Spring naar inhoud

Openbaring van de kennis van het geheim; Ef 3,2-3a.5-6; Mt 2,1-12

“Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde.” Matteüs vertelt het verhaal van de wijzen uit het oosten tamelijk zakelijk. Hij geeft een feitelijk verslag zonder veel uitleg. Matteüs schrijft vanuit de joodse denkwereld. Hij schrijft voor mensen die deze wereld kennen en eruit voortkomen. Met veel citaten uit het Oude Testament maakt hij duidelijk wat de rol en wat het belang van Jezus is. Hier verwijst Matteüs uitdrukkelijk naar de Micha: “En gij Betlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman te voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël.” Als we dit verhaal lezen vanuit het Oude Testament is het niet langer een zakelijke opsomming van feiten maar wordt het tot een duidelijke boodschap: dit Kind is niet zomaar een kind, dit Kind is de lang verwachte Messias.

Paulus schrijft voor een geheel ander publiek. De christenen van Efeze hebben verschillende achtergronden. Er zijn er die uit het jodendom voortkomen en ook die eerder heiden waren. Deze laatste groep kende het Oude Testament niet, Dit in tegenstelling met de christenen uit het jodendom. Voor Paulus is het belangrijk de mensen te laten weten dat Christus ook voor de heidenen is gekomen: “dat de heidenen in Christus Jezus mede-erfgenamen zijn, medeleden en mededeelgenoten van de belofte door middel van het Evangelie.” Paulus maakt ons duidelijk dat deze laatste groep geen tweederangsburgers zijn. Zij horen er helemaal bij: zij zijn mede-erfgenamen, medeleden en mededeelgenoten van de belofte.

Dat is wat wij vandaag vieren: Christus is gekomen voor alle mensen. Hij is gekomen om iedereen te verlossen, iedereen gelukkig te maken en iedereen vreugde te brengen.

Paulus schrijft over de openbaring van de kennis van het geheim. De openbaring van de kennis van het geheim: drie woorden die nadere beschouwing nodig hebben. Openbaring, kennis en geheim: het zijn woorden die alle drie verschillende betekenissen hebben. In ons normale taalgebruik is een geheim of een mysterie iets wat de een wel weet en de ander niet. Dat is niet wat Paulus bedoelt. Bij hem gaat het over een geheim, een mysterie dat we zowel niet als wel kennen. Een geloofsgeheim blijft iets dat wij niet met ons verstand kunnen doorgronden. We kunnen het niet op een rationele wetenschappelijke manier verklaren. In die zin kunnen we het geloofsgeheim niet begrijpen, niet kennen. Van de andere kant kunnen we wel kennis van een geloofsgeheim hebben.

We hebben onze menselijke ervaring. Dat is niet alleen iets van het verstand. Het heeft te maken met heel ons wezen. Hart en hoofd komen er in samen. Wij zijn in staat een geloofsgeheim te ervaren. Zoals we liefde ervaren, zo kunnen we ook de aanwezigheid van God in ons leven ervaren. Op die wijze hebben we kennis van God en van zijn bedoelingen. Er zijn weinig mensen die niet weten wat liefde is en toch staan de meesten van ons met de mond vol tanden als we moeten vertellen wat liefde precies is. Meestal komen we niet verder dan wat liefde voor ons betekent. Zo is het ook met geloofsgeheimen: je kunt erover spreken en er het nodige over vertellen, maar je dringt nooit echt tot de kern door.

Dat is ook waar het met het woord openbaring omgaat. Openbaring is geen wetenschappelijk verhaal. Het is geen krantenbericht waarin alles eens goed uit de doeken wordt gedaan en de waarheid wordt blootgelegd. Openbaring heeft te maken met onze menselijke ervaring. Ons wordt iets geopenbaard als we ervaren wat het voor ons betekent. De leerlingen van Jezus hebben samen met Hem geleefd. Op die wijze hebben zij ervaren dat God in Hem aanwezig is. Zo hebben zij ervaren hoe het is te leven volgens Gods bedoelingen. In Jezus hebben zij Gods liefde voor alle mensen ervaren. Bij Johannes was dit zo sterk dat hij concludeerde: God is liefde.

Paulus schrijft dat wij door het Evangelie deelgenoten van de belofte zijn. Het Evangelie is het geheel van ervaringen van de leerlingen. Wij kunnen ons deze ervaringen eigen maken door te luisteren naar de lezingen of zelf in de Bijbel te lezen. We kunnen ook kennis nemen van wat het Evangelie voor anderen betekent. Tenslotte noemt Paulus de heilige Geest. De heilige Geest speelt een grote rol in de openbaring. Hij zorgt ervoor dat onze menselijke ervaringen openbaringen worden. Hij doet ons verstaan wat er gezegd wordt. Hij doet ons het geheim kennen.

Met de hulp van de heilige Geest mogen ook wij zelf bronnen van openbaring zijn. Mensen mogen aan ons ervaren wat God voor ons betekent. Op die manier kunnen zij weten wat God voor hen kan betekenen. Als wij de door Christus geopenbaarde liefde zichtbaar maken getuigen wij net als de wijzen van ons geloof. Dan betuigen ook wij de mensgeworden Zoon van God onze hulde. Dan zijn wij op onze beurt een bron van openbaring.

In wens u allen een zalig Nieuwjaar, een jaar van liefde en geloof. Amen.

Zalig Kerstfeest; Heb 1,1-6; Joh 1,1-18

Christenen wensen elkaar op deze dag een zalig, een gelukkig of een gezegend Kerstfeest. Als kind leerde ik welke mensen ik een zalig en welke een gelukkig Kerstfeest moest wensen. In de tijd van de verzuiling was dat zeker niet onbelangrijk. Protestanten en katholieken gebruiken verschillende woorden. Ondertussen heb ik geleerd dat de woorden zalig, gelukkig en gezegend synoniemen van elkaar zijn. Ze betekenen alle drie hetzelfde. Het is slechts een kwestie van wat gebruikelijk is.

