Spring naar inhoud

Liefde en genade zijn; 1 Kor 12,31-13,13; Lc 4 21-30

Afgelopen vrijdag zag ik op Facebook een cartoon die mij aansprak. Het is een afbeelding van een groepje mensen die allemaal een Bijbel in hun hand hebben. Tegenover hen staat Jezus. Jezus zegt tegen hen: “Het verschil tussen mij en jullie is dat jullie de Bijbel gebruiken om te bepalen wat liefde betekent, terwijl ik de liefde gebruik om te bepalen wat de Bijbel betekent.” Zo’n cartoon kun je natuurlijk op allerlei manieren interpreteren. Een mogelijke interpretatie die bij mij opkwam, is dat het niet gaat om de letter om de geest van de wet.

Waar ik vandaag echter bij stil wil staan, is de rol van de liefde, de betekenis van de liefde in ons christelijk leven. Op basis van de cartoon kan de volgende vraag gesteld worden. Moeten we uit de Bijbel leren wat liefde is of is de liefde aangeboren? Uit de cartoon kunnen we concluderen dat liefde aangeboren is. Je hebt de Bijbel niet nodig om te weten wat liefde is. Je hebt de liefde al en juist daardoor kun je de Bijbel lezen en begrijpen.

God is liefde en wij zijn naar zijn beeld geschapen. De liefde is ons aangeboren. Het is een van de talenten die ons gegeven zijn. Paulus heeft het in zijn brief over de gave van de liefde. De ons gegeven talenten en gaven moeten wij zelf verder ontwikkelen. We moeten ze vruchtbaar maken in ons leven en gebruiken om anderen gelukkig te maken. Paulus helpt ons daarbij door uit te leggen hoe liefde zich uit en wat liefde allemaal kan doen. Liefde is aangeboren, maar het gaat nog verder dan dat alleen. Liefde wordt ons ook telkens weer opnieuw gegeven. Gods liefde voor ons is overvloedig en eindeloos, en zij is er telkens opnieuw.

We moeten nog even terug naar vorige week zondag. Toen hoorden we Jezus voorlezen uit de profeet Jesaja: “De Geest des Heren is over Mij gekomen, omdat Hij Mij gezalfd heeft. Hij heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.” Jezus betrekt deze tekst op zichzelf. Hijzelf is degene waarover de profeet Jesaja spreekt. “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan.” Om genade en liefde te brengen, is Jezus gezalfd en gezonden. Met de zalving met de Gods Geest heeft Hij genade en liefde ontvangen. Zo is Hij toegerust om zijn opdracht uit te kunnen voeren.

Wij zijn met ons Doopsel en Vormsel gezalfd. Wij zijn op dezelfde wijze als Jezus gezalfd om gezonden te worden. De liefde en de genade die wij van God ontvangen door de sacramenten, maken ons gelijkvormig aan Jezus Christus. Ook wij zijn in staat de Blijde Boodschap met liefde te verkondigen. Zo kunnen ook wij de mensen om ons heen Gods genade laten ervaren.

In plaats van God, zelf brenger van liefde en genade zijn, dat ging de bewoners van Nazaret te ver. Zij waren trots op hun stadsgenoot omdat Hij een goede leraar was. Hij kon goed uitleggen wat er zoal in de Bijbel staat over liefde en genade. Maar zelf een bron van liefde en genade zijn, dat is toch even iets anders. Dan krijg je reacties als ‘doe even normaal, zoon van Josef’ en ‘bemoei je met jezelf’.

Vertellen over wat de Bijbel over liefde en genade te zeggen heeft, is een veilige manier van doen. Het is veilig voor de spreker en het is veilig voor de luisteraar. Je kunt er een goed gesprek over hebben. Je kunt ook ernstig van mening verschillen zonder dat dat de sfeer bederft. Uiteindelijk heb je het over iets dat buiten je staat. Zelf sta niet ter discussie. Dat wordt anders als je zelf een bron van liefde en genade wordt. Dan ben je zelf in het geding. Dan ben je er met heel je wezen bij betrokken. Paulus laat ons zien wat het met je doet, als je de liefde hebt.

Maar dit geldt ook voor degene tot wie jij je richt. Nu is het geen vrijblijvend gesprek meer. Nu zit je elkaar dicht op de huid. Nu wordt de ander aangesproken door iemand die werkelijk om hem geeft. Ook de luisteraar, degene die aangesproken wordt, is nu een betrokkene die iets moet doen. Nu is het niet langer een verstandelijk gesprek. Nu is naast het hoofd ook het hart in het geding. Beide partijen zijn er nu met heel hun wezen bij betrokken en dat maakt de situatie een stuk heftiger en ook emotioneler.

De bewoners van Nazaret werden boos. Dat kan ons ook overkomen. Liefde uitstralen kan als tamelijk irritant worden ervaren. Maar de reactie kan natuurlijk ook positief zijn. Hoe vaak wordt liefde niet met liefde beantwoordt. In dat geval is er een wereld gewonnen, want dan kun je het werkelijk hebben over de Blijde Boodschap en over wat Jezus en God voor je betekenen. Wij allen zijn gezalfd om de Blijde Boodschap met liefde te verkondigen. Wij staan daar niet alleen voor. Jezus heeft ons gezegd dat Hij altijd bij ons zal zijn en dat zijn Geest onze Helper is.

Jezus vertelde niet alleen over liefde en genade. Hij is liefde en genade en Hij vraagt ook ons om liefde en genade te zijn. Amen.

