God heeft alles geschapen om te leven. De tekst van de eerste lezing komt uit het boek Wijsheid. Dit boek is geschreven in de eerste eeuw voor Christus. De schrijver leefde in de stad Alexandrië in Egypte. Dat was toen een belangrijk centrum van de Griekse cultuur. De auteur richt zich op de Griekssprekende joden. Zij leven in de diaspora te midden van de heidenen. Hoe moeten zij zich verhouden ten aanzien van de wereld om hen heen. De schrijver zet zich niet alleen af tegen de Griekse cultuur. Hij neemt er ook zaken uit over en plaatst deze in het geloof van het jodendom.
De tekst die wij vandaag hebben gelezen bestaat uit vier zinnen. De eerste twee vormen de afsluiting van het eerste tekstgedeelte van het boek Wijsheid. De tweede twee zinnen vormen de afsluiting van het tweede tekstgedeelte. In het eerste tekstgedeelte gaat het over de gerechtigheid. Gods Geest van wijsheid vervult heel de schepping. Hij heeft de mensen lief. De heilige Geest onderwijst ons en houdt ons af van het kwaad.
De heilige Geest houdt ons op het pad van de gerechtigheid. Dit is de weg van de waarheid, van de liefde en van het leven. Dit is de weg die God voor de mensen heeft gewild. Dit is de weg die leidt tot het volle leven, tot het eeuwig leven. Daartegenover staat de weg die de goddelozen gaan. Hierover schrijft de auteur in het tweede tekstgedeelte. Deze tekst mag dan ruim tweeduizend jaar oud zijn, zij is ook heel herkenbaar voor onze tijd.
In het boek Wijsheid zijn de heidenen de goddelozen, maar ook de joden die teveel de ideeën van de Griekse cultuur volgen. Ook de goddelozen hebben het over gerechtigheid, maar deze verschilt sterk van de gerechtigheid van de Geest van wijsheid. De gerechtigheid van de Geest van wijsheid is gericht op het leven, op de liefde en op de waarheid. Het is een gerechtigheid die gericht is op het recht van de ander.
De gerechtigheid van de goddeloze is gericht op zichzelf. Hier heb ik recht op. Je hoort het ook tegenwoordig met grote regelmaat. Omdat het leven kort is en eindig moet je nu zoveel mogelijk genieten. Je moet feestvieren en voortdurend vrolijk zijn. Je moet ook sterk zijn want zwakheid leidt tot niets. Deze gerechtigheid gaat ten koste van de ander. De zelfgerichtheid leidt tot ledigheid en verslaving. Zij is niet het pad van het leven, maar van de dood en van het kwaad. De zelfgerichtheid gaat niet alleen ten koste van andere mensen. Zij gaat ten koste van heel de scheppin. Zij gaat ten koste van alle leven.
Ook Paulus waarschuwt ons voor zelfgerichtheid. Hij vraagt de christenen van Korinthe om solidair te zijn met de christenen in Jeruzalem. Zij verkeren in slechtere omstandigheden dan de gemeenschap in Korinthe. Gerechtigheid en solidariteit vragen niet dat je alles weggeeft wat je bezit. Het gaat om het delen van jouw overvloed. Paulus schrijft: “Er moet een zeker evenwicht tot stand komen.” Hierna citeert Paulus woorden uit het boek Exodus: “Hij die veel had verzameld, had niet te veel, en hij die weinig had verzameld kwam toch niet te kort.”
Deze tekst komt uit het verhaal over het manna in de woestijn. Er is genoeg manna voor iedereen. Een grote hoeveelheid was niet teveel en een kleine hoeveelheid niet te weinig. Iedereen verzamelde precies wat hij nodig had. Het gaat echter mis als iemand iets wil bewaren, dus zich meer heeft toegeëigend dan nodig is. Dan gaat de overvloed rotten en stinken. God geeft in overvloed, maar wij zijn zelf verantwoordelijk daar op de juiste wijze mee om te gaan.
