Spring naar inhoud

De werkelijkheid van Jezus Christus; Joh 11,1-45

Als Jezus en Marta elkaar ontmoeten, zegt Jezus: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof in Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.” Jezus klinkt hier erg overtuigd en zeker van het eeuwig leven. Sterker nog: Hijzelf is het eeuwig leven en Hij geeft het eeuwig leven aan allen die in Hem geloven.

Ondanks deze overtuiging lezen we iets verderop, dat Jezus diep ontroerd is door de dood van zijn vriend Lazarus: Hij weent en tot tweemaal toe is er sprake van een huivering. De dood van zijn vriend gaat Hem bepaald niet in zijn koude kleren zitten. Het is een opvallende tegenstelling. Waarom raakt iemand zo ontroerd bij de dood van zijn vriend terwijl hij zeker weet dat deze weer tot leven zal komen. In het begin van het verhaal zegt Jezus: “Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods erdoor verheerlijkt moge worden.” Jezus weet precies wat er zal gebeuren en toch is Hij diep ontroerd.

Misschien zien we hierin Jezus wel het meest duidelijk zoals Hij werkelijk is: de Zoon van God én de zoon van Maria, God en mens tegelijkertijd. Enerzijds heeft Hij de goddelijke kennis van het eeuwig leven en anderzijds de diep menselijke emoties bij leven en dood. Zo leeft Hij in twee werelden die niet los van elkaar staan, maar innig en direct met elkaar verbonden zijn: het hemelse en het aardse leven.

Wat we hier nadrukkelijk bij Jezus zien, is ook onze werkelijkheid. Ook wij mensen hebben hiermee te maken. Enerzijds is er de waarheid van ons aardse bestaan, de waarheid van onze concrete waarnemingen met onze zintuigen, de waarheid van ons horen en zien, ons ruiken en voelen. Dit is de werkelijkheid van zwart is zwart en wit is wit. Dit is ook de werkelijkheid van dood is dood. Dit is de waarheid van ons biologisch bestaan: de waarheid zoals ook de dieren die kennen. Maar naast deze biologische en materiële werkelijkheid kennen wij ook de werkelijkheid van onze diep menselijke ervaringen die te maken hebben met liefde en verbondenheid, met aanwezigheid en communicatie, met vertrouwen, hoop en geloof. Ook deze geestelijke werkelijkheid maakt wezenlijk deel uit van ons bestaan.

Wij mensen leven in een wereld die enerzijds heel concreet is, maar die dat anderzijds niet is, niet zintuiglijk waarneembaar is. Zo hebben wij te maken met twee soorten van waarheid. De concrete waarheid van onze zintuigen en de geestelijke waarheid van onze ervaringen. De waarheid van onze zintuigen behoort tot hetzelfde gebied als de waarheid van de wetenschap; de geestelijke waarheid tot gebied van de waarheid van het geloof. Het zijn twee verschillende domeinen van waarheid, die niet los van elkaar staan, maar ook niet met elkaar verward moeten worden. We moeten geen geloofsuitspraken doen over wetenschappelijke zaken en ook geen wetenschappelijke uitspraken over geloofszaken.

In Jezus wordt duidelijk hoe beide werelden met elkaar verbonden zijn. Hij is God en mens tegelijkertijd. Als God is Hij het leven en de verrijzenis. Hij is de oorsprong van alles, in Hem is alles geschapen. Deze oorsprong, dit Woord is vlees geworden: God is mens geworden. Op deze wijze is Hij voor ons: ‘de weg, de waarheid en het leven’. In Hem vinden wij de waarheid en Hij laat ons zien hoe wij in waarheid kunnen leven. Hij laat ons zien hoe wij kunnen leven in liefde en geloof.

Als Jezus voorstelt weer naar Judea te gaan, zegt Hij: “Heeft de dag geen twaalf uren? Overdag kan iemand gaan, zonder zich te stoten, omdat hij het licht van deze wereld ziet. Maar gaat iemand ’s nachts dan stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.” Hiermee geeft Jezus aan dat het ook voor ons mogelijk is in beide werkelijkheden te leven. Als wij ons met Hem verbinden, is Hij ons licht en dragen wij het licht in ons. Als wij in Hem geloven, zien wij alsof het dag is: wij zullen niet struikelen en leven in waarheid. Als wij ons echter van Hem afwenden, verkeren wij in het duister en zijn wij onderworpen aan het kwaad van deze wereld.