Recht voor ogen; Dt 16,10-20; Lc 4,14-21

Het thema van deze viering is: ‘recht voor ogen’. Het mooie van zo’n thema is, dat het altijd verschillende associaties oproept. Afhankelijk van je eigen positie, van je eigen standpunten en ideeën geef je er een eigen betekenis aan. Al die verschillende betekenissen mogen er zijn. Juist in geloofszaken is het vaak beter de verschillende interpretaties naast elkaar te laten staan, dan elkaar te tent uit vechten om het eigen gelijk. De christenen van Indonesië hebben niet alleen het thema vastgesteld, ze hebben er ook – in hun ogen passende – lezingen bij gezocht. De twee lezingen van vandaag werpen een bepaald licht op het thema ‘recht voor ogen’.

Jezus begint zijn optreden in de synagoge met een tekst uit de profeet Jesaja te lezen: “De Geest van de Heer rust op mij, want hij heeft mij gezalfd.” Jezus betrekt deze tekst op zichzelf. Hijzelf is degene waarover de profeet Jesaja spreekt. ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.’ Met deze tekst geeft Jezus aan, waartoe Hij gezonden is, met welke missie Hij er op uit gestuurd is. In moderne managementtaal kun je zeggen dat dit zijn mission statement is. Het motto voor zijn optreden hier op aarde.

Hij is gekomen om het goede nieuws, de Blijde Boodschap te brengen: Hij verkondigt de bevrijding die God bewerkt. Hij is gekomen om recht te doen aan de zwakkeren en de verdrukten. Jezus presenteert zichzelf als een profeet. Met deze tekst maakt Hij kort en krachtig duidelijk wat Hij zijn hele leven zal doen. Hij is gezonden “Om aan armen het goede nieuws te brengen, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen.”

Ook in de tekst uit het boek Deuteronomium gaat het vooral om het recht doen aan de zwaksten in de samenleving. In eerste instantie zien we hier een merkwaardige verzameling onderwerpen. Het gaat over feesten en over rechtspraak. Twee onderwerpen die wij niet direct met elkaar in verband brengen. Dit is overigens kenmerkend voor het hele boek. De schrijver laat Mozes redevoeringen houden waarin hij uiteenzet op welke wijze het volk Israël moet leven om in het beloofde land vrij te zijn van onderdrukking en van slavernij. De tekst van vandaag sluit af met: “Zoek het recht en niets dan het recht. Dan zult u in leven blijven en mag u het land dat de Heer, uw God u zal geven, in bezit nemen.” Mozes lijkt in onze ogen van de hak op de tak te springen. Er is weinig logica in de volgorde van de onderwerpen te vinden. Voor ons geeft dat een rommelige indruk, maar was dat ook zo voor het volk Israël? Blijkbaar hadden de christenen uit Indonesië er geen last van.

Laten we op een andere manier naar de tekst kijken en er van uit gaan dat de twee onderwerpen met elkaar te maken hebben. Dan heeft de slotopmerking “Zoek het recht en niets dan het recht” ook met de tekst over de feesten te maken. Bij aandachtig lezen komen we er ook achter dat er bij de feesten veel meer over rechten wordt gesproken dan in het tweede gedeelte.

Net als bij Jezus gaat het hier over de rechten van de zwaksten in de samenleving: de kinderen, de slaven, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. Het is hun recht deel te nemen aan de feesten want zij maken deel uit van de gemeenschap. Zij mogen niet buiten gesloten worden. Het is de opdracht van hen die het beter hebben, hier vrijwillig en naar draagkracht voor te zorgen. Zij moeten recht doen aan de zwakkeren binnen de gemeenschap. Het recht van de sterkste is niet met geld en met macht de rechtspraak naar zijn hand te zetten. Het recht van de sterkste is dat hij mag zorgen voor zijn naaste.

In onze cultuur spreken we vooral over mijn rechten, waar heb ik recht op en hoe kom ik tot mijn recht. Dat is niet de taal van de Bijbel. In de Bijbel gaat het niet om mijn recht, maar om het recht van de medemens. Hoe kan ik een naaste zijn voor mijn medemens. Hoe kan ik hem recht doen.

In het boek Deuteronomium wordt het volk van Israël aan hun verblijf in Egypte herinnert: “Bedenk dat u zelf in Egypte slaaf bent geweest.” Met andere woorden je bevoorrechte situatie is niet vanzelfsprekend, mogelijk ben je binnenkort zelf afhankelijk van de steun van anderen. Ook wordt er gedacht in termen van straffen en belonen: “Zoek het recht en niets dan het recht. Dan zult u in leven blijven en mag u het land dat de Heer, uw God u zal geven, in bezit nemen.”

Daarnaast staat de gemeenschap centraal. Het gaat niet om de individuele mens. Het gaat om het geheel. De apostel Paulus heeft het idee gemeenschap en eenheid duidelijk gemaakt met het beeld van het lichaam en de verschillende ledematen. Ook gebruik hij beeld van het lichaam van Christus, waarvan wij de ledematen zijn. Hiermee brengt hij de zorg voor onze medemensen op een hoger plan. Het gaat niet meer straffen en belonen. En het gaat er ook niet om dat het je zelf kan overkomen. Paulus leert ons dat wanneer één lid van de gemeenschap lijdt, de hele gemeenschap lijdt. Hij schrijft: “Wanneer één lichaamsdeel pijn lijdt, lijden alle andere mee; wanneer één lichaamsdeel met respect behandeld wordt, delen alle andere in die vreugde.” (1 Kor 12,26) Paulus leert ons wat barmhartigheid werkelijk is. Hoe barmhartigheid nog verder reikt dan gerechtigheid.