Dit lezen we ook in de laatste twee zinnen van de lezing uit het boek Wijsheid. God heeft ons naar zijn evenbeeld geschapen en daarmee tot onsterfelijkheid bestemd. Maar door de afgunst, door de zelfgerichtheid keren wij ons af van God. Zo komt het kwaad en de dood in de wereld. Het overvloedig toe-eigenen van het manna leidt tot rotting en tot stank. De zelfgerichtheid is een kwaad dat ten koste gaat van het leven, het leven van onze medemensen en het leven van heel de schepping.
Solidariteit en gerechtigheid leiden ons op de weg van het leven. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Hoezeer Jezus zelf het leven is, zien wij vandaag in het Evangelie. Hij geneest zieken en laat doden weer leven. Als leerlingen van Jezus mogen wij in zijn voetsporen treden. Wij doen dit door naar vermogen bij te dragen aan het leven en het geluk van onze medemensen. Door onze gerichtheid op de ander brengen wij de ander tot leven. Zo gaan wij de weg van de gerechtigheid, de weg van de waarheid en van de liefde. Zo brengen wij de wijsheid die ons geschonken wordt, in de praktijk. Dit brengt ook ons een leven van geluk, een leven in liefde en waarheid, een leven in en met God. Amen.
Paulus schrijft over de rol van de heilige Geest. De heilige Geest laat ons leven naar Gods wil en Gods geboden onderhouden. Door de heilige Geest weten wij dat we kinderen van God zijn. Doordat we kinderen van God zijn, zijn we samen met Jezus Christus ook erfgenamen van God. Met Jezus delen wij de lasten van het menselijke bestaan, het lijden en sterven. Met Hem delen wij ook in de liefde van God voor zijn Zoon. Zoals de Vader zijn eniggeboren Zoon liefheeft, zo heeft God ook ons lief. Wij delen met Jezus het aardse geluk. Met Hem delen wij ook in de verheerlijking en het geluk van het eeuwig leven. Uit de gelijkenis van de verloren zoon weten we wat het betekent om erfgenaam te zijn. Hier zegt de vader tegen de oudste zoon: “Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou.” (Lc 15,31)
In dit licht mogen wij ook de woorden Jezus tot zijn leerlingen zien. “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen.” Alle mensen moeten weten dat zij kinderen van God mogen zijn. Leerling zijn van Jezus is delen in zijn leven, is mede-erfgenaam zijn. Mede-erfgenaam zijn is samen met Jezus leven vanuit de liefde van God. Dat doet ons delen in zijn lijden en in zijn verheerlijking. Dat maakt ons ook deelgenoot in zijn zending. Jezus is alle macht in de hemel en op aarde gegeven. Met die macht stelt Hij ook ons in staat het werk te doen waartoe Hij gezonden is.
Het maakt niet uit of wij ons twijfelend of uit volle overtuiging in aanbidding neerwerpen: alle leerlingen van Jezus delen in zijn zending, zijn missie. Wij zijn mede-erfgenaam. Wij zijn daarmee ook medeverantwoordelijk. Het maakt ook niet uit dat we niet meer of nog niet compleet zijn. Van de twaalf leerlingen gaan er elf naar Galilea. Judas heeft hen verlaten. Het getal twaalf staat in de Bijbel maar ook daarbuiten voor compleetheid. Denk aan de twaalf maanden in een jaar. Denk aan de klok.
Ook al heeft Jezus als Zoon van God alle macht, toch doet Hij een beroep op ons. Hij geeft ons geen opdracht vanuit een machtspositie. Het is zoals Paulus schrijft: “De Geest die gij ontvangen hebt is er niet een van slaafsheid die u opnieuw vrees zou aanjagen.” Jezus geeft ons geen bevel. Hij vraagt ons om onze medewerking. Jezus vraagt ons samen met Hem en in gemeenschap met elkaar deze taak op ons te nemen. “Ziet, Ik ben met u, alle dagen, tot aan de voleinding der wereld.”
God heeft hemel en aarde geschapen. In en door Jezus Christus is alles herschapen en verlost van het kwaad. Het brengen van de schepping naar de voltooiing is een gezamenlijk project van God en de mensen. Het herscheppen is een voortgaand proces. Hiertoe heeft Jezus ons zijn Geest geschonken. Hij geeft ons het inzicht en de wijsheid, de kracht en liefde die nodig is om dit gezamenlijke project tot een goed einde te brengen. De uitvoering van dit gezamenlijke project is geen kwestie van macht of van dwang. Dit kan alleen op basis van vrijwilligheid en van persoonlijke overtuiging. Wij mensen hebben een vrije wil. Wij zijn geroepen zelf de keuze te maken.
