Spring naar inhoud

Bron en de basis van ons leven; Js 52,7-10: Hb 1,1-6; Joh 1,1-18

De apostel Johannes schrijft: “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Gods Zoon is mens geworden. Jezus Christus is een van ons. Hij is mens zoals wij. Hij heeft ons leven geleefd. Jezus is de mens geworden Zoon van God. De apostel Paulus gebruikt de woorden uit Psalm 2: “Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden verwekt.” De profeet Jesaja schrijft: “De Heer heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volkeren; en alle grenzen der aarde hebben het heil van onze God aanschouwd.” Iedereen moet weten dat Gods Zoon mens geworden is. Vannacht hoorden we het Kerstverhaal volgens Lucas. Toen hoorden we: “Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer…” Jezus Christus is onze redder en bevrijder. Hij verlost ons van het kwaad. Paulus schrijft dat Jezus de reiniging van de zonden heeft voltrokken.

Jezus Christus is de bron en de basis van ons leven. “Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven en dat leven was het licht der mensen.” In Hem en door Hem heeft God alles geschapen. Zelf zal Jezus aan het einde van zijn leven zeggen: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Wij mensen zijn geschapen uit liefde en geschapen voor de liefde. Wij zijn ook geschapen met een vrije wil. Bovenal zijn wij geschapen als mensen. Wij zijn mensen met onze goede kanten, maar ook met onze tekortkomingen. Onze vrije wil stelt ons in staat om lief te hebben en om het goede te doen. Wij hebben ook de vrijheid om tegen de liefde en tegen het goede in te gaan. We zijn ook in staat te kiezen voor het kwaad.

Om ons te verlossen, om ons te bevrijden van het kwaad is Jezus mens geworden, heeft Hij als mens onder de mensen geleefd en heeft Hij geleden en is Hij gestorven. God heeft het leven van de mens aangenomen. Hij is naar ons mensen afgedaald, maar daarmee verheft Hij ook de mens naar een hoger niveau. Wij leven niet langer in slavernij, maar zijn vrije mensen. Wij zijn niet langer slaven van onze driften, maar zijn in staat onze driften te ontstijgen en te beteugelen. Wij zijn niet langer slaaf van onze zelfgerichtheid, maar zijn in staat ons op anderen te richten. Wij zijn in staat tot werkelijke liefde voor onze medemens.

Jezus Christus is de bron en de basis van ons leven. Met zijn menswording heeft Hij ons leven op een hoger plan gebracht. Hij heeft ons laten zien hoe je goed kunt leven, hoe je kunt liefhebben, hoe je de waarheid op het spoor komt, hoe je werkelijk een vrij mens bent. Jezus koos radicaal voor de liefde, voor de waarheid en voor de vrijheid. Het kostte Hem zijn leven. Hij werd gekruisigd en werd begraven. Deze radicale keuze maakte Hem ook meester over de dood. God deed Hem uit de doden opstaan. Toen “heeft Hij zich neergezet aan de rechterzijde van de majesteit in den hoge, ver verheven boven de engelen… Alle engelen Gods moeten Hem hulde brengen.” Met Pasen vieren wij deze bekroning van het leven van Jezus. Pasen is de bekroning van Kerstmis. Met Kerstmis vieren wij de komst van het Licht in de wereld: “het ware Licht dat iedere mens verlicht”. Met Pasen ontsteken we de Paaskaars: Christus, het Licht van de wereld.

Niet iedereen erkent dit Licht. Sommigen zijn verblind door het kwaad, anderen wenden zich af van het Licht. “Aan allen echter die Hem wel aanvaarden, aan hen die in zijn Naam geloven gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden.” Door te geloven worden wij herboren. Door te geloven worden wij opnieuw verwekt en uit God geboren.

Jezus heeft ons gered en bevrijd. Hierdoor zijn wij in staat zelf brengers van het licht te zijn. Wij zijn in staat zijn liefde voor ons door te geven door onze medemensen lief te hebben. Door onze medemensen lief te hebben, ervaren wij zijn liefde voor ons. Dan is zijn liefde voor ons de drijvende kracht in ons leven die ons hart opent voor onze medemensen. Dan leven we als leerlingen van Jezus het Evangelie. Het Evangelie leven is leven zoals Jezus ons heeft verkondigd en zoals Hij ons heeft voorgedaan. Wij mogen op onze beurt zijn Evangelie verkondigen aan onze medemensen. Wij mogen op onze beurt laten zien wat het betekent te leven in liefde en waarheid, te leven als werkelijk vrije mensen.

Een paar weken geleden was ik in de Martinus met kinderen in gesprek. Zij hadden toen even geen antwoord op mijn vraag. Ik heb ze gezegd dat het goede antwoord bijna altijd ‘Jezus’ is. Uit de inleiding van pastor Olsthoorn heeft u natuurlijk al begrepen, dat ook vandaag Jezus het antwoord is op al onze vragen.

Jezus Christus is de bron en de basis van ons leven. Jezus brengt ons leven en Hij brengt ons vreugde. Hij maakt ons vrij en maakt ons leven tot een feest. Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.

Richting het Licht; Js 9,1-3.5-6; Lc 2,1-14

Plotseling is het een en al licht. Midden in de nacht verschijnt een engel aan de herders. Zij worden omstraald door de glorie des Heren. De herders zien het licht en zij gaan op zoek naar de bron van dit licht. Jesaja schrijft over een volk dat in het donker wandelt. In het donker zien zij een groot licht: licht in de duisternis, licht dat blijdschap en vreugde brengt, licht dat bevrijdt.

