Spring naar inhoud

De heilige Geest geeft leven en liefde; Hnd 2,1-11; Joh 14,15-16.23-26

“Geef kracht, geef vuur, geef licht, geef kleur. Heilige Geest, geef ons leven.” Wij vragen de heilige Geest ons te helpen, want wij willen leven, wij willen liefhebben.

Jezus zegt tegen ons: “Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden…” De tekst die we vandaag gelezen hebben, is uit de lange afscheidsrede van Jezus op de avond voor zijn lijden en sterven. Iets verderop zegt Jezus wat zijn geboden zijn: “Dit is mijn gebod dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.” (Joh 15,12) Het draait bij Jezus voortdurend om dat ene gebod van de liefde. Jezus geeft ons geen uitgebreide uitleg over hoe we elkaar moeten liefhebben. Nee, Hij laat ons met zijn eigen leven zien hoe je dat kunt doen. Hij laat ons zien hoe Hij van zijn Vader houdt, hoe zijn Vader van Hem houdt. Hij laat ons zien hoe Hij die liefde deelt met alle mensen. Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (Joh 14,6) Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven en hoe je kunt liefhebben. Hij doet het ons voor en zegt tegen ons: doe zoals ik doe, dan word je gelukkig. En Hij belooft ons de heilige Geest, de Helper. De heilige Geest geeft kracht, geeft vuur, geeft licht, geeft kleur. De heilige Geest, geeft ons leven. De heilige Geest doet ons liefhebben.”

Vijftig jaar geleden was er het Tweede Vaticaanse Concilie: de grote vergadering van de Kerk waar alle bisschoppen van heel de wereld zich lieten leiden door de heilige Geest. Zij zochten opnieuw naar de betekenis van het gebod van Jezus, naar de betekenis van dat ene gebod van de liefde. Onder leiding van de heilige Geest kwamen de bisschoppen met twee zaken waarmee de liefde in de wereld werkelijkheid kan worden: dienstbaar zijn en gemeenschap vormen. De hele Kerk wil dienstbaar zijn aan alle mensen. Zij voelt zich ten diepste met iedereen verbonden, met de gehele mensheid.

Pinksteren is een feest van gemeenschap. De grenzen van culturen en talen vallen weg. Vervult van de heilige Geest begrijpen mensen elkaar over grenzen heen. We hoorden dat in de eertse lezing uit de Handelingen van de Apostelen. Het is eenheid in verscheidenheid. De verschillen scheiden ons niet van elkaar. Juist door de verschillen betekenen we iets voor elkaar, zoeken wij elkaar en weten wij ons met elkaar verbonden. Samen zingen we ook God lof: “Laudate omnes gentes.”

Vandaag ben ik hier voor het eerst in uw midden. Als diaken mag ik deel uitmaken van uw lokale gemeenschap. De dienstbaarheid van de Kerk krijgt mede gestalte in het diaconaat, in het gewijde ambt van de diaken. Maar de diaken is niet de enige die de opdracht heeft vanuit en namens de Kerk dienstbaar te zijn. Het is de opdracht van de gehele Kerk om dienstbaar te zijn aan de mensheid en het is de roeping van iedere christen om dienstbaar te zijn aan de medemens. Het is de taak van de diaken de dienstbaarheid van Kerk te bevorderen. Hij doet dit door zelf dienstbaar te zijn en met woorden en daden ook anderen te motiveren tot dienstbaarheid. De dienst van de diaken kent drie aspecten: de dienst van de tafel, de dienst van het woord en de dienst van de liefdewerken. De dienst van de liefdewerken is de meest bekende.

Als we over diaconie of caritas spreken, hebben we het over deze dienst. Het gaat om het lenigen van concrete menselijke noden. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken en gevangen bezoeken en tenslotte doden begraven. De dienst van het woord wordt het meest concreet binnen de liturgie. Het is de taak van de diaken het Evangelie te lezen. En hij kan zoals vandaag de preek verzorgen. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer mogelijkheden om de Blijde Boodschap van Jezus Christus te verkondigen. De diaken treedt met woord en daad naar buiten. Hij gaat vanuit de Kerk de maatschappij in, legt daar contacten, ziet wat daar leeft en brengt dat terug de Kerk in. Hij brengt de noden van de samenleving ter sprake binnen de Kerk. Tenslotte de dienst van de tafel. Het is de taak van de diaken de priester tijdens de Eucharistieviering te assisteren. Dit is een liturgische functie. Het heeft een symboolwerking. De dienstbaarheid van de diaken in de liturgie staat symbool voor het handelen van de Kerk naar buiten.

Jezus heeft gezegd: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc 10,45). De diaken mag de dienstbaarheid van Jezus in de Kerk en in de wereld zichtbaar maken en aan de orde stellen. Hij mag Christus Dienaar binnen en buiten de Kerk present stellen. De diaken mag ook werken aan de gemeenschap, aan een gemeenschap van solidariteit en verbondenheid, aan het komen tot een eenheid in verscheidenheid. Hij probeert mensen over grenzen heen bij elkaar te brengen. Ik hoop van harte dat met uw medewerking hier te kunnen doen.

Vragen wij de heilige Geest ons allen daarbij te helpen. “Geef kracht, geef vuur, geef licht, geef kleur. Heilige Geest, geef ons leven.” Heilige Geest, geef ons liefde, geef ons dienstbaarheid en gemeenschap. Amen.

Dienstbaar zijn; Hnd 7,55-60; Joh 17,20-26

Jezus vraagt zijn Vader: “opdat allen één mogen zijn zoals Gij, Vader in Mij en Ik in U.” Jezus bidt om eenheid onder de mensen en vooral onder zijn volgelingen. Bij eenheid gaat het niet om uniformiteit. Het gaat er niet om dat we allemaal aan elkaar gelijk zijn. Het gaat om een eenheid in verscheidenheid. De eenheid krijgt vorm in een gemeenschap van verbondenheid, in een gemeenschap waarin de liefde de bindende kracht is, in een gemeenschap waarin mensen elkaar van dienst zijn. De goddelijke vorm van gemeenschap vinden we in de gemeenschap die door de heilige Drie-eenheid wordt gevormd. Hier is geen na-ijver en geen eigenbelang. Hier is alleen wederzijdse liefde, harmonie en dienst aan elkaar. Voor ons mensen is dit de vorm van gemeenschap die wij als ideaal nastreven.

De tekst die we vandaag gelezen hebben is de afsluiting van het gebed waarmee Jezus zijn uitgebreide toespraak tot zijn leerlingen afsluit. Deze toespraak houdt Jezus tijdens de maaltijd op de avond voor zijn sterven. Het zijn de laatste woorden die Hij tot zijn leerlingen richt. Hij sluit af met: “Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad in hen moge zijn en Ik in hen.” Zoals we ook de afgelopen zondagen hebben gehoord: het gaat voortdurend om de liefde. De liefde is de kern van de Blijde Boodschap die Jezus ons brengt. “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet gij ook elkaar liefhebben.” (Joh 13,34)

Jezus geeft ons geen uitgebreide uitleg over hoe we elkaar moeten liefhebben. Nee, Hij laat ons met zijn eigen leven zien hoe je dat kunt doen. Hij laat ons zien hoe Hij zijn Vader liefheeft, hoe zijn Vader Hem liefheeft. Hij laat ons zien hoe Hij die liefde deelt met alle mensen. Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (Joh 14,6) Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven en hoe je kunt liefhebben. Hij doet het ons voor en zegt tegen ons: doe zoals ik doe, dan word je gelukkig.

Vijftig jaar geleden was het Tweede Vaticaanse Concilie. Dit Concilie bracht de Kerk terug naar de plaats waar zij thuishoort: midden tussen de mensen. De pastorale constitutie ‘Gaudium et spes’ begint met: “De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens, vooral van de armen en van alle lijdenden, zijn ook de vreugde en de hoop, het leed en de angst van Christus’ leerlingen; en er is niets echt menselijks, of het vindt weerklank in hun hart.” Twee elementen van de Kerk en van het christendom krijgen nieuwe aandacht: dienstbaar zijn en gemeenschap vormen. De hele Kerk wil dienstbaar zijn aan alle mensen. Zij voelt zich ten diepste verbonden met iedereen, met de gehele mensheid. De liefde van mensen voor elkaar staat centraal. De Kerk vertaalt dit in de begrippen dienstbaarheid en gemeenschap.

De dienstbaarheid van de Kerk krijgt mede gestalte door het nieuw leven inblazen van het diaconaat, het ambt van de diaken. Maar de diaken is niet de enige die de opdracht heeft vanuit en namens de Kerk dienstbaar te zijn. Het is de opdracht van de gehele Kerk om dienstbaar te zijn aan de mensheid en het is de roeping van iedere christen om dienstbaar te zijn aan de medemens. Het is de taak van de diaken de dienstbaarheid van Kerk te bevorderen. Hij doet dit door zelf dienstbaar te zijn en met woorden en daden ook anderen te motiveren tot dienstbaarheid.