Wij christenen mogen ons deel van het lichaam van Christus noemen. In die zin vormen wij een eenheid in verscheidenheid. Wij allen zijn met Christus verbonden en daardoor met elkaar verbonden. Daarmee mogen we ons echter niet afzonderen van de rest van de wereld. Alle mensen zijn in en door Christus geschapen. Alle mensen zijn kinderen van God. Alle mensen zijn elkaars broeders en zusters. Deuteronomium maakt dit duidelijk door ook de vreemdelingen te noemen. Het gaat niet om eigen volk eerst. Van ons wordt gevraagd een naaste te zijn voor alle mensen en aan alle mensen recht te doen. ‘Recht voor ogen’ is voor ons christenen de opdracht het geluk van onze medemensen na te streven. Amen.

Feest in Kana; Js 62,1-5; Joh 2,1-12

Met de bruiloft van Kana begint in het Evangelie volgens Johannes het openbare leven van Jezus. Daarvoor heeft Hij zich door Johannes de Doper laten dopen en heeft Hij een aantal mannen gevraagd Hem te volgen. Nu bezoekt Hij met zijn leerlingen een bruiloft. Zijn moeder is er ook. Mogelijk was het bruidspaar familie. Kana ligt op een afstand van dertien kilometer van Nazareth. Maria voelt zich duidelijk betrokken bij de gang van zaken.

Met het feest van Driekoningen, het feest van de Openbaring des Heren hebben we Jezus leren kennen als een koningszoon. De wijzen zochten de pasgeboren koning en kwamen Hem hulde brengen. Vorige week vierden we de Doop van de Heer. Hier werd duidelijk dat Jezus de welbeminde Zoon van God is. Vandaag is vieren we het derde moment van openbaring. Driekoningen, de Doop van de Heer en de bruiloft van Kana zijn drie momenten van openbaring die samen een geheel vormen.

Even een weetje. Op de huiszegen die u op Driekoningen is aangereikt, staan drie letters: de C, de M en de B. Deze letters staan voor de namen van de drie koningen, Caspar, Melchior en Balthasar. Ze staan ook voor de zegentekst Christus Mansionem Benedicat, Christus zegene dit huis. Er is nog een derde betekenis die staat voor de openbaring: de C van Cana, de M van Magi en de B van Baptisma, Kana, Wijzen en Doop. De huiszegen doet dus ook denken aan het totaal van de openbaring.

De bruiloft van Kana, het derde moment van openbaring heeft een geheel eigen karakter. Ondergaat Jezus de eerste twee min of meer passief. Nu is Hij actief. In Kana openbaart Hij zichzelf en laat Hij zien wie Hij is. Hij laat zien waarvoor Hij mens geworden is. Hij laat ons zien wie God voor ons is. Hier zien we hoe Jezus deelneemt aan het leven van gewone mensen, aan het leven van de gemeenschap waar ook Hij deel van uit maakt. Anders dan Johannes de Doper trekt Jezus zich niet terug uit de maatschappij. Hij staat midden in het gewone leven. Hij is lid van de gemeenschap. Hij deelt in de vreugde en het verdriet van de mensen en dus gaat Hij naar een bruiloftsfeest waarvoor Hij uitgenodigd is.

Jesaja maakt duidelijk dat de liefde tussen man en vrouw ook symbool staat voor de liefde van God voor de mensen. “Zoals een jongen zijn meisje trouwt, zal Hij die u opbouwt, u trouwen; en zoals een bruidegom zicht verheugt in zijn bruid zal uw God zich verheugen in u.”

Wijn is een symbool van vreugde. Wijn wordt er geschonken als het feest is. Anders dan in onze afgemeten en vaak zuinige cultuur hoort in de meeste culturen bij een feest niet alleen wijn maar ook overvloed. Jezus laat hier zien dat God in het geheel niet zuinig en afgemeten is. Wat dacht u van zeshonderd liter wijn, terwijl de gasten blijkbaar al het nodige gedronken hadden. Het lijkt mij niet dat ze die hoeveelheid wijn die dag nog opgedronken hebben. Jezus laat hier zien dat Gods liefde voor ons overvloedig is en geen grenzen kent. Gods liefde en genade zijn mateloos. Zoals Jesaja schrijft ze zijn zo overdadig dat zij ons geheel omvormen. Wij zijn niet meer de Verlatene. Door Gods liefde voor ons worden wij zijn Welbehagen. God is voortdurend op zoek naar het geluk van de mensen. Voortdurend staat Hij voor ons klaar met zijn liefde en genade.

Jezus laat ons vandaag zien dat we hoe dan ook het beste nog te goed hebben. De beste wijn heeft Hij voor het laatst bewaard. Het beste deel van ons leven ligt altijd nog voor ons. Als wij ons leven werkelijk in de hand van de Heer leggen, dan worden ook wij – met de woorden van Jesaja – gekroond met een flonkerende kroon en een koninklijke diadeem. Pas aan het einde bereiken wij de volheid van het leven. Pas aan het einde bereiken wij onze bestemming.

Tenslotte is er ook een overeenkomst tussen de drie momenten van openbaring. De openbaringen zijn geen grootse gebeurtenissen. Telkens is het een klein clubje mensen die er getuige van zijn. De Wijzen uit het oosten, de omstanders bij de Doop in de Jordaan en vandaag zijn het eigenlijk alleen Maria en de leerlingen die werkelijk doorhebben wat er gebeurd. Openbaring vraagt niet om een grootscheepse campagne om vele mensen in een korte tijd te overtuigen. Openbaring is niet een kwestie van argumenten. Openbaring is het ondergaan van een ervaring. Openbaring heeft te maken met relaties tussen mensen.