Wij zijn op weg naar Pasen. De komende weken zien wij hoe Jezus zijn weg gaat, een weg die door lijden en dood voert tot opstaan en verrijzenis. Het is zijn weg van een leven in liefde en geloof. Zijn weg van dood en verrijzenis is onze weg ten leven. Amen.

Kijken met je hart

“Kijken met je hart”, staat er als thema op uw liturgieboekje. Op de afbeelding zien we Sint Franciscus de melaatse omarmen. We zien de liefdevolle blik van de beide mannen. Het is 1205; Franciscus rijdt op zijn paard in de buurt van Assisi. Hij weet niet goed wat hij met zijn leven aan moet. Dan ziet hij een melaatse lopen. Normaal zou hij hard wegrijden, maar nu stapt hij van zijn paard. Hij gaat naar de melaatse en omhelst hem. Het maakt hem erg gelukkig. Franciscus is er erg van onder de indruk. Vanaf dat moment kiest hij altijd partij voor de zwakkeren en de verdrukten. Franciscus heeft leren kijken met zijn hart.

Ik lees u voor uit ‘De Kleine Prins’: de kleine prins in gesprek met de piloot.
“– Bij jou kweken de mensen vijfduizend rozen in één tuin, zei het prinsje en ze vinden daarin niet wat ze zoeken.
– Nee, dat vinden ze niet, antwoordde ik.
– En toch zouden ze kunnen vinden wat ze zoeken in één enkele roos of in een beetje water.
– Ja, dat is zo, antwoordde ik. En het prinsje voegde eraan toe:
– Maar ogen zijn blind. Met het hart moet men zoeken.”[1]

Eerder sprak de kleine prins met de vos. “– Vaarwel, zei de vos. Dit is mijn geheim, het is heel eenvoudig: alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.”[2]

Dit is ook wat Jezus tegen de Farizeeën zegt: “Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde.” Door de zonde zijn wij blind voor het ware, het wezenlijke.

Wij zijn zo gewend te vertrouwen op onze ogen, dat we vaak niet door hebben dat ons oordeel niet gebaseerd is op wat zien, maar op ons vooroordeel. Samuël ervaart dit als hij de toekomstige koning van Israël moet zalven. Hij ziet een rijzige man met een goed voorkomen en denkt: Ah dat is hem die ik moet zalven. Samuël kijkt met zijn ogen en hij ziet alleen de buitenkant. God zegt hem, dat het niet gaat om de buitenkant maar om het hart. Daarvoor moet Samuël zelf ook met zijn hart kijken.

Het verhaal van de genezing van de blindgeborene gaat voortdurend over niet op de juiste wijze kijken en willen zien. Het begint ermee dat de blinde man of zijn ouders gezondigd moeten hebben. Waarom zou hij anders blind geboren zijn? Als de blinde man genezen is en kan zien, zijn er velen die dat niet willen zien, niet willen aanvaarden. Omdat de genezing op de sabbat heeft plaatsgevonden, is het voor de Farizeeën onaanvaardbaar en moet het het werk van de duivel zijn. Zij zitten vast in hun wijze van denken en daarin is geen ruimte voor een genezing op de sabbat. De ouders van de man worden er bij gehaald. Zij zien de bui al hangen: zij kunnen niet op tegen de massieve kracht van het heersende oordeel. Zij gaan het antwoord uit de weg omdat ze bang zijn.

Alleen de blindgeborene staat open voor de liefde en genezing van Jezus. Hij ziet met zijn hart en dus weet hij: wat goed is, komt van God. Hij zit niet vast in de vooroordelen en de gebaande paden van de meerderheid. Hij gaat zijn eigen weg: hij ervaart het goede en aanvaardt dat in dankbaarheid wat de rest er ook van mag denken. Tegen hem zegt Jezus op de vraag naar de Messias: “Gíj ziet Hem, het is Degene die met u spreekt.” Alleen de blindgeborene is in staat de Messias te zien. De anderen zijn verblind door de zonde.

Hoe goed kijken wij? Kijken wij alleen met onze ogen of kijken wij ook met ons hart? Vandaag wordt onze aandacht gevraagd voor de mensen in Sierra Leone. Mensen die hebben geleden onder oorlog en geweld en die weer een nieuw leven willen opbouwen. Volgen wij de redeneringen die we in het Evangelie tegenkomen? Zeggen wij: het is hun eigen schuld, zíj maakten oorlog? Dat hebben wij toch niet gedaan? Zeggen wij: er is altijd wel wat in Afrika? Wat wij ook doen, het helpt toch niet? Is dat onze manier denken? Of zijn wij in staat te kijken met ons hart? En zien wij mensen zoals wij: mensen geschapen naar het beeld van God, onze broeders en zusters?