Tegenwoordig hebben we te maken met geheel andere verschillen. Naast de christenen die elkaar een zalig, gelukkig of een gezegend Kerstfeest wensen, zijn er velen die elkaar prettige feestdagen wensen. Dit verschil is niet alleen een kwestie van een verschillende gewoonte. Nu hebben we te maken met werkelijk verschillende betekenissen. Gelukkig en prettig is bepaald niet hetzelfde. Ze kunnen heel goed samengaan, maar je kunt ook gelukkig zijn zonder dat de situatie prettig is en ook onder prettige omstandigheden kun je ongelukkig zijn.

Jezus maakt dit duidelijk met de zaligsprekingen, die we vinden aan het begin van de Bergrede. Hier maakt Hij duidelijk waarvoor Hij mens geworden is en wat het betekent dat Hij als het ware Licht in onze wereld is gekomen. De mensen die Jezus zalig of gelukkig noemt, leven niet direct een prettig of aangenaam leven. Zij hebben te maken met strijd: strijd voor waarheid, vrede en rechtvaardigheid. Zij gaan de weg van barmhartigheid en zachtmoedigheid.

In april van dit jaar verscheen er een brief van paus Franciscus: Verheugt u en juicht. Met deze brief roept de paus ons op onze roeping tot heiligheid te volgen. De vreugde die het volgen van deze roeping brengt, is voor ieder van ons bedoelt. Iedere gelovige wordt geroepen tot heiligheid. Dat vraagt geen speciale geloften, kwalificaties of diploma’s. Het gaat om het leven van alledag, om het goed doen van de gewone dingen. Iedereen is geroepen zijn leven op zijn eigen wijze goed te leven. Het gaat om het vinden van het geluk in het bijzondere van het gewone. De paus ziet de zaligsprekingen als de weg voor de christen, als de weg van heiliging. Hij schrijft: De zaligsprekingen zijn als de identiteitskaart van de christen. (63) “Het woord ‘gelukkig’ of ‘zalig’ wordt zo een synoniem voor ‘heilig’. Het geeft uitdrukking aan het feit dat zij die God trouw zijn en zijn woord naleven, door hun zelfgave het werkelijke geluk verkrijgen.” (64)

Het is een weg die tegen de stroom in gaat. De paus benoemt de gevaren van deze tijd en de verleidingen waaraan wij blootstaan. De weg van Jezus volgen, het pad van de heiligheid gaan, betekent dat je je niet laat verleiden en dat je anders durft te zijn. De weg van de heiliging, de weg van een gelukkig leven is duidelijk iets anders dan een prettig en comfortabel leven. Het gaat ook niet om een goede gezondheid en een lang leven. Dat zijn aangename zaken, maar zij zorgen niet voor het echte geluk. God wil dat wij mensen – zijn kinderen – echt gelukkig zijn. Daarvoor is Jezus, Gods Zoon mens geworden. Jezus laat ons zien dat wij het geluk vinden in de liefde voor God en voor elkaar. Hij heeft ons die liefde voorgeleefd en roept ons op zijn voorbeeld te volgen. Hij heeft ons zijn Geest gegeven om ons daarbij te helpen.

Wat maakt ons werkelijk gelukkig. Waar vinden we het licht. Vaak is het vooral duisternis wat we zien. De wereld is vol oorlog en geweld. Hebzucht en eigenbelang bepalen in grote mate ons leven. Ook wij zelf zijn niet vrij van gerichtheid op ons zelf. Ons geluk en onze vreugde ligt niet in de zelfgenoegzaamheid. Zij liggen niet in onze onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Juist in verbondenheid met elkaar komen wij tot ontplooiing. Binnen de gemeenschap worden wij werkelijk mens. Binnen de gemeenschap, in de relatie tussen mensen is Jezus aanwezig. Daar is zijn Geest werkzaam: de Geest van liefde en gemeenschap. Hij versterkt onze liefde voor elkaar. Hij maakt die liefde vruchtbaar. Hij vervult onze harten met echte vreugde.

Het lukt ons niet op eigen houtje de duisternis verjagen. Het licht moet ons aangereikt worden. Geluk, liefde en vrede zijn gaven die alleen God ons kan geven. Gods Zoon is mens geworden zoals wij. “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Jezus nodigt ons uit te worden zoals Hij, te leven zoals Hij ons heeft voorgeleefd. Dan wordt Hij ook in ons geboren: dan leeft Hij in ons en leven wij in Hem. Dan zijn wij mede-erfgenamen van al wat bestaat, van alle liefde en geluk. Dan stralen wij zelf het licht uit dat de duisternis verjaagt. Als wij onze harten openen voor God en voor onze medemens, treden wij in de voetsporen van Jezus, dan volgen wij de weg van heiligheid, dan wordt ons Kerstfeest werkelijk zalig, gelukkig en gezegend.

Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.

De mens is geen plaag

Auteur: Cees Buisman
Titel: De mens is geen plaag: Over het gevaar van een onttoverde wereld
Uitgever: Bornmeer, 2018, derde druk
Prijs: € 15,-
ISBN: 978-90-5615-439-4
Aantal pagina’s: 148

“De technocratische oplossingen blijken averechts te werken. Ze maken ons niet gezonder, ze laten ons op zijn hoogst wat langer leven. Ze verbruiken veel meer water dan de oude technologieën. En het zijn elitetechnologieën die nog uitgaan van een wereldvisie waarin we niet hoeven te delen. Cees Buisman ziet niet de omvang van de wereldbevolking als een probleem, maar de westerse manier van denken. Hij citeert Mahatma Gandhi: “There is enough for everybody’s needs, but not every everybody’s greed.” Ook een wereldbevolking van tienmiljard mensen kan goed gevoed worden, maar niet op een wijze zoals wij westerlingen gewend zijn. Een dergelijke levenswijze voor iedereen betekent dat een miljard mensen al te veel zijn om duurzaam te kunnen voeden. Hierbij ziet hij de eindige hoeveelheid zoet water als een groter en ingewikkelder probleem dan het broeikaseffect.

