loop van het leven, rijpt en blijft daardoor juist trouw aan zichzelf.” (17)

“[De naastenliefde] bestaat erin dat ik ook de medemens die ik vooralsnog helemaal niet mag of zelfs niet ken, vanuit God liefheb. Dat is alleen maar mogelijk vanuit de innerlijke ontmoeting met God, die tot een gemeenschappelijk willen is geworden en zelfs reikt tot in het gevoel. Dan leer ik die ander niet meer alleen met mijn ogen en gevoelens te bekijken, maar vanuit het perspectief van Jezus Christus. Zijn vriend is mijn vriend. (…) Als ik echter de aandacht voor de ander helemaal uit mijn leven weglaat en alleen maar ‘vroom’ wil zijn, alleen mijn ‘godsdienstige plichten’ vervullen, verdort ook mijn relatie met God. Dan is die alleen nog maar ‘correct’, doch zonder liefde. (…) Liefde groeit door liefde. Ze is ‘goddelijk’ omdat ze van God komt en ons met God verenigt, en in dit proces van eenwording maakt ze ons tot een ‘wij’, dat al onze verdeeldheid overwint en ons één laat worden, zodat uiteindelijk ‘God alles in allen’ is (vgl. 1Kor 15,28).” (18)

2. De barmhartige Samaritaan

Wie is mijn naaste? Zijn er grenzen aan naastenliefde?

Lucas 10,25-37

25. In die tijd trad een wetgeleerde naar voren om Jezus op de proef te stellen. Hij zeide: “Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” 26. Jezus sprak tot hem: “Wat staat er geschreven in de wet? Wat leest ge daar?” 27. Hij gaf ten antwoord: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel; met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf.” 28. Jezus zei: “Uw antwoord is juist, doe dat en ge zult leven.” 29. Maar omdat hij zijn vraag wilde verantwoorden, sprak de wetgeleerde tot Jezus: “En wie is dan mijn naaste?” 30. Nu nam Jezus weer het woord en zei: “Eens viel iemand, die op weg was van Jeruzalem naar Jericho, in handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem en toen ze aftrokken lieten ze hem half dood liggen. 31. Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag hem wel maar liep in een boog om hem heen. 32. Zo deed ook een leviet: hij kwam daar langs, zag hem, maar liep in een boog om hem heen. 33. Toen kwam een Samaritaan die op reis was bij hem, hij zag hem en kreeg medelijden; 34. hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. 35. De volgende morgen haalde hij twee denariën te voorschijn, gaf ze aan de waard en zei: “zorg voor hem, en wat ge meer mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden.” 36. Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers gevallen is?” 37. Hij antwoordde: “Die hem barmhartigheid betoond heeft.” En Jezus sprak: “Ga dan en doet gij evenzo.”

Wie is mijn naaste?

Jezus van Nazareth onderricht de naastenliefde: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf.” Deze citaten uit het Oude Testament worden door Jezus in Mt 5,43-48; 19,16-21 en 25,34-46 in een nieuw perspectief geplaatst. Het begrip naaste betreft niet langer alleen de leden van de eigen gemeenschap, maar ook de leden van andere gemeenschappen inclusief de vijanden. De nadruk wordt gelegd op de individuele deugd van de naastenliefde in de vorm van barmhartigheid en de naastenliefde wordt direct gekoppeld aan de dienst aan God.

In Lc 10,25-37 gaat Jezus met de parabel van de barmhartige Samaritaan nog een stap verder: niet de ander is mijn naaste, maar ik ben de naaste van de ander. Hiermee wordt het begrip naaste een universeel begrip: het betreft niet enkel leden van de eigen gemeenschap en degenen die daartoe gerekend worden; nu ben ik de naaste voor iedere mens die een beroep op mij doet.

Paulus maakt in Rom 12,13 onderscheid tussen solidariteit en gastvrijheid als hij schrijft: “Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij.” De broederlijke solidariteit betreft hier de eigen gemeenschap van medechristenen; voor anderen geldt de gastvrijheid.

Thomas van Aquino (1225-1274) stelt zich de vraag of wij iedereen even veel moeten liefhebben: de vraag naar de rangorde van de liefde. Een vraag die nog altijd opportuun is en tot de nodige discussie kan leiden, waarbij ook gedacht kan worden aan een kreet als ‘eigen volk eerst’. Eerder heeft Augustinus van Hippo (354-430) vastgesteld dat wij God bovenal moeten beminnen, dan onszelf als ziel met een goddelijke bestemming, dan onze naaste als onszelf en tenslotte ons eigen lichaam. Het beminnen van onszelf als ziel en als lichaam spreekt voor zich en voor de andere twee niveaus is er het dubbelgebod van de liefde (Mt 22,37-39). Ten aanzien van de naastenliefde sluit Augustinus elke voorkeur uit. Als mensen desondanks toch onderscheid maken door de een wel te helpen en de ander niet, is dat volgens Augustinus een gevolg van praktische redenen: geen mens is in staat iedereen te helpen. Wij moeten bij voorkeur diegenen helpen die ons qua plaats en tijd het meest nabij zijn.

Voor Thomas is dit niet bevredigend; volgens hem is er ook binnen dit gebied sprake van een rangorde. Hij maakt onderscheid tussen de orde van de natuurlijke liefde (amor) en de bovennatuurlijke (caritas), waarbij de caritas de amor vervolmaakt. Ook de amor is als natuurlijke in de schepping gelegde neiging van God gegeven en dus goed. Om tot een rangorde te kunnen komen is het nodig vast te stellen wat in het domein van de liefde de ‘beginselen’ zijn. Dit is enerzijds God die bovenal bemind moet worden en omwille van wie al het andere bemind moet worden; anderzijds is de mens zelf als subject van de liefdesact een beginsel. Vanuit het eerste beginsel zullen we de mensen meer beminnen naarmate zij dichter bij God staan en vanuit het tweede hen die meer met ons zelf verbonden zijn door verwantschap, taal, werk et cetera. Deze twee beginselen kunnen elkaar versterken, maar ook haaks op elkaar staan. Het onderscheid dat Thomas maakt tussen amor en caritas vinden we terug bij paus Benedictus XVI in het onderscheid tussen eros en agape.