Maria had dit moment van openbaring toen de engel Gabriël haar bezocht met de boodschap dat zij de moeder van Gods Zoon zou worden. Die gebeurtenis geeft haar het vertrouwen in Jezus. Vandaag zien we dat terug in haar optreden als het bruiloftsfeest in het water dreigt te vallen. De leerlingen hadden Jezus net leren kennen. Dit eerste wonderteken van Jezus heeft voor hen een enorme betekenis. Johannes schrijft: “En zijn leerlingen geloofden in Hem.”

Als wij op onze beurt ons geloof willen doorgeven, zullen ook wij ons vooral moeten richten op kleinschaligheid, op het spreken van mensen van mens tot mens en van hart tot hart. Zo kunnen wij ook zelf bronnen van openbaring zijn. Amen.

Openbaring van de kennis van het geheim; Ef 3,2-3a.5-6; Mt 2,1-12

“Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde.” Matteüs vertelt het verhaal van de wijzen uit het oosten tamelijk zakelijk. Hij geeft een feitelijk verslag zonder veel uitleg. Matteüs schrijft vanuit de joodse denkwereld. Hij schrijft voor mensen die deze wereld kennen en eruit voortkomen. Met veel citaten uit het Oude Testament maakt hij duidelijk wat de rol en wat het belang van Jezus is. Hier verwijst Matteüs uitdrukkelijk naar de Micha: “En gij Betlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman te voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël.” Als we dit verhaal lezen vanuit het Oude Testament is het niet langer een zakelijke opsomming van feiten maar wordt het tot een duidelijke boodschap: dit Kind is niet zomaar een kind, dit Kind is de lang verwachte Messias.

Paulus schrijft voor een geheel ander publiek. De christenen van Efeze hebben verschillende achtergronden. Er zijn er die uit het jodendom voortkomen en ook die eerder heiden waren. Deze laatste groep kende het Oude Testament niet, Dit in tegenstelling met de christenen uit het jodendom. Voor Paulus is het belangrijk de mensen te laten weten dat Christus ook voor de heidenen is gekomen: “dat de heidenen in Christus Jezus mede-erfgenamen zijn, medeleden en mededeelgenoten van de belofte door middel van het Evangelie.” Paulus maakt ons duidelijk dat deze laatste groep geen tweederangsburgers zijn. Zij horen er helemaal bij: zij zijn mede-erfgenamen, medeleden en mededeelgenoten van de belofte.

Dat is wat wij vandaag vieren: Christus is gekomen voor alle mensen. Hij is gekomen om iedereen te verlossen, iedereen gelukkig te maken en iedereen vreugde te brengen.

Paulus schrijft over de openbaring van de kennis van het geheim. De openbaring van de kennis van het geheim: drie woorden die nadere beschouwing nodig hebben. Openbaring, kennis en geheim: het zijn woorden die alle drie verschillende betekenissen hebben. In ons normale taalgebruik is een geheim of een mysterie iets wat de een wel weet en de ander niet. Dat is niet wat Paulus bedoelt. Bij hem gaat het over een geheim, een mysterie dat we zowel niet als wel kennen. Een geloofsgeheim blijft iets dat wij niet met ons verstand kunnen doorgronden. We kunnen het niet op een rationele wetenschappelijke manier verklaren. In die zin kunnen we het geloofsgeheim niet begrijpen, niet kennen. Van de andere kant kunnen we wel kennis van een geloofsgeheim hebben.

We hebben onze menselijke ervaring. Dat is niet alleen iets van het verstand. Het heeft te maken met heel ons wezen. Hart en hoofd komen er in samen. Wij zijn in staat een geloofsgeheim te ervaren. Zoals we liefde ervaren, zo kunnen we ook de aanwezigheid van God in ons leven ervaren. Op die wijze hebben we kennis van God en van zijn bedoelingen. Er zijn weinig mensen die niet weten wat liefde is en toch staan de meesten van ons met de mond vol tanden als we moeten vertellen wat liefde precies is. Meestal komen we niet verder dan wat liefde voor ons betekent. Zo is het ook met geloofsgeheimen: je kunt erover spreken en er het nodige over vertellen, maar je dringt nooit echt tot de kern door.

Dat is ook waar het met het woord openbaring omgaat. Openbaring is geen wetenschappelijk verhaal. Het is geen krantenbericht waarin alles eens goed uit de doeken wordt gedaan en de waarheid wordt blootgelegd. Openbaring heeft te maken met onze menselijke ervaring. Ons wordt iets geopenbaard als we ervaren wat het voor ons betekent. De leerlingen van Jezus hebben samen met Hem geleefd. Op die wijze hebben zij ervaren dat God in Hem aanwezig is. Zo hebben zij ervaren hoe het is te leven volgens Gods bedoelingen. In Jezus hebben zij Gods liefde voor alle mensen ervaren. Bij Johannes was dit zo sterk dat hij concludeerde: God is liefde.

Paulus schrijft dat wij door het Evangelie deelgenoten van de belofte zijn. Het Evangelie is het geheel van ervaringen van de leerlingen. Wij kunnen ons deze ervaringen eigen maken door te luisteren naar de lezingen of zelf in de Bijbel te lezen. We kunnen ook kennis nemen van wat het Evangelie voor anderen betekent. Tenslotte noemt Paulus de heilige Geest. De heilige Geest speelt een grote rol in de openbaring. Hij zorgt ervoor dat onze menselijke ervaringen openbaringen worden. Hij doet ons verstaan wat er gezegd wordt. Hij doet ons het geheim kennen.

