Spring naar inhoud

Ramadan; Mt 4,1-2

 

In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger.

 

In deze tijd hoor je regelmatig het woord quarantaine gebruiken. Dit woord betekent veertig dagen van afzondering. Het doet denken het verblijf van Jezus in de woestijn. Hier heeft Hij veertig dagen in afzondering met vasten doorgebracht. Onze Veertigdagentijd is hiermee verbonden: veertig dagen van soberheid om ruimte te maken voor spiritualiteit en solidariteit.

Op dit moment vieren de moslims de Ramadan: een maand van vasten, van bezinning en van gerichtheid op de medemens. De Ramadan is bij uitstek een gemeenschapsgebeuren, maar dit jaar niet. Door de coronamaatregelen dit jaar geen uitgebreide iftar maaltijden maar sociale afzondering.

Een bevriende moslima schreef op Facebook: “Ik ben al een tijdje bezig met de gedachte wat te doen in plaats van de iftar maaltijden thuis. Al jaren hebben wij de traditie om gedurende de hele vastenmaand mensen uit allerlei windstreken thuis te ontvangen of zelf op bezoek te gaan. Nu dat vanwege corona niet kan, was ik op zoek naar iets anders. Ik ben er eindelijk uit. Zojuist schoot mij het idee te binnen om gedurende de maand Ramadan en misschien ook daarna, een cliënt van de Voedselbank te adopteren en deze wekelijks te ondersteunen met een deel van de boodschappen.”

Ruim vijftig jaar geleden verklaarde het Tweede Vaticaans Concilie: “De Kerk beschouwt met hoogachting de moslims… Zij trachten zich met heel hun hart aan Gods verborgen raadsbesluiten te onderwerpen, zoals Abraham (…) zich aan God onderwierp. (…) Daarom staat een hoogstaand zedelijk leven bij hen zeer in achting en vereren zij God, vooral door gebed, aalmoezen en vasten.”

In mijn contact met moslims heb ervaren hoezeer het Concilie het hier bij het rechte eind heeft. Ik ben moslims werkelijk gaan waarderen en respecteren.

In de jaarlijkse Vaticaanse Ramadanboodschap schrijft Kardinaal Ayuso Guixot over de bevordering van de broederschap tussen christenen en moslims. In het bijzonder schrijft hij over de bescherming van gebedshuizen. “Voor zowel christenen als moslims zijn kerken en moskeeën ruimtes die gereserveerd zijn voor gebed, zowel persoonlijk als gemeenschappelijk. Ze zijn gebouwd en ingericht om stilte, bezinning en meditatie te bevorderen. Het zijn ruimtes waar men diep in zichzelf kan gaan en in de stilte God kan ervaren.”

Net als wij missen moslims in deze tijd hun gebedshuizen en hun gemeenschap. Bidden wij dat de Ramadan ondanks dit gemis voor hen vruchten mag dragen en hen dichter bij God mag brengen. Amen.

 

Hier vindt u de Vaticaanse Ramadanboodschap: https://www.rkkerk.nl/boodschap-bij-gelegenheid-van-ramadan-en-id-al-fitr-samen-gebedsplaatsen-beschermen/

Vrijheid; 1 Kor 10,23-24.31b;11,1


Broeders en zusters,

“Alles is geoorloofd.”
Ja, maar niet alles is heilzaam.
“Alles is geoorloofd.”
Ja, maar niet alles is dienstig.
Niemand zoeke zijn eigen voordeel,
maar dat van zijn naaste.
Wat gij ook doet,
doet alles ter ere Gods.
Weest mijn navolgers,
zoals ik het ben van Christus.

 

Vandaag is het Bevrijdingsdag. We vieren onze vrijheid. Maar wat verstaan we onder vrijheid? Wat betekent vrijheid voor ons? Tegenwoordig wordt vrijheid vaak gezien als kunnen doen wat je wilt. Maar is dit werkelijk vrijheid? Is dit de vrijheid waarvoor mensen hun leven hebben gegeven?