Het is een beweging van twee kanten: het licht schijnt in de duisternis en de mens zoekt het licht. Voortdurend zoekt de mens naar het licht van vrijheid en vrede, het licht van blijdschap en vreugde, het licht van geluk. Het licht verschijnt en de mens gaat richting het licht. Ook in onze relatie met God zijn er twee bewegingen. Wij mensen verlangen naar God en zoeken Hem. Maar ook God is op zoek. Hij zoekt ons mensen en Hij zoekt onze liefde voor Hem. Het is als twee geliefden die elkaar nog niet echt gevonden hebben. Ze verlangen naar elkaar en zoeken elkaar. Ze zoeken naar een antwoord op hun liefde.

Je eigen zoektocht heb je redelijk onder controle. Je zoekt wanneer het jou goed uitkomt en wanneer je daarvoor in de juiste stemming bent. Maar ondertussen is die ander op zoek naar jou. Die ander kan elk moment plotseling voor je deur staan. De zoektocht van de ander heb je in het geheel niet onder controle. Daar word je plotseling mee geconfronteerd, ook als het je even niet uitkomt en je hoofd er even niet naar staat.

En juist dat plotselinge moment kan essentieel zijn voor het verloop van de verdere liefdesgeschiedenis. Juist je reactie op dat onverwachte moment kan ervoor zorgen dat het een gelukkige of een ongelukkige liefde wordt. Kortom op dat cruciale moment wil je er klaar voor zijn. Op dat moment wil je geen fouten maken, maar juist op je best tevoorschijn komen.

De dag van Kerstmis is redelijk voorspelbaar. Dat vieren we ook dit jaar weer op 25 december. Maar de dag van onze werkelijke ontmoeting met de Heer is niet voorspelbaar. Daarover zegt Jezus: (Mt 24,42) “Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.” Het overkwam Maria. Plotseling was daar de engel die aankondigt dat zij zwanger wordt en de Zoon van de Allerhoogste zal baren. Plotseling komt God heel concreet in haar leven. Het moet even tot Maria doordringen en dan antwoordt zij: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.” Het overkomt ook de herders. Plotseling staat daar die engel. De herders schrikken en worden bang, maar de engel zegt hen: “Vreest niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap… Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer…” En dan gaan de herders op pad.

Hoe is het met ons. Zijn wij in staat goed te reageren als de Heer plotseling op onze deur klopt. Is Hij dan welkom, staat ons hart dan voor Hem open, of is dan ons geloof gedoofd en ons vertrouwen gestorven?

Misschien denkt u: de Heer ontmoeten, dat zal zo’n vaart niet lopen, dat laat nog wel even op zich laat wachten. Er zijn echter vele momenten in ons leven waarop we plotseling met onze Heer geconfronteerd worden. Tegen het einde van zijn leven spreekt Jezus zijn leerlingen toe. Hij vertelt hen over het einde der tijden. Hij zegt: “Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen, Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht.” (Mt 25,35-36) Jezus vertelt ons heel concreet hoe Hij plotseling in ons leven verschijnt. En Hij geeft ook heel duidelijk aan welke reactie Hij dan van ons verwacht. In Jezus Christus in God mens geworden. Jezus laat ons zien hoe je goed kunt leven, hoe je kunt liefhebben, hoe je de waarheid op het spoor komt, hoe je werkelijk een vrij mens bent.

God is liefde. Hij houdt van ons. Hij heeft ons uit liefde geschapen. Onze liefde voor God en voor zijn mens geworden Zoon Jezus krijgt vorm in onze liefde voor onze medemens. Jezus Christus is het Licht der wereld, maar ook wij mogen een licht zijn en brengers van het licht zijn. Wij gaan richting het licht door juist zelf licht uit te stralen. Wij zijn onderweg naar Jezus door als zijn leerlingen te handelen zoals Hij deed. Als wij openstaan voor de ander staat ons hart ook open voor de Heer. Hij heeft ons lief. Door onze medemensen lief te hebben, ervaren wij zijn liefde voor ons. Dan is zijn liefde voor ons de drijvende kracht in ons leven. Het is zijn reddende en bevrijdende kracht die ons bevrijdt van onze zelfgerichtheid en die ons hart opent voor onze medemensen.

Sta open voor de ander, en vrede, liefde en geluk zullen uw deel zijn. Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.

Gaudete: Verheugt u; Js 35, 1-6a.10; Mt 11,2-11

Gaudete: Verheugt u. “Blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd.” Jezus maakt met deze tekst duidelijk dat Hij het is die het Rijk Gods brengt. Hij gebruikt hiervoor de woorden die eerder door Jesaja gebruikt zijn. Jesaja beschrijft een paradijselijke situatie van vrede, welzijn en gerechtigheid voor iedereen. Dat is wat ook Jezus ons voorhoudt als het Rijk Gods, niet meer en niet minder. Jesaja schrijft over de toekomst. Jezus spreekt over het moment zelf. Met zijn komst is de beloofde toekomst aangebroken. Deze teksten geven ons stof tot nadenken. Hoe zien wij het Rijk Gods? Wanneer verwachten wij het Rijk Gods?

Deel van mijn opvoeding was het uit je hoofd leren van de catechismus. Vandaag hebben we genoeg aan de eerste vraag daaruit. “Waartoe zijn wij op aarde?” Het antwoord op deze vraag luidde: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn.” Onder u zijn ongetwijfeld ook mensen aanwezig die een ander antwoord geleerd hebben. Eerder luidde het antwoord namelijk: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hiernamaals gelukkig te zijn.” Het ‘hier’ is midden vorige eeuw toegevoegd. Daarvoor ging het enkel om het geluk in het hiernamaals. Tegenwoordig beschouwen we ook het aardse geluk als een deel van de bestemming van het leven.

Dat lijkt een kleine verandering: de toevoeging van het woord ‘hier’. En velen zullen het destijds ook zo beleefd hebben. Zo’n verandering verandert niet onmiddellijk het denken van mensen. Zij sijpelt heel langzaam door en pas na enige tijd zie je dat de mensen anders in het leven staan. Tegenwoordig zul je het niet meer in je hoofd halen om iemand die in financiële nood is te troosten met het idee dat het later in de hemel allemaal goed komt.