De heilige Geest maakt ons vrij. Hij zorgt ervoor dat wij niet vervallen in zonde en verslaving. Hij behoedt ons voor onze zwakte, onze begeerten en onze zelfgerichtheid. Hij zorgt ervoor dat wij in vrijheid God kunnen aanroepen als onze Vader. God aanroepen als onze Vader zegt veel over de relatie tussen God en ons. Het is een relatie van liefde. Hem Vader noemen wijst op respect en ontzag, maar tegelijkertijd ook op vrijmoedigheid en vertrouwdheid. God onze Vader noemen betekent ook dat wij elkaar als broeders en zusters zien. De heilige Geest maakt ons tot een gemeenschap: een gemeenschap van mensen en een gemeenschap in en met God.
De drie-ene God heeft alles geschapen. Vanaf het eerste begin heeft God zich met zijn schepping verbonden. Gaandeweg heeft Hij zich aan ons mensen geopenbaard. In Jezus Christus werd deze openbaring compleet. De heilige Geest wordt ons gegeven om God steeds beter te leren kennen. Hij helpt ons de oproep van Jezus aan ons uit te voeren en zo in een gezamenlijk project van God en mensen de schepping tot zijn voltooiing te brengen.
Zo worden wij opgenomen in de heilige Drie-eenheid: één God in drie personen. De heilige Drie-eenheid die een volmaakte liefdesgemeenschap is. De voltooiing van de schepping, de komst van het Rijk Gods betekent dat heel de schepping wordt opgenomen in deze liefdesgemeenschap van Vader, Zoon en heilige Geest. Amen.
“Zij zijn niet van de wereld zoals Ik niet van de wereld ben.” In het Evangelie van vandaag horen we dit Jezus twee keer zeggen; “Zij zijn niet van de wereld zoals Ik niet van de wereld ben.” Wat moeten wij met deze uitspraak van Jezus? Wat betekent het voor ons? Net als ik heeft ook u daar ongetwijfeld een eerste gevoel bij. En het is zeker niet slecht om zo’n intuïtie te volgen. Wij zijn leerlingen van Jezus en hebben enig idee van zijn manier van spreken. Dat geeft een gezonde basis aan ons aanvoelen. Vandaag wil ik echter een stap verder gaan en er wat dieper induiken.
Allereerst is daar het woord ‘wereld’. Het woord ‘wereld’ komt in de Bijbel minder vaak voor dan je je zou kunnen verwachten. Het woord ‘wereld’ wordt vooral door de apostel Johannes gebruikt. Hij doet dat in het Evangelie dat door hem is geschreven en in zijn eerste brief waaruit we vandaag ook hebben gelezen. Wat opvalt is dat het woord ‘wereld’ meestal een negatieve bijklank heeft. Dit is ook vandaag het geval: de wereld heeft de leerlingen gehaat. En Jezus bidt dat ze bewaart worden voor het kwaad. Dat kwaad hangt blijkbaar samen met de wereld.
Wij gebruiken het woord wereld in verschillende betekenissen. Van Dale geeft er twintig. Ik zal ze niet allemaal noemen. Een van die twintig betekenissen is: het aardse bestaan, het leven hier en nu. Hierbij wordt ook verwezen naar teksten van Johannes. Het gaat dan om het aardse bestaan tegenover het hemelrijk, de mensenwereld tegenover de wereld van God, de gebrokenheid en zondigheid tegenover de volmaaktheid. Johannes schrijft dat Jezus in de wereld is gekomen en dat Hij de wereld weer zal verlaten. Ook daaruit blijkt een duidelijk onderscheid tussen de wereld van God en ons aardse bestaan: de wereld van de mensen.