Jezus wil dat wij onze ogen openen en zien met ons hart. Hij wil dat wij net als Sint Franciscus de arme en de zieke omhelzen, dat wij liefdevolle aandacht voor hem hebben, hem waar nodig onze steun geven en onze welvaart met hem delen. Daarvoor is het nodig mensen niet als verzamelingen te zien, niet als groepen: een groep zieken, een groep ontheemden, een groep armen et cetera. Door mensen in soorten te classificeren zien we alleen met onze ogen. We beschrijven zaken als armoede, ziekte en eenzaamheid als neutrale eigenschappen en zien de mensen niet als slachtoffer, niet als mensen die lijden. Zo dacht Franciscus eerst ook over de melaatsen. Pas als wij mensen zien als individuen, als personen met vreugde en verdriet, zien wij deze mensen met ons hart en komen wij tot de liefdevolle omhelzing.

Het is zoals de kleine prins vertelt. Je moet niet denken in termen van vijfduizend rozen, maar denken in termen van één roos. Die ene roos kun je zien als een roos. In die ene roos zie je de schoonheid van een roos. Die ene roos kun je koesteren en met liefde verzorgen. Die ene roos maakt je gelukkig.

Kijken met je hart is een mens werkelijk zien als mens, als je broeder of zuster, als een kind van God en naar zijn beeltenis geschapen. Dan zie je een mens waarvan je houdt, een mens die je liefdevol omhelst en die je steunt in zijn nood. Kijken met je hart: dat is wat Jezus Christus ons heeft voorgeleefd, daarin wil Hij nagevolgd worden. Amen.

 

[1]Antoine de Saint-Exupéry, De Kleine Prins, Rotterdam: Ad. Donker, 2005, 28e druk, blz. 79

[2] Ibid, blz. 70.

Youcat: Gebedenboek voor jongeren

Redactie: Georg von Lengerke & Dörte Schrömges
Titel: Youcat: Gebedenboek voor jongeren
Uitgever: Lannoo, 2013
Prijs: € 16,99
ISBN: 978 94 014 0941 4
Aantal pagina’s: 175

Iedereen kan bidden, maar enige ondersteuning en structuur kan je daarbij geweldig helpen. Bidden is je met heel je hebben en houden aan God toevertrouwen. Dat vraagt ook oefening en geduld met jezelf. Na de catechismus voor jongeren is er nu ook een gebedenboek voor jongeren. Gebeden en teksten uit de Bijbel en uit de wereldwijde christelijke traditie zijn in toegankelijke taal opgenomen in deze rijke verzameling.

Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste bevat in een cyclus van twee weken gebeden voor het begin en het einde van iedere dag. In het tweede gedeelte zijn de gebeden thematisch gerangschikt. Naast de Bijbelteksten en de gebeden zijn er in kadertjes korte teksten voor overweging en bezinning opgenomen.

Het fraai uitgegeven boek is geïllustreerd met mooie foto’s en humorvolle tekeningen. Het is geschreven voor jongeren, maar zal voor mensen van iedere leeftijd een waardevol boek zijn. Een mooi boek om iemand cadeau te doen.

Op weg gaan; Gn 12,1-4a; 2 Tim 1,8b-10; Mt 17,1-9

Abram trekt weg uit zijn land. De Heer belooft hem een gezegende toekomst. Jezus gaat samen met Petrus, Jacobus en Johannes een berg op. Boven op de berg verandert Hij van gedaante en wordt zijn glorie en heerlijkheid aan de drie leerlingen geopenbaard. Paulus schrijft aan Timoteüs: “Dierbare, draag uw deel in het lijden voor het Evangelie.” Het Evangelie laat ons zien hoe door Jezus Christus de dood is overwonnen en het onvergankelijk leven voor ons bereikbaar is. Vandaag horen we drie verhalen over op weg gaan, over geroepen en gered worden en over gezegend worden.

Abram trekt niet alleen weg uit zijn land. Hij neemt ook afstand van de veelgoderij. Abram bekeert zich tot het geloof in één God. Hiermee is de stamvader van joden, christenen en moslims. Abram gaat een werkelijk moeilijke en eenzame weg. Hij en zijn familie zijn de enigen die afstand nemen van de veelgoderij. Petrus, Jacobus en Johannes trekken met Jezus de berg op. Daar worden zij de aanwezigheid van God gewaar. Dat maakt ze bang: de ontzagwekkende aanwezigheid van God maakt ons mensen heel klein. Jezus blikt vooruit: Hij weet dat Hij nog een zware weg heeft te gaan voordat Hij uit de doden zal opstaan.