Jezus verkondigt aan armen de Blijde Boodschap. Blinden zien, lammen lopen, melaatsen genezen, doven horen en doden staan op. De lichamelijke problemen lost Jezus op. En de armen? Worden die hier toch met een kluitje het riet ingestuurd? Zij moeten het doen met de Blijde Boodschap. Nergens lees je dat Jezus echt iets aan hun situatie doet. Geldt voor de armen dan toch dat zij moeten wachten op het geluk in het hiernamaals? Jesaja schetst ons een beeld van vrede, welzijn en gerechtigheid voor iedereen.

Ook Jezus heeft het regelmatig over gerechtigheid, maar het oplossen van misstanden, het oplossen van armoede en onrechtvaardige situaties laat Hij blijkbaar aan anderen over. Jezus roept op tot naastenliefde, solidariteit en gerechtigheid en het zijn zijn leerlingen die daar daadwerkelijk mee aan de slag gaan. In de Handelingen van de Apostelen kunnen we lezen hoe de eerste leerlingen alles met elkaar delen. De geschiedenis van de vroege Kerk leert ons hoe het christendom een nieuwe manier van denken brengt. Het gaat niet langer om het recht van de sterkste. Het nieuwe denken van het christendam houdt in dat mensen naar elkaar omzien. Gaandeweg tot op de dag van vandaag heeft deze nieuwe manier van denken steeds meer invloed gekregen. Onder andere onze huidige sociale wetgeving is er het resultaat van.

Het Rijk Gods is niet alleen een belofte voor een toekomstig leven. Het Rijk Gods gaat niet alleen over het leven in het hiernamaals. Het Rijk Gods gaat ook over het leven hier op aarde. Het Rijk Gods gaat ook over ons leven van dag tot dag. De belofte van het Rijk Gods betekent dat God wil dat wij gelukkige mensen zijn hier en in het hiernamaals. Door zieken te genezen en doden te laten opstaan, laat Jezus dat zien. Maar Jezus betrekt ook ons erbij. Ook wij krijgen de opdracht te werken aan het Rijk Gods. Wij worden opgeroepen de dingen te doen waartoe wij in staat zijn. Wij worden opgeroepen tot daden van liefde: hongerigen voeden, dorstigen laven, zieken bezoeken et cetera. Ook worden wij opgeroepen om een rechtvaardige en vredige samenleving tot stand te brengen.

In deze tijd wordt onze aandacht gevraagd voor de Adventsactie. Dit jaar wordt onze steun gevraagd voor de opvang van jonge kinderen die vanuit Venezuela zijn gevlucht naar Lima, de hoofdstad van Peru. Meer dan twee miljoen mensen zijn naar Peru gevlucht. Zij wonen in primitieve omstandigheden en leven veelal van straatverkoop. Jonge kinderen zijn in deze situatie het meest kwetsbaar.

Gerard Reve schreef ooit: “Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?” De belofte van het Rijk Gods maakt ons soms ongeduldig. Dood, ellende, pijn en verdriet verdwijnen niet uit onze aardse werkelijkheid. Ze maken wezenlijk deel uit van onze aardse bestaan. Daarnaast geeft God ons de middelen om mee te werken aan een betere wereld. Wij mogen daarmee onze bijdrage leveren aan zijn Koninkrijk en eens zullen wij leven in zijn Rijk van vrede en geluk. Amen.

De vreugde van het Evangelie; Js 11,1-10; Mt 3,1-12

Waar preek je over als je je koperen jubileum viert. Drie weken geleden hoorde ik onze bisschop bij de diakenwijding spreken over de zware taak van het diaconaat. Deze woorden worden gebruikt aan het begin van de wijdingsplechtigheid. Zij die er destijds bij waren, zullen zich dat natuurlijk nog herinneren en waarschijnlijk dachten ze: waar begint hij aan? De huidige bisschop vertelde, dat dit geen oproep is tot medelijden want een diaken doet zijn werk met de hulp van de Heer. Nu snapt u ook hoe het komt dat ik met een zekere lichtheid, opgewektheid en zorgeloosheid mijn leven leidt en mijn werk doe.

Wat wil een mens nog meer dan weten dat er iemand van je houdt, dat er iemand is dat die wil dat je gelukkig wordt en daar ook voor zorgt? Dat is de kern van de boodschap waarmee ik op pad ben gestuurd. Dit ontslaat ons mensen niet van onze eigen verantwoordelijkheid. Liefde vraagt ook om een antwoord. Onbeantwoorde liefde houdt geen stand. Liefde kan je niet onverschillig laten.

Toen ik afgelopen week naar de lezingen van vandaag keek, viel mij het begin van de eerste lezing op. “De geest van de Heer zal op hem rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren, en deze vreze des Heren zal hij uitstralen.” Aan het begin van zijn openbare leven heeft Jezus deze woorden op zichzelf betrokken. Maar Hij deed dit niet exclusief. Hij beperkte het niet alleen tot zichzelf. Sterker nog aan het einde van zijn leven belooft Hij ons de heilige Geest. De heilige Geest is onze Helper.

Met ons Doopsel en Vormsel ontvangen wij de hiergenoemde gaven van de heilige Geest. Het is zoals Johannes de Doper over Jezus verkondigt: “Hij die na mij komt, (…) zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.” Dit is er wat er bij ons Doopsel en Vormsel gebeurt. Wij worden niet alleen gedoopt met water, maar ook met de heilige Geest. Bij de diakenwijding wordt dit nog eens lichtjes overgedaan. Opnieuw bidt de bisschop dat de wijdeling de gaven van de heilige Geest mag ontvangen om zo zijn werk als diaken te kunnen verrichten.