Buisman is optimistisch. Hij ziet het bewustzijn van de mens, persoonlijk en gemeenschappelijk groeien en steeds minder egocentrisch worden. Dit maakt het mogelijk tot een nieuwe visie te komen, waarin met elkaar delen voorop staat: meer solidariteit en minder afgunst en hebzucht. We moeten ook accepteren dat de wetenschap niet op alles een antwoord heeft en dat de maakbaarheid van ons bestaan beperkt is. Daartegenover staat de visie “dat de mens moet leren leven met het grote mysterie waar we vandaan komen. De wereld is meer dan alleen de objectieve waarheid van de wetenschap. De huidige wetenschap en techniek zijn eerder de oorzaak van de milieuproblemen dan dat ze er een oplossing voor bieden. Hij doet een voorzet voor een duurzame natuurlijke technologie. Hierbij ligt de uitdaging er juist in om gebruik te maken van de oneindige complexiteit van de natuurlijke processen. “Een technologie die zich karakteriseert door mee te werken met de natuur in plaats van ertegenin te gaan. Buisman pleit voor een zinvol leven in plaats van met zelfzuchtig gedrag het geluk na te streven. Het gaat om geven in plaats van nemen. Het gaat er ook niet om zo lang mogelijk te leven. De dood is onderdeel van het mysterie en niet het gevolg van een technische onvolkomenheid.

Buisman richt zich op een breed publiek, seculier en religieus. Hij onderbouwt zijn betoog met vele feiten en illustreert het met sprekende voorbeelden. Hij geeft concrete oplossingen aan en ook een serie praktische tips voor een duurzame wijze van leven. Bij zijn levensbeschouwelijke ideeën zijn vraagtekens te plaatsen, maar dat doet niets af aan het belang van dit zeer leesbare boek.

 

Op 14 december 2018 gepubliceerd op de website Kerk en Milieu.

Bidden tijdens het hooien en bidden in de file

Het afgelopen kerkelijk jaar was door onze bisschop uitgeroepen tot Jaar van Gebed. In Kerk aan de Vliet hebben we het bidden van verschillende kanten belicht. Verschillende vormen van bidden zijn aan de orde geweest. Bidden kun je alleen en bidden kun je in gemeenschap, maar altijd is er het bewustzijn van de aanwezigheid van God.

Mijn gedachten gingen uit naar mijn kindertijd. Er werd in ons gezin veel gebeden: voor en na de maaltijden en ’s avonds de Rozenkrans. Het kortste gebed dat ik mij herinner, is van mijn grootvader, pake Pier. In de hooitijd waren hij en mijn ooms druk bezig het hooi te verzamelen en naar de schuur te brengen. Een of meer tantes kwamen dan met boterhammen en thee naar het land. Mijn grootvader bad dan: “Heer, u weet dat wij u danken. Amen.”

In de tijd dat ik in het bedrijfsleven werkte stond ik regelmatig in de file. Zeker de file ’s avonds op weg naar huis was een moment van bezinning. Niet dat ik daarbij voortdurend God in gedachten had, maar het was een duidelijk moment van rust. Dit kwam de omschakeling van werk naar thuis zeker ten goede.

Ten slotte wil ik u wijzen op de diaconale kant van het gebed. Bidden voor anderen is ook een daad van liefde. Met het gebed verbinden wij ons met de noden van onze naaste. Goed doen voor een ander vraagt altijd het aanvullende gebed. Zo worden wij ons ervan bewust dat we problemen niet op eigen kracht de wereld uit helpen. Dat ons handelen altijd te kort schiet en we Gods hulp maar al te zeer nodig hebben.

Artikel in Kerk aan de Vliet oktober/december 2018

Dichter bij Jezus

Auteur: Miranda Middag-Turato
Titel: Dichter bij Jezus: Mattheüs gedicht
Uitgever: MMT, 2018
Prijs: € 19,95
ISBN: 978-90 829123 0 2
Aantal pagina’s: 222

Miranda Middag grijpt terug naar het Middeleeuwse genre van de Rijmbijbel. Door de tekst in dichtvorm te gieten maakt zij het Evangelie volgens Mattheüs toegankelijk voor hen die minder vertrouwd zijn met de Bijbel. Met enige vrijheid volgt zij de tekst van Mattheüs. Hier en daar vult zij de tekst aan met toelichtingen op niet-alledaagse woorden, begrippen en situaties.

De gemakkelijk toegankelijke en eenvoudige taal maakt het boek zeer geschikt voor een eerste kennismaking met het verhaal over Jezus. De teksten lenen zich ook voor gebruik in laagdrempelige liturgie zoals kindervieringen.

Een roes van genieten; Lc 21,25-28.34-36

“Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven…” Afgestompt worden door de zorgen van het leven. Dat kan maar zo. Als we om ons heen kijken zien we dat iedereen voortdurend druk is met de zorgen van het leven. Druk, druk, druk… Het is een gevleugelde kreet in onze maatschappij. Als je niet druk bent, tel je niet echt mee. Maar waar blijft de tijd voor reflectie? Waar blijft de tijd voor aandacht voor elkaar? Waar blijft de tijd voor hoop en verwachting? Waar blijft de tijd voor gebed? Kijken we überhaupt wel uit naar de komst van de Heer?

Vandaag gaat het over de komst van Christus aan het einde der tijden. Maar het gebruikte beeld is ook van toepassing op ons eigen leven en op onze eigen sterfelijkheid. In de Handelingen der Apostelen lezen we over de marteldood van Stefanus. Vlak voor Stefanus sterft, roept hij uit: “Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.” (Hnd 7,56) Stefanus ziet aan het einde van zijn leven, op het moment van zijn sterven de Mensenzoon verschijnen in heerlijkheid. Het beeld van de komst van de Mensenzoon in zijn heerlijkheid is hier van toepassing op één enkele mens. Te midden van zijn lijden openbaart de Mensenzoon zich aan Stefanus. Wij mogen het beeld van het einde der tijden en van de komst van de Mensenzoon in heerlijkheid, dus direct op ons eigen leven en op onze eigen sterfelijkheid betrekken.