Paulus weet dat ook Timoteüs het niet gemakkelijk zal hebben. Timoteüs is als bisschop van Efeze de opvolger van Paulus. Verderop in de brief schrijft Paulus over wat hem te wachten staat: “Houd rekening met het feit dat er moeilijke tijden voor de deur staan… De mensen zullen zelfzuchtig zijn en geldzuchtig, arrogant en hovaardig, lasteraars, ongehoorzaam aan hun ouders, ondankbaar, onverschillig, liefdeloos, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, vermetel, verwaand, meer aan genot dan aan God gehecht…” (2 Tim 3,1-4)

Ook in de jaren van het vroege christendom was de boodschap van het Evangelie geen vanzelfsprekendheid. Paulus schrijft aan Timoteüs dat hij zich er niet voor moet schamen dat hij van de boodschap van Jezus Christus getuigt. Schaamte heeft te maken met het gevoel van anders zijn, met gevoel er niet bij te horen en buiten de gemeenschap te staan. Dat idee van buitenstaander te zijn bekruipt ons ook in deze tijd, Hoe vaak horen wij niet dat wij met verkeerde ideeën leven. Je moet niet in God geloven, want je kunt niet bewijzen dat Hij bestaat. Je moet gaan voor je eigen geluk en je eigen succes. Dat is de werkelijkheid. Dat is de strijd om het bestaan. Als je niet voor jezelf opkomt, ben je een dief van je eigen portemonnee. Zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. De boodschap van de naastenliefde wordt nauwelijks gehoord in onze tijd. Ook in deze verkiezingstijd staat voortdurend het eigen belang voorop.

Paulus schrijft aan Timoteüs: “Dierbare, draag uw deel in het lijden voor het Evangelie.” Indirect is deze boodschap ook aan ons gericht. Onze vorige bisschop Van Luyn ontleende hieraan zijn wapenspreuk: “Collabora Evangelio”. Bij collabora, collaboreren denken we niet meteen aan lijden. Collaboreren betekent meewerken en pas met de Tweede Wereldoorlog heeft het de betekenis van meewerken met de vijand gekregen. De Latijnse vertaling geeft samen met de Nederlandse vertaling een beeld van wat Paulus te zeggen heeft: een combinatie van meewerken en lijden.

Het gaat niet over doelloos lijden. Het gaat over lijden, over een inspanning om het Evangelie te verkondigen. Jezus Christus en zijn boodschap navolgen is geen vrijblijvende zaak. Je zult je er echt voor moeten inspannen. Het kost je moeite. Je komt tegenstand en verzet tegen. Je vaart tegen de stroom in. Natuurlijk vind je ook troost in je geloof. Maar in de eerste plaats is het geloof een uitdaging. Het geluk volgt op het ingaan op die uitdaging. Gelukkig wordt je doordat je anderen gelukkig hebt gemaakt.

De Veertigdagentijd is een tijd van bezinning: Wat willen wij met ons leven? Waar leven wij voor? Hoe bekeren wij ons tot God? Hoe komen wij in beweging en hoe gaan wij op weg? Hoe spannen wij ons in voor het Evangelie? Paus Franciscus schrijft in zijn vastenbrief, dat Jezus arm is geworden om ons rijk te maken. De paus roept ons op de weg van Jezus na te volgen. Het gaat niet om de armoede, maar om het wegschenken van de overvloed. Het gaat erom solidair te zijn met de armen. De paus schrijft: “het zal ons goed doen ons af te vragen van welke zaken we ons kunnen ontdoen om anderen te helpen en te verrijken met onze armoede. Laten we niet vergeten dat ware armoede pijn doet.”

De weg van het Evangelie volgen gaat niet zonder pijn en lijden, maar het is ook de weg naar rijkdom en geluk voor anderen en voor onszelf. Het is ook geen eenzame weg. We gaan samen op weg: samen als gemeenschap en samen met Christus. In deze Veertigdagentijd is er volop gelegenheid iets voor anderen te doen. Denk bijvoorbeeld aan de Vastenaktie. Amen.

Mensen bevrijden

Vorige week is met Aswoensdag de Veertigdagentijd begonnen: een tijd van bezinning en soberheid, een tijd van aandacht voor God en aandacht voor de medemens. In onze parochies worden hiertoe verschillende activiteiten georganiseerd. Zo is er op 29 en 30 maart aandacht voor de Vastenaktie. Dit jaar is de opbrengst voor een project in Sierra Leone. In Nootdorp is elke dinsdagavond een meditatieve viering met aandacht voor de Kruiswoorden. In Pijnacker is weer een hongerdoek opgehangen, waarover komende vrijdag uitleg wordt gegeven.