Johannes de Doper kondigde de komst van Jezus aan. Zou zijn aanpak ook vandaag tot resultaten leiden? Johannes de Doper is een boeiend iemand: lekker radicaal, flinke uitspraken en grote woorden. Ook in zijn gedrag is hij bijzonder met een kleed van kameelhaar en het eten van sprinkhanen en wilde honing. Wilde honing lijkt me niet slecht. Sprinkhanen zijn minder aantrekkelijk. Overigens is het eten van insecten nu ook in onze streken in opkomst. Ik heb ze een keer gekocht en wij hebben ze ook gegeten. Ze smaken niet slecht, maar het mondgevoel is minder aantrekkelijk. In Wageningen wordt hier gelukkig nog hard aan gewerkt. Mogelijk wordt Johannes de Doper op deze manier nog een echte trendsetter. Wat onze kleding betreft: de pastoor koos voor deze gewaden. Ik weet niet of hij nog aan kleden van kameelhaar heeft gedacht. Ik in ieder geval niet. Ik houd niet van gekriebel. Zes jaar geleden schreef paus Franciscus in Evangelii gaudium: “Een evangelist moet er nooit uitzien alsof hij net van een begrafenis is teruggekeerd!” Het Evangelie verkondigen is een vreugdevolle bezigheid. Dat mag ook uit onze kleding blijken.

Het woord vreugde keert steeds weer terug in die brief aan alle katholieken. “Niemand moet denken dat deze uitnodiging niet voor hem of haar bedoeld is, want niemand wordt uitgesloten van de vreugde die door de Heer wordt gebracht.” Aldus de paus. Het doel van zijn brief omschrijft Franciscus met: “In deze exhortatie wil ik de christenen aanmoedigen deel te nemen aan een nieuw hoofdstuk van evangelisatie dat gekenmerkt wordt door deze vreugde.” Hij wil nieuwe wegen voor de Kerk aangeven. Het duurt natuurlijk altijd even voordat dan iedereen op gang komt. Maar ondertussen hebben wij hier ter plekke een eerste stap gezet met ons nieuw pastoraal beleidsplan: “Als leerling het Evangelie leven”. Ik hoop echt dat het ons lukt op deze weg stappen te zetten en een nieuwe toekomst in te gaan. Iedere christen heeft de opdracht als leerling van Jezus op weg te gaan en zonder aarzeling, tegenzin of angst het Evangelie te verkondigen aan iedereen op alle plaatsen en bij alle gelegenheden en ieder op de manier die bij hem past.

Op zich spreekt de radicaliteit van Johannes de Doper mij wel aan, maar ik denk niet dat het werkt als we de mensen om ons heen uitmaken voor “adderengebroed”. De mensen van tegenwoordig zijn niet te vergelijken met de toehoorders van Johannes de Doper. De mens van tegenwoordig kan zich vaak niet voorstellen dat het mogelijk is dat iemand anders dan jezelf jou gelukkig kan maken. Mensen denken vaak dat ze daar echt helemaal alleen voor staan. Eigen zelfgerichtheid maakt het onmogelijk te denken, dat iemand anders zich kan richten op jouw geluk en ook een liefhebbende God raakt daarmee geheel buiten beeld.

Ons mensbeeld en ons beeld van hoe de wereld in elkaar steekt, kan ons behoorlijk in de weg zitten. Te absolute beelden beperken ons voorstellingsvermogen en onze vrijheid van denken. Het loslaten van absolute denkbeelden is niet eenvoudig. Het is het loslaten van zekerheden. Het is ook aanvaarden van complexiteit en van niet kunnen weten. We zien om ons heen hoe moeilijk dat in de politiek is. Simpele en heldere standpunten en ideeën zijn aantrekkelijk. Daarbij is het niet eens nodig dat ze overeenkomen met de werkelijkheid en ook niet dat ze bijdragen tot een betere wereld.

En dan komen wij met “de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren”. Toch ben ik er van overtuigd de liefde sterker is dan alle materiële en ingebeelde zekerheden van tegenwoordig. Geloof en liefde vormen de basis voor vertrouwen, niet voor zekerheden. Zelfs rotsvast vertrouwen leidt niet tot een objectieve zekerheid. Geloof en liefde vormen ook niet de basis voor de wetenschap. Daar wordt naar andere waarheden gezocht. En dat is een goede zaak.

Onze Blijde Boodschap van de liefde kan mensen in hun hart treffen. Bij elke uitvaart zie ik weer hoe de liefde het alles overheersende thema is. Het gaat altijd over de liefde van en voor de overledene. Al het andere valt dan weg. Het mag genoemd worden, maar is niet echt belangrijk. Het is ook de liefde die maakt dat een niet voortleven onvoorstelbaar is. Het is aan ons om de liefde, de liefde van God voor de mensen en liefde van de mensen voor elkaar zichtbaar te maken in onze wereld. Dat vraagt om woorden en daden van liefde. Daarover moeten we ook het gesprek met de huidige seculiere cultuur aangaan. Dat is de vreugdevolle taak waaraan ik graag mijn bijdrage lever. Amen.

Eerste hulp bij katholieke begrippen

Auteurs: Eric van den Berg, Frank G. Bosman en Peter van Zoest
Titel: Eerste hulp bij katholieke begrippen
Uitgever:
Berne Media, 2019
Prijs: € 16,90
ISBN: 978-90-8972-323-9
Aantal pagina’s: 192

Weet u wat een croceferarius of een fanon is en waarom bepaalde feestdagen roerend worden genoemd? U vindt het allemaal en nog veel meer katholiek begrippen in dit handzame boekje. Op een zeer toegankelijke wijze hebben de auteurs allerlei begrippen uit het katholieke leven op een rijtje gezet en toegelicht. Ze hebben het duidelijk eenvoudig willen houden en zijn daardoor wel eens wat erg kort door de bocht. Desondanks is het een praktisch naslagwerkje geworden.