De dienst van de diaken kent drie aspecten: de dienst van de tafel, de dienst van het woord en de dienst van de liefdewerken. De dienst van de liefdewerken is de meest bekende. Als we over diaconie of caritas spreken, hebben we het over deze dienst. Het gaat om het lenigen van concrete menselijke noden. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken en gevangen bezoeken en tenslotte doden begraven.

De dienst van het woord wordt het meest concreet binnen de liturgie. Het is de taak van de diaken het Evangelie te lezen. En hij kan zoals vandaag de preek verzorgen. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer mogelijkheden om de Blijde Boodschap van Jezus Christus te verkondigen. In de eerste lezing zien we hiervan een duidelijk voorbeeld. Stefanus, één van de eerste zeven diakens, verrichtte grote wonderen. Hiermee getuigde hij bij het volk van Israël van de Blijde Boodschap. Dit leidde vervolgens tot een veroordeling en een steniging. De diaken treedt zoals de heilige Stefanus met woord en daad naar buiten. Hij gaat vanuit de Kerk de maatschappij in, legt daar contacten, ziet wat daar leeft en brengt dat terug de Kerk in. Hij brengt de noden van de samenleving ter sprake binnen de Kerk.

Tenslotte de dienst van de tafel. Het is de taak van de diaken de priester tijdens de Eucharistieviering te assisteren. Dit is een liturgische functie. Het heeft een symboolwerking. De dienstbaarheid van de diaken in de liturgie staat symbool voor het handelen van de Kerk naar buiten.

Jezus heeft gezegd: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc 10,45). De diaken mag de dienstbaarheid van Jezus in de Kerk en in de wereld zichtbaar maken en aan de orde stellen. Hij mag Christus Dienaar binnen en buiten de Kerk present stellen. Ik hoop van harte dat met uw medewerking hier te kunnen doen. En vragen wij de heilige Geest ons allen daarbij te helpen. En vragen wij om de voorspraak Maria. Zij is ons aller moeder en zij is voor ons een voorbeeld van dienstbaarheid. Amen.

Duurzaamheid en de sociale leer van de Kerk

Sociale leer van de Kerk

Op 18 juni 2015 verscheen een brief van paus Franciscus gericht aan alle bewoners van ons gezamenlijk huis. De encycliek draagt de titel: ‘Laudato si’’ ofwel ‘Geprezen zijt Gij’. Deze woorden komen uit het Zonnelied, een loflied op God en zijn schepping: “Geprezen zijt Gij, mijn Heer, door onze zuster, moeder aarde, die ons voedt en leidt…” (1) Het Zonnelied is van Franciscus van Assisi. Hij “nodigt ons, trouw aan de Schrift, uit de natuur als een schitterend boek te zien waarin God tot ons spreekt en ons een glimp schenkt van zijn oneindige schoonheid en goedheid.” (12)

De encycliek gaat over duurzaamheid, over de schepping en haar voortbestaan en over de gevolgen van het onverantwoord omgaan met de schepping. De aarde “schreeuwt ons op dit moment toe vanwege de schade die wij haar hebben toegebracht door ons onverantwoordelijk gebruik en misbruik van al het goede dat God haar heeft geschonken.” (2) Met deze encycliek gaat paus Franciscus verder op de weg van zijn voorgangers.

Het kerkelijk denken

In 1971 verwees Paulus VI naar de ecologische problematiek. Hij schreef over een crisis die een dramatisch gevolg is van onbezonnen exploitatie van de natuur.[1] Johannes Paulus II stelde dat er geen wereldvrede kan zijn als de wereld de milieuproblematiek niet serieus oppakt en niet haar collectieve verantwoordelijkheid neemt jegens de armen en de toekomstige generaties.[2] Van hem is het begrip ‘ecologische zonde’: wie schade toebrengt aan het milieu, begaat een zonde. Benedictus XVI stond bekend als de ‘groene’ paus. Hij vroeg voortdurend aandacht voor het milieu. Hij liet het niet alleen bij woorden, hij bracht het ook in de praktijk: in 2007 was het Vaticaan het eerste CO2-neutrale land ter wereld.

Met ‘Laudato si’’ roept paus Franciscus iedereen op: “Deze dringende oproep tot bescherming van ons gemeenschappelijke huis omvat de noodzaak de gehele menselijke familie bij elkaar te brengen om te zoeken naar een duurzame en integrale ontwikkeling, want wij weten dat zaken kunnen veranderen. (…) De mensheid heeft nog steeds de mogelijkheid samen te werken aan de opbouw van ons gemeenschappelijk huis.” (13) De encycliek maakt deel uit van de sociale leer van de Kerk.

In de vierde eeuw werd het christendom de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Vanaf die tijd ontstond er gaandeweg een vaste taakverdeling tussen Kerk en staat. Na de Franse Revolutie raakte de Kerk met haar denken over de inrichting van de maatschappij steeds meer in een isolement. Zij verzette zich tegen de producten van de Verlichting: liberalisme, socialisme, mensenrechten, vrijheid van meningsuiting en democratie. Pius IX bepleitte in 1864 dit antimodernisme.[3]

In 1891 werd een nieuwe weg ingeslagen.[4] Leo XIII had oog voor de snel veranderende samenleving en legde de basis voor een katholieke maatschappijvisie. Dit wordt gezien als het begin van de sociale leer van de Kerk. Deze derde weg naast het liberalisme en het socialisme werd in 1931 door Pius XI verder uitgewerkt.[5] Belangrijke begrippen in deze maatschappijvisie zijn: solidarisme en corporatisme. In Nederland leidde dit dankzij de KVP tot de SER (Sociaal-Economische Raad).

Johannes XXIII verliet in 1961 het idee van de derde weg.[6] Er is niet langer sprake van een eigen systeem. Iedere samenleving heeft het recht haar eigen keuzes te maken. Deze worden vanuit het gelovige sociale denken van de Kerk beoordeeld. Hierbij is de aandacht voor de menselijke waardigheid een belangrijk criterium. Deze nieuwe manier van denken wordt in 1965 verder uitgewerkt tijdens het Tweede Vaticaans Concilie. Het gaat voortaan om “de opdracht de tekenen des tijds te onderzoeken en in het licht van het Evangelie te interpreteren”.[7] Sleutelbegrippen van het nieuwe denken zijn: algemeen welzijn, personalisme, solidariteit en subsidiariteit.

Centraal in het denken van de Kerk over de mens staat niet het woord ‘individu’, maar het woord ‘persoon’. Een mens wordt pas mens in relatie met anderen. Dan is hij in staat tot het ontvangen en geven van liefde. Hierin is hij ook beeld van de Drie-ene God, die liefde is en gemeenschap in zichzelf. Dit maakt dat de mens afhankelijk is van andere mensen en in die zin ook niet volledig autonoom kan zijn. De mens is geen soevereine instantie, die aan zichzelf genoeg heeft. God heeft ons niet als individu aan onszelf gegeven, maar als persoon naast de ander, als hulp aan de ander gelijk (Gn 2,18) en als hoeder van mijn broeder (Gn 4,9).

In 1967 verbreedt Paulus VI het blikveld van de Kerk tot de hele wereld.[8] Daarvoor was het denken vooral op Europa gericht. Hij pleit voor de ontwikkeling van de gehele mens en van alle mensen. Alle volken hebben recht op ontwikkeling. Na eerder Paulus VI zet Johannes Paulus II in 1987 het milieuvraagstuk uitgebreid op de kerkelijke agenda.[9] Wij kunnen niet ongestraft gebruik maken van alles wat levend of levenloos deel uit maakt van deze wereld. Onze natuurlijke hulpbronnen zijn niet onuitputtelijk en milieuvervuiling heeft ernstige gevolgen voor de wereldbevolking.

Johannes Paulus II heeft de sociale leer en de moraaltheologie met elkaar verbonden.[10] De menselijke waardigheid is hierin een verbindend element. Het gaat niet alleen om de waardigheid van iedere mens. Het gaat ook om de waardigheid van heel de mens, om ziel én lichaam, om alle denken en doen en vanaf het eerste begin tot het laatste moment van het leven. Benedictus XVI brengt in 2009 de vraagstukken van de globalisering, de migratie en de toenemende speculatie onder de aandacht.[11] De sociale leer van de Kerk is steeds in ontwikkeling en zal dit blijven om steeds weer te kunnen reageren op de voortdurend veranderende situatie in de wereld.

Groen zijn

Volgens Benedictus XVI is ‘groen zijn’ een morele en religieuze noodzaak: “Goede en effectieve maatregelen tegen de verspilling en vernietiging van de schepping kunnen alleen ontwikkeld en gerealiseerd worden, begrepen en nageleefd worden, als de schepping vanuit Gods standpunt wordt gezien.”[12] Duurzaamheid staat ook niet los van gerechtigheid. Onverantwoorde levenskeuzes en leefstijlen bedreigen niet alleen de aarde, zij maken ook het leven van de armen nog moeilijker.

