Spring naar inhoud

Vrij zijn; Mt 10,37-42

Al een aantal zondagen achter elkaar luisteren we naar het gesprek van Jezus met zijn apostelen. Hij zendt hen uit om het Koninkrijk de hemelen te verkondigen en geeft hen allerlei aanwijzingen en goede raad mee. Hij waarschuwt hen voor tegenslag en gevaar, Hij spreekt hen ook moed in en zegt dat ze vertrouwen mogen hebben. Zij moeten niet bang zijn. Het is God die hen eropuit stuurt. Hij zal hen ook beschermen.

Vandaag maakt Jezus de apostelen duidelijk dat ze voor moeilijke keuzes komen te staan. Hoe moeilijk dat kan zijn, blijkt uit het dilemma dat Jezus schetst. “Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig.” Bij het horen van deze uitspraak dacht u – net als ik – mogelijk, dat Jezus het ons hier nu wel erg moeilijk maakt. Overdrijft Hij hier niet?

Jezus predikt voortdurend de liefde, niet alleen de liefde voor God, maar ook de liefde voor onze medemens. Onze ouders en onze kinderen moeten wij liefhebben. Waar het hier om gaat is dat er situaties kunnen zijn waarin we ons niet door deze liefde moeten laten leiden. Wat doe je bijvoorbeeld als je merkt dat je kind moordlustig is en daarmee een bedreiging voor de samenleving? Ik hoop dat niemand van ons dit ooit overkomt. Maar wat doe je in zo’n geval? Houd je dan nog steeds je kind de hand boven het hoofd en houd je vol dat het geen vlieg kwaad doet, of ga je ervoor zorgen dat er maatregelen worden getroffen en dat de samenleving beschermd wordt tegen de moordlust van je kind?

Voor een dergelijke keuze stelt Jezus ons hier ook. Keer je je uit liefde voor je ouders of je kinderen af van Jezus, keer je je af van God omdat zij dat van je vragen? Of ben je standvastig in je geloof en kies je onvoorwaardelijk voor God en voor Jezus? Jezus drijft de zaak hier op de spits. Ook in dit geval hoop ik dat geen van ons ooit voor deze keuze komt te staan. Maar er zijn zoveel andere zaken die ons onvrij maken, allerlei kleine verslavingen en onhebbelijkheden die ons belemmeren leerling van Jezus te zijn en zijn weg te volgen. Waar het om gaat is dat wij vrije mensen zijn, dat we loskomen van onze al te menselijke verlangens, zodat we ons zo geheel aan Jezus en aan zijn Koninkrijk kunnen wijden. Als wij werkelijk vrij zijn, zijn we ook in staat tegenslag en gevaar te doorstaan, dan zijn ook wij in staat ons kruis op ons te nemen.

Het begrip vrijheid kent verschillende betekenissen. In onze huidige maatschappij denkt men bij vrijheid vooral aan ‘kunnen doen waar je zin in hebt’. Dat is een tamelijk leeg begrip van vrijheid. Dit is echt niet de vrijheid waar ze in Oekraïne nu hun leven voor geven. Daar staat het begrip vrijheid tegenover onderdrukking. Daar gaat het om de zelfbeschikking van een heel volk. Daar staat vrijheid tegenover slavernij.

Vandaag wordt onze aandacht gevraagd voor de slavernij in verleden en voor de gevolgen ervan. Honderdzestig jaar geleden werd de slavernij in ons land afgeschaft. Daarna moesten de slaafgemaakten in de Nederlandse koloniën nog tien jaar zonder betaling hun werk blijven doen. Feitelijk werd de slavernij in Nederland dus pas honderdvijftig jaar geleden afgeschaft. In een verklaring schrijven de Nederlandse bisschoppen: “We willen het slavernijverleden onder ogen zien. En we realiseren ons dat de voorsprong in economische ontwikkeling in het deel van de wereld waarin wij leven mede mogelijk werd door slavernij en kolonialisme.” U vindt de tekst van de verklaring van de bisschoppen op onze website.

Slavernij is een ernstige zonde tegen de waardigheid van iedere mens. Vaak gaat slavernij hand in hand met vormen van racisme. Op basis van etniciteit, van huidskleur worden mensen tot minderwaardig en ondergeschikt bestempeld. Deze vormen van discriminatie bestaan nog steeds. Zij werken door en veroorzaken leed tot op de dag van vandaag. Zo werkt ook de slavernij van vroeger door in het heden. Ook in onze tijd bestaan er nog vele vormen van slavernij, vormen van onrecht en ontmenselijking. Denk aan uitbuiting, kinderarbeid, dwangarbeid, prostitutie en gedwongen huwelijken. Onze economie en onze welvaart is deels gebouwd op zondige structuren, structuren van moderne slavernij, structuren die tegemoet komen aan onze onhebbelijkheden, structuren die in ingaan tegen de boodschap van Jezus Christus. Daarnaast zijn er nog onze eigen verslavingen, verslavingen die onszelf van onze vrijheid beroven, verslavingen die ons afhouden van het doen van het goede, verslavingen die ons afhouden van God.