Deus caritas est

Paus Benedictus XVI schrijft in ‘Deus caritas est’: “De Kerk is de familie van God in de wereld. In deze familie mogen er geen noodlijdenden zijn. Tegelijkertijd overschrijdt caritas-agape echter de grenzen van de Kerk. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan blijft maatstaf en gebiedt de universele liefde, die zich wendt naar de behoeftige die men ‘toevallig’ ontmoet (vgl. Lc 10,31), wie hij ook is. Zonder ook maar iets af te doen aan de universaliteit van het gebod tot liefde, heeft de Kerk toch ook een speciale opdracht – dat in de Kerk zelf, als één familie, geen van de kinderen gebrek mag lijden. Hier geldt het woord uit de Brief aan de Galaten: “Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze geloofsgenoten” (6,10).” (25)

“Om nu de verhouding tussen de noodzakelijke strijd voor gerechtigheid en het dienstwerk van de liefde nader te verduidelijken, moeten twee fundamentele feiten in beschouwing genomen worden: a. De rechtvaardige ordening van de maatschappij en de staat is de centrale opdracht van de politiek. Een staat die niet door gerechtigheid gedefinieerd wordt zou alleen maar een grote roversbende zijn, zoals Augustinus ooit zei. (…) b. Liefde – caritas – zal altijd nodig zijn, ook in de meest rechtvaardige samenleving. Er is geen rechtvaardige staatsvorm die de dienst van de liefde overbodig zou kunnen maken. Wie de liefde wil afschaffen staat op het punt de mens als mens af te schaffen. Er zal altijd leed zijn dat om troost en hulp vraagt. Er zal altijd eenzaamheid zijn. Er zullen ook altijd situaties van materiële nood zijn, waarbij hulp in de zin van concrete naastenliefde nodig is.”(28)

“Naar het voorbeeld dat de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan ons voor ogen houdt is christelijke liefdadigheid allereerst eenvoudigweg het antwoord op datgene wat in een concrete situatie onmiddellijk nodig is: de hongerigen moeten te eten krijgen, de naakten moeten gekleed worden, de zieken medisch behandeld, de gevangenen bezocht, enzovoort. (…) Het gaat immers om mensen en mensen hebben meer nodig dan alleen een technisch juiste behandeling. Ze hebben behoefte aan menselijkheid. Ze hebben behoefte aan liefdevolle toewijding. (…) Het programma van de christen – het programma van de barmhartige Samaritaan, het programma van Jezus – is ‘het hart dat ziet’. Dit hart ziet waar liefde nodig is en handelt ernaar. (…) Wie in de naam van de Kerk liefdadigheid beoefent, zal nooit proberen de ander het geloof van de Kerk op te dringen. Hij weet dat de liefde in haar zuiverheid en onbaatzuchtigheid het beste getuigenis is voor de God waarin wij geloven en die ons tot liefde brengt. De christen weet wanneer het tijd is om over God te spreken en wanneer het beter is over Hem te zwijgen en eenvoudigweg de liefde te laten spreken.”(31)

Rechtvaardigheid

De rechtvaardigheid van de staat is anders dan de rechtvaardigheid van de individuele burger. Het individu is rechtvaardig als hij recht doet aan de ander in diens specifieke situatie. Vergelijk het met ouders die hun kinderen opvoeden: de een wordt verder geholpen met een complimentje en de ander heeft juist een kritische houding nodig. Ouders maken bewust onderscheid tussen hun kinderen om zo ieder tot zijn recht te laten komen. Deze vorm van rechtvaardigheid geldt ook voor de Kerk en voor caritatieve instellingen. Ook zij maken bewust onderscheid tussen mensen.

De rechtvaardigheid van de overheid betekent juist dat de overheid voor alle burgers gelijk is. Ieder wordt op de zelfde wijze behandeld: geen voorkeur en geen achterstelling. De overheid mag geen onderscheid maken tussen individuen. Wel kan de overheid onderscheid maken tussen groepen burgers. Zij kan onderscheid maken tussen ouderen en jongeren. De ouderen krijgen AOW en de jongeren moeten naar school. Zo kan ze ook onderscheid maken tussen zieken en gezonden en tussen mensen uit verschillende inkomenscategorieën.

3. De werken van barmhartigheid

Waarop worden wij geoordeeld? Wat houdt het oordeel in?

Matteüs 25,31-46

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker.

Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: ‘Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht’.

Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: ‘Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken?’ De Koning zal hun ten antwoord geven: ‘Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan’.

En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: ‘Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet opgenomen, naakt en hebt Mij niet gekleed. Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken’.

Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: ‘Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor U gezorgd?’ Daarop zal Hij hun antwoorden: ‘Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan’. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.”

Zeven werken van barmhartigheid

Het woord barmhartigheid geeft aan dat wij niet uit plichtsbesef of eigenbelang aan naastenliefde doen maar omdat wij geraakt zijn door de nood en het lijden van onze medemens. Het Hebreeuwse woord voor barmhartigheid ‘rachamiem’ komt van dezelfde stam als het woord voor baarmoeder: ‘rechem’. Wij leven met onze lijdende medemens mee en willen zijn nood lenigen en zijn lijden verzachten. In het Evangelie volgens Mattheüs noemt Jezus zes werken van barmhartigheid. Dit zijn: de hongerigen spijzen, de dorstigen laven, de naakten kleden, de vreemdelingen herbergen, de zieken verzorgen en de gevangenen bezoeken. Later, in de Middeleeuwen, is als zevende toegevoegd: de doden begraven. Nog steeds geven de zeven werken van barmhartigheid ons een goed beeld hoe wij onze naaste lief kunnen hebben en hoe wij daarmee een goed mens kunnen zijn.

Plicht en deugd

De profeten uit het Oude Testament, zoals bijvoorbeeld Amos en Micha, leggen sterk de nadruk op de collectieve plicht tot het doen van gerechtigheid: zij klagen de sociale onrechtvaardigheid aan en roepen op tot gerechtigheid. Sterker dan het christendom is het jodendom verbonden met moraliteit. Binnen het christendom neemt de navolging van Christus een belangrijke plaats in en ligt de nadruk op de deugd die individueler van aard is. Maarten Luther (1483-1546) klaagt dit aan als werkgerechtigheid: het idee van het heil verdienen door het doen van goede werken. Binnen de Reformatie verschuift hierdoor het accent van de deugd van barmhartigheid naar de plicht van gerechtigheid. Tegenover het meer teleologische (doelgerichte) karakter van de katholieke deugdenethiek, waarbij het uiteindelijke doel het dienen van God is en daarmee het eeuwige heil te verkrijgen, is de protestantse plichtenethiek met het centraal stellen van het gebod van de liefde meer deontologisch (plichtmatig) van aard. Dit neemt niet weg dat ook de katholieke ethiek plichten kent. Het is ook niet zo dat het doel de middelen heiligt.

Thomas van Aquino (1225-1274) combineerde de Griekse filosofie van Aristoteles (384-322 v. Chr.) met het christendom. Hij ontwikkelt een politieke filosofie die morele waarde toekent aan het staatsburgerschap. Een christen draagt ook politieke verantwoordelijkheid. Vanuit de natuurwet volgt de noodzaak van maatschappelijke ordening. Thomas legt nadruk op het gemeenschappelijk goede (bonum commune). Zo ontstaat er een verschil tussen de verantwoordelijkheid en de rechtvaardigheid van de politiek en die van de individuele persoon. Thomas onderkent de unieke plaats van het individu, maar hij hecht ook veel belang aan de gemeenschap. Naast een verschuiving van een deugdenethiek naar een plichtenethiek wordt binnen de Reformatie ook de nadruk gelegd op het individuele heil waardoor het belang van de gemeenschap verder onder druk komt te staan.