Toen Johannes deze teksten schreef, was dit onderscheid er ook fysiek. Het wereldbeeld was toen: wij mensen leven hier op aarde, een aarde die plat is en over die platte aarde staat een grote koepel en boven die koepel is de hemel en daar woont God. Jezus was uit die hemel gekomen en daar ging Hij ook weer naar terug. In onze tijd kennen wij dit fysieke onderscheid niet. We hebben een op de wetenschap gebaseerd beeld van de wereld. Wij moeten het daarom doen met een abstracte interpretatie van dit onderscheid: de gebrokenheid van het menselijk bestaan aan de ene kant en de volmaaktheid van God aan de andere kant.
Jezus spreekt op een negatieve manier over het menselijk bestaan. Dit menselijk bestaan wordt getekend door het kwaad en de zondigheid. Ook als we vandaag om ons heen kijken, komen we tot die conclusie. Het is niet alleen liefde en vrede in onze wereld; er zijn ook vele misstanden waarachter echt kwaad schuil gaat.
Wij mensen – en dat geldt ook voor ons als leerlingen van Jezus – zijn innig met deze wereld verbonden. Wij maken hoe dan ook deel uit van deze wereld. Wij zijn er in geboren. Deze wereld bestaat mede uit ons. En dat geldt ook voor de mensgeworden Zoon van God. Toch zegt Jezus dat én Hijzelf én wij – als zijn leerlingen – niet van deze wereld zijn. Wij zijn wel in de wereld maar niet van de wereld. Ook al zijn wij innig met de wereld verbonden, we hoeven ons niet te laten tekenen door het kwaad. Dat heeft Jezus ook niet gedaan. Hij was geheel aan de mensen gelijk, maar niet in de zonde.
God is de Schepper van alles. Hij heeft heel deze wereld geschapen. De wereld is van oorsprong goed. Toch is het kwaad de wereld binnengedrongen en kreeg haar in haar macht. Door het bevrijdende werk van Jezus is de wereld herschapen. De macht van het kwaad is gebroken. Het kwaad bestaat zeker nog, maar wij hoeven er niet aan toe te geven.
Aan het begin van zijn openbare leven zegt Jezus tegen Nikodemus: “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.” Jezus kwam in de wereld niet om haar te oordelen, maar haar te redden. Met zijn leven, zijn lijden en sterven heeft Hij het kwaad overwonnen. Wij zijn niet langer geknecht door het kwaad.
Op deze wijze zijn wij in de wereld maar niet van de wereld. Ons leven is gericht op God, is gericht op een betere wereld. Dit betekent niet dat wij de wereld moeten verachten of moeten proberen zo snel mogelijk haar te verlaten om in de hemel te komen. Sterker nog Jezus stuurt ons juist de wereld in om te getuigen van de waarheid. Uit liefde voor de wereld kwam Hij in de wereld en stuurt Hij ons de wereld in. Ook daarin mogen wij Jezus navolgen. Hij kwam in de wereld als het ware Licht, het Licht dat iedere mens verlicht. Meer dan eens schrijft Johannes dat Jezus het Licht der wereld is.
Vorige week hoorden we Jezus zeggen: “Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt.” Door elkaar lief te hebben zijn ook wij een licht in de wereld. Door elkaar lief te hebben, getuigen ook wij van de waarheid. Door elkaar lief te hebben weerstaan wij het kwaad. In zijn eerst brief schrijft Johannes: “als wij elkaar liefhebben woont God in ons en is zijn liefde in ons volmaakt geworden.” “God is liefde.” Als wij elkaar liefhebben leven wij in de wereld van God. Als wij elkaar liefhebben verandert onze wereld in de wereld van God. Met de liefde brengt God ons een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Door de Geest van liefde zal alles worden herschapen. Amen.
Onlangs is ons huis opnieuw geschilderd en zijn de platte daken vernieuwd. Voorlopig kan het huis er weer even tegen. Dat is niet onbelangrijk. De plek waar we wonen en ons thuis voelen, speelt een belangrijke rol in ons leven. Het is de plek waar je je veilig voelt en beschut weet. Dat gaat verder dan primaire levensbehoeften. Je richt je huis in naar je eigen smaak, zodat het een aangename plaats is waar je je op je gemak voelt. Je gaat je ook hechten aan je huis. Een thuis is meer dan alleen een materiële zaak.