De essentiële boodschap van het Evangelie van vandaag is, dat we ons niet op onszelf moeten richten, maar op God. Niet wij zijn het centrum van de wereld, maar God is het centrum van de wereld. Als wij ons richten op God en Hem liefhebben, komen wij als vanzelf ook tot liefde voor zijn kinderen. De liefde voor God mondt vanzelf uit in het dubbelgebod van de liefde: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand.” En “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” Liefde voor God en liefde voor de naaste zijn innig met elkaar verbonden. Als wij als leerlingen van Jezus kiezen voor God, dan is dat geen keuze tegen onze ouders of tegen onze kinderen. Het is geen keuze die ten koste van anderen gaat. Zij maken er juist onderdeel van uit. Jezus vraagt ons als werkelijk vrije mensen te kiezen voor Hem en voor zijn Vader. Een keuze voor God is ook een keuze voor alle mensen, ook voor de mensen direct om ons heen. Amen.

Weest niet bang; Jr 20,10-13; Rom 5,12-15; Mt 10,26-33

Jeremia heeft het er moeilijk mee. Hij lijdt eronder dat men hem haat en belachelijk maakt. Hij beklaagt zich bij God. God heeft hem de opdracht gegeven die hem smaad en schande brengt. In het Evangelie vallen we vandaag binnen midden in een gesprek van Jezus met de apostelen. Vorige week hoorden we hoe Jezus hen uitzendt om het Rijk der Hemelen te verkondigen. Jezus spreekt hen moed in. “Weest niet bang voor de mensen.” Die tekst is duidelijk en helder. De daaropvolgende tekst is moeilijker te verstaan. Pakt u de tekst van het Evangelie er even bij dan nemen we die door.

“Niets is bedekt of het zal onthuld, niets verborgen of het zal bekend worden. Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht, en wat ge u in het oor hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken.” Hiermee moedigt Jezus de apostelen aan iedereen te vertellen wat ze gehoord hebben. Het verborgen mysterie van Gods liefde wordt zo openbaar. Met de verkondiging van het Rijk der Hemelen brengt Jezus iets nieuws. Mensen houden niet van verandering. Ze verzetten zich ertegen. Juist daarom moet het van de daken geschreeuwd worden.

“Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel. Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver? En toch zal buiten de wil van uw Vader niet één mus op de grond vallen. Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld. Weest dus niet bevreesd; gij zijt toch méér waard dan een zwerm mussen.” Ook met deze woorden spreekt Jezus de apostelen moed in. Ze moeten niet bang zijn voor mensen. Die kunnen wel je lichaam doden maar niet je ziel. Alleen God beschikt over je lichaam én je ziel. Maar God is goed en barmhartig. Voor Hem hoef je niet bang te zijn. Het is God die hen er op uit stuurt. Hij zal hen ook beschermen. Als boodschappers van God zijn zij toch meer waard dan een zwerm mussen.

“Ieder die Mij bij de mensen belijdt, zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader die in de hemel is. Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen, zal ook Ik verloochenen tegenover mijn Vader die in de hemel is.” Nogmaals een woord van bemoediging van Jezus aan de apostelen. Als jullie mijn leerling zijn, als jullie je met Mij verbinden, dan kun je al je vertrouwen op Mij stellen, dan verbind Ik Mij met jullie. Jezus zegt hun dat zijn Vader ook hun Vader is. Zij leven in eenheid en verbondenheid met elkaar. Wie Jezus verloochent, verloochent deze verbondenheid en daarmee ook zichzelf.

Niet alleen de apostelen hebben een missionaire taak. Wij allemaal zijn geroepen om de Blijde Boodschap te verkondigen. Wij allen zijn geroepen om anderen te vertellen over God en over zijn grote liefde voor de mensen. Ook tegen ons wordt gezegd: Weest niet bang. Als we bang zijn, zijn we niet vrij. Voortdurend lezen we in de Bijbel: Vreest niet. Het reddende werk van Christus is er opgericht ons te bevrijden van onze angsten.

Door zich bij God te beklagen komt Jeremia weer tot het inzicht dat God hem uit de handen van de boosdoeners zal redden. Wij staan er niet alleen voor. Donderdag vieren we het hoogfeest van de apostelen Petrus en Paulus. Zij zijn ons op deze weg voorgegaan. Zij zijn ons voorbeeld en onze voorspraak. Ook wij mogen vertrouwen op God en ons door Hem gedragen weten. Jezus heeft ons toegezegd altijd bij ons te zijn. Hij steunt ons en Hij heeft ons de Helper, de heilige Geest gezonden. Wij mogen op God vertrouwen en hoeven niet bang te zijn. Amen.

Gezonden worden; Ex 19,2-6a; Rom 5,6-11; Mt 9,36-10,8

Jezus zegt: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten.” Daarna worden de twaalf apostelen gezonden om net als Jezus zieken te genezen, doden op te wekken, melaatsen te reinigen en duivels uit te drijven.

Wij willen een missionaire parochie zijn. Dat betekent dat we het werk dat Jezus is begonnen en door zijn leerlingen is voortgezet, ook in onze tijd een vervolg willen geven. Onze missionaire opdracht is niet alleen een opdracht voor de leden van het pastoraal team. Het is een opdracht voor alle gelovigen. Allen worden gezonden.

Waar gaat het over als Jezus zegt: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.” Uit mijn kindertijd heb ik daar een duidelijk beeld bij. In de zomer was ik vaak bij mijn grootvader op de boerderij. Ik de hooitijd was daar veel werk te verrichten. Het was de tijd voor de komst van tractoren en dergelijke. Dus werden mijn ooms en de mannen van mijn tantes opgetrommeld om te helpen bij het binnenhalen van de oogst. Misschien is dit ook uw eerste gedachte bij deze woorden van Jezus, maar gaat het hier wel om het binnenhalen van oogst? Als we kijken naar de opdracht die de apostelen krijgen, gaat het niet over binnenhalen, maar over het uitdelen van de oogst. Zij moeten zieken genezen, doden op wekken, melaatsen reinigen en duivels uitdrijven.

