Spring naar inhoud

Efeziërs 1,3-14; 2,13-18; 4,1-6

Sint Paulus

De brief van de apostel Paulus aan de christenen van Efeze: een tekst die enig nadenken vereist. Je moet er een tijdje op kauwen om de boodschap tot je door te laten dringen. Met het taalgebruik van de moderne manager noemen we dat geen probleem maar een uitdaging.

Dit jaar staat deze brief van de vijftiende tot en met de eenentwintigste zondag op het leesrooster. Dus u kunt gedeelten ervan vinden in de missaaltjes van die zondagen. Maar u kunt ook thuis de Bijbel pakken en de brief in zijn geheel lezen. Het zijn nog geen zes bladzijden. Ik raad u aan die uitdaging aan te gaan.

Achtergrond van de brief

Eerst iets algemeens over deze brief. Hij is gericht aan de christenen van Efeze, maar gaat niet in op specifieke zaken die binnen Efeze aan de orde zijn. Het is meer een algemene brief, niet voor een speciale gemeente, maar meer een rondzendbrief gericht aan alle christenen van die tijd.

Bijbelwetenschappers denken dat deze brief niet van Paulus zelf is, maar geschreven is door een van zijn volgelingen. Deze leerling plaatst zich geheel in de traditie van Paulus door in zijn naam deze brief te schrijven. Zijn eigen identiteit is ondergeschikt aan de boodschap.

De brief is waarschijnlijk geschreven tegen het einde van de eerste eeuw, zo’n twintig jaar na de dood van Paulus. De Kerk heeft zich dan al enigszins ontwikkeld en begint structuur te krijgen. Dat blijkt ook uit deze brief, uit de wijze waarop over de Kerk wordt geschreven.

De brief in grote lijnen

Het hoofdthema is dat het plan van God, het mysterie dat eeuwenlang verborgen bleef, in Christus voltrokken en geopenbaard is, en in de Kerk tot ontplooiing komt.

De inhoud van de brief kunnen we in drie delen splitsen. Het eerste deel bestaat uit een lofzang, een dankzegging en een gebed. Hierin wordt het hoofdthema van de brief aangegeven. Op de vijftiende zondag wordt de lofzang gelezen. In het eerste deel wordt de centrale plaats van Christus beschreven en hoe wij in en door Hem zijn gered. Onze verlossing danken wij aan zijn bloed: zijn lijden en sterven aan het kruis. De vergeving van de zonden danken wij aan Christus. Christus heeft ons de Blijde Boodschap geopenbaard: Hij heeft ons het mysterie doen kennen.

In het tweede gedeelte wordt beschreven hoe de verlossing in Christus heeft plaatsgevonden: de mensen waren dood door de zonde maar nu leven zij door Gods genade. In en door Christus zijn wij gered. De gemeenschap van volgelingen van Christus, de Kerk maakt deze blijde boodschap bekend aan alle mensen. De lezing van de zestiende zondag komt uit dit tweede deel.

In het derde deel worden wij aangespoord tot christelijk leven, tot een leven met en in Christus, een leven van liefde en waarheid. We worden opgeroepen tot eenheid. Onze verschillen zijn er om elkaar aan te vullen tot één lichaam waarvan Christus het hoofd is. Op zeventiende en de daaropvolgende zondagen zijn de teksten van de tweede lezing uit dit deel genomen. We gaan nu de teksten van de drie zondagen nader bekijken.

Vijftiende zondag: Efeziërs 1,3-14

Deze lofzang heeft een sterk liturgisch karakter: waarschijnlijk werd hij gebruikt als zegen die voorafging aan de Doop. Wij zijn gezegend in Christus. In Christus zijn wij uitverkoren door God. Wij zijn al voor schepping uitverkoren en voorbestemd om door Christus kinderen van God te zijn.

Het eerste gedeelte van de lofzang geeft de centrale plaats van Christus aan en hoe wij in en door Hem zijn gered. Deze tekst heeft de nodige discussie veroorzaakt. Een eenzijdige uitleg leidt tot de predestinatieleer van Calvijn. Deze leert dat de verlossing geheel en al afhankelijk is van Gods genade en dat daardoor iedere mens vanaf de schepping is voorbestemd tot het eeuwige geluk of tot de eeuwige verdoemenis.