De teksten van Benedictus XVI over het milieu zijn samengebracht in ‘Tien geboden voor het milieu’.[13] Het zijn tien hoofdthema’s van het denken van de Kerk over het milieu. De mensheid moet een verantwoordelijke beheerder van de schepping zijn. Wij zijn geroepen om door onze levensstijl te getuigen dat alles en iedereen is geschapen om God eer te bewijzen. Dat onderscheidt ons van de seculiere milieubeweging. Het is God die centraal staat, niet de mens. Gods liefde geeft ons de moed en de hoop het milieuprobleem aan te pakken. Samen met God werkt de mens als medeschepper aan een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

1e gebod: Gebruiken, niet misbruiken

De mens staat aan het hoofd van de schepping en moet haar overeenkomstig Gods plan op verantwoordelijke wijze beheren en gebruiken. Het scheppingsverhaal leert ons dat de mens door God is belast met het beheer van de schepping: “God sprak: ‘Nu gaan wij de mens maken, als beeld van ons, op ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’” (Gen 1,26) Wij hebben de opdracht de schepping te gebruiken en verder te ontwikkelen. We zijn echter ook in staat haar te misbruiken en te vernietigen.

2e gebod: Weinig minder dan een God

De natuur is geen gebruiksobject dat kan worden gemanipuleerd en geëxploiteerd, en ook geen absolute waarde die boven de menselijke waardigheid staat. Sinds Darwin de evolutieleer ontdekte, is voor velen ook het mensbeeld veranderd. Psalm 8 zegt ons: “Wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt, de zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat? Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt en hem met glorie en luister gekroond.” Ook al is de mens de beheerder van de schepping, hij maakt er ook deel van uit. De waarde van de mens gaat de schepping te boven, maar het menselijk bestaan is ook afhankelijk van de schepping. De mens mag de schepping niet willekeurig manipuleren, maar hij moet zich ook niet passief onderwerpen aan de grillen van de natuur.

3e gebod: Eén voor allen, allen voor één

Het is een gezamenlijke plicht het milieu te respecteren als een collectief bezit, bestemd voor de huidige en de toekomstige generaties. Algemeen welzijn, solidariteit, vrede en gerechtigheid staan in directe relatie met duurzaamheid. De mensheid van heel de wereld en van alle tijden vormt één grote familie. Het bereiken van positieve resultaten vraagt ieders inspanning en de samenwerking van velen, waaronder politici, wetenschappers en economen.

4e gebod: Het is geen ‘brave new world’

Bij milieuproblemen gaan ethiek en menselijke waardigheid boven techniek. Aldous Huxley beschrijft in zijn roman ‘Brave New World’ een toekomstige wereld die totaal door technologie en rationaliteit wordt beheerst. Rationaliteit, wetenschap en techniek zijn ons door God als een geschenk in handen gegeven. Een goed gebruik van deze op zichzelf neutrale instrumenten vraagt een ethische afweging, een toetsing aan de waarden die het geloof ons leert.

5e gebod: Gaia is geen god

De natuur is niet goddelijk en zo lang de schepping en de natuurlijke orde worden gerespecteerd, is menselijk ingrijpen goed. In de Griekse mythologie is Gaia de oermoeder, Moeder Aarde. In onze tijd is dit beeld van een goddelijke aarde nieuw leven ingeblazen. Hiermee krijgt de mens een ondergeschikte positie ten opzichte van de aarde. De Bijbel leert ons echter dat de aarde door God is geschapen en dat zij aan de mens is toevertrouwd: de aarde is een geschenk van God aan de mens. Het gebruik van geschenken vraagt dat wij respect hebben voor de bedoelingen van de schenker.

6e gebod: Vooruitgang tot welke prijs?

Economisch en ecologisch beleid moeten op elkaar afgestemd worden. Naast de economische zijn ook de ecologische kosten van belang. Ons economisch handelen wordt over het algemeen vooral door de direct zichtbare kosten bepaald. Eventuele negatieve effecten voor het milieu blijven daarmee meestal buiten beschouwing. Economische en ecologische ontwikkelingen mogen niet los van elkaar worden gezien. De aarde en de natuur zijn niet onuitputtelijk: er zijn grenzen. Binnen de mogelijkheden van de schepping moet de mens streven naar het algemeen welzijn van iedereen.

7e gebod: Stromen als een rivier

Het stoppen van de wereldwijde armoede vraagt eerlijke verdeling van alle grondstoffen. In 2005 stelt Benedictus XVI: “De aarde kan werkelijk voldoende voortbrengen om al haar bewoners te voeden, op voorwaarde dat de rijke landen niet dat wat aan iedereen toebehoort, voor zichzelf houden.”[14] Solidariteit en gerechtigheid zijn pijlers van de sociale leer van de Kerk. Zij richten bij de verdeling van schaarste onze aandacht op de positie van de armen. Het zijn de armen die het eerst en het meest onder de gevolgen van milieurampen te lijden hebben.

8e gebod: We zitten in hetzelfde schuitje

Het recht op een veilige en schone leefomgeving moet door wereldwijde samenwerking en internationale akkoorden beschermd worden. Zonder internationale samenwerking en mondiale structuren komen we niet tot een duurzame samenleving. Naast vrijwillige samenwerking is er ook internationale regelgeving noodzakelijk. Iedere mens heeft recht op een schoon milieu.

9e gebod: Discipline is niet een vies woord

Milieubescherming vereist een andere levensstijl. We moeten ons afkeren van consumentisme en productiemethoden nastreven die de natuurlijke orde respecteren en waarmee we kunnen voorzien in de basisbehoeften van alle levende wezens. Het zal iedereen volstrekt duidelijk zijn, dat we niet door kunnen gaan met onze Westerse manier van leven en overconsumptie. Dat vraagt discipline en een andere mentaliteit. We moeten van een mentaliteit van ‘hebben’ naar een mentaliteit van ‘zijn’ met nadruk op waarden als waarheid, schoonheid, deugdzaamheid en gemeenschap.

10e gebod: Alles is gegeven

Milieuvraagstukken vragen om een spiritueel antwoord, geïnspireerd door het geloof dat de schepping een geschenk van God is. De mens is God dankbaar voor de schepping. Een goede omgang met de schepping, duurzaamheid en zorg voor het milieu vragen dat wij de schepping zien als een geschenk van God. Met dit geschenk openbaart God zijn liefde en goedheid aan ons. De dankbaarheid voor het geschenk brengt ons in beweging om ervan te getuigen, het goed en respectvol te gebruiken en het verder uit te bouwen tot een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Laudato si’

Benedictus XVI stelde de duurzaamheid aan de orde in preken, toespraken en boodschappen. Franciscus gaat een stap verder door het kerkelijk denken over duurzaamheid vast te leggen in een encycliek. Een encycliek is een leerstellig document. De inhoud is niet dogmatisch, maar maakt wel deel uit van de katholieke leer in bredere zin. De sociale leer van de Kerk is vastgelegd in een serie encyclieken te beginnen in 1891 met Rerum novarum van Leo XIII.

Hoofdstuk 1: Wat gebeurt er met ons gemeenschappelijk huis

De paus beschrijft de bedreigingen die uitgaan van klimaatverandering, temperatuurstijging, vervuiling van water en verlies van biodiversiteit. Deze bedreigingen – waaraan de mens medeschuldig is – treffen alle mensen maar vooral de armen. “De aarde, ons huis, begint steeds meer op een enorme vuilnisbelt te lijken.” (21) “Deze problemen zijn nauw verbonden met de wegwerpcultuur, die zowel de uitgesloten mensen betreft als ook voorwerpen snel reduceert tot afval.” (22) “Klimaatverandering is een mondiaal probleem met ernstige gevolgen…” (25) “Omdat alle schepselen met elkaar zijn verbonden, moeten alle met liefde en respect gekoesterd worden, want wij allen zijn als levende schepselen van elkaar afhankelijk.” (42)

“Tot de sociale aspecten van de mondiale veranderingen behoren ook de gevolgen van de technologische innovaties op het gebied van de arbeid, de sociale uitsluiting, de ongelijkheid in de verdeling en het gebruik van energie en andere diensten, de afbraak van de gemeenschap, de toename van geweld en de opkomst van nieuwe vormen van sociale agressie, drugshandel en toenemend drugsgebruik door jongeren, en het verlies aan identiteit.” (46) “Het menselijke milieu en het natuurlijke milieu verslechteren in samenhang met elkaar; wij kunnen de achteruitgang van het milieu niet adequaat bestrijden zonder ook aandacht te besteden aan de oorzaken die verband houden met de menselijke en sociale achteruitgang.” (48)

Hoofdstuk 2: Het evangelie van de schepping

Ons wereldbeeld is van grote invloed op de wijze waarop wij met de wereld omgaan. “Als wij werkelijk een ecologie willen ontwikkelen die ons in staat stelt de schade die we hebben veroorzaakt, te herstellen dan mag geen enkele wetenschap en geen enkele vorm van wijsheid uitgesloten worden, ook de religies niet met haar eigen taal.” (63) De mens is deel van de schepping, is ervan afhankelijk en draagt er verantwoordelijkheid voor. De schepping is er voor alle mensen, nu en in de toekomst. De schepping is aan de mens gegeven om haar te bewerken en te beheren, niet om haar aan onze wil te onderwerpen. Zij is ons gegeven om te gebruiken, niet om te verbruiken. De schepping bewerken en met respect beheren betekent, dat we haar verder mogen ontwikkelen maar haar ook moeten verzorgen en beschermen.