We hoorden de vermaning van Paulus richting de Korintiërs. Ook hier is de vraag aan de orde: wat is vrijheid. Voor welke vrijheid heeft Christus zijn leven gegeven. Hij heeft ons bevrijd. Hij is onze Verlosser. Voor Paulus is vrijheid iets heel anders dan doen waar je zin in hebt. Volgens Paulus zijn wij vrij om het goede te doen, om een goed mens te zijn. Dit is de vrijheid die Christus ons geeft: vrijheid die gebaseerd is op liefde. Deze vrijheid stelt ons in staat dat wij met onze daden God eren.

Het idee dat vrijheid inhoudt dat je kunt doen waar je zin hebt, komt voort uit het denken van de Verlichting. Hierin draait alles om de individuele vrijheid en om het bevredigen van persoonlijke begeerten en behoeften. Dit Verlichtingsdenken kwam in de zeventiende eeuw tot ontwikkeling, maar is pas de laatste vijftig jaar massaal omarmd. Tot voor kort stond het streven naar het goede, het ware en het schone centraal. De vraag is dan niet: waar heb ik zin in? De vraag is dan: hoe bereik ik het goede, het ware en het schone. Met dit laatste streven dienen we God en onze medemensen. In dit streven staan niet het individu en zijn persoonlijke behoeften centraal. In dit steven staan God en de gemeenschap centraal.

Elders schrijft Paulus: “Broeders en zusters, gij werd geroepen tot vrijheid. Alleen, misbruik de vrijheid niet als voorwendsel voor de zelfzucht. Integendeel, dient elkander door de liefde.” (Gal 5,13) Wij maken misbruik van onze vrijheid als wij haar enkel gebruiken voor ons eigen genot en onszelf in het centrum van de wereld plaatsen.

Het is uit liefde voor het goede, het ware en het schone, uit liefde voor andere mensen, uit liefde voor de gemeenschap dat mensen hun leven geven voor de vrijheid. Laten wij dan ook in ons denken over vrijheid die liefde centraal stellen. Alleen zo zijn wij ware leerlingen van Jezus Christus. Hij gaf ons het gebod van de liefde. Hij maakte de liefde waar. “Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.” (Joh 15,13) Amen.

Lente; Mt 6,26-28

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Let eens op de vogels in de lucht: ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren, maar uw hemelse Vader voedt ze. Zijt gij dan niet veel meer dan zij? Trouwens, wie van u is in staat met al zijn tobben aan zijn levensweg een el toe te voegen? En wat maakt gij u zorgen over kleding? Kijkt naar de leliën in het veld: hoe ze groeien. Ze arbeiden noch spinnen.”

Het is lente. Dat zien we overal om ons heen: het frisse, jonge groen en de voorjaarsbloemen. Ik rijd regelmatig over de A4 van huis naar de parochies. Momenteel zie je dan in de Vlietlanden een overvloed aan gele bloemen. De velden staan er vol met bloeiend koolzaad. Vorige week ben ik over Stompwijk gereden om de Vlietlanden te bezoeken en om er foto’s te maken van deze gele overvloed. Daar rondlopend moest ik denken aan deze uitspraak van Jezus, met name aan de leliën op het veld.

Jezus kende de natuur. Hij was er van kindsbeen af mee vertrouwd. Hij groeide weliswaar op in de stad Nazareth, maar wat was een stad in die tijd? Hij was geen stadsmens zoals we tegenwoordig in onze steden aantreffen. We weten dat Hij vanaf zijn twaalfde jaar ieder jaar met Pasen van Nazareth naar Jeruzalem liep. Op die manier zag hij elk jaar weer de lente in vele vormen opbloeien. In de Evangelieverhalen zien we dat Jezus leeft in nauwe verbondenheid met de schepping. Hij ziet hoe heel de schepping Gods lof zingt, en ook hoe alles in de schepping met elkaar samenhangt, waardoor ieder schepsel tot volle bloei kan komen. Het is Gods voorzienigheid die hierin heeft voorzien.