Deus caritas est

Paus Benedictus XVI schrijft in ‘Deus caritas est’: “De naastenliefde, verankerd in de liefde tot God, is op de eerste plaats een opdracht aan iedere individuele gelovige, maar ook aan de gezamenlijke kerkelijke gemeenschap, en wel op alle niveaus, van de lokale gemeenschap en de particuliere Kerk tot aan de universele Kerk toe. Ook de Kerk als gemeenschap moet de liefde in praktijk brengen. Daarom heeft de liefde ook behoefte aan organisatie als voorwaarde voor geordend, gemeenschappelijk dienen.” (20) “De Kerk kan de liefdadigheid evenmin verwaarlozen als de sacramenten en het Woord.” (22) “Het wezen van de Kerk komt tot uitdrukking in een drievoudige opdracht: de verkondiging van Gods Woord (kerygma-martyria), het vieren van de sacramenten (leiturgia), de dienst van de liefde (diakonia). Deze opdrachten veronderstellen elkaar en zijn niet te scheiden. De dienst van de liefde is voor de Kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou kunnen overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van haar diepste wezen.” (25)

Wat is diaconie of caritas

In de nota ‘Wanneer hebben wij u gezien’ van het bisdom Rotterdam uit 2000 wordt onder diaconie verstaan: “de christelijke dienst van zorg, solidariteit en verzet ten behoeve van mensen in nood. Deze dienst heeft maar één doel: dat noodlijdenden daadwerkelijk hulp in hun nood ervaren. Zorg, solidariteit en verzet zijn er de drie wezenlijke aspecten van. Met ‘zorg’ wordt bedoeld: de acute en blijvende hulpverlening aan mensen in nood. ‘Solidariteit’ houdt in: hun kant kiezen en naast hen blijven staan. ‘Verzet’ staat voor: weerstand bieden tegen elke vorm van onrecht en zich inzetten voor zodanige verandering van situaties en structuren dat mensen tot hun recht kunnen komen.”

Het oordeel

In veel Bijbelvertalingen worden er titels boven tekstfragmenten geplaatst. Dat is handig want zo vind je makkelijk een tekst over een bepaald onderwerp. Zo’n titel is echter een keuze van de vertaler en maakt geen deel uit van de Bijbel. Boven deze tekst vinden we titels als: ‘Het oordeel van de Zoon des mensen’ in de protestantse NBG-vertaling uit 1951 en ‘Het laatste oordeel’ in de katholieke Willibrordvertaling van 1977. In toelichtingen op deze tekst wordt vaak het woord ‘rechter’ gebruikt: de mensen staan bij het laatste oordeel voor hun rechter.

Het is echter de vraag of er hier sprake is van een oordeel en een veroordeling zoals een rechter tijdens een rechtszitting uitspreekt. Het woord rechter komt in deze tekst niet voor. De Mensenzoon is hier de Koning (βασιλενς). Wel is het zo dat het de koning is die in die tijd rechtspreekt en dus ook rechter is. De Koning scheidt de mensen echter niet als een rechter in veroordeelden en vrijgesprokenen, maar als een herder (ποιμην) in bokken en schapen. Tijdens een rechtszitting verandert de verdachte in een veroordeelde of in een vrijgesprokene. De herder constateert alleen maar iets wat er als is: het zijn al bokken en schapen.

Jezus zegt ons hier: er zijn mensen die vanuit de liefde leven en mensen die dat niet doen. Zij die vanuit de liefde leven, ontvangen liefde en geven liefde. Zij die niet vanuit de liefde leven weigeren de liefde te ontvangen en geven ook geen liefde. Deze situatie zal aan het einde der tijden onveranderd blijven. Je zonden kunnen je worden vergeven, maar de keuze voor of tegen de liefde is aan iedere persoon zelf. Hij wordt je gegeven maar niet opgedrongen. Wie kiest voor de liefde zal dat in zijn eigen leven al ervaren door de liefde die hij ontvangt, en dat blijft zo, ook in het eeuwig leven.

Dagboek van een zoekend christen

Auteur: Monique Samuel
Titel: Dagboek van een zoekend christen
Uitgever: Ark Media, 2012; prijs: € 12,50
ISBN: 978 90 33800 05 4; aantal pagina’s: 135

Monique Samuel getuigt van haar blijmoedige, opgewekte en dankbare geloof. Ze vertelt over haar zoektocht naar het ware christen-zijn en over een oprecht verlangen naar liefde en bevrijding. Hoe kun je als jonge vrouw in deze tijd Christus werkelijk navolgen. Hoe vind je God en hoe vind je als mens je bestemming.

Aan de hand van de tien geboden zoekt zij naar de werkelijke waarden van het menselijk bestaan. Zij geeft scherpe kritiek op onze hedendaagse cultuur en ook de christenen en de christelijke kerken ontkomen niet aan haar commentaar. Openhartig schrijft zij over haar vreugdes en over haar pijnen. Pijnlijke en moeilijke onderwerpen gaat zij niet uit de weg.

Publicist en schrijver Monique Samuel (1989) kreeg in 2011 als politicoloog landelijke bekendheid met haar commentaren op de opstand in Egypte. Zij heeft een vlotte pen en weet je op boeiende wijze mee te nemen op haar zoektocht langs vele vormen van christendom. Het boek geeft een mooi inzicht in het geloof van deze jonge vrouw.

De verloren zonen; Lc 15,1-3.11-32

In deze tijd wordt ons voorgehouden dat wij zoveel mogelijk moeten genieten. Vooral als je met pensioen bent, mag er geen dag voorbij gaan zonder te genieten. Alles moet leuk zijn! Je moet zoveel mogelijk leuke dingen doen.

Dat moet die jongste zoon ook hebben gedacht. Dat kost natuurlijk een paar centen, maar die heeft pa wel. Dus vraagt hij om zijn erfdeel en trekt de wereld in: van nu af wordt het elke dag genieten! Hij “vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.” Meer vertelt het verhaal niet. We komen niet te weten of de jongste zoon ook echt genoten heeft. We weten niet of het hem gelukkig heeft gemaakt. Het woord ‘verkwisten’ kan verwijzen naar een zekere dwangmatigheid: meer genieten en nog meer genieten, sensaties en nog grotere sensaties. Toen alles op was en hij gebrek leed, zat hij in ieder geval niet na te genieten van zijn wilde leven. Het gaf hem geen napret en geen aangename herinneringen. Nee, hij dacht terug aan zijn vroegere leven: het leven bij zijn vader thuis. Dat was blijkbaar het goede leven, daar was hij gelukkig geweest.

Daar tegenover staat de oudste zoon. Deze doet braaf zijn plicht. Nooit springt hij uit de band. Nog geen bokje wordt er geslacht om met zijn vrienden feest te vieren. Terwijl ook hij zijn erfdeel heeft gekregen en dus geld genoeg heeft. Zijn vader zegt tegen hem: “alles wat van mij is, is ook van jou.” Ook deze zoon is niet gelukkig.