“De verantwoordelijkheid voor Gods aarde betekent dat de mensen (…) de wetten van de natuur en het delicate evenwicht dat er tussen de schepselen van deze wereld bestaat, moeten respecteren…” (68) “We worden ook opgeroepen te onderkennen dat de andere levende wezens in de ogen van God hun eigen waarde hebben en Hem alleen al met hun bestaan loven en verheerlijken…” (69) “Wij hebben de vrije keuze met onze intelligentie aan een positieve ontwikkeling bij te dragen of nieuwe rampen te veroorzaken…” (79) “God wil de onderlinge afhankelijkheid van de schepselen.” (86) De paus pleit voor een holistische en allesomvattende visie. “Vrede, gerechtigheid en behoud van de schepping zijn drie absoluut met elkaar verbonden thema’s…” (92)

Hoofdstuk 3: De menselijke oorzaken van de ecologische crisis

Er is een culturele revolutie nodig. Teveel wordt ons denken beheerst door wetenschap en technologie, door geld en markt. Wetenschap en technologie zijn geschenken van God, maar vragen om verantwoord gebruik met respect voor mens en natuur. “We moeten onderkennen dat kernenergie, biotechnologie, informatietechnologie, kennis van ons DNA en vele andere vaardigheden die wij ons eigen hebben gemaakt, ons een enorme macht hebben gegeven.” (104) “De neiging bestaat te geloven dat iedere toename van macht een groei in vooruitgang betekent (…), alsof de werkelijkheid, het goede en de waarheid automatisch uit de technologische en economische kracht zelf voortvloeien.” (105) “Het technocratische paradigma neigt de economie en de politiek te domineren.” (109) Winstmaximalisatie zou voldoende zijn om tot een betere wereld te komen. Mensen en schepping mogen niet ondergeschikt zijn aan winstbejag en eigenbelang.

De ecologische crisis komt voort uit een ethische, culturele en spirituele crisis. “Als we er niet in slagen de waardigheid van de arme, van het ongeboren kind en van de gehandicapte (…) te erkennen als deel van de werkelijkheid, wordt het moeilijk het hulpgeroep van de natuur zelf te horen; alles is met elkaar verbonden.” (117) Door onszelf centraal te stellen en absoluut voorrang te geven aan ons eigen gemak en plezier, wordt al het andere betrekkelijk en onbelangrijk. “Het verstandig ontwikkelen van de schepping is de beste manier om voor haar te zorgen. Dit betekent dat wijzelf het gereedschap van God worden om de mogelijkheden die Hij zelf in alles heeft gelegd tot ontplooiing te brengen.” (124)

Hoofdstuk 4: Integrale ecologie

Franciscus pleit voor een integrale ecologie met duidelijk respect voor menselijke en sociale aspecten. De natuur staat niet los van de mensen. Het milieu is de samenhang tussen de natuur en de mensen die er leven. De natuur heeft niet alleen gebruikswaarde voor de mens, maar is ook waardevol op zichzelf. Ook vragen de culturen van de verschillende volkeren bescherming. Een integrale ecologie hangt direct samen met vrede en veiligheid, met stabiliteit en gerechtigheid, met de wijze waarop mensen met elkaar samenleven van dag tot dag, nu en in de toekomst.

Hoofdstuk 5: Wegen naar aanpak en actie

In dit hoofdstuk beschrijft de paus wegen tot verder gesprek en tot activiteiten om aan de spiraal van zelfvernietiging te ontkomen. “Onderlinge afhankelijkheid verplicht ons te denken in termen van één wereld met een gezamenlijk plan.” (164)

“Voor arme landen moet de prioriteit liggen bij de uitroeiing van extreme armoede en de bevordering van de sociale ontwikkeling van de bevolking. (…) Evengoed moeten ook zij minder verontreinigende vormen van energieproductie ontwikkelen, maar daarbij hebben zij de hulp nodig van landen die ten koste van de voortdurende vervuiling van de planeet grote groei hebben doorgemaakt.” (172) “Gegeven de situatie is het wezenlijk tot sterkere en efficiënter georganiseerde internationale instellingen te komen met functionarissen die bevoegd zijn tot het uitdelen van sancties en die aangesteld worden bij overeenkomst tussen de nationale regeringen.” (175)

Hoofdstuk 6: Ecologische opvoeding en spiritualiteit

Politici en wetenschappers zijn verantwoordelijk voor concrete maatregelen. De paus biedt een moreel kompas aan, niet alleen voor de politiek, maar voor iedere mens. Hij heeft het over een ecologische bekering en een ecologische spiritualiteit. “Vele zaken moeten veranderen, maar bovenal moeten wij mensen veranderen.” (202) “Mensen geloven dat ze vrij zijn zolang ze de vermeende vrijheid tot consumeren hebben.” (203) “Hoe leger iemands hart is, hoe meer hij of zij de behoefte heeft om zaken te kopen, te bezitten en te consumeren. Het wordt bijna onmogelijk om de grenzen te accepteren die de realiteit oplegt.” (204)

Wij mensen moeten een nieuwe levensstijl aannemen. Mensen zijn “in staat boven zichzelf uit te stijgen, opnieuw voor het goede te kiezen en een nieuwe start te maken.” (205) “Het is nodig dat politieke organisaties en vele andere sociale groeperingen werk maken van het verhogen van het bewustzijn bij de mensen. Dat geldt ook voor de Kerk.” (214)

“Christelijke spiritualiteit biedt een alternatief begrip van de kwaliteit van het leven en zij moedigt aan tot een profetische en bezinnende manier van leven, een levensstijl die vervuld is van diepe vreugde, vrij van de obsessie voor het consumeren. (…) Het gaat om de overtuiging ‘minder is meer’.” (222) Soberheid maakt vrij. “Echter niemand is in staat tot een leven van soberheid en tevredenheid, als hij of zij niet in vrede met zichzelf leeft. (…) Innerlijke vrede is nauw verbonden met de zorg voor de ecologie en het algemeen welzijn…” (225)

[1]     Paulus VI, Octogesima adveniens, 1971.

[2]     http://w2.vatican.va/content/john-paul-ii/en/messages/peace/documents/hf_jp-ii_mes_19891208_xxiii-world-day-for-peace.html.

[3]     Pius IX, Quanta cura, 1864.

[4]     Leo XIII, Rerum novarum, 1891.

[5]     Pius XI, Quadragesimo anno, 1931.

[6]     Johannes XXIII, Mater et Magistra, 1961.

[7]     Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale constitutie Gaudium et spes, 1965, 4.

[8]     Paulus VI, Populorum progressio, 1967.

[9]     Johannes Paulus II, Sollicitudo rei socialis, 1987.

[10]    Johannes Paulus II, Redemptor hominis, 1979.

[11]    Benedictus XVI, Caritas in veritate, 2009.

[12]    http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2008/august/documents/hf_ben-xvi_spe_20080806_clero-bressanone_en.html.

[13]    Woodeene Koenig-Bricker, Ten Commandments for the Environment: Pope Benedict XVI Speaks Out for Creation and Justice, Notre Dame: Ave Maria Press, 2009.

[14]    http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2005/june/documents/hf_ben-xvi_spe_20050616_ambassadors_en.html.

Dienstbaar zijn; Hnd 15,1-2.22-9; Joh 14,23-29

“Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden…” Jezus geeft met een paar woorden aan wat het betekent christen te zijn. Het is geen moeilijke vraag die Hij ons stelt. Wij mensen doen graag wat een geliefde van ons vraagt. Als we van iemand houden, willen we het die persoon graag naar de zin maken. Maar ook al klinkt het eenvoudig, de uitvoering is niet direct duidelijk. Hoe onderhouden we eigenlijk het woord van Jezus? Hoe maken wij het Hem naar de zin?

Uit de eerste lezing uit de Handelingen der Apostelen blijkt  hoe moeilijk de eerste leerlingen het hiermee hebben. Zij zien het christendom als een verlengde van het jodendom en daar hoort ook het onderhouden van de Wet van Mozes bij. Jezus heeft ook gezegd dat Hij geen punt of komma aan die Wet verandert. Maar hoe zit het met de christenen die uit het heidendom voortkomen? Zij zijn geen joden en achten zich ook niet gebonden aan de Wet van Mozes. Het meningsverschil loopt hoog op. Ook toen al konden christenen het hartgrondig met elkaar oneens zijn. Er wordt besloten de zaak aan de apostelen voor te leggen. Zij doen met hulp van de heilige Geest een uitspraak en besluiten mensen geen onnodige zware lasten op te leggen. De barmhartigheid wint het van de wetten en de regels.