Binnen de traditie van de katholieke Kerk wordt deze tekst niet losgemaakt van de rest van het Nieuwe Testament, waarin ook de eigen rol van iedere individuele mens benadrukt wordt. Ja: de verlossing komt geheel voort uit de goddelijke genade, maar het is de mens die hierop in volle vrijheid antwoordt, iedere mens wordt geroepen om mee te werken aan het goddelijk initiatief, mee te werken met de goddelijke genade. Zo is er een balans tussen Gods genade en het vrije handelen van de mensen.

De centrale rol van Christus wordt vervolgens verder uitgewerkt. Onze verlossing danken wij aan zijn bloed: zijn lijden en sterven aan het kruis. De vergeving van de zonden danken wij aan Christus. Christus heeft ons de Blijde Boodschap geopenbaard: Hij heeft ons het mysterie doen kennen. In Christus zijn wij uitverkoren door God en voorbestemd om kinderen van God te zijn.

De rol van Christus is kosmisch en eeuwig: het betreft heel de schepping, het zichtbare en onzichtbare en omvat alle tijden vanaf het eerste begin tot aan de voleinding. Hij staat aan het begin en aan het einde. Hij is het Hoofd van alles. Met de menswording van Christus wordt de tijd vervuld: de volheid der tijden is aangebroken. Hij verlost heel de schepping en openbaart Gods liefde.

Met de menswording van Christus komt Gods Woord als mens in de schepping: het Woord is mens geworden. In de mens Jezus Christus laat God zich kennen. In Hem wordt de openbaring volledig en komen alle eerdere openbaringen tot volheid, tot vervulling. Hij wijst ons mensen de weg naar het goede leven, naar een leven met God en naar God, naar een leven van liefde en geloof.

Het laatste deel van de lofzang gaat over onze plaats, over het volk Gods. In Christus hebben wij ons erfdeel gekregen, wij zijn mede-erfgenamen: wij zijn kinderen van God. In Christus zijn wij tot het geloof gekomen. Door Hem zijn wij verlost en vervuld van de heilige Geest. Zo verbreiden wij met Christus de lof van Gods heerlijkheid.

Zestiende zondag: Efeziërs 2,13-18

In de lezing van de zestiende zondag gaat het over mensen die veraf waren: de mensen hebben zich door de zonde van God verwijderd; zij waren dood door de zonde. Alleen door Gods barmhartigheid, door zijn genade is herstel van deze breuk mogelijk. Samen met Christus worden wij weer levend gemaakt. Christus heeft hierin de centrale plaats: in en door Hem zijn wij gered. In Christus zijn wij in staat de weg te gaan van de goede daden.

In deze tekst is er sprake van twee werelden: dit zijn de joden en de heidenen, Gods uitverkoren volk en de anderen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de christenen uit het Jodendom en zij die daarvoor heidenen waren. De heidenen komen van ver en hebben door Christus toegang tot het heil. Christus heeft de scheidingsmuur tussen heidenen en joden neergehaald.

Mensen bouwen voortdurend muren om anderen buiten te sluiten. Er was in de tempel in Jeruzalem een muur die heidenen buiten het binnenste deel van de tempel hield. Een recent voorbeeld van zo’n scheidingsmuur was de Berlijnse muur tussen het Oosten en het Westen. Nu wordt er in Israël een muur opgetrokken om de Palestijnen buiten te sluiten. Maar denk ook aan de muurtjes en schuttingen die wij overal tussen onze eigen achtertuintjes optrekken. Ook die bevorderen de gemeenschap niet. Naast deze fysieke muren zijn er allerlei andere manieren van uitsluiting. Bijvoorbeeld door wetten en procedures. In de brief wordt in deze zin verwezen naar de joodse wet, de wet der geboden. Ook de manier waarop wij met elkaar omgaan, kan uitsluiting veroorzaken. Hierdoor behoren anderen niet tot ‘ons soort mensen’.

Christus brengt ons de vrede. Hij haalt de scheidsmuur neer. In zijn vlees, in zijn lijden en sterven is de vijandschap vernietigd. Christus verlost ons van het vijanddenken, van het maken van onderscheid. Hij brengt de vrede. Hij maakt twee werelden één. Uit de verschillende mensen maakt Hij één nieuwe Mens. Zijn vrede is er voor alle mensen: joden én heidenen. Allen worden verenigd in de nieuwe gemeenschap van Christus, in de gemeenschap van zijn Kerk. Allen krijgen door de Geest van Christus toegang tot het heil, toegang tot God.