De jongste zoon denkt zijn geluk te vinden in een leven vol passie, sensaties en genietingen. De oudste denkt dat braafheid tot het uiteindelijke geluk zal leiden. Beiden worden teleurgesteld in hun verwachtingen. Beide wegen leiden niet tot het geluk. De enige die gelukkig is in dit verhaal, is de vader. Hij houdt van zijn twee zonen. Ze brengen hem verdriet, maar ook vreugde, werkelijk geluk. De vader ontloopt het leven niet. Hij vlucht niet in de roes van het genieten en de sensatie. Hij keert zich ook niet van het leven af door alleen maar braaf zijn plicht te doen. De twee zonen leven niet; ze zijn dood. Zij zijn bang voor het ware leven en zijn gevlucht, de een in de roes, de ander in de braafheid.

Afgelopen donderdag spraken we hier in de pastorie over hoe je een goed mens kunt zijn. Deze eerste avond van een serie van drie ging over ‘God is liefde’. Onder die titel heeft paus Benedictus zeven jaar geleden zijn eerste encycliek ‘Deus caritas est’ geschreven. De paus onderscheidt in de liefde twee facetten die wezenlijk met elkaar verbonden zijn. Ten eerste de begerende, de opstijgende liefde die uit de menselijke natuur voortkomt: de eros. En ten tweede de schenkende, de neerdalende liefde die van God komt: de agape. De eros is de liefde van de verliefdheid en van de erotiek. De eros is primair op de persoon zelf gericht, het is vooral eigenliefde. De agape is op de ander gericht, zij is belangeloos. De agape is de naastenliefde. De eros geeft een roes van korte duur. De agape geeft blijvend geluk. De agape leidt tot een blijvende relatie en verbondenheid met de naaste en met God.

Terug naar het Evangelie. Het moge ondertussen duidelijk zijn dat er niet sprake is van één verloren zoon. Dit verhaal gaat over twee verloren zonen. De jongste heeft zijn leven verloren in de korte termijn sensatie. De oudste verliest het leven door vermijding. Hij ontloopt het leven. Doordat hij zichzelf niet wil liefhebben, kan hij ook zijn naaste niet liefhebben: zonder eros geen agape. De jongste komt tot inkeer. Hij erkent dat hij een verkeerde weg gekozen heeft en keert terug naar zijn vader om hem vergeving te vragen. Hij doet een beroep op de liefde van zijn vader. Hiermee stelt hij zich open voor de schenkende liefde. Door deze liefde te ontvangen zal hij daarna in staat zijn zelf ook liefde te geven. Alleen door liefde te ontvangen zijn wij in staat liefde te geven. De oudste zoon heeft nog een weg te gaan. Hij is niet in staat de liefde van zijn vader te ontvangen. Hij kan daardoor ook zijn broer niet liefhebben en noemt hem “die zoon van u”. Zijn vader geeft echter de moed niet op en heeft het over “die broer van je” die dood was en weer levend is geworden, verloren was en is teruggevonden. De vader hoopt ook zijn oudste zoon tot leven te brengen.

Ons menselijk leven is lang niet altijd eenvoudig. Voortdurend is er de verleiding van het kortdurende genot. De twee zoons maken twee geheel verschillende keuzes. De jongste kiest de weg van het najagen van het kortdurende genot en de oudste kiest voor het tegenovergestelde. Hij is bang voor de verleiding, bang voor het genot en probeert het tot het uiterste te vermijden en te ontlopen. Beiden zitten op een doodlopende weg. Zoals vaak ligt de waarheid in het midden. Wij zijn mensen en moeten leven als mensen. Maar wij lijken ook op God, zijn naar zijn beeld geschapen en ook in onze levenswijze moeten wij op God lijken.

De paus schreef in zijn encycliek dat eros en agape, menselijke en goddelijke liefde innig met elkaar verbonden zijn. Zij kunnen niet zonder elkaar. Wij moeten de eros niet uit ons leven wegbannen, maar haar in toom houden. Wij moeten ons niet verliezen in de eros. Vanuit de eros komen wij tot de agape, vanuit de menselijke tot de goddelijke liefde. Dit is een proces dat een leven lang duurt. Dit is ook de weg die gehuwden met elkaar gaan. Vanuit de eerste verliefdheid groeien zij tot een wezenlijke verbondenheid met elkaar, van eigenliefde groeien zij naar de schenkende liefde voor elkaar.

Zoals elk proces is ook deze weg een ontdekkingstocht. In Jezus Christus hebben wij een voorbeeld. Hij heeft ons voorgeleefd hoe wij een leven van liefde kunnen leiden. Maar nog steeds moeten wij zelf dat voorbeeld naar onze eigen situatie vertalen en dat betekent dat wij zelf keuzes moeten maken en dat wij daarbij fouten maken net als de twee verloren zonen. Maar altijd is er de liefde van God, de schenkende liefde, de neerdalende liefde die altijd weer vergeving schenkt en ons een nieuwe start gunt. Amen.

Bidden in de Islam

Vanuit een christelijke achtergrond wordt een overzicht van het bidden in de islam gegeven.

De vijf zuilen van de islam

De eerste zuil van de islam betreft de geloofsinhoud de andere vier de rituele plichten (ibadaat). God heeft geopenbaard hoe de mens Hem moet benaderen en met Hem moet omgaan en hoe hij hem moet vereren. Daarnaast regelen deze plichten de geloofsgemeenschap en de onderlinge solidariteit.

  1. Geloofsbelijdenis (sjahada)
    a. De een- en enigheid van God
    b. Engelen
    c. Gezanten en profeten
    d. Geopenbaarde geschriften
    e. Laatste dag
    f. Raadsbesluit van God (‘predestinatie’)
  2. Rituele gebed (salaat)
  3. Religieuze belasting (zakaat)
  4. Vasten tijdens de ramadan (saum)
  5. Bedevaart naar Mekka (hadj)

 

Bidden in christendom en islam

Volgens de Christelijke Encyclopedie[i] is bidden het uitdrukken van de gerichtheid op God. Dit kan een individuele activiteit zijn, maar ook een met anderen gedeelde. Deze definitie kun je ook gebruiken voor het bidden in de islam. Er zijn uiterlijk naast verschillen veel overeenkomsten tussen het bidden van christenen en het bidden van moslims. Kijkend naar de inhoud van het gebed en vooral naar de mentale houding van de bidder zijn de verschillen groter. Dit hangt direct samen met het verschil in Godsbeeld. Tot een liefhebbende en nabije Vader bidt je anders dan tot een hoogverheven en soevereine Rechter. Dit godsbeeld is ook de reden van de strenge reglementering van het verplichte gebed in de islam.

Het verplichte gebed (salaat)

In de Koran is de salaat de meest genoemde religieuze plicht. De salaat vormt de kern van de islamitische liturgie en is de belangrijkste vorm van godsdienstige verering van de islam. Dagelijks wordt er vijf keer gebeden. De vaste momenten zijn: voor zonsopgang, halverwege de middag, voor zonsondergang, na zonsondergang en ’s nachts voor het slapen. De gebedstijden worden met de gebedsoproep (adzaan) door de gebedsoproeper (moe’addzin) aangekondigd.