Jezus roept ons op tot waakzaamheid en tot gebed. Dat vraagt dat we ons niet laten bedelven onder de zorgen van het leven, dat ons daardoor niet volledig in beslag laten nemen. Naast de zorg van het leven waarschuwt Hij ons voor een roes van dronkenschap. Ik moest denken aan de bijlage van De Volkskrant van vorig weekeinde. Op de voorpagina van deze bijlage staat: “Plop! We feesten ons te pletter, niet alleen omdat het kan, maar ook omdat het moet…”

In het redactioneel wordt het thema nader omschreven. Hier vinden we een opsomming van hedendaagse feesten: Een gala om de basisschooltijd af te sluiten, een sweet sixteen, een 21-diner, een huwelijk in de vorm van een driedaags festival, een begrafenis met salsadans, het moment dat je kind één meter lang is en het einde van een burn-out. Bladerend door de verschillende artikelen vallen mij de volgende zaken op. Er is sprake van een complete feestindustrie. Een feest moet niet alleen maar leuk zijn, maar er ook mooi uitzien. Het moet steeds weer origineel zijn en steeds extremer. Men moet elkaar overtreffen en dat mag steeds meer geld kosten. En dat alles geldt ook voor de kinderfeestjes.

Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin en in een katholieke enclave in Friesland. Ik ben eraan gewend dat elke gelegenheid die zich voor doet, wordt aangegrepen om het leven te vieren. Maar de feesten van mijn jeugd lijken in het geheel niet op wat ik in deze bijlage van De Volkskrant tegenkom. De feesten van mijn jeugd verliepen altijd volgens vaste patronen. Juist geen originaliteit maar een vaste vorm waarin iedereen zich thuis voelde en waarbinnen er volop ruimte was voor aandacht voor elkaar. Geen nadruk op het individu maar op de gemeenschap. De eerste keer dat Joke, mijn vrouw, mij vergezelde op een huwelijksfeest in mijn geboortedorp, wilde zij van tafel tot tafel te gaan om met verschillende mensen een praatje te kunnen maken. Mijn jongste broer wees haar terecht. Dat doen wij hier niet. Je doet het met de mensen met wie aan tafel zit. Je gaat dus niet op zoek naar waar het leuk is voor jezelf. Nee, je bent deel van een gemeenschap.

Feesten zijn van alle tijden, maar hoe feest je: Ben op jezelf gericht of gericht op de ander? Is het alleen maar genieten of is het ook een uiting van dankbaarheid? Genieten is tegenwoordig een opdracht. Dat geldt zeker ook voor de generatie waartoe ik zelf behoor. Hoe vaak hoor ik niet zeggen: ik ben met pensioen, nu ga ik genieten. Moeiteloos maakt men de overstap van de zorgen van het leven naar een roes van genieten.

Waarom kiezen we er niet voor gewoon te leven in plaats van ons te verliezen in werk of in genieten. Jezus zegt ons: weest waakzaam en bidt. Het gaat erom om het leven in zijn volheid te leven, om de combinatie van zorg voor het leven, aandacht en zorg voor elkaar, waakzaamheid, reflectie en gebed, leven met hoop en vertrouwen, leven in het besef van de komst van de Heer. Juist een evenwichtig leven brengt ons vreugde. Dan is genieten geen opdracht, maar een geschenk. Dan beperkt het genieten zich niet tot de feesten maar is het deel van ons hele leven en is het zelfs aanwezig op de momenten van droefenis en tegenslag. Dan openbaart de Mensenzoon zich ook aan ons. Amen.

Dubbelgebod van de liefde; Dt 6,2-6; Mc 12,28b-34

Zo op het eerste gezicht hebben de schriftgeleerde en Jezus een aangenaam gesprek over een belangrijk onderwerp: Wat is het allereerste gebod? Als we tekst wat beter bestuderen, valt het op dat de mannen wel heel erg beleefd en vleiend naar elkaar zijn. Toen was en nog steeds is overdreven beleefdheid en overdreven vleierij geen teken van verbondenheid, maar juist van afstand scheppen. Als we het hele hoofdstuk uit het Evangelie volgens Marcus bekijken, zien we dat gesprek volgt op twee andere gesprekken. Eerst proberen farizeeën en herodianen Jezus te vangen met een strikvraag over het betalen van belasting aan de keizer. Daarna komen er sadduceeën met een vraag over de opstanding.

Beide keren weet Jezus de vragen juist te pareren en de vragenstellers erop te wijzen wat de essentie is van de problematiek die zij aan Hem voorleggen. De schriftgeleerde heeft het gehoord en probeert het op zijn manier door te vragen wat het allereerste gebod is. Ook de afsluiting van de tekst van vandaag maakt duidelijk dat er geen sprake is van vriendschap maar van vijandigheid. “En niemand durfde Hem nog een vraag stellen.” Deze opmerking maakt duidelijk dat hun opzet mislukt is en dat de drie gesprekken bij elkaar horen en één verhaal vormen.

Maar wat is hier de tegenstelling tussen Jezus en de schriftgeleerde? Waar gaat de discussie over? Ze zeggen vrijwel hetzelfde en gebruiken vrijwel dezelfde woorden. Jezus citeert het boek Deuteronomium. Het is de tekst die wij als eerste lezing hebben gelezen. Nadat Mozes de Tien Geboden heeft ontvangen, maakt hij deze aan het volk Israël bekend. Na het noemen van de Tien Geboden volgt deze tekst. De essentie van het onderhouden van de geboden is het liefhebben van God. Dat is de essentie van het verbond dat God met zijn volk heeft gesloten. Alle geboden vloeien voort uit dit liefhebben van God. Jezus voegt hier een tweede gebod aan toe: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” De twee geboden – God liefhebben en de naaste liefhebben – zijn volgens Jezus samen de voornaamste geboden.