Met de hulp van de heilige Geest mogen ook wij zelf bronnen van openbaring zijn. Mensen mogen aan ons ervaren wat God voor ons betekent. Op die manier kunnen zij weten wat God voor hen kan betekenen. Als wij de door Christus geopenbaarde liefde zichtbaar maken getuigen wij net als de wijzen van ons geloof. Dan betuigen ook wij de mensgeworden Zoon van God onze hulde. Dan zijn wij op onze beurt een bron van openbaring.

In wens u allen een zalig Nieuwjaar, een jaar van liefde en geloof. Amen.

Zalig Kerstfeest; Heb 1,1-6; Joh 1,1-18

Christenen wensen elkaar op deze dag een zalig, een gelukkig of een gezegend Kerstfeest. Als kind leerde ik welke mensen ik een zalig en welke een gelukkig Kerstfeest moest wensen. In de tijd van de verzuiling was dat zeker niet onbelangrijk. Protestanten en katholieken gebruiken verschillende woorden. Ondertussen heb ik geleerd dat de woorden zalig, gelukkig en gezegend synoniemen van elkaar zijn. Ze betekenen alle drie hetzelfde. Het is slechts een kwestie van wat gebruikelijk is.

Tegenwoordig hebben we te maken met geheel andere verschillen. Naast de christenen die elkaar een zalig, gelukkig of een gezegend Kerstfeest wensen, zijn er velen die elkaar prettige feestdagen wensen. Dit verschil is niet alleen een kwestie van een verschillende gewoonte. Nu hebben we te maken met werkelijk verschillende betekenissen. Gelukkig en prettig is bepaald niet hetzelfde. Ze kunnen heel goed samengaan, maar je kunt ook gelukkig zijn zonder dat de situatie prettig is en ook onder prettige omstandigheden kun je ongelukkig zijn.

Jezus maakt dit duidelijk met de zaligsprekingen, die we vinden aan het begin van de Bergrede. Hier maakt Hij duidelijk waarvoor Hij mens geworden is en wat het betekent dat Hij als het ware Licht in onze wereld is gekomen. De mensen die Jezus zalig of gelukkig noemt, leven niet direct een prettig of aangenaam leven. Zij hebben te maken met strijd: strijd voor waarheid, vrede en rechtvaardigheid. Zij gaan de weg van barmhartigheid en zachtmoedigheid.

In april van dit jaar verscheen er een brief van paus Franciscus: Verheugt u en juicht. Met deze brief roept de paus ons op onze roeping tot heiligheid te volgen. De vreugde die het volgen van deze roeping brengt, is voor ieder van ons bedoelt. Iedere gelovige wordt geroepen tot heiligheid. Dat vraagt geen speciale geloften, kwalificaties of diploma’s. Het gaat om het leven van alledag, om het goed doen van de gewone dingen. Iedereen is geroepen zijn leven op zijn eigen wijze goed te leven. Het gaat om het vinden van het geluk in het bijzondere van het gewone. De paus ziet de zaligsprekingen als de weg voor de christen, als de weg van heiliging. Hij schrijft: De zaligsprekingen zijn als de identiteitskaart van de christen. (63) “Het woord ‘gelukkig’ of ‘zalig’ wordt zo een synoniem voor ‘heilig’. Het geeft uitdrukking aan het feit dat zij die God trouw zijn en zijn woord naleven, door hun zelfgave het werkelijke geluk verkrijgen.” (64)

Het is een weg die tegen de stroom in gaat. De paus benoemt de gevaren van deze tijd en de verleidingen waaraan wij blootstaan. De weg van Jezus volgen, het pad van de heiligheid gaan, betekent dat je je niet laat verleiden en dat je anders durft te zijn. De weg van de heiliging, de weg van een gelukkig leven is duidelijk iets anders dan een prettig en comfortabel leven. Het gaat ook niet om een goede gezondheid en een lang leven. Dat zijn aangename zaken, maar zij zorgen niet voor het echte geluk. God wil dat wij mensen – zijn kinderen – echt gelukkig zijn. Daarvoor is Jezus, Gods Zoon mens geworden. Jezus laat ons zien dat wij het geluk vinden in de liefde voor God en voor elkaar. Hij heeft ons die liefde voorgeleefd en roept ons op zijn voorbeeld te volgen. Hij heeft ons zijn Geest gegeven om ons daarbij te helpen.

Wat maakt ons werkelijk gelukkig. Waar vinden we het licht. Vaak is het vooral duisternis wat we zien. De wereld is vol oorlog en geweld. Hebzucht en eigenbelang bepalen in grote mate ons leven. Ook wij zelf zijn niet vrij van gerichtheid op ons zelf. Ons geluk en onze vreugde ligt niet in de zelfgenoegzaamheid. Zij liggen niet in onze onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Juist in verbondenheid met elkaar komen wij tot ontplooiing. Binnen de gemeenschap worden wij werkelijk mens. Binnen de gemeenschap, in de relatie tussen mensen is Jezus aanwezig. Daar is zijn Geest werkzaam: de Geest van liefde en gemeenschap. Hij versterkt onze liefde voor elkaar. Hij maakt die liefde vruchtbaar. Hij vervult onze harten met echte vreugde.