De tekst van de Adzaan is als volgt: viermaal ‘God is groot’; tweemaal ‘Ik getuig dat er geen godheid is dan God’; tweemaal ‘Ik getuig dat Mohammed de gezant van God is’; tweemaal ‘Haast U naar het gebed’; tweemaal ‘Haast U naar het heil’; tweemaal ‘God is groot’ en tenslotte ‘Er is geen godheid dan God’. Aan de oproep voor het eerste gebed ’s morgens wordt nadat men tweemaal ‘Haast U naar het heil’ heeft geroepen tweemaal ‘Het gebed is beter dan de slaap’ toegevoegd.

Het gezamenlijk verrichten van de salaat versterkt de gemeenschapszin, de oemma. De salaat kent ook een mystieke dimensie. Mohammed kreeg de opdracht tot de vijf dagelijkse salaats tijdens het nachtelijk visioen waarin hij de zeven hemelen betrad. Elke salaat is eigenlijk zo’n mystieke hemelreis. De soefi’s gebruiken de salaat als uitgangspunt voor hun dzikr-rituelen: oefeningen in de mystiek of vroomheid.

Het gebed is alleen geldig als het op de voorgeschreven wijze wordt uitgevoerd. Dit betekent:

  1. Vaste tekst en rituele reinheid door middel van een kleine wassing (woedoe) in de moskee en een grote wassing (ghoesl) thuis.
  2. Ritueel reine ruimte: buiten de moskee is dit te bereiken door het uitrollen van het gebedskleed. Het gebed wordt bij voorkeur in de moskee verricht, maar kan ook elders. Voor mannen is het vrijdagmiddaggebed verplicht in de moskee. In de moskee zitten de vrouwen apart.
  3. Opstelling in de juiste richting (kibla). Dit is in de richting van de ka’ba in Mekka en wordt in de moskee aangegeven door de mihraab, een nis in de moskee.
  4. Uitspreken van de intentie (nijja): ‘Tot meerdere eer en glorie van God’.
  5. Juiste houding.

Naast deze verplichte vormgeving is ook het hebben van de juiste intentie belangrijk. Dit is voor een niet-moslim niet mogelijk.

De salaat bestaat uit de volgende onderdelen. De getallen verwijzen naar de figuur.[ii]

  1. Uitspreken intentie (nijja): “Ter meerdere eer en glorie van God.”
  2. Uitspreken takbir: “God is groot.” (Allahoe akbar)
  3. Opening van het gebed
    a. Lofprijzing (as-Sana): “Heilig bent U, o God, en lof zij U, en gezegend is Uw naam en hoog is Uw roem, er is geen god behalve U. Ik zoek mijn toevlucht bij God tegen de vervloekte Satan.”
    b. Openingssoera Koran: “In naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige. Lof zij God, de Heer van de wereldbewoners, de Erbarmer, de Barmhartige, de Heerser op de oordeelsdag. U dienen wij en U vragen wij om hulp. Leid ons op de juiste weg, de weg van hen aan wie u genade geschonken hebt, op wie geen toorn rust en die niet dwalen.”
    c. Recitatie van een andere soera.
  4. Buiging (roekoe)
    a. “God is groot.”
    b. “Geprezen zij mijn Heer, de Almachtige.” (driemaal)
  5. Staand: “Moge God luisteren naar hem die Hem geprezen heeft. Onze Heer, U zij alle lof.” en “God is groot.”
  6. Prosternatie (soedjoed): “Geprezen zij mijn Heer, de Almachtige.” (driemaal) en “God is groot.”
  7. Zittend: “O God, vergeef mij en heb genade.” en “God is groot.”
  8. Prosternatie (soedjoed): “Geprezen zij mijn Heer, de Almachtige.” (driemaal) en “God is groot.”
  9. De onderdelen 3) tot en met 8) vormen samen een rak’a. Afhankelijk van de gebedstijd bestaat de salaat uit een aantal rak’a’s. Tussen twee rak’a’s volgt staand: “God is groot.”

De volgende rak’a wordt in de figuur met de getallen 10) tot en met 14) aangegeven. Na iedere twee rak’a’s en na de laatste rak’a wordt zittend de tasjahhoed uitgesproken (15) : “Alle aanbidding in woord, daad en bezit komt aan God toe. Vrede, zij met U, o Profeet en de genade van God en Zijn zegeningen. Vrede zij met ons en met de ware dienaren van God.” Deze wordt afgesloten met de sjahada: “Ik getuig dat er geen godheid is dan God en dat Mohammed zijn afgezand is.”Zittend wordt de tasjahhoed uitgesproken. Iedere mens wordt begeleid door twee engelen die alle daden van de mens tot in detail opschrijven in zijn levensboek dat op de dag des oordeels dient als getuige. Eerst wordt ter afsluiting van de salaat de engel te rechterzijde begroet (16) met de woorden: “Vrede zij met U en de genade van God.” Tenslotte wordt op de zelfde wijze de engel ter linkerzijde begroet (17).

Andere vormen van bidden in de islam

Naast het verplichte gebed kent de islam vele andere vormen van bidden. Zo is er de persoonlijke smeekbede (dua). Soera 2,186: “Wanneer Mijn dienaren jou naar Mij vragen: Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van iemand die bidt, wanneer hij Mij aanroept. Zij moeten Mij dus gehoor geven en in mij geloven. Misschien zullen zij de goede weg opslaan.”

De islam kent verschillende vormen van bedevaart. Als eerste is er de hadj, de officiële bedevaart naar Mekka, die iedere moslim eens in zijn leven geacht wordt te gaan. Daarnaast zijn er het informele bezoek (ziyara) aan Jeruzalem of het graf van Mohammed in Medina. Mekka, Medina en Jeruzalem zijn de drie heilige plaatsen van de islam. De hadj bestaat uit zeven onderdelen uit te voeren op drie dagen. De zevenvoudige rondgang rond de ka’ba is hiervan het meest bekend. De hadj wordt afgesloten met offerfeest (ied al-adha) dat wereldwijd gevierd wordt. Tijdens het offerfeest wordt het dier binnen de familie gegeten en een deel aan de armen gegeven. De andere grote feestdag is na afloop van de ramadan: de ied al-fitr, het feest van het verbreken van het vasten.

Deze feestdagen en andere belangrijke momenten in het leven zoals geboorte, huwelijk en dood kennen hun eigen vormen van salaat.

Mystiek

Van Mohammed wordt verteld dat hij mystieke ervaringen had. In zijn slaap is hij weggevoerd, eerst naar Jeruzalem en daarna vanaf de tempel naar de hemel. Dit staat bekend als de hemelvaart van Mohammed. De mystieke ervaringen van Mohammed vormen de basis voor het soefisme, een mystieke beweging binnen de islam die verwant is aan het oosterse christelijke kloosterleven. Ook in de Koran vindt de mystiek haar wortels: “God is het licht van de hemelen en de aarde. Zijn licht lijkt bijvoorbeeld op een nis met een lamp erin. De lamp staat in een glas. Het glas is zo schitterend als een stralende ster. Zij brandt [op olie] van een gezegende boom, een olijfboom – geen oostelijke en geen westelijke – waarvan de olie bijna [uit zichzelf] licht geeft, ook al heeft geen vuur haar aangeraakt; licht boven licht. God leidt tot Zijn licht wie Hij wil.” (Soera 24,35) De weg van soefi’s leidt naast versterving tot kennis van het bovennatuurlijke.