Jezus schafte de Wet van Mozes niet af, maar legde wel een nieuw accent. Het binnen de Wet van Mozes centrale gebod van de liefde wordt er door Jezus bovenuit getild. Vorige week hoorden we Jezus in het Evangelie zeggen: “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet gij ook elkaar liefhebben.” Het gebod van de liefde is zoals gezegd niet nieuw. Het komt ook in de Wet voor Mozes voor. Jezus echter tilt dit gebod erboven uit. Het gaat voor alles om de liefde. En Jezus geeft aan hoe wij dat kunnen doen. Hij geeft zelf het voorbeeld. Jezus geeft ons geen uitgebreide uitleg over hoe we elkaar moeten liefhebben. Nee, Hij laat ons met zijn eigen leven zien hoe je dat kunt doen. Hij laat ons zien hoe Hij zijn Vader liefheeft. Hoe zijn Vader Hem liefheeft. Hij laat ons zien hoe Hij die liefde deelt met alle mensen. Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (Joh 14,6) Hij laat ons zien hoe je goed kunt leven en hoe je kunt liefhebben. Hij doet het ons voor en zegt tegen ons: doe zoals ik doe, dan word je gelukkig.

Vijftig jaar geleden was het Tweede Vaticaanse Concilie. Dit Concilie bracht de Kerk terug naar de plaats waar zij thuishoort: midden tussen de mensen. De pastorale constitutie ‘Gaudium et spes’ begint met: “De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens,  vooral van de armen en van alle lijdenden, zijn ook de vreugde en de hoop,  het leed en de angst van Christus’ leerlingen;  en er is niets echt menselijks, of het vindt weerklank in hun hart.” Opnieuw wordt de liefde van mensen voor elkaar centraal gesteld. De Kerk vertaalt dit tot een houding van dienstbaarheid. De hele Kerk wil dienstbaar zijn aan alle mensen. Zij voelt zich ten diepste verbonden met iedereen, met de gehele mensheid.

Deze dienstbaarheid van de Kerk krijgt mede gestalte  door het nieuw leven inblazen van het diaconaat, het ambt van de diaken. Maar de diaken is niet de enige  die de opdracht heeft vanuit en namens de Kerk dienstbaar te zijn. Het is de opdracht van de gehele Kerk om dienstbaar te zijn aan de mensheid  en het is de roeping van iedere christen om dienstbaar te zijn aan de medemens. Het is de taak van de diaken de dienstbaarheid van Kerk te bevorderen. Hij doet dit door zelf dienstbaar te zijn en met woorden en daden ook anderen te motiveren tot dienstbaarheid.

De dienst van de diaken kent drie aspecten: de dienst van de tafel, de dienst van het woord en de dienst van de liefdewerken. De dienst van de liefdewerken is de meest bekende. Als we over diaconie of caritas spreken, hebben we het over deze dienst. Het gaat om het lenigen van concrete menselijke noden. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken en gevangen bezoeken en tenslotte doden begraven. De dienst van het woord wordt het meest concreet binnen de liturgie. Het is de taak van de diaken het Evangelie te lezen. En hij kan zoals vandaag de preek verzorgen. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer mogelijkheden  om de Blijde Boodschap van Jezus Christus te verkondigen. De diaken treedt met woord en daad naar buiten.  Hij gaat vanuit de Kerk de maatschappij in, legt daar contacten, ziet wat daar leeft en brengt dat terug de Kerk in. Hij brengt de noden van de samenleving ter sprake binnen de Kerk. Tenslotte de dienst van de tafel. Het is de taak van de diaken  de priester tijdens de Eucharistieviering te assisteren. Dit is een liturgische functie. Het heeft een symboolwerking. De dienstbaarheid van de diaken in de liturgie staat symbool voor het handelen van de Kerk naar buiten.

Jezus heeft gezegd: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc 10,45). De diaken mag de dienstbaarheid van Jezus in de Kerk en in de wereld zichtbaar maken en aan de orde stellen. Hij mag Christus Dienaar binnen en buiten de Kerk present stellen. Ik hoop van harte dat met uw medewerking hier te kunnen doen.  En vragen ook wij de heilige Geest ons allen daarbij te helpen. Amen.

Gemeenschap in Christus; Hnd 14,21-27; Apk 21,1-5; Joh 13,31-35

Vandaag gaan de lezingen over gemeenschap. In de Handelingen van de apostelen lezen we hoe er een nieuwe gemeenschap wordt opgebouwd. Ze houden elkaar bij de les door over God en zijn werk te blijven spreken. Hierdoor zijn ze in staat ook de tegenslagen gezamenlijk te dragen. Er worden mensen aangesteld om verantwoordelijkheden op zich te nemen. Mensen nemen hun dienstwerk binnen de gemeenschap op zich en zij mogen zich door de gemeenschap gedragen weten. Johannes ziet in zijn visioen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Christus, die op de troon is gezeten, zegt: “Zie, ik maak alles nieuw.” In de ideale gemeenschap woont God onder de mensen. God en mensen vormen één gemeenschap en er is geen rouw, geen geween en geen smart; al het oude is voorbij. Jezus vertelt ons hoe de verrezen en verheerlijkte Christus de bron van gemeenschap is. Hij is het ware gezicht van Gods liefde en barmhartigheid. Hij vormt het fundament van de gemeenschap in en met Hem. Aan die gemeenschap is het toevertrouwd Gods liefde voor allen te verkondigen en in de praktijk te brengen.

Vijftig jaar geleden was het Tweede Vaticaanse Concilie. Dit Concilie bracht de Kerk terug naar de plaats waar zij thuishoort: midden tussen de mensen. De pastorale constitutie ‘Gaudium et spes’ begint met: “De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens, vooral van de armen en van alle lijdenden, zijn ook de vreugde en de hoop, het leed en de angst van Christus’ leerlingen; en er is niets echt menselijks, of het vindt weerklank in hun hart.” Twee elementen van de Kerk en van het christendom krijgen nieuwe aandacht: dienstbaar zijn en gemeenschap vormen. De hele Kerk wil dienstbaar zijn aan alle mensen. Zij voelt zich ten diepste verbonden met iedereen, met de gehele mensheid. Deze dienstbaarheid van de Kerk krijgt mede gestalte door het nieuw leven inblazen van het diaconaat, het ambt van de diaken. Maar de diaken is niet de enige die de opdracht heeft vanuit en namens de Kerk dienstbaar te zijn. Het is de opdracht van de gehele Kerk om dienstbaar te zijn aan de mensheid en het is de roeping van iedere christen om dienstbaar te zijn aan de medemens.

Het tweede element is het vormen van gemeenschap, communio. Communio was een veel gebruikt woord in de jaren na het Concilie. Een belangrijke uitdrukking daarvan is de Kerk zien als het volk Gods. Maar wat betekent het: het volk Gods te zijn? Wat is een gemeenschap in Christus? Wat is een gemeenschap gebaseerd op liefde en barmhartigheid? We kennen het begrip gemeenschap uit ons dagelijks leven. We vormen gemeenschappen als gezin, als familie, als vrienden, als collega’s, als leden van verenigingen, als buurtgenoten als volk et cetera. Is een gemeenschap in Christus iets geheel anders? Het antwoord lijkt mij: ja en nee, oftewel ze liggen in elkaars verlengde.

Ruim tien jaar geleden schreef paus Benedictus de encycliek ‘Deus caritas est’. Met deze brief ‘God is liefde’ liet hij zien hoe de goddelijke en de menselijke liefde in elkaars verlengde liggen. Ze staan niet los van elkaar, ze zijn met elkaar verbonden. Je zou bij wijze van spreken ook kunnen zeggen: ze zijn van het zelfde materiaal gemaakt. Zo mogen we ook ons menselijk begrijpen en menselijk aanvoelen gebruiken om in te zien wat een gemeenschap in Christus is. We kunnen de goddelijke vorm van gemeenschap zien als de meest volmaakte vorm van een menselijke gemeenschap.

De goddelijke vorm van gemeenschap vinden we in de gemeenschap die door de heilige Drie-eenheid wordt gevormd. Hier is geen na-ijver en geen eigenbelang. Hier is alleen wederzijdse liefde, harmonie en dienst aan elkaar. Onze menselijke gemeenschap heeft dit beeld als na te streven ideaal voor ogen. Als we spreken over een gemeenschap in Christus is dat een gemeenschap die dit ideaal van liefde, harmonie en dienstbaarheid nastreeft. Zo’n gemeenschap sluit niet uit. Zij is niet exclusief, maar juist inclusief. Iedereen is er welkom, iedereen hoort erbij. Zo’n gemeenschap is bestendig en duurzaam. Zij staat open naar de toekomst. Zij past zich aan en laat verandering en groei toe. Het is niet: ‘zo hebben wij het hier altijd gedaan en zo blijven we het dus doen’. Zij is niet zelfgenoegzaam. Zij is niet dwingend maar juist dienend naar elkaar. Zo’n gemeenschap houdt rekening met iedereen en vooral met de kwetsbaren en met minderheden. Er is geen dictaat van de meerderheid. Het is niet de meeste stemmen tellen. Er is nadrukkelijk aandacht voor de minderheid. De pijn en het verdriet van de één treft allen. Als er één lijdt, lijden allen. Het is zoals verstandige ouders ervoor zorgen dat ieder kind aan bod komt. Binnen zo’n gemeenschap gaat het niet om rechten en plichten, maar draagt ieder naar vermogen zijn verantwoordelijkheid. Er is respect voor elkaar, voor het geheel en voor de instituties en tradities. Ambten en instituties zijn niet het eigendom van de dragers ervan, maar van de gemeenschap als geheel. De gemeenschap vertrouwt de verantwoordelijkheid toe aan bepaalde personen.