Soberheid en vasten zijn erop gericht om jezelf en om anderen te bevrijden. Mensen lijden onder diverse vormen van armoede: materiële armoede, morele armoede en spirituele armoede. Gebrek aan voldoende eten en drinken, aan goede huisvesting, aan hygiëne of aan werk bij een deel van de mensheid gaat samen met overvloed bij anderen. Gerechtigheid en solidariteit zijn nodig om deze armoede terug te dringen, om mensen van hun materiële armoede te bevrijden.

Morele armoede is vaak een vorm van verslaving. We kunnen aan alles en nog wat verslaafd zijn: aan alcohol, aan drugs, aan gokken, aan seks, aan computerspelletjes, noem maar op. We kunnen ook verslaafd zijn aan zekerheden en aan het eigen bezit. Egoïsme en egocentrisme zijn ook vormen van verslaving. Morele armoede gaat samen met spirituele armoede, met de afwezigheid van God. God is in ons leven afwezig als wij denken Hem niet nodig te hebben, als wij ons van Hem verwijderen en zijn liefde afwijzen. Alleen God kan betekenis geven aan ons leven. Alleen Hij kan ons redden en bevrijden.

Paus Franciscus roept ons op – vooral in deze Veertigdagentijd – te werken aan de bevrijding van anderen en van onszelf. Met woorden en daden mogen wij de Blijde Boodschap van Jezus Christus uitdragen. Wij mogen zelf en kunnen anderen laten delen in de oneindige liefde van God. Het begint met soberheid voor onszelf. Zo maken wij ruimte voor God in ons leven en scheppen wij ruimte en tijd voor de medemens. Zo kunnen we hen aandacht geven en bijstaan in hun materiële nood. De liefde van God toelaten in ons eigen leven brengt ons ertoe deze liefde uit te dragen en te delen met anderen.

In zijn vastenbrief schrijft de paus over Jezus van Nazareth: “Hij is arm geworden om ons rijk te maken met zijn armoede.” Hiermee roept de paus ons op Jezus na te volgen en net als Hem de armoede te zoeken om anderen rijk te maken. Zo stellen wij ons open voor de rijkdom van Gods liefde en laten wij anderen daarin delen. Zo openen we voor onszelf en voor onze naaste de weg voor het bevrijdende werk van God.

Stemadvies van de paus

Op 19 maart gaan we een nieuwe gemeenteraad kiezen. Dan bepalen we hoe onze directe omgeving de komende vier jaar bestuurd wordt. Dat is ons recht, maar ook onze verantwoordelijkheid. Als leden van de gemeenschap zijn wij ook medeverantwoordelijk voor de gemeenschap waartoe wij behoren en voor de wereld om ons heen.

Waar laten wij ons door leiden bij het uitbrengen van onze stem? Is dat vooral ons eigen belang of stellen we het algemeen belang op de eerste plaats? Er zijn veel onderwerpen die onze aandacht vragen. Om een overzicht te geven: zorg en welzijn, ondernemen en werkgelegenheid, duurzaamheid en milieu, onderwijs, cultuur, sport en recreatie, jongeren en ouderen, vrede en veiligheid, armoede, vreemdelingen, gemeenschapsvorming, huisvesting en verkeer. En op al die onderwerpen zijn er weer verschillende visies mogelijk.

Helaas moet ik u teleurstellen. Ik reik u niet – met de Bijbel in de hand – een eenduidig stemadvies aan. Ook de Sociale leer van de Kerk voorziet daar niet in. U zult dus vooral zelf uw keuze moeten maken. Maar in de brief van paus Franciscus ‘De vreugde van het Evangelie’ vinden wel een aantal belangrijke overwegingen. De paus schrijft hierin: “De grootste bedreiging van de van consumentisme doordrongen wereld van vandaag is de troosteloosheid en gekweldheid die voortkomen uit een zelfgenoegzaam en begerig hart, uit de ziekelijke zucht naar oppervlakkig vermaak en uit een afgestompt geweten. Gods stem wordt niet meer gehoord, de kalme vreugde van de liefde wordt niet langer ervaren en de wens om goed te doen vervaagt.”

Centraal in het denken van de paus staat zijn zorg voor de armen en de ontheemden, zij die niet gezien worden. Het gaat om de toekomst van alle mensen en heel de schepping. Hij komt met de volgende stellingen over de maatschappij:
Nee tegen een economie van uitsluiting
Nee tegen de nieuwe afgoderij van het geld
Nee tegen een financieel systeem dat heerst in plaats van dient
Nee tegen de ongelijkheid die geweld voortbrengt.