Het thuisgevoel beperkt zich niet tot je woning. Het geldt ook de straat, de buurt, de stad of het dorp waar je woont en voor de kerk die je bezoekt. In groter verband geldt het ook voor de streek en het land waar je woont. Al die verschillende vormen van thuis kennen een vorm van vertrouwdheid en gehechtheid. Bij elke vorm van thuis voel je je ook medeverantwoordelijk voor het in stand houden ervan. Bij je eigen huis is dat heel concreet. Bij de grotere verbanden zijn er verschillende verplichte en vrijwillige manieren van bijdragen aan de instandhouding van het gezamenlijke huis.
De meeste ruime vorm van een gemeenschappelijk huis is de aarde die we als mensheid bewonen. In 2015 schreef paus Franciscus de encycliek Laudato si’ (Geprezen zijt Gij). De paus roept ons op in verbondenheid met elkaar verantwoordelijkheid te nemen voor ons gemeenschappelijk huis. Hij roept ons op te zorgen voor de schepping. God heeft ons de aarde gegeven om er te wonen, om er veilig en gelukkig te zijn, om er werkelijk mens te zijn. Wij mensen zijn niet alleen uit het stof van de aarde gemaakt; we hebben de aarde ook nodig om ons te voeden met haar vruchten en we hebben grond nodig om ons te vestigen en te wortelen. Een plaats om je volledig te kunnen ontplooien, om binnen een gemeenschap tot een goed en gelukkig mens uit te kunnen groeien is van essentieel belang voor ons mensen.
Ons huis is er om te gebruiken, om ervan te genieten, maar niet om het te verbruiken. Niemand stopt zijn voordeur in de kachel om zich zo te warmen. Ook voor de aarde geldt dat wij haar mogen gebruiken, maar niet verbruiken. We moeten voor de aarde zorgen, zoals we voor ons eigen huis doen.
Ook gepubliceerd op Kerk en Milieu en in het maandblad van de KBO Voorburg, Contact mei 2021.
“Ik ben de goede herder.” Jezus noemt zichzelf de goede herder. Hij stelt de goede herder tegenover de huurling, die geen hart heeft voor de schapen. Wij doen dit zelf ook vaak om iets aan een ander duidelijk te maken. Als we uitleggen wie we zijn en wat we doen, vertellen we wie we niet zijn en wat we niet doen. De tegenstelling gebruiken we dan om het beeld van onszelf te verduidelijken en af te bakenen.
Het goed om de huurling eens nader te bekijken; wie is hij en wat doet hij? Dat maakt duidelijk waarom Jezus geen huurling is, maar de goede herder. De huurling is geen slecht mens. Hij is een dagloner, die voor korte tijd, bijvoorbeeld één of twee nachten, de taak van de herder op zich neemt. In onze tijd zouden het over een uitzendkracht of een zzp’er hebben, die tijdelijk een bepaalde taak op zich neemt. Deze persoon verdient zo op een respectabele manier de kost. Hij houdt ongetwijfeld van schapen en van het omgaan met dieren. Maar hij is een voorbijganger. Hij is voor tijdelijk. Daardoor is hij niet in staat een relatie met de schapen op te bouwen. Hij kent deze schapen niet en zij kennen hem niet.
De goede herder wordt door de schapen herkend. Zij luisteren naar zijn stem. Daarmee onderscheidt de herder zich van de huurling die niet herkend wordt. De goede herder onderscheidt zich van de huurling omdat hij een relatie met de schapen aangaat. “Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij.” Er ontstaat een verbondenheid tussen de schapen en de herder. Net als de huurling houdt de herder van schapen en van dieren in het algemeen, maar met deze specifieke schapen is hij een relatie aangegaan. Hij houdt van deze schapen. Dus gaat hij ook op zoek naar dat ene schaap dat verdwaald is. Dat zal de huurling niet doen. De kans is te groot dat dan de hele kudde verdwaalt. En dan heeft hij zijn werk slecht gedaan. Hij weet niet hoe de kudde zich zal gedragen als hij ze alleen laat.