Het lukt ons niet op eigen houtje de duisternis verjagen. Het licht moet ons aangereikt worden. Geluk, liefde en vrede zijn gaven die alleen God ons kan geven. Gods Zoon is mens geworden zoals wij. “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Jezus nodigt ons uit te worden zoals Hij, te leven zoals Hij ons heeft voorgeleefd. Dan wordt Hij ook in ons geboren: dan leeft Hij in ons en leven wij in Hem. Dan zijn wij mede-erfgenamen van al wat bestaat, van alle liefde en geluk. Dan stralen wij zelf het licht uit dat de duisternis verjaagt. Als wij onze harten openen voor God en voor onze medemens, treden wij in de voetsporen van Jezus, dan volgen wij de weg van heiligheid, dan wordt ons Kerstfeest werkelijk zalig, gelukkig en gezegend.

Ik wens u allen een zalig Kerstfeest. Amen.

De mens is geen plaag

Auteur: Cees Buisman
Titel: De mens is geen plaag: Over het gevaar van een onttoverde wereld
Uitgever: Bornmeer, 2018, derde druk
Prijs: € 15,-
ISBN: 978-90-5615-439-4
Aantal pagina’s: 148

“De technocratische oplossingen blijken averechts te werken. Ze maken ons niet gezonder, ze laten ons op zijn hoogst wat langer leven. Ze verbruiken veel meer water dan de oude technologieën. En het zijn elitetechnologieën die nog uitgaan van een wereldvisie waarin we niet hoeven te delen. Cees Buisman ziet niet de omvang van de wereldbevolking als een probleem, maar de westerse manier van denken. Hij citeert Mahatma Gandhi: “There is enough for everybody’s needs, but not every everybody’s greed.” Ook een wereldbevolking van tienmiljard mensen kan goed gevoed worden, maar niet op een wijze zoals wij westerlingen gewend zijn. Een dergelijke levenswijze voor iedereen betekent dat een miljard mensen al te veel zijn om duurzaam te kunnen voeden. Hierbij ziet hij de eindige hoeveelheid zoet water als een groter en ingewikkelder probleem dan het broeikaseffect.

Buisman is optimistisch. Hij ziet het bewustzijn van de mens, persoonlijk en gemeenschappelijk groeien en steeds minder egocentrisch worden. Dit maakt het mogelijk tot een nieuwe visie te komen, waarin met elkaar delen voorop staat: meer solidariteit en minder afgunst en hebzucht. We moeten ook accepteren dat de wetenschap niet op alles een antwoord heeft en dat de maakbaarheid van ons bestaan beperkt is. Daartegenover staat de visie “dat de mens moet leren leven met het grote mysterie waar we vandaan komen. De wereld is meer dan alleen de objectieve waarheid van de wetenschap. De huidige wetenschap en techniek zijn eerder de oorzaak van de milieuproblemen dan dat ze er een oplossing voor bieden. Hij doet een voorzet voor een duurzame natuurlijke technologie. Hierbij ligt de uitdaging er juist in om gebruik te maken van de oneindige complexiteit van de natuurlijke processen. “Een technologie die zich karakteriseert door mee te werken met de natuur in plaats van ertegenin te gaan. Buisman pleit voor een zinvol leven in plaats van met zelfzuchtig gedrag het geluk na te streven. Het gaat om geven in plaats van nemen. Het gaat er ook niet om zo lang mogelijk te leven. De dood is onderdeel van het mysterie en niet het gevolg van een technische onvolkomenheid.

Buisman richt zich op een breed publiek, seculier en religieus. Hij onderbouwt zijn betoog met vele feiten en illustreert het met sprekende voorbeelden. Hij geeft concrete oplossingen aan en ook een serie praktische tips voor een duurzame wijze van leven. Bij zijn levensbeschouwelijke ideeën zijn vraagtekens te plaatsen, maar dat doet niets af aan het belang van dit zeer leesbare boek.

 

Op 14 december 2018 gepubliceerd op de website Kerk en Milieu.

Bidden tijdens het hooien en bidden in de file

Het afgelopen kerkelijk jaar was door onze bisschop uitgeroepen tot Jaar van Gebed. In Kerk aan de Vliet hebben we het bidden van verschillende kanten belicht. Verschillende vormen van bidden zijn aan de orde geweest. Bidden kun je alleen en bidden kun je in gemeenschap, maar altijd is er het bewustzijn van de aanwezigheid van God.

Mijn gedachten gingen uit naar mijn kindertijd. Er werd in ons gezin veel gebeden: voor en na de maaltijden en ’s avonds de Rozenkrans. Het kortste gebed dat ik mij herinner, is van mijn grootvader, pake Pier. In de hooitijd waren hij en mijn ooms druk bezig het hooi te verzamelen en naar de schuur te brengen. Een of meer tantes kwamen dan met boterhammen en thee naar het land. Mijn grootvader bad dan: “Heer, u weet dat wij u danken. Amen.”

In de tijd dat ik in het bedrijfsleven werkte stond ik regelmatig in de file. Zeker de file ’s avonds op weg naar huis was een moment van bezinning. Niet dat ik daarbij voortdurend God in gedachten had, maar het was een duidelijk moment van rust. Dit kwam de omschakeling van werk naar thuis zeker ten goede.

Ten slotte wil ik u wijzen op de diaconale kant van het gebed. Bidden voor anderen is ook een daad van liefde. Met het gebed verbinden wij ons met de noden van onze naaste. Goed doen voor een ander vraagt altijd het aanvullende gebed. Zo worden wij ons ervan bewust dat we problemen niet op eigen kracht de wereld uit helpen. Dat ons handelen altijd te kort schiet en we Gods hulp maar al te zeer nodig hebben.