In die samenhang van heel de schepping heeft ook de mens zijn plaats. Ook voor de mens biedt de schepping alles wat hij nodig heeft. Daarnaast is de mens ook belast met zorg voor de schepping. God heeft ons mede verantwoordelijk gemaakt voor het werk van zijn handen.

Velen stellen in deze tijd vragen bij onze manier van leven. Beseffen we wel voldoende onze afhankelijkheid van de schepping en beseffen we wel voldoende onze verantwoordelijkheid voor de schepping.

In mei is het vijf jaar geleden dat paus Franciscus de encycliek Laudato si’ schreef. Ik kom daar volgende maand op terug. In deze encycliek roept hij ons op te zorgen voor de schepping, voor ons gemeenschappelijk huis, voor het geschenk van de goede en liefhebbende Schepper aan ons. Amen.

 

Klik op de foto voor uitvergroting.

H. Petrus Canisius; 2 Tim 4,1-2

Dierbare, Ik bezweer u voor het aanschijn van God en van Christus Jezus die levenden en doden zal oordelen, bij zijn verschijning en bij zijn koningschap: verkondig het woord, dring aan te pas en te onpas, weerleg, berisp, bemoedig, in één woord, geef uw onderricht met groot geduld.

 

Vandaag is de feestdag van de heilige Petrus Canisius. De aansporing van Paulus aan Timoteüs, die we zonet hebben gelezen, heeft Petrus Canisius zeer duidelijk op zichzelf betrokken. Hij werd in 1521 als Peter Kanis in Nijmegen geboren. Zijn vader was burgemeester van de stad. Hij studeerde filosofie en theologie in Keulen. In 1543 trad hij – als eerste Nederlander – in bij de toen pas opgerichte orde van de jezuïeten. In 1549 deed hij zijn plechtige kloostergeloften. Na zijn promotie tot doctor in de godgeleerdheid predikte en doceerde hij op vele plaatsen in Duitsland. Vanwege zijn ijver in de verkondiging van het geloof wordt hij de tweede apostel van Duitsland genoemd – Sint Bonifatius is de eerste.

Petrus Canisius speelde een voorname rol in de Contrareformatie, de katholieke reactie op de Reformatie. Zo nam hij deel aan het Concilie van Trente. Zijn grootste bekendheid verwierf hij als schrijver van een drievoudige catechismus. De versie voor het volk – de kleinste – werd het meest succesvol. Deze kende meer dan duizend herdrukken in 26 verschillende talen en is een van de meest herdrukte boeken in de Nederlandse geschiedenis. Zijn doel was het bestrijden van de Reformatie en van de onwetendheid op geloofsgebied onder de katholieken. Hij overleed in 1597 en werd in 1925 heilig verklaard.

Petrus Canisius heeft geleefd zoals Paulus ons voorhoudt: “verkondig het woord, dring aan te pas en te onpas, weerleg, berisp, bemoedig, in één woord, geef uw onderricht met groot geduld.” Ook in onze tijd en met name in deze tijd van crisis is het van belang het Woord van God te verkondigen. Zijn Woord wijst ons de weg in onze onzekerheid. Zijn Woord brengt ons ook troost en geeft ons vertrouwen.

Vandaag denken we daarbij aan de ijver van de heilige Petrus Canisius en vragen hem om zijn voorspraak bij onze inspanningen voor het Evangelie. Amen.

Geloofsgemeenschap: een netwerk van liefde

Essentieel voor het menselijk bestaan is de relatie met de medemens. Zonder relaties met anderen zijn wij niet in staat tot het ontvangen en het geven van liefde. Los van anderen leven wij niet; dan is er slechts sprake van vegeteren. Door in relatie te staan tot andere mensen maken we deel uit van een netwerk en behoren we tot een gemeenschap.