Zo’n gemeenschap wordt gedragen door goddelijke bezieling: door Gods woord en Gods liefde en barmhartigheid. Het is een gemeenschap van vrijheid en blijheid: vrij zijn om uit liefde voor de ander het goede te doen en daardoor blij te zijn. Ik wens u toe zo’n gemeenschap te vormen en uit te dragen. Amen.

Ze volgen Mij; Hnd 13,14.43-52; Joh 10,27-30

“Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en ze volgen Mij.” Het is ons gegeven de stem van Jezus te herkennen en naar Hem te kunnen luisteren. Dat is de genade van het geloof: dat wij niet doof zijn voor zijn stem. Wij horen zijn stem. Hij kent ons en Hij roept ons bij onze naam om Hem te volgen. Hij roept ons om ons met Hem te verbinden en Hem na te volgen, om te gaan lijken op Hem, te zijn zoals Hij is.

Vandaag is het roepingenzondag. Natuurlijk bidden wij vandaag voor roepingen tot het priesterschap en het diaconaat: vormen van christelijk leven waarmee Jezus Christus in deze wereld present gesteld wordt. Maar de basis daarvoor is de roeping die ons allemaal betreft: de roeping een christelijk leven te leiden. De roeping ons leven te verbinden met Christus, de roeping Hem na te volgen en aan Hem gelijkvormig te worden.

Het is het jaar van barmhartigheid. Jezus toont ons het gezicht van zijn Vader. Hij is het gezicht van de barmhartige Vader. Hij roept ook ons op barmhartig te zijn als zijn Vader. Onze bisschop noemt de Kerk een netwerk van liefde. Zij is geroepen het Evangelie te verkondigen en te bouwen aan een beschaving van liefde. Het verkondigen van het Evangelie is het uitdragen van de Blijde Boodschap van liefde en barmhartigheid. Wij worden geroepen om aan iedereen te vertellen over de liefde en barmhartigheid van God. Wij worden ook geroepen om die liefde en barmhartigheid concreet gestalte te geven. Zo bouwen wij aan een beschaving van liefde.

Paulus en Barnabas geven ons het voorbeeld. Zij spreken vrijmoedig over Gods liefde en barmhartigheid. Zij verkondigen de redding die Jezus ons gebracht heeft. Het is een boodschap die voor iedereen bestemd is, niet alleen voor de joden maar ook voor de heidenen. Dat gaat niet zonder tegenslag. Ook in die tijd was er verzet. De gevestigde belangen wensten hun positie niet te verliezen. Bezit en macht maken conservatief en behoudend. Elke verandering is een bedreiging. Er is een klimaat nodig waarin men openstaat voor verandering. Als dat op korte termijn niet verwacht wordt, is het beter de aandacht naar anderen te verplaatsen. We worden niet geroepen om te trekken aan een dood paard. Paulus en Barnabas vertrekken om elders het Evangelie te verkondigen.

Ook in onze tijd ervaren wij dat men vaak niet ontvankelijk is voor de boodschap van Evangelie. Het klimaat is momenteel niet gunstig. Vele mensen zijn vooral uit op eigenbelang en zoeken hun geluk in materiële zaken en piekervaringen. Paulus en Barnabas konden naar elders vertrekken. Dat is de meesten van ons niet gegeven. Maar dat betekent nog niet dat we maar bij de pakken moeten neerzitten. Als het klimaat niet gunstig is, kunnen we proberen het klimaat te veranderen. Uiteindelijk zijn wij zelf onderdeel van dat klimaat. Wij maken deel uit van de samenleving en van de huidige cultuur. Ons doen en laten, ons spreken en ons zwijgen gebeurt binnen de cultuur waarvan wij deel uitmaken, en heeft daarmee ook invloed op die cultuur. Wij zijn werkelijk in staat onze bijdrage te leveren aan een beter klimaat. Wij kunnen er met ons voorbeeld en met ons aanstekelijke gedrag voor zorgen dat de boodschap van het Evangelie in vruchtbare aarde valt. Dat doen we simpelweg door zichtbaar als een christen te leven.

Vandaag bidden we speciaal voor roepingen voor het gewijde ambt van priester en diaken. Het is hun taak speciale taken uit te voeren binnen de Kerk, binnen het netwerk van liefde dat door de Kerk gevormd wordt. Vandaag ervaren wij het gemis van een priester die ons kan voorgaan in de Eucharistie. Dat vraagt dat ook deze geloofsgemeenschap priesters voortbrengt. Daarom is het belangrijk dat ook wij een klimaat realiseren waarin roepingen goed gedijen: een klimaat waarin wij dergelijke roepingen stimuleren en het zelf aandurven ons te laten roepen en ook anderen op te roepen tot dienst aan de gemeenschap.

Die roeping is niet van jezelf. Je kunt het je niet toe-eigenen. Het is de Heer die je roept én het is de gemeenschap die je roept. De roepstem van de Heer wordt bekrachtigd door zijn volk. De geroepene stelt zich beschikbaar. Hij is degene die antwoord geeft. Hij herkent de stem van de Heer en tracht op die roepstem in te gaan door zich met Christus te verbinden en Hem na te volgen. Wij allemaal worden geroepen. Als ieder van ons gehoor geeft aan de roepstem van de Heer, zijn stem herkent en naar Hem luistert, dan bouwen wij samen de Kerk op tot een netwerk van liefde. Binnen zo’n gemeenschap zullen ook de roepingen voor bijzondere taken en voor bijzondere vormen van christelijk leven een goede voedingsbodem vinden. Te weinig roepingen is niet primair het probleem van de bisschop; het is het probleem van ieder van ons. Roeping begint bij onszelf. Amen.

Hoed mijn schapen; Joh 21,1-19

Johannes vertelt in zijn Evangelie hoe Jezus na zijn verrijzenis aan de leerlingen verschenen is. Bij de eerste verschijningen waren de leerlingen in Jeruzalem in een zaal bij elkaar. Nu is de situatie heel anders dan bij de vorige verschijningen. De leerlingen zitten niet meer bang in een afgesloten ruimte. Ze zijn weer terug in Galilea – hun eigen streek – en op initiatief van Petrus hebben ze hun werk – vissen – weer opgepakt. Het lijkt even alsof er helemaal niets gebeurd is. Maar dan is daar Jezus weer. Er moet nog een teken gedaan worden. En er moet nog iets gezegd worden. De boodschap is nog steeds niet helemaal duidelijk voor de leerlingen. Evenals in het verhaal van de Emmaüsgangers in het Evangelie volgens Lucas herkennen de leerlingen Jezus in eerste instantie niet. De Emmaüsgangers herkennen Jezus aan het breken van het brood. Nu is het de wonderbare visvangst die de leerlingen de ogen opent.

Na het ontbijt is er het gesprek tussen Jezus en Petrus. Petrus krijgt de opdracht de kudde te leiden. Ondertussen wordt hij herinnerd aan de avond voor de kruisiging. Toen heeft hij Jezus tot driemaal toe verloochend. Jezus kent Petrus. Hij weet dat Petrus niet zonder zonde is, maar Hij weet ook dat er een sterke liefde in hem is: een liefde die Petrus in staat stelt tot grote daden. Petrus is geen brave heilige, maar een mens zoals u en ik. Dat maakt hem zo sympathiek en tot een aansprekend voorbeeld. Dat maakt hem ook zo geschikt om de Kerk te leiden. Hij is vol liefde voor Christus, maar is geen haar beter dan de mensen die hij moet leiden. Dat maakt hem nederig en bescheiden. Petrus – de man met bravoure – weet dat ook hij een zondig mens is. Hij – met al zijn grootspraak – heeft op de eerste plaats Gods barmhartigheid nodig. Zonder de vergeving van zijn zonden kan hij niet verder. Zonder die vergeving kan zijn liefde voor Jezus niet bestaan.