Artikel in Kerk aan de Vliet oktober/december 2018

Dichter bij Jezus

Auteur: Miranda Middag-Turato
Titel: Dichter bij Jezus: Mattheüs gedicht
Uitgever: MMT, 2018
Prijs: € 19,95
ISBN: 978-90 829123 0 2
Aantal pagina’s: 222

Miranda Middag grijpt terug naar het Middeleeuwse genre van de Rijmbijbel. Door de tekst in dichtvorm te gieten maakt zij het Evangelie volgens Mattheüs toegankelijk voor hen die minder vertrouwd zijn met de Bijbel. Met enige vrijheid volgt zij de tekst van Mattheüs. Hier en daar vult zij de tekst aan met toelichtingen op niet-alledaagse woorden, begrippen en situaties.

De gemakkelijk toegankelijke en eenvoudige taal maakt het boek zeer geschikt voor een eerste kennismaking met het verhaal over Jezus. De teksten lenen zich ook voor gebruik in laagdrempelige liturgie zoals kindervieringen.

Een roes van genieten; Lc 21,25-28.34-36

“Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven…” Afgestompt worden door de zorgen van het leven. Dat kan maar zo. Als we om ons heen kijken zien we dat iedereen voortdurend druk is met de zorgen van het leven. Druk, druk, druk… Het is een gevleugelde kreet in onze maatschappij. Als je niet druk bent, tel je niet echt mee. Maar waar blijft de tijd voor reflectie? Waar blijft de tijd voor aandacht voor elkaar? Waar blijft de tijd voor hoop en verwachting? Waar blijft de tijd voor gebed? Kijken we überhaupt wel uit naar de komst van de Heer?

Vandaag gaat het over de komst van Christus aan het einde der tijden. Maar het gebruikte beeld is ook van toepassing op ons eigen leven en op onze eigen sterfelijkheid. In de Handelingen der Apostelen lezen we over de marteldood van Stefanus. Vlak voor Stefanus sterft, roept hij uit: “Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.” (Hnd 7,56) Stefanus ziet aan het einde van zijn leven, op het moment van zijn sterven de Mensenzoon verschijnen in heerlijkheid. Het beeld van de komst van de Mensenzoon in zijn heerlijkheid is hier van toepassing op één enkele mens. Te midden van zijn lijden openbaart de Mensenzoon zich aan Stefanus. Wij mogen het beeld van het einde der tijden en van de komst van de Mensenzoon in heerlijkheid, dus direct op ons eigen leven en op onze eigen sterfelijkheid betrekken.

Jezus roept ons op tot waakzaamheid en tot gebed. Dat vraagt dat we ons niet laten bedelven onder de zorgen van het leven, dat ons daardoor niet volledig in beslag laten nemen. Naast de zorg van het leven waarschuwt Hij ons voor een roes van dronkenschap. Ik moest denken aan de bijlage van De Volkskrant van vorig weekeinde. Op de voorpagina van deze bijlage staat: “Plop! We feesten ons te pletter, niet alleen omdat het kan, maar ook omdat het moet…”

In het redactioneel wordt het thema nader omschreven. Hier vinden we een opsomming van hedendaagse feesten: Een gala om de basisschooltijd af te sluiten, een sweet sixteen, een 21-diner, een huwelijk in de vorm van een driedaags festival, een begrafenis met salsadans, het moment dat je kind één meter lang is en het einde van een burn-out. Bladerend door de verschillende artikelen vallen mij de volgende zaken op. Er is sprake van een complete feestindustrie. Een feest moet niet alleen maar leuk zijn, maar er ook mooi uitzien. Het moet steeds weer origineel zijn en steeds extremer. Men moet elkaar overtreffen en dat mag steeds meer geld kosten. En dat alles geldt ook voor de kinderfeestjes.

Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin en in een katholieke enclave in Friesland. Ik ben eraan gewend dat elke gelegenheid die zich voor doet, wordt aangegrepen om het leven te vieren. Maar de feesten van mijn jeugd lijken in het geheel niet op wat ik in deze bijlage van De Volkskrant tegenkom. De feesten van mijn jeugd verliepen altijd volgens vaste patronen. Juist geen originaliteit maar een vaste vorm waarin iedereen zich thuis voelde en waarbinnen er volop ruimte was voor aandacht voor elkaar. Geen nadruk op het individu maar op de gemeenschap. De eerste keer dat Joke, mijn vrouw, mij vergezelde op een huwelijksfeest in mijn geboortedorp, wilde zij van tafel tot tafel te gaan om met verschillende mensen een praatje te kunnen maken. Mijn jongste broer wees haar terecht. Dat doen wij hier niet. Je doet het met de mensen met wie aan tafel zit. Je gaat dus niet op zoek naar waar het leuk is voor jezelf. Nee, je bent deel van een gemeenschap.

Feesten zijn van alle tijden, maar hoe feest je: Ben op jezelf gericht of gericht op de ander? Is het alleen maar genieten of is het ook een uiting van dankbaarheid? Genieten is tegenwoordig een opdracht. Dat geldt zeker ook voor de generatie waartoe ik zelf behoor. Hoe vaak hoor ik niet zeggen: ik ben met pensioen, nu ga ik genieten. Moeiteloos maakt men de overstap van de zorgen van het leven naar een roes van genieten.