Zeventiende zondag: Efeziërs 4,1-6

Op de zeventiende zondag worden wij vooral opgeroepen tot eenheid. De eenheid die Christus schept, wordt door ons mensen inhoud gegeven. Wij christenen vormen één gemeenschap: de Kerk van Christus. De Kerk is het lichaam van Christus en het werktuig van de heilige Geest. Het is één lichaam, één Geest, één Heer, één geloof en één doop. Het is één God, ons aller Vader. Het is de eenheid van de goddelijke Drie-eenheid, één God in drie personen die ons één maakt. Dat is onze roeping. Onze roeping tot eenheid, tot liefde en waarheid vraagt om deemoed en zachtheid, om lankmoedigheid en om liefdevolle omgang met elkaar. Zo leven wij een leven van liefde en geloof, zo komen wij tot eenheid en zo volgen wij onze roeping.

Slot

In de Eucharistievieringen wordt het tafelgebed afgesloten met: “Door Hem en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen zijn, Heer onze God, almachtige Vader…”. Christus staat centraal in ons christelijke geloof. Met deze doxologie wordt dat beleden. In de brief aan de christenen van Efeze is uiteengezet hoe dit geloof in de jonge Kerk gestalte kreeg.

Nog steeds staat Christus voor ons centraal. Hij is onze enige middelaar. Hij brengt ons bij God en tot elkaar. Hij wijst ons de weg. Hij leidt ons. Hij is onze weg, onze waarheid, ons leven. Hem willen wij navolgen, aan Hem willen wij gelijkvormig worden, met Hem willen wij ons verenigen. Amen.

15, 22 en 29 juli 2012

Ontvankelijk zijn; Jes 49,14-15 en Mat 6,24-34

Ze zaaien niet en maaien niet

“Niemand kan twee heren dienen.” “Gij kunt niet God dienen en de mammon.” Jezus confronteert ons met een scherpe tegenstelling: het is het een of het ander en niet van beide een beetje. Als het nodig is om er een scherpe tegenstelling van te maken, moet het wel om een principiële zaak gaan, om een zaak van groot belang. Tegenwoordig zou je de tegenstelling kunnen verwoorden met: je gaat voor God of je gaat voor het grote geld. Deze twee werelden worden tegenover elkaar gezet.

In zijn toelichting schetst Jezus een beeld van de wereld van God. “Weest niet bezorgd. (…) Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt.” Het is goed om te beseffen, dat Jezus zegt: “Weest niet bezorgd.” Hij zegt dus niet: doe maar niets alles komt wel goed. Wij moeten gewoon ons werk doen, maar er niet wakker van liggen. In plaats van zorg over ons eigen leven, over de dag van morgen, spoort Jezus ons aan het Koninkrijk en de gerechtigheid te zoeken. Als wij ons richten op de wereld van God, zal het ook met onze aardse beslommeringen wel goed komen. In de eerste lezing wordt zeer beeldend de zorgzaamheid van God vergeleken met die van een moeder voor haar jonge kind. Gods zorg, Gods liefde voor ons kent geen grenzen.

In de encycliek ‘Caritas in veritate’, Liefde in waarheid, schrijft paus Benedictus over de caritas, over de liefde. Wat de paus hier over Gods liefde schrijft, kun je ook lezen als de beschrijving van de wereld van God. De paus schrijft: “Caritas is ontvangen en geschonken liefde. Zij is genade. Haar bron is de oorspronkelijke liefde van de Vader tot de Zoon in de heilige Geest. Zij is de liefde die van de Zoon op ons neerdaalt. Zij is de scheppende liefde, waaraan wij ons bestaan danken; zij is de verlossende liefde, waardoor wij wedergeboren zijn. Zij is de door Christus geopenbaarde en verwezenlijkte liefde, in ons hart uitgestort door de heilige Geest. Als ontvangers van de liefde van God worden de mensen geroepen om dragers van de naastenliefde te zijn en ertoe aangezet zelf werktuigen van de genade te worden, om de liefde van God te verbreiden en netten van naastenliefde te knopen.” Tot zover de paus.