Dit klinkt de schriftgeleerde niet vreemd in de oren. De tekst die Jezus gebruikt over het liefhebben van de naaste komt uit het boek Leviticus: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” Maar hier is het een gebod in een hele reeks geboden en niet zoals Jezus stelt dat dit gebod tot de kern van het geheel behoort. De schriftgeleerde weet dat en spreekt ook niet over een eerste en een tweede gebod. Maar hij weet ook wat de profeten hebben geschreven. Verschillende profeten hebben de liefde voor de naaste belangrijker geacht dan het brengen van brandoffers.

Het nieuwe van Jezus is dus dat Hij de twee geboden – God liefhebben en de naaste liefhebben – naast elkaar plaatst. Samen vormen zij de essentie van het nieuwe verbond van God met alle mensen, het verbond dat Hij, Jezus Christus tot stand brengt met zijn leven, zijn dood en zijn verrijzenis. God is mens geworden. Hij heeft de mensheid vervult met zijn goddelijkheid. God en mens zijn niet meer los van elkaar te zien. Het is niet mogelijk God lief te hebben zonder de naaste lief te hebben en omgekeerd is het niet mogelijk de naaste lief te hebben zonder God lief te hebben. Elders horen we Jezus zeggen: “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan.” (Mt 25,40) In onze naaste ontmoeten wij Jezus, in Hem ontmoeten wij God. En in het gezicht van de lijdende Christus zien wij het lijden van onze medemens. In Christus worden wij niet alleen met God verenigt. In Hem worden wij met al onze medemensen verenigd. In Christus vormen wij één lichaam. In Hem vormt de gehele mensheid één gemeenschap.

Dit is de basis van onze zorg voor elkaar. Omdat wij één lichaam, één gemeenschap vormen zien we naar elkaar om en lijden wij mee als een van ons te lijden heeft. Vandaag hebben we extra aandacht voor de mantelzorgers. Zij laten zien wat het betekent naar elkaar om te zien en voor elkaar te zorgen. Dat kan je hele leven in beslag nemen. Dat maakt dat mantelzorgers op hun beurt op onze aandacht en liefde mogen rekenen. Straks kunt u een bloem meenemen voor een u bekende mantelzorger. Volgende week is het de feestdag van Sint Maarten. Hij deelde zijn mantel met een verkleumde bedelaar. Op deze feestdag wordt er voedsel ingezameld voor de voedselbank. Talloze mensen in onze samenleving hebben er moeite mee de eindjes aan elkaar te knopen. Ook dit vraagt om onze daden van liefde. Achterin de kerk vindt u folders over de voedselinzameling. Uw bijdrage is zeer gewenst. Met uw bijdrage laat u zien dat het tweede gebod – de naaste liefhebben – inderdaad even belangrijk is als het eerste gebod – God liefhebben. Deze twee geboden vormen samen de essentie van ons leven. Amen.

Allerzielen; Js 25 6a.7-9; 1 Tes 4,13-14.17b-18; Joh 11,17-27

Dan zal de Heer voor ons een gastmaal aanrichten. Hij zal de sluier verscheuren die over ons leven ligt. God de Heer zal voor altijd de dood vernietigen; Hij zal de tranen van alle gezichten afwissen. Zo beschrijven wij op menselijke wijze het eeuwig leven. Het leven bij God: een leven van liefde en geluk. Wij bidden en geloven dat God onze geliefde overledenen opneemt in zijn hemelse vaderhuis, dat zij nu voor altijd mogen leven in Gods Rijk van licht en vrede. Wij kunnen ons geen enkele voorstelling maken van het leven na de dood, van het eeuwig leven. En toch hopen en verlangen wij naar dat volmaakte geluk. Wij noemen dat: het ware leven, het eeuwig leven. Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven, wat dat ook moge zijn.

Hoe wij ook verlangen naar dat ware leven, we zijn toch heel erg gehecht aan ons leven hier op aarde. We zijn gehecht aan elkaar en het kost ons moeite iemand te moeten laten gaan, iemand los te laten en uit handen te geven. Ook Martha en Maria hebben het er moeilijk mee. Hun geliefde broer Lazarus is gestorven. Ze hadden hem zo graag bij hen gehouden. Jezus had volgens hen zijn dood kunnen voorkomen.

Jezus zegt tegen Martha: “Ik ben de opstanding en het leven.” Dat is een uitspraak om even op te kauwen. We weten dat Jezus verrezen is. Hier zegt Hij, dat Hij de Heer is van leven en dood. Hij gaat over de verrijzenis van ons mensen, over ons eeuwig leven. Deze uitspraak gaat ook over ons leven hier op aarde. Jezus is dit leven zelf. Hij heeft als mens dit leven geleefd. Hij deelt ten volle met ons het menselijk bestaan. Hij heeft ons laten zien dat ons leven geheel draait om de liefde. Het is de liefde die ons doet leven en waarvoor wij leven.

Als wij ons leven verbinden met dat van Jezus, als wij in Hem geloven, willen wij leven zoals Hij ons heeft voorgedaan: leven in vrijheid, leven van en voor de liefde. Liefde en verbondenheid is er tussen levende mensen. Deze liefde en verbondenheid overstijgt de dood en overstijgt het aardse. Zo blijven wij in liefde verbonden met onze dierbare overledenen. Als wij ons leven verbinden met dat van Jezus, Dan raken wij hier op aarde al aan het ware leven. Dan zullen wij ook niet echt sterven maar overgaan naar een leven dat geheel uit liefde bestaat. Dan zullen ook wij met Jezus eeuwig leven.