Ook in dit verhaal is liefde het sleutelwoord. De liefde van God voor ons is het centrale thema van de brief van Johannes. De apostel Johannes leert ons: “God is liefde.” De wereld begrijpt het niet. De wereld begrijpt niet dat wij kinderen van God zijn, dat zijn liefde voor ons eindeloos is. De wereld begrijpt niet dat zijn liefde voor ons ons in staat stelt van onze medemensen te houden. Gods liefde stelt ook Petrus en Johannes in staat een lamme te genezen. Liefde past echter niet in het denken van de overheden en de oudsten. Liefde geeft gedoe. Liefde verstoort de orde. Dus worden Petrus en Johannes – zoals we in de eerste lezing zien – ter verantwoording geroepen.
In onze huidige tijd is dat niet anders. Voor managers heeft liefde geen waarde. Ook nu is gedoe ongewenst en mag de orde niet verstoord worden. Alles moet volgens de procedures verlopen en uitzonderingen zijn lastig. Het gaat om het geheel en daarbij wordt geaccepteerd dat er zo nu en dan mensen tussen de wielen raken. Zo nu en dan raakt er een schaap verdwaald. Jammer, maar helaas. Dat is niet alleen het geval bij de belastingdienst. We zien het op vele plaatsen in onze samenleving. Ik heb dit destijds van dichtbij meegemaakt in het bedrijfsleven. Daar gaat het tegenwoordig vooral om de belangen van de aandeelhouders. De belangen van de medewerkers en de klanten zijn daaraan ondergeschikt. Voor betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheid van mensen is weinig ruimte. Het gaat om controleerbaarheid en handelen volgens procedures. Zo worden mensen gedwongen zich als huurlingen te gedragen.
Vandaag is het roepingenzondag. Wij allen zijn geroepen tot een christelijk leven, tot een leven waarin de liefde centraal staat. Vandaag bidden we speciaal voor roepingen tot het priesterschap, het diaconaat en het godgewijde religieuze leven. We bidden om mensen die zich geroepen weten op speciale wijze liefdevol te leven als herder of als dienaar.
Ik raad u aan ook nog op onze website te kijken. Daar vindt u de video van het ‘Leef- en geloofmoment’ van pastoor Bakker. Bij het beeld van goede herder vertelt hij over Jezus als de goede herder, over de liefde van de goede herder voor zijn schapen. De goede herder roept ons op om zijn voorbeeld te volgen, om lief te zijn voor onze medemensen zoals Hij dat is. God roept ook enkelen op om op speciale wijze Jezus als priester, als diaken of als religieus te volgen. Jezus, onze goede herder, heeft mensen nodig om zijn liefde te verkondigen en gestalte te geven in onze wereld. Als leerlingen van Jezus zijn wij allen geroepen om ons herders en dienaren voor elkaar te zijn. In heel ons leven, in al ons doen en laten moet de liefde centraal staan.
Bidden we daarom vandaag niet alleen om roepingen, Maar bidden we ook om een samenleving waarin mensen in staat worden gesteld liefdevol te handelen en niet gedwongen worden zich als huurlingen te gedragen. Amen.
In onze samenleving is het gebruikelijk dat je daarvoor met elkaar in discussie gaat en met elkaar onderhandelt. Door discussie probeer je de ander te overtuigen van jouw gelijk. En door onderhandeling probeer je zoveel mogelijk van jouw gelijk gerealiseerd te krijgen. Jouw gelijk gaat hierbij vaak ten koste van het gelijk van de ander. We hebben tegenwoordig de neiging om alles als een wedstrijd te zien. De media spelen hierin zeker een rol. Politieke verslaggevers gedragen zich soms als sportverslaggevers.
Een andere wijze van met elkaar in gesprek gaan is de dialoog. Paus Franciscus heeft hier de afgelopen jaren het nodige over geschreven. In zijn brief ‘Evangelii gaudium’ komt het woord dialoog negenenvijftig keer voor en in de encyclieken ‘Laudato si’’ en ‘Fratelli tutti’ respectievelijk vijfentwintig en vijftig keer. Vandaag hebben we het over dialoog.