De oogst staat voor de gaven van het Koninkrijk der hemelen. De oogst is groot want de genade is overvloedig. Het vraagt vele arbeiders om al die genadegaven uit te delen. Wij worden gezonden niet om zieltjes te winnen, niet om ervoor te zorgen dat onze kerken weer vol stromen, zodat we onze gebouwen in stand kunnen houden. We zijn missionair niet uit zelfbehoud maar om de boodschap van het Evangelie naar buiten te brengen. Wij worden gezonden om mensen gelukkig te maken. Het gaat om hoop te geven aan de mensen van vandaag, mensen die verlangen naar onvoorwaardelijke liefde, mensen die zoeken naar de grond van hun bestaan, mensen die bewust of onbewust zoeken naar God.

Missionair zijn begint met elkaar ontmoeten en elkaar tegemoet komen. Het vraagt een houding van luisteren naar de verlangens en de dromen van de ander. Het vraagt om gesprek en dialoog over wat ieder van ons bezig houdt. Het vraagt om het bieden van hoop en barmhartigheid voor hen die op welke wijze dan ook eenzaam, gekwetst of beschadigd zijn. Jezus werd bij het zien van de menigte door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder. Wat mensen nodig hebben is een bemoedigend woord, een gedachte die hoop en uitzicht biedt en nieuwe wegen opent, een gebaar van liefde en betrokkenheid.

Vandaag is het vaderdag. Deze houding van liefde en betrokkenheid wensen wij allereerst alle vaders toe. Maar er is meer. Onze maatschappij kent vele noden. Zo zijn er mensen in onze eigen omgeving met concrete materiële noden. Daarvoor is straks de collecte voor IPCI, de parochiële caritas. Er zijn ook veel immateriële noden. Mensen die het niet zien zitten, mensen zonder hoop, mensen zonder vrede, mensen die geen houvast hebben, mensen die het geluk zoeken in bezit en consumptie. Ook voor deze mensen kunnen wij er zijn met onze boodschap van het Koninkrijk der hemelen, met onze boodschap van hoop, met de Blijde Boodschap van Jezus Christus.

Paulus schrijft dat Christus is gestorven voor goddelozen. Ook hen zal Hij met God verzoenen. Die boodschap van hoop mogen wij hen brengen. Daartoe worden wij gezonden. Zoals het volk van Israël op arendsvleugelen werd gedragen, zo mogen wij ons ook gedragen weten door God. Jezus heeft ons de heilige Geest gegeven als onze Helper. Zo zijn ook wij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk, een volk met een bijzondere opdracht. Voor niets hebben wij ontvangen, voor niets mogen wij geven. Amen.

H. Drie-eenheid; Ex 34,4b-6.8-9; 2 Kor 13,11-13; Joh 3,16-18

Eén God in drie personen: het is een onbegrijpelijk mysterie. Er is geen enkel wetenschappelijk bewijs, niet voor God, niet voor één God en al helemaal niet voor één God bestaande uit drie personen. Maar hoe erg is dat eigenlijk? Zijn we beter af en gelukkiger als we precies weten hoe het allemaal zit? En hoe belangrijk is deze vraag? Hier kunnen we wat leren van de Oosterse kerken. Terwijl wij westerlingen willen weten hoe het precies zit en het mysterie willen ontrafelen, richten de oosterlingen zich veel meer op hoe te leven met het mysterie: wat heeft het mysterie ons te zeggen.

Een beroemde icoon is de Triniteitsicoon van Andrei Rublev. Een daarop geïnspireerde icoon hangt in de HH. Petrus en Pauluskerk. Hierop worden de drie engelen die Abraham en Sara bezoeken, gezien als een voorafbeelding van de H. Drie-eenheid. De icoon laat ons niet zien hoe de Drie-eenheid in elkaar zit. Zij toont ons de liefde tussen de drie goddelijke personen en de gemeenschap die zij met elkaar vormen. Op deze wijze heeft God zich aan Abraham en Sara geopenbaard.

In de Oosterse Kerk wordt het mysterie van de Drie-eenheid gezien als een mysterie van liefde: God is liefde. Omdat God van de mensen houdt, stuurt Hij zijn Zoon. Met de woorden van het Evangelie van vandaag: “Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven. (…) God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered.” Het mysterie van de H. Drie-eenheid gaat niet over: ‘hoe zit dat nu precies één God in drie Personen’. Het mysterie van de H. Drie-eenheid is het mysterie van de liefde. Een ook daar is geen wetenschappelijke verklaring voor.

De liefde van de H. Drie-eenheid is een dynamische liefde. Het is geen liefde in rust, maar een liefde in beweging. Het is een vruchtbare, een scheppende liefde. Binnen de ene God zijn de drie personen – Vader, Zoon en Geest – in een oneindige liefde met elkaar verbonden. Vanuit deze liefde is de wereld en de mens geschapen. De schepping en wij mensen in het bijzonder zijn opgenomen in de goddelijke liefde, de liefde tussen de drie personen. Het ontdekken van de liefde is geen kwestie van studeren. Het ontdekken van de liefde doe je door te leven. Liefde kun je niet begrijpen. Liefde kun je wel ervaren. De liefde wordt ons geopenbaard.