Dit is ook de boodschap van de apostel Paulus: Hij maakt ons duidelijk, dat wij troost mogen vinden in het leven, het sterven en de verrijzenis van Jezus Christus. “Gij moogt niet bedroefd zijn zoals de andere mensen, die geen hoop hebben. Wij geloven immers dat Jezus is gestorven en weer opgestaan; evenzo zal God hen die in Jezus zijn ontslapen levend met Hem meevoeren En zo zullen wij voor altijd samen zijn met de Heer. Troost elkander dan met deze woorden.” Amen.

Roeping; Hb 4,14-16; Mc 10,35-45

Je ziet het zo voor je twee ambitieuze jongemannen. Twee jongemannen die iets van hun leven willen maken. Een eerste stap hebben ze al gezet. Jezus kwam in hun leven en zij zijn Hem gaan volgen. Jezus vertelt hen over God en over de komst van het komende Rijk. Ze hebben er nog geen duidelijk beeld van, maar ze zijn enthousiast. Ze zijn zonder meer van plan hieraan een belangrijke bijdrage te leveren. Zij zullen hun verantwoordelijkheid niet ontlopen. En dus solliciteren bij Jezus naar belangrijke posities in zijn organisatie. Deze mannen weten hoe het in de wereld toegaat. Je moet verantwoordelijkheid willen dragen om iets te kunnen bereiken. Je hebt een belangrijke positie nodig om invloed uit te kunnen oefenen. Je hebt macht nodig om de wereld te kunnen veranderen.

De andere tien leerlingen zien Jacobus en Johannes als baantjesjagers en zakkenvullers. Volgens hen zijn ze alleen maar uit op rijkdom en macht. Het lijkt erg veel op het spreekwoord: Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Ze projecteren hun eigen verlangens op Jacobus en Johannes. Jezus doet dit niet. Hij neemt de twee jongemannen serieus. Hij ziet hun gedrevenheid en maakt zich eerder zorgen. Kunnen ze dit wel waarmaken? Is dit geen jeugdige overmoed? Ze weten niet wat ze zeggen. Ze hebben geen idee wat dit gaat betekenen. Maar Hij ontmoedigt ze niet en wijst ze ook niet terecht. Wel probeert Hij uit te leggen wat hen te wachten staat.

Zoals Jacobus en Johannes zich geroepen weten, zo weten ook in onze tijd vele mensen zich geroepen. Ze weten zich geroepen tot het bijdragen aan een betere wereld. Ze weten zich geroepen een goed mens te zijn. U bent vandaag hier naar de kerk gekomen. Net als Jacobus en Johannes weet u zich verbonden met Jezus. U allen weet dat God een plan met ons heeft en dat het onze opdracht is dat plan vorm te geven in ons leven. Wij allen zijn geroepen bij te dragen aan het Rijk Gods. Ieder op zijn eigen wijze.

De meesten van ons hebben de jeugdige overmoed en onbezonnenheid al een paar jaar achter ons liggen. Gaandeweg hebben we onze weg in het leven gevonden. De grote idealen van vroeger bleken vaak toch iets te hoog gegrepen. We gaan zo goed mogelijk met vallen en opstaan onze weg. Wel hoop ik voor u dat u niet alle enthousiasme bent verloren. Dat u nog steeds kunt dromen van de grote idealen van vroeger. De Kerk bestaat gelukkig niet alleen uit oudere mensen. Zij kent ook vele jongeren. De Kerk bestaat ook uit mensen die nog een heel leven voor zich hebben, mensen zoals Jacobus en Johannes die iets van hun leven willen maken. Deze jonge mensen zitten niet te wachten op onze ontmoediging of zelfs cynisme. Zij zitten niet te wachten op onze grote en kleine teleurstellingen. Zij zoeken naar inspiratie. Zij zoeken een weg om hun idealen waar te maken. Het is aan de ouderen hen daarin te ondersteunen.

Deze maand is er in Rome een bisschoppensynode. Deze synode heeft als thema: ‘Jongeren, geloof en onderscheiding van roeping’. De Kerk wil volgens de verklaring van de heilige Stoel “jongeren vergezellen op hun weg naar volwassenheid, zodat zij, door een proces van onderscheiding, het plan voor hun leven kunnen ontdekken en dat met vreugde kunnen realiseren, open voor de ontmoeting met God en de medemens en zich actief engagerend in de opbouw van de Kerk en de samenleving.” De Kerk wil er daadwerkelijk zijn voor de jongeren. En dat is niet alleen een opdracht voor paus en bisschoppen. Dat is een opdracht voor ons allemaal. Wij allen samen zijn de Kerk.

Jezus laat ons vandaag zien hoe wij met jongeren kunnen omgaan. Hoe wij hen kunnen bemoedigen in plaats van ontmoedigen. Hoe wij enig realisme in hun dromen kunnen aanbrengen. Maar vooral leert Hij ons wat de essentie van ons leven is en hoe mensen voor elkaar het goede voorbeeld kunnen zijn. De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en om zijn leven te geven als losprijs voor velen. Jezus heeft ons het grootste teken van liefde gegeven dat er mogelijk is. Zo is Hij de verheven hogepriester die wij mensen nodig hebben. Hij is de enige die in alle vrijheid uit liefde aller slaaf kan zijn. Wij mogen ons daaraan spiegelen door ons te oefenen in het dienaar zijn. Elkaar dienen, er voor elkaar willen zijn: het zijn de daden van liefde die de wereld vooruit helpen en het Rijk Gods dichterbij brengen.

Dienstbaar zijn naar de jongeren leert hen op hun beurt dienstbaar te zijn. Het leert hen andere wegen te vinden dan de seculiere cultuur van zelfgerichtheid en hedonisme voorstaat. Onze zelfverwerkelijking ligt in de verbondenheid met Christus en in de liefde voor God en medemens. Onze zelfverwerkelijking ligt in de dienstbaarheid aan onze naaste. Dat kunnen we niet op eigen kracht. Wij mogen daarbij wel vertrouwen op de barmhartigheid en genade van God. Op zijn hulp mogen wij rekenen.