Dit hele jaar staat in het teken van de barmhartigheid. Allereerst is er Gods barmhartigheid. Deze uit zich bovenal in de vergeving van onze zonden. Elke keer weer als wij spijt hebben van onze verkeerde gedrag, schenkt God ons vergeving. Elke keer weer biedt Hij ons de mogelijkheid van een nieuw begin. In zijn oneindige barmhartigheid accepteert Hij ons zoals wij zijn. Dit maakt het voor ons mogelijk ook onszelf te accepteren zoals wij zijn. Als wij onder ogen durven zien dat we niet volmaakt zijn, dat we niet perfect zijn en niet alles zelf kunnen, dat wij God en elkaar nodig hebben, pas dan kunnen we leven in vrede met onszelf. Dan zijn wij net als Petrus in staat tot liefde en zijn wij gelukkige mensen.

Onze zelfkennis maakt ons bescheiden. Vanuit die bescheidenheid ben je juist in staat grote dingen te doen. Niet vanwege zijn grootspraak, maar juist vanwege zijn bescheidenheid is Petrus de juiste man om de Kerk te leiden. Omdat hij barmhartigheid heeft ontvangen, is hij in staat ook voor anderen barmhartig te zijn. Door het kennen van onze eigen pijn en ons eigen verdriet kunnen wij met de pijn en het verdriet van de ander meeleven, daardoor zijn wij in staat tot medelijden en tot steun voor de ander. Bescheidenheid maakt dat ons gedrag voor de ander helend is, dat wij woorden van verlossing en bevrijding kunnen spreken door elkaar te vergeven, elkaar te troosten en elkaar te bemoedigen.

In het boekje ‘De naam van God is genade’ zegt de paus: “Strikt genomen betekent barmhartigheid je hart openen voor mensen die het moeilijk hebben. En dan komen we meteen bij de Heer: barmhartigheid is de goddelijke wil om te omarmen, waarmee God ons welkom heet door zichzelf te geven en door zich naar ons toe te buigen om ons te vergeven. Jezus heeft gezegd dat Hij niet is gekomen voor de rechtvaardigen, maar voor de zondaars. Hij is niet gekomen voor de gezonde mensen die geen arts nodig hebben, maar voor de zieken.” Ook wij worden opgeroepen er te zijn voor de armen en de gewonden. Mensen van onze tijd zijn gewond door armoede, gewond door uitsluiting en gewond door verslaving. Mensen denken ook dat zij onbehandelbaar zijn omdat zij de vergeving niet kennen.

Jezus laat ons zien hoe ook wij barmhartig kunnen zijn, hoe wij God en elkaar kunnen liefhebben, elkaar kunnen vergeven, en hoe wij in vrede kunnen leven. Jezus laat ons zien hoe wij op God kunnen vertrouwen en hoe wij de waarheid op het spoor kunnen komen. Jezus heeft het ons voorgeleefd: Hij is onze weg, waarheid en leven. (Joh 14,6)

De afgelopen jaren is er in de Kerk steeds meer aandacht voor de barmhartigheid. Vorige week vierden we de zondag van de goddelijke barmhartigheid. Paus Johannes Paulus II besloot Beloken Pasen deze naam te geven. De huidige paus Franciscus riep het jaar van barmhartigheid uit. Afgelopen vrijdag verscheen de brief Amoris laetitia, de vreugde van de liefde. Met deze brief over huwelijk en gezin maakt de paus duidelijk dat barmhartigheid belangrijker is dan het stellen van regels. De toekomst van de Kerk ligt in woorden en daden van liefde en barmhartigheid, niet in het uitspreken van verboden en elkaar de maat nemen. Dat gaat niet ten koste van onze idealen. Amen.

Vrede zij u; Hnd 5,12-16; Joh 20,19-31

Na zijn verrijzenis is het eerste wat Jezus tegen zijn leerlingen zegt: “Vrede zij u.” Dat zijn woorden die ook vandaag veel betekenis hebben. Voortdurend bidden wij om vrede in de wereld. Maar ook vrede in en met onszelf is van groot belang. Zonder die vrede zijn wij niet gelukkig. Johannes schrijft dat Jezus na zijn verrijzenis nog vele tekenen heeft gedaan, opdat wij mogen geloven dat Hij de Zoon van God is. En door het geloof mogen wij leven in zijn Naam. Jezus doet niet alleen vele tekenen. Hij schenkt ons ook de heilige Geest, Hij geeft ons vrede en Hij zegt ons dat wij elkaar mogen vergeven.

Niet alleen deze zondag, maar dit hele jaar staat in het teken van de barmhartigheid. Allereerst is er Gods barmhartigheid. Deze uit zich bovenal in de vergeving van onze zonden. Elke keer weer als wij spijt hebben van onze verkeerde gedrag, schenkt God ons vergeving. Elke keer weer biedt Hij ons de mogelijkheid van een nieuw begin. In zijn oneindige barmhartigheid accepteert Hij ons zoals wij zijn. Dit maakt het voor ons mogelijk ook onszelf te accepteren zoals wij zijn. Als wij onder ogen durven zien dat we niet volmaakt zijn, dat we niet perfect zijn en niet alles zelf kunnen, dat wij God en elkaar nodig hebben, pas dan kunnen we leven in vrede met onszelf. Dan wordt de vrede die Jezus ook ons wenst, werkelijkheid en zijn wij gelukkige mensen.

Bij de aankondiging van dit heilig jaar van barmhartigheid schrijft de paus: “Wij willen dit Jubeljaar beleven in het licht van het woord van de Heer: barmhartig als de Vader.” Hij verwijst hiermee naar het Evangelie volgens Lucas: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is.” (Lc 6,36) Jezus heeft ons laten zien wat barmhartigheid is: In het Lucasevangelie zegt Hij over zichzelf: Ik ben “gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid.” (Lc 4,18-19) In de eerste lezing uit Handelingen hebben we gehoord hoe de apostelen Jezus hierin navolgen. Ook zij zijn barmhartig als de Vader. En dit is wat er ook van ons gevraagd wordt: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is.” Dat vraagt niet dat wij wonderen doen. Dat vraagt wel dat ook ons gedrag voor anderen helend is, dat wij woorden van verlossing en bevrijding spreken door elkaar te vergeven, elkaar te troosten en elkaar te bemoedigen.

In het boekje ‘De naam van God is genade’ zegt de paus: “Strikt genomen betekent barmhartigheid je hart openen voor mensen die het moeilijk hebben. En dan komen we meteen bij de Heer: barmhartigheid is de goddelijke wil om te omarmen, waarmee God ons welkom heet door zichzelf te geven en door zich naar ons toe te buigen om ons te vergeven. Jezus heeft gezegd dat Hij niet is gekomen voor de rechtvaardigen, maar voor de zondaars. Hij is niet gekomen voor de gezonde mensen die geen arts nodig hebben, maar voor de zieken.” Ook wij worden opgeroepen er te zijn voor de armen en de gewonden. Mensen van onze tijd zijn gewond door armoede, gewond door uitsluiting en gewond door verslaving. Mensen denken ook dat zij onbehandelbaar zijn omdat zij de vergeving niet kennen. De mens van vandaag kent geen barmhartigheid, niet voor de ander maar ook niet voor zichzelf. In onze cultuur wordt de nood van de ander maar al te gemakkelijk gezien als: ‘eigen schuld, dikke bult’. Als wij niet in staat zijn elkaar te vergeven, zijn we ook niet in staat elkaar – op wat voor wijze dan ook – bij te staan.

In zijn oneindige barmhartigheid heeft God ons zijn Zoon gegeven. Jezus is voor ons mens geworden. Hij laat ons zien wie God werkelijk is: God is liefde, zijn barmhartigheid en goedheid kennen geen grenzen, God zoekt ons tot het einde toe. Als mens laat Jezus ons zien hoe ook wij barmhartig kunnen zijn, hoe wij God en elkaar kunnen liefhebben, elkaar kunnen vergeven, en hoe wij in vrede kunnen leven. Jezus laat ons zien hoe wij op God kunnen vertrouwen en hoe wij de waarheid op het spoor kunnen komen. Jezus heeft het ons voorgeleefd: Hij is onze weg, waarheid en leven. (Joh 14,6) De liefde tot het einde toe die Jezus ons bewijst, brengt ons de redding: daardoor zijn wij verlost. Nu zijn wij vrij en kunnen goed doen en barmhartig zijn. God bevestigt dit door Jezus weer tot leven te wekken en uit de dood te doen opstaan.

Jezus geeft ons de heilige Geest, de Helper. De heilige Geest helpt ons te geloven en te vertrouwen. Hij stelt ons in staat goed en in vrede te leven: de ander lief te hebben en te vergeven. De heilige Geest doet ons leven in Jezus’ Naam. De heilige Geest maakt ons ontvankelijk voor de goddelijke barmhartigheid. De heilige Geest maakt het mogelijk dat ook wij barmhartig zijn als de Vader. Amen.

Waar zijn wij?

Wij waken bij onze dierbare overledenen en we vertellen elkaar verhalen, eindeloze verhalen. Het zijn verhalen die ons troosten, verhalen van dankbaarheid en verhalen die ons hoop geven. Het is iets van alle tijden. Gisteren nog was een groot deel van de krant met dergelijke verhalen gevuld. Er was een groot voetballer overleden.