Het boek is ontstaan naar aanleiding van het opvallend gebrek aan kennis dat vele journalisten op dit gebied vertonen. Eenmaal bezig ontdekten de schrijvers de omvang van de schat aan katholieke begrippen waarvan vele ook voor ingewijden onbekend zijn. In totaal worden meer dan achthonderd woorden in dit boek toegelicht.

Waar vinden we nog hoop? Lc 21,5-19

Jezus spreekt over het einde der tijden. Je wordt niet blij van zijn voorspellingen. Het klinkt dreigend en onheilspellend. “Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen hevige aardbevingen zijn, en hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en aan de hemel geweldige tekenen.”

Ook in onze tijd wordt er bij tijd en wijle op onheilspellende wijze over de toekomst van de mensheid en van onze aarde gesproken. Denk aan de klimaatveranderingen, het uitputten van de aarde en het verlies aan biodiversiteit. Ook politieke ontwikkelingen kunnen ons angst aan jagen. Zaken als toenemend populisme, radicalisering, autoritaire leiders stemmen je niet hoopvol wat de toekomst betreft.

Voor een deel hebben we invloed op onze toekomst. Wij zijn het zelf die onze politieke leiders kiezen. Als consument bepalen we zelf wat we wel en niet kopen en op welke wijze we zorg dragen voor het behoud van de schepping. Ook met onze manier van spreken hebben we dagelijks invloed op onze toekomst. Scheppen we een sfeer van hoop en vertrouwen of huilen we mee met de wolven in het bos? Toch is onze invloed op de toekomst slechts beperkt. De toekomst komt op ons af. We hebben er enige invloed op en kunnen ontwikkelingen gedeeltelijk voorspellen, maar uiteindelijk hebben we onze toekomst niet in eigen hand.

Dat betekent dat we een manier moeten vinden om met de toekomst om te gaan. Wat de toekomst voor ons betekent, wordt mede bepaalt door hoe wij ons verhouden ten opzichte van wat ons gebeurt. We kunnen de ontwikkelingen ontkennen. We kunnen onze kop in het zand steken en doen alsof er niets aan de hand is. We kunnen er fatalistisch vrolijk op los leven onder het motto na ons de zondvloed. We kunnen vol angst en pessimisme wegduiken, bij de pakken neerzitten en zwelgen in somberheid.

In de tekst van vandaag sluit Jezus af met: “Geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.” Ondanks alle verschrikkingen houdt Jezus ons voor dat we hoopvol moeten zijn en standvastig moeten blijven vertrouwen op God. Telkens zal er nieuw leven zijn en wordt ook ons nieuw leven geschonken. Dat is de hoop van waaruit wij mogen leven. God zal tenslotte alles ten goede keren. Ook al gaat de tempel met al zijn schoonheid verloren, ook al wordt Jeruzalem met haar machtige muren verwoest, dat betekent nog niet het einde van de wereld. Ook na grote natuurrampen blijkt er altijd weer nieuw leven mogelijk. Ook Jezus’ eigen dood bleek niet het einde, maar door zijn verrijzenis was het juist een nieuw begin. Uiteindelijk zijn wij met de gehele mensheid op weg naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Die weg heeft Jezus met zijn leven en zijn dood voor ons geopend. Hijzelf is onze weg en ons leven.

Als wij leven vanuit die hoop vervallen we niet tot ontkenning, niet tot fatalisme en niet tot angst en pessimisme. Leven vanuit de hoop betekent ook dat we blijvend onze verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst van de mensheid en van heel de schepping. De hoop doet standvastig zijn en doet ons blijven vertrouwen. Door onze eigen hoop en vertrouwen blijven we ook getuigen van Gods liefde voor ons en voor alle mensen. Als leerlingen van Jezus getuigen we van Hem en van de Blijde Boodschap die Hij verkondigt.

Door ons vertrouwen op God getuigen we zonder angst ook al weten we dat onze getuigenis niet door iedereen op prijs wordt gesteld, ook al weten we dat onze getuigenis ook verdeeldheid zal veroorzaken en tot bespotting en vervolging kan leiden. Door ons vertrouwen op God hoeven we ook niet bang te zijn dat we niet zullen weten wat we moeten zeggen, dat we met de mond vol tanden staan als mensen ons het vuur na aan de schenen leggen. Het is de heilige Geest die in ons spreekt, het is altijd Jezus zelf die ervoor zorgt dat wij de woorden zullen vinden die op dat moment nodig zijn. Het is uiteindelijk altijd Jezus zelf die van Gods goedheid getuigt. Het is Jezus zelf die Gods liefde voor de mensen verkondigt. Wij mogen Hem daarbij vol vertrouwen van dienst zijn. Amen.

Sint Martinus; Js 61,1-2a; Mt 25,31-40

Als we alle verhalen over Martinus op een rijtje zetten, zien we dat hij steeds meer op Jezus gaat lijken. Hoe hij gaandeweg een echte leerling van Jezus wordt. Een belangrijke stap van Martinus op deze weg van leerling van Jezus worden, is het delen van zijn mantel met de bedelaar.

De jonge officier in het leger van Romeinse keizer voelde zich al aangetrokken door de verhalen over Jezus. Hij had kennisgemaakt met het christelijk geloof en was doopleerling geworden. Maar in die tijd was het heel normaal dat je jarenlang doopleerling was. Met de Doop werden je zonden vergeven. Daarna gedane zonden raakte je veel moeilijker kwijt. Zeker voor een militair was het niet eenvoudig om geen zonde te doen. Het Sacrament van Boete en Verzoening kende men toen nog niet.