In ons dagelijkse spraakgebruik hebben we het vaak over òns netwerk, een netwerk dat we zelf opbouwen. Wij vormen ons een gemeenschap om ons heen. Bij deze manier van denken en spreken zijn wij zelf het middelpunt. Wij hèbben relaties en wij zijn het centrum van ons netwerk. Als we spreken over de Kerk als gemeenschap en als netwerk van liefde, is de situatie anders. Nu hebben we niet een netwerk, maar zijn we deel van een netwerk. Het gaat niet om ons als individu, maar om het geheel. Samen vormen we het netwerk en Jezus Christus is het middelpunt van dit netwerk. Hij is de dragende kracht. Wij mogen ons met Hem verbinden. Van Hem gaat de liefde uit die wij met anderen mogen delen.

In dit netwerk van liefde is ieder welkom die zich met Christus en zijn gemeenschap wil verbinden, die zijn leerling wil zijn. Hier geldt niet dat wij beoordelen of iemand wel of niet in onze gemeenschap past. Mensen bepalen dat primair zelf want het is Christus die hen hiernaartoe heeft geleid. Zijn Geest is hierin sturend. Als wij gastvrij en uitnodigend zijn, geven we mensen een zetje in de goede richting. Zo werken wij in onze directe omgeving mee dit netwerk van liefde verder uit te bouwen en te intensiveren. Zo vormen wij gastvrije en uitnodigende geloofsgemeenschappen.

 

Artikel in Kerk aan de Vliet 4,2 april/mei 2020

Liefde sterker dan de dood; Hnd 10,34a.37-43; Kol 3,1-4; Joh 20,1-9

De drie lezingen van vandaag geven een mooi beeld van de eerste ontwikkelingen van het christendom. In het Evangelie zien we Johannes tot geloof komen. In de eerste lezing horen het begin van de verkondiging aan de heidenen en weer later Paulus schrijft wat leven als een christen inhoudt.

We horen in het Evangelie hoe de vrouwen ontdekken dat het graf leeg is. De eerste reactie is een reactie van ongeloof. Hoe is dit mogelijk geweest: “Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.” Dan gaan Petrus en Johannes op onderzoek uit en ook zij zien dat het graf leeg is. En dan gebeurt het wonder. Johannes gaat het graf in: “hij zag en geloofde”.

Johannes gelooft ook al begrijpt hij er niets van. Ook hij had “nog niet begrepen hetgeen er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan”. Geloven is niet een kwestie van begrijpen of van gezien hebben. Geloven is ook geen kwestie van zeker weten. Geloven is puur genade. Het geloof wordt je gegeven. Geloof kun je niet op eigen kracht verkrijgen. Het geloof is een gift die mag ontvangen.

In de eerste lezing horen we over het optreden van Petrus. De apostelen zijn na het ontvangen van de heilige Geest gegroeid in hun geloof. En nu begint er een volgende fase in de geloofsverkondiging. Door een engel aangespoord laat de Romeinse centurio Cornelius Petrus vragen naar Caesarea te komen. Caesarea was de stad waar het Romeinse bestuur over Israël zetelde. In die zin stond Caesarea ook symbool voor het heidendom. Terwijl de boodschappers onderweg zijn naar Petrus, krijgt Petrus een visioen waaruit hij moet begrijpen dat de Blijde Boodschap er ook voor de heidenen is. Zowel Cornelius als Petrus worden door God geïnspireerd. Samen geven zij uitvoering aan Gods plan. Zo staat God zelf aan het begin van de verkondiging aan de heidenen.

Petrus gaat naar Caesarea, naar het huis van Cornelius. Na de nodige plichtplegingen en uitleg over de aanleiding van de ontmoeting, neemt Petrus het woord en vertelt over Jezus, over zijn optreden, zijn dood en zijn verrijzenis. Hij is door God aangesteld over levenden en doden en Hij geeft vergiffenis van zonden. Op deze wijze getuigt Petrus van zijn geloof in Jezus Christus en ondertussen brengt de heilige Geest zijn gehoor tot geloof. Dit verhaal uit Handelingen laat zien hoe het God zelf is die door Jezus Christus en door de heilige Geest mensen tot geloof brengt.