Een openbaring komt van buiten. Ze komt niet uit onszelf. Het is geen resultaat van consequent logisch redeneren. Het is een waarheid die groter is dan onszelf. Het is waarheid die ons te boven gaat. Een openbaring geeft ook houvast. Mozes trekt de berg op om de tien geboden te ontvangen. Het eerste dat God hem zegt is: “De Heer! De Heer is een barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw.” Wat heb je meer nodig dan deze kennis? Hiermee is toch alles gezegd. Maar God is inderdaad barmhartig en medelijdend. Hij geeft Mozes de tien geboden, zodat wij mensen een houvast hebben. Het hoogtepunt van de openbaring is de menswording van Jezus Christus. Door de menswording van God zijn wij mensen in staat met onze menselijke vermogens Gods liefde te ontdekken en te ervaren. Jezus laat ons met zijn eigen leven zien hoe God is. Op deze wijze is Jezus een stevig anker, een houvast in ons leven, een rots waarop we kunnen bouwen.

Paulus eindigt zijn brief aan de Korintiërs zoals wij onze vieringen vaak openen: “De genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de H. Geest zij met u allen.” Het is waarschijnlijk de oudste trinitaire formule die we kennen. Zo’n 25 jaar na de dood en verrijzenis van Jezus schrijft Paulus hem op. Vanaf het vroegste begin van de Kerk is er het geloof in God, die is Vader, Zoon en H. Geest. Dit geloof is gebaseerd op de ervaringen die de leerlingen met Jezus van Nazareth hadden.

In de boodschap die Jezus verkondigt, vertelt Hij niet hoe de Drie-eenheid in elkaar zit. Wel vertelt Hij over zijn Vader in de hemel, de ene God, over de liefde tussen de Vader en Hem en Hij deelt die liefde met alle mensen. Jezus laat ons zien en ervaren dat God liefde is. Hij leeft in verbondenheid met zijn Vader en de Geest. Zij vormen samen een hechte gemeenschap. Jezus deelt die liefde en gemeenschap met ons. Wij mogen delen in de goddelijke liefde en de goddelijke gemeenschap. De goddelijke gemeenschap is een gastvrije en uitnodigde gemeenschap. Tenslotte belooft Hij dat Hij zijn Geest zal sturen, de Geest van vuur en liefde, de Geest die ons helpt een gemeenschap van liefde te vormen en een beschaving van liefde op te bouwen, de Geest die altijd bij ons zal zijn. Amen.

De heilige Geest brengt ons in beweging

Pinksteren is het feest van energie. De heilige Geest brengt de apostelen in beweging. Dat veroorzaakt een behoorlijke onrust in Jeruzalem. Om hun roeping te kunnen volgen hebben de apostelen liefde, moed en wijsheid nodig. De heilige Geest schenkt hen zijn gaven zoals ook Jezus aan het begin van zijn openbare leven aangeeft dat de Geest des Heren op Hem rust. Jezus is door Hem gezalfd. (Lc 4,18)

Roeping
God roept ook ons om zijn liefde voor alle mensen te verkondigen. Hij roept ons om met ons hele leven te getuigen van zijn goedheid. Met de gaven van de heilige Geest wordt ook ons alles geschonken wat wij hiervoor nodig hebben. De Geest is niet alleen onze Trooster. Hij is ook onze Helper, onze Leraar: “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.” (Joh 16,12-13) De Geest brengt ons in beweging. Hij brengt ons tot daden van liefde.

Haast je langzaam
Toen ik in de vliegtuigbouw werkte leerde ik: ‘haast je langzaam’. Blijf nadenken, handel niet overhaast, daar komen maar brokken van. Hoe groter de nood, hoe belangrijker rust is. Rust heb je nodig om tot goede beslissingen te komen. De heilige Geest brengt ons in beweging. Hij geeft ons energie, misschien zelfs een heilige onrust. Dat begint met rustig in gebed luisteren om daarna in beweging te komen, want als wij onrustig zijn, kunnen we de stem van de Geest niet verstaan. De stem van de Geest vraagt om rust en vrede in onszelf. De apostel Paulus schrijft aan de Galaten: “De vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid en ingetogenheid.” (Gal 5,22)

Bron van liefde worden
Onze roeping begint met de liefde van God voor ons. De drie-ene God is liefde in zichzelf. De heilige Geest schenkt ons die liefde. Om zelf een bron van liefde te worden is het nodig ons vaak grote ‘ego’ te beteugelen. Ingetogenheid, bescheidenheid en respect voor anderen helpen daarbij. Luisteren naar de stem van de Geest zet ons op het pad van Gods wil te doen. Dat maakt ons tot liefdevolle mensen die er voor een ander willen zijn en voor hen alle goeds willen. Dan kunnen we luisteren naar wat een ander ons te zeggen heeft en kunnen we de volle waarheid op het spoor komen. Dan worden we ook werkelijke vrije mensen, niet vrij om ons eigen zin te doen, maar vrij om het goede te doen. Ik wens u een zalig Pinksteren toe.