Tenslotte het is vandaag ook Wereldmissiedag. Niet alleen in onze eigen omgeving maar overal ter wereld is het nodig het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen. Vandaag ondersteunen wij dit werk met ons gebed en onze financiële bijdrage. Ook op deze wijze kunnen wij liefhebben en dienstbaar zijn. Amen.

Diaconaal doen doordacht

Op 6 maart bespraken we in Rotterdam in het diocesaan werkveldoverleg diaconie hoofdstuk 1 van ‘Diaconaal doen doordacht’[1]. De deelnemers aan dit overleg binnen het bisdom Rotterdam zijn degenen die binnen de pastorale teams van de parochies diaconie in hun portefeuille hebben. Ter voorbereiding van het gesprek had ik twee kreten genoteerd: ‘Daden van liefde’ en ‘Perspectief van de naaste’. Deze twee zaken komen volgens mij te weinig aan de orde. In deze notitie heb ik mijn gedachten verder uitgewerkt. Hierbij bespreek ik ook hoe het door mij gesignaleerde manco doorwerkt in de rest van het boek. Het is niet mijn bedoeling iets aan het boek af te doen, maar ik wil er wel iets aan toevoegen.

Daden van liefde

Laat ik beginnen met de daden van liefde. Vijf jaar geleden vierde het bisdom Rotterdam het Jaar van Daden van Liefde. Hiermee wilden we in ons bisdom duidelijk maken waar het geloof in de God – die liefde is – toe leidt. “God is liefde. De apostel Johannes schrijft het in zijn eerste brief (1 Joh 4,8). Als liefde wezenlijk is aan God, dan is het ook wezenlijk aan de mens, want wij zijn naar zijn beeld geschapen. Wij zijn geschapen en verlost voor en door de liefde. Het Rijk Gods is en wordt gebouwd op liefde. De liefde is bepalend voor ons mens-zijn.

In de encycliek ‘Deus caritas est’[2] laat paus Benedictus XVI zien hoe alle vormen van liefde met elkaar samenhangen, hoe ze als het ware allemaal uit dezelfde stof zijn opgebouwd: eros en agapè, amor en caritas, dalende en stijgende liefde, zelfgerichte en onbaatzuchtige liefde, menselijke en goddelijke liefde. Dat stelt ons in staat te groeien van eigenliefde naar op de ander gerichte liefde. Benedictus schrijft dat de Kerk de plicht heeft de samenleving de ‘dienst van de liefde’ aan te bieden. De ‘dienst van de liefde’, is een individuele verantwoordelijkheid voor elke christen, maar net zo goed een collectieve opdracht voor de Kerk: “Het programma van de christen – het programma van de barmhartige Samaritaan, het programma van Jezus – is een ‘hart dat ziet’. Dat hart ziet waar de liefde nodig is en handelt in overeenstemming ermee. Het spreekt vanzelf dat als de caritatieve activiteit door de Kerk als een gemeenschapsinitiatief wordt opgenomen, de spontaniteit van het individu moet worden aangevuld met programma’s, vooruitzichten en vormen van samenwerking met gelijkaardige instellingen.[3]

Het eerste handboek draagt de titel ‘Barmhartigheid en gerechtigheid’[4]. Dat is een belangrijk begrippenpaar. Het zijn begrippen die niet zonder elkaar kunnen. Ze passen in het rijtje: hart en hoofd, gevoel en verstand, liefde en waarheid. Over dit laatste begrippenpaar schreef paus Benedictus XVI in zijn encycliek ‘Caritas in veritate’[5]. De begrippen liefde en waarheid staan centraal in deze encycliek. De liefde is het hart van de sociale leer van de Kerk. Alles komt voort uit de liefde van God, alles wordt er door gevormd en alles is er op gericht: God is liefde. Vormgeving van deze liefde vraagt om waarheid. Liefde en waarheid kunnen niet zonder elkaar. Zonder waarheid wordt liefde sentimentaliteit, staat zij los van kennis en ervaring en is er geen sprake van solidariteit en verantwoordelijkheid. Liefde in waarheid vraagt naast liefdadigheid om gerechtigheid. De gerechtigheid is de maatstaaf voor het minimum. Je kunt niet iets aan een ander geven, waar de ander gewoon recht op heeft, wat in feite al zijn eigendom is.

Een vroegere collega van mij zei met enige regelmaat: “We werken hier niet bij een bank. Voordat hij priester werd had hij in de financiële wereld gewerkt. Zelf heb ik een groot deel van mijn leven bij technische bedrijven gewerkt. Ik hield me daar bezig met het verbeteren van bedrijfsprocessen. Bij het lezen van ‘Diaconaal doen doordacht’ kreeg ik met enige regelmaat een déjà vu. Niet dat ik bezwaar heb tegen effectiviteit en efficiëntie, ook niet als het het werken in de Kerk betreft, maar we moeten ons wel realiseren dat effectiviteit en efficiëntie nodig is als het gaat om schaarse middelen. Niet dat de Kerk geen schaarste kent, maar het meest wezenlijke wat we bezitten en wat we te schenken hebben is de liefde. En liefde is er altijd in overvloed. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer we vanuit die gedachte werken we werkelijk tot nieuwe inzichten komen en los kunnen komen van het bedrijfsmatige en resultaatgerichte denken. Hier wordt zichtbaar dat er in ‘Diaconaal denken doordacht’ onvoldoende aandacht voor de liefde is. Diaconie is geen maakbaarheidsproject. Het is een voortdurende manifestatie van liefde. Paus Benedictus schrijft: “Er zal altijd lijden zijn dat troost en hulp vereist. Er zal altijd eenzaamheid zijn. Net zo goed als er altijd situaties van materiële nood zullen zijn waarvoor hulp onontbeerlijk blijft, in de zin van een concrete liefde voor de naaste.[6]

Het perspectief van de naaste

In ‘Diaconaal doen doordacht’ worden drie perspectieven genoemd om diaconie te bezien. Het binnenperspectief betreft het kijken vanuit de Kerk en vanuit de theologie naar de positionering van diaconie binnen de Kerk. Het buitenperspectief is het kijken van de buitenwereld naar deze kerkelijke activiteit. Het perspectief van de mensen in nood spreekt voor zichzelf. Ik mis in deze opsomming het perspectief van de naaste. Het woord naaste in de betekenis die Jezus er aan geeft in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lc 10,25-37). De naaste die goed wil zijn voor zijn medemens.