Weer een aantal jaren later schrijft Paulus zijn brief aan de Kolossenzen. Nadat Paulus op een aantal dwalingen heeft gewezen, schrijft hij hoe je als christen dient te leven. De vandaag gelezen tekst is hiervan de inleiding. Ons geloof in Christus heeft ons nieuw leven gebracht. We hebben met onze Doop het oude leven afgelegd. Door het water van de Doop zijn we tot een leven in en met Christus gebracht. Door de Doop leeft Christus in ons: Hij is ons leven.

Paulus roept ons op ons ook zo te gedragen en met onze manier van leven zichtbaar te maken dat wij in verbondenheid met Christus leven. Zo getuigen ook wij van zijn leven, zijn dood en verrijzenis. De verrezen Heer doet ons geloven. Hij doet ons ook hopen. Hij geeft ons toekomst. In Hem zien we dat onze God een God van levenden is, dat de dood nooit het laatste woord heeft, dat er nooit een einde komt aan zijn liefde voor ons en daarmee ook niet aan onze liefde voor elkaar.

Hoe ernstig een crisis ook is, God wijst ons altijd een uitweg. De verrezen Heer is daarvan het teken. In Hem wordt ons geloof, onze hoop en onze liefde werkelijkheid. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Dit maakt Pasen tot het grote feest van het christendom. Dit maakt ook dat we dit feest zo graag samen vieren. Het feest van het leven is geen individuele zaak. We komen pas echt tot leven in relatie tot elkaar. In de gemeenschap komen we tot leven. Samen willen we onze vreugde uitzingen, maar dat is vandaag helaas niet mogelijk. Gelukkig geeft Pasen ons vertrouwen in de toekomst. De liefde is sterker dan de dood. Zo is onze verbondenheid met elkaar ook sterker dan corona. Amen.

Witte Donderdag; Joh 13,1-15

Vandaag op Witte Donderdag gedenken wij het laatste Avondmaal en daarmee de instelling van de heilige Eucharistie. Vanavond zal pastoor Bakker daar ongetwijfeld over preken. De Evangelietekst die we op Witte Donderdag lezen gaat echter over een andere gebeurtenis die op die avond plaatsvond: Jezus wast de voeten van zijn leerlingen en Hij roept hen – en daarmee ook ons – op hetzelfde te doen. In deze tijd moeten we zeer terughoudend zijn in het elkaar aanraken en ik zal u dan ook niet oproepen elkaar letterlijk de voeten te wassen. Het gaat in het Evangelie niet enkel om het wassen van voeten: Jezus nodigt ons uit dienstbaar te zijn aan elkaar.

Priesters vieren Witte Donderdag ook als de dag van de instelling van het priesterschap. Dat is geheel terecht, maar ik stel voor deze dag voortaan ook te vieren als de dag van de instelling van het diaconaat. Het is niet voor niets dat de paus bij de voetwassing een diakenstola draagt en niet de gebruikelijke priesterstola. Zoals wij christenen bij ons Doopsel allemaal gezalfd zijn tot het gemeenschappelijk priesterschap, zo zijn wij ook gezalfd tot het gemeenschappelijk diaconaat. Heel de Kerk en ieder van ons is geroepen tot dienstbaarheid. Als leerlingen van Jezus zijn wij er niet om gediend te worden, maar om te dienen.

Dienstbaar zijn aan elkaar is een vorm van liefde die overal en altijd mogelijk is. Dienstbaarheid is er niet alleen voor mensen die je graag mag. Denk in deze tijd bijvoorbeeld aan de supermarkt. Daar kun je andere mensen zien als je concurrenten die mogelijk het laatste exemplaar van het door jou gewenste artikel meenemen. We kunnen de ander echter ook zien als een naaste, als een medemens en elkaar respecteren en ruimte geven. Zo zijn we dienstbaar naar elkaar. Zo zijn wij leerlingen van Jezus.