Jezus geeft geen concrete beschrijving van wat we wel en niet moeten doen. Hij spreekt in abstracte begrippen zoals het Koninkrijk en de gerechtigheid, en Hij spreekt in beelden: over de vogels in de lucht en de leliën op het veld. Gelukkig maar want de situatie van 2000 jaar geleden is niet dezelfde als de wereld van vandaag. Iedere tijd vraagt om een eigen invulling van het ideaal dat Jezus ons vandaag voorhoudt. En daarnaast laat het ook de ruimte voor onze eigen verantwoordelijkheid. Ieder van ons is geroepen om op eigen wijze het ideaal van Jezus gestalte geven.

Jezus maakt een tegenstelling tussen het dienen van God en het dienen van de mammon. Het dienen van de mammon, het gaan voor het grote geld is tegengesteld aan het gaan voor de wereld van God, een wereld van liefde. Gaan voor het grote geld is een ontkenning van de liefde. Nadat hij de waarheid de hoedster van de bevrijdende kracht van de liefde heeft genoemd, schrijft de paus in de encycliek hierover het volgende: “Zonder waarheid, zonder vertrouwen in en liefde voor het ware is er geen geweten en geen sociale verantwoordelijkheid. Dan wordt het sociale handelen een spel van privébelangen en van de logica van de macht, met ontwrichtende gevolgen door de samenleving.” En verder: “De mens ontwikkelt zich niet alleen op eigen kracht en de ontwikkeling kan hem ook niet eenvoudigweg van buitenaf gegeven worden. In de loop van de geschiedenis heeft men dikwijls gedacht dat het scheppen van instellingen genoeg zou zijn om de mensheid de vervulling van het recht op ontwikkeling te garanderen.”

De wereld van het grote geld, het dienen van de mammon wordt gekenmerkt door het ontbreken van de naastenliefde, alleen macht en eigenbelang telt. Daarnaast wordt ze gekenmerkt door het zelf willen realiseren van het eigen geluk en door het geloof in de maakbaarheid van de wereld.

Jezus laat ons juist zien dat dit laatste niet de wereld van God is. Hij verwijst naar de vogels in de lucht en de leliën op het veld. “Ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren.” “Ze arbeiden, noch spinnen.” “Wie van u is in staat met al zijn tobben aan zijn leven één el toe te voegen?” Jezus roept ons op te kunnen ontvangen, om ontvankelijk te zijn. Een ontvankelijk leven, een leven in vertrouwen op God is een gelukkig leven. Dan besef je dat de liefde van God puur genade is, dus om niet. Je hoeft er helemaal niets voor de doen, maar je moet het wel willen ontvangen.

Ontvangen is voor de meesten van ons veel moeilijker dan geven. Ik moest denken aan mijn tante Sietske. In de jaren dertig ging zij als kloosterzuster naar Nederlands Indië om daar in de missie te werken. Daar heeft zij met veel vreugde haar werk verricht en met veel liefde gastvrijheid verleend aan veel mensen. Na een ongeveer vijftig jaar kwam zij terug naar Nederland om van een welverdiende oude dag te genieten. De eerste jaren heeft ze dat met volle teugen gedaan, want van het leven genieten kon zij als de beste. In haar laatste jaren werd zij ziek, bedlegerig en afhankelijk. Toen ik een keer bij haar op bezoek was, vertelde ze: “Pier, ik heb altijd andere mensen geholpen, nu word ik zelf geholpen. Dat is niet makkelijk voor me.” Zo zal het velen van ons ook vergaan. Geven is gemakkelijker dan ontvangen.

Kunnen ontvangen is accepteren, dat je niet alles zelf in de hand hebt. Het is weten dat je afhankelijk bent van anderen, dat je niet in staat bent jezelf gelukkig te maken. Het is nederig zijn en weten dat de wereld niet om jou draait. Kunnen ontvangen is weten dat alles genade is en dat maakt je dankbaar. Als wij kunnen ontvangen, maken we ons inderdaad geen zorgen over morgen. Dan leven we in het vertrouwen op Gods voorzienigheid. En ondertussen doen we gewoon ons werk en houden we van onze medemensen, omdat we hen willen laten delen in de overvloed die wij zelf ontvangen. Amen.

27 februari 2011

Maria Visitatie; Lucas 1,39-56

Raam in OLV Visitatie te Bleiswijk

Onze parochie heet Onze Lieve Vrouwe Visitatie. Daarom vieren we vandaag dit feest. Je naam is deel van je identiteit en dat geldt ook voor een parochie. De identiteit van onze parochie wordt ook bepaald door haar naam. Wat betekent het voor ons in deze tijd om deze naam te dragen? De kans is groot dat wij hierover andere ideeën hebben dan de parochianen van 160 jaar geleden toen de parochie in 1852 werd gesticht.