Allereerst zien we een ontwikkeling in de sociale leer van de Kerk. Binnen de Kerk vormen de menselijke waardigheid en de liefde steeds meer de basis voor het denken over de menselijke samenleving. Paus Johannes XXIII gaf aan de menselijke waardigheid een centrale rol. Ieder mens is een persoon, een wezen begaafd met verstand en vrije wil. Iedereen heeft rechten en plichten direct verbonden met het mens-zijn. Essentieel voor het menselijk bestaan is de relatie met de medemens. Paus Johannes Paulus II werkte dit verder uit. Hij benadrukt dat Jezus Christus voor iedereen mens geworden is. Met zijn leven, zijn lijden en sterven is Hij er voor alle mensen. Het gaat niet alleen om iedere mens; het gaat ook om de hele mens, om het hele leven vanaf het eerste begin tot de natuurlijke dood. Paus Benedictus XVI schreef de encycliek ‘Deus caritas est: God is liefde’. Hiermee wordt de centrale plaats van de liefde in ons geloof benadrukt. In zijn encycliek ‘Caritas in veritate: Liefde in waarheid’ schrijft hij: “Liefde is de rode draad die door de sociale leer van de Kerk loopt.” (CiV 2) Paus Franciscus gaat verder op de door zijn voorgangers ingeslagen weg. Zijn encycliek ‘Fratelli tutti’ gaat over broederschap en sociale vriendschap. Bij hem wordt de dialoog een manier van leven.
Als menselijke waardigheid en liefde de centrale begrippen zijn, is de aandacht voor dialoog vanzelfsprekend. Als iedere mens telt en meedoet, als mensen een doel zijn en niet slechts een middel en als alle mensen door de liefde met elkaar verbonden zijn, is het vanzelfsprekend dat zij met elkaar in dialoog gaan om hun gemeenschappelijk bestaan met elkaar vorm te geven.
Wat is dialoog? En waarom dialoog? Paus Franciscus schrijft hierover het volgende.
“Een dialoog is veel meer dan het communiceren van een waarheid. Hij komt tot stand vanuit de vreugde om te spreken en uit de wil tot het goede dat met woorden wordt gecommuniceerd tussen mensen die elkaar liefhebben. Het is een goed dat niet bestaat in dingen, maar in de personen zelf die zich aan elkaar geven in de dialoog.” (EG 142) De dialoog is een vorm van ontmoeting, een zoektocht naar consensus en overeenstemming die niet losstaat van de zorg voor een rechtvaardige samenleving, die het verleden niet verloochend en niemand uitsluit. (Zie: EG 239)
“Ware wijsheid is de vrucht van reflectie, van dialoog en van de edelmoedige ontmoeting tussen mensen.” (LS 47) “Samen kunnen we de waarheid zoeken in dialoog, in een ontspannen gesprek of in een heftig debat. Daarvoor is enig doorzettingsvermogen nodig; het brengt zwijgen en lijden met zich mee. Met het nodige geduld kan het de lange ervaring van mensen en volkeren bijeenbrengen.” (FT 50)
“We moeten met elkaar communiceren, de rijkdom van de ander ontdekken, waarderen wat ons verenigt en kijken naar verschillen als een kans om te groeien in wederzijds respect. Geduldig en in vertrouwen dialogeren is noodzakelijk, zodat individuele personen, gezinnen en gemeenschappen de waarden van hun eigen cultuur kunnen presenteren, en ze het goede dat uit de ervaringen van anderen voortkomt, kunnen overnemen.” (FT 134) “Openheid naar anderen waarbij de eigen rijkdom wordt opgegeven, lost niets op. Zonder eigen identiteit is er geen dialoog met de ander mogelijk. Er bestaat ook geen openheid tussen volkeren zonder liefde voor het eigen land, het eigen volk en de eigen cultuur. Zonder solide fundament kan ik de ander niet ontmoeten, want op basis daarvan verwelkom ik hem als een geschenk en bied ik hem iets authentieks van mijzelf aan.” (FT 143) “Dit is de basis voor een gezonde en verrijkende uitwisseling.” (FT 144) “De eigen identiteit wordt versterkt en verrijkt door de dialoog met de ander. De authentieke manier om onze identiteit te bewaren ligt niet in een verarmend isolement.” (FT 148)