Dit vierde perspectief sluit aan bij het idee dat diaconie primair een manifestatie van liefde is. Om lief te hebben heb je concrete mensen nodig. Liefde is gericht op mensen en liefde gaat uit van mensen. Instituten kunnen niet liefhebben en dat geldt ook voor de Kerk. Als Jezus spreekt over daden van liefde zoals in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan of bij de werken van barmhartigheid (Mt 25,31-46) gaat het altijd over concrete mensen, niet over instituten. Van de mens in nood wordt gezegd dat hij naar Gods beeld geschapen is en dus zijn eigen menselijke waardigheid heeft. Dit geldt niet alleen voor mensen in nood. Alle mensen zijn beelddragers van God. Iedere mens is het gegeven de liefde van God zichtbaar te maken in de wereld en zo God te eren en te dienen. Als het over gelijkwaardigheid van mensen gaat, gaat het erom dat iedereen liefde kan ontvangen en liefde kan geven. In een liefdesrelatie staat niemand centraal. Zoals de liefde wezenlijk is aan God is zij ook wezenlijk aan de mens.

De rol van de naaste centraal stellen betekent dat de rol van de Kerk primair ligt op het vlak van faciliteren en krachten bundelen en vanuit het oogpunt van subsidiariteit datgene doen waartoe individuele gelovigen niet in staat zijn. Ik zie mijn opdracht als diaken niet primair om namens de parochie diaconaal op te treden maar veel meer om de parochianen ertoe te bewegen diaconaal te zijn en dat kan zowel in de persoonlijke situatie als in georganiseerd verband. Hub Crijns en Herman van Well stellen dat diaconie altijd organisatie vraagt.[7] Mogelijk is dat zo omdat ze diaconie als zodanig gedefinieerd hebben. Mijn idee is probeer het eerst maar eens zonder organisatie. De ballast van organisatie kun je altijd nog op je nek nemen. Hun commentaar bij het optreden van de barmhartige Samaritaan is niet het mijne. De Samaritaan is juist barmhartig omdat hij spontaan en onvoorbereid reageert op de nood van een medemens. Hij doet wat hij kan. Jezus laat nergens blijken dat we ons moeten organiseren om goed te doen. Hijzelf is ook in het geheel niet bezig met het op gestructureerde wijze genezen van zieken en het vergeven van zonden. De enige keer dat sprake is van enige organisatie is bij de uitzending van de leerlingen. Zij worden twee aan twee uitgezonden. Ook Augustinus kiest in de in het boek geciteerde preek het perspectief van de naaste en niet dat van de Kerk.[8]

Consequenties

Meer aandacht voor de liefde als basis voor diaconie en de rol van de naaste daarin doet op een andere wijze kijken naar de wereld van de diaconie. Een paar voorbeelden.

  1. Hoe verhouden vrijwilligers en professionals verhouden zich tot elkaar?
    Vrijwilligers zijn amateurs, zij handelen uit liefde. Professionals handelen op basis van kennis. De verschillende uitgangsposities maken dat zij elkaar kunnen waarderen en aanvullen. Professionals moeten presteren. Zij zijn gebonden aan kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen. Er zijn rechten en plichten. Bij amateurs gaat het vooral om de liefde. Meetbare resultaten zijn bijzaak. Het is zoals Augustinus zegt: “Heb lief en doe wat je wilt. Zij willen gewoon iets goeds doen. Hierbij is het persoonlijke contact van cruciaal belang.
  2. Diaconie en maatschappelijke voorzieningen. Moeten wij diaconie op een seculiere wijze presenteren om fondsen te werven? Wanneer houdt iets op diaconie te zijn en wordt het een maatschappelijke voorziening? Zijn we in staat zaken los te laten als het gemeen goed is geworden? Is het dan nog wel diaconie?
  3. Vanuit het organisatorisch denken stellen Hub Crijns en Herman van Well dat diaconie mensen nodig heeft.[9] Er moeten doelstellingen gerealiseerd worden. Kortom we moeten aan human resource management doen. Draai het eens om. Er zijn mensen die iets willen doen, dat vraagt mogelijk om een diaconale organisatie.
  4. Overvloed en schaarste. Liefde is onuitputtelijk. Schaarste is slechts materieel en het gevolg van gestelde doelen. In het geval van liefde deel je wat je hebt, geef je wat je kunt missen, meer wordt er niet gevraagd.
  5. Gelijkwaardigheid in een relatie is vanzelfsprekend wanneer liefde de basis is. Liefde is niet normatief. Zij eist niet jij moet worden zoals ik ben.
  6. Verzoening is vooral een daad van liefde.

 

Deze inleiding is uitgesproken op de Diaconale studiedag op 14 september in Amersfoort
en gepubliceerd in Diakonie & Parochie, december 2018.

______________________________________________________________

[1]  Hanneke Arts-Ronselaar (eindredactie), Diaconaal doen doordacht: Handboek diaconiewetenschap, Kampen: Kok, 2018.

[2]  Benedictus XVI, Deus caritas est, 2005.

[3]  Ibid., 38.

[4]  Hub Crijns, Wielie Elhorst, Lútzen Miedema e.a. (red.), Barmhartigheid en gerechtigheid: Handboek diaconiewetenschap, Kampen: Kok, 2018.

[5]  Benedictus XVI, Caritas in veritate, 2009.

[6]  Deus caritas est, 28.

[7]  Diaconaal doen doordacht, 200.

[8]  Ibid., 15.

[9]  Ibid., 199.