In die tijd stond Maria hoog in aanzien. De verering van Maria had een belangrijke plaats in de katholieke Kerk. Daar zijn ook kanttekeningen bij te maken. In de geloofsbeleving van katholieken had Maria niet zelden een belangrijker plaats dan Christus en dan God. In plaats van Maria te vereren werd ze dan min of meer aanbeden, terwijl aanbidding alleen God toekomt. Het was ook de tijd van de Mariadogma’s: in 1854 het dogma van de Onbevlekt Ontvangenis van Maria en in 1950 het dogma van de Tenhemelopneming van Maria. Maria kreeg een hoogverheven plaats. Dit beeld van Maria blijft tot ruim veertig jaar geleden. Velen van ons hebben nog levendige herinneringen aan die tijd. Als kind kende ik het Weesgegroet eerder dan het Onze Vader. En net als velen van u, heb ik dagelijks op blote knieën op de kokosmat het Rozenhoedje gebeden.

Het Tweede Vaticaans Concilie brengt verandering. Na een diepgaande discussie komt het Concilie tot een nieuwe kijk op Maria. Ik kom daar direct op terug. In Nederland ontstaat na het Concilie het idee dat alles anders moet. Al het oude moet worden afgeschaft. Zo verdwijnt ook Maria voor velen naar de achtergrond. Tekenend is bijvoorbeeld het volgende. In 1977 is het 125-jarig jubileum van de parochie. Pastoor Perquin beschrijft dan haar geschiedenis. In het boekje wordt de naam van de parochie echter niet genoemd, laat staan dat hij aandacht besteedt aan de betekenis van de naam voor de parochianen. Ik ken pastoor Perquin niet en weet ook niet waarom hij dit niet deed, maar misschien kunt u mij dat straks bij de koffie vertellen.

Het verdwijnen van Maria is echter niet het complete verhaal. De plaats die Maria vanouds heeft in het geloof van velen, is zo sterk dat die niet zo maar verdwijnt. Voor velen blijft Maria een bron van steun en troost en behoudt zij haar rol als voorspraak voor ons bij Christus. Na de roerige jaren ontstaat er gaandeweg een nieuw evenwicht. Nu 50 jaar na het begin van het Concilie kunnen we de eerste spontane en vaak emotionele reacties achter ons laten. We worden opgeroepen opnieuw de documenten van het Concilie te lezen en erover na te denken wat ze werkelijk voor ons betekenen. In ons bisdom staat het Concilie dit jaar centraal in geloofsgesprekken.

Wat is er nieuw aan de visie van het Concilie op Maria? Bij het denken over Maria moeten we onderscheid maken tussen: ten eerste: wie is Maria in relatie met Christus; en ten tweede: wie is Maria in relatie met de Kerk, in relatie met ons, het volk Gods. Als moeder van Christus heeft Maria een uitzonderlijke positie. Als Moeder Gods is het vanzelfsprekend dat zij maagd is, dat zij zonder zonde is en onbevlekt ontvangen, dus ook zonder erfzonde en het is vanzelfsprekend dat de Moeder van Christus met ziel en lichaam in de hemel is opgenomen en dat zij daar troont als Koningin van hemel en aarde. Dit denken over Maria gaat primair over Christus. Het is de moeder van de Zoon van God die op deze wijze verheerlijkt wordt.

Daarnaast is er de rol van Maria in relatie met de Kerk. Hier gaat het meer over Maria zelf. Deze manier van kijken naar Maria is ook het nieuwe sinds het Concilie. Maria staat niet los van de Kerk, zij staat er niet boven of buiten. Nee, Maria is onderdeel van de Kerk. Zij is een gelovig mens zoals wij. Maar wel is een uitzonderlijk gelovige. Zij is de eerste van alle gelovigen. Zij is het die zegt: “Zie de dienstmaagd des Heren. Mij geschiede naar uw woord.” Zij staat onder het kruis van haar zoon en ziet het lege graf. Zij is er bij als Christus aan de leerlingen verschijnt. Zij ontvangt op Pinksteren samen met de apostelen de heilige Geest. Maria is de eerste mens die zich bewust is van haar verlossing door Christus. Maria weet welke genade zij ontvangt. We hebben dat zonet in het Evangelie gehoord: in woorden van de lofzang van Maria, het Magnificat.