Vandaag wil ik ook even stilstaan bij hen die ook in deze tijd anderen letterlijk de voeten wassen. Ook nu zijn er mensen die zichzelf niet kunnen wassen. Denk aan ziekenhuizen en verpleeghuizen. Denk ook aan de mensen in de thuiszorg. Zij bezoeken mensen die thuis hulp en verpleging nodig hebben. Onze bisschop spreekt regelmatig over een beschaving van liefde. Deze beschaving van liefde wordt zichtbaar in het werk van mensen met vitale beroepen. Het woord vitaal zegt het al: het zijn levengevende beroepen. Het is de liefde die leven geeft. Mensen met vitale beroepen zijn mensen van liefde. Wie leven geeft, geeft liefde. Wie liefde geeft, geeft leven.

Vaak zijn het ook beroepen waarin mensen risico’s lopen. Denk aan de vrouw die in de thuiszorg werkt. Bij iedere client denkt zij: “Breng ik het virus mee naar binnen?” Maar ook is zij zich ervan bewust dat zij ook zelf besmet kan raken. Deze liefhebbende en levengevende mensen hebben onze steun en ons gebed hard nodig. Ook op die manier kunnen we dienstbaar zijn. Amen.

Vernedering en verheerlijking; Fil 2,6-11

Lezing Fil 2,6-11

Broeders en zusters,

Hij, die bestond in goddelijke majesteit
heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God.
Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd
door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis.

Daarom heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend die boven alle namen is.
Opdat bij het noemen van zijn Naam
zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde;
en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader:
Jezus
Christus is de Heer.

Deze tekst is het hoogtepunt van de brief aan de Filippenzen. Met dit lied laat Paulus ons zien wie Jezus Christus is en wat Hij heeft gedaan Wie Christus is, wordt direct duidelijk: Hij is gelijk aan God. Hij heeft goddelijke majesteit. Hij bestond al voordat Hij mens werd. Elders lezen we bij Paulus dat alles in Hem en door Hem geschapen is. (Kol 1,16)

Deze goddelijke persoon is aan de mensen gelijk geworden. De Schepper is schepsel geworden. Hij heeft zich niet vastgeklampt aan zijn goddelijke natuur. Hij heeft haar niet uitgebuit voor zichzelf. Hij heeft zichzelf ontledigd door zijn goddelijke gestalte los te laten. Niet dat Hij niet langer God was. God kan niet ophouden God te zijn. Hij heeft zichzelf geheel ter beschikking van de mensen gesteld. Zo heeft Hij zichzelf weggegeven. Hij heeft het bestaan van een slaaf op zich genomen en als mens heeft Hij zich laten vernederen door gehoorzaam te zijn tot de dood aan het kruis. Zo ging Hij in zijn liefde voor de mensen tot het uiterste toe. Hij is niet alleen mens geworden, maar is ook nog eens de geringste van de mensen geworden. Hij is als een slaaf aan het kruis gestorven. Erger was niet mogelijk. Hij heeft zijn bestaan geheel met het onze verbonden. Hij was een kind en groeide op tot een volwassene Hij leed honger en dorst, Hij was vermoeid en had slaap nodig, Hij had verdriet: niets menselijks was en is Hem vreemd. Vandaag lijdt Hij met ons mee, met onze pijn, onze angsten en onzekerheden.

Het paradoxale, het op het eerste gezicht geheel tegenstrijdige is, dat juist in zijn gestalte als minste der mensen zijn goddelijkheid zichtbaar is geworden. Vanuit zijn nederigheid heeft Hij mensen genezen en aan armen de Blijde Boodschap verkondigd. De Zoon van God laat ons zien dat we God niet moeten zoeken in macht en majesteit. God wordt juist zichtbaar in het zwakke en kleine. De grote kracht van God ligt in de zwakheid van de liefde. Gods liefde voor ons mensen vraagt om ons antwoord van liefde.