En dan ziet Martinus die bedelaar bij de poort van Amiens zitten. Intuïtief weet hij dat hij iets moet doen en hij geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar. Zeer waarschijnlijk kende Martinus het vandaag gelezen Evangelieverhaal, maar heeft hij zich geen enkel moment gerealiseerd, dat hij met het weggeven van de helft van zijn mantel deed wat Jezus hier van ons vraagt. In een droom verschijnt dan Jezus aan Martinus met de helft van de mantel om zijn schouders. Nu realiseert Martinus zich wat er werkelijk gebeurd is. In de persoon van deze bedelaar heeft Jezus hem geroepen.

Met deze roeping wordt er een fundament onder zijn handelen gelegd. Martinus wilde een goed mens zijn en hij had ook zeker een idee van de manier waarop hij dat zou kunnen zijn. Jezus maakt hem nu duidelijk waarop het goed zijn gebaseerd is. Het wordt nu voor Martinus duidelijk dat Jezus zelf dit fundament is. Jezus zelf is de bron van de liefde waaraan hij zich mag laven. Jezus is de bron van liefde van waaruit Martinus kan en mag leven. Het is ook Jezus die van zichzelf zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Vanaf dit moment is het voor Martinus helder. Hij verbindt zijn leven met dat van Jezus. Hij wordt een echte leerling van Jezus. Hij laat zich dopen en hij verlaat het leger. Gaandeweg zijn leven zal hij steeds meer op Jezus gaan lijken.

De weg die Martinus is gegaan, wordt ons vandaag als voorbeeld voorgehouden. Ook wij zijn geroepen om leerlingen van Jezus te zijn, ons leven met dat van Jezus te verbinden en om steeds meer op Jezus te gaan lijken. Ook wij zijn geroepen om op deze wijze goede en gelukkige mensen te zijn. De geest des Heren, de heilige Geest rust niet alleen op Jezus: de heilige geest was er ook voor Martinus en is er ook voor ons.

Vandaag is er een inzameling voor de voedselbank. Het zijn de huidige mensen in nood met wie wij onze welvaart mogen delen. Het is een concrete wijze van hongerigen te eten geven en dorstigen te laven. Ook vandaag is Jezus in en onder hen aanwezig. Hij zal zich altijd om de mens in nood bekommeren en zich met hen vereenzelvigen. Als wij ons laten raken door de nood van onze medemens en daarnaar handelen, leven we niet alleen naar het voorbeeld van Jezus Christus. In de mensen in nood ontmoeten wij ˗ net als Martinus ˗ werkelijk Jezus. Zo groeien we uit tot echte leerlingen van Jezus en zijn we hier en hierna gelukkig.

Sint Martinus is niet alleen ons voorbeeld. Hij is ook onze voorspraak. Wij mogen de hulp van Sint Martinus inroepen met de woorden die achter in de kerk op de balustrade geschreven staan: “Gij die uw mantel hebt gedeeld, bekleed ons met gerechtigheid.” Amen.

Geroepen worden; 2 Tes 1,11-2,2; Lc 19,1-10

Zacheüs voelt zich aangetrokken tot Jezus. Hij wil Hem zien. Hij wil Hem horen. Maar hoe moet hij met Jezus in contact komen? Hij is klein. Hoe val je dan op? Van de andere kant: Zacheüs wil helemaal niet opvallen. Hij weet dat de mensen hem niet mogen en dan geeft opvallen al gauw een hoop gedoe. Zacheüs verstopt zich in een boom. Vandaaruit kan hij ongezien Jezus voorbij zien komen.

Dan neemt het verhaal plotseling een onverwachte wending. Het initiatief ligt helemaal niet bij Zacheüs. Het initiatief blijkt bij Jezus te liggen. Het is Jezus die Zacheüs persoonlijk roept. Jezus kent zelfs zijn naam. Het is zelden dat er een naam genoemd wordt van mensen die Jezus ontmoeten. Jaren later kent Lucas deze naam nog. Je zou hieruit kunnen afleiden dat Zacheüs behoort tot de groep van de eerste christenen en dat zijn bekering niet van korte duur is geweest. Dat Jezus nu uitgerekend bij Zacheüs te gast moet zijn, is voor de omstanders tamelijk onbegrijpelijk. Vlak voor zijn aankomst in Jericho had Jezus nog een blinde genezen. Iedereen had het gezien en prees God. En dan nu dit. Jezus neemt zijn intrek bij deze zondaar. Dat is toch ongehoord. Zoiets doe je toch niet. Die man is totaal onwaardig voor zo’n roeping.

Ook voor Paulus is dit een punt. Paulus kent de mensen. Hij weet hoe zij denken. Als iemand zich niet gedraagt naar zijn roeping is hij ongeloofwaardig. Daarom bidt Paulus tekens opnieuw tot God dat de christenen van Tessalonica hun roeping waardig mogen zijn. Paulus bidt voor hen dat hun goede voornemens en hun daden van geloof door God tot volkomenheid worden gebracht. Hij bidt dat hun geloof werkelijk zichtbaar is in hun daden en hun gedrag. Alleen dan zal de Naam van Jezus verheerlijkt worden. Paulus bidt dat zij werkelijk leerlingen van Jezus zullen zijn.

Blijkbaar maakt Jezus zich hierover helemaal geen zorgen. Hij weet dat Zacheüs een zondaar is en dat de mensen hem niet mogen. Hij bevestigt dit ook door te zeggen: “De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en om te redden wat verloren was.” Maar ondertussen zien we ook wat de roeping van Zacheüs met Zacheüs doet. Hij doet een opmerkelijk uitspraak: “Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen en als ik iemand iets afgeperst heb geef ik het hem vierdubbel terug.” De roeping door Jezus brengt Zacheüs werkelijk redding. Hij was verloren maar Jezus heeft hem gered: hij is een ander mens geworden; zijn huis is werkelijk heil ten deel gevallen. Het heil dat Zacheüs overkomt, is niet alleen het eenmalige bezoek van Jezus. Het heil dat Zacheüs ten deel is gevallen, is zijn bekering. Door de roeping van Jezus is Zacheüs een ander mens geworden: een leerling van Jezus. God is hem werkelijk genadig geweest.