Artikel in Kerk aan de Vliet 7,3 mei/augustus 2023

Missionaire parochie; Hnd 1,12-14; 1 Pt 4,13-16; Joh 17,1-11a

Wij willen een missionaire parochie zijn. Dat is de roeping die Jezus ons bij zijn Hemelvaart heeft gegeven: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.” (Mt 28,19)

Leerling zijn van Jezus betekent ook anderen met Jezus in contact brengen en hen aanmoedigen ook leerling van Jezus te worden. In het Evangelie horen we dat Jezus zelf door de Vader is gezonden. Zoals Hijzelf gezonden is, zo zend Hij ook ons. De boodschap die de Vader aan Jezus heeft meegedeeld, heeft Hij ook aan zijn leerlingen meegedeeld. De leerlingen, wij dus ook zijn geroepen deze boodschap verder uit te dragen. Het is ook onze missie mensen bij God te brengen. De weg naar God is Jezus zelf: Hij heeft gezegd: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.” (Joh 14,6) Leerling van Jezus zijn is Hem navolgen in zijn liefde voor de Vader en voor alle mensen, dat is de weg, de waarheid en het leven, waaraan ook wij deel mogen hebben.

De weg van Jezus is een weg van gebed. Jezus bidt voor zichzelf en Hij bidt voor zijn leerlingen. Hij vraagt dat zijn Vader Hem zal verheerlijken, dat zijn dood aan het kruis de bekroning mag zijn van zijn leven als mens. Zo wordt zijn menswording een teken voor de wereld. Daarna bidt Jezus voor zijn leerlingen. Zij hebben zijn boodschap aangenomen en geloven dat Hij door Vader is gezonden. Dat was voor hen – zoals ook voor ons – een weg van vallen en opstaan.

Ondanks al hun tekortkomingen accepteert Jezus zijn leerlingen. Hij weet dat ze geloven en dat zij zijn weg van waarheid zullen gaan, dat zij zullen leven in liefde en geloof. Hij weet dat zij – als het erop aan komt – boven zichzelf zullen uitstijgen. Dat vertrouwen is ook ons gegeven, ook al zitten wij vaak vast in het denken van de wereld en gedragen wij ons als mensen van de wereld. Ook wij worden door Jezus geaccepteerd. Jezus zegt hier ook over ons, dat we beter zijn dan we ons feitelijk voordoen. Ook wij worden door Hem geaccepteerd als gelovigen. En ook van ons zegt Hij dat we boven onszelf zullen uitstijgen.

Ook de leerlingen gaan de weg van het gebed. In de eerste lezing uit het boek Handelingen lezen we: “Zij allen bleven eensgezind volharden in het gebed.” In de brief van Petrus lezen dat het niet alleen een kwestie bidden is. “Verheugt u in de mate dat gij deel hebt aan het lijden van Christus… Prijst u gelukkig, als men u hoont om de naam van Christus.” We zullen ons ook moeten inspannen en ons vermoeien. We hebben te maken met tegenslag en we zullen bespot worden. Voor Petrus is het duidelijk: dat is het allemaal meer dan waard. Wij mogen ons verheugen als we deel hebben aan het lijden van Christus.

Vandaag hebben we aandacht voor de Nederlandse missionarissen en missionaire werkers. Overal ter wereld zijn zij actief. Overal verkondigen zij Gods woord en getuigen met woord en daad van zijn liefde voor alle mensen. Straks is er een deurcollecte om hun werk te ondersteunen. Onze roeping vraagt meer dan alleen een bijdrage aan de collecte. Meer dan ooit is een missionaire houding nodig in onze directe omgeving. Het geloof in God en het volgen van Jezus is hier geen vanzelfsprekendheid meer. Dat vraagt dat we in onze directe eigen omgeving in woord en daad getuigen van ons geloof.

Vorig jaar vroeg paus Franciscus aandacht voor de dialoog tussen de verschillende generaties. Over het getuigen van ons geloof zegt de paus: “Het christelijk geloof is niet slechts het Credo opzeggen, maar het Credo denken, het Credo voelen, het Credo doen. (…) Misschien moeten wij, ouderen, een belangrijke zending opnemen: aan het geloof zijn eer teruggeven. (…) Geloof verdient eerbied en eer tot het einde toe: het heeft ons leven veranderd, het heeft onze geest gezuiverd, het heeft ons de aanbidding van God geleerd en de liefde tot de naaste. Het is een zegen voor allen! (…) Bejaarden rijk aan wijsheid en humor doen goed aan de jongeren. (…) Het zijn zij die in de jongeren de honger en dorst naar gerechtigheid zullen zaaien.” De paus roept ons ouderen op met jongeren in gesprek te gaan over ons eigen persoonlijke geloof. Amen.

Het aanschijn van de aarde vernieuwen

Kom, heilige Geest,
vervul de harten van uw gelovigen
en ontsteek in hen het vuur van uw liefde.
Zend uw Geest uit en alles zal herschapen worden.
En Gij zult het aanschijn van de aarde vernieuwen.

Met deze woorden roepen wij de heilige Geest aan. Als Hij onze harten vervuld van Gods liefde, zal dat het aanschijn van de aarde vernieuwen.

Van nature ben ik een optimistisch mens. In 1972 dacht ik na het lezen van het Rapport van de Club van Rome: daar vinden we wel wat op. Ik verwachtte veel van de voortuitgang van wetenschap en techniek. En nog steeds denk ik dat er wat dat betreft grote mogelijkheden zijn. Moeizamer wordt het als het gaat om de mentaliteitsverandering van de direct betrokkenen. De aarde blijft wel rond de zon draaien en de natuur vindt ook onder geheel andere omstandigheden wel een weg. Het voortbestaan van de mensheid is echter een stuk onzekerder. En juist bij de mensen zie ik weinig motivatie om in beweging te komen. Ons eigen persoonlijk welbevinden en onze korte termijn genoegens krijgen telkens weer de voorrang boven de belangen van hen die nu al door de klimaatveranderingen getroffen worden en boven het langere termijn belang van het voortbestaan van ons allen.