Hiermee geeft paus Franciscus ons voldoende stof om over na te denken. Hoeveel geloof hechten wij aan het puur economische denken? Hoe belangrijk is bezit voor ons? Sluiten wij mensen uit? Wat doen wij aan de bestrijding van de armoede? Hoe dragen wij bij tot de vrede? Laten wij ons leiden door puur eigen belang of denken wij vooral aan de medemens en het algemeen belang?

Welke partij, welke man of vrouw weet in onze eigen gemeente de juiste antwoorden op deze vragen te geven? Aan wie geven wij onze stem en ons vertrouwen. Ik wens u veel wijsheid.

Column in Telstar, 12 februari 2014

De Vergevende

Wat betekent het voor jou?

Jezus Christus heeft met zijn menswording, met zijn lijden, sterven en verrijzen ons voorgoed met God verzoend. Hij heeft het kwaad overwonnen. Wij zijn vrije mensen, bevrijd van het kwaad. Als vrije mensen zijn we echter niet gevrijwaard tegen het kwaad. Wij hebben de mogelijkheid verkeerde keuzes te maken en de weg van het kwaad te gaan. De uit liefde gegeven vrijheid maakt ook verantwoordelijk.

Door zijn onmetelijke liefde voor ons geeft God ons steeds weer een nieuwe kans. Als wij inzien dat we fout bezig zijn, vergeeft God ons onze zonden. De last van de schuld wordt van ons afgenomen en wij zijn weer vrij om het goede te doen.

Wat betekent het voor je dagelijks leven?

Doordat God mij altijd weer wil vergeven, kan ik leven zonder angst: geen angst voor het kwaad en geen angst voor de dood. Leven zonder angst maakt vrij. Zo kan ik mij op het goede richten. Zo kan ik proberen een goed mens te zijn. Het geeft mij ook te ruimte uit te vinden wat mijn eigen weg hierin is. Ik mag struikelen en vallen, want Hij laat mij weer opstaan. Telkens weer geeft God mij de kans met een schone lei te beginnen.

Wetend dat mijn eigen zonden worden vergeven, kan ik ook anderen vergeven. Ook beweegt het mij mijn tekortschieten tegenover anderen te bekennen en daarvoor vergeving te vragen. Je schuld bekennen aan een ander en een ander vergeven zijn – denk ik – de grootste daden van liefde die een mens kan verrichten.

Wat herken je erin bij de ander?

Ook in de islam geeft God vergeving en wordt Hij de Vergevende genoemd, maar het lijkt mij dat er verschillen zijn. In de islam is vergeving een daad van barmhartigheid. Ik noem het een daad van liefde, waarbij de zonde achter ons wordt gelaten. In de islam wordt God gevraagd de overtreding niet te zwaar aan te rekenen en te vragen dat het goede voldoende compensatie biedt. Uiteindelijk wordt er door de barmhartige en rechtvaardige God geoordeeld, worden de goede en slechte dadendoor Hem tegen elkaar afgewogen.

De Levende

Wat betekent het voor jou?

De Levende is voor mij Jezus Christus. Hij is Gods Zoon. Hij is mens geworden. Hij heeft geleden, is gestorven en Hij is verrezen. Hij leeft hier en nu en in eeuwigheid. Hij heeft zijn leven gegeven ook voor mij. Zijn leven is een leven in liefde. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Hij is onze weg ten leven.

Jezus Christus is mens geworden zoals wij mens zijn. Hij heeft zich met ons verbonden en op onze beurt mogen wij ons met Hem verbinden. Wij mogen een leven leiden zoals Hij heeft gedaan: een leven in liefde. Zoals Hij uit de dood is opgestaan, zullen ook wij uit de dood opstaan. Ook wij zullen verrijzen en mogen leven in eeuwigheid. Zoals Hij zich verbonden wist met God, met zijn Vader in de hemel, zo mogen ook wij ons met God verbonden weten.

Jezus Christus is Gods Zoon. Hij is God. De ene levende God is Vader, Zoon en heilige Geest. Dat is het mysterie van de heilige Drie-eenheid. In Jezus Christus heeft God zich aan ons geopenbaard. In Hem maakt God ons deelgenoot aan zijn goddelijk leven. In Hem zijn ook wij kinderen van God en erfgenamen van Gods Koninkrijk.

Wat betekent het voor je dagelijks leven?