Jezus laat ons zien wat liefde betekent en wat het tot stand brengt. Hij is ons de weg van de liefde voorgegaan. Door zijn bestaan met ons te verbinden, stelt Hij ook ons in staat werkelijk lief te hebben. Met zijn leven, lijden en sterven brengt Hij de liefde terug in de wereld. Zo verbindt Hij ons leven opnieuw met het goddelijk bestaan. Doordat Hij is geworden zoals wij, zijn wij weer op Hem gaan gelijken. Zo keren we terug naar het begin. Toen werd de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Hij heeft ons verlost van onze menselijke verslavingen en van ons egoïsme en onze zelfgerichtheid. Hij stelt ons in staat werkelijk God en elkaar lief te hebben. Hij heeft de verbondenheid tussen God en de mensen hersteld.

Als eerste der mensen wordt Christus hoogverheven. Zijn vernedering is het begin van zijn verheerlijking. In deze verheerlijking mag uiteindelijk heel de mensheid en heel de schepping delen. Omdat Hij zich met ons verbonden heeft, zijn wij met Hem verbonden. Zo zullen ook wij mogen delen in zijn heerlijkheid. Dan zal er geen pijn, angst en onzekerheid meer bestaan. “God zal de tranen van alle gezichten afwissen.” (Js 25,8) Amen.

Dienend leiderschap; Mt 21,1-11

Elk jaar lezen wij dit verhaal. We lezen hoe Jezus gezeten op een ezel Jeruzalem binnenrijdt. Wij horen hoe Jezus wordt toegejuicht. De mensen roepen Hosanna, Hosanna in den hoge. Jezus wordt binnengehaald als een koning. Het verhaal is altijd hetzelfde, maar telkens weer lezen wij het met andere ogen en horen we het met andere oren. Onze eigen situatie is telkens weer anders, waardoor we ook telkens weer nieuwe aspecten in dit verhaal ontdekken.

“Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier.” Israël heeft een lange geschiedenis met koningen. Eerst was er koning Saul. Na zijn mislukte koningschap komt David. Ook al is ook David niet vrij van zonden, toch is hij in de Bijbel het grote voorbeeld van een goede koning. Davids zoon, koning Salomo staat bekend om zijn wijsheid, maar hij vervalt tot afgoderij en keert zich af de Heer. Dit laatste zien we telkens weer terugkeren. Alle volgende koningen vervallen tot afgoderij. Alleen koning Josia is een uitzondering op deze regel: Over hem staat geschreven: “Voor hem is er geen koning geweest die zich zo met heel zijn hart, met heel zijn ziel en al zijn krachten, geheel volgens de wet van Mozes, tot de Heer bekeerd heeft; ook na hem is er geen meer gekomen die hem geëvenaard heeft.” (2K 23,25) De relatie tussen God en de koning is bepalend voor het welzijn van het volk. Alleen een koning die gericht is op God, is een dienaar van zijn volk.

In onze tijd is het koningschap vooral het ceremoniële functie. Presidenten en ministers hebben de taak de volkeren te regeren. Meestal beoordelen wij hen vanuit onze eigen politieke denkbeelden, maar in tijden van crisis speelt dat veel minder een rol. In tijden van crisis gaat het om leiderschap. In deze tijd van corona is er wereldwijd sprake van crisis. De relatie van de regeringsleiders met God is ons vaak niet bekend, maar wat we wel kunnen beoordelen is hun dienstbaarheid aan het volk. Stellen zij het welzijn van het volk op de eerste plaats of gaat het toch om de hedendaagse afgoden: geld, macht en status.