Optimisme biedt geen uitweg meer. We kunnen niet blijven roepen dat ze het wel oplossen of dat het zo’n vaart wel niet zal lopen. Ons zogenaamde recht op alles waarvan wij denken dat het nodig is om ons leven ‘leuk’ te maken, bestaat niet. We hebben geen recht op genoegens ten koste van onze huidige medemensen en de toekomstige generaties. Dat vraagt op de eerste plaats om hoop. Hoop maakt het mogelijk te werken aan wat voor onmogelijk wordt gehouden. Het zijn de gaven van heilige Geest die ons in staat stellen te werken aan een betere toekomst: geloof, hoop en liefde, moed en wijsheid. De heilige Geest is werkelijk in staat ons om te vormen tot milieubewuste en duurzaam levende mensen. Dan kan waar worden wat me met Pinksteren zingen in het Veni, Sancte Spiritus: “Lava quod est sordidum, riga quod est aridum, sana quod est saucium. Flecte quod est rigidum, fove quod est frigidum, rege quod est devium.” Dan wordt schoon wat vuil is, nat wat droog is, heel wat gewond is, soepel wat verstard is, warm wat koud is en recht wat krom is. Dan krijgt de aarde werkelijk een nieuw aangezicht.

Ook gepubliceerd op de website Kerk en Milieu.

Levende stenen; Hnd 6,1-7; 1 Pt 2,4-9; Joh 14,1-12

Donderdag een week geleden was het koningsdag. Misschien was u toen in Rotterdam. De koning was daar met zijn familie. De meesten van u zullen ongetwijfeld daarvan de beelden op de televisie hebben gezien. Misschien was u onder de indruk van de architectuur van de stad. Het kan ook zijn dat u zich verwonderde over het optreden van de koning of dat u gecharmeerd was van de koningin. Misschien had u meer oog voor de prinsessen.

Wat mij vooral opviel was de bevolking van Rotterdam. De grote verscheidenheid was mij bekend. Rotterdam is een multiculturele stad. Maar hoe zelfbewust, vrolijk en energiek het optreden van de verschillende groepen was, dat sprak mij aan. Ik zag een stad met allerlei verschillende mensen die aan elkaar gelijkwaardig zijn. Samen vormen zij de bevolking van Rotterdam. Er was geen sprake van dat mensen met een migrantenachtergrond zich te gast moeten voelen bij de oorspronkelijke bevolking. Nieuwe culturen waren ook geen bezienswaardigheid. Nee, samen weten zij zich de burgers van de stad. Het is geen kwestie van: zij mogen er ook zijn. Nee, er is sprake van: zij horen hier ook. Zo vormen zij samen een eenheid in verscheidenheid.

Hoe anders is het beeld bij de eerste christenen. De Hellenisten beginnen te morren tegen de Hebreeën, want hun weduwen worden achtergesteld. Wat is hier de situatie? De leerlingen van Jezus zijn Hebreeën en spreken Aramees. Onder de nieuwe volgelingen zijn ook Griekssprekende joden. Dit zijn de Hellenisten. Zij voelen zich achtergesteld. Hun weduwen staan op het tweede plan bij de dagelijkse ondersteuning. In de Griekse tekst is hier sprake van de dienst van de tafel. Dit kan betekenen dat de vrouwen bij de dagelijkse maaltijd tekort komen, maar het kan ook verwijzen naar de tafel van de Eucharistie. Mogelijk kunnen de Hellenisten het Aramees van de apostelen niet goed verstaan en voelen ze zich daardoor achtergesteld.

De apostelen begrijpen dat het zo niet kan en zij nemen maatregelen. Ze kiezen niet voor een inburgeringscursus en taallessen voor de Hellenisten. Nee, ze zien hen als volwaardige leden van de gemeenschap die zijn zoals ze zijn. De apostelen geven zeven mannen de opdracht aandacht te besteden aan de ondersteuning van de weduwen van de Hellenisten. Deze zeven mannen hebben Griekse namen; zij zijn zelf ook Hellenisten. Het zijn zeven mannen uit de minderheidsgroepering. Zij moeten de achterstelling opheffen. Daarmee wordt deze groep voor vol aangezien. Allen zijn gelijkwaardig en allen worden serieus genomen. Jezus zegt ons: “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.” De apostelen laten hier zien wat dat voor hun eigen handelen betekent. Zij maken ruimte voor de anderen, voor mensen met een andere taal en cultuur. Later zullen ze hierin nog verder gaan door ook heidenen te dopen.

De brief van de apostel Petrus roept ons op. “Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel.” Jezus zelf is de hoeksteen, de steen die het gehele bouwwerk bijeen houdt. Naar Hem moeten wij ons voegen. Hij is onze weg, onze waarheid, ons leven. Hij is de steen door de mensen verworpen, maar door God uitverkoren tot Heer van zijn volk, Gods uitverkoren geslacht, Gods heilige natie. Wij zijn de levende stenen waarmee God zijn tempel bouwt, het huis waarin Hij wil wonen. Wij zijn actieve deelnemers, een koninklijk priesterschap. Allen gelijkwaardig aan elkaar. Wij kiezen niet elkaar. Nee ieder van ons wordt door God geroepen zijn bijdrage te leveren aan Gods bouwwerk.