Voor de gewone moslims kregen de soefi’s de status van heiligheid. Zij werden vrienden van God (wali) genoemd. In rangorde komen de wali direct na de profeten. Zij zijn in staat tot wonderen en hebben een zegenrijke invloed (baraka). Deze baraka is ook verbonden met overleden wali en leidt tot een cultus rond hun graftombes, bestaande uit bedevaarten, retraites en het brengen van votiefgeschenken. Ook aan de afstammelingen van Mohammed wordt baraka toegeschreven.

Een andere vorm van volksvroomheid is het gebedssnoer (tasbih). De tasbih is een hulpmiddel bij het denken aan God (dzikr) door het noemen van de 99 schone namen van God en het prijzen van God door 33 maal Soebhan Allah (verheven is God), 33 maal Al-hamdoelillah (alle lof zij God) en 33 maal Allahoe akbar (God is groot) te zeggen. Dit gebedssnoer vindt zijn oorsprong in India en is via de islam tot het christendom gekomen in de vorm van de Rozenkrans.

Literatuur

Herman Beck, Islam in hoofdlijnen, Zoetermeer: Meinema, 2002.

Fred Leemhuis, De Koran: Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands, Houten: Fibula, 2002, 11e druk.

Frank E. Peters, Islam en de joods-christelijke traditie: Een verkenning, Amsterdam: Boom, 2005.

Jacques Waardenburg (red.), Islam: Norm, ideaal en werkelijkheid, Houten: Fibula, 2000, 5e druk.


[i] George Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 192-193.

[ii] Dr. Th.W. Juynboll, Handleiding tot de kennis van de Mohammedaansche Wet volgens de leer der Sjâfi’itische school, Leiden: Brill, 1903, 68.

Migratie

Sinds 1914 kent de Kerk de Werelddag voor migranten en vluchtelingen. Deze is op 14 januari. Sinds 1978 komt de paus jaarlijks met een boodschap over migratie. Hierin komt het denken van de Kerk over dit onderwerp tot uitdrukking.

Migratie is tegenwoordig een structureel fenomeen en mede door de globalisering belangrijk voor de wereldwijde arbeidsmarkt. Er bestaat nationale en internationale migratie, gedwongen en vrijwillige migratie, legale en illegale migratie, waaronder handel in mensen. Tenslotte zijn er de buitenlandse studenten, die culturele en economische bruggen tussen landen slaan en bijdragen aan het komen tot één menselijke familie.

De migrant zoekt naar betere levensomstandigheden of is op de vlucht voor oorlog, geweld, honger en natuurrampen. Migratie leidt tot vermenging van personen en volken met verschillende culturen. Dit geeft allerlei problemen van menselijke, ethische, religieuze en geestelijke aard.

Ik was vreemdeling…

Een belangrijke richtlijn in het kerkelijk denken over migratie is de uitspraak van Jezus in Mt 25,35: “Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen”. De Kerk erkent het recht van ieder mens het eigen land te verlaten en naar een ander land te gaan om betere levensomstandigheden te zoeken. Zeker als er een noodsituatie is. Tegelijkertijd hebben staten het recht om de migratiestromen te reguleren en de eigen grenzen te beschermen. Nooit mag dit zonder respect voor ieder mens. Migranten hebben de plicht te integreren in het land van opvang en de wetten ervan te respecteren. Het is de kunst om het evenwicht te vinden tussen de opvang die ieder mens toekomt, en de maatregelen die nodig zijn om zowel de plaatselijke bevolking als de nieuwkomers een waardig en vreedzaam leven te laten leiden.

Vrouwen en kinderen

Bijzondere aandacht vraagt de Kerk voor minderjarige migranten. Zij leven in twee culturen. Dit geeft voordelen en moeilijkheden. Zij moeten een opleiding kunnen volgen en daarna kunnen werken. Er is sprake van steeds meer migratie van vrouwen. Zij migreren om in een ander land werk te zoeken en vormen voor hun familie vaak de belangrijkste bron van inkomsten. Buitenlandse arbeidskrachten zijn extra kwetsbaar; voor vrouwen geldt dat nog sterker. Hier moet ook de vrouwenhandel genoemd worden. Vaak gaat het om vrouwen en meisjes, die niet het minste vermoeden hebben van wat hen te wachten staat. Zij worden regelmatig als slaven uitgebuit, vaak in de seksindustrie.

Menselijke waardigheid

Iedere migrant is een menselijke persoon en heeft onvervreemdbare fundamentele rechten, die altijd door iedereen geëerbiedigd moeten worden. Allen maken wij deel uit van één familie: de migranten en de lokale bevolking. Allen hebben hetzelfde recht de goederen van de aarde te gebruiken. Hier vinden solidariteit en samen delen hun grondslag.

Slapend rijk worden; Gen 15,5-12.17-18; Fil 3,17-4,1; Lc 9,28b-36

Christenen worden slapend rijk. Vandaag worden we niet opgeroepen tot waakzaamheid, maar blijkt juist de slaap de sleutel tot kennis en geluk. Zowel in de eerste lezing als in het Evangelie vallen mensen in slaap. En dan gebeurt het: ze zien Gods heerlijkheid. In de eerste lezing brengt Abram een offer aan God. Zoals in die tijd gebruikelijk was bij het sluiten van een verbond, snijdt Abram op voorstel van God een aantal dieren doormidden. Dit doormidden snijden betekent waarschijnlijk dat degene die het verbond verbreekt hetzelfde lot als de dieren zal ondergaan. Het vergoten bloed kan gezien worden als de bezegeling van het verbond.

Abram doet alle moeite om dit plechtige ritueel en daarmee het gesloten verbond te beschermen. De roofvogels, het kwaad dat op de loer ligt, verjaagt hij. Maar pas als Abram moegestreden is en in slaap valt, pas dan laat God zich in zijn heerlijkheid zien. Als een vuur gaat Gods heerlijkheid tussen de stukken dier door. Hiermee wordt het verbond van Godswege bekrachtigd.

In het Evangelie horen we hoe Petrus, Johannes en Jacobus na een stevige wandeling bergop in slaap zijn gevallen. Terwijl zij liggen te slapen verandert Jezus van gedaante en verschijnen Mozes en Elia. In hun slaap ervaren de leerlingen de heerlijkheid van Jezus. Wakker geworden komt Petrus niet verder dan een stomme opmerking: “Hij wist niet wat hij zei.” En dan is het voorbij en in een wolk klinkt de stem van God: “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem.”