Jezus komt vandaag gezeten op een ezel. Hij heeft van zichzelf gezegd: “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.” (Mc. 10, 45). In hem herkennen de mensen de ware koning. Dit is het koningschap, het leiderschap waarnaar ze uitzien. Hem juichen zij toe als de Zoon van David. Jezus heeft ons op vele manieren laten zien hoe we goed kunnen leven. Hoe we een leven van liefde en waarheid kunnen leven, hoe we mogen geloven en hopen, hoe we werkelijk gelukkige mensen kunnen worden. Daartoe heeft Hij ons verlost. Zo heeft Hij ons gered. Vandaag laat Hij ons zien wat leiderschap is.

Bidden wij in deze tijd voor de leiders in onze wereld, dat zij zijn navolgers proberen te zijn, dat zij Hem als hun voorbeeld zien. En bidden we ook voor onszelf. Wij allen zijn bij onze Doop gezalfd tot priester, koning en profeet. Wij allen zijn gezalfd om God en de mensen te dienen. Ook voor onszelf geldt dat we geroepen zijn om een koning op een ezel te zijn. Geroepen om de verleiding van de hedendaagse afgoden te weerstaan. Amen.

De vrouw bij de put en het coronavirus; Joh 4,5-42

Het verhaal over de vrouw bij de put speelde al een paar dagen door mijn hoofd. Gaandeweg de week kwam het coronavirus daar in toenemende mate bij. Twee zaken die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. Met het vervallen van de zondagvieringen verviel ook de noodzaak om een preek te maken. Toch kon ik het niet laten enkele gedachten op papier te zetten.

Het coronavirus dwingt ons tot sociale onthouding. We moeten de contacten met anderen beperken om besmetting en verdere verspreiding van het virus tegen te houden. De vrouw die Jezus bij de put ontmoet, heeft ook gekozen voor sociale onthouding. Zij komt op het heetst van de dag – rond het middaguur – naar de put. Zij doet dat om andere mensen te ontlopen. De meesten doen op dat moment een middagdutje.

De rest van het verhaal maakt duidelijk waarom de vrouw in een sociaal isolement is geraakt: “… want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet.” Haar levenswandel voldoet bepaald niet aan het goed burgerlijk fatsoen. Het misprijzen van haar stadsgenoten ontloopt ze liever. Sociale onthouding en sociaal isolement zijn aan elkaar verwante zaken.

Maar juist door haar sociaal isolement ontmoet de vrouw Jezus. We ontmoeten Jezus vaak in onze medemensen, in de mensen in nood: de hongerige, de dorstige, de vreemdeling, de naakte, de zieke, de gevangene (Mt 25). Daarnaast kunnen we Jezus ook ontmoeten door juist ons van anderen af te zonderen. Zonder mensen om ons heen weten we niet wat liefde is en dan kennen we God ook niet. “De mens zonder liefde kent God niet, want God is liefde.” (1 Joh 4,8) Maar van tijd tot tijd kan het geen kwaad ons af te zonderen. Jezus verbleef niet voor niets veertig dagen in de woestijn.

Even op ons zelf teruggeworpen zijn geeft ons de ruimte voor reflectie. Even vrij zijn van alle sociale verplichtingen geeft ruimte. Relaties onderhouden en sociale verplichtingen kunnen ons geheel in beslag nemen. Ze kunnen verslavend werken. Zo beroven ze ons van onze vrijheid, de vrijheid om zelf na te denken in plaats van te doen en te denken wat sociaal en politiek wenselijk is. Van tijd tot tijd hebben wij het nodig om ons leven te oriënteren op wat wezenlijk is, om ons te bezinnen op onze relatie met Jezus Christus.

De Veertigdagentijd is een tijd van bezinning en reflectie. Dat vraagt dat wij ons proberen te onthouden van zaken die ons op een verslavende wijze binden en ons onvrij maken. Op deze wijze kunnen we het gedwongen sociaal isolement en de sociale onthouding vruchtbaar maken door tijd te nemen voor bezinning en voor gebed. Zondagvieringen zijn voorlopig niet mogelijk maar gebed en bezinning zijn daar niet van afhankelijk. Jezus zegt: “… er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. (…) Er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden. God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.”