Ik mag mij een kind van God noemen. Dat geeft mij vertrouwen en vervult me met trots en met vreugde: ik mag er zijn! Ik mag mijn leven verbinden met het leven van Jezus van Nazareth. Hem mag ik navolgen en Hij zal er altijd zijn. Hij laat mij nooit in de steek. Door Hem en met Hem en in Hem mag ik delen in het eeuwig leven, in een leven van liefde en geluk.

Jezus Christus heeft ons zijn sacramenten gegeven: reële tekenen van zijn genade en aanwezigheid. En vooral in de viering van de Eucharistie kan ik mij fysiek met Hem verbinden. Dat geeft mij de kracht en de genade om een goed mens te willen zijn.

Wat herken je erin bij de ander?

De islam kent geen mensgeworden Zoon van God. Het bovenstaande past niet in hun Godsbeeld. Wel is voor moslims evenals voor christenen God een onomstotelijke werkelijkheid: de Levende. God is geen vaag idee, niet iets vaags of enkel abstracts zoals een ‘energie’ of een ‘iets’.

Voor moslims en christenen is God concrete werkelijkheid. Wij mogen Hem aanbidden en liefhebben. Wij mogen ons vertrouwen op Hem stellen. Door zijn levende aanwezigheid mogen wij elkaar liefhebben en mogen wij goed zijn voor elkaar.

Liefde en barmhartigheid

Wat betekent het voor jou?

Voor mij is “God is liefde” de kern van het christendom. Uit liefde heeft God de wereld geschapen. Uit liefde heeft Hij de mens naar zijn eigen beeld als man en vrouw geschapen. Uit liefde voor de mens is zijn Zoon mens geworden zoals wij. Jezus van Nazareth heeft ons voorgeleefd hoe ook wij een leven in liefde kunnen leven. Hij laat ons zien hoe Hij van zijn Vader houdt en hoe Hij van alle mensen houdt. Hij zegt tegen ons dat kunnen jullie ook en het zal je werkelijk gelukkig maken, hier en nu en overal en altijd.

Het mysterie van de drie-ene God geeft uitdrukking aan de liefde die in God zelf is. Mensen kunnen niet liefhebben zonder het bestaan van de ander: God schiep hen als man én vrouw. Als man én vrouw samen gelijken zij op God. De drie-ene God vormt in zichzelf gemeenschap. Dat is ook de bestemming van de mensheid: het vormen van een gemeenschap van liefde in God.

Barmhartigheid is een vorm van liefde. Barmhartigheid is echter niet zoals liefde per definitie wederkerig. Er is sprake van ongelijke verhoudingen: een gever en een ontvanger, die overigens niet zonder elkaar kunnen en die beiden moeten instemmen.

Omdat God zoveel groter is dan wij mensen zijn wij geneigd de relatie van God met ons eerder als barmhartigheid dan als liefde te ervaren. Uiteindelijk wil God een werkelijk wederkerige liefdesrelatie met de mens. Voor ons mensen is dat lastig maar voor God is niets onmogelijk.

Wat betekent het voor je dagelijks leven?

Als christen wil ik Jezus Christus navolgen. Dat betekent God liefhebben en alle mensen liefhebben als mijzelf: hen zien als mijn broeders en zusters. Dat is vooral een zaak van voortdurend oefenen en ervaren dat het zowel je medemens als jezelf gelukkig maakt. Je merkt dat bijvoorbeeld als iemand zich aan een ander stoort en je doet het zelf niet en ook het omgekeerde is leerzaam. Je niet storen aan iemands minder gewenste gedrag geeft jezelf rust en stelt je in staat een positieve relatie met de betreffende persoon aan te gaan.

Wat herken je erin bij de ander?

Voor moslims lijkt mij het hierboven geschetste Godsbeeld niet acceptabel. Voor hen streeft God niet naar een gelijkwaardige relatie met de mens. Zij spreken God dan ook vooral aan als de Barmhartige. Een naam die voor christenen ook van toepassing is, maar niet alles zegt.

Laat uw licht stralen! Js 58,7-10; Mt 5,13-16

Laat uw licht stralen! Jezus zegt ons: “Gij zijt het zout der aarde.” “Gij zijt het licht der wereld.” Hij roept ons op aanstekelijk te leven. Zo te leven dat anderen ons als voorbeeld nemen, dat zij zien dat wij leven uit de liefde van God en de vreugde van het Evangelie. Onze manier van leven moet de ander naar God brengen. “Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien.” Dat willen we allemaal wel: dat de mensen zien hoe goed wij wel niet zijn! In onze cultuur zoeken we voortdurend het centrum van de belangstelling. Maar hoe zat het ook al weer met die linker- en rechterhand?