Maria laat ons zien wat het is te geloven: geloven is vertrouwen en overgave. Dit horen we in de woorden: “Mij geschiede naar uw woord.” Er gebeurt iets aan Maria wat groter is dan haarzelf, iets dat haar te boven gaat en wat niet te begrijpen is. Maar door haar geloof durft ze te vertrouwen en zich over te geven: “Mij geschiede naar uw woord.” Maria is niet alleen de eerste gelovige. Ze is ook de grootste. En zo is zij een voorbeeld voor ons allen. Haar geloof inspireert ons. Door haar geloof en haar liefde voor en verbondenheid met Christus is Maria ook het beeld van de Kerk. Maria staat symbool voor de Kerk. Met haar geloof en moederschap heeft zij meegewerkt aan onze verlossing. Hangend aan het kruis geeft Christus Maria aan ons als ons aller moeder: “Vrouw, zie daar uw zoon. (…) Zie daar uw moeder.”

Deze tweeledige kijk op Maria, moeder van Christus en beeld van de Kerk, betekent voor ons dat Maria niet alleen onze voorspraak is. Zij is ook ons voorbeeld. Als voorspraak vragen wij haar voor ons te bidden. Als medegelovigen proberen wij haar voorbeeld van vertrouwen, overgave en toewijding na te volgen. Als voorspraak bidden wij tót Maria bijvoorbeeld met het Weesgegroet. Als voorbeeld bidden wij mét haar mee bijvoorbeeld met het Magnificat.

Vandaag vieren we het feest van Maria Visitatie. Direct na de aankondiging door de engel Gabriël dat zij moeder gaat worden van de Zoon van God, gaat Maria op reis naar haar nicht Elisabet. Twee zwangere vrouwen ontmoeten elkaar. Ze delen hun vreugde en hun zorgen met elkaar. En ze delen hun geloof met elkaar. In liefde en geloof delen ze hun leven met elkaar.

Daarmee is het vandaag een feest van ontmoeting. Ook wij ontmoeten elkaar hier in dit gebouw maar ook daarbuiten. We ontmoeten elkaar en delen ons leven met elkaar: ons geloof, onze hoop, onze vreugde, ons verdriet en onze zorgen. Zo vormen wij samen de geloofsgemeenschap die wij zijn. Onze geloofsgemeenschap draagt het begrip ontmoeting in haar naam: Onze Lieve Vrouwe Visitatie. Zo is ontmoeting deel van onze identiteit, deel van ons leven. Maria is ook hierin onze voorspraak en ons voorbeeld. Dat vieren wij vandaag en daarvoor danken wij God. Amen.

10 juni 2012

Columns

De columns die hier gepubliceerd worden, zijn eerder verschenen in het parochieblad ‘De Morgenster’ van R.K. Oostland of in ‘De Telstar’, het blad dat in Pijnacker-Nootdorp huis-aan-huis wordt bezorgd.

Boekenrecensies

Hier worden boeken aanbevolen aan geïnteresseerde katholieken. De recensies zijn eerder verschenen in ‘Rondom de Kerk’, het parochieblad van Leiden en omstreken en in de parochiebladen van de parochies waar ik werk; dat zijn achtereenvolgend de ‘Agnes Mobile’ van de Sint Agnesparochie in Den Haag en ‘De Morgenster’ van R.K. Oostland.

Sociale leer van de Kerk

In deze categorie publiceer ik artikelen over de sociale leer van de Kerk. In de sociale leer wordt de betekenis van het Evangelie voor ons dagelijks leven doordacht: hoe richten wij onze maatschappij in. Het gaat over economie, over arbeidsverhoudingen, over eigendom, over oorlog en vrede, over de ontwikkeling van de volkeren et cetera. In deze artikelen zal er aandacht besteed worden aan de inhoud en de geschiedenis van de sociale leer. Sleutelbegrippen worden toegelicht. Waar mogelijk wordt aangesloten bij de actualiteit.

Start van de blog

Vandaag start ik deze blog. Hij zal gevuld worden met boekenrecensies, artikelen over de Sociale leer van de Kerk, columns en preken. Ik richt mij op een breed publiek en probeer een katholiek geluid te laten klinken.