We worden opgeroepen tot heiligheid. Daarvoor moeten we loskomen van oude gewoonten en oude inzichten. We moeten ons op een nieuwe manier gedragen en vanuit een nieuwe gedachtenwereld denken. Ons oude leven afleggen en een nieuw leven beginnen. Wij moeten elkaar als werkelijk gelijkwaardige mensen zien. Dat geldt in het dagelijks leven, het maatschappelijk leven. Dat geldt bovenal binnen onze geloofsgemeenschappen. Samen vormen wij Gods eigen volk. Wij zijn levende stenen. Wij zijn als natuurstenen. Niet allemaal gelijkvormig, maar allemaal verschillend. Juist met die grote verscheidenheid wordt de Kerk, het huis van God opgebouwd. Daarmee vormen wij een eenheid in verscheidenheid, de eenheid van Christus. Een eenheid waaraan anderen zich misschien storen en stoten. Amen.

Het Tomasmoment; Hnd 2,42-47; 1 Pt 1,3-9; Joh 20,19-31

Jezus is verrezen. Hij leeft! Hij verschijnt aan de leerlingen. Langzaam dringt het tot hun door wat dit voor hen betekent. In de Paastijd lezen we over de ervaringen van de leerlingen met de verrezen Heer. Met Pasen lazen we hoe Johannes tot geloof kwam bij het zien van het lege graf. Vandaag lazen we het verhaal over Tomas. Volgende week lezen we over de Emmaüsgangers. We lezen hoe de leerlingen Jezus weer ontmoeten en wat dit met hen doet. Ieder heeft zijn eigen ervaring en zijn eigen wijze van reageren. Elders kunnen we lezen dat Petrus zegt: “Ik ga vissen.” (Joh 21,3) Petrus denkt dat hij het gewone leven weer op kan pakken. Dan volgt het verhaal van de wonderbare visvangst en zegt Jezus dat Petrus voortaan mensen zal vissen. Dan valt ook bij Petrus het kwartje.

In deze weken horen we in de eerste en tweede lezingen hoe het verhaal verder gaat. De teksten van de eerste lezingen zijn uit de Handelingen der Apostelen en die van de tweede lezing uit de eerste brief van Petrus. Hier lezen we over de eerste christenen, over de eerste jaren van de Kerk. Hoe komen mensen tot het geloof en wat doet dat met hun. Wat betekent het geloof voor hun manier van leven. We lezen: “Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk. (…) Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart…”

We lezen wat ze deden, maar we lezen ook met welke instelling ze het deden: eensgezindheid, trouwheid, blijdschap en eenvoud. Vanuit de brief van Petrus kunnen we hier het woord ‘hoop’ nog aan toevoegen. Uit de brief van Petrus wordt ook duidelijk dat het niet alleen maar rozengeur en maneschijn is: “Dan zult gij juichen, ook al hebt gij nu, als het zo moet zijn, voor een korte tijd te lijden onder allerlei beproevingen.” Het is juist deze instelling, deze mentaliteit van de eerste christenen die hun leven doet afwijken van het leven van de andere mensen. Het geloof in de verrezen Christus, het geloof in de oneindige barmhartigheid van God geeft hen hoop. Het geloof, samen met de hoop en de liefde maakt hen tot geheel nieuwe mensen.

En hoe zit dat bij ons? Zijn ook wij geheel nieuwe mensen door het geloof in Jezus? Ik vind dat altijd een lastige vraag. Hoe zou ik zijn als ik niet zou geloven? Maar ook: leef ik echt vanuit de hoop die het geloof ons biedt?

Zoals de meesten van u ben ik als pasgeborene gedoopt en vervolgens in een katholiek gezin opgegroeid. Ik ken geen ander leven dan dat van een gelovige en weet niet echt hoe het is om niet te geloven. Dat alles neemt niet weg dat geloven ook in mijn leven een groeiproces is. Een groeiproces met ook een duidelijk Tomasmoment. Een moment waarop er een nieuwe wereld opengaat, een moment waarop je tot het inzicht komt waarmee je weer verder kunt. Een inzicht dat je geloof verdiept en je leven ruimte geeft. Het is ook een moment van een duidelijke keuze. Je kiest de ene of de andere weg, de weg van het geloof of die van niet geloven.

Het was toen ik in Groningen scheikunde studeerde en mijn analytische vermogen sterk groeide. Dat had als keerzijde dat ik alles analyseerde en in systemen en modellen probeerde te proppen. Daar liep ik in vast. Het geloof dat mijn ouders mij hadden meegegeven, bood mij een uitweg. Toen ik in staat was het mysterie te aanvaarden en niet meer hoefde te begrijpen wat niet te begrijpen is, kon ik weer verder met mijn leven. Door de wetenschap was ik steviger op de weg van het geloof gezet.

Misschien komt het u bekend voor en heeft ook u een Tomasmoment meegemaakt. Het kan ook zijn dat u zich meer herkend in de ervaringen van Johannes of van de Emmaüsgangers. Misschien bent u meer van het type Petrus of zoals Paulus die van zijn paard viel en daarna het licht zag. Een gelovige maakt hoe dan ook een ontwikkeling door. Je kunt niet blijven steken in je kinderlijk geloof. Zonder je gelovige naïviteit te verliezen moet je groeien tot een volwassen geloof. Dat vraagt vooral met elkaar praten over je geloof. Geloven doe je niet alleen, geloven doe je samen. Ook de ontwikkeling van je geloof is een weg die je in gemeenschap bewandelt. Ook voor het doorgeven van het geloof is het geloofsgesprek belangrijk. Praat met je kinderen en kleinkinderen over weg die zelf afgelegd hebt. Dat zal hen helpen hun weg in het leven te vinden.