In beide lezingen is er nadrukkelijk sprake van slapende personen. Zij ervaren Gods heerlijkheid. Ook in Psalm 127 gaat het over slapen. De eerste regels hiervan luiden: “Als de Heer de woning niet bouwt, werken de bouwers vergeefs. Als de Heer de stad niet beschermt, waakt de wachter vergeefs. Vergeefs staat ge op voor de dag aanbreekt en rust ge pas laat in de nacht. Gij eet na moeizame arbeid uw brood; Gods vrienden ontvangen het slapend.” Al het geploeter van de mens leidt tot niets zonder Gods medewerking. Sterker nog: “Vergeefs staat ge op voor de dag aanbreekt en rust ge pas laat in de nacht.” Daartegenover staat: “Gods vrienden ontvangen het slapend.” Met de woorden van Huub Oosterhuis: “Gij geeft het uw beminden in de slaap, Gij zaait uw Naam in onze diepste dromen.”

Het is niet ons zwoegen en ploeteren, het is niet onze activiteit die ons het geluk brengt. Het is de vriendschap met God, het is Gods liefde die ons gelukkig maakt. Zo worden wij slapend rijk. De slaap, het niets doen maakt ons ontvankelijk en doet ons openstaan voor Gods liefde.

Ik herinner me de tijd dat ik bezig was met mijn afstudeeronderzoek van mijn scheikundestudie in Groningen. Ik deed onderzoek aan stoffen met een ingewikkelde kristalstructuur en kwam er niet echt achter hoe die precies was. Ik probeerde van alles, maar ik kreeg het niet kloppend. In die tijd had ik naast mijn bed altijd een stuk papier en een potlood liggen. Want juist tijdens het inslapen had ik altijd allerlei ideeën. De meeste van die ideeën konden de volgende dag zo de prullenbak in, maar een enkele keer was het een begin van een oplossing. En zo kwam ik uiteindelijk ook juiste de kristalstructuur op het spoor. U hebt die ervaring misschien ook wel. Je bent geweldig aan het piekeren, maar je komt er niet uit. Pas op het moment van ontspanning en van los laten, dient zich de oplossing aan. In de schimmigheid van het doezelen ontvangen we inspiratie, een influistering van de geest. Onbedacht laat het onbekende zich aan ons kennen. Zo word je slapend rijk.

Ons activisme kan ons geweldig in de weg zitten. We doen verschrikkelijk veel moeite om gelukkig te worden. We besteden daarbij vooral aandacht aan materiële zaken en geld verdienen. Met geld kunnen we sensaties kopen, allerlei genietingen. Geld heb je ook nodig voor je oude dag, want dan moet je elke dag genieten en voortdurend leuke dingen doen. Dat begrijp ik van de reclame. En leidt dat alles tot geluk? Niet echt, soms een beetje. Het echte geluk vind je niet in materiële zaken, niet in sensaties. Het echte geluk vind je in vriendschap en verbondenheid, het echte geluk vind je in liefde. En zoals iedereen weet is liefde niet te koop.

In de tweede lezing heeft Paulus het hierover. Hij leert dat de vijanden van Christus hun geluk zoeken in sensaties: “hun buik is hun God.” “Maar ons vaderland is in de hemel.” Jezus Christus zal ons armzalig lichaam herscheppen en gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam. Dan zullen wij het ware geluk ervaren.

Betekent dat wij helemaal niets moeten doen en fatalistisch moeten afwachten wat God ons geeft? Nee! Wij moeten ons actief open stellen voor Gods liefde. Op Hem ons vertrouwen stellen. Van Abram wordt gezegd dat hij de Heer geloofde. God rekende Abram dit geloof als gerechtigheid aan. En ook bij de leerlingen gaat het geloof vooraf aan de ervaring van de gedaanteverandering. Acht dagen voor deze gebeurtenis verklaart Petrus dat Jezus de Christus, de Messias is. Petrus spreekt zijn geloof in Jezus Christus uit.

Het geloof is het eerste antwoord op de liefde en de genade die wij van God ontvangen. Het tweede antwoord is dat wij de liefde die ons gegeven wordt delen. Wij delen Gods liefde door onze medemensen lief te hebben, door bij te dragen aan hun geluk. Wij zijn niet in staat onszelf gelukkig te maken maar des te meer kunnen we anderen gelukkig maken. Zo worden wij niet alleen zelf slapend rijk van geluk, door de liefde die God ons geeft. Ook onze medemens maken wij slapend rijk. Amen.

Verschillen tussen Christendom en Islam

Twee monotheïstische religies

Christendom en islam zijn beide missionaire religies en claimen de universele waarheid. Beide zijn monotheïstisch en zien Abraham als hun vader in het geloof in de ene God. Moslims en christenen – en natuurlijk ook de joden – zijn allen kinderen van Abraham. Beide religies kennen een heilig boek en beide kennen veel dezelfde profeten. Door deze sterke overeenkomsten hebben zowel christenen als moslims sterk de neiging om de andere religie te zien als een variant op de eigen godsdienst.

De islam ziet de Koran als de voltooiing en vervanging van eerdere openbaringen aan joden en christenen, terwijl het christendom Jezus Christus ziet als voltooiing van de openbaring. Voor christenen heeft Mohammed geen enkele status, terwijl moslims Jezus als profeet zien. Christenen en moslims zien elkanders religie vaak als verminkte versies van de eigen religie die daaraan niets toe te voegen hebben. Moslims zien de Bijbel als een openbaring waarmee geknoeid is en die verkeerd geïnterpreteerd is.

In deze notitie worden een aantal belangrijke verschillen tussen beide religies besproken. Complete objectiviteit ten opzichte van een andere religie is onmogelijk. De eigen godsdienst is altijd op de achtergrond als referentiekader aanwezig. Dat betekent dat dit schrijven door een christelijk perspectief wordt gekleurd.

Godsbeeld

Tegenover de christelijke Drie-eenheid ziet de islam zichzelf als zuiver monotheïstisch. De leer van incarnatie, erfzonde en verlossing en de geschiedenis van schepping, zondeval, kruisiging en verrijzenis is voor moslims een incoherent en God onwaardig verzinsel. Bovendien leidt het tot passiviteit en daarmee tot een bedreiging voor de moraal. Het christendom doet afbreuk aan Gods transcendentie: God is niet de bondgenoot van de mens, Hij is zijn Schepper.

De christenen benadrukken Gods onconditionele liefde terwijl de moslims zijn soevereiniteit voorop stellen. Moslims zien God als de radicaal andere, terwijl voor christenen de mensen een gelijkenis met God vertonen. Voor moslims is God ver boven de mensen verheven, voor christenen is Hij een bewogen God. Het islamitische monotheïsme wordt door christenen als rigide en inflexibel betiteld, waarbinnen geen ruimte is voor het mysterie van de Drie-eenheid.

Openbaring

Voor christenen is er sprake van een zelfopenbaring van God; voor moslims alleen van de openbaring van zijn geboden. In Jezus Christus wordt God mens en openbaart Hij zijn wezen. Christus is de ultieme openbaring van God. Gods Zoon is mens geworden; het Woord is vlees geworden. Voor moslims is de Koran de ultieme openbaring van de wil van God. In christelijke termen: het Woord is boek geworden. De Koran is rechtstreeks uit de hemel neergedaald en is een exacte kopie van de Koran zoals in de hemel aanwezig is.