Waarom kiezen we er niet voor gewoon te leven in plaats van ons te verliezen in werk of in genieten. Jezus zegt ons: weest waakzaam en bidt. Het gaat erom om het leven in zijn volheid te leven, om de combinatie van zorg voor het leven, aandacht en zorg voor elkaar, waakzaamheid, reflectie en gebed, leven met hoop en vertrouwen, leven in het besef van de komst van de Heer. Juist een evenwichtig leven brengt ons vreugde. Dan is genieten geen opdracht, maar een geschenk. Dan beperkt het genieten zich niet tot de feesten maar is het deel van ons hele leven en is het zelfs aanwezig op de momenten van droefenis en tegenslag. Dan openbaart de Mensenzoon zich ook aan ons. Amen.

Dubbelgebod van de liefde; Dt 6,2-6; Mc 12,28b-34

Zo op het eerste gezicht hebben de schriftgeleerde en Jezus een aangenaam gesprek over een belangrijk onderwerp: Wat is het allereerste gebod? Als we tekst wat beter bestuderen, valt het op dat de mannen wel heel erg beleefd en vleiend naar elkaar zijn. Toen was en nog steeds is overdreven beleefdheid en overdreven vleierij geen teken van verbondenheid, maar juist van afstand scheppen. Als we het hele hoofdstuk uit het Evangelie volgens Marcus bekijken, zien we dat gesprek volgt op twee andere gesprekken. Eerst proberen farizeeën en herodianen Jezus te vangen met een strikvraag over het betalen van belasting aan de keizer. Daarna komen er sadduceeën met een vraag over de opstanding.

Beide keren weet Jezus de vragen juist te pareren en de vragenstellers erop te wijzen wat de essentie is van de problematiek die zij aan Hem voorleggen. De schriftgeleerde heeft het gehoord en probeert het op zijn manier door te vragen wat het allereerste gebod is. Ook de afsluiting van de tekst van vandaag maakt duidelijk dat er geen sprake is van vriendschap maar van vijandigheid. “En niemand durfde Hem nog een vraag stellen.” Deze opmerking maakt duidelijk dat hun opzet mislukt is en dat de drie gesprekken bij elkaar horen en één verhaal vormen.

Maar wat is hier de tegenstelling tussen Jezus en de schriftgeleerde? Waar gaat de discussie over? Ze zeggen vrijwel hetzelfde en gebruiken vrijwel dezelfde woorden. Jezus citeert het boek Deuteronomium. Het is de tekst die wij als eerste lezing hebben gelezen. Nadat Mozes de Tien Geboden heeft ontvangen, maakt hij deze aan het volk Israël bekend. Na het noemen van de Tien Geboden volgt deze tekst. De essentie van het onderhouden van de geboden is het liefhebben van God. Dat is de essentie van het verbond dat God met zijn volk heeft gesloten. Alle geboden vloeien voort uit dit liefhebben van God. Jezus voegt hier een tweede gebod aan toe: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” De twee geboden – God liefhebben en de naaste liefhebben – zijn volgens Jezus samen de voornaamste geboden.

Dit klinkt de schriftgeleerde niet vreemd in de oren. De tekst die Jezus gebruikt over het liefhebben van de naaste komt uit het boek Leviticus: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” Maar hier is het een gebod in een hele reeks geboden en niet zoals Jezus stelt dat dit gebod tot de kern van het geheel behoort. De schriftgeleerde weet dat en spreekt ook niet over een eerste en een tweede gebod. Maar hij weet ook wat de profeten hebben geschreven. Verschillende profeten hebben de liefde voor de naaste belangrijker geacht dan het brengen van brandoffers.

Het nieuwe van Jezus is dus dat Hij de twee geboden – God liefhebben en de naaste liefhebben – naast elkaar plaatst. Samen vormen zij de essentie van het nieuwe verbond van God met alle mensen, het verbond dat Hij, Jezus Christus tot stand brengt met zijn leven, zijn dood en zijn verrijzenis. God is mens geworden. Hij heeft de mensheid vervult met zijn goddelijkheid. God en mens zijn niet meer los van elkaar te zien. Het is niet mogelijk God lief te hebben zonder de naaste lief te hebben en omgekeerd is het niet mogelijk de naaste lief te hebben zonder God lief te hebben. Elders horen we Jezus zeggen: “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan.” (Mt 25,40) In onze naaste ontmoeten wij Jezus, in Hem ontmoeten wij God. En in het gezicht van de lijdende Christus zien wij het lijden van onze medemens. In Christus worden wij niet alleen met God verenigt. In Hem worden wij met al onze medemensen verenigd. In Christus vormen wij één lichaam. In Hem vormt de gehele mensheid één gemeenschap.

Dit is de basis van onze zorg voor elkaar. Omdat wij één lichaam, één gemeenschap vormen zien we naar elkaar om en lijden wij mee als een van ons te lijden heeft. Vandaag hebben we extra aandacht voor de mantelzorgers. Zij laten zien wat het betekent naar elkaar om te zien en voor elkaar te zorgen. Dat kan je hele leven in beslag nemen. Dat maakt dat mantelzorgers op hun beurt op onze aandacht en liefde mogen rekenen. Straks kunt u een bloem meenemen voor een u bekende mantelzorger. Volgende week is het de feestdag van Sint Maarten. Hij deelde zijn mantel met een verkleumde bedelaar. Op deze feestdag wordt er voedsel ingezameld voor de voedselbank. Talloze mensen in onze samenleving hebben er moeite mee de eindjes aan elkaar te knopen. Ook dit vraagt om onze daden van liefde. Achterin de kerk vindt u folders over de voedselinzameling. Uw bijdrage is zeer gewenst. Met uw bijdrage laat u zien dat het tweede gebod – de naaste liefhebben – inderdaad even belangrijk is als het eerste gebod – God liefhebben. Deze twee geboden vormen samen de essentie van ons leven. Amen.