De missie van onze parochiefederatie luidt: “Wij willen vindplaatsen van christelijk geloof, hoop en liefde bieden en ondersteunen en zo als leerlingen van Jezus Christus in woord en daad het Evangelie leven.” Het geloofsgesprek is een van de manieren om deze missie concreet gestalte te geven. Amen.

“God is liefde”; Ex 12,1-8.11-14; 1 Kor 11,23-26; Joh 13,1-15

De afgelopen weken hebben we veel uit het door Johannes geschreven Evangelie gelezen. Dit Evangelie Is anders dan de andere drie Evangeliën. Het heeft een geheel eigen plaats in de Bijbel. Johannes laat Jezus uitvoerig aan het woord. Niet zo zeer in de vorm van gelijkenissen, maar veel meer in gesprekken en lange redevoeringen. Dit is ook het geval tijdens het Laatste Avondmaal dat we vanavond gedenken. Johannes geeft ook een aantal bijzondere verhalen zoals we de afgelopen weken hebben gehoord: over de vrouw bij de put, over de blindgeborene en over de opstanding van Lazarus. verhalen met uitgebreide dialogen.

Wat Johannes hiermee doet, is de aandacht vestigen op het bijzondere van Jezus. Hij beschrijft Jezus in het licht van de goddelijke glorie. Hij laat ons zo diep doordringen tot het mysterie van de persoon Jezus, tot de menswording van God. Aan het eind van zijn leven schrijft Johannes een aantal brieven. Uit de eerste daarvan is de tekst: ‘God is liefde’. Blijkbaar komt Johannes hier tot een eindconclusie. Dit is de kern van het mysterie van God. Dit is de kern van de openbaring die Jezus ons brengt. ‘God is liefde.’ Daar draait het ook vanavond om.

Vandaag is het Witte Donderdag. Paulus vertelt ons hoe Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, brood nam en daarna de beker. Van dit brood en deze beker zegt Hij: “Dit mijn lichaam voor u. Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed.” En heeft ons een opdracht: “Doet dit tot mijn gedachtenis.” Voor Israël was het de eerste dag van het ongedesemde brood. Het paasfeest was op handen Er wordt stil gestaan bij de uittocht uit Egypte en de veertig jaar lange tocht door de woestijn. De joden gedenken hoe God hen geleid heeft en met hen is meegegaan op weg. Ze gedenken alle grote daden die God voor hen verrichtte.

Jezus eet met zijn vrienden, niet gehaast zoals we in de eerste lezing horen. Nee, Hij heeft hen nog veel te zeggen en Hij neemt er de tijd voor. Johannes besteedt er in zijn Evangelie vijf hoofdstukken aan. Anders dan Mattheüs, Marcus en Lucas schrijft Johannes niet over de maaltijd zelf: de instellingswoorden over Brood en Wijn, die wij van Paulus hoorden, vermeldt Johannes niet. Johannes legt een geheel ander accent. Hij vertelt ons over de voetwassing en over het lange gesprek dat Jezus met zijn leerlingen voert.

Brood en Wijn: het is voedsel voor onderweg. Voedsel voor onze weg ten leven. Elke keer als wij dit Brood eten en uit deze Beker drinken, worden wij uitgenodigd die nieuwe weg ten leven te gaan: de weg te gaan die tot het echte leven leidt en die ons echt geluk brengt. Bij Johannes is Jezus aan het woord over de weg die Hij moet gaan, en over de weg die zijn leerlingen zullen gaan: de weg waartoe ook wij uitgenodigd zijn om te gaan. Johannes maakt duidelijk dat het niet om die ene gebeurtenis gaat, maar om het hele leven. Het leven is geen gebeurtenis; het leven is een weg. Hoe deze weg eruit ziet laat Jezus zien door zijn vrienden de voeten te wassen. Hiermee stelt Hij een daad van liefde en verbondenheid. Hiermee komt Hij tot de kern van zijn boodschap: ‘God is liefde’.

Daarna vertelt Hij over de weg die Hij zal gaan, de weg naar zijn Vader, de weg die door de dood heen tot leven leidt. Hij vertelt de leerlingen hoe ook zij die weg zullen gaan, deze weg van liefde, deze weg ten leven. Vandaag worden ons twee tekens gegeven: De tekens van Brood en Wijn en het teken van de voetwassing. Twee tekens van liefde die onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.

Onder de gedaanten van Brood en Wijn is Christus werkelijk zichtbaar en tastbaar onder ons aanwezig. Hij voedt ons met zijn eigen Lichaam en Bloed. Zo kunnen wij ons op innige wijze met Hem verenigen en ons laven aan zijn gaven van liefde en genade. De voetwassing laat zien hoe wij zelf deze weg ten leven kunnen gaan. “Als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.” De tekens van Brood en Wijn en het teken van de voetwassing, Eucharistie en diaconie zijn onlosmakelijk, niet los van elkaar verkrijgbaar. Petrus wordt dit duidelijk gemaakt als hij de voetwassing weigert.

Het gaat niet alleen om het geven van liefde. Wij moeten ook liefde willen ontvangen, afhankelijk durven zijn van Gods liefde en van de onderlinge liefde. Jezus heeft ons met de voetwassing het voorbeeld gegeven en Hij is ons werkelijk nabij in de Eucharistie als heilzaam voedsel op onze levensweg. Zo wordt in ons leven waar dat God liefde is. Amen.