Wat er met Zacheüs gebeurt, gebeurt ook met ons. Wij zijn met ons Doopsel en met ons Vormsel allemaal door Jezus geroepen om zijn leerling te zijn. Dat betekent dat ook ons net als Zacheüs heil ten deel valt. Ook onze roeping betekent dat God ons genadig is: God geeft ons zijn genade om ons telkens weer te kunnen bekeren. Elke keer als wij onze roeping niet waardig zijn, geeft Hij ons de genade om ons leven te beteren.

Leerling van Jezus zijn betekent ook dat wij op onze beurt geroepen zijn anderen tot leerling te maken. En ook op dit vlak hebben de lezingen van vandaag ons veel te zeggen. Wij hoeven de mensen niet vooraf te beoordelen op hun gedrag en hun waardigheid. Wij hoeven ons daarover geen zorgen te maken. Dat deed Jezus ook niet bij Zacheüs. Het gaat erom mensen op het pad van de redding te brengen. Juist mensen die verloren zijn hebben redding nodig. Dat begint ermee iedereen met liefde te benaderen, onze deuren voor hen te openen en hen op te nemen in onze gemeenschap, ook de mensen die de weg kwijt zijn, ook zij die zich niet goed gedragen. We mogen niemand vooraf afschrijven, niemand vooraf uitsluiten. Door mensen over Jezus te vertellen geven we hen een kans om Jezus te ontdekken en te ontdekken dat er ook voor hen redding is. Als zij zich werkelijk geroepen weten door Jezus, zullen ze net als Zacheüs het heil en de genade die God geeft, ervaren.

De zorgen van Paulus over het gedrag betreft niet de mensen die nog bekeerd moeten worden, het betreft de mensen die al bekeerd zijn. De zorgen van Paulus betreft mensen zoals wij. Voor ons bestaat het gevaar dat we afdwalen en onze goede bedoelingen niet meer tot een goed einde brengen, waardoor we onze geloofwaardigheid als leerlingen van Jezus verliezen. Wij hebben het nodig dat we met enige regelmaat bij de les worden gehouden. Wij hebben het nodig dat we gewaarschuwd worden voor valse profeten. Wij hebben het nodig dat we voor elkaar blijven bidden. Amen.

Dankbaarheid; 2 K 5,14-17; Lc 17,11-19

Dankbaar zijn. Dat valt nog niet mee! En blijkbaar is dat niet alleen tegenwoordig zo. Als wij naar de lezingen luisteren is het van alle tijden. Jezus maakte dit tweeduizend jaar geleden mee. De profeet Elisa leefde nog zo’n achthonderdvijftig jaar eerder. In beide verhalen wordt het gebrek aan dankbaarheid nog eens benadrukt, doordat het een vreemdeling is die wel dankbaar. In de eerste lezing is het de Syriër Naäman die dankbaar is en in het Evangelie is het een Samaritaan.

Dankbaarheid vraagt blijkbaar nogal wat van mensen. Om te beginnen moet je accepteren dat een ander iets voor jou doet. De ander doet iets voor jou of geeft iets moois of iets dat je goed kunt gebruiken. Het kan ook zijn dat er iets aardigs tegen je gezegd wordt of misschien is het alleen maar gebaar of een glimlach. Het is de ander die jou ziet staan en iets voor je doet. Dat cadeau kun je dankbaar ontvangen, maar je kunt ook reageren met woorden als: dat had je niet moeten doen.

Dat laatste zeg je misschien omdat je denkt dat nu de ander iets schuldig bent, want ‘voor wat hoort wat’. Het geven is dan onderdeel van wederkerige afhankelijkheid, waarbij het van groot belang is dat het evenwicht tussen beide partijen blijft bestaan. Dit is een prima mechanisme als je met elkaar zaken doet of wanneer staatshoofden bij elkaar op bezoek gaan. maar daar gaat het vandaag niet over.

Vandaag gaat het om een ontvankelijkheid voor cadeaus die je niet met gelijke munt kunt terugbetalen. De voorbeelden uit de lezingen zijn genezingen van melaatsheid een destijds ongeneselijke ziekte. Het gaat hier om daden van liefde. Ieder cadeau in welke vorm dan ook dat gegeven wordt uit liefde, is een onbetaalbaar geschenk. Bij dergelijke cadeaus gaat het niet om de inhoud van het geschenk maar om de intentie waarmee het gegeven wordt. Daarmee geeft de ander iets van zichzelf weg. Natuurlijk kun je dit beantwoorden met iets aardigs terug te doen, maar het belangrijkste antwoord is dankbaarheid. Zonder die dankbaarheid is een liefdevol antwoord niet mogelijk.

Alleen de liefde voor elkaar maakt het mogelijk elkaar werkelijk als gelijkwaardige mensen te zien en van elkaar afhankelijk te durven zijn en elkaar niet als middel maar als een doel te zien. Een zakelijke transactie kan enkel gaan om het nut en de opbrengst, maar het kan daarnaast ook een daad van liefde zijn. Als ik bijvoorbeeld de toewijding van de bakker, de slager of de groenteboer zie, dan weet ik dat hun werk om meer gaat dan nut en opbrengst, dan weet ik dat zij echt willen dat ik gelukkig wordt door hun mooie product.