We lezen in deze tijd stukken tekst uit de Bergrede. De Bergrede wordt wel het ethisch manifest van Jezus genoemd. Aan het begin van zijn openbare leven zet Jezus uiteen hoe wij als mensen zouden moeten leven. Het begint met de zaligsprekingen en dan het gedeelte wat we vandaag gelezen hebben. Iets verderop zegt Jezus ons: “Als gij een aalmoes geeft, laat uw linkerhand dan niet weten wat uw rechter doet.” Deze tekst lezen we op Aswoensdag. Enerzijds zegt Jezus ons dus: laat zien dat je goede werken doet, wees een licht, een voorbeeld voor de wereld. En anderzijds zegt Hij: doe het in het verborgene. Hij zegt dat in een en dezelfde Bergrede; in tijd zit er nog geen kwartier tussen de ene en de andere boodschap.

Waarom twee op het oog tegenstrijdige boodschappen? Laten we de tekst eens wat nader bekijken. Vandaag zegt Jezus ons dat we het zout der aarde en het licht der wereld moeten zijn. “Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is.” Het gaat er dus niet om dat we laten zien hoe goed wij zijn; het gaat er niet om zelf geëerd te worden. Nee, de mensen moeten onze goede werken zien opdat zij God verheerlijken. Door goed te zijn voor de ander brengen wij de mensen dichter bij God. Dat is de reden waarom ons licht moet stralen. En inderdaad daar waar Jezus zegt dat wij in het verborgene goed moeten doen, gaat het erom dat wij ons niet trots op de borst slaan en niet rondbazuinen dat wij zulke goede mensen zijn: “beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen recht op loon bij uw Vader die in de hemel is.” Zoals vaker gaat het om de intentie en minder om de daad zelf.

We raken hier ook nog aan een andere kwestie: Waarom doen wij goed? Jezus heeft het uitdrukkelijk over een beloning die wij mogen verwachten. En ook in de eerste lezing legt Jesaja een verband tussen het doen van goede werken en Gods antwoord op ons gebed. Zo’n 500 jaar geleden worstelde Maarten Luther met deze zaak. Hij verzette zich tegen de gedachte dat wij de hemel kunnen verdienen, tegen een al te menselijke voorstelling van Gods handelen. Het is niet zo: wij doen wat voor God, dan doet Hij iets voor ons. Bij God is het geen: ‘voor wat, hoort wat’. De boodschap die Jezus ons brengt is dat Gods liefde en genade grenzeloos zijn, dat Gods barmhartigheid geen grenzen kent en dat Hij ons altijd zal vergeven als wij tekort schieten. Als reactie op het idee van de hemel verdienen – zoals dat in de tijd van Luther door velen werd gedacht – sloeg een deel van de christenen weer door de andere kant op. Zij zien de mens tot niets goeds in staat en alles is enkel en alleen afhankelijk van Gods genade.

Het is geen kwestie van ‘voor wat, hoort wat’. En het is ook niet zo dat de mens is overgeleverd aan een voor eens en altijd vastgestelde bestemming. God is liefde. Hij houdt van ons en nodigt ons uit van Hem te houden. Hij heeft het initiatief genomen. Hij heeft ons geschapen en Hij geeft ons het leven. En in Jezus Christus heeft Hij ons bevrijdt van het kwaad. Jezus is mens geworden zoals wij en een leven van liefde geleid. Daarmee is Jezus onze weg ten leven. God heeft ons als vrije mensen geschapen: wij mogen zelf besluiten voor of tegen zijn liefde te kiezen. Wij kunnen Gods liefde afwijzen en onze eigen weg gaan. We kunnen ook door de genade van het geloof Gods liefde beantwoorden. Dat doen we vooral door elkaar lief te hebben als kinderen van één God. Als antwoord op Gods liefde voor ons doen wij de goede werken. En zo maken wij Gods liefde in de wereld zichtbaar. Zo verkondigen wij het Evangelie. Zo brengen wij de mensen tot God.

Het begint met ons open te stellen voor de liefde van God. Als wij die liefde in ons leven toelaten, willen haar ook beantwoorden. Door goed te doen verkondigen wij de Blijde Boodschap van Jezus Christus. Door goed te doen laten wij zien dat God van ons houdt. Door goed te doen tonen wij de vreugde van het Evangelie. Door goed te doen delen wij in de oneindige liefde en goedheid van God en delen wij in het leven van de verrezen Christus, nu en altijd. Amen.