“Elkaar tegemoetkomen, elkaar spreken, naar elkaar luisteren, naar elkaar kijken, elkaar leren kennen en begrijpen, raakvlakken zoeken: dit alles wordt samengevat in het werkwoord ‘dialogeren’. We moeten met elkaar in gesprek gaan om elkaar te ontmoeten en te helpen. (…) Een volhardende en moedige dialoog leidt niet tot krantenkoppen zoals ruzies en conflicten doen, maar het helpt de wereld onopvallend tot een beter leven, veel meer dan we verwachten.” (FT 198) “Een authentieke sociale dialoog veronderstelt het vermogen de standpunten van de ander te respecteren en als legitieme overtuigingen en belangen te erkennen. Op basis van hun identiteit hebben anderen iets te bieden. Voor een vruchtbaar debat is het wenselijk dat zij hun standpunten toelichten. (…) Zo groeit ons vermogen te begrijpen wat de ander zegt en doet, zelfs als we het niet met hem eens kunnen zijn. (…) Verschillen zijn creatief; ze creëren spanning en in de oplossing daarvan ligt de vooruitgang van de mensheid.” (FT 203)
Er zijn vele vormen van dialoog. Mensen met verschillende belangen en verschillende achtergronden kunnen met elkaar in dialoog treden. Via mensen komen verschillende werelden met elkaar in gesprek. Het gaat om de dialoog tussen verschillende culturen, tussen verschillende religies, tussen geloof en rede, tussen geloof en wetenschap, tussen Kerk en staat, tussen verschillende wetenschappelijke specialisaties, tussen verschillende belangen, tussen arm en rijk, tussen verschillende politieke ideeën, tussen verschillende landen, et cetera.
“Hoewel de werkelijkheid één is, kan zij vanuit verschillende perspectieven en met verschillende methodes benaderd worden.” (FT 204) Telkens komen verschillende benaderingen van de werkelijkheid bij elkaar, waardoor er een intensieve en productieve dialoog mogelijk is, een dialoog die ook leidt tot de volle menselijke ontplooiing. Zorg voor de schepping en het algemeen welzijn vragen om dialoog. Iedere vorm van dialoog staat in dienst van de vrede. “Het doel van dialoog is om vriendschap, vrede en harmonie tot stand te brengen en om morele en spirituele ervaringen in een geest van waarheid en liefde met elkaar te delen.” (FT 271) De sociale leer van de Kerk is een middel om de dialoog te bevorderen en te ondersteunen.
In onze huidige pluriforme en complexe samenleving, in deze tijd van globalisering zijn wij geneigd ons terug te trekken in onze eigen bubbel. Maar juist nu is dialoog noodzakelijk. Alles hangt met elkaar samen. We zijn van elkaar afhankelijk.
Deze tekst is uitgesproken en op 1 april 2021 op video gezet.
Zie www.rkvlietstreek.nl.
Auteur: Titus Brandsma
Titel: Maria: Een trinitaire theologie
Uitgever: Sjibbolet, 2020
Prijs: € 7,50
ISBN: 978 94 9111 044 3
Aantal pagina’s: 62
“Zo schonk de Moeder Gods ons die innige vereniging met God, terwijl zij zichzelf als een voorbeeld stelde voor de meest innige gemeenschap.” Deze woorden sprak professor Brandsma in 1932 als rector magnificus van de Nijmeegse universiteit. Voor de karmeliet Brandsma had Maria een bijzondere plaats in zijn leven. In 1936 houdt hij een voordracht voor het Mariacongres in Tongerlo. Hierin werkt hij zijn denken en intuïtie over Maria systematisch uit. Onder de titel ‘Maria in haar verhouding tot de Drie Goddelijke Personen’ wordt Maria beschreven als degene waarin de relatie tussen God en mens bij uitstek concreet wordt. “God is liefde en in Maria komt tot uitdrukking hoe God de mens liefheeft.” Zij laat ons kennismaken met de liefde die God zelf is.
Pater Titus Brandsma schetst in deze voordracht de relatie van de drie goddelijke Personen met Maria. Hiermee schept hij ons via Maria een beeld van God. Dat is in zijn ogen bij uitstek de plaats van Maria. Zij helpt ons God te leren kennen. Het is een tekst om op te kauwen. Die gelukkig voorzien is van een heldere inleiding door Inigo Bocken.