In deze traditie staat ook de Paaswake: van de invallende duisternis tot het licht van de morgen wordt de nacht biddend en wakend doorgebracht. De grote verhalen van ons geloof en van de heilsgeschiedenis worden verteld. We zien uit naar het licht van de morgen, het licht van Pasen, het licht van de verrezen Christus. In deze nacht waken we bij het graf van Jezus van Nazareth. Hij heeft zijn boodschap van liefde met de dood moeten bekopen. We verkeren tussen licht en donker. En wij vragen ons vertwijfeld af: Waar zijn wij? We lezen de verhalen die ons altijd op de been hebben gehouden. We lezen hoe God de wereld gewild heeft en hoe Hij alles wat Hij gemaakt heeft, goed vindt. We lezen hoe God de mensen steeds weer redt. Hoe Hij hen verlost uit de slavernij. Hij trekt zich het lijden van zijn volk aan en tegen Mozes zegt Hij: Mijn Naam is: Ik zal er zijn. Het zijn verhalen uit een ver verleden, verhalen die de geschiedenis van God met de mensen vertellen. Deze verhalen vertellen ons hoe God met mensen omgaat, ook vandaag.

Met de vrouwen zijn wij bij het lege graf. Het gaat ons rationele denken te boven. Dit kan niet bestaan: dood is dood. Wat de vrouwen zeggen is ook maar een mening. Dat staat ze vrij. Toch nog maar even samen met Petrus het graf in lopen. Is het dan toch waar? Hij is er niet! Later die dag zal Hij met twee leerlingen meelopen naar Emmaus. Zij herkennen Hem in het breken van het brood en zij geloven: De Heer is waarlijk verrezen! En Paulus legt ons uit dat ook wij met Hem zullen verrijzen. Ook wij mogen eeuwig leven.

Jezus Christus, Hij stierf een schandelijke dood aan het kruis. Nu heeft God Hem doen opstaan uit de dood. Hij ging in zijn liefde voor ons tot het uiterste toe, tot in de dood. Nu heeft Hij het kwaad en de dood overwonnen en wij mogen delen in de overwinning van onze leider. Maar willen wij werkelijk bij Hem zijn? Is Hij echt onze leider of slechts een mooi voorbeeld? Waar zijn wij en wie is Hij voor ons?

Twee weken geleden verscheen het rapport: God in Nederland. Dit is de vijfde editie van dit onderzoek en zo hebben wij een beeld van 50 jaar christendom in Nederland. Vooral voor hen die houden van de kerk waarmee ze zijn opgegroeid, is het een beeld waar je niet vrolijk van wordt.

In zijn algemeenheid neemt de gelovigheid van de Nederlanders af en de toch nog omvangrijke groep die op een of andere manier gelooft, doet dat bij voorkeur niet binnen een kerkelijk verband: ‘Believing without belonging’, geloven zonder ergens bij te horen. Vrij algemeen is het idee dat geloven een privéaangelegenheid is. Geloven hoort achter de voordeur. Ook binnen de Kerk hoor je velen zeggen dat ze best zonder de Kerk kunnen. Om te geloven heb je de Kerk niet nodig. Er zijn vele vormen van geloof waarvoor dat zonder meer geldt, maar hoe zit dat met het christendom?

De apostel Johannes heeft de boodschap van Jezus Christus zeer kernachtig met drie woorden samengevat: “God is liefde.” Dat is de kern van ons geloof en dus kunnen we zeggen: Geloven is liefhebben. Liefhebben doe je niet in je eentje. Daar heb je anderen voor nodig. Liefhebben in je eentje komt niet verder dan eigenliefde en egocentrisme. Dat is niet de boodschap die Jezus ons gebracht heeft. Onze bisschop noemt in het nieuwe ‘Bisdom Magazine’ – u vindt het achter in de kerk – de Kerk “een netwerk van liefde”. Waar zijn wij? Willen wij werkelijk in Christus’ naam bouwen aan een beschaving van liefde? Willen wij ons werkelijk in Christus verbinden met de anderen? Willen wij ons echt liefdevol – zoals Christus – inzetten voor de medemens? Hebben wij – zoals de Kerk verkondigt – allereerst aandacht voor de zwaksten? Willen we ons werkelijk inzetten voor de vrede en ons verzetten tegen haat en tegen geweld?

Christen zijn is niet primair een troostrijke gedachte. Het is niet primair een kwestie van eigen welbevinden. Christen zijn is voor alles Christus navolgen. Het is je verbinden met Hem en vanuit die liefde de medemens dienen en liefhebben. Alleen zo beleven wij de werkelijke vreugde van Pasen. Alleen de liefde voor de ander is onze bron van vreugde. Dat vraagt dat wij ons verzetten tegen de zelfgenoegzaamheid van deze tijd. Dat we ons werkelijk druk maken om mensen in de knel. Dat we ons verzetten tegen elke vorm van haat en geweld. Zeker tegen haat en geweld in onze directe omgeving, zoals die varkenskop bij de moskee in Berkel.

Geloven in de verrezen Christus en delen in de vreugde van Pasen doet ons telkens weer vragen: Waar zijn wij? Amen.

Verspilling

Vorig jaar heb ik samen met een rabbi en een imam bij gelegenheid van het einde van de ramadan een korte inleiding verzorgd over verspilling. Nu zijn we in de Veertigdagentijd. Ons vasten is minder ingrijpend dan dat van de moslims, maar ook voor ons is de Veertigdagentijd een tijd van soberheid en bezinning. Een goed moment om opnieuw stil te staan bij het begrip verspilling.

Het woord verspilling valt vaak als we over duurzaamheid en over het milieu spreken. Bij mij roept dat soms een beeld op alsof mensen willens en wetens waardevolle zaken vernietigen of weggooien. Van onthechte kloosterlingen zou je dat kunnen verwachten. Zij hechten totaal geen waarde aan materiële zaken. Maar de mens van tegenwoordig is toch door en door materialistisch. Een materialist gooit nooit zomaar iets van waarde weg. Hier klopt iets niet!

Van verspilling is alleen sprake als het gaat om iets dat door schaarste waardevol is. Als we het overvloedige regenwater via het riool afvoeren, noemt niemand dat verspilling. Als iemand voor zijn plezier aan het sporten is, noemen we dat hooguit gekscherend energieverspilling. Als je de schepping als onmetelijk en grenzeloos ervaart, is het moeilijk om over verspilling van het milieu te spreken. Ik ben opgegroeid op het platteland van Friesland. Diep in mij zit de ervaring van grenzeloosheid als het over de schepping gaat.

Ook heb ik de enorme welvaartsgroei van de naoorlogse decennia meegemaakt. De bomen zouden werkelijk tot de hemel doorgroeien. Wetenschap en techniek zouden steeds weer nieuwe mogelijkheden en oplossingen brengen. Toen in 1972 de Club van Rome met het rapport ‘Grenzen aan de groei’ kwam, werd ik daar niet echt zenuwachtig van. Ik dacht: daar vinden we wel wat op.

En dan ben ook nog katholiek. God is zeker niet zuinig en afgemeten. Hij is juist in alles overvloedig. Overvloedig is zijn genade. Paulus schrijft: “Waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos.” (Rom 5,20) Psalm 136 herhaalt telkens: “Tot in eeuwigheid is zijn genade.” Niet alleen Gods liefde en genade zijn overvloedig. Ook in materiële zaken is Hij beslist niet karig. Jeremia schrijft: “Ik schenk de priesters veel vet van de offers en het volk overstelp Ik met mijn gaven – godspraak van de Heer.” (Jr 31,14) In Psalm 23 wordt het inschenken van wijn door de Heer bezongen: “Mijn beker vloeit over.” Als Hij in Kana water in wijn verandert, is Jezus al even royaal. Het gaat hier maar liefst over zes kruiken van twee of drie metreten geheel gevuld met water. Dat is vijf- tot zevenhonderd liter wijn voor een bruiloftsfeest, genoeg om de hele stad uit te nodigen. Als Hij met vijf broden en twee vissen het volk te eten geeft, blijven er twaalf korven vol brokken over. Hoelang hebben de leerlingen daar nog van gegeten?

Dat de schepping eindig is en dat de bomen niet tot de hemel doorgroeien, is ondertussen wel tot mij doorgedrongen maar dat God ons een te kleine aarde zou hebben gegeven, gaat er bij mij niet in. Ik zal een aantal op het eerste gezicht tegenstrijdige zaken bij elkaar moeten brengen.

De overvloedigheid waar de Bijbel over spreekt, betreft zeer waardevolle zaken. Zij dalen niet in waarde ook al zijn ze niet schaars. Ondanks overvloed kan er toch sprake van verspilling zijn! Ook zaken die niet schaars zijn, kunnen waardevol zijn. Voor economen is dit onzin, maar deze paradox is deel van ons bestaan.

Column op de website Kerk en Milieu, maart 2016: www.kerkenmilieu.nl