Liefde maakt het niet alleen mogelijk belangeloos te geven. Liefde maakt het ook mogelijk zonder vrees te ontvangen en je werkelijk afhankelijk op te stellen. Liefde maakt je vrij van ‘voor wat hoort wat’. Liefde kent geen verplichtingen. Liefde brengt je vanzelf tot de daden van liefde. Jezus heeft ons de liefde voorgeleefd. Hij ging in zijn liefde voor ons tot het uiterste toe. In zijn leven wordt God voor ons zichtbaar: de God die liefde is. Vandaag horen hoe Hij zich afvraagt, waarom niet iedereen dankbaar is.

Dankbaarheid is ook een daad van liefde. Het is een bevestiging van de liefde die ontvangen is en geeft aan dat de liefde wederzijds is. Dankbaarheid is een liefdevol antwoord op een daad van liefde. Jezus verbindt de dankbaarheid met geloof. Hij zegt tegen de Samaritaan: “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.” Ook bij Naäman zien we dat dankbaarheid en geloof samengaan. Hij wil voortaan alleen nog aan de God van Israël offers opdragen.

Jezus navolgen, zijn leerling willen zijn vraagt van ons ook deze weg te gaan: de weg van geloof, van liefde en van dankbaarheid. Deze weg stelt ons in staat ons aan elkaar toe te vertrouwen. Zij stelt ons in staat ons leven in Gods handen te leggen. Amen.

Bergen verzetten; 2 Tim 1,6-8.13-14; Lc 17,5-10

Jezus zegt dat een zelfs een klein geloof bergen kan verzetten. Hij zegt: “Als ge een geloof hadt als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: ‘Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee’ en hij zou u gehoorzamen.” Het is niet dat de leerlingen niet geloven, maar ze willen graag een geloof dat is zich uit in zichtbare daden. Ze vragen om geloofskracht waarmee ze wonderen kunnen verrichten om op die manier imponerend en overtuigend naar buiten kunnen treden. Eerlijk gezegd, dat lijkt mij ook wel wat. En dan komt Jezus met deze uitspraak. Blijkbaar is ons geloof voldoende, maar durven we het niet aan het op een dergelijke manier te gebruiken. Ik ben ook echt niet van plan het uit te proberen.

Paulus benadert de zaak van een andere kant. Hij heeft het in verband met het geloof over schaamte en lijden. Ik vind Paulus een fascinerende man. Zijn brieven zijn zeker niet makkelijkste teksten uit de Bijbel, maar wel zeer de moeite waard. Vaak zijn het teksten waar je even op moet kauwen. Ze geven je stof tot nadenken. Afgelopen week ben ik begonnen met het lezen van een levensbeschrijving van de apostel Paulus. Dit boek van Tom Wright is onlangs in het Nederlands vertaald. U zult mij daar de komende tijd vast nog wel eens over horen.

Paulus leeft in een tijd waarin men al snel bang is voor gezichtsverlies. Lijden, ziekte en verminking geven je bepaald geen status. Verkondigen dat iemand die aan het kruis gestorven is, de redder van de wereld is, is gewoon beschamend. Wat dat betreft verschilt de tijd waarin wij nu leven, weinig van die tijd. Ook tegenwoordig draait het om succesvol zijn, gezond zijn en er goed uitzien. Het liefst tonen wij ons aan de wereld op een wijze waarbij iedereen van jaloersheid in elkaar krimpt. Lijden en afhankelijkheid passen niet in dat beeld. Welke zwakkeling maakt zichzelf afhankelijk van een onzichtbare God?

Paulus zegt ons dat we ons niet moeten schamen voor ons geloof. Wij moeten ons niet schamen voor onze zwakte. De bespottingen en het lijden dat het ons oplevert, hebben wij te dragen. Wij mogen ons gedragen en gesteund weten door de liefde van Christus en de hulp van de heilige Geest die in ons woont. Paulus heeft in zijn leven ervaren dat geloven en lijden vaak hand in hand gaan. Hij heeft geleerd van alles wat hem is overkomen en ziet zijn eigen zwakheid juist als zijn kracht. Elders schrijft hij: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen. (…) Als ik zwak ben, dan ben ik sterk.”
(2 Kor 12,9-10)

Paulus weet dat Timoteus een gelovig man is. Hij herinnert hem eraan hoe hij Gods genade heeft ontvangen. Paulus zelf heeft hem de handen opgelegd. Ook ons is een aantal keren de handen opgelegd: bij ons Doopsel en bij ons Vormsel en bij een enkeling bij de Wijding. Ook wij hebben Gods genade ontvangen: een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Ook in ons brandt het vuur van Gods genade. Ook van ons wordt verwacht dat we dat vuur brandend houden, aanwakkeren en oppoken en ons niet door angst te laten weerhouden. Zo mag ieder van ons getuigen van onze Heer en bijdragen aan de verkondiging van het Evangelie.

Terug naar de leerlingen en hun vraag om geloof dat bergen kan verzetten. Jezus maakt met de gelijkenis over de knecht en de landheer duidelijk dat het bij geloofsdaden niet gaat om spectaculaire zaken. Het gaat om alledaagse daden van geloof, waarmee je niet direct applaus boekt en dat moet je ook niet verwachten. Het geloof is er niet om succesvol te zijn. Het geloof maakt je niet tot een beroemdheid. Het gaat juist om groot te zijn in het kleine. Het geloof brengt je tot daden van liefde. Vaak zullen die voor velen onopvallend en onzichtbaar zijn.

En toch zijn het juist deze daden van liefde die bergen doen verzetten. Niet in de ogen van de wereld, maar in de ogen van de enkele medemens. Hoeveel vreugde kun je niet brengen met steun aan een mens in nood? Hoeveel blijdschap met aandacht voor een zieke of eenzame medemens? Hoe bevrijdend kan een bemoedigend woord zijn en hoe verlossend een simpele glimlach? Ook al worden we regelmatig door twijfel overmand, ons geloof is werkelijk groot genoeg om heel liefdevol bergen te verzetten en op die wijze te getuigen van de verrezen Heer. Amen.