Voor moslims zijn de Thora van de joden en het Evangelie van de christenen eerdere vormen van openbaring van Gods wil. Profeten ontvangen deze openbaring. Mozes heeft de Thora ontvangen en Jezus het Evangelie. Voor christenen zijn profeten mensen die een bijzondere godservaring hebben gehad. Omdat joden en christenen volgens moslims de openbaringen aan de profeten niet zuiver hebben bewaard, maar ermee hebben geknoeid, was een nieuwe openbaring noodzakelijk. Deze is gedaan aan Mohammed in de vorm van de Koran. Het christendom wordt door moslims gezien als de voorlaatste stap in de evolutie van religies, terwijl de islam de voltooiing vormt.

Voor christenen staat Christus centraal als openbaring; voor moslims is dit de Koran. Het onnavolgbare teken van de openbaring is in het christendom de verrijzenis; in de islam is dit de schoonheid van de taal van de Koran. Voor christenen verwijst de maagdelijkheid van Maria naar de ongeschondenheid van de openbaring; voor moslims is dit de ongeletterdheid van Mohammed.

Het zijn niet Christus en Mohammed of Bijbel en Koran die vergelijkbare plaatsen hebben binnen de beide religies, maar het zijn Christus en de Koran die vergelijkbare rollen vervullen: zij worden als de ultieme openbaring gezien.

Christus en Mohammed

Uit het bovenstaande blijkt al dat Christus en Mohammed niet met elkaar te vergelijken zijn. Ondanks dat gebeurt het veelvuldig en worden Jezus en Mohammed door moslims juist nadrukkelijk op één lijn geplaatst. Beide zijn in de ogen van moslims grote profeten. Voor christenen heeft Mohammed echter geen enkele status. Voor hen is de positie die Mohammed in de islam heeft, niet te combineren met die van Christus in het christendom, namelijk de ultieme openbaring. Met Jezus als referentie wordt Mohammed bekritiseerd vanwege zijn militaire activiteiten, geweldpleging en omgang met vrouwen. Hij wordt door christenen niet gezien als een volmaakt moreel voorbeeld voor de mensheid.

Moslims zien de islam als de ware godsdienst van Jezus (Isa). Voor Moslims valt er niets van de christelijke Jezus te leren. De levens van Mohammed en Jezus zijn vergelijkbaar in de zin van hun deugden: barmhartigheid, geduld, moed, vrijgevigheid, aandacht voor anderen, eenvoud, godsdienstigheid. Maar Mohammed overtreft Jezus omdat hij een vollediger menselijk leven leidde: hij was echtgenoot en vader, handelsman en soldaat, politiek en geestelijk leider.

Bijbel en Koran

Wat voor de vergelijking van Christus en Mohammed geldt, is ook aan de orde bij de vergelijking tussen Bijbel en Koran. De Bijbel is voor christenen het verhaal van God met de mensen, terwijl de Koran voor moslims de openbaring van Gods wil is. De Bijbel wordt door christenen gezien als door God geïnspireerd, als geschapen, gezagsvol en allegorisch. De Koran is voor moslims Gods letterlijke tekst, ongeschapen en onfeilbaar.

Voor christenen is historische en literaire Bijbelwetenschap zinvol. Voor moslims is alleen verklaring van Koranteksten acceptabel. De Koran zien op de wijze zoals moslims dat doen is voor een christen lastig. Hij komt moeilijk los van het christelijke beeld van heilige boeken. Voor hem kent een heilig boek ook menselijke aspecten en is het niet los te zien van de context waarbinnen het ontstaan is. Velen bepleiten een kritische houding van moslims betreffende de Koran; maar Korankritiek is voor moslims hetzelfde als psychoanalyse van Jezus voor christenen. Het christelijk interpreteren van de Koran is een discutabele activiteit. Dit leidt al snel tot de visie dat christenen beter weten wat de bedoeling van de Koran is dan moslims.

Mens en maatschappij

Christenen en moslims verschillen ook in hun visie op de mens en het menselijk bestaan. Voor de christen is er vanwege de zondigheid van de mens verlossing en redding noodzakelijk. Voor de moslim verkeerd de mens in onwetendheid. Hij heeft een richtsnoer nodig om tot succes te komen.

De christen streeft ernaar te leven volgens een ethisch ideaal, maar weet dat het Rijk Gods niet van deze wereld is. Het leven van de moslim wordt juist gekenmerkt door realisme, gematigdheid en haalbaarheid. Voor hem zijn religie en wereld niet van elkaar te scheiden. De beste staatsvorm is een theocratie. Voor de christen is er meer aandacht voor het individu: individuen vormen de gemeenschap. Voor de moslims staat de gemeenschap voorop: de gemeenschap bestaat uit individuen.

Volgens moslims combineert de islam rationalisme en mystiek in zich. Het christendom is volgens hen vooral gericht op het persoonlijke heil en individuele verlossing en passief ten opzichte van maatschappelijk onrecht. De islam zorgt daarentegen voor de heroriëntatie op de wereld. De ethiek van de politiek moet gebaseerd zijn op de religie.

In de christelijke optiek is de zonde onderdeel van de condition humain, zij treft zowel God als de mens en vraagt om verlossing. Voor moslims is zonde een wetsovertreding, zij treft alleen de mens en zijn uiteindelijke bestemming en vraagt om oordeel. Op ethisch gebied zijn moslims in de ogen van de christenen meer betrokken op uiterlijke handelingen dan op de innerlijke intenties: men ziet de moslims als wettisch.

R.-K. Kerk: Nostra aetate

Vaticanum II kwam met een nieuwe visie op andere religies. Deze is in 1965 vastgelegd in de verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten ‘Nostra aetate’. “De katholieke Kerk verwerpt niets van datgene wat in deze godsdiensten waar en heilig is. Met oprechte eerbied beschouwt zij die gedrags- en leefregels, die voorschriften en leerstellingen die, hoewel in veel opzichten verschillend van hetgeen zijzelf houdt en leert, toch niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid welke alle mensen verlicht.” (NA 2)

“De Kerk ziet ook met waardering naar de moslims, die de ene God aanbidden, de levende en uit zichzelf bestaande, de barmhartige en almachtige, de Schepper van hemel en aarde, die gesproken heeft tot de mensen. Zij leggen zich erop toe zich met heel hun hart ook aan zijn verborgen raadsbesluiten te onderwerpen zoals Abraham, naar wie het islamitisch geloof graag terug grijpt, zich aan God heeft onderworpen. Hoewel zij Jezus niet als God erkennen, vereren zij Hem toch als profeet en zij eren zijn maagdelijke moeder Maria, die zij somtijds zelfs eerbiedig aanroepen. Bovendien verwachten zij de dag van het oordeel, wanneer God alle mensen doet verrijzen en zal vergelden. Daarom houden zij het zedelijk leven hoog en eren God vooral door gebed, aalmoezen en vasten.” (NA 3)